Als het waar is, dat Gideon Klein het Divertimento al in 1940 heeft gecomponeerd dan is hier sprake van een hele belangrijke muzikale ontdekking. Tot nu toe werd er namelijk aangenomen dat alle werken die Klein voor zijn internering in Terezín componeerde verloren zijn gegaan. Helaas, het summier ogende boekje met alleen een kort verhaaltje over de componisten en de uitvoerenden laat ons in het ongewisse. Klopt het jaartal dan wel? Het werk(je) zelf is aangenaam en makkelijk in het gehoor liggend.
Het blaaskwintet van Pavel Haas stamt uit 1929. Het is zeer sterk beïnvloed door Janácek, sinds 1920 zijn leermeester en grote voorbeeld. Het tweede deel van het kwintet is van een ontroerende schoonheid. Het zal me niet verbazen als het ‘Preghiera’ een eigen leven ging leiden op een compilatie cd.
Hieronder ‘La Preghiera’, uitgevoerd door het Belfiato Quinten:
De grootste ontdekking voor mij echter is het nonet van Rudolf Karel (1880 – 1945). De minst bekende van de ‘Theresienstadt componisten’ blijkt beslist niet de minst begaafde te zijn! Het werk is ontstaan toen Karel in de ziekenbarak van een Praagse gevangenis verbleef. Op de binnengesmokkelde stukjes toiletpapier voorzien van notenbalken schreef hij zijn composities, die dan onmiddellijk naar buiten werden gebracht.
Hieronder het Nonet van Rudolf Karel, uitgevoerd door Orquesta de Cámara del Auditorio de Zaragoza “Grupo Enigma” – OCAZEnigma:
Gideon Klein (toen 24 jaar oud) en Pavel Haas zijn in Auschwitz vergast. Rudolf Karel is in Theresienstadt gestorven. Štepan Lucký hoort er niet echt bij. Zijn Divertimento gecomponeerd in 1974 is van een andere tijd, stijl en kwaliteit. Waarom hij erbij moest is mij een raadsel.
De uitvoeringen zijn meer dan voorbeeldig. Het nonet van Karel waarin het Academia Wind Quintet versterkt wordt door de leden van het befaamde Panocha Quartet vormt het hoogtepunt.
Het Nonet van Rudolf Karel, plus nog wat composities van Haas, Klein en Schulhoff kunt u ook op Spotify beluisteren, in de uitvoering van het Bayerische Kammerphilharmonie olv Israel Yinon:
Gideon Klein, Pavel Haas, Rudolf Karel, Štêpán Lucký
Chamber compositions
Academia Wind Quintet Prague, Panocha Quartet olv Vladimír Válek
Supraphon SU 3339-2131
Het DSCH – Shostakovich Ensemble komt uit Portugal. Niet echt een land dat je met prestigieuze projecten op het kamermuziekgebied associeert. En al helemaal niet als het om de muziek van de grote sarcastische Rus gaat. Zijn muziek heeft hij volgestopt met verwijzingen naar zijn vaderland, waarbij hij de pijnlijke thema’s van de Jodenvervolging niet schuwde. Het Ensemble werd door de pianist Filipe Pinto-Ribeiro in Lissabon in het jaar 2006 opgericht. Het was het jaar van de eeuwfeest van de geboorte van componist Dmitri Sjostakovitsj, vandaar ook de naam van het Ensemble.
Over dat Portugees-zijn: behalve de oprichter zitten er geen Portugezen bij. De meest in het oog springende naam is die van de cellist van Adrian Brendel en ja, hij is inderdaad de zoon van Alfred. Maar ook de altvioliste Isabel Charisius is geen onbekende in het kamermuziek genre, ooit was zij een prominent lid van het Alban Berg Quartet.
Het Ensemble is zeker een groep om in de gaten te houden. Niet alleen spelen ze op het allerhoogste niveau, ze hebben ook heel wat te vertellen. Zeker in Sjostakovitsj van wie ze nu alle kamermuziekwerken voor piano en strijkers hebben opgenomen.
Shostakovich Complete Chamber Music for Piano and Strings – teaser:
Dat ik het niet altijd met hun visie eens ben doet hier niet ter zake. Zeker wat de tweede pianotrio betreft. Die heb ik veel schrijnender uitgevoerd gehoord, waarbij de pijn voelbaarder was. Wat de pianokwintet betreft: daarin kunnen ze zich met de laatst uitgekomen uitvoering door het Belcea Quartet en Piotr Anderszewski meten, al vind ik ze ook hier iets te mild. Kwestie van opvatting?
De cellosonate daarentegen wordt hier zo ontzettend goed gespeeld dat ik mij er totaal in heb kunnen verliezen en de sonate voor altviool en piano heb ik niet eerder zo waanzinnig goed uitgevoerd gehoord.
DMITRI SHOSTAKOVICH
Complete Chamber Music for Piano and Strings
DSCH-Shostakovich Ensemble
PARATY718232
Settings for the 1865 premiere of a L’Africaine (press illustrations). The stage designs for Act I (Council Scene) and Act II (Dungeon Scene) were created by Auguste-Alfred Rubé and Philippe Chaperon; for Act III (Sea Scene and Shipwreck) and Act IV (Hindu Temple), by Charles-Antoine Cambon and Joseph-François-Désiré Thierry; for Scene 1 of Act V (Queen’s Garden, not shown), by Jean Baptiste Lavastre; and for Scene 2 of Act V (The Machineel Tree), by Edouard-Désiré-Joseph
SHIRLEY VERRETT
Shrirley Verrett (Selika) en Plácido Domingo (Vasco da Gama) in San Francisco
Vasco da Gama (ja, de Vasco da Gama) houdt van Inès, maar als er een gevaar voor zijn eigen leven dreigt gaat hij zich achter de Afrikaanse koningin, Sélika, schuilen. Arme Sélika! Zij houdt oprecht van hem, maar op het moment dat Inès weer ten tonele verschijnt, moet zij opzij gaan. Dat doet zij ook letterlijk, door aan een van de giftige bloemen te ruiken.
Natuurlijk gebeurt er in de opera veel meer, voornamelijk muzikaal. Ik vraag mij dan ook af hoe het komt, dat de opera nog maar zo weinig wordt uitgevoerd.
Ligt het aan de zwakke mannelijke hoofdrol, die voornamelijk de roem nastreeft? Hij heeft in ieder geval een pracht van een aria van Meyerbeer gekregen, wellicht één van de mooiste ooit: ‘Pays merveilleux/Oh paradis’:
Domingo heeft altijd vertrouwen in de opera gehad en heeft da Gama meerdere keren gezongen. Het is ook dankzij hem dat de opera in de jaren zeventig een kleine revival beleefde.
Er bestaat ook een piratenopname op cd (Legato Classics LCD-116-3), met in de hoofdrol Shirley Verrett en de werkelijk geniale Norman Mittlemann als Nelusco. Het is uit 1972, maar er wordt nergens vermeld waar het opgenomen is. Maar aangezien dat jaar een serie voorstellingen in San Francisco hebben plaatsgevonden, met Verrett, is het eigenlijk volkomen duidelijk.
De geluidskwaliteit is slecht, maar niet getreurd: de opera werd later ook voor tv opgenomen, zodat we er nu met volle teugen van kunnen genieten op dvd (Arthaus Music 100217).
De werkelijk prachtige productie werd gemaakt door Lotfi Mansouri (regie) en Wolfram en Amrei Skalicki (bühnebeeld en kostuums). Inès wordt gezongen door een (letterlijk) mooie, lichte coloratuursopraan Ruth Ann Swenson en Justino Díaz doet zijn best om ons te overtuigen dat hij eng is. Dat moet u echt gezien hebben!
MONTSERRAT CABALLÉ
In 1977 werd de opera in het Teatre Liceu in Barcelona opgenomen, wederom met Plácido Domingo als Vasco da Gama. Maar of ik deze opname kan aanbevelen? Niet echt. Montserrat Caballé is een mooie maar weinig overtuigende Sélika en Juan Pons heeft betere dagen gehad en Christine Weidinger is een niet meer dan een fatsoenlijke Inez. (Legato Classics LCD 208-2).
MARTINA ARROYO
In november 1977 werd L’Africaine live in Monaco opgenomen met een prima Martina Arroyo in de hoofdrol. In het tekstboekje staat dat het waarschijnlijk de meest complete uitvoering van de partituur is die ooit is geregistreerd. Helaas is Giorgio Casellato-Lamberti een zwakke Vasco da Gama maar de prachtige Nélusco van Sherrill Milnes maakt veel goed (Myto 3MCD 011.235)
Antônio Carlos Gomes (1836-1896) wordt wel eens de ‘Braziliaanse Verdi’ genoemd. Niet zonder reden: niet alleen zijn muziek, maar ook zijn sterk nationalistisch gekleurde thema’s doen sterk aan zijn Italiaanse collega denken.
Ik ben een groot liefhebber van de opera’s van Gomes en ik denk niet dat ik alleen ben. Het verbaast mij dan ook zeer dat zijn opera’s niet de bekendheid genieten die ze verdienen. Tijdens zijn leven was hij zeer succesvol, tegenwoordig is hij zowat helemaal vergeten, al worden zijn opera’s nog her en der opgevoerd.
Plácido Domingo is altijd de grootste voorvechter van de muziek van Gomes geweest en het is alleen aan hem te danken dat Il Guarany in 1994 in Bonn uitgevoerd en live door Sony (66273) werd opgenomen.
Toegegeven, het libretto is af en toe lachwekkend. Stel je maar twee rivaliserende Indianenstammen voor, die zowel met de Portugese edelen, Spaanse avonturiers en met elkaar vechten. Er komen ook kannibalen voorbij, er worden goudmijnen beroofd en kastelen in de fik gestoken en tussendoor gaat een mooie blanke met de Indianenhoofd ervandoor, maar eerst moet hij natuurlijk gedoopt worden. Het is niet na te vertellen, maar de muziek is zo goddelijk!
Domingo zingt Pery, de Guarany-Indiaan met een enorme gevoel van stijl, daar wordt je vanzelf stil van. Een draak van een rol, maar hij gelooft er in.
Ik ben nooit een grote bewonderaar van Verónica Villaroel (Cecilia) geweest en ook hier klinkt ze een beetje geknepen. Carlos Álvarez daarentegen is niet te versmaden als Gonzales en ook de rest van de cast is mooi.
Hieronder de finale van de opera:
Misschien ben ik een beetje bevooroordeeld (ik ben er bij geweest!), maar ik kan u allemaal de opname zeer aanbevelen.
COLOMBO
Bij de Italiaanse firma Bongiovanni (GB 2429-2) is in 2008 Gomes’ Colombo uitgekomen. De ‘Braziliaanse Verdi’ componeerde het werk, een vierdelige cantate, ter gelegenheid van het vierhonderdste herdenkingsjaar van de ontdekking van Amerika.
Colombo is een zeer verrassend werk. De muziek is zo beeldend dat je zelfs zonder het libretto – bijgesloten in een zeer informatief tekstboekje- je precies kunt voorstellen waar het verhaal over gaat.
Het werk werd in mei 2006 live opgenomen in Teatro Massimo in Catania, met in de hoofdrol de zeer charismatische bariton Alexandru Agache.
De naam van Friedrich von Flotow is voor eeuwig verbonden met maar één opera, Martha. De première vond plaats in Wenen in 1847 en daarna is de opera aan zijn zegetocht begonnen door landen en continenten. Dat de partituur zo geliefd is (of eigenlijk was want de uitvoeringen behoren tegenwoordig tot zeldzaamheden) ligt voornamelijk aan Caruso die in 1906 de opera in de Metropolitan Opera zong.
Zijn opname van ‘M’appari’(‘Ach so Fromm’) werd één van de grootste kascrackers allertijden en er is geen tenor die het niet op zijn repertoire heeft staan. Maar ook de sopraan kreeg van de componist iets prachtigs te zingen, want wie kent ‘The Last Rose of Summer’ (Letzte Rose) niet?
Hieronder Lucia Popp:
Verder heeft de opera weinig te bieden maar vermakelijk is het wel. Het is komisch, men verkleedt zich en er wordt een soort verstoppertje gespeeld.
Naar de foto’s te oordelen was de productie in Frankfurt heel erg leuk om te zien. Spijtig dat het niet op dvd is uitgebracht want van de muzikale gehalte sec moeten we het niet hebben. Er wordt zeer fatsoenlijk gezongen, voornamelijk door Maria Bengtsson (Lady Harriet), het orkest speelt ook prima maar het is niet voldoende om een niet al te sterke opera een nieuwe boost te geven.
FRIEDRICH VON FLOTOW
Martha
Maria Bengtsson, Katharina Magiera, Barnaby Rea, AJ Glueckert, Björn Bürger, Franz Mayer e.a.
Frankfurter Opern-und Museumorchester, Chor der Oper Frankfurt olv Sebastian Weigle
Oehms OC 972
Ik moet eerlijk bekennen dat de naam Gordon Getty bij mij alles behalve muziekbelletjes doet rinkelen en toch behoort hij tot de meest prominente hedendaagse Amerikaanse componisten. Gordon is de zoon van de industrieel J. Paul Getty (die van de olie én het museum in Los Angeles) en met zijn geschat familievermogen van 5 miljard dollar één van de rijkste Amerikanen.
Pentatone heeft iets met de componist. De Nederlandse firma heeft al eerder ettelijke cd’s met zijn muziek uitgebracht en voor de nieuwste release werden diverse koorwerken van Getty opgenomen. Voor zijn traditionele composities in romantische stijl gebruikte Getty zijn eigen gedichten als ook de poëmen van John Keats, Lord Byron, John Masefield, Sara Teasdale, Edwin Arlington Robinson en Ernest Christopher Dowson. Tevens maakte hij ook een nieuw arrangement van ‘Shenandoah’, een traditionele Amerikaanse folksong.
Het is mijn muziek niet, maar laat dat maar aan het Groot Omroepkoor over! De uitvoering is gewoon top en het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van James Gaffigan speelt meer dan voortreffelijk.
En eerlijk is eerlijk: een liefhebber van traditionele koorwerken met een groot gebaar en vol onvervalste romantiek komt hier ruimschoots aan zijn trekken.
De opname klinkt trouwens meer dan geweldig.
Gordon Getty
Beauty Come Dancing
The Netherlands Radio Choir and Radio Philharmonic Orchestra olv James Gaffigan
PTC 5186621
Ik liep al een tijd rond met het idee om over de moderne Amerikaanse opera’s te schrijven, want nergens ter wereld is opera zo levend als daar. Romantisch, minimalistisch, dodecafonisch: voor elk wat wils.
Maar vraag de eerste de beste doorsnee operaliefhebber (de diehards kennen kun Heggies, Barbers en Menotti’s wel) een Amerikaanse operacomponist te noemen: wedden dat ze niet verder dan Philip Glass en John Adams komen? Hoe dat komt? Omdat wij, Europeanen, onze neus ophalen voor de Amerikaanse cultuur en ons in alles superieur voelen. Daarom.
Deze maand is het precies twintig jaar geleden dat in San Francisco een belangrijke Amerikaanse opera ten doop werd gehouden: A Streetcar named desire van André Previn, naar het toneelstuk van Tennesee Williams. Ik was er bij.
De verwachtingen waren hooggespannen. A Streetcar Named Desire van Tennesee Williams behoort tot de bekendste én de belangrijkste Amerikaanse toneelstukken. De verfilming ervan door Elia Kazan in 1951 heeft niet alleen voor wereldwijde erkenning gezorgd maar heeft het stuk ook een echte cultstatus bezorgd; en de hoofrolspelers – merkwaardig genoeg op Marlon Brando na – werden allemaal met een Oscar beloond.
Het toneelstuk werd nog tweemaal verfilmd, zonder succes. Niet zo vreemd: er zijn weinig films – of drama’s – die zo intens met de naam van de acteurs zijn verbonden. Toch, het was de ultieme droom van Lotfi Mansouri, de toenmalige baas van de San Francisco Opera om van ‘Streetcar’ een opera te maken. Leonard Bernstein werd benaderd maar toonde geen interesse.
De keuze viel uiteindelijk op André Previn, een keuze die voor sommigen een beetje raar leek, tenslotte had hij nog nooit een opera gecomponeerd.
Voor het libretto tekende Philip Littel, een oude rot in het vak, op zijn naam staat o.a. The Dangerous Liaisons, een opera die twee jaar eerder met groot succes in première is gegaan. Colin Graham deed de regie en voor de hoofdrollen werden grote zangers-acteurs gecast.
Libretto volgt het toneelstuk vrijwel op de voet en gaat zelfs de moeilijkste details niet uit de weg. Er zijn wel kleine cuts gemaakt en Littel permitteerde zich een kleine toevoeging: de Mexicaanse bloemen verkoopster met haar sinistere ‘Flores, flores para los muertos’ komt aan het einde van de derde akte terug, met een duidelijke boodschap voor Blanche. Voor mij lichtelijk overbodig.
Het toneelbeeld leek sprekend op de filmbeelden. De eerste scène al: mist, een huisje met de trap naar de bovenburen en Blanche, met het koffertje in haar hand ’They told me to take a streetcar named Desire…” zingend bezorgde de filmliefhebber een feest van herkenning.
In de muziek zijn flarden Berg, Britten, Strauss en Puccini waarneembaar en het ligt makkelijk in het gehoor. De sfeer wordt mede bepaald door sterke jazzinvloeden en je hoort veel trompet- en saxofoon solo’s. Logisch, het speelt zich tenslotte af in New Orleans.
De opera is doorgecomponeerd, maar bevat talrijke aria’s: Stella en Mitch krijgen er één, er is een duet voor Stella en Blanche, en Blanche zelf wordt zeer rijkelijk bedeeld.
Alle aanwezigen speculeerden welke noten Stanley te zingen zal krijgen bij zijn beroemde ”Stelllllaaa!!!”
Geen, dus. Rodney Gilfrey (Stanley) ging, net als Marlon Brando in de film onder aan de trap staan en schreeuwde. En net als in de film kwam Stella terug. De volgende ochtend werd zij neuriënd wakker. En op Blanche’s reageerde ze met een prachtige grote aria “I can hardly stand it”
Elisabeth Futral zorgde voor een ware sensatie in haar rol van Stella. Gezegend met een schitterende, lichte, wendbare sopraan zong zij de sterren van de hemel en werd door pers en het publiek ovationeel bejubeld.
De rol van Stanley Kowalski was Rodney Gilfrey op het lijf geschreven. Mij deed hij zelfs, al was het voor even Brando vergeten. Hoe hij het deed, weet ik niet, maar hij kon zingen en kauwgum kauwen tegelijk! Hij zag er bijzonder aantrekkelijk uit in zowel het gescheurde witte T-shirt als in de “red silk pajamas”. Jammer genoeg kreeg hij van Previn geen aria te zingen, wat hem als persoon nog onsympathieker maakte.
Mitch werd zeer gevoelig gezongen door de toen mij nog onbekende tenor Anthony Dean Griffey, en Blanche…. André Previn heeft de rol speciaal voor Renée Fleming geschreven en dat kon je horen. Sensationeel.
Inmiddels heeft Fleming haar grote aria ‘I Want Magic’ aan haar repertoire toegevoegd en in de studio voor de gelijknamige recital-cd vastgelegd.
CD
De opera werd live door DG opgenomen en in de serie 20/21 (muziek van onze tijd) op de markt gebracht.
DVD
De opera is inmiddels een klassieker geworden en wordt ook in vele operahuizen in vele landen op de planken gebracht maar de kans dat u de opera ooit in Nederland te zien krijgt is vrijwel nihil. Gelukkig werd het ook op dvd opgenomen (Arthaus 100138) . Daar heb ik niet zo lang geleden weer eens naar gekeken.
“Whoever you are – I have always depended on the kindness of strangers” zingt Blanche Du Bois (Fleming) en verdwijnt in de verte. Zij wordt afgevoerd aan de hand van een psychiater, die ze voor een aanbidder aanziet.
Haar woorden echoën noch na, in de verte speelt een trompet, en de strijkers nemen de blues over. De hitte is voelbaar, het doek valt en ik zoek naar een zakdoek. Daarvóór heb ik tweeëneenhalf uur op het puntje van mijn stoel gezeten en vergat zelfs het glas whisky, dat ik vulde aan het begin van de opera.
Mensen: koop de dvd en laat je meesleuren. Het is zonder meer één van de beste opera’s van de laatste twintig jaar.
Renée Fleming in gesprek met André Previn over de opera:
THE KINDNESS OF STRANGERS
‘The kindness of Strangers’ is ook de titel van een film over André Previn:
Puccini was een man van Amore, met een hoofdletter ‘A’. Al het andere was er aan ondergeschikt, ook de revoluties en de (wereld)oorlogen.
De ‘piccole cose’ van het leven, daar draaide het bij hem om. En al deed hij werkelijk zijn best om ook cynische of komische elementen in zijn werk door te voeren, toch kwam hij altijd bij zijn uitgangspunt terug: de allesomvattende en verslindende liefde. Een liefde, waar zijn heldinnen ook aan onderdoor gingen. Was het niet door de ziekte of zelfmoord dan wel door de zelfopoffering.
Daar is Magda, ‘de zwaluw’ uit zijn gelijknamige opera, geen uitzondering in. Met een verleden als de betere courtisane denkt zij geen toekomst te kunnen bieden aan een jonge student en – gelijk Violetta uit La Traviata – besluit zij hem te verlaten en terug te keren naar haar rijke, liefdeloze leven in de Parijse salons. Waarmee zij ook toegeeft aan de wensen van, in dit geval, la mamma.
De opera speelt zich af in 1850, maar Graham Vick verplaatste hem naar honderd jaar later. Ik ben geen Vick liefhebber maar in dit geval kan ik zijn productie zeker waarderen. De sets en de kostuums doen aan de Hollywoodfilms uit die tijd denken en Magda (een voortreffelijke Fiorenza Cedolins, wat een verademing om in die rol een dramatische stem te horen) lijkt een vleesgeworden Marylin Monroe.
De rest van de cast is goed maar niet uitzonderlijk.
Giacomo Puccini
La Rondine
Fiorenza Cedolins, Fernardo Portari, Sandra Pastrana, Emanule Giannino, Stefano Antonucci; Orchestra and Chorus of the Teatro La Fenice olv Carlo Rizzi
Regie Graham Vick
Arthaus Musik 101329
Daar heb ik zo’n vijfendertig jaar geleden werkelijk een vermogen voor betaald, voor de twee slecht gekopieerde cassettebandjes met Il Giuramento van Saverio Mercadante, op 9 september 1979 live opgenomen in Wenen. En nu de Oostenrijkse Omroep ORF de een na de ander live opgenomen opera uit hun archieven opdiept en op cd’s overzet, kwam ook deze prachtopera – voor weinig geld en in een voortreffelijke geluidskwaliteit – op de markt (Orfeo C 6800621).
Il Giuramento is, net als La Gioconda, gebaseerd op het toneelstuk ‘Angelo, tyran de Padoue’ van Victor Hugo, maar tussen beide werken zit een wereld van verschil. ‘La Gioconda’ is een zeer gepassioneerde, bij vlagen overweldigende opera en bevat een keur aan (over)bekende aria’s. Denk aan ‘Suicidio’ of ‘Cielo e mar’. Il Giuramento is kleiner, intiemer. Denk aan Bellini met een vleugje vroege Verdi.
De hele opera is eigenlijk niet anders dan een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren zonder mee te willen zingen. Of het moet ‘Compita è ormai la giusta e terribil vendetta’ zijn, een pracht van een aria met veel weemoed en elan gezongen door Domingo
Domingo heeft de voor hem geheel nieuwe rol in vier dagen (!) ingestudeerd en was – na maar één repetitie – voor de zieke Peter Dvorsky ingesprongen. Doe het hem na!
Mara Zampieri had, in tegenstelling tot veel van haar hedendaagse collega’s een zeer eigen geluid waar je wel of niet van kon houden, maar je kon haar onmogelijk met een ander verwarren. Haar zilvergekleurde, zinnelijke sopraan mengt prachtig met het gouden fluweel van Agnes Baltsa (toen nog zonder de lelijke registerbreuk die haar latere optredens zo ontsierde) en in ‘Oh! Qual nome pronunziaste’ smelten hun stemmen samen tot een prachtige eenheid, die zo mooi is dat het pijn doet.
Het gebeurt nog maar zelden dat ik het jammer vind dat een opera alleen voor de cd, zonder beeld dus, is opgenomen. Meestal kan ik de ‘regisseurs-ideeën‘ missen als kiespijn: ik heb een groot voorstellingsvermogen en zit niet verlegen om toiletpotten, rolstoelen en meer van de, aan de zieke fantasie ontsproten verzinsels. Maar soms is een visueel aspect zeer wenselijk. Zeker als het om een nieuw gecomponeerd werk gaat en naar de foto’s van de voorstelling te oordelen je met een zeer fatsoenlijke en eerlijke weergave van het libretto te maken had.
In oktober 2017 beleefde L’Invisible, de nieuwste opera van Aribert Reimann een zeer goed ontvangen première aan de Deutsche Oper Berlin. Voor zijn nieuwste creatie heeft Reimann drie stukken van Maurice Maeterlinck: ‘L’Intruse’, ‘Intérieur’ en ‘La Mort de Tintagiles’ als uitgangspunt genomen en ze samengevoegd tot een beknopte opera-mini-trilogie.
Trailer van de productie:
Het is een buitengewoon fascinerend werk geworden dat in tegenstelling tot zijn eerdere opera’s de melodie niet schuwt en veel meer verwantschap vertoont met een Pelléas et Melisande dan zijn eigen, ik noem maar wat, King Lear of Medea. Alsof hij de atonaliteit niet zo zeer heeft afgeschaft maar gepolijst en van een poëtische glans voorzag.
Het is de dood die als het ‘onzichtbare’ in alle drie de hoofdstukken de hoofdrol opeist. Reimann heeft het stuk opgedragen aan zijn broer, die op 12-jarige leeftijd stierf toen het ziekenhuis waar hij in 1943 verbleef, werd gebombardeerd. De zeer sterke partituur is thrillerachtig, meedogenloos en meeslepend wat niet in tegenspraak is met de zeer poëtische taal van de muziek. Adembenemend.
De cast is meer dan uitstekend, met Rachel Harnisch voorop in haar veeleisende rollen van Ursula/Marie /Ygraine.
Als Der Onkel/Der Fremde weet Thomas Blondelle mij aan mijn stoel te nagelen en Stephen Bronk is een voortreffelijke Grossvater/Der Alte/Aglovale.
Donald Runnicles houdt de spanning goed vast. Een aanwinst.
ARIBERT REINMANN
L’Invisible
Rachel Harnisch, Annika Schlicht, Ronnita Miller, Seth Carico, Stephen Bronk, Thomas Blondelle, Salvador Macedo e.a.
Das Orchester der Deutschen Oper Berlin olv Donald Runnicles en Ido Arad
Oehms OC 973