opera/operette/oratorium/koorwerken

Le Nozze di Figaro uit Hamburg: Arlene Saunders in memoriam

Arlene Saunders, Soprano With a Dramatic Flair, Dies at 89 - The New York  Times

In 1967 was Liebermann nog de baas van het Hamburgse operahuis. Hij zorgde voor een goed, gedegen en gevarieerd repertoire met extra veel aandacht voor het hedendaags repertoire, bouwde er een fantastisch zangersensemble op en trok buitenlandse sterren en would-be sterren (in Hamburg begon de wereldcarrière van Plácido Domingo) aan.

Liebermann wordt tegenwoordig gezien als de vader van het regietheater, alleen bedoelde hij er iets anders mee dan het huidige conceptualisme waarin de grens tussen het toelaatbare en belachelijke opgezocht en vaak overschreden wordt

Nozze Hamburg

De zo goed mogelijk gereconstrueerde productie van Die Hochzeit des Figaro (ja, er wordt in het Duits gezongen) is van een grote historische waarde, maar dat niet alleen. De productie is prachtig, het orkest van de Hamburgse Opera is onder dirigent Hans Schmidt-Isserstedt voortreffelijk en de zangers stuk voor stuk idiomatisch.

De Amerikaanse bariton Heinz Blankenburg is een koddige Figaro en als Susanna is Edith Mathis gewoon niet te versmaden. Eigenlijk zou ik het van daken willen roepen: zo is Susanna bedoeld! Zo en niet anders! De jonge Tom Krause is een meer dan heerlijke Graaf en Arlene Saunders een Gravin die perfect bij hem (en zijn timbre) past.

We krijgen als onderdeel van de opname zelfs een stukje historische ‘maestro to the pit’ voorgeschoteld. Goed: de band is niet helemaal gereconstrueerd, er zitten hiaten in en de kleuren zijn echt jaren zestig. Geeft niets, dat alles neem ik graag voor lief. Aanbevolen! (Arthahaus Musik 101263)

Faccio’s Hamlet is een geweldige ontdekking

Tekst: Peter Franken

Review | Gramophone

Na de première van de herziene versie van zijn grote opera Hamlet trok Franco Faccio zijn levenswerk terug. De totaal mislukte uitvoering op 12 februari 1871 in La Scala zou de laatste blijken, het werk werd vergeten. Anthony Barrese vond in 2002 delen van de partituur terug en restaureerde het werk. Elisabeth Sobotka, directeur van het Bregenz Festival had al eerder als student research gedaan naar Facci’s meesterwerk en besloot het in 2016 te programmeren in het Festspielhaus.

Faccio en Boito waren de zelfbenoemde leiders van de muzikale vernieuwingsbeweging die de opera in Italië wilde ontstoffen. Je zou het kunnen vergelijken met de Nouvelle Vague in de Franse film die zich afzette tegen de Cinéma du Papa. Dat was wel een beetje tegen het zere been van Verdi, de belangrijkste exponent van het beproefde muziektheater. Het mag een wonder heten dat Verdi er later mee heeft ingestemd om met Boito als libretttist te werken aan Otello en Falstaff.

Boito leverde het libretto voor Facci’s Amleto en werkte intussen aan zijn eigen opera Mefistofele waarvoor hij ook het libretto schreef. Als librettist had Boito meer succes dan als componist. En Faccio wijdde zich aan dirigeren, hij was lange tijd de muzikaal leider van La Scala. Het succes van Hamlet in Bregenz was van dien aard dat men voor deze zomer de eveneens vergeten opera Nero van Boito had geprogrammeerd. Het festival werd afgelast maar Nero staat wel op het programma in 2021. Ik kijk al uit naar de opname die er ongetwijfeld van zal verschijnen.

Boito was een zeer bekwaam librettist en dat blijkt eens te meer uit de wijze waarop hij Shakespeares Hamlet heeft weten te reduceren tot een tekst die je in 140 minuten zingend over de bühne kunt brengen, met behoud van alle sleutelscènes uit het toneelstuk. Aan hem heeft niet gelegen, maar aan Faccio ook niet. Het is een schitterende opera die met wat meer geluk een belangrijke plaats op het repertoire had kunnen verwerven.

In de eerste akte doet de instrumentatie me toch wel vrij sterk aan Verdi denken. Ook meen ik flarden muziek te ontwaren die in de richting gaan van Ballo in maschera. Faccio heeft duidelijk niet geprobeerd het wiel opnieuw uit te vinden maar bouwt voort op wat hij in zijn leerjaren heeft meegekregen. En Verdi’s eigen ontwikkeling stond natuurlijk ook niet stil.

Te beginnen met de tweede akte krijgt het werk wat meer een eigen karakter, de dramatiek van een grand opéra gecombineerd met de pathetiek die later zo bepalend zou worden voor het Verismo. Een absoluut hoogtepunt is de grote monoloog van Hamlet ‘Essere o non essere’ waarin de titelheld me sterk doet denken aan Don Carlos, een topstuk voor tenoren dat ook op eigen been kan staan op concertpodia.

De dramatiek bereikt zijn hoogtepunt in de derde akte, hoewel de meeste doden pas later zullen vallen. Het betreft de grote confrontatie van Hamlet met zijn moeder: ‘Qui ‘l’attendete’ en ‘Ah! Che alfine all’empio scherno’. En als klap op de vuurpijl Ophelia’s waanzinsscène er achteraan ‘La bara involta’. Daarna spoedt het verhaal zich naar een einde waarin alle nog levende protagonisten de dood vinden. Het is een beetje een anticlimax na de schitterende ‘Marcia Funebre’ waarmee Ophélia naar haar graf wordt geleid. Kijkend naar een opname is het effect minder sterk maar ik vermoed dat deze treurmars in het theater dezelfde emoties teweeg kan brengen als die van Siegfried in Wagners Götterdämmerung. Met Laertes en Polonius erbij komt de body count op het toneel op zes. Maar dat komt voor rekening van Shakespeare, het publiek op het schellinkje moest ook waar voor zijn geld krijgen.

Uiteindelijk zijn het niet Faccio en Boito geweest die de geschiedenis zijn ingegaan als grote vernieuwers. Daarvoor moeten bij de Verisimo componisten zijn en vooral ook bij Puccini, die overigens in Faccio een warm pleitbezorger vond. Maar dat doet niets af aan de waarde van Faccio’s grandioze poging in die richting.

Om een cast bijeen te brengen voor wat vermoedelijk een eenmalige reeks zal zijn, reprises in andere operahuizen zijn op korte termijn nauwelijks te verwachten, moest Bregenz in zee met relatief onbekende solisten die het instuderen van een grote nieuwe rol vooral als een kans zagen om zich te profileren. Als ik kijk naar de carrière van de vertolker van de titelrol, de tenor Pavel Černoch, dan heeft deze rol hem geen windeieren gelegd. In de afgelopen jaren heeft hij grote rollen gezongen in belangrijke operahuizen. In 2018 had hij veel succes met zijn vertolking van Laca in de Jenufa voor DNO. Černoch kruipt als acteur in de huid van de gekwelde titelheld en laat als zanger horen welk een prachtige muziek Faccio voor hem heeft geschreven. Het is een optreden om door een ringetje te halen.

Claudio Sgura als Claudio is inmiddels ook veel grote podia te beleven. Hij komt op mij over als een solide koning, een opportunist die opmerkelijk makkelijk bang gemaakt kan worden. Stimmlich is deze bariton goed tegen zijn rol opgewassen. Dat geldt ook voor de mezzo Dshamilja Kaiser, een vaste waarde van Oper Graz. Zij geeft glans aan de rol van Gertrude, Hamlets moeder, die niet kan verhullen dat ze met zijn nieuwe stiefvader in een complot zit. De scène met Hamlet in de derde akte is van grote klasse.

De sopraan Iulia Maria Dan is meestal te horen in de Semper Oper. Ze zet een goed verzorgde geloofwaardige Ophelia neer, mist wat volume in de laagte maar weet dat hogerop goed te compenseren. Zij completeert het viertal protagonisten, uitstekende casting.

Het team van regisseur Oliver Tambosi, decorontwerper Philip Schlößmann en kostuumpontwerper Gesine Völlm breng Hamlet als een volledig librettogetrouwe productie. Over een volstrekt onbekend werk moet je natuurlijk ook geen concept leggen. Het ziet er prachtig uit allemaal, bont gekleurde kostuums in fantasie middeleeuwse stijl waarbij de leden van het koor een afbeelding van een groot oog op hun buik dragen. Het volk ziet immers alles, niets blijft verborgen. Het hof is werkelijk koninklijk gekleed, rood domineert. Alleen Hamlet, de outsider, draagt een eenvoudig zwart kostuum. Als de geest van Hamlets vader verschijnt, gezongen door de bas Gianlica Buratto, opent zich het achterdoek en is alles gehuld in verblindend fel wit licht. De eerste reactie van de kijker suggereert doeltreffend de neiging van Hamlet en zijn entourage om de hand voor de ogen te slaan.

De Wiener Symphoniker staan onder leiding van Pablo Carignani. Hun optreden completeert de feestelijkheden op het toneel. Deze productie verdient de aandacht van elke operaliefhebber, zegt het voort.

Uitgebracht door Cmajor,

Angela Gheorghiu is als Magda in La Rondine in haar element

https://m.media-amazon.com/images/I/61GXQHfzsbL.jpg

 

Tekst: Peter Franken

Nu de Metropolitan Opera een streep heeft gehaald door het complete seizoen zullen we nog een jaartje moeten wachten op de eerste voorstelling in de serie Live from the Met, een groot gemis. Liefhebbers van Puccini die troost zoeken kunnen echter terecht bij een voorbeeldige uitvoering van La Rondine met Gheorghiu en Alagna in de hoofdrollen. Het is een opname van de uitzending uit 2009 maar beter een herhaling dan helemaal niets.

In 2005 stond La Rondine op het programma van het Théâtre du Châtelet in Parijs. Ruim tevoren was deze productie groots aangekondigd met Angela Gheorghiu en Roberto Alagna als trekpleisters. Gelijk een kaartje besteld. Natuurlijk zou er ook een opname van worden gemaakt en daarmee begon de ellende. Alagna’s huislabel lag dwars, exit de beoogde tenor. Bleef over Gheorghiu maar die meldde zich vlak voor de eerste reeks voorstellingen af. Uiteindelijk zong ze alleen de dernière. Ook al was Inva Mula een uitstekende vervanger, ik voelde me toch een beetje bekocht. Maar gelukkig is er een zeer geslaagde opname met dit tweetal in de handel en die heeft mijn teleurstelling van 15 jaar geleden helemaal goedgemaakt.

La Rondine is de minst gespeelde van de opera’s uit de Puccini canon. Het werk volgt op La fanciulla del West en komt net voor Il trittico. Het is vrijwel volledig doorgecomponeerd, ‘Chi il bel sogno di Doretta’ is de enige echte aria. De vele gezongen dialogen geven het werk ook bij vlagen het karakter van een conversatiestuk. De muziek ligt prettig in het gehoor en dat is een van de redenen dat deze door sommigen wordt weggezet als opgeklopte slagroom. Maar luister je aandachtig naar La Rondine, dan valt op dat dit onmiskenbaar een ‘echte Puccini’ is. Alleen de verhaallijn is nogal afwijkend: er gaat niemand in dood en iedereen gedraagt zich heel beschaafd.

De productie van regisseur Stephen Barlow en decorontwerper Ezio Frigerio is geplaatst in de jaren ’20 met een fraai toneelbeeld in art deco stijl. De kostuums van Franca Squarciapino zijn daar goed op afgestemd. Het verhaal past prima in dit tijdsgewricht. Vrouw die zich laat onderhouden door rijke oudere man wordt verliefd op jonge man uit de provincie. Ze beleven een korte idylle maar worden ingehaald door geldgebrek en door haar verleden dat niet verenigbaar is met zijn burgerlijke achtergrond. Ze beëindigt de relatie omdat ze weet dat ze zijn ouderlijk huis niet kan betreden. Doet beetje denken aan La traviata natuurlijk.

Magda wordt uitstekend vertolkt door Gheorghiu, toen al een van haar favoriete rollen. De muziek klinkt simpel maar kent zeer lastige passages die ze met het grootste gemak aankan. Verder is ze een plaatje om te zien en haar acteerwerk is goed verzorgd. Met haar toenmalige echtgenoot Alagna vormt ze een zeer natuurlijk ogend koppel. Ze traden in die tijd veel samen op en waren ook buiten de bühne natuurlijk zeer goed met elkaar vertrouwd. Alagna heeft er duidelijk schik in en veroorlooft zich onopvallend een paar vrijheden die erop duiden dat hij met zijn eigen vrouw op het toneel staat. Zijn zang mag er zijn en de wanhoop die hij aan het einde speelt komt zeer geloofwaardig over.

Waarschijnlijk omdat de plot nogal dun is, is er een tweede koppel aan het verhaal toegevoegd. De dichter Prunier die gelooft in de ware liefde maar eigenlijk niet verder wil kijken dan intrigerende beroemde vrouwen zoals Berenice, Francesca en Salome, daarmee impliciet te kennen gevend dat iemand als Magda beneden zijn stand is. Prunier heeft het voortdurend aan de stok met Magda’s vrijpostige dienstmeisje Lisette. Dat is echter maar schijn, hij is helemaal weg van haar en ze zijn in het geheim allang een stelletje.

Marius Brenciu geeft een prima vertolking van Prunier, die overigens het eerste deel van ‘Chi il bel sogno’ zingt. Lisette Oropresa excelleert als de brutale dienstmeid die door Preunier voortdurend als een Eliza Doolittle wordt behandeld. Mooi dat er zo’n topbezetting is gekozen voor de tweede sopraanrol.

Koor en orkest van de Met staan onder leiding van Marco Armiliato

Een paar woorden over Castor et Pollux van Rameau

In tegenstelling tot bij voorbeeld Händel heeft Jean-Philippe Rameau niet een echte renaissance gekend. En al bereiken zijn werken meestal niet het niveau van de Duits-Engelse grootmeester, toch zijn zij zeker meer dan de moeite waard. Al was het alleen vanwege de belangrijke plaats die zij nemen in de ontwikkeling van de muziekgeschiedenis. En persoonlijk (niet slaan! Het is maar mijn mening!) vind ik zijn muziek mooier, evenwichtiger en prettiger om naar te luisteren dan naar de meeste van zijn meer gewaardeerde tijdgenoten.

Castor et Pollux was Rameau’s tweede ‘tragedie en musique’. Het werd in 1737 voor het eerst uitgevoerd en in 1754 totaal gereviseerd, waarbij o.a. de proloog eruit werd geknipt. In 1992, één jaar na de live opvoeringen in Aix-en-Provence, nam William Christie voor Harmonia Mundi (HM 901435.37) de eerste versie op.

Het klinkt allemaal zeer bevlogen en er wordt voortreffelijk in gezongen, voornamelijk door Agnès Mellon (Télaire), Véronique Gens (Phébé) en Jérôme Corréas (Pollux). Persoonlijk had ik iets meer vibrato willen horen, maar vooralsnog heeft deze opname geen concurrentie. Althans voor mij.


Jakob Lenz van Wolfgang Rihm uitgebracht op dvd

Tekst: Peter Franken

Wolfgang Rihm: Jakob Lenz: Amazon.de: Georg Nigl (Bariton), Henry  Waddington (Bassbariton), John Graham-Hall (Tenor), La Monnaie Symphony  Orchestra, Myriam Hoyer, Franck Ollu, Georg Nigl (Bariton), Henry  Waddington (Bassbariton): DVD & Blu-ray

7월 Chateau de Versailles, Alpha 등 신보(7/18 입고완료) > 새 음반 소식 | 풍월당

In maart 2015 wasakob Lenz te zien in de De Munt in een productie van Andrea Breth. De voorstelling werd verfilmd door Myriam Hoyer en de opname is in 2019 door Alpha Classics op dvd uitgebracht.

Wolfgang Rihm is een icoon van de hedendaagse muziek en met Jakob Lenz voegde hij in 1979 een tweede opera toe aan zijn alreeds omvangrijke oeuvre, kort na Die Hamletmaschine uit 1977. In deze productie wordt de titelrol vertolkt door bariton Georg Nigl, ook iemand met een grote staat van dienst in het moderne repertoire.

Jakob Lenz is een historische figuur. Hij was bevriend met Goethe en werd verliefd op diens vroegere geliefde Frederieke. Met haar werd het niets en dat was vermoedelijk wat de onder de oppervlakte aanwezige krankzinnigheid van Lenz naar boven bracht. De opera volgt de protagonist in zijn afglijden naar totale waanzin, steeds op zoek naar Frederieke die hij in een bloedstillende scène ook in een dood kind meent te herkennen.

Sta op en wandel, gebiedt hij haar. En als dat geen effect heeft komt niet geheel onverwacht de klacht dat zijn god hem heeft verlaten. Een zeskoppig koortje dat de stemmen laat klinken die Lenz in zijn hoofd hoort, moedigt hem aan te sterven. Dat is de enige manier om die dode Frederieke terug te vinden. Ze zetten in de stijl van het voorafgaande een houten kruis tegen zijn rug.

Behalve dat koortje zijn er nog twee personages die zich met Lenz bezighouden. Dominee Oberlin die hem in huis opneemt in de naïeve veronderstelling hem met wat stichtende praat wel weer op het padje terug te kunnen brengen en een wat vage figuur genaamd Kaufmann die een kennis is van Lenz. Als tegen het eind Lenz in een kennelijk door hem kapotgeslagen kamer door beide heren wordt bezocht, treffen ze hem besmeurd met zijn eigen uitwerpselen in volslagen reddeloosheid aan. Ze hijsen hem in een dwangbuis en laten hem alleen achter. Niks meer aan te doen.

Alle drie personages zijn historische figuren die leefden tweede helft 18e eeuw. Het verhaal van Lenz is opgetekend door Oberlin en door Georg Büchner in 1836 verwerkt in zijn novelle Lenz. In vergelijking met dit verhaal is Woyzeck een blijspel.

Het toneelbeeld is donker waardoor details moeilijk te onderscheiden zijn. Een opengewerkte doos op het toneel beschrijft het nog het beste. De kostuums schwanken wat tussen periode en eigentijds. De dramaturgie van Sergio Morabito stelt het incasseringsvermogen van de kijker behoorlijk op de proef.

Nigl geeft zichzelf volledig tijdens zijn optreden dat ruim een uur duurt. Hij is de perfecte keuze voor deze loodzware rol, indrukwekkend. Zijn tegenspelers bariton Henry Waddington als Oberlin en tenor John Graham-Hall als Kaufmann bieden goed tegenspel.

Franck Ollu geeft leiding aan een klein ensemble dat afkomstig is uit het symfonie orkest van de Munt. De twaalf musici bespelen celli, hout, koper en slagwerk. Ook is er een klavecimbel te horen. Muzikaal vergt het werk geen al te grote inspanning om te volgen, de handeling des te meer. Voor liefhebbers van modern repertoire een aanrader.

Twee maal Orfeo van Monteverdi op dvd

ROBERT WILSON

https://www.hdclub.ua/files/music_release/big/bigi4d3ed1a148ee5.jpg

Het komt niet vaak voor dat een (vroeg)barokopera uitgevoerd wordt in La Scala. Zeker in geval van Monteverdi heb je veel meer aan de intieme sfeer van een klein theater. Maar de in september 2009 in het Milanese toptheater opgenomen Orfeo van Robert Wilson bewijst dat het toch kan. En dat het werkt. Althans, op het scherm van je tv.

De beelden zijn zo zeer gestileerd dat je soms het gevoel hebt naar ‘film stills’ te kijken. Ik ben geen groot liefhebber van Robert Wilson, maar de voor hem zo typische bewegingen en gebaren werken hier wonderwel. Het klopt.

Het zeer statische maar o zo mooie bühnebeeld, met weinig decorstukken, geeft alle ruimte aan de muziek. De werkelijk betoverende belichting creëert heel veel sfeer en de kostuums zijn prachtig.

Rinaldo Alessandrini dirigeert gespierd, met nadruk op het dansante van de muziek. Zijn tempi zijn voortvarend, zonder gehaast te klinken.

Gerg Nigl is een mooie Orfeo. Nooit gedacht dat hij na zijn optredens als Wozzeck nog zo veel lyriek in zijn stem zou hebben.

Iedereen van de verder uitstekende cast verbleekt echter bij Sara Mingardo (Messagera/Speranza). Haar stem is warm en vol kleuren. Ook permitteert zij zich gezichtsuitdrukkingen (bij Wilson meestal niet toegestaan), waardoor alle aandacht, zeer terecht, naar haar gaat (Opus Arte OA 1044 D).

Hieronder een fragment:

TRISHA BROWN

https://img.discogs.com/UmxE5cMetLBH3MkVUKvBLZB_Ags=/fit-in/426x600/filters:strip_icc():format(jpeg):mode_rgb():quality(90)/discogs-images/R-10561841-1499946253-5600.jpeg.jpg

De Amerikaanse choreografe Trisha Brown heeft in 1998 in Brussel een zeer dansante Orfeo geregisseerd. Als u heel erg veel van ballet houdt en Madama Butterfly van Wilson tot uw lievelingsvoorstellingen telt, dan zult u er erg van genieten. In alle andere gevallen: zet het beeld uit en geniet van het prachtige geluid, want René Jacobs dirigeert meesterlijk en Simon Keenlyside is een kanjer van een Orfeo (ja, hij danst ook!).

Er zit bij deze uitgave een aparte dvd met ‘the making of’ en de opera is ook Nederlands ondertiteld (Harmondia Mundi HMD 9909003.004).

Hieronder een fragment:

Léonore ou l’amour conjugal op dvd uitgebracht door Naxos

Tekst: Peter Franken

 

News from the Naxos Music Group – November 2018

Pierre Gaveaux (1761-1825) schreef in de periode die volgde op La Terreur de opera Léonore op een libretto van Jean-Nicolas Bouilly (1763-1842). Het werk is vandaag de dag vrijwel vergeten maar de titel komt elke operaliefhebber natuurlijk direct bekend voor. Beethoven baseerde zijn Fidelio op dit werk en de overeenkomsten zijn treffend.

Léonore ging in 1798 in première en werd goed ontvangen. Het verhaal over machtsmisbruik door een meedogenloze heerser en de moed van een vrouw die haar eigen leven in de waagschaal stelt om haar man van een zekere dood te redden, sprak veel mensen aan. Natuurlijk wordt de indruk gewekt dat de kritiek is gericht op het ‘Ancien Régime’ maar de uitwassen van Robespierre en consorten lagen nog te vers in ieders geheugen om de handeling daarvan los te kunnen zien.

Gaveaux was behalve componist ook zanger. Zo zong hij de rol van Iason bij de première van Cherubini’s Médée in 1797 en natuurlijk de rol van Florestan in zijn eigen Léonore. Het muzikale idioom van dit werk doet enigszins denken aan dat van Cherubini en Spontini, de vlaggendragers van de Frans postrevolutionaire stijl, en daar was Gaveau natuurlijk zeer mee vertrouwd geraakt. Dit is met name het geval voor de hoofdrollen Florestan en Fidelio en het koor van de gevangenen. De wat meer karikaturale karakters Marceline, Jacquino, Roc en Pizare leunen nog sterk op de typologie van de oude tijden. Vrij simpele gezongen mededelingen met veel herhalingen, duidelijk een licht komisch effect beogend.

De Naxos opname betreft een voorstelling van de Opera Lafayette uit 2017. Dit is een Amerikaans gezelschap dat gespecialiseerd is in het Franse repertoire en speelt op periode instrumenten. Op ad hoc basis worden solisten aangetrokken, de vaste kern wordt gevormd door het orkest. De enscenering is sober maar doeltreffend. Een stel grote kozijnen die kunnen draaien in een raamwerk, kleinere zetstukken, goed gekozen rekwisieten en een effectieve belichting roepen achtereenvolgens het huis van Roc en zijn dochter Marceline en de kerker van Florestan op. Er tussenin vult het achtkoppige gevangenenkoor nog zes minuten het toneel.

Sopraan Pascale Beaudin zet een alleraardigste Marceline neer. Wat ze te zingen heeft is niet erg verheffend maar met leuk acteerwerk weet ze er wel een aardig onderonsje met Jacquino van te maken. Haar personage is op zijn best in de relatie met Fidelio, met hem trouwen is haar doel en Beaudin zat alles op alles om iedereen te overtuigen van de oprechtheid van dat voornemen. Tenor Keven Geddes hobbelt er wat achteraan als Jacquino, aardig gezongen en natuurlijk goed voor een vleugje tragikomedie.

De bas Tomislav Lavoie als Roc en zijn chef de bariton Dominique Côté als Pizare zijn weinig opvallend, adequate casting. Mooi werk van het gevangenenkoor, je hoort er onwillekeurig Beethovens versie door heen.

Sopraan Kimy Mc Laren als Léonore a.k.a. Fidelio weet volledig te overtuigen. Haar partij zit volledig in de nieuwe stijl die tegen de eeuwwisseling in ontwikkeling was gekomen en dat maakt haar personage ook muzikaal erg interessant. Hetzelfde valt te zeggen over de Florestan van tenor Jean Michel Richer als vind ik zijn partij wel wat pathetisch klinken. Een aspect overigens dat me ook in Beethovens versie nogal stoort. Tegen het einde maakt Dom Fernand nog even zijn opwachting in de persoon van bas bariton Alexandre Sylvestre. Ik noem hem voor de volledigheid, hij zorgt voor het eind goed al goed aspect.

Ryan Brown heeft de muzikale leiding en heeft daarbij veel aandacht voor de individuele solisten in zijn orkest. Brown laat het geheel goed verzorgd klinken al moet ik stellen dat er in de ouverture en de eerste akte voor hen niet zoveel eer valt te behalen. Pas in de tweede akte als we afdalen in de kerker mag het orkest een eigen stem laten klinken, heel omineus natuurlijk.

De opera duurt ongeveer 80 minuten en is een must voor iedereen die nu eens wil weten waar Beethoven zijn idee vandaan heeft gehaald. Dit is de enige echte voorloper van zijn Fidelio.

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/SEtf1mkGfZQ&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay

Queen Elisabeth, Leicester en Mary Stuart: de geschiedenis door Rossini herschreven

Opera Rara Elisabetta

Deze opera behoort wellicht niet tot de meest interessante werken van Rossini, maar wat is het mooi! Het verhaal? Leicester, de geliefde van Elisabetta voert oorlog in Schotland, trouwt daar in het geheim met Matilde (een dochter van Mary Stuart) en neemt haar en haar broer Enrico mee naar Engeland. Hij vertrouwt Norfolk, die hij als zijn vriend beschouwt zijn geheim toe, maar die verraadt hem. Het komt allemaal goed, en – nog belangrijker – het verzekert ons van ruim drie uur vocaal genot.

Het was de eerste van negen opera’s die Rossini voor het Teatro San Carlo in Napels had geschreven. Het was ook zijn eerste opera voor Isabella Colbran en ook zijn eerste opera waarin alle recitatieven door de strijkers werden begeleid.

Voor de opname door Opera Rara in 2002 werd een speciale editie vanuit het manuscript vervaardigd en het werk werd voor het eerst helemaal compleet opgenomen.

De bezetting is fenomenaal. Jennifer Larmore (Elisabetta) en Majella Cullagh (Matilde) zijn beiden onweerstaanbaar. Bruce Ford is een mooie, lyrische Leicester en Antonino Siragusa een werkelijk spetterende Norfolk. Giuliano Carella leidt het geheel zeer geïnspireerd en met verve.

En als de ouverture u bekend voorkomt dan heeft u gelijk: Rossini hergebruikte het voor Il Barbiere di Sevilla (ORC22)


Daniela Dessi’s Fedora uitgebracht op Blu-ray

Tekst: Peter Franken

https://media.s-bol.com/gvYzZK6M2q9/550x776.jpg

Dynamic heeft een opname van Fedora uitgebracht, afkomstig uit het Teatro Carlo Felice in Genua. Het koppel Dessi Armiliato vertolkt de hoofdrollen.

Umberto Giordano componeerde Fedora in 1898, ruim een jaar na zijn grote succes Andrea Chenier. Het libretto van de hand van Arturo Colautti is gebaseerd op het toneelstuk Fédora van Victorien Sardou, de toneelschrijver die in 1887 al eens succes had met La Tosca, in 1900 op het operatoneel gebracht door Puccini. Beide stukken draaien om een verliefde vrouw die ongewild haar geliefde in levensgevaar brengt.

Prinses Fedora is een rijke Russische weduwe die op het punt staat in het huwelijk te treden met graaf Vladimir Andrejevich, een losbol die haar bedriegt met een andere vrouw. Als zij hem de avond voor het huwelijk komt opzoeken in zijn woning, is hij afwezig. Kort daarna wordt hij echter zwaargewond binnengebracht en overlijdt nog diezelfde nacht. Zij zweert hem te zullen wreken.

Graaf Loris Ipanov wordt direct verdacht van de moord op Fedora’s aanstaande en hij vlucht naar Parijs. Fedora betrekt daar een woning en als belangrijk persoon binnen de Russische expat community kost het haar weinig moeite hem in te palmen. Voor ze de Russische geheime politie op hem afstuurt wil ze echter zekerheid hebben of hij werkelijk de gezochte moordenaar is.

In een emotioneel gesprek verklaart Loris haar zijn liefde, die zij afwijst. Zijn repliek is dat de liefde zelf haar verbiedt om te weigeren: ‘Amor ti vieta’. Deze korte aria is het enige gedeelte van de opera dat grote bekendheid geniet. Caruso zong het bij de première op 17 november 1898.

 

Omdat Loris niet ontkent Andrejevich te hebben gedood geeft Fedora hem aan bij de autoriteiten in Rusland. Haar brief gaat nog dezelfde avond mee met een gereedliggend schip. Als Loris haar de volgende dag confronteert met bewijzen dat Andrejevich haar bedroog, en wel met Loris’ eigen geliefde, krijgt Fedora direct spijt van haar poging tot wraakneming. Loris had Andrerjevich betrapt, deze had op hem geschoten waarop Loris het vuur had beantwoord. Complicatie is verder dat Fedora inmiddels verliefd is geworden op Loris en hem uit handen van de politie wil houden.

Het verliefde stel vlucht naar Zwitserland en alles gaat goed tot Fedora te horen krijgt dat de broer van Loris is opgepakt op verdenking van medeplichtigheid aan wat men voor een politieke moord houdt. Hij is in zijn cel overleden waarop zijn moeder is gestorven aan een hartaanval. Daarmee is Fedora indirect verantwoordelijk voor twee doden in Loris’ familie.

Als deze bericht krijgt dat de brief van een vrouw deze gebeurtenissen heeft veroorzaakt, zweert hij zich op haar te zullen wreken. Fedora maakt zich na enige aarzeling bekend als degene die hij zoekt maar ondanks haar smeekbeden weigert hij haar te vergeven. Ze pleegt zelfmoord door gif in te nemen, Loris vertwijfeld achterlatend.

De enscenering van Rosetta Cucchi volgt het libretto heel keurig, bijna als een kostuumdrama. Maar ze heeft de verleiding niet kunnen weerstaan een component uit eigen koker aan het geheel toe te voegen. In een hoekje op het toneel zien we een oude man: Loris Ipanov als grijsaard. Hij bladert wat in een fotoalbum en zit verder rustig wat te suffen. Op een groot achterdoek worden beelden geprojecteerd die vermoedelijk zijn herinneringen tonen. Aanvankelijk vage oorlogsbeelden, later beelden en geluiden van een revolutie. Zijn leven gaat verder als Fedora dood is en er staat hem nog heel wat te wachten. Niet alleen hem, de gehele adellijke bovenlaag die tijdens de handeling nog zo vast in het zadel meende te zitten.

Daria Kovalenko blinkt uit als party animal Olga, de jeugdige vriendin van Fedora. Een leeghoofd natuurlijk maar wel leuk om naar te kijken.

Alfonso Antoniozzi geeft een prima vertolking van de diplomaat De Siriex. Zijn intermezzo waarin hij het karakter van Russsische vrouwen bezingt is een echte showstopper, dit tot ongenoegen van Olga die zich even buiten het centrum van de belangstelling geplaatst ziet.

Fabio Armiliato zet een goede Loris neer, degelijk maar niet heel bijzonder. Vreemd genoeg klinkt zijn ‘Amor ti vieta’ alsof hij plotseling in een tunnel zingt, veel galm en erg luid. Het is natuurlijk de signature tune van de opera maar dat hoeft niet te worden benadrukt door het nog eens extra te versterken.

Daniela Dessi is een mooie Fedora. Enerzijds is ze iets te oud voor de rol, anderzijds behandelt ze Loris letterlijk en figuurlijk alsof ze zijn plaatsvervangende moeder is. Al met al een mooi optreden met een aandoenlijke sterfscène aan het einde. Ik betrapte mezelf erop daar net als die oude Loris naar te kijken met kennis van hoe het allemaal verder gaat. Ruim een jaar na deze opname zou Dessi overlijden en de scène waarin ze sterft in de armen van haar partner, Loris/Armiliato, komt zodoende extra wrang over. Daar staat tegenover dat deze opname onbedoeld een mooi laatste eerbewijs aan Daniela Dessi is geworden, een prachtige zangeres die node gemist wordt.

Dirigent Valerio Galli heeft de muzikale leiding. Goed spel van het orkest van Teatro Carlo Felice. Het is pas de tweede opname op dvd van dit werk, Freni en Domingo gingen Dessi en Armiliato voor (voor de recensie klik hier: Umberto Giordano en zijn Fedora.) Bekijk ze allebei, zou ik zeggen, veel kans dat het werk in de buurt te zien zal zijn de komende jaren is er niet.

 Asmik Grigorian als Fedora: verismo op zijn best.

Bestaan er nog zangers die vroege Verdi kunnen zingen?

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61e4wV4hmTL._AC_SX679_.jpg

Aan het begin van het seizoen 2017-2018 werd de Kroatische dirigent Ivan Repušić aangesteld als chef-dirigent van het Münchner Rundfunkorchester. Zijn debuut in die hoedanigheid maakte hij in september 2017 met de concertante uitvoering van Luisa Miller van Verdi. In oktober 2018 vervolgde hij de cyclus van de vroege Verdi’s meesterwerken met I due Foscari en een jaar later was Attila aan de beurt.

Over ‘Luisa Miller’ was ik niet echt enthousiast maar blijkbaar kan het altijd slechter. Dat ligt niet aan de dirigent. Repušić dirigeert zeer gedreven (soms een beetje té) en het koor is prima, maar de zangers! Goede genade!

Goed, Odabella is geen rol voor ‘sissies’, je moet er eigenlijk een stem voor hebben die een soort kruising is tussen Abigaille en Brünhilde en daarbij de Verdiaanse belcanto lijnen goed kunnen volgen, maar er moet toch nog ergens een zangeres te vinden zijn die de rol kan zingen? Liudmyla Monastyrska brult zich door de rol heen: zij doet mij pijn aan de oren en over haar ‘ruime vibrato’ kan ik maar beter zwijgen.

Maar ook Ildebrando D’Arcangelo heeft zijn beste tijd al gehad. Gelaten luister ik naar zijn grote aria ‘Mentre gonfiarsi l’anima’ en probeer niet aan Samuel Ramey (of Ruggiero Raimondi) te denken. George Petean is een goede Ezio en Stefano La Colla een fatsoenlijke Foresto. Er is geen libretto.


GIUSEPPE VERDI
Attila
Ildebrando D’Arcangelo, Liudmyla Monastyrska, Stefano La Colla, Stefan Sbonnik, George Petean, Gabriel Rollinson
Chor des Bayerischen Rundfunks; Munchner Rundfunkorchester olv Ivan Repušić
BR Klassik 900330