opera/operette/oratorium/koorwerken
Faccio’s Hamlet is een geweldige ontdekking
Tekst: Peter Franken
![]()
Na de première van de herziene versie van zijn grote opera Hamlet trok Franco Faccio zijn levenswerk terug. De totaal mislukte uitvoering op 12 februari 1871 in La Scala zou de laatste blijken, het werk werd vergeten. Anthony Barrese vond in 2002 delen van de partituur terug en restaureerde het werk. Elisabeth Sobotka, directeur van het Bregenz Festival had al eerder als student research gedaan naar Facci’s meesterwerk en besloot het in 2016 te programmeren in het Festspielhaus.
Faccio en Boito waren de zelfbenoemde leiders van de muzikale vernieuwingsbeweging die de opera in Italië wilde ontstoffen. Je zou het kunnen vergelijken met de Nouvelle Vague in de Franse film die zich afzette tegen de Cinéma du Papa. Dat was wel een beetje tegen het zere been van Verdi, de belangrijkste exponent van het beproefde muziektheater. Het mag een wonder heten dat Verdi er later mee heeft ingestemd om met Boito als libretttist te werken aan Otello en Falstaff.
Boito leverde het libretto voor Facci’s Amleto en werkte intussen aan zijn eigen opera Mefistofele waarvoor hij ook het libretto schreef. Als librettist had Boito meer succes dan als componist. En Faccio wijdde zich aan dirigeren, hij was lange tijd de muzikaal leider van La Scala. Het succes van Hamlet in Bregenz was van dien aard dat men voor deze zomer de eveneens vergeten opera Nero van Boito had geprogrammeerd. Het festival werd afgelast maar Nero staat wel op het programma in 2021. Ik kijk al uit naar de opname die er ongetwijfeld van zal verschijnen.
Boito was een zeer bekwaam librettist en dat blijkt eens te meer uit de wijze waarop hij Shakespeares Hamlet heeft weten te reduceren tot een tekst die je in 140 minuten zingend over de bühne kunt brengen, met behoud van alle sleutelscènes uit het toneelstuk. Aan hem heeft niet gelegen, maar aan Faccio ook niet. Het is een schitterende opera die met wat meer geluk een belangrijke plaats op het repertoire had kunnen verwerven.
In de eerste akte doet de instrumentatie me toch wel vrij sterk aan Verdi denken. Ook meen ik flarden muziek te ontwaren die in de richting gaan van Ballo in maschera. Faccio heeft duidelijk niet geprobeerd het wiel opnieuw uit te vinden maar bouwt voort op wat hij in zijn leerjaren heeft meegekregen. En Verdi’s eigen ontwikkeling stond natuurlijk ook niet stil.
Te beginnen met de tweede akte krijgt het werk wat meer een eigen karakter, de dramatiek van een grand opéra gecombineerd met de pathetiek die later zo bepalend zou worden voor het Verismo. Een absoluut hoogtepunt is de grote monoloog van Hamlet ‘Essere o non essere’ waarin de titelheld me sterk doet denken aan Don Carlos, een topstuk voor tenoren dat ook op eigen been kan staan op concertpodia.
De dramatiek bereikt zijn hoogtepunt in de derde akte, hoewel de meeste doden pas later zullen vallen. Het betreft de grote confrontatie van Hamlet met zijn moeder: ‘Qui ‘l’attendete’ en ‘Ah! Che alfine all’empio scherno’. En als klap op de vuurpijl Ophelia’s waanzinsscène er achteraan ‘La bara involta’. Daarna spoedt het verhaal zich naar een einde waarin alle nog levende protagonisten de dood vinden. Het is een beetje een anticlimax na de schitterende ‘Marcia Funebre’ waarmee Ophélia naar haar graf wordt geleid. Kijkend naar een opname is het effect minder sterk maar ik vermoed dat deze treurmars in het theater dezelfde emoties teweeg kan brengen als die van Siegfried in Wagners Götterdämmerung. Met Laertes en Polonius erbij komt de body count op het toneel op zes. Maar dat komt voor rekening van Shakespeare, het publiek op het schellinkje moest ook waar voor zijn geld krijgen.
Uiteindelijk zijn het niet Faccio en Boito geweest die de geschiedenis zijn ingegaan als grote vernieuwers. Daarvoor moeten bij de Verisimo componisten zijn en vooral ook bij Puccini, die overigens in Faccio een warm pleitbezorger vond. Maar dat doet niets af aan de waarde van Faccio’s grandioze poging in die richting.
Om een cast bijeen te brengen voor wat vermoedelijk een eenmalige reeks zal zijn, reprises in andere operahuizen zijn op korte termijn nauwelijks te verwachten, moest Bregenz in zee met relatief onbekende solisten die het instuderen van een grote nieuwe rol vooral als een kans zagen om zich te profileren. Als ik kijk naar de carrière van de vertolker van de titelrol, de tenor Pavel Černoch, dan heeft deze rol hem geen windeieren gelegd. In de afgelopen jaren heeft hij grote rollen gezongen in belangrijke operahuizen. In 2018 had hij veel succes met zijn vertolking van Laca in de Jenufa voor DNO. Černoch kruipt als acteur in de huid van de gekwelde titelheld en laat als zanger horen welk een prachtige muziek Faccio voor hem heeft geschreven. Het is een optreden om door een ringetje te halen.
Claudio Sgura als Claudio is inmiddels ook veel grote podia te beleven. Hij komt op mij over als een solide koning, een opportunist die opmerkelijk makkelijk bang gemaakt kan worden. Stimmlich is deze bariton goed tegen zijn rol opgewassen. Dat geldt ook voor de mezzo Dshamilja Kaiser, een vaste waarde van Oper Graz. Zij geeft glans aan de rol van Gertrude, Hamlets moeder, die niet kan verhullen dat ze met zijn nieuwe stiefvader in een complot zit. De scène met Hamlet in de derde akte is van grote klasse.
De sopraan Iulia Maria Dan is meestal te horen in de Semper Oper. Ze zet een goed verzorgde geloofwaardige Ophelia neer, mist wat volume in de laagte maar weet dat hogerop goed te compenseren. Zij completeert het viertal protagonisten, uitstekende casting.
Het team van regisseur Oliver Tambosi, decorontwerper Philip Schlößmann en kostuumpontwerper Gesine Völlm breng Hamlet als een volledig librettogetrouwe productie. Over een volstrekt onbekend werk moet je natuurlijk ook geen concept leggen. Het ziet er prachtig uit allemaal, bont gekleurde kostuums in fantasie middeleeuwse stijl waarbij de leden van het koor een afbeelding van een groot oog op hun buik dragen. Het volk ziet immers alles, niets blijft verborgen. Het hof is werkelijk koninklijk gekleed, rood domineert. Alleen Hamlet, de outsider, draagt een eenvoudig zwart kostuum. Als de geest van Hamlets vader verschijnt, gezongen door de bas Gianlica Buratto, opent zich het achterdoek en is alles gehuld in verblindend fel wit licht. De eerste reactie van de kijker suggereert doeltreffend de neiging van Hamlet en zijn entourage om de hand voor de ogen te slaan.
De Wiener Symphoniker staan onder leiding van Pablo Carignani. Hun optreden completeert de feestelijkheden op het toneel. Deze productie verdient de aandacht van elke operaliefhebber, zegt het voort.
Uitgebracht door Cmajor,
Angela Gheorghiu is als Magda in La Rondine in haar element
Tekst: Peter Franken
Nu de Metropolitan Opera een streep heeft gehaald door het complete seizoen zullen we nog een jaartje moeten wachten op de eerste voorstelling in de serie Live from the Met, een groot gemis. Liefhebbers van Puccini die troost zoeken kunnen echter terecht bij een voorbeeldige uitvoering van La Rondine met Gheorghiu en Alagna in de hoofdrollen. Het is een opname van de uitzending uit 2009 maar beter een herhaling dan helemaal niets.
In 2005 stond La Rondine op het programma van het Théâtre du Châtelet in Parijs. Ruim tevoren was deze productie groots aangekondigd met Angela Gheorghiu en Roberto Alagna als trekpleisters. Gelijk een kaartje besteld. Natuurlijk zou er ook een opname van worden gemaakt en daarmee begon de ellende. Alagna’s huislabel lag dwars, exit de beoogde tenor. Bleef over Gheorghiu maar die meldde zich vlak voor de eerste reeks voorstellingen af. Uiteindelijk zong ze alleen de dernière. Ook al was Inva Mula een uitstekende vervanger, ik voelde me toch een beetje bekocht. Maar gelukkig is er een zeer geslaagde opname met dit tweetal in de handel en die heeft mijn teleurstelling van 15 jaar geleden helemaal goedgemaakt.
La Rondine is de minst gespeelde van de opera’s uit de Puccini canon. Het werk volgt op La fanciulla del West en komt net voor Il trittico. Het is vrijwel volledig doorgecomponeerd, ‘Chi il bel sogno di Doretta’ is de enige echte aria. De vele gezongen dialogen geven het werk ook bij vlagen het karakter van een conversatiestuk. De muziek ligt prettig in het gehoor en dat is een van de redenen dat deze door sommigen wordt weggezet als opgeklopte slagroom. Maar luister je aandachtig naar La Rondine, dan valt op dat dit onmiskenbaar een ‘echte Puccini’ is. Alleen de verhaallijn is nogal afwijkend: er gaat niemand in dood en iedereen gedraagt zich heel beschaafd.
De productie van regisseur Stephen Barlow en decorontwerper Ezio Frigerio is geplaatst in de jaren ’20 met een fraai toneelbeeld in art deco stijl. De kostuums van Franca Squarciapino zijn daar goed op afgestemd. Het verhaal past prima in dit tijdsgewricht. Vrouw die zich laat onderhouden door rijke oudere man wordt verliefd op jonge man uit de provincie. Ze beleven een korte idylle maar worden ingehaald door geldgebrek en door haar verleden dat niet verenigbaar is met zijn burgerlijke achtergrond. Ze beëindigt de relatie omdat ze weet dat ze zijn ouderlijk huis niet kan betreden. Doet beetje denken aan La traviata natuurlijk.
Magda wordt uitstekend vertolkt door Gheorghiu, toen al een van haar favoriete rollen. De muziek klinkt simpel maar kent zeer lastige passages die ze met het grootste gemak aankan. Verder is ze een plaatje om te zien en haar acteerwerk is goed verzorgd. Met haar toenmalige echtgenoot Alagna vormt ze een zeer natuurlijk ogend koppel. Ze traden in die tijd veel samen op en waren ook buiten de bühne natuurlijk zeer goed met elkaar vertrouwd. Alagna heeft er duidelijk schik in en veroorlooft zich onopvallend een paar vrijheden die erop duiden dat hij met zijn eigen vrouw op het toneel staat. Zijn zang mag er zijn en de wanhoop die hij aan het einde speelt komt zeer geloofwaardig over.
Waarschijnlijk omdat de plot nogal dun is, is er een tweede koppel aan het verhaal toegevoegd. De dichter Prunier die gelooft in de ware liefde maar eigenlijk niet verder wil kijken dan intrigerende beroemde vrouwen zoals Berenice, Francesca en Salome, daarmee impliciet te kennen gevend dat iemand als Magda beneden zijn stand is. Prunier heeft het voortdurend aan de stok met Magda’s vrijpostige dienstmeisje Lisette. Dat is echter maar schijn, hij is helemaal weg van haar en ze zijn in het geheim allang een stelletje.
Marius Brenciu geeft een prima vertolking van Prunier, die overigens het eerste deel van ‘Chi il bel sogno’ zingt. Lisette Oropresa excelleert als de brutale dienstmeid die door Preunier voortdurend als een Eliza Doolittle wordt behandeld. Mooi dat er zo’n topbezetting is gekozen voor de tweede sopraanrol.
Koor en orkest van de Met staan onder leiding van Marco Armiliato
Een paar woorden over Castor et Pollux van Rameau
In tegenstelling tot bij voorbeeld Händel heeft Jean-Philippe Rameau niet een echte renaissance gekend. En al bereiken zijn werken meestal niet het niveau van de Duits-Engelse grootmeester, toch zijn zij zeker meer dan de moeite waard. Al was het alleen vanwege de belangrijke plaats die zij nemen in de ontwikkeling van de muziekgeschiedenis. En persoonlijk (niet slaan! Het is maar mijn mening!) vind ik zijn muziek mooier, evenwichtiger en prettiger om naar te luisteren dan naar de meeste van zijn meer gewaardeerde tijdgenoten.
Castor et Pollux was Rameau’s tweede ‘tragedie en musique’. Het werd in 1737 voor het eerst uitgevoerd en in 1754 totaal gereviseerd, waarbij o.a. de proloog eruit werd geknipt. In 1992, één jaar na de live opvoeringen in Aix-en-Provence, nam William Christie voor Harmonia Mundi (HM 901435.37) de eerste versie op.
Het klinkt allemaal zeer bevlogen en er wordt voortreffelijk in gezongen, voornamelijk door Agnès Mellon (Télaire), Véronique Gens (Phébé) en Jérôme Corréas (Pollux). Persoonlijk had ik iets meer vibrato willen horen, maar vooralsnog heeft deze opname geen concurrentie. Althans voor mij.
Jakob Lenz van Wolfgang Rihm uitgebracht op dvd
Tekst: Peter Franken

In maart 2015 wasakob Lenz te zien in de De Munt in een productie van Andrea Breth. De voorstelling werd verfilmd door Myriam Hoyer en de opname is in 2019 door Alpha Classics op dvd uitgebracht.
Wolfgang Rihm is een icoon van de hedendaagse muziek en met Jakob Lenz voegde hij in 1979 een tweede opera toe aan zijn alreeds omvangrijke oeuvre, kort na Die Hamletmaschine uit 1977. In deze productie wordt de titelrol vertolkt door bariton Georg Nigl, ook iemand met een grote staat van dienst in het moderne repertoire.
Jakob Lenz is een historische figuur. Hij was bevriend met Goethe en werd verliefd op diens vroegere geliefde Frederieke. Met haar werd het niets en dat was vermoedelijk wat de onder de oppervlakte aanwezige krankzinnigheid van Lenz naar boven bracht. De opera volgt de protagonist in zijn afglijden naar totale waanzin, steeds op zoek naar Frederieke die hij in een bloedstillende scène ook in een dood kind meent te herkennen.
Sta op en wandel, gebiedt hij haar. En als dat geen effect heeft komt niet geheel onverwacht de klacht dat zijn god hem heeft verlaten. Een zeskoppig koortje dat de stemmen laat klinken die Lenz in zijn hoofd hoort, moedigt hem aan te sterven. Dat is de enige manier om die dode Frederieke terug te vinden. Ze zetten in de stijl van het voorafgaande een houten kruis tegen zijn rug.
Behalve dat koortje zijn er nog twee personages die zich met Lenz bezighouden. Dominee Oberlin die hem in huis opneemt in de naïeve veronderstelling hem met wat stichtende praat wel weer op het padje terug te kunnen brengen en een wat vage figuur genaamd Kaufmann die een kennis is van Lenz. Als tegen het eind Lenz in een kennelijk door hem kapotgeslagen kamer door beide heren wordt bezocht, treffen ze hem besmeurd met zijn eigen uitwerpselen in volslagen reddeloosheid aan. Ze hijsen hem in een dwangbuis en laten hem alleen achter. Niks meer aan te doen.
Alle drie personages zijn historische figuren die leefden tweede helft 18e eeuw. Het verhaal van Lenz is opgetekend door Oberlin en door Georg Büchner in 1836 verwerkt in zijn novelle Lenz. In vergelijking met dit verhaal is Woyzeck een blijspel.
Het toneelbeeld is donker waardoor details moeilijk te onderscheiden zijn. Een opengewerkte doos op het toneel beschrijft het nog het beste. De kostuums schwanken wat tussen periode en eigentijds. De dramaturgie van Sergio Morabito stelt het incasseringsvermogen van de kijker behoorlijk op de proef.
Nigl geeft zichzelf volledig tijdens zijn optreden dat ruim een uur duurt. Hij is de perfecte keuze voor deze loodzware rol, indrukwekkend. Zijn tegenspelers bariton Henry Waddington als Oberlin en tenor John Graham-Hall als Kaufmann bieden goed tegenspel.
Franck Ollu geeft leiding aan een klein ensemble dat afkomstig is uit het symfonie orkest van de Munt. De twaalf musici bespelen celli, hout, koper en slagwerk. Ook is er een klavecimbel te horen. Muzikaal vergt het werk geen al te grote inspanning om te volgen, de handeling des te meer. Voor liefhebbers van modern repertoire een aanrader.
Twee maal Orfeo van Monteverdi op dvd
ROBERT WILSON
Het komt niet vaak voor dat een (vroeg)barokopera uitgevoerd wordt in La Scala. Zeker in geval van Monteverdi heb je veel meer aan de intieme sfeer van een klein theater. Maar de in september 2009 in het Milanese toptheater opgenomen Orfeo van Robert Wilson bewijst dat het toch kan. En dat het werkt. Althans, op het scherm van je tv.
De beelden zijn zo zeer gestileerd dat je soms het gevoel hebt naar ‘film stills’ te kijken. Ik ben geen groot liefhebber van Robert Wilson, maar de voor hem zo typische bewegingen en gebaren werken hier wonderwel. Het klopt.
Het zeer statische maar o zo mooie bühnebeeld, met weinig decorstukken, geeft alle ruimte aan de muziek. De werkelijk betoverende belichting creëert heel veel sfeer en de kostuums zijn prachtig.
Rinaldo Alessandrini dirigeert gespierd, met nadruk op het dansante van de muziek. Zijn tempi zijn voortvarend, zonder gehaast te klinken.
Gerg Nigl is een mooie Orfeo. Nooit gedacht dat hij na zijn optredens als Wozzeck nog zo veel lyriek in zijn stem zou hebben.
Iedereen van de verder uitstekende cast verbleekt echter bij Sara Mingardo (Messagera/Speranza). Haar stem is warm en vol kleuren. Ook permitteert zij zich gezichtsuitdrukkingen (bij Wilson meestal niet toegestaan), waardoor alle aandacht, zeer terecht, naar haar gaat (Opus Arte OA 1044 D).
Hieronder een fragment:
TRISHA BROWN
De Amerikaanse choreografe Trisha Brown heeft in 1998 in Brussel een zeer dansante Orfeo geregisseerd. Als u heel erg veel van ballet houdt en Madama Butterfly van Wilson tot uw lievelingsvoorstellingen telt, dan zult u er erg van genieten. In alle andere gevallen: zet het beeld uit en geniet van het prachtige geluid, want René Jacobs dirigeert meesterlijk en Simon Keenlyside is een kanjer van een Orfeo (ja, hij danst ook!).
Er zit bij deze uitgave een aparte dvd met ‘the making of’ en de opera is ook Nederlands ondertiteld (Harmondia Mundi HMD 9909003.004).
Hieronder een fragment:
Léonore ou l’amour conjugal op dvd uitgebracht door Naxos
Tekst: Peter Franken







:format(jpeg):mode_rgb():quality(90)/discogs-images/R-10561841-1499946253-5600.jpeg.jpg)


