Eugen d’Albert (1864 – 1932), de te Glasgow geboren en in Riga gestorven Duitse pianist en componist van Engels/Frans/Italiaans origine (kan het nog meer multiculti?) is nog steeds een ‘terra incognita’ bij de meeste operagangers.
Van de 20 door hem gecomponeerde opera’s heeft er maar één repertoire gehouden: Tiefland, een zeer veristisch werk uit 1903. Af en toe hoor je nog wel eens iets van Die Tote Augen, maar Der Golem?
Het staat vermeld in de naslagwerken, dat wel, maar na de première in 1926 in Frankfurt werd het bij mijn weten nooit meer uitgevoerd.
Het verhaal is gebaseerd op een oude Joods legende uit Praag.
In het kort: rabbi Löw maakt een kunstmens (Golem) van klei, die een eigen leven gaat leiden. Dood en verderf zijn het gevolg en het kost uiteindelijk ook het leven van Lea, Löw’s dochter. Te laat komt de rabbijn tot de inzicht dat hij niet voor God mocht spelen, al waren zijn bedoelingen nog zo goed en edel.
graaf van rabbi Löw in Praag
Het operahuis in Bonn, altijd in voor een onbekend repertoire, heeft het in januari 2010 op affiche gezet en daar werd het ook live opgenomen. HULDE!
De uitvoering is meer dan voortreffelijk. Ingeborg Greiner is een zeer ontroerende Lea. Met haar zeer lichte, meisjesachtige sopraan weet zij onze medelijden op te wekken. De pubers, toch! Altijd verliefd op de verkeerde!
De Amerikaanse bariton Mark Morouse (Golem) beschikt over een zeer aantrekkelijke (mag ik zeggen: erotische?) stem, waardoor Lea’s passie niet anders dan logisch is te verklaren
De muziek is zeer herkenbaar en melodieus. Denk aan Mascagni, maar dan in het Duits. Doe dan ook nog een vleugje Richard Strauss en een druppeltje Wagner bij. Eclectisch? Ja, maar hoe heerlijk!
Trailer van de productie:
Eugen D’Albert Der Golem Mark Morouse (bariton), Alfred Reiter (bas), Tansel Akzeybek (tenor), Ingeborg Greiner(sopraan) e.a.
Chor des Theater Bonn (dirigent: Sybille Wagner); Beethoven Orchester Bonn onder leiding van Stefan Blunier
MDG 937 1637-6
In 1957 verhuisde Benjamin Frankel naar Zwitserland. In Engeland, zijn vaderland, was hij voornamelijk bekend als filmcomponist. Geen wonder, want op zijn naam staat muziek voor meer dan 100 films, waaronder klassiekers als The Seventh Veil, The Night of the Iguana en Curse of the Werewolf.
The night of the Iguana:
In Zwitserland vond hij eindelijk de rust om zich met serieuze(re) muziek bezig te houden. In 15 jaar tijd (Frankel stierf in 1973) componeerde hij er o.a. acht symfonieën en een opera.
Benjamin Frankel werd geboren in Londen in 1906 in een Pools-Joods gezin. Op zijn veertiende ging hij in de leer bij een horlogemaker. Gelukkig voor hem werd zijn talent spoedig ontdekt.
Een tijdje speelde hij met het idee, om een Joodse componist alla Bloch te worden. Hij beschouwde zichzelf als een ‘Engelse Jood’ of een ‘Joodse Engelsman, wat hem er overigens niet van weerhield om met een niet Joodse vrouw te trouwen. Een daad, die een breuk met zijn familie veroorzaakte.
Zijn muzikale taal laat zich niet makkelijk omschrijven. In de jaren vijftig bestudeerde hij het serialisme en paste het geregeld toe in zijn eigen composities, toch klinken zijn werken nergens atonaal. Het mooiste voorbeeld hiervan is wellicht het altvioolconcert, zeer melodieus, romantisch en toch gebruikmakend van de twaalftoonstechniek.
Zijn vioolconcert componeerde Frankel – op diens verzoek – voor zijn vriend Max Rostal. De première vond plaats in 1951 op het Festival of Britain. Het concert draagt de titel In Memory of Six Million en belichaamt Frankels persoonlijke betrokkenheid bij het lot van de Europese Joden.
Het begin doet mij denken aan het vioolconcert van Korngold en in het vierde deel kom ik Mahleriaanse “deuntjes” tegen: er zit ook een citaat in uit “Verlorne Müh” uit diens Wunderhorn liederen
live opname door Max Rostal:
Ulf Hoelscher, die het concerto met Max Rostal heeft ingestudeerd speelt het virtuoos en met een intense betrokkenheid.
Benjamin Frankel
Concerto for Violin and Orchestra op.24 (In memory of the six milion) Viola concerto op.45
Serenata Concertante for Piano Trio and Orchestra op.37
Ulf Hoelscher (viool), Brett Dean (viola), David Lale (cello)
Queensland Symphony Orchestra olv Werner Andreas Albert
CPO 9994222
Frankels eerste drie strijkkwartetten werden voor het eerst uitgevoerd door het Blech Quartet in resp. 1947 en 1949, de première van het vierde werd in 1949 verzorgd door het piepjonge Amadeus Quartett (waar waren toen de opnametechnici?).
De gave van Frankel om luchtig met het serialisme om te gaan klinkt door in zijn vijfde strijkkwartet. Het uit 1965 stammende werk is het voorbeeld van de unieke vermogen van de componist om het atonale in een melodie om te zetten.
De onvolprezen firma CPO die Frankel’s muziek aan de wereld openbaarde verdient alle lof; ook voor de schitterende toelichtingen met muziekvoorbeelden geschreven door Buxton Orr, Frankel’s leerling en vriend.
Benjamin Frankel
Complete String Quartets
Nomos-Quartett
CPO 999420
Het is werkelijk onvoorstelbaar hoeveel schitterende muziek nog steeds onbekend is! Hebt u ooit eerder van Hans Sommer gehoord? Ik niet. Gelukkig heeft de Bamberger Symphoniker samen met Elisabeth Kulman en Bo Skovhus zijn liederen opgediept. Een verrijking
In zijn tijd (1837–1922) was Hans Sommer best bekend, voornamelijk als componist van opera’s gebaseerd op sprookjes. Zijn compositiestijl doet aan Richard Strauss, Schreker en Mahler denken, maar dan overgoten met een sausje van Wagner en Liszt
Hans Sommer
Sommer is laat met het componeren begonnen, eerst studeerde hij af als wis- en natuurkundige. Op zijn 47e is hij met vervroegd pensioen gegaan om zich helemaal aan de muziek te wijden.
Veel waardering kreeg hij van Franz Liszt, die behoorlijk onder de indruk was van zijn opus 6, Sapphos Gesänge. Pikant detail – de gedichten werden, onder het pseudoniem Carmen Sylva, geschreven door de Roemeense koningin Elisabeth zu Wied.
De in 1884 georkestreerde liederen werden voor het eerst uitgevoerd in Bambergen in 2010. Gezongen door de mooie, warme Oostenrijkse mezzosopraan Elisabeth Kulman.
Hieronder: Elisabeth Kuhlman zingt Mignons Sehnen:
Vijf dagen later kwamen zijn Goethe-lieder aan de beurt, gezongen door Bo Skovhus, de intelligente Deense bariton, die altijd in was (en is) om een lans te breken voor een onbekend repertoire.
Beide zangers hebben het nu, onder de bezielde leiding van Sebastian Weigle en met het hemelse geluid van de Bamberger Symphoniker vastgelegd, waarvoor een driewerf hoera. Voor de dirigent en zijn orkest voor het uitgraven en ons op een zilveren schaal presenteren van verborgen schatten. Voor de geweldige zangers, die werkelijk hun best deden om al dat onbekende te leren en er ons deelgenoot van te maken. En last but not least: voor Hans Sommer voor de composities waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden en die mijn leven hebben verrijkt.
Ik hoop van harte, dat zijn werken terugkeren naar de concertzalen. Met deze cd wordt hem in ieder geval, al is het zeer verlaat, recht gedaan.
HANS SOMMER Sapphos Gesänge op.6; Orchestral songs
Elisabeth Kulman (mezzosopraan), Bo Skovhus (bariton) Bamberger Symphoniker onder leiding van Sebastian Weigle
Tudor 7178 • SACD 69’
Les Martyrs, een vrijwel vergeten Franse opera van Donizetti is zijn leven als Poliuto begonnen. Het libretto van Eugène Scribe was gebaseerd op het toneelstuk Polyeucte van Pierre Corneille uit 1642 en droeg sterk de levensvisie van de schrijver uit: de wil is een bepalende factor in het leven.
Het was vanwege de keuze van het onderwerp: het leven en de martelaarsdood van de heilige Polyeuctus dat de censor ingreep en de première werd afgelast. Het verbeelden van de Christenvervolging op toneel was toen in Napels verboden.
Eenmaal in Parijs heeft Donizetti bij Scribe een nieuw libretto besteld en componeerde er een nieuwe ouverture en een paar solo’s voor de hoofdrol bij.
Hij veranderde de finale van de eerste acte en voegde de, in Parijs onmiskenbare balletmuziek toe. Daarbij heeft hij de romantische verwikkelingen behoorlijk afgezwakt en legde nog meer nadruk op het religieuze aspect.
In zijn grote aria aan het eind van de tweede acte klaagt Poliuto over de vermeende ontrouw van zijn vrouw en de hem kwellende jaloezie. Zijn “Laat mij in rust sterven, ik wil niets meer met je hebben, je was mij ontrouw” is bij Polyeucte veranderd in het Credo (nu aan het einde van de derde acte): “Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde…”
Ondanks het aanvankelijk succes zijn De Martelaren van de affiche verdwenen. Daarvoor kwam weer, al is het mondjesmaat, Poliuto voor terug. Na de 1920 werd de opera nog maar sporadisch uitgevoerd (een curiosum: in 1942 werd de opera opgevoerd ter gelegenheid van het bezoek van Hitler aan Mussolini, de hoofdrol werdtoen gezongen door Benjamino Gigli)
Dankzij Callas, die de opera in 1960 heeft herontdekt kwam het tot een kortstondige revival. De opname die zij met Franco Corelli maakte deed mij niets, het waarom begreep ik pas toen ik de live opgenomen versie met Katia Ricciarelli en José Carreras hoorde. In een opera die als hoofdthema kwetsbaarheid heeft passen geen grote dramatische stemmen.
In oktober 2014 heeft Opera Rara Les Martyrs in de studio opgenomen, een concertante uitvoering in november volgde.
Joyce El-Khory, hier duidelijk de voetsporen van Leyla Gencer volgend, is een perfecte Pauline: dromerig, liefhebbend en als een leeuw (nomen omen) vechtend voor het leven van haar christen geworden echtgenoot. Een echtgenoot die zij niet eens liefheeft, want in de veronderstelling dat haar voormalige verloofde dood is, liet zij zich aan de protégé van haar vader uithuwelijken.
In “Qu’ici ta main glacée” klinkt zij zeer breekbaar en weet mij tot tranen toe te ontroeren (haar pianissimi!) en “Dieux immortels, témoins de mes justes alarmes”, de confrontatiescène met Sévère, haar doodgewaande geliefde (zeer indrukwekkende David Kempster) is gewoon hartverscheurend
Joyce El-Khoury: becoming Pauline:
Michael Spyres is een zeer heroïsche Polyeucte en in “Oui, j’irai dans leurs temples” laat hij een perfecte, voluit gezongen hoge “E” horen.
Het orkest onder leiding van Sir Mark Elder speelt de sterren van hemel. De drie balletsuites halverwege de tweede akte zorgen ervoor dat de stemming, al is het voor even, wat vreugdevoller wordt.
Alle lof ook voor de perfect zingende Opera Rara Chorus (instudering Stephen Harris).
GAETANO DONIZETTI Les Martyrs Joyce El-Khoury, Michael Spyres, David Kempster, Brindley Sherratt, Clive Bayley, Wynne Evans e.a.
Opera Rara Chorus; Orchestra of the Age of Enlightenment olv Sir Mark Elder Opera Rara ORC52
Angel Blue kende ik van haar optreden met Plácido Domingo in Ziggo Dome in juni 2013. Toen was ik al gecharmeerd van haar innemende persoonlijkheid en haar oorstrelende optreden. Van haar gaan we meer horen, dacht ik. En inderdaad, nu is er haar eerste solo-cd.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik er met een wat bang voorgevoel aan begon. Want bestaat er een grotere proef van het echte kunnen van een artiest dan een liedrecital, met enkel een pianist als steun en toeverlaat, zonder kostuums, rekwisieten, decors en belichting? Het is de naakte waarheid.
Maar luisterend naar de cd, in maart 2014 in het kader van de Rosenblatt Recitals in Londen opgenomen, valt mijn mond open van verbazing. Het moet gezegd worden: Blue laat een onvervalst staaltje bekwaamheid en professionaliteit horen. Daar zeg je u tegen.
Haar bijna onmenselijk mooi en open geluid maakt een mens blij. Haar frasering is perfect en haar taalgevoel uitstekend. Tel daarbij op dat ze in alles wat ze zingt haar hele ziel legt en je hebt een album waar je hart sneller van gaat kloppen. Dat er af en toe iets misgaat, is dan makkelijk vergeven.
De liederen zijn zeer gemêleerd en laten haar mooie stem en haar interpretatievermogen volledig uitkomen. Haar timbre is zeer Amerikaans, althans, voor zover je van een landsgebonden timbre kan spreken.
De Amerikaanse liederen ontbreken dan ook niet in haar recitalprogramma. De drie liederen van Jake Hegggie (waarom geen liedteksten? Heeft dat iets met rechten te maken?) riepen bij mij de sfeer op van William Bolcom en zijn ‘Song of Black Max’. En het zeer tot de verbeelding sprekende ‘Valley Girl in Love’ van Bruce Adolphe schreeuwde om meer. Platenmaatschappijen: waar blijft A Thousand Years of Love, de hele cyclus die Adolphe in 1999 voor Sylvia McNair componeerde?
Het mooiste vind ik de sopraan echter in Rachmaninoff. Haar zeer verstild geïnterpreteerde ‘Zdes’khorosho’ is van een ongekende schoonheid.
Ook ‘Oh! Quand je dors’ van Liszt is schitterend. Blue laat Diana Damrau daarin ver achter zich. En dan hebben we het nog niet gehad over de liederen van Richard Strauss. Haar prachtige hoge noten en warme geluid maken haar een bijna ideale Strauss-vertolkster.
Blue’s vader was een christelijke pastor en haar Joodse moeder lerares op een Joodse middelbare school. ’s Zondags bezocht ze de kerk, ‘s zaterdags de synagoge. Naar eigen zeggen heeft die achtergrond haar gevormd tot wie zij is en is ze nog altijd diepgelovig. Haar als toegift gezongen ‘Ride on, King Jesus’ komt dan ook recht uit haar hart.
Blue wordt niet minder dan congeniaal begeleid door Iain Burnside. In zijn fantastische pianospel vormt hij een echte eenheid met de zangeres.
Hieronder Angel Blue in een fragment van Richard Strauss, opgenomen in 2013:
Joy alone
Liederen van Gershwin, Heggie, Liszt, Luna, Adolphe, Cymbala, Rachmaninoff en Strauss
Angel Blue (sopraan) en Iain Burnside (piano).
Men neme een jeugdorkest, een weinig bekende Chinese dirigente en een jonge Nederlandse violiste; men sluit ze in een studio op en laat ze een goddelijk mooie maar een hondsmoeilijk vioolconcert van een Poolse componist opnemen: hoe hoog zijn dan uw verwachtingen? Afgezien van de globalisatie? Juist.
Bij de eerste tonen word ik al knock-out geslagen, want, geloof mij, zo mooi, zo goed, zo indrukwekkend, zo’n alle verwachtingen overtreffende uitvoering van het concerto heb ik niet eerder gehoord – en ik ken er een paar!
Xian Zhang, sinds 2011 chef dirigent van het Nederlands Jeugdorkest laat de haar toevertrouwde jonge musici tot een adembenemende hoogte klimmen om dan, gezamenlijk een vergezicht te toveren die met geen woord te beschrijven is. Ik ben dan ook sprakeloos.
Woorden schieten ook te kort voor de interpretatie van Rosanne Philippens. Haar strijkvoering is fluweelzacht, fluisterend maar ook buitengewoon sensueel. Philippens begrijpt precies wat Szymanowski met zijn tempo aanduidingen bedoelt en daar houdt zij zich ook aan.
Het lied van Roxane uit Szymanowski’s Król Roger, hier in de transcriptie voor viool en piano vind ik ook zo’n juweeltje…. Het is dat ik de sopraanstem hier een klein beetje mis, maar beide solisten weten de onwezenlijke gevoelens van de dolende koningin ook zonder zang treffend over de brengen.
Met Chanson Russe van Stravinsky ben ik minder gelukkig, maar dat ligt geheel aan mij: ik ben nu eenmaal niet zo’n liefhebber van de (voor mij) afgezaagde stuk.
De viool/piano transcriptie van L’oiseau de Feu bevalt mij daarentegen zeer.
De opnamekwaliteit is niet minder dan subliem. Heerlijke cd!
behind scenes of recording session:
KAROL SZYMANOWSKI
Violin Concerto no.1, op.35; Myths, op.30; Nocturne and Tarantella, Op.28
IGOR STRAVINSKY
Chanson Russe; L’oiseau de Feu (transcriptie voor viool en piano)
Rosanne Philippens (viool), Julien Quentin (piano);
Nederlands Jeugdorkest olv Xian Zhang
Channel Classics CCS SA 3617 • 71’
En alweer vraag ik mij af waarom het zo ontzettend lang moest duren eer Mieczysław Weinberg eindelijk de erkenning kreeg die hij verdiende. In de voormalige USSR was hij buitengewoon populair en zijn werken werden gespeeld door de voornaamste musici.
Hij heeft een oeuvre opgebouwd waar je u tegen zegt, maar het is pas de laatste tijd dat het ook tot ons is doorgedrongen wat een geniale componist hij was. Wist u trouwens dat de score voor de De kraanvogels die voorbij vliegen, één van de beste en de mooiste films uit de cinematografie van zijn hand was?
Dat het in 1957 gecomponeerde vioolconcert van Weinberg geen repertoirestuk is geworden verbaast mij zeer. Het onvoorstelbaar spannende werk die in zijn complexiteit niet onder doet voor nummer 2 van Bartók verdient het om veel vaker uitgevoerd te worden.
Leonid Kagan:
Zijn vioolconcert componeerde Weinberg voor de legendarische Leonid Kagan, het is dan ook geen stuk die je zomaar even kan instuderen. Neem alleen al de tweede deel, het Allegretto. Het begint met een Joods deuntje, maar op de achtergrond hoor je duidelijk het derde deel van het vioolconcert van Beethoven, samen tot één geheel geweven. En als je denkt dat je alles al hebt gehad krijg je het in je ziel krassende Adagio. Schrijnend. Daar weet Ilya Gringolts fantastisch mee om te gaan: hij zingt en schuurt tegelijk.
Ook de vierde symfonie is een werk dat je niet gauw loslaat. Onoplettend zou je aan Sjostakovitsj kunnen denken, maar schijn bedriegt! Bovendien, als je goed luistert dan hoor je in Vivace reminiscenties aan de Sabeldans van Katsjatoerian. Dat maakt Weinbergs muziek niet minder bitter, maar zeker optimistischer.
Het onder leiding van Jacek Kaspszyk voortreffelijk spelende Warsaw Philharmonic laat alle nuancen duidelijk uitkomen en zet de juiste puntjes op de juiste ‘i’s’.
MIECZYSŁAW WEINBERG Violin concerto in G minor op.67, Symphony No.4 A minor op.61 Ilya Gringolts (viool), Warsaw Philharmonic olv Jacek Kaspszyk Warner Classics 0825646224838 • 62’
Anders dan ‘Elektra’ van Richard Strauss of ‘Iphigenie en Tauris’ van Gluck (‘Orest’ van Trojahn laat ik gemakshalve buiten beschouwing) die zich op maar één episode uit de drama van Aeschylos richten, heeft Taneyev de hele trilogie als onderwerp van zijn opera gekozen.
We vangen aan met de terugkomst van Agamemnon uit de oorlog en eindigen met de door Athena opgeroepen rechtbank, die zich over de schuld en boete van Orestes moet buigen. Maar vóór het zo ver is wordt Agamemnon door zijn vrouw en haar minnaar Aigisthos vermoord. Beiden worden op hun beurt gedood door Orestes, die met de hulp van zijn zus Electra wraak neemt op de moord van zijn vader.
In het laatste deel roept Orestes – tot waanzin gedreven door de hem achtervolgende furiën – de hulp in van Athena, waarna de rechtbank volgt.
Maar liefst twaalf jaar heeft Teneyev aan zijn opera gewerkt. Hij was eenmaal geen snelle schrijver en het componeren betekende voor hem echt zwoegen. Het resultaat is tegelijkertijd overweldigend en bevreemdend.
Oresteia is een zeer atypisch werk voor een Rus, zeker uit die tijd. Of dat een reden was voor de totale vergetelheid weet ik natuurlijk niet, maar het zou zo maar kunnen.
Daar, waar zijn tijd- en landgenoten hun ogen strak op hun vaderland en zijn geschiedenis wijd open hielden, week hij uit naar de Griekse tragedie, waarbij hij ook de klassieke vorm niet uit het oog verloor. Taneyev zelf noemde zijn werk dan ook geen opera, maar een muzikale trilogie.
Toch: al is de thema en haar uitwerking zeer on-Russisch, de muziek is het ontegenzeggelijk wel. Neem alleen al de in de beste Russiche traditie gecomponeerde grote aria van Cassandra. Haar arioso met de daarop komende koor is één van de absolute hoogtepunten van de opera. Ongewild moet ik dan aan Khovansjtsjina van Moessorgsky denken en de muziek die hij voor Marfa heeft gecomponeerd.
De indruk wordt natuurlijk ook versterkt doordat het libretto in het Russisch is geschreven. Die, zeer melodische taal kent nu eenmaal zijn eigen muzikale regels.
Ik ken geen van de (in de rolverdeling alleen met hun achternaam vermeldde) zangers, maar de uitvoering is, voor zo ver ik het kan beoordelen – zonder enig vergelijkingsmateriaal is het best lastig – zonder meer goed.
De grootste indruk maakte op mij N. Tkachenko (Cassandra). Haar sopraan klinkt blij vlagen best scherp, maar dat mag wel, zeker omdat zij met zo ontzettend veel gevoel en betrokkenheid zingt. Haar grote “visioen aria” is ronduit verscheurend. Kippenvel.
I.Dubrovkin (Orest) beschikt over een mooie, lyrische tenor. Zijn hoogte is af en toe een beetje geknepen en soms overschreeuwt hij zich. Maar in de rustigere momenten klinkt hij echt mooi. Kwestie van het orkest een beetje dimmen?
Electra (T.Shimko) klinkt behoorlijk hysterisch. Ik snap dat (een beetje) wel, maar haar hoge noten zijn niet altijd zuiver en in vind haar stem aan de dunne kant.
I.Galushkina, een echte Russische mezzo met veel borsttonen, zingt Clytamnestra. Zeer indrukwekkend. Toch: in haar gesprekken met Aegisthus (fantastische bariton A. Bokov) laat zij zich ook van haar fragiele kant zien. Bokov’s geluid is zeer mannelijk en heroïsch, wat Clytaemnestra’s verliefdheid zeer aannemelijk maakt.
V.Chernobayev (Agamemnon) stelt mij een beetje teleur: zijn bas is best indrukwekkend, maar echt zuiver klinkt hij niet en af en toe ontbreekt het hem aan laagte.
De muziek is bij vlagen zeer filmisch, maar ik vermoed dat er veel meer in zit dan het orkest van het Belorussian Bolshoi Theatre onder leiding van Tatjana Kolomijtseva eruit weet te halen.
De opname uit 1965 klinkt behoorlijk dof en gesluierd en ik zou er veel voor over hebben om het werk in een nieuwe, moderne opname te kunnen beluisteren. Vooralsnog is er geen keuze. Er is geen libretto, maar met de synopsis kom je er – min of meer – wel uit.
Sergei Taneyev
Oresteia. A music Trilogy.
V.Chernobayev, L. Galushkina, A. Bokov, T. Shimko, I. Dubrovnik, N. Tkachenko e.a.
Koor en orkest van het Belorussian Bolshoi Theatre of Opera and Ballet onder leiding van Tatiana Kolomitseva
Melodia MEL CD 10 02277
Alleen al voor de ongekend mooi, ontroerend en zeer verfrissend gespeelde Kinderszenen van Schumann zou je de box thuis willen hebben. Met haar interpretatie van de één van de mooiste pianocycli overtroeft Martha Argerich zelfs haar eigen opname voor DG van iets meer dan 30 jaar geleden.
Maar er is meer. De Ghost trio van Beethoven, bij voorbeeld. Een voorbeeld van compositorische grilligheid en kolfje naar de hand van Argerich. Samen met sinds eeuwen haar vaste ‘partner in crime’, de niet minder exorbitante Mischa Maisky gaan ze met de violist Julian Rachlin een echte ménage à trois aan: hecht en trouw aan elkaar en aan niemand.
In haar aanwezigheid verliest Lang Lang zijn diva attitudes, en schikt zich naar de hand van de echte meesteres. Hun Grand Rondeau van Schubert getuigt van innerlijke schoonheid en Ma Mère l’Oye van Ravel wordt eindelijk opgewaardeerd tot wat zij is: een adembenemend sprookje.
Maar als je twee piano’s echt in actie wil horen dan moet je meteen doorspoelen naar de Paganini Variations van Lutosławski. Hierin toont Gabriela Montero (waarom heeft de Venezolaanse pianiste niet de status die zij verdient?) zich de gelijkwaardige partner van de ‘grote Martha’. Haar improvisaties op Happy Birthday, opgedragen aan Lily Maisky, het dochterje van de cellist, getuigen van een – aan de enorme muzikaliteit gepaarde – virtuositeit die mij met open mond achterlaat.
Het echte hoogtepunt van de live in 2007 in Verbier opgenomen cd’s is voor mij echter de eerste vioolsonate van Bartók. In handen van Renaud Capuçon verandert het Allegro Appassionato in het vurige voorspel tot een zeer gepassioneerde en weinig tot de verbeelding overlatende nacht.
BEETHOVEN, SCHUMANN, SCHUBERT, RAVEL, BARTÓK, LUTOSŁAWSKI
Carte Blanche Martha Argerich
Juri Bashmet, Renaud Capuçon, Lang Lang, Mischa Maisky, Gbriela Montero, Julia Rachlin
DG 4795096; 137’ (2cd’s)
Fantasie. Zo heet de nieuwe solo cd van David Fray, één van de meest opmerkelijke jonge pianisten van de laatste tijd. Een prikkelende titel die wellicht een tikje overbodig is, want de fantasie en de betovering die muziek, zeker die van Schubert teweeg kan brengen, zijn sterk met elkaar verbonden.
Fantasie is ook de bijnaam van de grote G Major sonate die onder Frays handen opmerkelijk mild en minder ‘bonkerig’ klinkt dan bij veel van zijn collega’s.
Zijn, samen met zijn vroegere leraar Jacques Rouvier uitgevoerde Fantasia D 940, Schuberts beroemdste en zonder twijfel meest geliefde werk voor piano vierhandig steekt de – voor mij nog steeds als maatstaf gehanteerde – uitvoering door Murray Perahia en Radu Lupu naar de kroon
Frays en Rouviers interpretatie klinkt minder dromerig en is meer down to earth wat wellicht aan de snellere tempi kan liggen, maar de poëzie en betovering zijn nog steeds intact. Wat hun nuchtere aanpak nog extra aantrekkelijk maakt is de herkenbaarheid van de aangeslagen toetsen, waardoor je aandacht geen seconde verslapt. Oneerbiedig gezegd: zo gespeeld is het ook minder een oorwurm.
Ook in de maar drie minuten lang durende, maar o zo mooie Hongaarse Melodie laat Fray zich van zijn nuchter-poëtische kant zien. Wie ooit verknocht is geraakt aan de interpretatie van András Schiff moet wel even slikken (alweer het snelle tempo!), maar bij herhaaldelijk luisteren kom je tot de conclusie dat het ook zó kan en onweerstaanbaar blijft. Toch een kwestie van je fantasie gebruiken?
In een interview zei de zeer charismatische jonge Fransman ooit: ‘Ik wil de piano laten spreken en zingen’ en dat lukt hem zeer zeker.
Franz Schubert
Fantasie
Piano Sonata in G major D 894, Hungarian Melody in B minor, Fantasia in F minor for Piano Four Hands D 940, Allegro in A minor for Piano Four Hands D 947
David Fray, Jacques Rouvier piano
Warner Classics 0825646166992 • 79’