Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Opera in Tuschinski: tweede operahuis van Nederland?

Dit artikel is geschreven in Maart 2013

De benaming ‘tweede operatheater van het land is natuurlijk vergezocht, maar er zit zeker iets in. Het ligt niet alleen aan het aanbod – er zijn veel meer bioscopen in Nederland die de operavoorstellingen uit de Met rechtstreeks uitzenden. Het is de entourage en de sfeer die maken dat je je inderdaad in een echt operahuis van allure waant.

Ik twijfel er niet aan dat u allemaal weet wie Abraham Tuschinski (Brzeziny, Polen, 14 mei 1886 – Auschwitz, 17 september 1942) was. De, door hem opgerichte en naar hem genoemde bioscoop is één van de mooiste bioscopen ter wereld. Zo niet de mooiste.

Het geheel in Art Deco (maar de Amsterdamse School en de Jugendstil doen er ook aan mee) gebouwde bioscoop is een lust voor het oog en ik ken mensen die er alleen gaan om zich in de schoonheid te kunnen laven.

I

In oktober 2009 is Tuschinski met de opera uitzendingen begonnen en ze doen het geheel in stijl. Er wordt een rode loper uitgerold, je kaartjes worden door twee in een rode livrei gestoken mannen gecontroleerd en de champagne staat klaar.


Ze hebben ook hun eigen ‘Uitzending gemist’. Op zondagochtenden kan je terecht bij Encore, waar je de door jou gemiste opera alsnog kan zien. Of terugzien, wat ook vaak gebeurt.

Tijdens de uitzending van Francesca da Rimini zaterdag 16 maart 2013 heb ik met enkele betrokkenen gesproken

Leon Spee, service manager van Tuschinski:
“Nee, ik ben geen ‘opera-avondenspecialist’, ik doe meer dan opera alleen. Of ik ooit een opera heb gezien? Nou… nee… eigenlijk nooit. Tijdens de uitzendingen ben ik aan het werk, ik moet er echt voor zorgen dat alles soepel en goed verloopt en dat iedereen tevreden is. Maar ik hoop wel dat het er ooit van komt.

De opera-avonden lopen waanzinnig goed. Zodra de ticketverkoop van start gaat, staan er al om vijf, zes uur ’s ochtends rijen voor de bioscoop. Gewapend met matrassen, stoelen, koffiekannen wachten ze de opening van de kassa’s geduldig af.

Het aantal operabezoekers per avond is enorm. Normaal hebben we ongeveer 770 toeschouwers in de grote zaal. Vanavond verwachten wij tussen de 400 en 450 gasten. De aankleding vinden we heel erg belangrijk, vandaar ook dat we er veel aandacht aan besteden. Iedereen wordt verwelkomd met een glas prosecco en in de pauzes serveren we wijn en frisdranken.

De Encore wordt nog beter bezocht dan de rechtstreekse uitzendingen. Het is natuurlijk veel goedkoper, maar je krijgt niet de allure, wat er toch een beetje bij hoort, denk ik.

Of we ook voorstellingen uit andere operahuizen gaan uitzenden? Daar is best veel vraag naar, dus we zijn in onderhandeling, maar het antwoord moet ik u nog schuldig blijven. In ieder geval nog niet het volgende seizoen.”

Bo van der Meulen, een operakenner en producent, verzorgt al jaren de inleidingen:
“Een inleiding op het toneel duurt een klein half uurtje en ik probeer het zo toegankelijk mogelijk te doen. Ik bereid mij best lang voor. In de meeste gevallen ken ik de opera’s goed, dus naar de gewone achtergronden hoef ik geen onderzoek te doen. Ik probeer in rare archieven te duiken om met verrassende weetjes te komen.

De eerste jaren vertelde ik ook nog de hele inhoud van de opera, maar ik beperk me nu meestal tot de ontstaansgeschiedenis en de achtergronden. Meestal vermeld ik ook wel Nederlandse zangers die rollen in de betreffende opera’s gezongen hebben en welke cd- of dvd-opnames aan te bevelen zijn. Ik probeer ook altijd wat anekdotes en oude artikelen of recensies op te sporen.

Soms bekijk ik de opera’s eerder al in New York, zeker als het om een nieuw werk gaat, zoals The Enchanted Island. Verder plaats ik informatie op de Facebook-pagina van Opera Tuschinski en is mijn rol ook een beetje die van gastheer namens Tuschinski geworden. Dus ik sta na afloop ook iedereen een goede avond te wensen.”

Facebook:

Opera Tuschinski is inmiddels ook op Facebook een begrip geworden.

https://www.facebook.com/groups/operafamilie/?fref=ts

De oprichtsters zijn Lieneke Effern en Monique ten Boske. De groep telt momenteel 85 leden.Je mag je zelf aanmelden, maar één van de beheerders moet wel goedkeuring verlenen. Dit is met het oog op spammers.

Lieneke Effern:
“Eerlijk gezegd weet ik niet precies hoe lang de FB pagina Tuschinski bestaat, een jaar of twee, denk ik. De oprichting heeft veel te maken met de unieke locatie waar wij de opera´s zien. Het idee van de pagina komt van Monique en ik probeer de info te verzorgen

Het leek ons leuk om mensen via de pagina met elkaar in contact te brengen, maar vooral om informatie te delen over de uitvoeringen. Mensen kunnen er ook kaartjes proberen te verkopen of ruilen.”

Monique ten Boske:
“Ik ga graag naar de opera, live bij voorkeur, maar de uitzendingen in Tuschinski zijn wel het op één na de beste, het is een bijna live ervaring! Geweldige zangers en dito uitvoeringen, interviews en natuurlijk de close ups. En dat in een zaal met een super sfeer en gezellige mensen.

Als ik op vakantie ben, ga ik daar ook naar de uitzending, wetende dat mijn moeder in Groningen en mijn operavrienden in Amsterdam op dat moment naar dezelfde voorstelling zitten te kijken. Het komt regelmatig voor dat we om één uur s’ nachts nog even bellen, want het gevoel bij een bioscoopuitzending is soms net zo heftig als die bij een live-opera.”

Francesca da Rimini

Die zaterdag werd één van mijn geliefde opera’s, Francesca da Rimini van Zandonai uitgezonden. Het einde van de eerste akte is een lange, uitgesponnen liefdesduet zonder woorden. Op het moment dat de cello’s aanzetten weet je al dat het niet goed komt. En het komt niet goed.

In de prachtige enscenering van Piero Faggioni ontvouwde zich een renaissance drama van jewelste. De uitvoering was zonder meer uitstekend, maar deed mij de legendarische productie met Renata Scotto en Plácido Domingo niet vergeten.

Kát’a Kabanova, discography


DVD

Robert Carsen


For most Russians, the Volga, the longest river in Europe, is the symbol for everything, including life itself. It is celebrated in many songs, and in many stories and poems it plays the leading part.

In Ostrovsky’s Storm, on which Janaček’s opera is based, and also in the opera itself, the river mirrors the soul of the unhappy Kát’a , whose life ends in the Volga. You can hear the river in the music also.

Robert Carsen understood this very well; in his 2004 Antwerp production he had the entire stage covered with water and the story played out on platforms. I thought it was the most beautiful production of the work ever. It was taken over by the Teatro Real in Madrid in 2008 and released on DVD not long ago (Fra Musica 003).

I must honestly confess that I was really scared to see it again. Would I still find it so very beautiful? The answer is a resounding yes! It is even more beautiful than I remembered it.

Karita Mattila is a Kát’a to fall in love with and Jiří Bělohlávek is, next to Mackerras, the best advocate for the opera. Do you want my honest opinion? Buy it, because it is as beautiful as it gets!



Act Three: The Storm



Christopher Marthaler


Believe it or not, to most opera lovers Kát’a Kabanova belongs to the standard repertoire, but in Salzburg it was not performed until 1998. The fact that the production was received with mixed feelings at the time, was not due to the music or the singers, or the orchestra or the conductor.

Sylvain Cambreling took care of Janaček’s  masterpiece with the necessary love and understanding. The overture already made my throat close and my eyes fill with tears.

But alas, there was also a director. Marthaler set the action somewhere in the Eastern Bloc of the 1960s, clearly drawing his inspiration from the Czech film hits of the time. Those who have ever seen Miloš Forman’s Love of a Blonde know what I mean.

There is no river anywhere (a picture on the wall does not really count) and that is something I find absolutely unacceptable, because Kát’a  Kabanova without the Volga is to me like Die Zauberflöte without the flute.

A lover of modern, conceptual directing theatre might enjoy it though, because musically it is really well put together. It is clear that he had a particularly long rehearsal time at his disposal: the singers were moulded into a formidable ensemble.

The singing was also superb. Angela Denoke portrayed a vulnerable Kát’a and Dagmar Pecková shone as the rebellious Varvara. David Kuebler and Rainer Trost were perfectly cast as Boris and Kudrjas respectively, and they all deserved their bravos. For us Dutch, it is also nice to see our own national pride, Henk Smit, in action.
In the struggle between direction and music, the latter won.

https://my.mail.ru/video/embed/9182112244547190945



Nicolaus Lehnhoff



Lehnhoff belongs to those directors who like to give their own twist to a performance, but in Glyndebourne he delivered a rather traditional production (Arthaus 100158). Very austere, but with great attention to detail and to the psychological development of the characters.

He emphasises all aspects of Kát’a’s character, including her piety, penetrates deeply into her tormented soul and makes her misery palpable. There is a feeling of complete abandonment, which is reinforced by the beautiful, bright colours that are sometimes strongly reminiscent of paintings by Münch.

Musically, too, there is no reason to complain: Nancy Gustafson is a wonderful Kát’a and Barry McCauley an excellent Boris.

Trailer:







CD



Both CD recordings conducted by Charles Mackerras starring respectively Elisabeth Söderström on Decca (4218522) and Gabriela Beňačková on Supraphon (SU3291-2 632) are very good and I would not like to miss either of them, although I have a slight preference for Beňačková .

Peter Straka is as credible as Petr Dvorsky as Boris and Nadĕžda Kniplova and Eva Randová (Kabanicha) are a match for each other.


Great recordings of the century: heimwee naar vroeger

Het is een allegaartje, dat wel, maar wat zou het? Deze Great Recordings zijn werkelijk onvergetelijk en de titel dekt volkomen de lading. De meeste opnames werden gemaakt in de jaren zestig, toen de muzikaliteit en de artistieke integriteit nog belangrijker waren dan het uiterlijk vertoon.

De beelden zijn zwart-wit, en het (mono) geluid soms snerpend. Geeft niet. Sterker, het heeft een zekere charme en de onopgesmukte manier van filmen (vaak rechttoe rechtaan) maakt dat je niet afgeleid wordt. Niet, dat je de hele tijd gespannen blijft kijken: dit soort anthologieën zijn juist fijn om samen met een stel vrienden naar te kijken en van een commentaar te voorzien. Vandaar ook mijn (enige) puntje van kritiek: het loopt allemaal een beetje stroef en je moet handmatig van het ene naar het andere hoogtepunt navigeren.

Maar je krijgt er heel wat voor terug: Elisabeth Schwarzkopf als Marschallin (met Herda Töpper als een viriele Oktaviaan), de jonge Fischer-Dieskau en zijn Schubert, Teresa Berganza en Rossini, de merkwaardige kop van Herbert von Karajan en zijn fenomenale lezing van de (een deel van) Symphonie fantastique,  de onweerstaanbare Victoria de los Angeles in een tweetal Spaanse liedjes.

En Franz Liszt, virtuoos gespeeld door GyörgyCziffra, waarbij de camera zich voornamelijk op zijn handen en de toetsenboord concentreert. Fascinerend.

The Hague Stringtrio zet vrouwelijke componisten in the picture. En hoe!

Hoeveel vrouwelijke componisten kent u? Clara Schumann, Fanny Mendelssohn… en dan? We  maken een grote sprong van meer dan honderd jaar en dan komen we Bacewicz, Goebaidoelina en Oestvolskaya tegen. En omdat we de laatste tijd het een hip onderwerp vinden is ook Hanriette Bosmans herontdekt,


The Hague Stringtrio, een ensemble die mij eerder al meer dan prettig verrast had met een pleidooi voor (veelal vergeten) werken van ‘Entartete componisten’, heeft nu een cd opgenomen die vrouwelijk componisten in the picture zet. Hulde! Op hun cd met de titel Celebrating Women! hebben ze niet eerder opgenomen strijktrio’s van vrouwelijke componisten uit de tweede helft van de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw vastgelegd. Alle vier de componisten zijn zo verschillend als het maar kan. Ze komen niet alleen uit vier verschillende landen (en drie werelddelen), ook hun culturele en sociale achtergrond kan niet diverser zijn

Niet eerder opgenomen’ is een eufemisme want eigenlijk zijn geen van alle hier opgenomen componisten (goed) bekend.

Met als enige uitzondering (hoop ik?) Dame Ethel Smyth (1858-1944),  haar naam komen we nog her en der tegen. Maar de resterende drie? Miriam Hyde? Emmy Frensel Wegener? Irene Britton Smith? Wie waren zij?

Bertha Frensel Wegener-Koopman (1874 – 1953) werd geboren in Bloemendaal. Zij studeerde piano en compositie aan het Conservatorium van Amsterdam. Zij trad vaak op, als pianiste dan, tot haar huwelijk met John Frensel Wegener. Maar zij bleef componeren. Liederen voornamelijk, die o.a door Julia Culp en Jo Vincent werden uitgevoerd. Haar Suite voor viool, alt en cello uit 1925 is heerlijk luchtig en vrolijk. Iets wat je blij maakt. Maar vergeet de ernstige ondertoon in Andante niet. Iets wat de compositie toch echt meer cachet geeft.

Australische Miriam Hyde (1913 –2005) was behalve componiste ook pianiste, muziekpedagoge en dichteres. Zij componeerde meer dan 150 werken voor verschillende instrumenten (voornamelijk piano) en orkest, 50 liederen, en trad op als concertpianiste met de grootste dirigenten uit die tijd. Zij heeft ook ettelijke poëziebundels gepubliceerd. Haar strijktrio uit 1932 is zeer melodieus en bij vlagen goed spannend. Hoogvlieger? Niet echt, maar heerlijk om naar te luisteren

En dan komen we bij Irene Britton Smith (1907-1999). Voor mij is zij een echte ontdekking. Deze studente van o.a. Nadia Boulanger was niet alleen componiste, zij was ook onderwijzeres. Britton Smith kwam uit Chicago en had Afro-Amerikaanse, Crow en Cherokee roots.

Over Irene Briton Smith:

Miriam Hyde, Emmy Frensel-Wegener, Ethel Smyth en Irene Britton-Smith hadden zich geen betere ambassadeurs van hun muziek kunnen wensen dan The Hague String Trio.

Ik hoop zo dat deze CD een navolging krijgt en dat de vrouwelijke componisten steeds vaker uitgevoerd en opgenomen gaan worden. Het zijn veelal echte juweeltjes die de vergetelheid niet verdienen

Zie ook:
After the Darkne
ss

Isabel Leonard geeft visitekaartje af in The Tempest van Thomas Adès

TEKST: PETER FRANKEN

The Tempest ging in februari 2004 in première bij de Royal Opera. Het was de tweede opera van Adès (1971) na zijn kameropera Powder her face uit 1995.

Er werd reikhalzend uitgekeken naar de nieuwste schepping van ‘Britains new prodigy’ en het werk werd ontvangen als de grootste gebeurtenis in het nationale muziekleven sinds Britten’s Peter Grimes.

In 2012 werd het door de Met op het programma gezet, een nieuwe productie van Robert Lepage die Shakespeare’s toneelstuk al vele malen had geregisseerd en zodoende met het origineel zeer vertrouwd was. Uiteraard is het libretto van Meredith Oakes een zeer gecomprimeerde versie van dit beroemde theaterstuk, met korte goed rijmende pakkende zinnen in plaats van bloemrijke retoriek, maar de essentie komt goed tot zijn recht. Ik zag het stuk ooit in mijn schooltijd, we gingen er op instigatie van mijn docent Engels naar toe. Daar is me weinig van bijgebleven overigens, ik moest me echt even opnieuw verdiepen in de stof.

Centraal in de handeling staat Prospero, de verdreven hertog van Milaan, die in het bezit is gekomen van een toverstaf die hem uitgebreide magische krachten verschaft. Samen met zijn dochtertje Miranda, een heel klein kind nog, is hij door zijn jongere broer Antonio op een wrakke boot de zee op gestuurd met de expliciete bedoeling hem te laten verdrinken. Die twee zijn echter aangespoeld op een eiland dat slechts door één persoon bewoond werd, de half wilde Caliban. Prospero heeft Caliban d.m.v. zijn toverkracht aan zich weten te onderwerpen en als drietal hebben ze daar jaren geleefd. Dochter Miranda is inmiddels een meisje op huwbare leeftijd geworden en Caliban ziet al een leven voor zich waarin het eiland bevolkt zal worden door vele kleine Calibans.

Onzichtbaar voor iedereen behalve Prospero is de geest Ariel, uiteraard een ijl wezen en in de opera gezegend met een bijpassende stem. Die is eveneens gebonden door Prospero maar ziet verlangend uit naar het moment dat hij vrij zal zijn.

Antonio is bij zijn staatsgreep geholpen door het koninkrijk Napels en regeert Milaan feitelijk als vazal van koning Ferdinand. De beide hoven gaan op een pleziervaart die hen langs Prospero’s eiland voert en door een soort Daffy Duck storm die heel selectief het schip treft, laat deze magiër het zinken waarna iedereen geheel confuus het eiland veilig weet te bereiken.

Alleen koningszoon Ferdinand heeft het lot niet afgewacht toen iedereen dreigde te verdrinken en is in zee gesprongen. Zwemmend bereikt hij het eiland waar hij natuurlijk kennis maakt met Miranda die voor het eerst een ander mens ziet dan haar vader, nog een knappe man ook, die wil ze hebben.

De rest van de opera vormen ze een verliefd stelletje, aanvankelijk zeer tot ongenoegen van Prospero die uit is op wraak en nu kennelijk de zoon van zijn grote vijand het leven moet laten. Maar in elk geval kan hij zijn broer Antonio, koning Ferdinand en diens broer Sebastian een paar beproevingen laten ondergaan om zich vervolgens bekend te maken en hen daarna te doden.

Zover komt het niet, vooral op aandringen van Miranda die vlast op een huwelijk vergeeft Prospero uiteindelijk zijn vijanden en wordt hij in zijn waardigheid hersteld als hertog van Milaan en krijgt als goedmakertje ook de kroon van Napels erbij. Het schip blijkt helemaal niet echt vergaan maar ligt zeewaardig op het hele gezelschap te wachten. Caliban blijft alleen op het eiland achter, net als voorheen.

Simon Keenlyside:

Lepage heeft als plaats van handeling het 18e eeuwse theater La Scala genomen waarin Prospero als impresario alles en iedereen naar zijn pijpen laat dansen. We zien een theaterwand met loges, een deel van het auditorium en een klein verhoogd toneel waaronder oude theatertechniek waarneembaar functioneert. Personen gaan regelmatig af via het souffleurshok.

Caliban ziet er uit als een natuurmens, Ariel vliegt door de lucht in een paarse bodystocking en Prospero loopt erbij als een macho met open hangende kleding die zijn beschilderde bovenlijf toont.

Miranda is op en top gekleed, verschillende variaties op het thema sexy. We zijn dan wel op een vrijwel onbewoond eiland maar daar hoeven we in een theaterproductie niet onder te lijden. Het gestrande gezelschap is in vol ornaat, uniformen en baljurken, zonder kreukje aan wal gekomen dankzij Prospero’s magie.

Audrey Luna excelleert als Ariel, gezongen met ijle extreem hoge stem. Zoiets als Fiakermilli in Arabella en dan nog twee verdiepingen er bovenop. Eigenlijk niet om aan te horen maar zeer toepasselijk voor iemand uit het geestenrijk.

Miranda wordt vertolkt door de zeer aantrekkelijke Isabel Leonard die door Lepage wordt neergezet als de ingénu waar elke man op kan vallen. Haar zang is voortreffelijk en met deze rol gaf ze in de Met zo’n beetje haar visitekaartje af voor wat betreft het eigentijdse repertoire. Later zouden we haar terugzien als Blanche en Marnie.

Antonio en Sebastian zien er in hun gala uniformen uit als wat leeghoofdige Engelse koningszonen die helaas aan een oudere broer de kroon hebben moeten laten, helemaal in overeenstemming met hun rol natuurlijk. Goed gebracht door Toby Spence respectievelijk Christopher Feigum.

De oudere heren Ferdinand en zijn raadgever Gonzalo komen voor rekening van William Burden en John del Carlo, laatstgenoemde vertolkte eerde een geslaagde Don Pasquale in de Met. Alan Oke brengt Caliban tot leven en Simon Keenlyside geeft een mooie vertolking van de op wraak beluste Prospero die zich door zijn dochter overwonnen weet en tijdig overstag gaat.

Componist Adès heeft zelf de muzikale leiding tijdens de voorstelling die live from The Met werd uitgezonden en op dvd is verschenen.

Preview:

Meer Adès:
Pianowerken van Thomas Adès: niet vanzelfsprekend maar zeer de moeite waard

Thomas Adès door Thomas Adès: beter krijgt u het niet

THOMAS ADÈS: The Tempest

Het label Motown: hits aan de lopende band

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Het platenlabel Motown begon in 1959 in Detroit toen een tante van Berry Gordy haar neef een bedrag van 800 dollar leende. Berry’s toekomstige platenlabel zou songs voortbrengen die een belangrijk deel van de muziek van de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig zou definiëren.

Mooi dat zijn tante zoveel vertrouwen had in hem, want talent voor marketing had Gordy als kind al getoond toen hij op het idee kwam kranten bedoeld voor een zwarte lezersgroep in witte wijken te gaan verkopen; hij zou een pionier worden in het aantrekkelijk maken van zwarte cultuur voor een wit publiek. Wel was hij al eens failliet gegaan met een eigen jazzplaten-winkeltje toen hij weigerde de veel commerciëlere blues-muziek te verkopen, waarop hij een tijd noodgedwongen lopende band-werk deed bij de Detroitse Ford-autofabrieken.

Naar eigen zeggen kreeg hij daar het idee voor een lopende band-manier voor het produceren van muziek. En zijn eerste schreden in de muziekindustrie als componist, producent en zanger waren meteen succesvol. De volgende stap was het beginnen van een eigen label. Dat label doopte hij Motown, genoemd naar Detroit, want de naam staat voor Motor Town. En misschien wel meer dan bij welk andere label ooit het geval is geweest is Motown-muziek als zodanig nog steeds een begrip.

Al snel hield hij op met zelf zingen en produceren en legde zich toe op het aantrekken van talent. Eén van zijn leidende principes zou worden dat een song in de eerste tien maten moest pakken, eigenlijk in de eerste tien seconden, zo wordt in de documentaire gezegd. Waarschijnlijk is daardoor dat je veel Motown songs meteen zelfs al aan een openingsakkoord of een enkele drumklap herkent.

Neem Marvin Gaye’s I heard it through the grapevine, gecomponeerd en geproduceerd door Norman Whitfield heeft zo’n drumklap als opening die je meteen herkent, een dreun op een tom-tom drum die klinkt als een dichtslaande deur, of misschien is het wel het geluid van een dichtslaande deur (het nummer gaat trouwens over een geliefde die is verlaten).

Marvin Gaye I heard it through the grapevine; de opname is de originele maar de video die eroverheen is geplakt is van een latere datum, in 1968 had Gaye nog geen baard:

De vocale track van de song; de foto’s bij deze clip geven beter weer hoe hij er in 1968 uit zag:

Luister ook naar de openingen van de serie zomerhits van 1966 van de Supremes zoals You keep me hanging on met de gitaar die het SOS morse-signaal imiteert en de fluitjes van de Four Tops’ I’ll be there,je herkent de nummers al in de eerste maat. Elk van deze nummers, geschreven en geproduceerd door het legendarische trio Lamont Dozier en de broers Brian en Eddie Holland, is herkenbaar, en terwijl ze tegelijkertije onmiskenbaar Motown zijn, herken je elk nummer ook afzonderlijk.

Dat lopende band-principe betekende wel dat de uitvoerenden, producenten en componisten zich naar Gordy’s stramien moesten schikken. Waarin de artiesten zelf niet veel controle over hun werk hadden. Dat ging op gegeven moment wrikken toen sommige Motown-sterren, waarvan sommigen piepjong bij het label waren begonnen, ouder en zelfbewuster werden. Artiesten als Stevie Wonder en Marvin Gaye eisten eind jaren zestig de volledige zeggenschap over hun eigen productie op. Sowieso was het de jaren van de jongerenrevoluties, en de geest daarvan waarde ook in Detroit rond, ook in de muziek.

Voor Gordy zat er niets anders op dan controle uit handen te geven. Ook al zal Gordy dat met waarschijnlijk met lede ogen hebben aangezien, ook deze cultuuromslag heeft Motown geen windeieren gelegd. Wonder en Gaye zouden met albums als Talking Book en Songs in the Key of Life (Wonder) en What’s Going On (Gaye) succesvoller zijn dan ooit. Ze worden bovendien nog altijd tot de grootste uit de geschiedenis van de popmuziek gerekend.

Stevie Wonder met Superstition van Talking Book live in Sesam Street

Rick Beato: what makes Superstition great?

Hoe Marvin Gaye eigenlijk zijn carrier riskeerde met het album What’s Going On

Kennedy Center Education met Questlove, audioanalyse van de song What’s Going On

Dat hij ook niet meer de meester-manager van voorheen was moge blijken uit het feit dat hij zelf eerst het meeste heil zag in de solocarrière van Diana Ross, de voormalige solo-zangeres van de Supremes, Diana Ross. Ze kreeg wel een aantal hits, maar haar artistieke loopbaan was niet consistent. Wat jammer was dat Gordy dacht haar acceptabeler te maken bij een wit publiek door haar jazz en Broadway-standards te laten zingen. Hij had dat al eerder gedaan, toen ze nog  bij de Supremes zong, iets dat ze ook toen al zelf eigenlijk niet graag deed.

Prachtig maar ook tragisch is een scene in de film waarin zij tijdens een concert met de Supremes, tegenover Gordy eerst weigert een bepaalde musical-standard te zingen. Ze zegt hem zelfs dat hij vergeleken bij zijn zanger-sterren eigenlijk een nobody is. Gordy vertelt dat hij dacht dat dit voor hem het moment zou worden met zijn muzikale carrière te stoppen. Maar dan hoort hij vanuit de kleedkamer dat Ross het nummer toch zingt, en kon hij zijn geluk niet op, naar eigen zeggen. Had Ross maar voet bij stuk gehouden, denk je als kijker.

Rond die tijd had Gordy ook de Jackson 5 geëngageerd en ook die werden een geldmachine, maar het was nou juist Michael Jackson die hem ontglipte en vervolgens bij Epic/Sony een paar van de bestverkopende en artistiek succesvolste LPs ooit zou opnemen, Thriller voorop (al vond ik het daaraan voorafgaande Off the Wall nog beter).

Ook Holland-Dozier-Holland waren bij Motown vertrokken, om geschillen over wat zij aan al hun hits hadden verdiend. Hoewel ze in de film heel amicaal terugkijken op de tijden van weleer, is er ook iets van bitterheid in hun commentaar te horen. Deze componisten hadden in hun hoogtijdagen meer Amerikaanse top-10 hits hadden dan de Beatles, de Rolling Stones en Elton John bij elkaar ooit hadden. Ze begonnen een eigen label, maar na één heel grote hit, Freeda Payne’s Band of Gold, ebde het succes snel weg. Nou ja, Holland Dozier Holland waren eigenlijk vooral single-hit schrijvers en producers geweest, en e tijd van de single was deels voorbij.

En er was nog een reden waarom de jaren zestig Motown-stijl niet meer bij de tijd was: de typische Motown sound met zijn hoge schelle tonen geproduceerd op snaredrum, rinkelende gitaar, scheurende saxofoons en hoog volume zang was (hoewel altijd mooi opgenomen zoals in het digitale tijdperk zou blijken, met onder meer de geniale studio-basgitaar- van James Jamerson, die geregeld te zien is in de film), maakte de muziek ideaal voor middengolf-radio’s en goedkope pickups om boven zenderruis en vervorming uit te komen.

De opkomst van de FM-radio en de stereo-installatie bij mensen thuis, ook zo rond 1970, veranderden het muziekleven voorgoed.

De Motown producer van de oude garde die dit alles wél haarfijn voelde was Norman Whitfield, die in de jaren zestig al vele hits had geschreven. Naast Marvin Gayes’ I heard it through the Grapevine, dat ook een hit werd door Gladys Knight and the Pips had hij magistrale hits van de Tempations op zijn naam staan, zoals Aint too Proud to Beg en I wish it would Rain. Als hij alleen maar die songs had gecomponeerd en geproduceerd zou hij geschiedenis ingaan als genie.

Maar de jaren zeventig braken aan, de tijd dat de funk hoogtij vierde, en Whitfield zag dat als een uitdaging. Ook met de Temptations had Gordy een crossover-carriere geambieerd, bijvoorbeeld door ze samen met The Supremes Burt Bacharach enzovoort te laten zingen. Maar gelukkig wist Whitfield ze net op tijd aan Gordy’s greep te ontrukken, en weer was er binnen Motown maar buiten de directe greep van Gordy om een succesvolle post-1970 artistiek tweede leven geboren, met een rauw seventies-resistent funky geluid dat overigens tot in de puntjes was geproduceerd.

Ook had Gordy er aanvankelijk moeite mee dat het nieuwe repertoire van de Temptations en andere muziek die Whitfield produceerde zoals Edwin Starrs anti-oorlogssong War het witte en brede publiek dat hij had weten aan te trekken weer zou afschrikken, aangezien titels als Cloud Nine, Ball of Confusion en Papa was a Rolling Stone doordesemd leken van referenties aan sociale misstanden en drugsmisbruik (en misschien ook aan recreatief gebruik). Maar een nieuw zelfbewust jong zwart en wit publiek pakte de draad op. De titels pasten helemaal bij de post-hippie tijd, en werden een doorslaand succes. De messcherpe close-harmony, ontleend aan de jaren vijftig doo-wop stijl én aan de gospelmuziek, was gebleven, maar er zaten nu wel grommende funkbassen en synthesisers onder.

The Temptations in Papa was a Rolling Stone

Maar ook Whitfield hield het bij Motown op gegeven moment voor gezien en ging elders bijvoorbeeld Rose Royce produceren, met grensverleggende songs als Car Wash en Love don’t live here anymore.

Naast archiefopnamen van optredens, interviews en studiosessies bestaat de documentaire uit tweegesprekken tussen Berry Gordy en Smokey Robinson en interviews met overige nog levende medewerkers.

Een hoogtepunt is een fragment waarin via notendiagrammen stap voor stap wordt uitgelegd hoe Marvin Gaye laag over laag, in multitrack, alle vocale en instrumentale partijen van het nummer Inner City Blues van zijn album What’s Going On opneemt.  

Ook prachtig is filmmateriaal van de opnamesessies voor My Girl de Temptations, gecomponeerd door Smokey Robinson; we zien bijvoorbeeld hoe de strijkers van het Detroit Symphony Orchestra de orkestpartijen inspelen. En we zien ook opnamesessies voor Marvin Gayes’ I heard it through the grapevine ook weer deels met klassieke strijkers en ook hoornisten.

En ja, er valt ook wel wat af te dingen op Gordy’s werkwijze, maar hij bracht die talenten wel telkens bij elkaar!

The Temptations in My Girl, geschreven door Smokey Robinson

Ook Aretha Franklin komt aan het woord met een lofprijzing aan het adres van Motown. Wel vind ik het jammer dat de in de documentaire geen aandacht wordt besteed aan de andere grootheden in de soul, zoals onder meer inderdaad Aretha Franklin, de hele Stax en Atlantic/Memphis-school en Curtis Mayfield. In een biografie over Beethoven doe je ook niet alsof Haydn en Mozart niet hebben bestaan.

Analyses van het Motown geluid: Can We Recreate The Motown Sound?


Andere documentaire over de betekenis van Motown, met onder meer Lamont Dozier en Randy Jackson van de Jackson Five:

Hitsville: the making of Motown, trailer:

Vanavond, woensdag 15 maart 22.15 in Het Uur van de Wolf in NPO Start.
https://www.npostart.nl/het-uur-van-de-wolf/16-03-2022/VPWON_1330294

Korngold’s The Silent Serenade: At Last!

The highest praise must go to the small labels! It is thanks to them that we finally get repertoire into our homes and out of our speakers that we could only dream of before. For example, Korngold’s Die Stumme Serenade, released on CD by CPO three years ago.

Die Stumme Serenade is Korngold’s last opera and was only known to the general public (well, not so general really)  through the Serenade. To honour the fiftieth anniversary of his death, the opera was staged in Munich in 2007, the first time since the production was recorded for Austrian radio in 1951 (Korngold himself conducted from behind the piano) and the totally unsuccessful premiere in 1954.
Two years later it was repeated in St. Gallen and then again in Freiburg, with all young people in the leading roles. And there it was recorded live.

The story is thin. It is basically a snippet about a celebrated actress and the fashion designer in love with her, who claims to have come to her house to perform a serenade for her. But since nobody has heard of it, it is called the ‘Stumme’ (Silent) Serenade.

All the Korngoldian elements are present: Viennese bonbons, languor, melody and a little (well, a lot) “schmalz”. It is a bit musical-like, in the old-fashioned sense of the word. Think of Fred Astaire and Bing Crosby. And yes, it is somewhat sweet. Think Lehár also. Actually, it is a mix of opera, operetta and revue, nothing wrong with that!

Sarah Wegener is a delightful Silvia Lombardi. Birger Radde (Andrea) is not really a high-flyer, but actually I do not mind, as I am so happy to finally own the recording.

I think it is a pity that the production has not been released on DVD, because seeing the trailer made my mouth water (unfortunately it is no longer available on You Tube).

But – something is better than nothing, so: thanks CPO!





Recording from 1951, Korngold conducts:


De eenzame vrouw in het zwarte huis

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Nadat ze in 1967 op 32-jarige leeftijd om het leven kwam groeide Forough Farrokhzad uit tot een cultheldin in Iran. Zeker ook in de eerste jaren van de Iraanse Islamitische Revolutie van 1979, toen haar werk gedurende tien jaar verboden was; tegenwoordig liggen haar dichtbundels overal in Teheran in de boekhandels, met haar prachtige portretfotos – zonder hoofddoek – op de omslag.

Huba de Graaff had eerder met het team Erik Ward Geerlings en Marien Jongewaard samengewerkt in de muziektheatervoorstelling Lautsprecher Arnolt, over een radioredacteur die bij de Duitse Nazi-zenders had gewerkt, net op tijd richting Rusland vluchtte en na de Tweede Wereldoorlog – na een lichte straf – op voorspraak van Brecht nog bij de DDR radio aan het werk kon. Die technisch innovatieve voorstelling voor één acteur en op geluidsgolven voortbewegende luidsprekers was zestien jaar geleden een groot succes in Iran. Dus er is een cirkel rond nu Huba de Graaff zich richtte op een Perzische dichteres.  

 

Huba de Graaff zelf vertelt aan het begin van de voorstelling hoe het werk tot stand was gekomen, op voorstel van de zangeres Imra Dinçer, van Turkse komaf, die aan het eind van de voorstelling een aardig woordje Perzisch spreekt.

Farrokhzad leidde een vrijgevochten leven. Ze trouwde op jonge leeftijd met een oudere neef, tegen de zin van haar ouders, die in dit opzicht gekant waren tegen een huwelijk binnen de familie, maar Farrokhzad dreef haar zin door. Wel had ze andere relaties en refereerde in haar werk uitgebreid aan haar seksleven.

Het was het Iran/Perzië van ver voor de Islamitische Revolutie, maar de maatschappij keek toch met gefronste wenkbrauwen naar haar levensstijl. Op 32-jarige leeftijd bezocht ze tussen opnamen van een film haar moeder. Op de terugweg wist ze een schoolbus vol kinderen te ontwijken maar reed daarbij in haar Jeep tegen een muur op en overleed.

Ze had al een grensverleggende documentair gemaakt, The House is Black uit 1962, over een leprozenkolonie, waarin ze enerzijds de gruwelijke verminkingen van inwoners liet zien en anderzijds juist ook hun menselijke kant; kinderen die spelen, vrouwen met verminkte gezichten die zich opmaken en hun prachtige haar verzorgen, mannen die naar de moskee gaan en God danken voor het mooie van het leven, scholieren die hun best doen de antwoorden op de vragen van de meester  te geven, voetbal, een huwelijksfeest. Dit alles met naast de woorden van de leprozen teksten uit de Qur’an, het Oude Testament en haar eigen teksten.

Na het maken van de film adopteerde ze een jongetje uit de kolonie wiens ouders lepra hadden en dat zelf nog gezond was. Haar enige eigen zoon uit het huwelijk met haar neef mocht ze al jaren niet meer zien.

O

p YouTube is ook een fragment te vinden, waarin haar geadopteerde zoontje aan het graf van FF hartverscheurend treurig de camera in kijkt, aldus de regisseur van de voorstelling, Erik Ward Geerlings.

Nog steeds is Farrokhzad voor talloze jongeren in Iran een heldin, naast nog een vrijdenker-dichter, Ahmad Shamloo, en verder Vincent van Gogh, Spinoza, Pink Floyd, Sylvia Plath en natuurlijk de dichter Hafez.

Huba de Graaff vertelt in haar inleiding dat ze muzikaal en theatraal een soort Pussy Riot voor ogen had, de Russische maatschappijkritische vrouwen-rockband. We zien vier in een punk en goth stijl uitgedoste vrouwen met muziekinstrumenten op het toneel, waaronder Huba zelf op viool, plus op links een vrouw die een bruidsjurk aantrekt en zich in een theaterspiegel opmaakt.

Imra Dinçer heeft een welluidende sopraanstem. Ook de anderen zingen geregeld in melodieuze close-harmony, maar het ensemble zoekt geregeld ook rauwe randjes op van de muziek, onder meer doordat de instrumentalisten via pedalen allerlei elektronische vervormingstechnieken toepassen en ook in hun speeltechniek de grenzen van hun instrument opzoeken.

De teksten van de voorstelling bestaan uit twee gedichten van Farrokhzad, gezongen in het Engels: het lange Let us believe in the dawn of the cold season, met de openingszin ‘And here I am/a Lonely Woman’, waarnaar de voorstelling is vernoemd, en het korte Sin. Het eerste, lange gedicht stamt uit 1967, het jaar van haar dood. Het is in zekere zin altijd gemakkelijk om uit sombere dichtkunst achteraf het gevoel van een naderende dood te destilleren, maar in elk geval lijkt wat dit gedicht uitdrukt daar toch naar te verwijzen.

Huba de Graaff laat de tekst ononderbroken uitgevoerd worden op uptempo cabareteske en tegelijkertijd vervreemdende muziek. Je kunt denken aan Kurt Weill en de Sparks (wie kent hun This Town Aint Big Enough For the Both of Us nog, maar ook de soms bijna hysterische hoge vocalen in de voorstelling doen aan ze denken), maar ook Lene Lovich en Patti Smith, maar dan met messcherp gezongen harmonieën.

Regisseur Erik Ward Geerlings laat dit alles gebeuren te midden van iets dat lijkt op een uitdragerij van afgedankte theaterkleding uit een horrorshow. Als ik me goed herinner gebruikt hij onder meer voetlicht of een vergelijkbaar effect om de grand guignol-achtige sfeer te versterken. Verder is het een komen en gaan van solisten uit het ensemble die elkaar telkens schijnbaar vrolijk ongeordend maar intussen juist strak geregisseerd opvolgen.

Op de achtergrond worden enkele fragmenten uit Farrokhzads film getoond. Er zijn enkele fraaie parallellen tussen het beeld op het toneel en in de film.

Terwijl Imra Dinçer voor de spiegel zit om zich op te maken zien we het ontroerende beeld van een jonge vrouw met een door de lepra aangetast gezicht die haar ogen opmaakt met kohl, een woord dat ook in de ondertitelingsteksten van de film voorkomt en dat ook in de Qur’an wordt genoemd als een middel om schoonheid te benadrukken.

Een andere mooie beeldparallel is er als we in de film het bruiloftsfeest zien waarbij een uitbundig melaatsenorkest zien en de musici op het toneel losbarsten in een extatische dans.

Als Imra Dinçer dan in het laatste deel van de voorstelling het tweede gedicht Sin eerst in het Perzisch voorleest, hoor je hoe mooi de Perzische taal is: sensueel, maar onder alle omstandigheden ook sierlijk en elegant – terwijl het over een gepassioneerde, innige liefdesverstrengeling gaat.

Imra Dinçer – solovocalen, Nora Mulder – toetseninstrumenten, Dodó Kis – elektronische blokfluit, Michaela Riener – percussie, Huba de Graaff – elektrische viool.

Muziek Huba de Graaff, regie Erik-Ward Geerlings, adviezen Marien Jongewaard, vertaling Sholeh Wolpé, kostuums Leila El Alaoui.

Foto’s Sanne Peper, Neil van der Linden en beelden uit de film The House is Black.

De hele film staat op YouTube, is helaas alleen daar te bekijken:

Farzaneh Milani over de film:


In Denis & Katya komt de actualiteit binnendenderen als een trein.

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

In Denis & Katya komt de actualiteit binnendenderen, en dat niet alleen omdat het verhaal zich in het Rusland van nu afspeelt. Maar ook wel. In een voorstelling met twee zangers, vier cellisten, wat elektronische geluiden en een meesttijds grijs belicht achterdoek met wat flarden tekst. Maar dat wel allemaal op dat enorme toneel van de Amsterdamse Opera, dat niet altijd even gemakkelijk te vullen is. In dit geval lukt dat wonderwel, sterker nog, door de spaarzaamheid op het toneel word je met de neus op de feiten gedrukt. En die feiten zijn gruwelijk. Hartverscheurend en gruwelijk.

Denis & Katya is een opera voor zes uitvoerenden over een Russisch liefdesdrama met dodelijke afloop, mogelijk zoals de geliefden het zelf hadden gepland, maar mogelijk ook als gevolg van het optreden van de politie.

Naast de actualiteit in Rusland en Oekraïne moest ik ook denken aan de recente gijzeling in de Apple-winkel in Amsterdam, die door de gebeurtenissen in Rusland en Oekraïne alweer helemaal uit het nieuws is verdrongen. En over dat aspect, namelijk hoe gemakkelijk zaken de ene dag alle aandacht krijgen en vervolgens de andere dag op de andere weer vergeten worden gaat deze opera ook.

Denis en Katya waren vijftienjarige geliefden uit het dorpje Strugi Krasnye, in een verpauperde streek in west-Rusland, net ten oosten van Estland. Na een gewelddadig conflict bij Katya thuis, waarbij haar vader haar had geslagen, liepen de twee van huis weg en verschansten zich in een jachthut, voorzien van luchtdrukpistolen en geweren.

Dit alles lieten zij live op video zien via het streaming-videokanaal Periscope, dat blijkbaar populair is bij personen met zelfmoordplannen. Dit alles gebeurde mede onder invloed van een kennelijk populaire computergame waarin jonge geliefden als Denis en Katya de wereld via allerlei hindernissen ontvluchten en eventueel een eind aan hun leven maken. Denis en Katya’s streaming werd al snel door duizenden mensen live gevolgd en haalde overal ter wereld het nieuws.

Na door de politie te zijn omsingeld komt het liefdesdrama tot de gevreesde tragische ontknoping, waarbij het de vraag was of de twee geliefden zelfmoord hadden gepleegd of dat zij door de binnenvallende politie waren doodgeschoten. Na door de politie te zijn omsingeld komt het liefdesdrama tot de gevreesde tragische ontknoping, waarbij het de vraag was of de twee geliefden zelfmoord hadden gepleegd of dat zij door de binnenvallende politie waren doodgeschoten. Sommige Russische media berichtten dat de twee eerst zelf het vuur op de politie hadden geopend, maar ach, Russische media….(maar het verhaal werd bijvoorbeeld ook in de Daily Mail breed uitgemeten en misschien wel opgeklopt.)


Volgens wat de twee zelf in het videokanaal meedeelden hadden ze op het laatst nog maar twee kogels over, en je zou verwachten dat ze die – in lijn met de computergame – voor elkaar hadden bewaard en niet voor de politie.

Aan het eind van de opera krijgen we te weten dat daags na de ontknoping van het drama elders in de streek een man echtgenote en kinderen overhoop had geschoten, waarop Denis en Katya alweer uit het dagelijks nieuws verdwenen.

De opera Denis en Katya voert de twee geliefden niet zelf ten tonele, ook al zien we een jonge man en een jonge vrouw op het toneel (bariton Michael Wilmering en sopraan Inna Demenkova).

Het libretto is gebaseerd op sociale mediaberichten van vrienden, een leraar en een arts; berichten uit de media en op wat er in de nieuwsmedia terecht kwam. Behalve Denis en Katya wordt niemand met name genoemd en ergens wordt gesuggereerd dat oorspronkelijke letterlijke chat-teksten zijn geparafraseerd.

Behalve over de tragische gebeurtenissen gaat de opera ook over de rol van de media, ook wat kunst als één van de media vermag; en daarmee stellen de makers ook vragen over hun eigen rol.. In gezongen en geprojecteerde teksten krijgen we inzicht in de vragen die librettist/regisseur Ted Huffman zichzelf stelde bij het maken, bijvoorbeeld of hij echte beelden van het drama zou gebruiken, waarbij ethische overwegingen de doorslag gaven om dat niet te doen, maar ook praktische, bijvoorbeeld hoe het zou zitten met de copyright op de originele beelden. Bovendien, zo vermeldt de geprojecteerde tekst cynisch, kon het publiek van de opera de online-filmpjes later zelf wel Googlen; wat ik na thuiskomst ook gedaan heb, en ja, allerlei livebeelden zijn inderdaad uitgebreid op internet te vinden.

Denis & Katya is met dit alles een documentaire-opera in de Amerikaanse traditie die met John Adams’ Nixon in China en Death of Klinghofer een aanvang nam. Het geheel heeft ook wel iets van het hoorspel-muziektheater van Steve Reich, zoals The Cave. Maar Denis & Katya gaat op een magistrale en tegelijkertijd tot het hoogstnoodzakelijke teruggebrachte manier terug naar waarmee het genre opera begon met al die versie van Orfeo en Eurydice, namelijk de liefde, en de dood.

In vergelijking met al het vocale en orkestrale vertoon in Manfred Trojahns Eurydice, waarmee het Opera Forward Festival begon, is dit kleine werk, dat in weerwil van alle toegepaste dramaturgische vervreemdingstechniek en ondanks datzelfde enorme podium als waarop Trojahns opera werd uitgevoerd van een indringende intimiteit, die je gemakkelijk naar de keel grijpt. Zoiets als bijvoorbeeld het verhaal van Denis’ moeder, die, ziek van verdriet om haar zoon, smeekt om het leven van de twee jongeren te sparen, is ook via citaten uit nieuwsberichten hartverscheurend.

De opvoering leek ook de twee geweldige zangers, Michael Wilmering, net bekomen van het uitbrengen van zijn uitmuntende Winterreise-CD, en Inna Demenkova, van Russische komaf, zichtbaar niet in de koude kleren te zijn gaan zitten.

Ongeveer twintig minuten voor het einde gebeurt er iets in het toneelbeeld dat ik nu ga beschrijven, maar waarvoor een Amerikaanse recensent een SPOILER ALERT-waarschuwing gaf. Het is een scene waarvan de Opera op verzoek van de regisseur geen foto ter beschikking heeft gesteld. Dus niet doorlezen als u nog naar de voorstelling gaat!

Twintig minuten voor het eind dus verschijnt over het hele achterdoek teen videoprojectie waarop een huis zichtbaar is. Krijgen we dan tóch streaming-beelden van het drama te zien? De makers hadden eerder toch laten weten dat moreel niet acceptabel te vinden? Maar er beweegt niets in het beeld,  zelfs geen vogel of boomtak. Pas na een paar minuten komt het camera-beeld zelf langzaam in beweging. De video blijkt te zijn gefilmd vanuit een trein die langzaam een dorp uitrijdt. Maar of het dorp dat op de video inderdaad het dorpje Strugi Krasnye waar het verhaal zich had afgespeeld was krijgen we niet te weten. Via de dialogen op het scherm hadden de makers laten weten dat ze het dorpje waar Denis & Katya zich had afgespeeld inderdaad per trein hadden bezocht. Maar het enige dat we zien is dat de trein een landschap met eindeloze bossen inrijdt, dat eerst steeds duisterder wordt en daarna weer lichter.Denis en Katya liggen alweer achter ons.

De mooie noten van componist Philip Venables zijn effectief in hun soberheid. Maar Denis & Katya is vooral de creatie van librettist/regisseur Ted Huffman, die eigenlijk als een filmregisseur te werk gaat, waarbij de muziek zijn verhaal dient. En het werkt fenomenaal.

De nog jonge Huffman heeft al een groot aantal producties op zijn naam. Ik hoop dat hij in de toekomst ook films gaat maken en dat hij snel weer terugkomt naar Amsterdam als operaregisseur. Boris Godunov, anyone?

De voorstelling dendert nog steeds voort in mijn geheugen.

Libretto en regie Ted Huffman
Compositie Philip Venables
Muzikale leiding Tim Anderson
Inna Demenkova sopraan en Michael Wilmering bariton.
Musici van het Residentie Orkest Den Haag
Originele productie van Opera Philadelphia, Music Theatre Wales en Opéra Orchestre National Montpellier
Gezien 11 maart in Opera en Ballet Amsterdam

Foto’s: © Milagro Elstak en berichten uit de media

https://www.bbc.com/news/world-europe-37987826

https://archive.org/details/denismuravperiscopelivestreams

‘Stolen melodies’ van Dick Kattenburg als een soort metafoor voor zijn korte leven

Vierentwintig is hij geworden. Vierentwintig. Meer mocht het niet van de nazi’s. Wie weet, wat hij nog meer in zijn mars had? Welke opera’s hadden we van hem kunnen verwachten? Wie weet was hij nu Wagner voorbijgestreefd, de componist die het niet zo op Joden op had? Maar misschien was hij een totaal andere richting opgegaan en werd hij een jazz gigant?


We zullen het nooit weten, want hij is maar vierentwintig geworden en toen de oorlog uitbrak was hij nog geen twintig. Wel had hij al naam gemaakt als violist. Maar ook als componist, want componeren was iets wat hij altijd deed. Ook tijdens zijn onderduik.

Vaak moest hij vanwege het verraad van adressen wisselen, maar componeren bleef hij. Hoe hij opgepakt is, is niet helemaal duidelijk. Wellicht tijdens een razzia? Wat we wel weten is dat hij op 14 mei 1944 op transport werd gesteld naar Auschwitz. Een op 30 september 1944 gedateerde overlijdensakte vermeldt dat hij in Midden-Europa is gestorven. Daar kunnen we het mee doen.

Ooit wilde hij ook een muziekleraar worden, wat blijkt uit een advertentie in Het Joodsche Weekblad (een uitgave van de Joodsche Raad) van 7 september 1941, waarin hij zich aanbood als leraar muziektheorie en vioolpedagoog. Nog maar kort daarvoor had hij bij Willem Pijper het staatsexamen in de vakken theorie en viool met succes afgelegd, waardoor hij zich ook als leraar kon vestigen, met als standplaats Naarden, waar hij inwoonde bij zijn moeder, zijn jongere broer, zijn zus en haar echtgenoot.

Kattenburg heeft nooit zijn Joodse achtergrond verloochend. Hij heeft een groot aantal Hebreeuwse melodieën gearrangeerd, verschenen in zijn manuscripten in het Hebreeuws gestelde titels en maakte hij gebruik van de datering overeenkomstig de joodse kalender. In 1942 kwam in zijn manuscripten zelfs symbolisch de Davidsster voor

Niet zo lang geleden is er cd uitgekomen met Kattenburgs “all that jazz’, iets wat we te danken hebben aan een Duits piano duo, Friederike Haufe en Volker Ahmels.

De ‘Ouverture voor twee piano’s’ uit 1936 is het enige werk dat Kattenburg schreef voor twee piano’s (dus niet voor piano vierhandig). Hij was toen 17. Uit dezelfde periode stamt ook  ‘Tap dance’ waar ook echt een tapdanser aan te pas moest komen.

Kattenburg maakte zelfs een zeer geslaagde tekening van de tapdanser in het manuscript. Op dit nieuwe album is deze bijzondere rol Tonio Geugelin werkelijk perfect aangemeten.

Mensen: koop de cd. Alsjeblieft. Het is zo waanzinnig goed. En zo ontzettend belangrijk!
Dat deze cd een korte speelduur heeft, iets meer dan 21 minuten is niet van belang. Meer is er gewoon niet.

Friederike Haufe: “We vroegen we ons af of het mogelijk is om cd van zo’n korte duur op de markt te brengen, zeker wanneer de meeste mensen kwantiteit willen naast kwaliteit… maar Donemus en Medien Kontor, labels waar wij mee samenwerkten hebben ons gevraagd om het hierbij te houden. Zo is het een soort metafoor voor de tragedie van zijn korte leven geworden ..  “

Stolen Melodies
Werken voor twee piano’s en pianovierhandig van Dick Kattenburg
Pianoduo Friederike Haufe en Volker Ahmels (piano) m.m.v. Tonio Geugelin (tapdans)

Meer informatie:

Liszt, Schubert, Rihm: Klavier vierhändig

Deze cd kan o.a. hier besteld worden. Hier kan tevens ook het booklet gedownload worden

https://www.medien-kontor-hamburg.de/cds/kattenburg.php