Andrea_Marcon

Visser brengt Juditha Triumphans als propagandafilm

Door Peter Franken

juditha caravaggio

Caravaggio’s Judith onthoofdt Holofernes


In het gelijknamige hypocriefe bijbelboek onthoofdt Judith de Assyrische veldheer Holofernes. Een vreselijke daad maar zij is slechts de hand van God die zijn volk tegen de indringers beschermt. En dan is het goed

Een moord die op de goedkeuring van de lezer of kijker kan rekenen moet goed aansluiten bij reeds aanwezige gevoelens. Gaat het om een politiek conflict dan krijgt zo’n verhaal direct propagandistische waarde. Een van de fraaiste voorbeelden vind ik de scène aan het einde van Casablanca, waarin Rick onder de neus van politiecommissaris Louis Renault de gehate Gestapo officier Strasser doodschiet. Renault pakt de telefoon en belt het politiebureau met de opdracht: ‘major Strasser has been shot, round up the ususal suspects’. Er is een moord gepleegd maar dat is goed, het slachtoffer was een nazi.

Vivaldi heeft met zijn oratorium Juditha Triumphans een werk geschreven dat het moreel van de Venetiaanse bevolking een duwtje in de rug moest geven. De republiek was in oorlog met de Ottomanen en het waren moeilijke tijden. Voor wie het niet zelf had kunnen uitvogelen werd de link met Juditha aan het einde nog even uitgelegd. Juditha staat voor de stad Venetië en Holofernes voor de Ottomaanse Sultan. Het is een vroeg voorbeeld van propaganda in de vorm van een schouwspel, een theaterstuk.

Regisseur Floris Visser heeft deze lijn doorgetrokken naar een tijd waarin nieuwe beeldende vormen beschikbaar waren: hij heeft er een propagandafilm van gemaakt. Dat wringt hier en daar met het libretto maar zeker niet in ernstiger mate dan dat het libretto eerder al uit de pas liep met het bijbelboek. Er is sprake van een nieuw verhaal gebaseerd op dezelfde oorsprong: Judith en Holofernes.

Het toneelbeeld wordt bepaald door de ruïne van een kapotgeschoten kapel in een omgeving die bezaaid ligt met puin. Vluchtelingen onder begeleiding van gewapende partizanen banen zich voetje voor voetje een weg tussen de brokstukken en over de puinhopen. We bevinden ons in een dorp in Italië tijdens WOII, de perfect uitgevoerde kledingontwerpen van Dieuweke van Reij suggereren dat heel duidelijk.

Dan arriveert een kolonne Wehrmachtsoldaten en krijgen we de gebruikelijke taferelen te zien: de partizanen worden ontwapend en ter plekke geëxecuteerd, een vrouw wordt verkracht. Dan verschijnt een hoge officier te tonele, Holofernes, hier een Duitse generaal. Hij schiet zonder te aarzelen de verkrachter dood en helpt het slachtoffer overeind.

Dan laat hij zich fotograferen met een paar kinderen en met de rest van de bevolking. Een cameraman is ter plekke om het vast te leggen. Wat we zien is propaganda binnen een propagandafilm. Kennelijk vindt een en ander plaats in 1944 ergens in de Republiek van Salo, Mussolini’s vazalstaat waarin de Duitsers vochten tegen de partizanen maar tegelijkertijd de bevolking nog de indruk wilden geven dat men aan dezelfde kant stond. Mooie vondst, goed uitgewerkt

Een zelfbewuste mooie vrouw, type contessa, presenteert zich aan Holofernes als bemiddelaar, Judith in Italië.

Het verhaal ontrolt zich en Holofernes wordt onthoofd met zijn eigen zwaard.

Het probleem hoe dat te rijmen met de Italiaanse oorlogssetting heeft Visser briljant opgelost. Hij voegt het fenomeen roofkunst aan zijn propagandafilm toe en laat kisten met schilderijen ten tonele voeren. Een ervan is Caravaggio’s Judith en Holofernes. Verder kleedt hij zich voor zijn gezellige avond met die mooie dame in het galauniform van een generaal van de Waffen SS, compleet met ceremonieel zwaard. Zo komen de idee van een onthoofding en het benodigde zwaard als vanzelf samen, op het toneel en in het hoofd van de ‘contessa’.

Als de daad eenmaal is verricht en haar achterban de dappere vrouw bij wijze van spreken op de schouders wil nemen, schrikt ze terug. Ze beseft iets gruwelijks te hebben gedaan, onthoofden is veel confronterender dan simpelweg neerschieten, daar is geen direct contact en inspanning voor nodig. Visser laat hier Judith zien als het personage dat figureert in het 19e eeuwse toneelstuk van Friedrich Hebbel. Met haar komt het niet meer goed. Anders dan haar bijbelse voorbeeld kan zij zich niet troosten met het waanidee dat ze slechts de wil van een hogere macht ten uitvoer bracht.

Dankzij de vreemde ontstaansgeschiedenis van Vivaldi’s oratorium Juditha Triumphans bestaat de cast louter uit vrouwen. Het werk werd geschreven voor een meisjesschool en daar waren geen mannen stemmen voorradig. Het verklaart ook de opzet als oratorium, geen stuk voor een toneel, zeker niet met al die meiden. Doordat de tekst in het Latijn is gesteld zal deze aan veel toehoorders voorbij zijn gegaan. De propagandistische waarde zit hem louter in de titel, de bekendheid van de bijbelse Judith en de verklarende tekst aan het einde.

Voor deze nieuwe productie van DNO werd een beroep gedaan op het La Cetra Barockorchester Basel onder leiding van Andrea Marcon. Spelend op periode instrumenten leverde dit orkest een verbluffend goede begeleiding van het tot theaterstuk omgevormde oratorium. Speciale vermelding voor concertmeester Eva Saladin en voor Francesco Spendolini voor zijn uitgebreide solo op chalumeau.

De zangers leverden elk een bijzonder goede prestatie. De Franse mezzo Gaëlle Arquez was op en top het eerder genoemde type ‘contessa’ en wist vocaal haar rol uitstekend in te vullen. Haar directe tegenspeler was de Italiaanse mezzo Teresa Iervolino, prima optreden.

Vuurwerk kwam er vooral van Holofernes’ adjudant Vagaus, gezongen door de wel zeer wendbare Russische mezzo Vasilisa Berzhanskaya. Vagaus heeft in mijn beleving de meest onsympathieke rol maar de spectaculairste muziek. Vasilisa wist met beide aspecten goed raad.

De Britse mezzo Polly Leech vertolkte heel overtuigende de rol van Juditha’s bediende Abra. Verdere rollen waren er voor Gloria Giurgola (Puella Judaica) en Francesca Asciotti (Ozias). Verder zong het koor de stem van het volk, niet ongebruikelijk natuurlijk.

Muzikaal een zeer goede voorstelling van een stuk in een genre waar ik persoonlijk niet veel mee op heb. Des te groter het compliment voor de uitvoerenden dat ik er tot het laatste moment door werd geboeid. Deze Juditha Triumphans is een opmerkelijke productie die de aandacht verdient van een breed operapubliek.

Hieronder trailer van de productie:

Bezocht op 26 januari 2019

 

Advertenties

LA CONCORDIA DE’ PIANETI

caldara

Antonio Caldara, ooit een zeer succesvol en geëerd componist deelde het droeve lot van veel van zijn tijdgenoten: vergetelheid. Pas de laatste jaren wordt ook hij op zijn waarde geschat en vinden zijn werken hun weg naar de concertpodia en opnamestudio’s.

Het bekendst is ongetwijfeld zijn Stabat Mater uit 1725, maar dat ligt, denk ik, voornamelijk aan onze voorliefde voor alles wat droevig is. Maar Caldara was meer dan dat; hij was de schepper van ettelijke opera’s (veelal op teksten van Metastasio) en oratoria.

Caldara werd veertien jaar voor Bach en Händel geboren en in zijn tijd werd hij zelfs hoger dan de twee grootheden geschat. Hij werd geboren in Venetië en bracht veel tijd door in Mantua, maar zijn succesvolste jaren vierde hij in Wenen, waar hij de post van tweede kapelmeester bekleedde (hoewel hij veel meer gewaardeerd werd dan de eerste kapelmeester, wat zich onder meer in een hoger salaris uitte).

De toenmalige keizer Karel VI was gek op opera en voor hem was Caldara de belangrijkste componist aan zijn hof. Ter gelegenheid van Karels kroning als koning van Bohemen componeerde Caldara La Concordia de’pianeti (gelijkgestemdheid van de planeten). Het is eigenlijk geen opera maar een ‘componimento teatrale’ oftwel een ‘theatrale compositie’. Een serenade voor de keizerin Elisabeth, gepresenteerd op haar naamdag.

Het verhaal gaat nergens over: de planeten keuvelen vredig met elkaar over de volmaaktheid van de keizerin, maar dan wel op een zeer virtuoze muziek. De partituur werd door Andrea Marcon gevonden, afgestoofd en aan de wereld gepresenteerd.

De allereerste uitvoering na bijna 280 jaar vond plaats in januari 2014 in het Konzerthaus in Dortmund, het concerthuis dat geen premières en onbekende werken schuwt. Daar werd het ook live voor Archiv opgenomen.

Goed, toegegeven,  Alcina is het niet, maar de partituur is behalve virtuoos ook zeer rijk aan melodieën en zeer aanstekelijke “deuntjes”. En: vergis je niet! Meesterwerk of niet: de partituur vereist de beste stemmen die er zijn. Maar die krijgen wij ook. Bij het beluisteren van de opname stokte mijn adem dikwijls en moest ik naar adem happen.

De countertenor Franco Fagioli (Apollo) is een virtuoos zonder weerga, daar word ik echt stil van. Zijn zeer snel genomen coloraturen zijn zo perfect dat het mij werkelijk duizelt. En dan zijn hoogte! Hoe doet hij dat? Luister naar zijn ‘So ch’io dal suolo alzai’. Of ‘Questo dì così giocondo’. Onvoorstelbaar.

Of neem de aria van Mercurio ‘Madre d’ Amor tu sei’ gezongen door Daniel Behle. De tenor is voor mij een ware ontdekking. Zijn stem op zich zou ik niet gauw met barok associëren, daarvoor heeft hij, vind ik, te veel body. Maar dat er ook nog eens zo veel souplesse achter schuilt? Moeiteloos schakelt hij tussen alle registers en alle loopjes zijn loepzuiver. Tel daar zijn prachtige legatolijnen bij …. duizelingwekkend.

Maar eigenlijk zijn ze allemaal fenomenaal, alle zeven de vertolkers van de planeten. En dan heb ik het orkest nog niet genoemd. Als zelfs ik, geen barokliefhebster er voor zwicht ….


Antonio Caldara
La Concordia de’pianeti
Delphine Galou, Veronica Cangemi, Ruxandra Donose, Franco Fagioli, Carlos Mena, Daniel Behle, Luca Tittoto
La Cetra Barochorchester & Vokalensemble Basel olv Andrea Marcon
Archiv 4793356