cd/dvd recensies
Jerzy Fitelberg herontdekt
Wordt de muziekwereld eindelijk wakker? Niet als het aan de grote platenfirma’s ligt, bij hen worden we nog altijd veroordeeld tot Bachs, Beethovens en Wagners; maar gelukkig bestaan de kleine labels nog. Chandos, bij voorbeeld. Een tijd geleden verrasten ze ons met de cd met kamermuziekwerken van Paul Ben–Haim, nu weten ze mij overgelukkig te maken met Jerzy Fitelberg.
Was Ben-Haims naam nog her en der een beetje bekend, Fitelberg is het niet.
Althans Jerzy, want van zijn vader Grzegorz, die een beroemde dirigent was, bestaan nog voldoende oude opnames.

Jerzy Fitelberg (1903 – 1951) werd geboren in Warschau en studeerde eerst met zijn vader die hem als percussionist in het orkest van het Nationale Theater liet spelen.
Om aldus ervaring op te kunnen doen. Vanaf 1922 studeerde hij compositie bij o.a. Franz Schreker in Berlijn. In 1927 maakte hij naam door Sullivan’s Mikado te re-orkestreren voor Erik Charell’s operette-revue in Grosses Schauspielhaus in Berlijn. In 1933 vluchtte hij eerst naar Parijs en daarvandaan naar New York.
Fitelberg behoorde tot de favoriete componisten van o.a. Copland en Artur Rubinstein. Zelf omschreef hij zijn compositiestijl als “vol energie en hoogspanning van een Stravinski gecombineerd met de harmonische complexiteit van Hindemith en kleuren van Franse muziek van Milhaud. Plus de hoognodige satire”.
Zijn werken werden tot aan zijn dood vaak uitgevoerd, daarna verdwenen ze van het toneel. Tot ruim zestig jaar later het ARC Ensemble (ja, dezelfde die ook de cd van Ben-Haim heeft ingespeeld) de draad heeft opgepakt.
Het eerste strijkkwartet uit 1926 begint met een kordate Presto, die mij veel aan Medelssohn doet denken, maar lang duurt het niet. Algauw komen er Slavische thema’s voorbij om plaats te maken voor de melancholieke Meno mosso. Mooi.
Het in 1928 met prijzen overladen tweede strijkkwartet lijkt in de verte een beetje op Janaček, maar dan met Poolse in plaats van Moravische dansen op de achtergrond. De sonatine voor twee violen vermengt alle tegenstrijdigheden uit de late jaren dertig: entertainment, jazz en een (voorzichtige) atonaliteit.
Fisches Nachtgesang, een nachtmuziek voor klarinet, cello en celesta is zo mooi dat het pijn doet. Het doet mij aan een nachtkaars denken, die voorzichtig uitgaat. Toegedekt met de sussende woorden ‘ga gerust maar slapen doe je je ogen toe’, maar echt gerustgesteld ben je niet.
De zeer aanstekelijk spelende leden van het Canadese ARC Ensemble zijn in het dagelijks leven allen werkzaam op het Glenn Gould Conservatorium. Wat een cd! Tien met een griffel!
Jerzy Fitelberg
Chamber Works
String Quartets Nos 1 and 2
Serenade; Sonatine; Nachtmusik ‘Fisches Nachtgesang’
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10877
PAUL BEN-HAIM
Pique Dame, discografie
De schoppenvrouw heeft voor mij altijd iets verontrustends gehad. Ik vertrouwde haar niet. Het ontbeerde haar nu eenmaal aan de liefelijkheid van de harten-, de wijsheid van de ruiten- en de treurigheid van de klavervrouw. Ik ervoer haar als dreigend.
In de opera van Tsjaikovski staat zij symbool voor de ooit bloedmooie gravin die, zoals de legende wil, in haar jeugd haar hele fortuin met het kaartspel heeft verloren en het met behulp van zwarte magie weer terugwon.
De opera is dan wel naar de “kaarten alter ego” van de gravin vernoemd, maar de echte hoofdrol behoort Herman toe. Een nogal vreemde jonge man met bezeten ogen, van wie wij weinig tot niets weten. Gelukkig maar, zou ik zeggen, het komt de spanning en de mysterie alleen maar ten goede.
In de roman van Poesjkin, waar de gebroeders Tsjaikovski hun opera op baseerden, is Herman een Duitser die aan het eind geen zelfmoord pleegt maar krankzinnig wordt en in een psychiatrische inrichting wordt opgenomen.
Lisa (in het boek geen kleindochter maar gezelschapsdame van de gravin) overleeft haar misgelopen affaire en trouwt met een rijke man.
Moet u het allemaal weten voordat u naar de opera gaat?
Alsjeblieft niet! Vandaar ook dat ik van harte hoop dat Stefan Herheim, die de Pique Dame bij ons gaat regisseren de roman negeert en zich beperkt tot waar de opera over gaat: muzikale ontleding van obsessies. Over een tot het absurdum gevoerde verslaving aan gokken, aan liefde, aan geld, aan macht, aan alles eigenlijk. En over een alles overheersende waanzin waar ook Lisa aan ten prooi valt en waardoor zij zich gedraagt alsof zij door de duivel werd bezeten. Dit is wat er ook in de partituur staat.
GEGAM GRIGORIAN

Deze in 1992 in Mariinski opgenomen productie is een feest voor de liefhebber van de traditionele enscenering, waar geen plaats is voor updating en zoeken naar verborgen bedoelingen. Alle decors zijn superrealistisch, er is uitgebreid aandacht besteed aan alle details en ook de kostuums lijken uit de mottenballen te zijn gehaald.
Dat het geheel toch niet heel erg oubollig overkomt is niet zozeer aan de regisseur (Yuri Temirkanov, de bekende dirigent en voormalig artistiek directeur van het Kirov) te danken, als wel aan de werkelijk superieure zangersteam.
De in maart 2016 overleden Armeense tenor Gegam Grigorian maakt van Herman een klein broertje van Otello, een ware prestatie.
Maria Gulegina is, ondanks kleine intonatieproblemen, een schitterende Lisa: verscheurd en hartbrekend.
Sergei Leiferkus zet een solide Tomsky neer en Ludmila Filatova imponeert als de oude gravin. Jammer alleen van de ondermaats bezette Yeletsky door Alexander Gergalov, maar het is hem gauw vergeven, tenslotte heeft hij maar één aria om te verpesten.
Gergiev dirigeert bezield, al is hij de subtielste niet. (Philips 070434-9)
VLADIMIR GALOUZINE

De in 2005 in Parijs opgenomen productie van Lev Dodin hebben we een paar jaar eerder in Amsterdam meegemaakt: DNO bracht het al in 1998 op de planken.
Lev Dodin is een gerenommeerde toneelmaker en een grote Poesjkin liefhebber, vandaar dat hij terug wilde naar het oorspronkelijke verhaal (daar gaan we weer!), dat volgens hem door de gebroeders Tchaikovsky grondig werd verprutst.
Hij bedacht een op zich “logische” formule, waarin het hele verhaal enkel bestaat in de herinneringen van de geesteszieke Herman. Ik denk dat ik er wellicht mee zou kunnen leven als Dodin de muziek niet ondergeschikt had gemaakt aan zijn concept en niet in de partituur had gesneden: hij heeft zowat 20 minuten van Tsjaikovski’s muziek geschrapt en voegde een gesproken tekst toe. Ik beschouw het als een echte misdaad.
Muzikaal zit het echter snor. Rozhdestvensky heeft de partituur in zijn vingers en er wordt uitstekend in gezongen, voornamelijk door Vladimir Galouzine als Herman. Hij lijkt met die rol volkomen te zijn vergroeid en dwingt bewondering af voor zijn schitterende prestatie, zowel vocaal als theatraal.
Hasmik Papian is een ontroerende Lisa en als Polina horen we de jonge Christianne Stotijn. (Arthouse Music 107317
MISHA DIDYK
Hier ben ik echt stil van geworden.
Van de onvoorstelbaar mooie traditionele productie in de regie van Gilbert Deflo, die zowel het libretto als de partituur tot in de details trouw volgt en daarbij ook nog eens uitdagend en ongemeen spannend is (Barcelona 2010).
Van de dirigent (Michael Boder) die de muziek met fluwelen handschoenen aanpakt, de juiste richting in stuurt en een sfeer creëert waarin pastorale scènes, liefelijke liedjes en volksdansjes elkaar met horror, angst en dood afwisselen.
Stil ook van de zangers, die alles geven wat zelfs de meest kritische mens kan verlangen. Micha Didyk is Herman. Hij zit eruit als Herman, hij gedraagt zich als Herman en hij zingt de rol zoals alleen de echte Herman het kan: gepassioneerd, geobsedeerd en tot waanzin toe gedreven. Waarlijk: ik denk niet dat er tegenwoordig nog een zanger bestaat die zich met hem in de rol kan meten. Weergaloos.
Ik kan mij ook geen betere gravin voorstellen dan Ewa Podleś: imponerend. Schitterend ook de beide baritons Lado Atanelli (Tomsky) en Ludovic Tézier (Yeletsky) en de warme Russische mezzo Elena Zaremba (Polina). Tel de oudgediende maar zeker niet vergeten Stefania Toczyska in de kleine rol van de gouvernante er bij…. Top.
Een klein beetje moeite heb ik met Emily Magee: zij oogt en klinkt voor de rol iets te oud. Als ik aan Lisa denk dan denk ik aan Natasja (Oorlog en Vrede) of Tatjana (Jevgeni Onjegin): een opgewonden jong meisje en niet een rijpe vrouw.
Desalniettemin: een absolute must. (Opus Arte OA BD 7085)
een fragment:
Met de beelden van de productie in uw hoofd kunt u achterover leunend naar de opname onder Mariss Jansons luisteren. Bij wijze van spreken dan, want ook bij Jansons is de spanning om te snijden.
Larissa Diadkova is een voortreffelijke gravin, zeer ontroerend in haar grote aria “Je crains de lui parler la nuit”. Tatiana Surjan is een stevige maar toch breekbare Lisa en in het duet met Polina (mooie Oksana Volkova) smelten hun beide stemmen tot een harmonische eenheid, zusjes waardig. Mischa Didyk is ook zonder visie de beste Herman die er is.
De, live in oktober 2014 in München opgenomen registratie klinkt meer dan voortreffelijk (BR Klassik 900129)
VLADIMIR ATLANTOV
Julia Varady en Vladimir Atlantov waren ooit een “match made in heaven”. In november 1984 zongen ze in München zowat de meest ideale Lisa en Herman uit de geschiedenis, al heb ik wat Atlantov betreft ook mijn bedenking.
Atlantov heeft een kanon van een stem, waardoor alles bij hem zo onvoorstelbaar makkelijk lijkt. Heel erg mooi, maar zijn Herman klinkt voor mij iets te heldhaftig en te weinig getormenteerd.
Varady is een in alle opzichten perfecte Lisa: kwetsbaar, onzeker en verliefd. Lisa’s aria “Otkúda eti slyózy” en de daaropvolgende duet met Herman “Ostanovítes” is adembenemend en van een ontroerende schoonheid. Elena Obraztsova is een zeer imponerende gravin.
Algis Shuraitis dirigeert weinig subtiel, maar zijn lezing is buitengewoon spannend met een zeer filmisch einde (Orfeo D’Or C8111121).
Atlantov in “Wat is ons leven”
Opname uit een voorstelling in Mariinsky (bij mijn weten niet op dvd):
LEYLA GENCER
Deze opname moet u natuurlijk vanwege de Turkse Diva hebben. Het is in het Italiaans en de in 1961 gemaakte opname klinkt behoorlijk dof, maar een verzamelaar neemt het allemaal voor lief.
De mij totaal onbekende Antonio Annaloro doet wat hij kan en dat is helaas weinig. Zijn weinig geïnspireerde Herman is een echte huilebalk en klinkt als een Domenico Modugno in een mini formaat. Gauw vergeten.
Maar de gravin van Marianna Radev mag er wel zijn. En “Da quando il core mi donasti” oftewel “Ya vas lyoublyu“ van Sesto Bruscantini (Yeletski) is alleraardigst en wordt terecht beloont met een opendoekje.
Nino Sonzogno doet de veristische hemel herleven, al is het hier niet helemaal terecht (Gala GL 100.792)
Lisa’s aria gezongen door Gencer:
Lieder ohne Worte van Felix en Fanny Mendelssohn. Mooier dan mooi

Van een viool weten we het wel, maar kan een piano ook een lied zingen? Het antwoord vindt u in deze box met drie cd’s met pianowerkjes van broer en zus Mendelssohn.
Wikipedia omschrijft Lieder ohne Worte als “pianostukken waarin een gezongen melodie op de piano door zichzelf begeleid gespeeld wordt. Er is geen tekst en geen zanger behalve de pianist, en de romantische inslag van het genre laat aan de verbeelding van de luisteraar over wat de inhoud is”.
Een beetje ingewikkelde manier om te zeggen dat de pianist het van een potentiële zanger gaat overnemen. Het is dus aan de vertolker om de zangerige lijnen op de juiste manier bij de toeschouwer over de brengen, want aan de stukken zelf zal het niet liggen: romantiek, ingetogenheid en poëzie gaan hier hand in hand samen.
Matthias Kirschnereit heeft dat allemaal in huis. De bij ons onbekende (waarom eigenlijk?) Duitse pianist is van mening dat Mendelssohn nog steeds ondergewaardeerd wordt. Dé reden voor hem om voor de componist en zijn ‘kleine dagboeken’, zoals hij ze noemt, een warm pleidooi te houden.
Nu is het niet de eerste keer dat de complete Lieder ohne Worte van Felix werden opgenomen: onder andere Barenboim (DG) en Lívia Rèv (Hyperion) zijn Kirschnereit al voorgegaan.
Merkwaardig genoeg is het echter bij niemand eerder opgekomen om ook even bij Fanny Hensel, de nog steeds te weinig bekende zus van Felix, te gaan kijken. En dat, terwijl haar miniatuurtjes weinig voor die van haar broer onderdoen!
Zelf vind ik ze eigenlijk spannender. Bovendien klinken ze in mijn oren moderner dan die van Felix, die een tamelijk klassieke vorm aanhoudt. Het zijn ook haar composities waarin Kirschnereit mij het meest weet te overtuigen. Zijn spel is zeer sensibel en poëtisch, zonder valse opsmuk.
Felix Mendelssohn & Fanny Hensel
Lieder ohne Worte (compleet)
Matthias Kirschnereit
Berlin Classics 0300639BC
Daniel Hope – Tribute to Menuhin
Het grootste probleem met dat soort compilaties is dat je ze niet fatsoenlijk kan ordenen. Niet in je cd-kast, maar ook niet in je hoofd.
Heb je net van een heerlijk vrolijke, zo fris als de ontluikende lente Mendelssohn genoten, kom je in de zwoele, naar nacht, zware parfum en myrthe ruikende klanken van El-Khoury (naast de 44 Duos voor twee violen van Bartók voor mij een absolute favoriet op deze cd!) terecht.
Bechara El-Khoury over zijn vioolconcert:
De daarop volgende Duet van Steve Reich maakt korte metten met je dromen, zeker als je geen minimal music liefhebber bent.
Je vlucht de kast op, tracht Vivaldi te overleven en pas bij Henze durf je – voorzichtig – naar beneden te komen. Om dan te realiseren dat je net de daadwerkelijk engelachtige stem van Chen Reiss in The Song of the Angel van Tavener hebt gemist.
Een ratjetoe, aldus. Een leuke, dat wel, maar niet meer dan dat. Jammer, want de uitvoeringen zijn – allemaal – meer dan voortreffelijk. Daar kan ik, van een ieder afzonderlijk en van allemaal samen bijzonder van smullen. Het meest van de prachtige vioolklank van Daniel Hope zelf, die met deze cd een eerbetoon wilde brengen aan Yehudi Menuhin: zijn leraar, ontdekker en warme vriend van de familie.
MY TRIBUTE TO YEHUDI MENUHIN
Mendelssohn, Vivaldi, Elgar, Henze, Ravel e.a.
Daniel Hope (viool), mmv Daniel Lozakovitsj (viool), Christiane Starke (cello), Jacques Ammon (piano), Avi Avital (mandoline), Chen Reiss (sopraan); Kammerorchester Basel olv Daniel Hope
DG 4795305
Alle liederen van Korngold ten doop gehouden in de Oostenrijkse ambassade

Het is een verademing om niet meer te hoeven uitleggen wie die Erich Wolfgang Korngold toch was. Nog niet zo lang geleden was hij uitsluitend bekend bij diehards, romantici en liefhebbers van zijn (overigens schitterende!) filmmuziek. Nu krijgt hij eindelijk de erkenning die hem toekomt.
Zijn vioolconcert behoort tot de meest gespeelde en opgenomen vioolcomposities en zijn werken zijn niet meer weg te denken uit onze concertzalen.Er valt echter nog altijd genoeg te ontdekken. Neem alleen maar zijn liederen. Nog steeds behoren ze niet tot het standaardrepertoire, ondanks de vertolkingen van grootheden als Anne Sophie von Otter, Bo Skovhus, Renée Fleming en Dietrich Henschel.
Op initiatief van onder meer Deutschlandradio Kultur werden alle liederen van Korngold opgenomen voor het Weense label Capriccio, met als vertolkers sopraan Adrianne Pieczonka, bariton Konrad Jarnot en de onvolprezen pianiste Reinild Mees.
De cd-box werd op woensdag 28 oktober 2015 officieel gepresenteerd in de Glazen Zaal van de Oostenrijkse ambassade. Met de medewerking van de drie solisten.

Reinild Mees, Adrianne Pieczonka en Konrad Jarnot © Yota Morimoto
De ambassadeur, dr. Werner Druml, nam het eerste exemplaar in ontvangst, waarna hij een kort toespraakje hield over Korngold en zijn belang voor de Oostenrijkse cultuur. Ik voelde me er een beetje ongemakkelijk bij. Korngold, een ‘Wener’ in hart en nieren, hield zielsveel van zijn land, maar moest het als Jood ontvluchten. En na de oorlog werd hij ook daar, in zijn geliefde stad, totaal vergeten. Zijn laatste lied, ‘Sonett für Wien’, was niet minder dan liefdesverklaring aan de stad die hem uitspuugde. Kort erna stierf hij, nog maar 60 jaar oud, aan een gebroken hart.
Zijn allereerste lied schreef Korngold toen hij zeven jaar oud was. Op zijn veertiende had hij al een liederencyclus gecomponeerd. Het waren twaalf liederen met teksten van Von Einem, bedoeld als een verjaardagscadeau voor zijn vader. Het geheel kreeg de titel So Gott und Papa will.
Op de cd worden ze werkelijk subliem vertolkt door Konrad Jarnot.
Dat Jarnot een echte liedzanger is, hoor je al bij de eerste noten van ‘Abendlandschaft’, het eerste lied van de cyclus. Zijn interpretatie is zo beeldend dat je de tekst niet nodig hebt.
In ‘Nachtwanderen’ (uit Sechs einfache Lieder) weet Jarnot zelfs mijn geliefde Bo Skovhus te overtreffen. Zijn stem klinkt net zo erotisch, maar dan nog mannelijker. Chapeau!
Zelf ben ik hopeloos verliefd geworden op ‘Desdemona’s Song’ (uit Four Shakespeare Songs), een lied dat Adrianne Pieczonka ook tijdens de presentatie in Den Haag zong. Het lied klinkt bijna volksachtig Engels. Het is eenvoudig en diep ontroerend. Pieczonka zingt het op de cd met een stem die diep tot het hart van de toeschouwer doordringt. Eenvoudig, ja, maar met veel weemoed en ‘Sehnsucht’.

Adrianne Pieczonka © Bo Huang
De box bevat maar liefst zeven wereldpremières, waaronder het heerlijke ‘Wienerische’ lied ‘Der Innere Scharm’, waar Korngold zelf de tekst voor schreef. De begeleiding van Reinild Mees is, zoals altijd, waanzinnig goed.
Tijdens de presentatie vertelde Reinild Mees: “De meeste liederen van Korngold hebben mooie, nostalgische melodieën, die doordrenkt zijn van een subtiele, ingehouden romantiek. Typische Weense Jugendstilmuziek. Daarnaast kun je in zijn liedoeuvre ook impressionistische en expressionistische invloeden ontdekken. Bariton Konrad Jarnot en sopraan Adrianne Pieczonka hebben al deze aspecten prachtig vertolkt. Het was voor mij een fantastische ervaring om met hen deze liederen op te nemen en de klankwereld van Korngold samen te beleven.”
Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’
Die Tote Stadt discografie. Deel 1
Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’
TUSSEN TWEE WERELDEN
Reisopera boekt groot succes met ‘Die tote Stadt’
Muziek als redding. Voice in the Wilderness

Anita Lasker-Wallfisch ©BBC
Muziek kan je leven redden. Letterlijk. Anita Lasker-Wallfisch heeft Auschwitz overleefd. En ook Bergen Belsen. Dat het door de muziek komt, dat weet zij zeker. Zij was 16 toen zij opgepakt werd. Haar ouders waren toen al dood, maar dat wist zij nog niet.

Jonge Anita speelde cello en eenmaal in Auschwitz werd zij ingezet in het Vrouwenorkest, dat geleid werd door Alma Mahler, het nichtje van Gustav. Na de oorlog kwam ze naar Londen, trouwde met de pianist Peter Wallfisch en was een medeoprichtster van het English Chamber Orchestra.
Haar zoon, Raphael is ook een cellist. Een beroemde ook nog, met veel opnamen op zijn naam. En zijn zoon, Benjamin, is een dirigent. Vader en zoon Wallfisch hebben samen een opname gemaakt, die zij aan hun in de kampen gedode familieleden hebben opgedragen. De cd is vlak voor de Holocaust Memorial Day op 27 januari 2014 uitgebracht.
Het is een verrassende cd geworden, want naast – bijna vanzelfsprekende – Bloch’s Schlemo staat er ook diens zelden gespeelde Voice in the Wilderness bij en Ravel’s Kaddish volgt op André Caplet’s Epiphanie (d’apre une légende éthiopienne).
Dat laatste ontgaat mij een beetje, het voelt als een vreemde eend in de bijt. Ik moet ook eerlijk bekennen dat ik geen affiniteit met het werk heb. Het kabbelt maar voort. Daarvoor in de plaats had ik liever Baal-Shem van Bloch gehoord.
Of iets van Joseph Achron. Of van Alexander Krein.
Of de andere twee van Ravel’s Mélodies hébraique. En al prefereer ik de gezongen versie van ‘Kaddish’ (mag ik een aanbeveling doen? Gerard Souzay!) dan moet ik bekennen dat Raphael Wallfisch met zijn cello mijn hart heeft gestolen. Maar het allermooiste vind ik het orkest. Zacht. Lief. Liefdevol.
ERNEST BLOCH

Ernest Bloch
Vaak wordt mij gevraagd of er zoiets bestaat als Joodse muziek …. Nou en of!
Neem alleen maar Ernest Bloch. Hij werd geboren in 1880 in Genève in een geassimileerd gezin. Rond zijn vijfentwintigste raakte hij geïnteresseerd in alles wat met het Jodendom te maken had en vertaalde het in zijn taal – muziek.
“Ik ben geïnteresseerd in de Joodse ziel” schreef hij aan Edmund Fleg, voorzanger en librettist van zijn opera Macbeth. “Dat alles wil ik in muziek vertalen”.
Hij ontwikkelde een zeer eigen stijl: zijn composities geven de sfeer weer van Hebreeuwse gezangen, zonder het in feite te zijn. Het was namelijk zijn bedoeling niet om oude Hebreeuwse muziek te reconstrueren, maar om zijn eigen, goede muziek te schrijven, want, zoals hij zei, hij was geen archeoloog. Het is hem gelukt.
Hieronder vertelt Raphael Wallfish over zijn opname:
Ernest Bloch – Voice in the Wilderness; Schelomo. Rapsodie hébraïque
André Caplet – Epiphanie (dápres une légende éthiopienne)
Maurice Ravel – Mélodie hébraïque, Kaddish
Raphael Wallfisch, cello
BBC National Orchestra of Wales olv Benjamin Wallfisch
Nimbus NI 5913
ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *
JOSEPH ACHRON. Muziek om verliefd op te worden
JASCHA NEMTSOV en de Joodse muziek
SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld
Hans Gál en Mario Castelnuovo-Tedesco: hoe konden we ze vergeten?
DIE PASSAGERIN (Пассажирка)









