cd/dvd recensies

Opera Fanatic: road movie met opera sterren

operafanatic

In 2008 bracht Arthaus Musik een bijzondere, onbeschaamde documentaire uit: Opera Fanatic. De excentrieke Stefan Zucker trok door Italië om diva’s van weleer een bezoek te brengen.

“We leven in een tijd van Barbiepop-operazangeressen, die er goed uitzien, mooi bewegen, maar met een gebrek aan uitstraling. Wat we nodig hebben zijn zangeressen met haren onder de oksels!”

Het is maar één van de eigenzinnige uitspraken van Stefan Zucker, een operafanaat van het eerste uur, en, volgens eigen zeggen de ‘hoogste tenorale stem ooit’. Of het waar is? Ik zou het niet weten, maar zijn fluisterstem klinkt ronduit lachwekkend. Zou hij wellicht ook een echte castraat zijn?

operafanatic-zucker

Hij is ook een zeer irritant mannetje dat op zoek is naar roddels en sensatie, maar dankzij hem komen we op bezoek bij de grote diva’s van weleer: Anita Cerquetti, Fedora Barbieri, Giulietta Simionato, Magda Olivero, Leyla Gencer, Marcella Pobbe …

operafanatic-pobbe

Marcella Pobbe

operafanatic-barberi

Fedora Barbieri

Niet alle dames hebben er zin in om met hem te praten of zijn onbeschaamde vragen (eerlijk is eerlijk: daar kan ik toch wel echt van genieten) te beantwoorden, maar met een paar grappa’s op gaat het ze opeens van een leien dakje. Hij verleidt ze tot de meest opmerkelijke uitspraken en we worden getrakteerd op beeld- en geluidsfragmenten van hun optredens.

De film is in 1999 door Jan Schmidt-Garre gemaakt en heeft ondertussen behoorlijk wat prijzen op verschillende filmfestivals gewonnen. Terecht. Het is een beetje een road movie geworden, maar dan met operasterren in de hoofdrollen.

Tot mijn grote schande en schaamte moet ik bekennen dat het de eerste keer was dat ik van Carla Gavazzi heb gehoord, maar inmiddels heb ik de schade ruimschoots ingehaald.

operafanatic-gavazzi

Carla Gavazzi

Wat een stem, wat een zangeres! En voor mij beslist de beste Santuzza (Cavalleria Rusticana) ooit:

Zeer, zeer aanbevolen!!!!!!!!!!!

Opera Fanatic
Regie: Jan Schmidt-Garre.
Arthaus Musik (101 813)

La concordia de’ pianeti van Caldara: je hoeft geen barokliefhebber te zijn om er voor te zwichten

caldara

Antonio Caldara, ooit een zeer succesvol en geëerd componist deelde het droeve lot van veel van zijn tijdgenoten: vergetelheid. Pas de laatste jaren wordt ook hij op zijn waarde geschat en vinden zijn werken hun weg naar de concertpodia en opnamestudio’s.

Het bekendst is ongetwijfeld zijn Stabat Mater uit 1725, maar dat ligt, denk ik, voornamelijk aan onze voorliefde voor alles wat droevig is. Maar Caldara was meer dan dat; hij was de schepper van ettelijke opera’s (veelal op teksten van Metastasio) en oratoria.

Caldara werd veertien jaar voor Bach en Händel geboren en in zijn tijd werd hij zelfs hoger dan de twee grootheden geschat. Hij werd geboren in Venetië en bracht veel tijd door in Mantua, maar zijn succesvolste jaren vierde hij in Wenen, waar hij de post van tweede kapelmeester bekleedde (hoewel hij veel meer gewaardeerd werd dan de eerste kapelmeester, wat zich onder meer in een hoger salaris uitte).

De toenmalige keizer Karel VI was gek op opera en voor hem was Caldara de belangrijkste componist aan zijn hof. Ter gelegenheid van Karels kroning als koning van Bohemen componeerde Caldara La Concordia de’pianeti (gelijkgestemdheid van de planeten). Het is eigenlijk geen opera maar een ‘componimento teatrale’ oftwel een ‘theatrale compositie’. Een serenade voor de keizerin Elisabeth, gepresenteerd op haar naamdag.

Het verhaal gaat nergens over: de planeten keuvelen vredig met elkaar over de volmaaktheid van de keizerin, maar dan wel op een zeer virtuoze muziek. De partituur werd door Andrea Marcon gevonden, afgestoofd en aan de wereld gepresenteerd.

De allereerste uitvoering na bijna 280 jaar vond plaats in januari 2014 in het Konzerthaus in Dortmund, het concerthuis dat geen premières en onbekende werken schuwt. Daar werd het ook live voor Archiv opgenomen.

Goed, toegegeven,  Alcina is het niet, maar de partituur is behalve virtuoos ook zeer rijk aan melodieën en zeer aanstekelijke ‘deuntjes’. En: vergis je niet! Meesterwerk of niet: de partituur vereist de beste stemmen die er zijn. Maar die krijgen wij ook. Bij het beluisteren van de opname stokte mijn adem dikwijls en moest ik naar adem happen.

De countertenor Franco Fagioli (Apollo) is een virtuoos zonder weerga, daar word ik echt stil van. Zijn zeer snel genomen coloraturen zijn zo perfect dat het mij werkelijk duizelt. En dan zijn hoogte! Hoe doet hij dat? Luister naar zijn ‘So ch’io dal suolo alzai’. Of ‘Questo dì così giocondo’. Onvoorstelbaar.

Of neem de aria van Mercurio ‘Madre d’ Amor tu sei’ gezongen door Daniel Behle. De tenor is voor mij een ware ontdekking. Zijn stem op zich zou ik niet gauw met barok associëren, daarvoor heeft hij, vind ik, te veel body. Maar dat er ook nog eens zo veel souplesse achter schuilt? Moeiteloos schakelt hij tussen alle registers en alle loopjes zijn loepzuiver. Tel daar zijn prachtige legatolijnen bij …. duizelingwekkend.

Maar eigenlijk zijn ze allemaal fenomenaal, alle zeven de vertolkers van de planeten. En dan heb ik het orkest nog niet genoemd. Als zelfs ik, geen barokliefhebster er voor zwicht ….


Antonio Caldara
La Concordia de’pianeti
Delphine Galou, Veronica Cangemi, Ruxandra Donose, Franco Fagioli, Carlos Mena, Daniel Behle, Luca Tittoto
La Cetra Barochorchester & Vokalensemble Basel olv Andrea Marcon
Archiv 4793356

LA GIOCONDA uit Salerno 2012

Opus Arte
Een vrouw verscheurd tussen de liefde voor haar moeder en haar minnaar, die haar nota bene ontrouw is en eigenlijk nooit van haar heeft gehouden. Nee, het is geen alledaags thema voor een opera.

Dat zij uiteindelijk voor haar moeder kiest (na eerst haar minnaar geholpen te hebben om samen met zijn geliefde – haar rivale – te ontsnappen) wordt haar fataal, maar heeft ons met ‘Suicidio’ wel één van de mooiste aria’s uit de operageschiedenis gegeven.

Ondertussen krijgen we passie, bedrog, moord en zelfmoord, voor elk wat wils. Melodrama? Me dunkt. En van het beste kaliber!

La Gioconda van Amilcare Ponchielli is gebaseerd op Angelo, tyran de Padoue van Victor Hugo en het libretto is door niemand minder dan Arrigo Boito vervaardigd. Het is een zeer gepassioneerde, bij vlagen bombastische opera, en bevat een keur aan (over)bekende aria’s. En natuurlijk het ballet, want wie ken de ‘urendans’ niet?

Toch wordt La Gioconda tegenwoordig nog maar zelden opgevoerd, ook al staat zij zeer hoog bij operaliefhebbers aangeschreven. Het is simpelweg buitengewoon lastig om al die zes hoofdrollen goed te bezetten, maar zou het alleen daar aan liggen?

De Chinese Hui He (Gioconda) maakte haar Met debuut in 2010 als Aida, een rol die haar naar de grootste en belangrijkste podia ter wereld heeft gebracht. Zij beschikt over een bijzonder sterk spinto-sopraan, met een enorme draagkracht en een perfecte hoge noten. Haar Italiaans is perfect en haar inleving in haar personage werkelijk adembenemend.

Hui He’s stem lijkt buitengewoon geschikt voor de zwaardere Verdi’s, voor Puccini en voor verismo. Haar ‘Suicidio’ is vol passie, verdriet en twijfel en wordt – uiteraard – beloond met een open doekje.

Hugh Smith (Enzo) kennen we nog uit Amsterdam, waar hij in 2004 een zeer sterk debuut bij de NTR ZaterdagMatinee maakte als Des Grieux in Manon Lescaut, met in de hoofdrol Charlotte Margiono. Daarna kwam hij nog één keer terug, voor de ‘disaster-Norma‘ bij De Nederlandse Opera.

Smith (een Amerikaan) is een echte ‘Italiaanse’ spinto. Niet de subtielste ter wereld, maar zijn geluid mag er wezen: groot en rinkelend. In ‘Cielo e mar’ wil hij zijn hoge noten wel eens knijpen, maar de aria op zich staat als een huis. Mij doet hij een beetje aan Richard Tucker denken. Die rol van Enzo heeft hij al vaker gezongen, onder meer bij de New Israeli Opera.

In het duet ‘Stella del marinar!’ met Laura (Luciana D’Intino) gaat het een beetje mis, niet in laatste instantie door dirigent Yishai Steckler; zijn tempi vind ik hier te langzaam. Bovendien mengen de twee stemmen hier niet echt. Best jammer, want D’Intino is ook zo’n ouderwetse mezzo, met mooie borsttonen, warme laagte en een makkelijke hoogte. Haar stem heeft ook een bepaalde resonans die mij zeer prettig in de oren klinkt.

In ‘E un anatema’, Laura’s duet met Gioconda, gaat het er veel spannender aan toe. Beide dames zijn aan elkaar gewaagd en het drama spuit er vanaf. Hier neemt de dirigent een zeer geslaagde revanche: de spanning is om te snijden en houdt het aan tot de laatste noten van de tweede akte.

Aan het einde van de derde akte bereikt Steckler een echte climax (vergeet het aandeel van het koor niet!) en in akte vier pakt hij echt uit en sleurt alles en iedereen mee, zowel in het zeer lyrisch gehouden trio ‘Ah, il cor mi si ravviva’ als in de zeer dramatische confrontatie van Gioconda met Barnaba. OPERA!

Lado Atanelli is misschien niet de beste, maar zeker een prima Barnaba, er zijn tegenwoordig zo weinig baritons die de rol nog kunnen zingen!

De opera werd in 2012 in Salerno live opgenomen en afgaande op de foto’s vind ik het jammer dat het niet op dvd is verschenen. Niettemin: ik raad iedereen aan om de opname, zeker ook gezien de prijs, aan te schaffen!


Amilcare Ponchielli
La Gioconda
Hui He, Luciana D’Intino, Carlo Striuli, Francesca Franci, Hugh Smith, Lado Atanelli e.a.
Orchestra Filharmonica Salernitana ‘Giuseppe Verdi’, Coro del teatro dell’opera di Salerno olv Yishai Steckler
Brilliant Classics 94607

2 x LES PÊCHEURS DE PERLES

parelvissers

La Scala 1886: finale vam de eerste acte

Kunt u zich het voorstellen dat ‘Les Pêcheurs de perles’ (oftewel de ‘Parelvissers’ in de volksmond), ooit één van de meest uitgevoerde werken in Nederland was?

Maar tijden (en de daarmee gepaarde mode) veranderen en de generatie die na de jaren zestig geboren is, kent de opera vrijwel alleen van zijn twee grootste hits: ‘Je crois entendre encore’, een tenoraria die op geen enkele verzamel-cd ontbreekt, en natuurlijk hét duet Au fond du temple saint’. En dat terwijl de opera zo veel meer te bieden heeft!

Neem alleen al de cavatina van Léïla, ‘Me voilà seule dans la nuit’. Het is alsof je Juliette van Gounod hoort. Verlangend, maar ook delicaat en o zo zuiver! En vergeet ‘De mon amie’ niet, een hartverscheurend duet tussen Léïla en Nadir.

Maar ‘omnia mutantur, nihil interit’ (alles verandert, niets gaat ten gronde) en dus komen veel hits van weleer terug in onze operahuizen. Zo ook Les pêcheurs de perles. Na bijna vijftig jaar van afwezigheid zet het ene na het andere operahuis het werk op het affiche, waaronder ook de Nederlandse Reisopera.

SALERNO 2012

 5028421944340_600

Een in mei 2012 in Salerno live opgenomen productie van Bizets opera werd kort erna op Brilliant Classics uitgebracht. Dirigent Daniel Oren schuwt het spektakel niet, maar blijft lyrisch en geeft de zangers alle ruimte. En dat het soms niet helemaal niet in de pas loopt, ach…

De zeer virtuoze Desirée Rancatore overtuigt als de verscheurde priesteres en Celso Albelo (Nadir) is voor  haar een perfecte match: ietwat schuw maar wel vastberaden. Mooie stem ook, maar dat wisten we al van zijn optreden als Roudi in Rossini’s Guillaume Tell tijdens ZaterdagMatinee.

Luca Grassi is een meer dan een adequate Zurga. Hij beschikt over een zeer gespierd geluid en weet alle dramatische en psychologische ontwikkelingen van zijn personage goed uit te drukken.

Het is alleen jammer dat de productie niet op DVD is uitgebracht, want naar de foto’s en Youtube fragmenten te oordelen was het ook een feest voor het oog!


Desirée Rancatore, Celso Albelo, Luca Grassi, Alastair Miles
Orchestra Filharmonica Salernitana ‘Giuseppe Verdi’ olv Daniel Oren
Brilliant Classics 94434

(meer…)

Stella di Napoli: Joyce diDonato zingt belcanto.

Joyce DiDonato Stella

Men zegt belcanto, men denkt: Rossini, Donizetti, Bellini….. En dat terwijl de 19-de eeuw zo veel meer moois heeft opgeleverd!

Denk alleen maar aan Saverio Mercadante (zijn Il Giuramento is een meesterwerk!), voor mij de onmisbare link tussen Donizetti en vroege Verdi. Denk ook aan Giovanni Pacini. Aan hem, bij het operaminnend publiek voornamelijk bekend van zijn heerlijke Saffo hebben we de titel van deze fantastische cd te danken.

‘Ove l’agiri o barbaro’ uit Pacini’s Stella di Napoli is een heerlijk niemendalletje, met parelende coloraturen en aanstekelijke melodielijn. Joyce DiDonato stipt ze lichtelijk springerig aan waardoor ze zo ontzettend ongedwongen en natuurlijk klinken, zo vanzelfsprekend. In haar uitvoering lijkt de aria op een aquarelschilderij. Als een soort opstap tot het “zwaardere” werk, met wat meer diepgang, met een nog hogere “ontroeringgehalte” en nog meer virtuoze coloraturen.

De onwaarschijnlijk mooie ‘Dopo l’Oscuro nembo’ uit Bellini’s Adelson e Salvini (wie gaat zich aan de complete opname wagen? Alsjeblieft?) klinkt hier anders dan ik gewend ben: wordt hier een andere (gecorrigeerde?) partituur gebruikt?

In ‘Par che mi dica ancora’uit Elisabetta al castello di Kenilworth van Donizetti wordt zij begeleid door de klokkenspel, wat een merkwaardige gewaarwording teweeg brengt. Dit tere, breekbare geluid onderstreept DiDonato’s absolute volmaaktheid nog meer.

Helemaal stil word ik van haar Romeo uit I Capuleti e i Montecchi van Bellini. Zo mooi, zo hartverscheurend ontroerend gezongen heb ik de aria niet eerder gehoord.

Over haar Maria Stuarda hoef ik u waarschijnlijk niets meer vertellen. Ik neem aan dat u de opera met haar in de hoofdrol al gezien had. In de bioscoop of anders op dvd.

En voor een mopperaar voor wie geen belcanto bestaat zonder Lucia di Lammermoor  of La Sonnambula: die zijn er ook. Ze zijn alleen gecomponeerd door Michele Carafa  en Carlo Valentini en heten Le nozze di Lammermoor  en Il Sonnambulo. Nooit van gehoord? Ik ook niet. Het zijn dan ook, samen met Stella de Napoli, echte wereldpremières.

Mocht u zich hebben aangevraagd waarom Joyce diDonato tot de allergrootste diva’s ter wereld behoort: koop de cd en ik beloof u dat u de wereld om u heen vergeet!

Maar we mogen ook Riccardo Minassi en zijn Orchestre et Choer de l’Opera National de Lyon niet vergeten – hun aandeel in de schoonheid van de cd is van de onschatbare waarde!

Stella di Napoli
Bel Canto Opera Arias
Pacini, Bellini, Mercadante, Rossini, Donzetti, Valentini, Carafa
Joyce DiDonato (mezzosopraan)
Orchestre et Choer de l’Opera National de Lyon olv Riccardo Minasi
Erato 08256 46365623 • 72’

Meer DiDonato: JOYCE & TONY

CENDRILLON met Joyce DiDonato

DIANA DAMRAU zingt LISZT

 damraulisztcd

Moeilijk te geloven en toch is het waar: veel muziekliefhebbers weten niet eens dat Franz Liszt liederen heeft gecomponeerd.

Iedereen kent en bewondert hem – terecht – om zijn beroemde (en beruchte) pianowerken. Ook zijn orkestcomposities worden regelmatig uitgevoerd en opgenomen. Maar liederen?

En toch: Liszt heeft er ruim honderd geschreven. Je hoort ze alleen zelden op de liedrecitals en de catalogus vermeldt maar een handjevol opnames.

Het bekendst zijn, denk ik, Liszts ‘O Lieb’ en de drie wonderschone Petrarca Sonetten. Zij ontbreken ook niet op de cd die Diana Damrau vijf jaar geleden heeft opgenomen.

Na de soloalbums met onder anderen Mozart en Strauss heeft Damrau zich over de liederen van Liszt ontfermd. Er staan maar liefst negentien liederen erop, waarvan een paar echte wereldprimeurs: bij mijn weten is de tweede versie van ‘Freugdvoll und Leidvoll’ naar de tekst van Goethe nog niet eerder opgenomen.

Men kan zich afvragen of Damrau’s stem niet te licht is voor de liederen. Haar meisjesachtig timbre is zonder meer prachtig en haar hoogte is onberispelijk. Door haar lichte benadering wordt de intimiteit van de liederen onderstreept, maar soms klinkt het allemaal een beetje iel. Iets meer warmte in de stem zou de liederen laten glanzen, iets wat ze nu moeten ontberen.

Eigenlijk verdient zij maar drie sterretjes van de vijf, maar vanwege de werkelijk prachtige begeleiding van Helmut Deutsch geef ik de uitgave een ster meer.


FRANZ LISZT
Lieder
Diana Damrau (sopraan), Helmut Deutsch (piano)
Virgin Classics 07092824 • 77’

Mariusz Kwiecien en zijn Slavische helden

kwiecienheroescd

De jonge Poolse bariton Mariusz Kwiecień (moeilijk uit te spreken? Ik ga u helpen! Het is, op zijn Hollands gezegd: Marjoesj Kfjetsjenj) is hot, echt hot. Speciaal voor hem werd ooit de ‘Barihunks’- site opgericht. Toch ….. hoezeer ik de acteerprestaties en het charisma van de jonge Pool bewonderde – zijn stem liet mij meestal koud. Maar kleine jongens worden groot en de waarheid moet nu gezegd worden: ik heb mij vergist

Toen ik zijn Onjegin in de regie van Dmitri Tcherniakov (Bel Air BAC046) zag, toen al heb ik mij gewonnen moeten geven, maar nu, met zijn eerste (sic!) solo-cd, kan ik alleen maar mijn hoofd diep buigen in bewondering. Vooraleerst is het de repertoire keuze. Naast zijn grootste glansrollen: Jevgeni Onegin en Krol Roger van Szymanowski zingt hij voornamelijk onbekende schatten uit de Slavische opera’s.

Als operaliefhebber kent u wellicht de baritonaria uit Sadko van Rimski-Korsakov en misschien ook ‘Oh Mariya, Mariya’ uit Mazeppa van Tsjaikovski. Maar heeft u ooit van Čertova stěna van Smetana gehoord? Of van Verbuum Nobile van Stanislaw Moniuszko? Dat bedoel ik maar!

Buiten de repertoirekeuze hebben we nog met een stem te maken en – het moet gezegd, zijn stem klinkt als een klok! Mooi, warm en zeer aantrekkelijk.
Ook het Poolse Radio Orkest onder leiding van Łukasz Borowicz klinkt voortreffelijk.



 

Mariusz Kwiecień
Slavic Heroes
Aria’s van Tchaikovsky, Moniuszko, Szymanowski, Rachmaninov, Borodin, Dvorak en Smetana
Polish Radio Symphony Orchestra olv Łukasz Borowicz
Harmondia Mundi HMW906

 

 

Sprankelende La gazza ladra uit Bad Wildbad

la-gazza-ladra

La Gazza Ladra – een semiseria tweeakter van Rossini met als titelheldin een stelende ekster – behoorde tot voor kort tot zijn minder bekende opera’s. Maar zo onbekend als de opera zelf was, zo overbekend is de ouverture, die ontbreekt dan ook zelden bij recitals en concerten. Daar de nadruk meestal op het komische aspect wordt gelegd, kan het de luisteraar volkomen ontgaan hoe vernuftig de muziek in elkaar zit.

Virtuosi Brunensis, een  speciaal voor het festival in Bad Wildbad samengesteld kamerorkest laat zich van zijn beste kant kennen. Onder de spirituele leiding van de Rossini-veteraan Alberto Zedda laten ze de muziek sprankelen dat het een lieve lust is.

De opera moet het voornamelijk van twee voortreffelijke bassen hebben en zowel Bruno Praticò (Fernando) als Lorenzo Regazzo (Gottardo) voldoen aan de eis ruimschots. De Spaanse sopraan Maria José Moreno is een verrukkelijke, zeer charmant klinkende Ninetta. Hun trio ‘Siamo soli’, ongetwijfeld dé hit uit de eerste acte heb ik niet eerder zo mooi uitgevoerd gehoord.

Kenneth Tarver (Giannetto) doet mij af en toe aan John Osborn denken, wat wellicht meer aan zijn timbre dan aan zijn virtuositeit ligt. Wat eigenlijk meer zegt over Osborn dan Tarver. De opera werd al in 2009 live in Bad Wildbad opgenomen, maar is pas in 2015 op de markt gebracht.

Gioachino Rossini
La Gazza Ladra
María José Moreno, Kenneth Tarver, Lorenzo Regazzo, Bruno Praticò, Mariana Rewerski, Giulio Masstrototaro, Luisa Islam-Ali-Zade;
Classica Chamber Choir, Virtuuosi Brunensis olv Alberto Zedda
Naxos 8660369-71 (3cd’s)

Het een en ander over Andrzej Dobber

dobber

Het is niet zo dat er een zak met Poolse zangers boven de operahuizen is leeg geschud, maar soms lijkt het er wel op. Op de grootste wereldpodia kom je steeds meer Poolse namen tegen. Eén van hen, Andrzej Dobber, heeft nu zijn eerste (en laatste) solo-cd uitgebracht.

Poolse operakwaliteit is er altijd geweest. Denk alleen al aan de gebroeders Reszke, Roza Raisa of Jan Kiepura. De dictatuur van het proletariaat en het IJzeren Gordijn van na de Tweede Wereldoorlog maakten het voor hen echter moeilijk (zo niet onmogelijk) om buiten de landsgrenzen te kunnen optreden en opnamen te maken. Slechts enkelen (Teresa Żylis-Gara, Wiesław Ochman, Bernard Ładysz) lukte het om het ook in het buitenland te maken, het gros bleef onopgemerkt.

Tijden veranderen. Zonder moeite sommen we nu de namen van Ewa Podleś, Piotr Beczała, Mariusz Kwiecień, Tomasz Konieczny, Artur Rucinski, Agnes Zwierko en Aleksandra Kurzak op. En naast die internationale sterren zou je haast vergeten dat er nog veel meer grote Poolse zangers actief zijn. Andrzej Dobber bijvoorbeeld, toch één van de grootste Verdi-baritons van dit moment en ook in Amsterdam een graag geziene gast.

Hoe het komt dat Dobber minder ‘ster’ is dan zijn bekende landgenoten? Misschien wordt hij niet genoeg gepromoot of brengen de platenmaatschappijen te weinig van hem op de markt. En wat wellicht ook meespeelt, is dat hij niet overkomt als een charismatische ‘teddybeer’ en dat de term ‘barihunk’ op hem niet van toepassing is?

Maar wat Dobber wel heeft, is een zeer solide en betrouwbare lyrisch-dramatisch stem, met een warm timbre mét squillo en met zorg gedoseerde emotionele uitbarstingen. Dat is niet niets! Zeker als je zijn bovengemiddelde acteervermogen daarbij optelt.

Twee jaar geleden is er bij de Poolse label DUX zijn allereerste solo cd uitgebracht, met maar liefst 10 verschillende aria’s. Het resultaat is goed, maar het kon beter.

Dobber’s mezzavoce is zeker bewonderenswaardig en zijn legatobogen kunnen gewoon niet mooier. De manier hoe hij alle noten met elkaar weet te verbinden is ronduit voorbeeldig, het is dan ook zeer aangenaam om naar hem te luisteren. Maar: ligt het aan mij dat ik zijn stem soms zo vermoeid vind klinken? Zijn Posa (Don Carlo) vind ik een beetje vlak en niet echt geïnspireerd. Alle noten zijn er, zeker, maar ik mis de nuance en zeker het drama. Ook zijn accentuering in ‘Di provenza il mar’(La Traviata) klinkt mij soms raar in de oren.

Het kan trouwens ook de schuld van dirigent Antoni Wit zijn. Zijn tempi zijn soms tergend langzaam, waardoor de muziek letterlijk uit elkaar wordt getrokken. Erg jammer, want veel van Dobbers interpretaties mogen er zeker zijn. Zijn ‘Cortigiani, vil razza dannata’ uit Rigoletto is bijvoorbeeld ontroerend mooi (ondanks dat Wit op drift slaat en zo Dobber in ademnood brengt). Niet voor niets geldt Dobber als één van de grootste Rigoletto-vertolkers!

Place de l’Opera schreef ooit over zijn Rigoletto in Berlijn:

“Rigoletto was een rol van Andrzej Dobber. Hij moet wel beroemd zijn, want hij is zó goed. Zijn ‘Pari siamo’ was super en zijn ‘Cortigiani’ verbluffend, en in de slotscènes wist hij me helemaal voor zich te winnen. Een geweldig optreden.”

Andrzej Dobber, Olesya Golovneva en Bastiaan Everink (Monterone) in ‘Sì, vendetta, tremtremenda vendetta’ uit Rigoletto uit Deutsche Oper in Berlin

Zijn interpretatie van ‘Perfidi! All’Anglo’ (Macbeth) is zowat perfect. Hier klinkt zijn stem dreigend en dwingend, een tiran waardig, maar dan één die niet gespeend is van zwakke kanten. Ook de sterfscène van Boris (Boris Godunov) is bij hem in goede handen.

Het beste vind ik Dobber in Moniuszko, wat in dit geval ook aan de dirigent kan liggen. Hier is Wit helemaal op zijn plaats en toont hij zich een ware pleitbezorger van de muziek van één van zijn beroemdste landgenoten. Hij kan het dus wel!

In een gesprek op de Poolse tv vertelde Dobber over het moeizame proces van de totstandkoming van de cd. Omdat het zijn eersteling was, wilde hij zijn visitekaartje afgeven. Vandaar ook dat hij een waaier aan verschillende aria’s uitzocht: beginnend met Verdi en het Slavisch repertoire en eindigend met Wagner.

Het is zijn eerste maar ook zijn laatste soloalbum, zei hij, want het proces van het voorbereiden en het opnemen vond hij te vermoeiend. Ik hoop van harte dat hij zich bedenkt en dat hij ons op een vervolg gaat trakteren. Maar dan het liefste met een andere dirigent en met een andere opnameleider!

Andrzej Dobber met Aleksandra Kurzak in ‘Or imponete…Morro’! la mia memoria… ‘uit La Traviata :

Andrzej Dobber
Arias van Verdi, Borodin, Moniuszko, Tsjakovski, Mussorgski en Wagner
Warsaw Philharmonic Orchestra onder leiding van Antoni Wit
Dux 0959

The French Collection van Piotr Beczala: de perfectie nabij

the-french-connection

In februari 2015 was het zo ver: The French Collection, het langverwachte vervolg op het DG-debuut cd van Piotr Beczala was uit.

Hieronder trailer van het album:

 

Het was het wachten waard. Niet in de laatste plaats vanwege het repertoire: Franse opera is, naast de lyrische Verdi, Piotr Beczala’s sterkste kant. Ik ken waarlijk geen zanger die hem in de Massenet en Gounod kan overtreffen.

Zijn heerlijk smeuïge tenor is licht en elegant en zijn Werther, Des Grieux, Faust en (zeker!) Roméo behoren tot de beste vertolkingen die je van de huidige generatie jonge tenoren kunt verwachten. Je zou kunnen zeggen dat Beczala de belichaming van de Franse zangkunst is.

De toon wordt aangezet met een perfect gezongen “Pourquoi me réveiller” uit Werther. Beczala’s smachtende voordracht verraadt niet alleen tekstbegrip, maar ook (of misschien voornamelijk?) zijn affiniteit met de muziek. In één van zijn laatste interviews vertelde hij dat hij het liefst droevige rollen zingt, rollen waarin hij aan het eind doodgaat, want dan kan hij al zijn gevoelens kwijt. Dat hoor je.

Dat de Poolse tenor zo langzamerhand richting zwaarder repertoire gaat is nogal logisch. Zijn stem heeft in de diepte een grote ontwikkeling doorgemaakt, zonder dat zijn hoge noten eronder lijden.

Don José (Carmen) staat dan ook op zijn “to do list”, hopelijk voegt hij daar ook Don Carlos aan toe. Maar het liefst zou ik hem nu in de complete Herodiade en (waarom ook niet?) Robert le Diable  willen horen.  En zeer zeker in ‘Le Cid’: ik kan mij niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo mooi gezongen “Ô Souverain” heb gehoord.

Het enige minpunt vind ik het duet uit Manon van Massenet, waarin hij vergezeld  wordt door Diana Damrau. Haar stem kan mij persoonlijk niet bekoren en ik vind haar een weinig sexy Manon. Maar voor de rest: een cd om te hebben en te koesteren!


 

The French Collection
Aria’s van Massenet, Berlioz, Verdi, Donizetti, Boieldieu en Bizet
Piotr Beczala (tenor) mmv Diana Damrau (sopraan)
Orchestre de l’Opera National de Lyon olv Alain Altinoglu
DG 4794101

zie ook:

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

HEART’S DELIGHT. Piotr Beczała zingt operette

OPERETTE. Nieuwjaarsgala’s uit Dresden