Ik weet het, ik weet het: de schepper is zijn werk niet en de mooiste creaties zijn ook aan het verdorven brein ontsproten… maar soms is het zo moeilijk.
Neem bij voorbeeld de Franse componist Florent Schmitt. In de jaren dertig van de vorige eeuw ontpopte hij zich als een antisemiet en een groot bewonderaar van Hitler, tijdens de oorlog collaboreerde hij met het Vichy-regime.
Maar ik vind zijn muziek heel erg mooi, al haalt hij het niveau van zijn tijdgenoten en medeoprichters van Cociété musicale indépendante, Ravel, Fauré, Vuillemoz en Koechlin niet. In 1900 won hij Prix de Rome en tijdens zijn verblijf in Rome componeerde hij veel van zijn mooiste werken, waaronder Psaume XLVII en La tragédie de Salomé.
Kort na de première in 1920 van zijn avondvullend ballet Antoine et Cléopâtre haalde Schmitt twee suites er uit, maar echt repertoire houden deden ze niet. Zijn tweede symfonie componeerde hij toen hij al 87 was. Het is een aardig stuk muziek, best plezierig om naar te luisteren, maar echt beklijven doet het niet.
Het ligt niet aan de uitvoering: Sakari Oramo haalt uit het BBC Symphony Orchestra werkelijk alles wat er uit te halen is. De ietwat bedwelmende sfeer komt goed over en maakt dat je je in de klank kan onderdompelen. Wat zonder meer ook aan de onvoorstelbaar goede opname ligt, die is meer dan subliem. Wat een geluid!
FLORENT SCHMITT
Suites from ‘Antoine et Cléopâtre’
Symphony No.2
BBC Symphony Orchestra olv Sakari Oramo
Chandos CHSA 5200
Ooit, jaren geleden al heb ik de goden (en de staf van DNO) gesmeekt om The Greek Passion van Bohuslav Martinů op de repertoirelijst te zetten. Tevergeefs. Terwijl het geen nieuwe productie hoeft te zijn, integendeel zelfs! Er bestaat een prachtige enscenering gemaakt door David Pountney:
Het werd in 1999 in Bregenz oeruitgevoerd (het betrof hier de eerste versie van de opera), en ik raakte er een paar jaar later in Covent Garden erg door ontroerd.
In de door mij bezochte voorstelling werden de hoofdrollen vertolkt door Christopher Ventris als Manolios (Christus) en Douglas Nasrawi als Panait (Judas), en sindsdien hoop ik dat er ooit een DVD van wordt uitgebracht. Zo te zien tevergeefs…
Het onderwerp: vluchtelingen, corruptie, religieuze fanatisme, humanisme en de zoektocht naar identificatie was, is en zal altijd actueel blijven. Bitter, tragisch, maar ook mooi en zeer humaan. Martinů schreef er zelf het libretto voor, naar de roman ‘Ο Χριστός ξανασταυρώνεται‘ (Christus werd weer gekruisigd) van Nikos Kazantzakis. Het boek (en de opera) vertelt een verhaal van de overlevenden van een Turks bloedbad die onderdak zoeken in een Grieks dorp waar de lokale bevolking bezig is met de voorbereidingen voor hun jaarlijkse ‘Passie-voorstellingen’.
FILM
Er bestaan twee versies van de opera. De oorspronkelijke versie werd in 1957 door de toenmalige directie van het Royal Opera Huis afgewezen. De door Martinů drastisch bewerkte partituur werd pas in 1961 in Zurich uitgevoerd, na de dood van de componist. Deze ‘herziening’ werd in 1981 door Supraphon opgenomen en in 1999 voor televisie verfilmd (Supraphon SU 7014-9)
Vooralsnog moeten we daar genoegen mee nemen, althans wat beeld betreft. Niet dat het slecht is, integendeel, want er valt waanzinnig veel te genieten, maar het is een film en de rollen worden gespeeld door professionele acteurs die werkelijk hun best doen om ons te doen geloven dat ze ook zingen.
De verfilming doet sterk aan Zeffirelli denken. Als u zijn Cavalleria Rusticana hebt gezien, dan weet u wat ik bedoel. Er zijn prachtige beelden van het dorre landschap en de hitte en droogte zijn haast voelbaar. De soundtrack komt van de opname door het Brno Philharmonic Orchestra onder leiding van Charles Mackerras (need I say more?) met o.a. John Tomlinson als de priester Grigoris, John Mitchinson als Manolios, Helen Field als Katerina en de solisten van het Welsh National Opera.
CD
Onlangs is er op Oehms (OC 967) de eerste, oorspronkelijke versie van de opera verschenen, live opgenomen in Graz in maart 2016. De uitvoering is zonder meer goed. De Zwitserse tenor Rolf Romei is een zeer ontroerende Manolios en Dshamilja Kaiser een overtuigende Katerina. Het Grazer Philharmonisches Orchester wordt zeer idiomatisch en zeer aansprekend gedirigeerd door Dirk Kaftan.
Naar de foto’s in het tekstboekje (en de fragmenten op You Tube) te oordelen was de productie ook prachtig om te zien. Waarom geen DVD?
Soms vraag ik mij af: is Blauwbaards Burcht een echte opera? Of eerder een dramatische symfonie? Een opname op LSO Live (LSO0685), in februari 2009 live geregistreerd in Barbican onder leiding van Valery Gergiev, klinkt eerder als een in donkere kleuren gestoken sprookje, met een onoverkomelijk droef, maar niet tragisch einde.
Het met symbolen overladen libretto heeft hier niets gruwelijks en is eerder melancholisch dan huiveringwekkend. De toon wordt al in de proloog gezet, hier prachtig (in het Engels) gedeclameerd door Willard White. Hij begint met ‘Once upon a time….’, en zijn mooie, warme bas maakt dat je, gelijk Judith, verliefd op hem wordt.
Elena Zhidkova, die op het laatste moment de ziek geworden Katarina Dalayman heeft vervangen is een echte ontdekking. Haar prachtige mezzo klinkt ongetwijfeld Slavisch, maar zonder de lelijke borsttonen. Gelaten laat ze zich door alle deuren heen leiden, meer een mysterieuze, in haar lot berustende Mélisande, dan een nieuwsgierige Judith.
Het Hongaars van beide zangers klinkt niet echt idiomatisch (Bartók had er niets op tegen dat zijn opera in andere talen werd uitgevoerd), maar ze gaan zo zorgvuldig met de tekst om dat het op de een of andere manier goed te volgen is, zelfs als je de taal niet kent.
Het London Symphony Orchestra onder leiding van Valery Gergiev klinkt opvallend lyrisch. Zo heb ik de opera nog niet eerder gehoord.
GEORG SOLTI OP FILM-DVD
Eind jaren zeventig, begin tachtig was Sylvia Sass één van de meest belovende jonge sopranen op het opera firmament. Ze zong in het ROH, in La Scala, in de MET ……
En toen was ze weg. Zomaar. Haar carrière heeft maar een paar jaar geduurd. Waarom het misging? Zoals gebruikelijk: te snel te zware rollen. Wat niet hielp, was haar Callas-imitatie, waardoor je soms de indruk kreeg met een gekloonde versie van La Divina te maken te hebben.
De rol van Judith nam ze in 1980 voor Decca op, met Kolos Kováts als de sonore Blauwbaard. Het London Philharmonic Orchestra stond onder de zeer spannende leiding van Georg Solti. Geen wonder, niemand kende zijn ‘Bartóks’ beter dan hij.
In 1981 werd de opname als een soundtrack gebruikt bij de film, die de Miklós Szinetár maakte voor de Hongaarse TV (Decca 0743254). De beelden zijn zonder meer mooi, een beetje aan de donkere kant, maar dat mag, het moet tenslotte eng blijven.
Sass ziet er prachtig uit, acteren kan ze ook als geen ander, maar haar hoogte is een beetje geknepen, gelukkig is er niets mis met haar laagte. Het kostuum van Kováts daarentegen kan me niet bekoren, die vind ik bespottelijk. Maar het geheel is beslist de moeite waard om te bekijken.
Braunfels’ muziek is twee keer gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ hebben bestempeld. Hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen maar de muziek van Braunfels (én Zemlinsky, én Korngold, én Schreker) wordt nog steeds te weinig uitgevoerd.
Superblij ben ik dus met de Braunfels-cyclus van de Duitse label Capriccio: inmiddels zijn we bij deel vier beland. Het is niet zo dat we nu de verloren gewaande meesterwerken gaan ontdekken, maar: moet dat? Ook de middelmaat – mits goed en geloofwaardig uitgevoerd verdient een plaats op de podia.
In de ‘Zwei Hölderlin-Gesänge’ hoor je Braunfels op zijn best. Hij had iets met de menselijke stem, niet voor niets zijn zijn opera’s en liederen zo fascinerend! De liederen worden goed gezongen door Paul-Armin Edelmann, toch betrap ik mij op de gedachte dat er misschien wat meer uit te halen valt. Edelmann beschikt over een mooie, warme bariton met een zeer aangenaam timbre, maar zijn interpretatie mist iets wezenlijks.
Hij wordt ook niet echt geholpen door het orkest, van de dirigent straalt weinig inspiratie af. Daar gaat ook de Schottische Fantasie voor altviool onder gebukt. Barbara Buntrock speelt prima, dat wel, maar ook zij lijkt weinig bezield.
Carnival Ouvertüre op.22, Zwei Hölderlin-Gesänge op.27, Schottische Phantasie op.47, Präludium und Fuge op.36
Barbara Butrock (altviool), Paul-Armin Edelmann (bariton)
Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Phalz olv Gregor Bühl
Capriccio C5308
STRIJKKWARTETTEN
Nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving van de Bodensee. Zijn beide strijkkwartetten zijn daar ontstaan.
Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef hij.
Voor zijn eerste kwartet gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.
Het tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.
Walter Braunfels
String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2
Geen van de door Palazetto Bru Zane in april 2016 en september 2017 opgenomen werken van Charles Gounod behoort tot het standaard repertoire, iets wat mij hoogst verbaast.
Met zijn drie cantates Marie Stuart et Rizzio (1837), La Vendetta (1838) en Fernand (1839) dong Gounod voor de prijs van het prestigieuze concours Prix de Rome. Met de eerste twee tevergeefs, pas de derde heeft hem de fel begeerde prijs opgeleverd; met als de hoogste beloning een driejarig verblijf in de Villa Medici in Rome.
Van de drie kleine meesterwerkjes – want dat zijn ze! – is alleen de laatste tijdens zijn leven uitgevoerd. Hoe onterecht! Zijn ‘scènes lyrique’ kun je beschouwen als de voorbode van wat komen gaat, bovendien laten ze zijn enorm dramatisch talent als operacomponist zien.
Gabrielle Philiponet en Sébastien Droy zingen de rollen van Marie Stuart en Rizzio zeer overtuigend. Judith Van Wanroij schittert in de rol van Zelmire (Fernand), het moslimmeisje dat in 1492 Granada probeert te ontvluchten. Ook de tenor Yu Shao en bas Nicolas Courjal zijn zonder meer goed. Yu Shao is – naast de sopraan Chantal Santon-Jeffey de ster van de korte La Vendeta.
Tijdens zijn verblijf in Rome hield Gounod zich voornamelijk bezig met het bestuderen van de oude polyfone Italiaanse kerkmuziek, een ideaal dat hij nastreefde in zijn geestelijke composities. Het meest werd hij beïnvloed door Giovanni Pierluigi da Palestrina , zijn Messe vocale voor onbegeleid koor is gecomponeerd in de stijl van de renaissancemeester.
De uitvoeringen door het Vlaams Radiokoor en het Brussels Philharmonisch Orkest gedirigeerd door Hervé Niquet kunnen gewoon niet beter. Het is vanwege Gounods 200ste geboortejaar dat Ediciones Singulares en Palazetto Bru Zane zich over al die schitterende composities hebben ontfermd en al dat moois in een prachtig boekwerk hebben verpakt. Het is een gelimiteerde uitgave van 3500 exemplaren dus: haast u!
CHARLES GOUNOD
Cantates et musique sacrée
Gabrielle Philiponet, Chantal Santon-Jeffery, Judith van Wanroij (sopraan)
Caroline Meng (mezzosopraan)
Artavazdn Sargysan, Sébastien Droy, Yu Shao (tenor)
Alexander Duhamel (bariton), Nicolas Courjal (bas)
Flemish Radio Choir; Brussels Philharmonic olv Hervé Niquet
Palazetto Bru Zane ES 1030
Het was tijdens zijn huwelijksreis in 1951 dat Leonard Bernstein met het componeren van zijn eerste opera ‘Trouble in Tahiti’ is begonnen.
Leonard Bernstein with Felicia Cohn Montealegre at their wedding on Sept. 9, 1951. Bernstein’s suit had previously belonged to Serge Koussevitzky. (Courtesy Music Division/Library of Congress
Hij tekende niet alleen voor de muziek, maar ook voor het libretto, dat volgens zijn biograaf Humphrey Burton sterk autobiografisch was en geënt op het huwelijk van zijn ouders. Bernstein zelf omschreef het als een “licht werkje, geïnspireerd door populaire songs” en droeg het stuk op aan zijn goede vriend Marc Blitzstein, die hem de eerste beginselen van het muziektheater had bijgebracht
Bernstein with composer and friend Marc Blitzstein. Photographer unidentified. (Music Division)
Het werk mag dan licht zijn, lichtvoetig is het beslist niet. Beschouw het als een satirische karikatuur op het leven van een doorsnee Amerikaans echtpaar in een buitenwijk (Suburbia) in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Voor de buitenwereld vormen zij een gelukkig koppel maar in het echt zijn ze diep ongelukkig, zowel met elkaar als met het leven dat zij leiden. Ondanks de verworvenheden van de welvaart.
De opera begint met – en wordt becommentarieerd door – een vocaal trio dat het idyllische leven van de Amerikaanse middenklasse bezingt. Een soort hedendaags Grieks koor die meer doet denken aan de Andrew Sisters, denk ook aan de radiocommercials uit die tijd.
De Britse regisseur Tom Cairns verfilmde de opera in 2001 voor de televisie in de stijl die zo kenmerkend was voor de komedies uit de jaren vijftig met Doris Day in de hoofdrol.
Karl Daymond is niet te versmaden als een zowel vocaal en scenisch onnavolgbare Sam en Stefanie Novacek is een meer dan een overtuigende Dinah.
Tom Randle, Toby Stafford-Allen en Mary Hegarty (het Griekse koor) zingen en acteren op het hoogst mogelijk niveau. Een absolute must.
Leonard Bernstein
Trouble in Tahiti
Karl Daymond, Stefanie Novacek, Tom Randle, Toby Stafford-Allen, Mary Hegarty
City of London Sinfonia olv Paul Daniel
Regie: Tom Cairns
Opus Arte OA 0838 D
Claude Debussy die als impressionist pur sang de muziekgeschiedenis is ingegaan was niet alleen één van de allergrootste maar ook de meest vooruitstrevende en geavanceerde Franse componisten van zijn tijd. Hij overleed honderd jaar geleden, op 25 maart 1918: zie hier de reden voor veel (her)uitgaven van al zijn werken. Volkomen terecht trouwens, want wat mij betreft hebben we nooit genoeg Debussy.
Bij DG en Hyperion zijn onlangs twee nieuwe opnamen met zijn (vrijwel dezelfde) pianowerken verschenen, gespeeld door resp. Seong-Jin Cho en Stephen Hough. Het schreeuwt om een vergelijking, zeker ook omdat de opvattingen van beide meesterpianisten behoorlijk van elkaar verschillen.
Deze slideshow vereist JavaScript.
Nu is het niet zo dat ik vind dat je Debussy soft moet spelen, maar bij Stephen Hough is de nuchterheid – voor mij – te overheersend en zijn aanslag te hard. De irritatie begint al bij ‘Hommage à Rameau’(Images I): Hough slaat de akkoorden zo hard aan dat ik zowat van mijn stoel val. Iets wat hij ook in deel drie, de ‘Mouvement’ herhaalt. Wat een mokerslag!
Trailer van de opname van Stephen Hough:
Geef mij maar Seong-Jin Cho! Zonder in een softe pseudo impressionistische gezever te vervallen raast hij als een zachte wervelwind over de toetsen zonder ze schijnbaar aan te raken. Over beweging gesproken! In ‘Cloches à travers les feuilles’ (Images II) bindt Hough in, maar in vergelijking met Cho klinkt hij mat en ongeïnspireerd.
In Children’s Corner zijn beide pianisten aan elkaar gewaagd en in ‘Golliwog’s cake –walk’ gaat mijn voorkeur naar Hough die van de stuk een lang verhaal in miniatuurvorm weet te maken. Uitzonderlijk. Jammer genoeg keert hij in L’isle joyeuse naar zijn nuchtere, prozaïsche en harde spel terug. Daarin overtuigt Cho mij alweer beter, onder zijn handen klinkt de stuk zo ontzettend sprankelend!
Mijn geliefde Suite Bergamasque ontbreekt helaas op de recital van Hough, daarvoor in de plaats speelt hij de Estampes. Daar is uiteraard niets mis mee, integendeel, maar voor mij is de overbekende maar o zo mooie ‘Clair de Lune’ een soort ijkpunt als het om de pianowerken van Debussy gaat. Juist vanwege zijn overbekendheid is het stuk voor mij een soort lakmoesproef om de oprechtheid van de pianist te testen. Schmiert hij? Of gaat hij juist de andere kant op en weigert er iets van een gevoel in te stoppen? Hierin had ik graag beide pianisten met elkaar willen vergelijken maar dat gaat dus niet.
Gelukkig stelt Cho mij hier niet teleur en kiest voor genoeg sentiment zonder in valsheid te vervallen. Mooi! En wat de Estampes betreft: Hough speelt ze onwaarschijnlijk mooi. Maar hoe zou Cho ze hebben aangepakt?
Link naar Seong-Jin Cho:
Estampes, Images I, Images II, Children’s Corner, La plus que lente, L’isle joyeuse
Stephen Hough
CDA 68139
Images I, Images II, Children’s Corner, Suite Bergamasque, L’isle joyeuse
Seong-Jin Cho
DG 4798308
Merkwaardige man, die Henze. Ooit flirtte hij met het communisme en droomde van een wereldrevolutie, maar hij was ook een estheet en een erudiet wat hem in 1953 – mede – deed besluiten om Duitsland vaarwel te zeggen en naar Italië te verhuizen.
Zijn muziek is altijd zeer theatraal geweest: hij heeft het nooit zo gehad met de strenge regels van het serialisme en voelde zich nauw verbonden met de opera, die hij, in tegenstelling tot de toenmalige hardliners van de avant-garde, nooit als verouderd had bestempeld. Zijn discografie vermeldt dan ook meer dan twintig muziektheaterwerken, die met grote regelmaat worden opgevoerd.
DIE BASSARIDEN
Die Bassariden behoort tot Henze’s beste en belangrijkste composities. Het libretto, naar ‘De Bacchanten’ van Eurypides, werd geschreven door W.H.Auden (kan iemand zich nog de ‘Funeral Blues’ uit Four Weddings and a Funeral herinneren?) en Charles Kallman.
Het is een massieve, doorgecomponeerde partituur geworden, verankerd in de wagneriaanse traditie (er wordt gefluisterd dat de librettisten er op stonden, dat Henze, vóór hij zich op het componeren stortte, de ‘Götterdammerung’ ging bestuderen) en gebouwd als een vierdelige symfonie met stemmen.
Het verhaal over koning Pentheus, die door alle zinnelijkheid te willen verbannen in strijd raakt met Dionysus en zijn adepten en aan het eind door zijn eigen moeder wordt verscheurd dient als een metafoor voor het conflict tussen Eros en Ratio.
De opera is (in de Duitse vertaling) tijdens de Salzburger Festspiele in augustus 1966 in première gegaan. Het werd een enorm succes, wat één van de recensenten zelfs de kreet ontlokte dat Richard Strauss eindelijk een opvolger had gekregen. Hetgeen Henze lachend terecht van tafel veegde met een simpele “waar heeft de man zijn oren”?
Een paar jaar geleden werd de live opgenomen premièrevoorstelling door Orfeo (C 605 032 1) uitgebracht. Het zeer emotioneel spelende Wiener Philharmoniker komt onder de bezielde leiding van Christoph von Dohnányi tot ongekende hoogtes.
Kostas Paskalis is zeer geloofwaardig in zijn rol van Pentheus en Kerstin Meyer ontroert als Agave.
Jammer alleen dat er geen libretto werd bijgeleverd, het is tenslotte geen alledaagse kost.
Das Urteil der Kalliope, intermezzo uit Die Bassariden :
L’UPUPA
Bijna veertig jaar later werd er in Salzburg een nieuwe (en tevens de laatste, zo beweerde de toen bijna 80-jarige componist) opera van Henze opgevoerd: L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe. Het was een opdrachtwerk van de Salzburger Festspiele, en de première in het Kleines Festspielhaus in augustus 2003 werd live opgenomen voor de dvd (EuroArts 2053929).
Het libretto, een op Syrisch-Persische verhalen gebaseerd sprookje, werd door Henze zelf geschreven. De drie zonen van De Oude Man gaan op zoek naar L’Upupa (een hop), een door de man verloren vogel met de gouden veren. De twee oudsten laten het meteen afweten en vermaken zich met drinken en kaartspelen. De jongste, Kasim (een voortreffelijke rol van Mattias Goerne), bijgestaan door een Papageno-achtige ‘Demon’ doorstaat allerlei avonturen, waaronder ook een aanslag op zijn leven door zijn broers. Maar hij vindt de vogel en terloops ook nog een geliefde in de gedaante van een Joodse Prinses (Laura Aikin) en keert naar zijn oude vader terug. Om meteen weer te vertrekken, deze keer om een gedane belofte na te komen. Een open eind dus, dat ook een prachtig beeld en een ontroerende muziek oplevert.
De tekst is bij vlagen zeer komisch, maar ook zeer poëtisch. De decors en kostuums van Jürgen Rose zijn werkelijk oogverblindend, en de regie van Dieter Dorn zeer intelligent. Er wordt ook meer dan voortreffelijk gezongen en geacteerd, met name door de werkelijk onnavolgbare John Mark Ainsley als de Demon.
DER PRINZ VON HOMBURG
Op Arthaus Musik (100164) vindt u een andere schitterende opera van Henze: Der Prinz von Homburg. Het werd in 1994 in Bayerischer Staatsoper in München opgenomen en de regie van Nikolaus Lehnhoff is werkelijk onnavolgbaar goed.
Het verhaal van een dagdromende prins, die tijdens de oorlog de bevelen niet goed weet op te volgen en tot de doodstraf wordt veroordeeld maar wordt vrijgepleit zodra hij zijn straft aanvaardt, is gebaseerd op een toneelstuk van Heinrich von Kleist.
François Le Roux lijkt geknipt voor de hoofdrol, maar ook de rest van de cast: William Cochran, Helga Dernesch, en Marianne Häggander is bijzonder sterk.
MEMOIRS OF AN OUTSIDER
Van harte kan ik u ook de, door Barrie Gavin in 1994 gemaakte documentaire over Henze aanbevelen (Arthaus Musik 100360). Aan het woord komen – behalve de componist zelf en zijn Italiaanse vriend – ook Simon Rattle en Oliver Knussen, die openhartig bekent dat zijn eigen muziek nooit iets was geworden zonder de invloed van Henze. Dat alles is doorspekt met muziekfragmenten en met prachtige archiefbeelden. Als toegift krijgt u een schitterende uitvoering van Henze’s absolute meesterwerk, zijn Requiem.
De exacte datum en de plaats van zijn dood zullen voor altijd onbekend blijven. Het laatste wat we van Paul Hermann (1902 – 1944) hebben vernomen is dat hij opgepakt werd tijdens een grote straatrazzia in Toulouse in april 1944 en via het doorgangskamp Drancy overgebracht werd naar Auschwitz en verder naar Litouwen. Sindsdien werd er niets meer van hem vernomen.
Paul Hermann en Zoltán Székely
De Joodse Hermann werd geboren in Boedapest, waar hij aan de Franz Liszt Academie studeerde bij o.a. Adolf Schiffer (cello), Zoltán Kodály (compositie) en Léo Weiner (kamermuziek). Sinds die tijd dateert ook zijn innige vriendschap met violist Zoltán Székely en pianist Géza Frid.
Tijdens een optreden in Nederland maakte hij kennis met de Nederlandse Ada Weevers met wie hij trouwde en met wie hij tot 1933 in Berlijn woonde. Toen Hitler aan de macht kwam, vestigde het gezin zich in Oudorp in Nederland (leuk weetje: Hermann sprak en schreef voortreffelijk Nederlands). Na de tragische dood van zijn vrouw verhuisde Hermann eerst naar Brussel en later naar Parijs.
Hermann met vrouw en dochter
Hermann was voornamelijk beroemd als cellist (hij werd de ‘Hongaarse Casals’ genoemd), zo speelde hij de wereldpremière van solocellosonate van Kodály en eind jaren dertig trad hij vaak op in het Concertgebouw in Amsterdam; maar hij was ook een begenadigd componist. Na de oorlog raakte hij – net als zovele van zijn lotgenoten – in de vergetelheid.
Portretten van componisten die vervolgd en verboden zijn in Nederland tijdens Wereldoorlog 2:
Het is dankzij de Leo Smit Stichting dat wij nu kennis kunnen maken met zijn muziek, waarvoor DANK! Zijn Grand Duo uit 1930, oorspronkelijk gecomponeerd voor en uitgevoerd met Zoltan Szekely, krijgt nu een uitstekende vertolking van Burkhard Maiss en Bogdan Jianu. Wat een ongekend prachtig werk is het toch!
De Strijktrio en de Pianotrio stammen uit het begin jaren twintig, toen Hermann nog aan het Liszt-Academie studeerde. Dat er in beide, zeer prettig in het oor klinkende werken een prominente rol aan de cello is toebedeeld is nogal wiedes.
De droevige liederen die Hermann in impressionistische stijl na de dood van zijn vrouw componeerde worden zeer ontroerend gezongen door Irene Maessen.
ENGLISH TRANSLATION
The exact date and place of his death still remain unknown. The last that was heard of Paul (Pál) Hermann (1902-1944) was that he got arrested during a big street razzia in Toulouse in April 1944 and was deported from the Drancy transit camp to Auschwitz, and from there on to Lithuania. After that, no trace of Hermann was ever found.
The Jewish Hermann was born in Budapest, where he studied at the Franz Liszt Academy with, amongst others, Adolf Schiffer (cello), Zoltán Kodály (composition) and Leó Weiner (chamber music). His close friendships with violinist Zoltán Székely and pianist Géza Frid originated during these years.
After a concert in the Netherlands Hermann met the Dutch Ada Weevers whom he married, and with whom he lived in Berlin until 1933. After Hitler’s rise to power, the family moved to Ouddorp in the Netherlands (interesting fact: Hermann spoke and wrote excellent Dutch). After the tragic death of Hermann’s wife he first moved to Brussels, then to Paris.
Although Hermann was most widely known as a cellist he was a talented composer as well. He made his international breakthrough with Kodály’s Sonata for solo cello. Dutch newspapers would call him the “Hungarian Casals” when he regularly performed at the Concertgebouw in the late 1930’s.
After the war, as so many of his fellow victims, he was forgotten.
Portraits of persecuted composers in Netherlands during World War II:
Thanks to the Leo Smit Foundation it is now possible to listen to his music again, for which I would like to say a big thank you!
His Grand Duo from 1930, originally composed for and performed by Zoltan Szekely, now gets an outstanding performance by Burkhard Maiss and Bogdan Jianu, What an unbelievably beautiful work this is!
The String Trio and the Piano Trio date from the early 1920’s when Hermann still was a student at the Liszt-Academy. It comes as no surprise that both works, which fall easy on the ears, have a prominent role for the cello.
The sad songs Hermann composed in an impressionistic style after his wife’s death are sung very movingly by Irene Maessen.
FORBIDDEN MUSIC IN WORLD WAR II
PAUL HERMANN
Grand Duo for violin and Cello, String Trio, Piano Trio, Cello Concerto, Songs, Quatre Épigrammes, Allegro for Piano, Tocata for Piano, Suite for Piano
Burkhard Maiss (violin); Hannah Strijdbos viola), Bogdan Jianu, Clive Greensmith (cello); Andrei Banciu, Beth Nam (piano); Irene Maessen (soprano)
Et’cetera KTC 1590 (2 cd’s)
Met de zee valt net zo min te spotten als met het noodlot. Beiden eisen hun tol ongeacht de omstandigheden, smeekbeden of omkooppogingen. Op de jonge Ivo rust een vloek: zodra zijn vrouw in verwachting raakt zal hij door de zee verslonden worden. Zo verging het zijn vader, zo is het ook zijn tweelingbroer vergaan.
Maar dat je niet aan je noodlot kunt ontkomen dat weet een ieder die ooit van Oedipus heeft gehoord en als het in de sterren staat dat je leven in de golven eindigt dan verdrink je, ook al is er geen zee in de buurt. Bij wijze van spreken dan want de zee, die is in de De Kinderen der Zee hoorbaar aanwezig.
Bij de eerste noten van de ouverture ruist het en deint het en stormt het… Hoe visueel wil je je noten hebben? Beeldender kan het niet, het is expressionisme ten top.
Lodewijk Mortelmans
De Kinderen der Zee van de Belgische componist Lodewijk Mortelmans (1868-1952) beleefde zijn première – zonder succes – in 1920 en de ontgoochelde componist bewerkte het tot een 90 minuten durende suite, waarvan nu de helft door Phaedra is opgenomen. Het laatromantische idioom spreekt mij zeer aan, net als het verhaal in verzen van Raf Verhulst. Sterker: ik ben behoorlijk onder de indruk.
De uitvoering is meer dan subliem. Dirk Vermeulen laat het Württembergische Philharmonie Reutlingen spelen alsof hun leven er van afhangt, adembenemend!
Liesbeth Devos (Stella) is voor mij een ware ontdekking. Haar kristalzuivere sopraan is buitengewoon aangenaam om naar te luisteren en haar stemacteren bewonderenswaardig.
Peter Gijsbertsen zingt een ontroerende Ivo, in die rol is hij voor mij werkelijk onnavolgbaar. Wat is zijn stem toch mooi en warm geworden! Werner van Mechelen (Petrus) completeert de cast uit duizenden.
‘Ellen’ op de tekst van Frederik van Eeden (Gijsbrecht) en ‘Als de ziele luistert’ (Devos) completeren de ‘Mortelmans-sectie’, maar er zijn nog liederen en aria’s van Peter Aerts en August de Boeck.
Hieronder zingt Liesbeth Devos de Cantilene van Francesca uit La Route d’Emeraude van August de Boeck:
LODEWIJK MORTELMANS:
De Kinderen der Zee (fragmenten
Ellen, een Lied van de Smart
PETER AERTS:
In Flanders’ Field
AUGUST DE BOECK:
C’est en toi, bien aimé
Cantilene van Francesca
Recitatief & Aria van Prinses Zonnestraal
Liesbeth Devos (sopraan), Peter Gijsbertsen (tenor), Werner van Mechelen (basbariton)
Württembergische Philharmonie Reutlingen olv Dirk Vermeulen
Phaedra PH 92097 • 77’