Hier heb ik dus nog nooit van gehoord en ik vermoed dat ik de enige niet ben. Toen Donizetti nog aan het studeren was bij Simon Mayr heeft hij de psalmteksten voor Vespers – toen een zeer populair genre – op muziek gezet. Hij schreef het werk in de jaren 1819/1820, maar uitgevoerd werd het nooit. Waarom? Daar komen we nooit achter. Denk ik. Alhoewel?
Dietrich Fischer-Dieskau zingt liederen van Wolf en Reger
Liederen van Hugo Wolf behoren nog steeds niet tot de dagelijkse kost, en georkestreerd hoor je ze eigenlijk bijna nooit. De componist zelf heeft 24 van zijn liederen gearrangeerd, maar voor deze live opname is een selectie gemaakt van maar zeventien, waarvan er drie door resp. Günter Raphael, Max Reger en de Finse bas Kim Borg zijn georkestreerd. Ik vind het zonder meer mooi, maar gek genoeg wordt de angel, de bitterheid en de ernstige satire, de componist zo eigen, er iets minder voelbaar door.
Het ligt zeker niet aan de dirigent: Stefan Soltész heeft er duidelijk affiniteit mee. In 1990 was Dietrich Fischer-Dieskau al lang over zijn hoogtepunt heen en zijn – voor mij – hinderlijke manier om alles over te articuleren vind ik gewoon storend.
Op de tweede cd, met de orkestliederen van Max Reger (opname 1989) vind ik het minder hinderlijk, maar echt mooi? Reger behoorde niet tot Fischer-Dieskaus standaardrepertoire en ik denk niet dat hij erin geloofde. Op de een of andere manier komt het niet overtuigend over. Althans niet op mij.
Die liederen zijn eigenlijk geen liederen. Denk meer richting cantates, zeker ook omdat er in twee van de werken, ‘Der Einsiedler’ en ‘Het Requiem’ een groot aandeel is aan de – uitstekende, overigens – koren toebedeeld. Gerd Albrecht verricht wonderen met zijn Philharmonisches Staatsorchester uit Hamburg.
Beide cd’s zijn al eerder op de markt geweest, maar de combinatie van de twee componisten bij – en naast – elkaar biedt een verfrissende kijk op de manier hoe ze elkaar hebben beïnvloed.
HUGO WOLF
MAX REGER
Orkestliederen
Dietrich Fischer-Dieskau (bariton)
Münchner Rundfunkorchester olv Stefan Soltész
St. Michaelis-Chor en Monteverdi-Chor Hamburg
Philharmonisches Staatsorchester Hamburg olv Gerd Albrecht
Orfeo MP 1902
‘Prehistorische’ Ligeti geniaal uitgevoerd
Voor mij zijn de strijkkwartetten van Leoš Janáček het absolute opus magnus in het genre. Noem mij maar een jerk, maar al bij de eerste maten van nummer twee vullen mijn ogen zich met tranen en je kunt mij gewoon opvegen. In de loop der jaren zijn er best veel uitstekende uitvoeringen op de markt verschenen, waarvan mij de DG-opname van het toen nog piepjonge Hagen Quartet het dierbaarst is.
Het is niet de eerste keer dat Belcea’s zich over de strijkkwartetten ontfermen: al in 2001 hebben ze de werken voor Zig Zag Territoires (ZZT 010701) opgenomen. Ik was er niet echt kapot van, op de een of andere manier vond ik ze niet tot de kern van de muziek geraken. Toch blijf ik de opname koesteren: ik ben nu eenmaal een echte ‘Belcea-fan’.
De nieuwe opname vind ik verfrissend. De tempi zijn een beetje snel maar het deert niet. De spelers houden hun emoties een beetje in bedwang, waardoor er juist veel ondergrondse spanning voelbaar is. Mooi.
Maar wat de cd tot een echte must have maakt is de uitvoering van het eerste strijkkwartet van Ligeti. De Hongaarse meester componeerde het in 1954, twee jaar later zou hij het land ontvluchten, waarna hij zijn compositie als een ‘prehistorische Ligeti’ ging noemen.
Prehistorisch of niet: ik vind het geniaal. Het nagelt je aan je stoel en je kunt niet anders dan luisteren: het liefst met alle deuren en ramen dicht opdat je niet gestoord zou kunnen worden.
Het strijkkwartet dat niet voor niets de naam Métamorphoses nocturnes draagt (ja, noem het maar programmatisch) wordt niet zo vaak uitgevoerd, maar van alle uitvoeringen die ik tot nu toe heb gehoord staat die van de Belcea’s zonder meer op de top.
Leoš Janáček
String Quartets No. 1 (Kreutzer Sonata), No. 2 (Intimate Letters)
György Ligeti
String Quartet No. 1 (Métamorphoses nocturnes)
Belcea Quartet
Alpha Classics, CD ALPHA 454
Belcea Quartet en Piotr Anderszewski nemen hun eerste Sjostakovitsj op
Mélisande, tussen alien en Lulu.
TEKST: NEIL VAN DER LINDEN
Diep onder de invloed van Wagner maar tegelijkertijd vastbesloten om niet slaafs in diens voetsporen te treden zal Debussy (1862-1918) de hemel hebben bedankt voor het toneelstuk Pelléas et Mélisande van Maurice Maeterlinck, in veel opzichten een symbolistisch vervolg op de thematiek van Wagners Tristan und Isolde. Debussy vond daarmee een mogelijkheid om van de Duitse laatromantiek af te wijken. De symbolistische theaterauteur par excellence, de Gentenaar Maurice Maeterlinck (geboren in 1862, hetzelfde jaar als Debussy, gestorven in 1949) brak zowel met de romantiek als met het realisme en probeerde de werkelijkheid te vatten in metaforen, het symbolisme. Die stijl lijkt nu ouderwets, maar daarmee was hij een voorloper van bijvoorbeeld Beckett.

Maeterlick© Gerschel, Wikicommons
Debussy volgt in veel opzichten het klankidioom van Wagners Parsifal, maar hij had al gebroken met de traditie van de harmonische progressie die bovendien door Wagner tot het uiterste was doorontwikkeld. Dat onderscheidde zijn muziek van die van zijn goede vriend Ernest Chausson, en bijvoorbeeld ook van Paul Dukas, die ook een Maeterlinck-tekst, Ariane et Barbe-Bleu, op muziek zou zetten, en maakte Debussy tot een voorloper van het modernisme. Waar Wagner lange extatische spanningsbogen opbouwt breekt Debussy muzikale ontwikkelingen soms binnen een paar seconden radicaal af.

© MATTHIAS BAUS
De abstracte enscenering van deze voorstelling sluit daarbij aan. De mannen zouden qua kleding misschien zo kunnen zijn weggelopen uit Édouard Manets schilderij Le Déjeuner sur l’Herbe, maar verder is er niets van impressionisme in het theatrale beeld. Schuivende stellages scheppen messcherpe belijningen en geometrische patronen. De vrijwel helemaal zwart-witte kleurstelling lijkt vooruit te blikken naar de vroeg-expressionistische filmkunst, meer Murnau of Lang dan Manet of Monet dus; ik denk aan W.F. Murnau’s ‘Nosferatu’, Fritz Langs ‘Dr Mabuse’, Wiese’s ‘Das Kabinett des Dr Caligari’ of Wegener en Boese’s ‘Der Golem’ voor mijn part.

© MATTHIAS BAUS
En is Mélisande niet eigenlijk meer een soort Lulu (de figuur uit Frank Wedekind’s vroeg-expressionistische theaterstukken waarop Alban Berg zijn laat-expressionistische opera Lulu baseerde) dan een (‘onschuldige’) Desdemona of Mimi, zoals ze wel eens wordt neergezet? Of is ze een alien uit een andere dimensie? Dat zijn mogelijkheden die Maeterlinck eigenlijk al openlaat.

© MATTHIAS BAUS
Je realiseert je in deze voorstelling dat Mélisande op het moment dat de opera begint al een beladen geschiedenis achter zich heeft. Als ze haar toekomstige echtgenoot Golaud ontmoet is ze voor iemand of iets op de vlucht, dat staat in de tekst. In de openingsscène laat ze een kroon in een bron vallen, dat staat ook in de tekst. Ze wil niet dat Golaud die eruit vist. In deze enscenering blijft de kroon als smoking gun half in het donker voor op het toneel liggen. Als Mélisande aan het eind sterft, en het decor van de openingsscene terugkeert, herinner je je die kroon uit het begin, en ja, die ligt er nog steeds, en licht dan eventjes zacht op.
Mélisande is misschien wel een onbewuste of bewuste intrigante die al dan niet half-doelbewust haar omgeving met zich meesleept, of misschien is zij een wezen uit de onderbewuste wereld van Nosferatu, de Golem, of voor mijn part een lotgenoot van Wagners Holländer. De kroon die daar dan nog ligt is misschien een teken dat haar leven cyclisch is, zoals de levens van deze figuren.
De Russische sopraan Elena Tsallagova heeft een stem die licht is tegelijkertijd kan ze allerlei schakeringen kan aanbrengen, warm of juist koel, om al die ambivalenties uit te drukken. Ze is tenger, de mannen kunnen haar gemakkelijk optillen. Maar in deze regie is haar Mélisande verre van willoos, en zo wordt Mélisande ook gekenschetst in het libretto. Elena Tsallagova heeft rollen als Violetta, Gilda, Liù en Het Sluwe Vosje op haar naam, en verenigt van al die karakters iets in deze Mélisande.

© MATTHIAS BAUS
Pelléas Paul Appleby heeft een mooie lyrische tenor. Ook wat betreft uiterlijk was de keuze voor hem in orde, aantrekkelijk en tegelijkertijd niet té ‘sexy’, eerder warm en sympathiek, misschien wel de ‘onschuldigste’ van alle volwassenen in deze opera. Zijn fraaie Mozart-stem heeft als nadeel dat die soms kracht mist om helemaal boven het Debussy-orkest uit te komen. Dat leek hem ook wat punten in het slotapplaus te kosten, het publiek was meer geporteerd van Golaud.
Golaud Brian Mulligan is een fenomenale acteur, die zowel Golauds tragische vertwijfeling als diens woede en jaloezie aangrijpend verbeeldt, en diens arrogantie. Zijn timbre is prachtig en flexibel al naar gelang de gemoedstoestand en natuurlijk Debussy’s lastige noten, en het volume reikt ver zonder dat de stem hoeft te worden geforceerd.

© MATTHIAS BAUS
Yniold was een jongenssopraan van het Tölzer Knabenchor. Vanwege wetgeving en misschien ook omdat de rol echt zwaar is wisselt de Knabe per keer. Wie het ook was die zong deze avond, hij was uitstekend. Sinds Harnoncourt voor zijn Fledermaus een jongenssopraan gebruikte voor Prins Orlofsky, ook uit Tölz, en sinds die toen ook in Bernsteins Mahler 4 zong – wat allemaal wel ontroerend was, maar vocaal toch niet helemaal goed – moet je je hart een beetje vasthouden. Maar deze zanger was uitstekend bij stem en haalde met schijnbaar gemak alle hoogten maar ook een lage noot die hij met een kennelijk net beginnende borststem prachtig wist te plaatsen. Yniold en zijn vader Golaud waren, naast Pelléas en Mélisande, het andere paar van de avond, en minstens even hartverscheurend.

© MATTHIAS BAUS
Het woud naast waarmee de opera begint wordt verbeeld door tientallen rijen van verticaal neerhangende aluminiumkleurig buizen. En ja, ik had geen moeite om daarin te geloven en tegelijkertijd de reflecties van het water te zien. De rijen buizen worden langzamerhand als gordijnen omhoog getrokken om plaats te maken voor steeds donkerder stellages, die het exterieur en de binnenkant verbeelden van het kasteel waar Golaud en Pelléas wonen, en, dan weer oplichtend een ander woud bij de bron der blinden, waar Mélisande in het bijzijn van Pelléas Golauds trouwring in de lucht gooit en dan kwijtraakt, en dan heel donker de grot waar Pelléas en Mélisande de ring veinzen te gaan zoeken, dan in het volle licht de plek waar Pelléas en Mélisande elkaar voor het laatst ontmoeten, buiten de stadsmuur, en een hospitaalkamer waar zieken en stervenden worden verpleegd.

© MATTHIAS BAUS
De geometrische decorstukken worden heen en weer en rond-geduwd door mannen in het zwart en wekken het beeld van doodskisten, in een immens mortuarium. Dit alles ook allemaal in zwart en wit, als in die vroeg expressionistische film of fotografie. De in geometrische patronen doen ook denken aan camera-sluiters of -diafragma’s.

© MATTHIAS BAUS
Dan was er Peter Rose als koning Arkel, de grootvader van Pelléas en Golaud, een bas met misschien ook weer wat licht volume, al heeft hij wel Wagner-bassen als Daland en Gurnemanz op zijn repertoire. Als acteur was ook hij uitstekend.
De Nederlandse jonge bariton Michael Wilmering zong De Dokter. Terwijl deze rol soms wordt onderbedeeld, was ik onder meer onder de indruk van zijn laag, waarmee hij in ik geloof zijn laatste frase een paar mooi geplaatste diepe noten kon scoren om gemakkelijk tot ver in de zaal te reiken. Zijn uiterlijk, dat donkerder is dan dat van de andere zangers, en de bril die hij bovendien leken het buitenstaanderschap van de arts te benadrukken, de enige temidden van al deze wanhopige en tegelijkertijd zelfzuchtige mensen die alles scherp ziet, maar – zelf alleen maar dienstbaar aan die elite – tegelijkertijd niet kan ingrijpen.
Maeterlinck zelf kwam van gegoede komaf, maar in zijn jonge jaren was hij ook wat we tegenwoordig sociaal advocaat zouden noemen geweest. Hoewel de tekst over hoogverheven beslommeringen gaat, zijn er ook verwijzingen naar een hongersnood die in het rijk van de familie heerst. Misschien bekritiseerde Maeterlinck de gegoede elite waar hij van afstamt als hij Golaud temidden van al het hoogverheven lijden op zeker moment als tekst laat zeggen en in het geval de opera laat zingen dat de verarmde boeren de onhebbelijkheid hebben om onder de ogen van de kasteelbewoners op het strand te komen sterven. Regisseur Olivier Py vergroot dit thema uit door de drie bedelaars die zich ophouden in de grot waar Pelléas en Mélisande heen gaan als lijken te laten afvoeren en later een anoniem personage te laten sterven op de trappen achter het paleis.
Bariton Brian Mulligan moet óf erg goed kunnen mikken óf geluk hebben als hij een pop waarmee Yniold speelt op die stellages gooit en de pop in precies dezelfde houding terecht komt als de stervende (of er ligt een onzichtbare technische truc aan ten grondslag). Die pop blijft tot het eind toe op de trappen liggen, en als Mélisande sterft klimt ze uiteindelijk omhoog en neemt in spiegelbeeld exact dezelfde lichaamshouding aan.

© MATTHIAS BAUS
Mélisande’s sterven is ook een prachtige scène. Als een Isolde in haar Liebestod blijft ze staan, in dit geval voor op het toneel, met de rug naar de zaal, terwijl Arkel en Golaud zich om haar bekommeren maar eigenlijk met zichzelf bezig zijn. Dan loopt ze langzaam naar de trappen om daar bovenaan te gaan liggen in de stervenshouding die ik zojuist beschreef.
Nog een kleinere rol is mooi ingevuld, die van Geneviève, moeder van Pelléas en Golaud, door Katia Ledoux, een mooie mezzo, nota bene de winnaar van het laatste Internationaal Vocalisten Concours Den Bosch. Op het toneel is haar rol zelfs uitgebreid doordat ze ook een rol speelt tussen de personages als ze niet zingt.
Wat dat betreft is nog een andere rol sterk uitgebreid, die van de vader van Pelléas en Golaud, die geen zangpartijen heeft, maar wel een rol heeft in de toneelhandeling, als hij eerst ernstig ziek is dan beter wordt, als Mélisande in het kasteel komt wonen.
Het Koninklijk Concertgebouworkest heeft het altijd geëxcelleerd in Debussy. De jaren zeventig opnames van zijn orkestwerken onder Haitink worden nog altijd gerekend tot de beste. Volgens de eerste recensies waren de eerste uitvoeringen, onder Stéphane Denève, eerder bij DNO voor Prokofjevs Liefde van de Drie Sinaasappelen en de Dialogue des Carmélites, afstandelijk. Ik denk dat de samenwerking met orkesten is gegroeid. Ja, de akoestiek van het Muziektheater werkt niet goed mee en aanvankelijk klonk het orkest vooral droog. Maar misschien ook geholpen door het toenemend aantal stellages op het toneel kreeg de klank geleidelijk aan meer diepte en warmte.
Trailer van de productie:
Gezien 18 juni 2019 De Nederlandse Opera
Saint Ludmila van Dvořak profiteert van een uitstekende uitvoering
De beginjaren (en het martelaarschap van de heiligen) van het Christendom zijn al eeuwenlang een meer dan belangrijke inspiratiebron van de Westerse kunstwereld. Ook De heilige Ludmila, een weinig bekend oratorium van Antonin Dvořak gaat daar over. Het libretto van Jaroslav Vrchlický is gebaseerd op een historisch waar verhaal over de bekering van de vorstin Ludmila en haar geliefde Bořivoj, hertog van Bohemen. Het was Dvořaks derde oratorium, hij componeerde het in 1886. De première was een fiasco, waarna de componist zijn werk een paar keer heeft bewerkt.
Dat de compositie niet zo vaak wordt uitgevoerd, dat snap ik wel. Ik zelf vind het behoorlijk onevenwichtig, nergens wil het maar één geheel worden. Niet dat het niet mooi is, integendeel. En met een goede uitvoering kan men best veel bereiken, iets wat hier zeer zeker het geval is.
Adriana Kohútková is een pracht van een Ludmila en de tenor Tomáš Černý een meer dan een overtuigende Bořivoj. Karla Bytnarová zingt een fraaie Svatana, de vertrouwde dienares en vriendin van Ludmilla en ook de bas Peter Mikuláś (Ivan) kan mij goed bekoren.
Maar het mooist vind ik de bijdragen van het werkelijk sublieme koor en de mooier dan mooi spelende Slovak Philharmonic Orchestra onder leiding van Leoš Svarovský.
ANTONIN DVOŘAK
Saint Ludmila
Adriana Kohútková, Karla Bytnarová, Tomáš Černý, Peter Mikuláś
Slovak Philharmonic Orchestra and Choir o.l.v. Leoš Svarovský
Naxos 8.574023/4
Mocht u ook willen zien:
https://www.operaonvideo.com/svata-ludmila-or-saint-ludmila-dvorak-bratislava-2015/
La Sirène van Auber: een gemiste kans
Hier heb ik dus helemaal niets mee. Echt niets. De muziek an sich is ongelooflijk leuk, dat wel, maar eerlijk gezegd denk ik dat er veel meer er uit te halen was. Het wil nergens sprankelen. La Sirène is een opéra comique in drie acten en aangezien de opname van Naxos nog geen 70 minuten lang is, is het een en ander gesneuveld, dialogen voornamelijk. Niet dat ik er rouwig om ben: mijn Frans is ontoereikend en er is geen libretto bijgeleverd.
Maar ook de uitvoering kan mij niet echt bekoren. Jeanne Crousand (de sirene) zingt uitstekend, zij haalt ook moeiteloos haar hoge noten, maar echt verleidelijk kan ik haar nergens vinden. Nog meer moeite heb ik met de beide tenoren, af en toe klinken ze gewoon geknepen. Eerlijk gezegd heb ik de cd alleen maar afgeluisterd omdat het moest.
Doodzonde, want het is de allereerste opname van het werk. Auber is sowieso niet een componist die we vaak tegenkomen en dat verdient hij niet. Vooralsnog is zijn naam voornamelijk bekend van La Muette de Portici uit 1820 en dat ook nog eens omdat de opera een revolutie heeft ontketend. Het wachten is op een nieuwe Richard Bonynge die Auber weer op de rails kan brengen.
DANIEL FRANÇOIS ESPRIT AUBER
La Sirène
Jean-Fernand Setti, Xavier Flabat, Jean-Noël Teyssier, Jacques Calatayud, Jeanne Crousaud, Dorothée Lorthiois
Les Métaboles Choir
Orchestre des Frivolities Parisiennes olv David Reiland
Naxos 8660436
Congo: een geschiedenis in theater.
Tekst: Neil van der Linden

Voor wie niet, zoals ik, zo oud is dat hij of zij zich (als kind) de Katanga oorlog van de radio herinnert, en voor wie de namen Lumumba, Kasavubu, Tsjombé, en daarna van Mobutu geen levende herinneringen meer oproepen, werd recentelijk de geschiedenis van de voormalige winstmachine van ons buurland België op indringende wijze uit de doeken gedaan in David van Reybroucks fenomenale boek ‘Congo: een geschiedenis’.
Net zoals wij nog steeds maar niet in het reine komen met ons koloniale verleden (Van Reybrouck werkt nu aan een boek over ‘ons Indië’, en hopelijk wordt het net zo sterk als ‘Congo’), blijkt de blik op Belgiës koloniale geschiedenis telkens aan nieuwe interpretaties onderhevig. Kunst blijkt hierin een voorlopersrol te vervullen: van Reybroucks boek, Jan Fabres beeldende kunst-installaties voor het (niet onomstreden) museum van de Belgische koloniale geschiedenis in Tervuren, de magistrale voorstelling Missie, op tekst van diezelfde Van Reybrouck, door de fenomenale acteur Bruno van den Broecke, en eerder dit jaar de trilogie The Sorrows of Belgium van regisseur Luc Perceval bij NTG Gent, met als deel 1 de exploitatie van Congo onder Leopold II (en als deel 2 de collaboratie met de Duitse bezetter tijdens Wereldoorlog II en deel 3 de terroristische aanslagen in ‘hellhole’ Brussel).
Dat zijn wel allemaal ‘witte’ auteurs en makers. Minstens even belangrijk is dat steeds meer kunstenaars aan het woord komen die zelf of wier ouders van Congolese afkomst zijn. Kans dat zij een andere visie hebben op de geschiedenis.

Faustin Linyekula, geboren in 1974 in Ubundu in Oostelijk Congo, groeide op in de jaren van dictator Mobutu en maakte daarna het begin mee van de eindeloos lijkende burgeroorlog die zich in de loop van de jaren negentig ontspon. Hij vertrok naar Kenya, om in Nairobi een dansgezelschap op te richten.
In 2001 keerde hij terug naar Congo en zette in de hoofdstad Kinshasa een multidisciplinair kunstencentrum op. In 2006 verplaatste hij zijn activiteiten naar Kisangani, het voormalige Stanleyville, hoofdstad van de regio waar hij oorspronkelijk vandaan kwam. Vandaaruit werd hij internationaal opgepikt. In 2007 ontving hij de Principal Award van het Prins Claus Fonds. Dat verklaart misschien mede de aanwezigheid van ex-vorstin Beatrix tijdens deze avond. Congo ging afgelopen mei in premiere in Brussel, in het hart van het koloniale verleden.

‘Congo, dat bestaat niet. Het is slechts een rivier en het grote bos’, zo luidt een motto waarmee de voorstelling wordt aangekondigd. Inderdaad is, of je het nou Congo of Zaire noemt, het land is letterlijk op de kaart in 1884 gezet in Berlijn, tijdens een congres van toenmalige Westerse wereldmachten (waaronder trouwens ook Turkije). Zoals je nu nog op de kaart kunt zien ging men deels met liniaal te werk, en ook voor het overige speelde de vraag of de naties een natuurlijke eenheid waren geen rol.
Hoewel de machtigste Europese natie, Engeland, bij die conferentie een veelbelovend stuk Afrika ‘weggaf’ aan de Belgen, was dat geen probleem, want de Britten bedongen wel dat Congo een vrijhandelszone zou worden; de Brits-Belgisch-Indiase rubbermaatschappij was daarvan het resultaat, één van de bedrijven die het ergst huishielden in Congo. Overigens werd Congo eerst niet echt Belgisch, het werd privébezit van koning Leopold II.
Op het toneel staan Faustin Linyekula, acteur Daddy Moanda Kamono en zangeres Pasco Losanganya. De gigantische lap tekst is van de Franse schrijver Eric Vuillard, die ook een boek over Congo heeft geschreven. Moanda Kamono neemt die grotendeels voor zijn rekening. Hij vertelt over het congres in Berlijn en hoe eerst de Britse ‘ontdekkingsreiziger’ Stanley het gebied ging exploreren, gevolgd door twee Belgische ‘pioniers’, de koloniale beambten Lemaire en daarna Fiévez. Lemaire brandde dorpen af als die niet meewerkten, Fiévez verordonneerde dat, om zeker te weten dat munitie efficiënt werd gebruikt, van elk doodgeschoten Congolees de rechterhand moest worden ingeleverd bij de autoriteiten.
Berucht is de foto uit 1904 van een man naast twee handjes van zijn vermoorde zoontjes. Zijn echtgenote was ook vermoord, dat alles omdat hij zijn quotum te oogsten rubber sap niet had gehaald. Fiévez werd later een hoge legerofficier in België.

Maar maak je met deze feitenstapeling ook een dramatische voorstelling? Het antwoord is ja. Het is een les geschiedenis die niet voelt als een geschiedenisles. Er is een vrijwel leeg theater, met een tafel, wat juten zakken en verder alleen licht. Er is een oplichtende cirkel op de grond waar de personages overheen lopen, er is een stroboscoop en een spiegelende bol, die op gegeven moment een kalmerende sterrennacht projecteert, en er is een video van een boot die over een rivier vaart. Voor de rest is het toneelbeeld tamelijk donker, terwijl de acteurs vaak oplichtend witte kleding dragen, en af en toe gloort zacht licht over het publiek, als om het bij de vertelling te betrekken?
Er zijn af en toe fraaie elektronische klanken, met een soort knettertonen, en af en toe het geluid dat in een dorp zou kunnen zijn opgenomen, met mekkerende geitjes, ergens op de achtergrond kinderen, vogelgeluiden, en een dier (vogel of toch een geit, of toch een mens, die krijst) en op gegeven moment het geluid van een motor, een auto of een motorboot, die de rust verstoort; de twintigste eeuw komt binnen. Je mag je even daar ergens aan een beboste rivieroever wanen. En Pasco Losanganya heft af en toe een fragment van een fraai waarschijnlijk lokaal lied aan.
Zoals het Parool schrijft was de première in Brussel geen onverdeeld succes. Mensen liepen voortijdig weg of applaudisseerden niet. Gek, want België of zeker het Belgische culturele publiek is onderhand toch wel wat gewend. Linyekula in het Parool: “Ik weet dat veel mensen hier niet op onze interpretatie van de relatie tussen België met Congo zit te wachten. Die zijn ervan overtuigd dat ze ons hebben gered. Hun missionarissen hebben scholen gebouwd.”

“Het koloniale ‘project’ was nooit gebaseerd op de gedachte van een ontmoeting met een andere beschaving. Bij kolonisatie gaat het om het ontkennen van de ander – dan kun je moeilijk van een ontmoeting spreken. Het uitgangspunt was niet goed, dus is alles wat uit die ontkenning is voortgekomen bezoedeld. Ook die missionarisscholen.” Aldus Linyekula. Misschien een verwijzing naar hoe Van Reybrouck en Van den Broecke met de materie omgaan?
De voorstelling eindigt met een indrukwekkende serie foto’s van Congolese jongetjes. Jongetjes in leeftijd vergelijkbaar met de twee van wie we alleen de afgehakte handen zien op de foto uit 1904? En degenen die in de komende jaren de koloniale erfenis toegespeeld krijgen. Worden zij kindsoldaten, boeren, vissers, artsen, onderwijzers, bestuurders?
Artistieke leiding Faustin Linyekula Tekst Eric Vuillard
met Daddy Moanda Kamono, Faustin Linyekula, Pasco Losanganya
muziek Franck Moka, Faustin Linyekula
coproductie Théâtre de la Ville / Festival d’Automne – Paris, Le Manège, Scène Nationale de Reims, HAU Hebbel am Ufer – Berlin, Ruhrtriennale, Vidy-Lausanne Theatre, Holland Festival – Amsterdam
Wereldpremière 24 mei 2019, Brussel
Gezien 14 juni in Theater Frascati in Amsterdam
Mirga Gražinytė -Tyla lifts Weinberg’s autobiography to unprecedented heights
Weinberg’s 21st symphony is not a work you can simply listen to. It presents itself as Weinberg’s autobiography: his escape from the Warsaw Ghetto, his arrival and stay in the Soviet Union and his fight with the authorities and the memories. The structure of the symphony is incredibly complex – irreverently one could say that it is unbalanced, because all kinds of things happen in it. Chopin (‘Ballade in g’, ‘Marche Funèbre’), Mahler’s ‘Mutter, ach Mutter’ from his Des Knaben Wunderhorn, a klezmer tune carried by a solo clarinet that turns into a Requiem.
However, aren’t our memories like that? Disordered, one emotion evoking another? Weinberg dedicated his ‘Kaddish’ (one of the most important prayers in the Jewish liturgy that is pronounced after the death of a parent) – symphony from 1991 to the victims of the Warsaw ghetto. Distressing. Just like the life of Weinberg himself.
But do not forget the second symphony! The Adagio is an eleven-minute sadness that hurts so much that it can only lead to a satirical outburst in part three, the Allegretto. My God, what music. What a composer.
I can be brief on the performance. Brilliant. Mirga Gražinytė-Tyla confirms her reputation as one of the best young conductors of today. Under her leadership the City of Birmingham Symphony Orchestra sounds like I haven’t heard it in years, not since the very young and unknown Simon Rattle first took over the reins there. It is therefore gratifying that she has been awarded an exclusive contract with DG.
That she chose Weinberg’s Kaddish for her first recording on the ‘yellow label’ is significant. Knowing her (and her preferences) we can expect exciting recordings of unknown and lesser known works. Go, Mirga, go!
Translated with http://www.DeepL.com/Translator
MIECZYSŁAW WEINBERG
Symphony no. 2 on. 30; Symphony no. 21 op. 152 (Kaddish)
Gidon Kremer (violin), Maria Barns (soprano), Oliver Janes (clarinet), Georgijs Osokins (piano), Iurii Gavryliuk (double bass)
City of Birmingham Symphony Orchestra, Kremerata Baltica conducted by Mirga Gražinytė -Tyla
DG 48365661Kreme
In Dutch: Mirga Gražinytė -Tyla tilt Weinbergs autobiografie tot de ongekende hoogten
Van Brazzaville naar Orsay
TEKST: NEIL VAN DER LINDEN
Abd Al Malik, geboren als Régis Fayette-Mikano in 1975 in Parijs, is een Franse rapper en inmiddels gevierde multimedia kunstenaar. Op jonge leeftijd verhuisden zijn ouders ‘terug’ naar Congo-Brazzaville, het voormalig Frans Congo. Daarna keerde zijn moeder weer met hem terug naar Europa, naar Straatsburg, waar ze zich vestigden in een ‘banlieue’, een voorstad met goedkope maar ook verpauperende flatcomplexen. Aanvankelijk raakte hij net als buurtgenoten verstrikt in een leven van drugs. Maar een lerares onderkende zijn talent en zorgde ervoor dat hij naar een goede school kon. Hij kwam in aanraking met alle Franse literatuur, en raakte in de ban van Camus en Baudelaire tot en met de pioniers van het Afrikaans bewustzijn in de literatuur.

Le jeune noir à l’epée © Fabien Coste (4)
Eerst maakte hij deel uit van een rapgroep. Zijn grote doorbraak kwam met het album Gibraltar uit 2006. Ik herinner mij dat ik in Parijs was en dat die CD overal in grote hoeveelheden op de toonbank van CD-winkels lag. Dat intrigeerde mij, ik kocht hem in de Virgin op de Rue de Barbès, een al tamelijk multiculturele wijk dichtbij het centrum, een beetje als de Kanaalstraat in Utrecht. Ik kwam thuis en was meteen verkocht.
Originele, een beetje tegen de jazz aanliggende arrangementen, met veel piano in plaats van synthesizers, een mooie stem, en sterke, dramatische teksten, over het bestaan als immigrant. Het nummer Gibraltar over jongeren die tussen Noord-Afrika en Europa migreren klonk alsof hij zelf in een gammel bootje naar de overkant was gestoken, half afscheidnemend van het leven voor het geval hij zou verdrinken.
Les Autres gaat erover dat we te gemakkelijk afgeven op de anderen of anderen de schuld geven van ons lot. Beide nummers komen terug in deze voorstelling. Het allermooiste nummer van die CD vond ik 12 september, wat natuurlijk een verwijzing is naar 11 september 2001, en gaat over Moslim radicalisme (onder meer de moord op Theo van Gogh komt ter sprake) maar ook de inval in Irak die was gelegitimeerd door 9/11. Het nummer ontroert me nog steeds en geeft me nog steeds koude rillingen.
Olympia van Manet 1862[/caption]
In de collectie van het museum die zou worden tentoongesteld, zag hij een werk, ‘Le Jeune Noir à l’epée (‘Jonge zwarte met zwaard’) van Pierre Puvis de Chavanne. Dat greep hem bijzonder aan door de manier waarop in die tijd waarin de Afrikaan werd uitgebeeld als primitieveling, als krijgshaftig én als onderworpene zo niet lustobject werd afgebeeld. Dit inspireerde hem tot een multidisciplinaire muziektheatervoorstelling over de huidige positie van migranten uit voormalige koloniën.
Een jongen uit de banlieue verlaat de gevangenis en doet zijn verhaal. Over zijn strijd om te ontsnappen aan het straatleven en de haat. Over het politiegeweld en het leven in voorsteden met goedkope huurwoningen. Abd Al Malik liet zich inspireren door de poëzie van Charles Baudelaire en het denken van de Martinikaanse filosoof Édouard Glissant over diversiteit en globalisering. Hij noemt dit theatraal concert een ‘ritmische rebellie’ over identiteit in tijden van globalisering – voorgedragen, gerapt, geslamd en gezongen op zwarte muziek, witte muziek, en alles daar tussenin. Het moge duidelijk zijn dat Abd Al Malik de migrant in een achterstandswijk nooit of nooit alleen als slachtoffer ziet, maar ook een beroep doet op de eigen verantwoordelijkheid van mensen om hun leven te verbeteren. Onderwijs en politiek moeten daarbij wel helpen.
Naast Abd Al Malik vinden we op het toneel een mederapper, een deejay die de voorgeprogrammeerde instrumentale muziekpartijen verzorgt en vier dansers. Abd Al Malik staat aan één kant links, de twee andere musici staan op rechts, en in het midden bewegen vier dansers van Afrikaans-Franse komaf. Interessant is dat de dansers zo te zien ongeveer of bijna leeftijdgenoten zijn van Abd Al Malik, dus een flink eind in de dertig tot rond veertig, uitermate virtuoos. Niet meer de jongsten dus, met flinke haardossen, één met een stevige baard, of juist bijna kaal. Abd Al Malik, zelf in de veertig, wil het echt over zijn generatie hebben.
Zou het daarom zijn dat er niet zoveel jongeren aanwezig zijn in de overigens praktisch uitverkochte zaal, met grotendeels ‘witte’ bezoekers van ruim in de veertig, het reguliere Holland Festival publiek?
Het is geweldig dat dat publiek ook deze voorstelling weet vinden, maar ik weet zeker dat het Festival en het Muziekgebouw ook jonger en diverser publiek zou willen bereiken. De Franstaligheid zal misschien ook een barrière hebben gevormd, maar aan de muziek en ook de fantastische dans hoeft het niet te liggen; ondanks de jazz-invloeden en de medewerking aan Abd Al Maliks eerdere oeuvre van een oud-componist van Jacques klinkt die niet ‘over-beschaafd’ en ‘gemollificeerd’. Het volume mocht voor mij wel wat hoger, eigenlijk moet je de beats en de diepe bassen ook voelen, maar misschien was een deel van het publiek wel blij, en was het een bewuste keus om dit toch niet een pop-concert te laten zijn.
Terwijl aanvankelijk de dans een ritmische illustratie van de muziek is, krijgen de dansers een steeds dramatischer rol, met prachtige groepsformaties maar ook steeds meer aandacht voor de individuele karakters. Afrika is natuurlijk een uitermate divers continent, en de dansers representeren Noord-, midden-, Oost- en West-Afrika; de choreograaf, Salia Sanou, één van de meest invloedrijke artiesten binnen de moderne Afrikaanse dans, komt uit Burkina Faso.
Als één van hen, zo te zien van Noord-Afrikaanse komaf, en bijna kaal, in een virtuoze breakdance uitbarst, herinnert Abd Al Malik ons nog eens aan de urban street cultuur waar ook hij vandaan komt. Maar in de slot-rap, waarin hij gebruik de kreten die in voetbalstadions worden aangeheven tegen Afrikaanse voetballers, en die een nog immer voortdurend latent racisme laten horen, transformeert hij die ‘eu, eu, eu’ klanken tot ‘eux, eux, eu’, ‘zij’ of ‘hen’, maar laat dat op aangrijpende manier overgaan in de slotwoorden ‘eux c’est nous’, ‘zij dat zijn wij’. Ofwel beschuldig anderen niet te snel als er iets niet goed verloopt in je leven, maar je kunt er zelf iets aan doen
Abd Al Malik: concept, uitvoering
Salia Sanou: choreografie
Salomon Asaro: dans
Akim Houssam , Vincent Lafif , Bolewa Sabourin
Arnaud Fayette Mikano
Meegemaakt op 12 juni in Muziekgebouw aan ’t IJ
Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto

Perfect goodness, does it have the right to exist? In his novel Billy Budd, Herman Melville set the absolute evil against the perfect goodness and made them perish both.

The story about the angelically beautiful, honest but oh so simple and naive Billy, that takes place on a ship with only men and between men, has of course always had a double meaning. Some things could only be implied. Maybe that was a good thing, because it produced some real masterpieces.
One of them was a film by Peter Ustinov starring Terence Stamp.
Below is a trailer of the film:
And one of the best, at least for me, operas of the twentieth century.
For Benjamin Britten it was a rewarding theme. Elements such as the individual versus society, corruption, sadism, despair, a sense of responsibility and, of course, homo-eroticism were often used by him in his works. He was also able to include his pacifist ideas in them.
The story can be told quickly: Billy Budd is accused of treason by Claggart, the Master-at-Arms. He then strikes his accuser dead, and is sentenced to hang by Captain Vere. However, in the background, feelings of love, powerlessness and revenge play the real leading role.
For Claggart, the personification of evil, it is clear that he must destroy beauty, otherwise it will be his own downfall. “Having seen you, what choice remains to me? With hate and envy, I am stronger than love” he sings in his big, almost Iago-like aria ‘O beauty, o handsomeness, goodness’.
Captain Vere, aware of his true feelings for the young sailor, doesn’t have the courage to save his life. Only years later, looking back at the events of that time, he realizes that he should have acted differently.
WORLD PREMIERE 1951
Billy Budd is a role that is traditionally played by a (very) attractive singer. He has to be, he is not called a ‘beauty’ and a ‘baby’ for nothing. He is almost always put on the stage partially or even completely shirtless – no wonder that almost all of the baritones that are labeled as the ‘hottest’ have the role on their repertoire nowadays.
Britten himself is not entirely blameless in this. His very first Billy, Theodor Uppman, was personally selected by him for his exceptionally attractive appearance. Not that he couldn’t sing, on the contrary! The American baritone had a very pleasant, warm timbre, in which naivety went hand in hand with hidden sex appeal.
The world premiere took place on December 1, 1951 in the ROH in Covent Garden and the recording of it has fortunately been preserved (VAIA 1034-3). It is particularly fascinating to hear the voices of the singers for whom the opera was originally created.
The role of Captain Vere was written for Britten’s partner, Peter Pears. Not the most beautiful tenor voice in the world, but one with character, body and great ability to express things. The role of Claggart was sung by a good (but no more than that) Frederic Dalberg and in the smaller roles of Mr. Redburn and Mr. Flint we hear the future greats: Geraint Evans and Michael Langdon. The sound quality is amazingly good.
In 1952 Billy Budd was recorded with Upmann in the lead role for television. There is a video recording of it:
In the sixties Britten adapted and made his opera tighter: he turned the four acts into two. The new version had its premiere in 1964, under Georg Solti.
BBC, 1966
In 1966 the BBC recorded the work in their studios for TV and a while ago it was released on DVD (Decca 0743256). The role of Captain Verre was again sung by Peter Pears, now audibly older, but also more experienced. And he is helped by the images: his portrait of the desperate and guilty old captain is of an unprecedented intensity.
For the role of Billy a young English baritone, Peter Glossop, was asked – it has been said that Uppman had by now become visibly too old for the role. It is also said that Britten was considering asking Fischer-Dieskau for that role. I don’t know if it’s true (since Britten himself wanted a handsome young man for the role, the rumours seem to me to be no more than rumours), but imagine! I don’t even want to think about it!
Glossop is much rougher than all the other Billy’s I know, he is also on the robust side, but it’s nowhere disturbing. It’s hard to call him a ‘baby’, but he’s very attractive and he has the power to kill someone with a slap of his arm.
Michael London has been promoted from Mr. Flint to Claggart, a role that fits him like a glove. In the smaller roles we meet again singers of name: John Shirley Quirk (Mr. Redburn), Benjamin Luxon (Novice’s Friend) and as Novice a truly inimitable young Robert Tear.
The London Symphony Orchest is led by the ever-reliable Charles Mackerras.
It is filmed in black and white and the very realistic images make you feel as if you are in the middle of an old classic, which is of course true. It is a movie. It’s certainly fascinating and a must, but of course not comparable to a live performance in the theatre.
ENGLISH NATIONAL OPERA, 1988
It took almost 20 years before the next Billy presented himself, at least on an official document: in 1988 Tim Albery staged the opera at the ENO (Arthaus Musik 100 278).
The production is both visually and musically very strong. The production is tight and to the point, the images speak to the imagination and the libretto is followed very faithfully. Here no spectacular shots: it is also simply filmed in the house.
As for the performance … Well, the big word has to be said: it’s the best ever and I just can’t imagine that it will ever be matched again.
Thomas Allen is Billy. He has everything to make the role his own and he will probably be associated with it for eternity. He has the looks, he can act and he has a voice that makes you melt. His “Look! Through the port comes the moonshine astray” (he was the first to include the aria in his song recitals – now every baritone does it) can’t leave you unmoved.
Philip Langridge (Vere) convinces me even more than Peter Pears and Richard Van Allan seems like a devil in persona. The English National Opera Orchestra is outstandingly conducted by David Atherton.
Below Thomas Allen as Billy:
CHANDOS, 2000
12 years later, in 2000, the opera was recorded “semi-live” for Chandos (CHAN 9826(3)). That is to say: it was recorded in the studio, but after a series of concert performances in the Barbican Hall.
Richard Hickox is an excellent conductor, but no match for Atherton or Mackerras. But the cast is again sublime and if I could take one opera CD to a deserted island then the chances are that it will be this Billy.
John Tomlinson is probably the strongest of all Claggarts ever, especially vocally. What a dominance and what an authority! Philip Langridge repeats his brilliant Vere and Simon Keenlyside is, at least for me, one of the best Billys after Thomas Allen.
He is less naive than Allen, tougher than Uppman but much softer than Glossop. He is the goodness … So beautiful! Mark Padmore deserves a special mention as Novice.
Below Simon Keenlyside as Billy:
VIRGIN CLASSICS, 2008
In 2008 the opera was recorded by VirginClassics (50999 5190393). The London Symphony Orchestra was conducted by Daniel Harding. Definitely good, but more beautiful than the recordings above? Well, no.
Here the role of Billy is sung by one of the greatest American ‘barihunks’ of the moment, Nathan Gunn. I’ve heard the singer live a couple of times and I know how charismatic he is, but I’d rather choose one of his colleagues. His Billy is too self-confident for me, too present too.
Gidon Saks has a great voice, but it’s not enough for Claggart. Besides, he sounds too young. And I can be brief about Ian Bostridge (Vere): mannered. Like everything he touches, his Vere is his narcissistic alter ego instead of a character from the story.
If the recording hadn’t come out on CD but on DVD, I probably would have liked it better, especially because of Nathan Gunn’s part, because optically he is really more than admirable.
Below Nathan Gunn as Billy:
GLYNDEBOURNE, 2010
In the production of Michael Grandage (Opus Arte OA 1051 D) recorded in Glyndebourne in June 2010, we are actually on the military vessel, in the middle of the sea. The time of action is also clear: the eighteenth century.
The costumes are very realistic and everything that happens on stage is also in the libretto. The decor is beautiful and leaves a overwhelming impression. Here one can only utter ‘oh’ and ‘ah.’ But it is not only the entourage that impresses. Michael Grandage, who makes his opera debut with this, creates an atmosphere that is psychologically quite charged. The tension is excruciating. I can’t stop talking about how he directs the characters either. You rarely experience such an intelligent production these days.
We witnessed Jacques Imbrailo’s phenomenal Billy in Amsterdam in March 2011, but here, also thanks to the close-ups, he impresses even more.
John Mark Ainsley is inimitably good as Vere and Philip Ens convince as the evil spirit Claggart. Ben Johnson is a very moving Novice and Jeremy White a more than excellent Dansker.
Below is Jacques Imbrailo as Billy:
the article in Dutch:
BILLY BUDD: geniale muziek bij een geniaal libretto
Interview with Sir Thomas Allen:
SIR THOMAS ALLEN
Billy Budd in Düssseldorf:
IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 2: BILLY BUDD











