opera/operette/oratorium/koorwerken

Asmik Grigorian als verbindend element in Il Trittico

Tekst: Peter Franken

Tijdens de Salzburger Festspiele van 2022 ging extra veel aandacht uit naar Christof Loy’s productie van Il Trittico. Dat had in eerste aanleg van doen met Loy’s keuze om de geijkte volgorde van de drie eenakters te wijzingen. Als eerste Gianni Schicchi, vervolgens Il tabarro en als slotstuk Suor Angelica.

Nu ik een opname van de voorstelling op de recent uitgekomen Bluray heb gezien kan ik me daarin goed vinden. Na een kluchtig begin volgt een uitgesproken veristische opera met melancholie, opgekropte emoties, wraakgevoelens en doodslag. Het vormt de opmaat tot het slotdeel: de gang naar de hel. Een emotionele hel weliswaar maar niettemin de hel.

De kabbelende dialogen tussen de zusters kunnen niet verhullen dat het hier een groep vrouwen betreft die tot levenslange opsluiting zijn veroordeeld waarbij ze ook nog eens maar drie dagen per jaar een paar zonnestralen kunnen zien, mits het niet bewolkt is natuurlijk. En ze hebben weinig anders om handen dan bidden en elkaar in de gaten houden.

Natuurlijk zitten er verdoolde zielen bij die menen daar vrijwillig te zijn, gewoon het ontkennen van maatschappelijke druk. Angelica zit er in elk geval voor straf, uit het leven verbannen en dat krijgen we tegen het einde als een orkaan over ons heen.

Daarmee wordt duidelijk wat Loy heeft beoogd met de gekozen volgorde. De voorstelling is geheel en al opgezet als stervehikel voor Salzburgs publiekslieveling Asmik Grigorian en Loy laat haar rustig naar haar emotionele hoogtepunt toewerken. Sowieso zou ze na Suor Angelica geen noot meer hebben kunnen zingen en nu is dat niet meer aan de orde en kan Grigorian in elke opera de show stelen.

Trailer:

GIANNI SHICCHI

In Gianni Schicchi is dat uiteraard maar ten dele het geval, Lauretta’s ‘O mio babbino caro’ is dan wel een van Puccini’s bekendste aria’s maar uiteindelijk draait het toch gewoon om Schicchi.

De Georgische bariton Misha Kiria speelt zijn personage zoals de familie Donati hem ziet: een onbeschaafde lomperik van buiten de stad. Hij laat zich door zijn dochter lijmen om over zijn afkeer van die hebberige snobs heen te stappen maar weet hen tegelijkertijd een enorme loer te draaien. Eind goed al goed.

Loy brengt het stuk zonder veel franje, gewoon rechttoe rechtaan met vooral wat kleine visuele grapjes maar zonder ongerijmdheden. Het is aardig om naar te kijken en vormt een geslaagde opening van het drieluik. Grigorian zingt haar aria toepasselijk als een jong meisje en Alexey Neklyudov doet zijn best iets moois over Florence te zingen. Zijn Rinuccio had beter gekund, de zang is maar net aan. Verder is het vooral goed verzorgde ensemblezang.




IL TABARRO

In Il tabarro toont het toneel de kajuit van een binnenvaartschip, gelegen aan een kade ergens in de stad. Er wordt van alles uitgeladen waaronder een paar meubelstukken waardoor er op de kade een kleine huiskamer lijkt te zijn ontstaan. Trappen leiden naar het straatniveau maar alles en iedereen komt beneden zijn of haar opwachting maken.

De nabijheid van het stadsleven verscherpt de emotionele crisis waarin Giorgetta zich bevindt. Zij sterft een langzame dood in de benauwde kajuit tussen een bed en een fornuis, alleen met een veel oudere echtgenoot en de herinnering aan haar jonggestorven kind. In het duet met Luigi, waarin ze terugkijkt op haar jeugdjaren in de wijk Belleville, komt dit duidelijk naar voren.

Asmik Grigorian zingt “È ben altro il mio sogno”:

Asmik Grigorian is uitstekend op dreef als de gefrustreerde Giorgetta, die haar man Michele niet echt iets verwijt, maar gewoon wil toegeven aan het verlangen naar een gepassioneerde liefdesrelatie, en wel met iemand van haar leeftijd en beslist ook niet op een schip. Haar duet met Luigi, vertolkt door een van haar favoriete tegenspelers Joshua Guerrero, komt nogal afstandelijk over. Ze houden veel afstand, maar dat zal vooral uit angst zijn dat Michele hen zo samen ziet.

Roman Burdenko is aandoenlijk als Michele, de man is diep ongelukkig en uit frustratie doodt hij Luigi. Hij had hem ook gewoon een pak rammel kunnen geven en wegsturen maar dat was niet genoeg. Zelfs in een relatief moderne setting werkt dit verismo cliché vrij overtuigend. Elk van de die protagonisten heeft een solo maar verder is het een doorgecomponeerd werk dat zwaar leunt op dialogen. Goed gebracht, en dat is hier het geval, is het erg spannend.

SUOR ANGELICA

Net als in de voorgaande delen gebruikt Loy ook in Suor Angelica de volledige breedte van het toneel. Met al die rondlopende nonnen is dat toch redelijk gevuld, ondanks het vrijwel ontbreken van decorstukken. Behalve een achterwand met een deur is er weinig te zien. Een paar stoelen en een tafeltje waar Angelica aan zit. Verder een minimaal hoekje met kruiden. Het is allemaal erg naturalistisch en pas op het einde merk je dat de regie de handeling zich laat afspelen in het heden. Dat heb je met die tijdloze habijten.

Trillend van de zenuwen staat Angelica hier haar tante te woord. Als deze slechts spreekt over de noodzaak haar erfdeel op te geven ten gunste van haar jongere zus en met geen woord rept over Angelica’s zoontje, gaat deze door het lint.

Grigorian maakt hier een bloedstollende scène van, waarin ze tante dreigt met de afkeuring door Maria, immers ook een moeder. Als tante dan eindelijk toegeeft dat Angelica’s zoontje al twee jaar dood is slaakt haar nicht een paar kreten als van een gewond dier en vliegt ze haar woedend aan. Vervolgens draait ze zich om, krabbelt haar handtekening en gooit de hele papierwinkel met opbergmap en al in de richting van La Zia Principessa. Die veegt snel de zaak bij elkaar en maakt dat ze wegkomt.

Karita Mattila en Asmik Grigorian vormden eerder dat seizoen al een vergelijkbaar koppel in Jenufa, de productie in de Royal Opera met Mattila als Kostelnicka en Grigorian in de titelrol. Daar hielden beiden zich nog redelijk in maar hier laat de regie beide personages volledig vrij in het tonen van hun wederzijdse afkeer en woede.

Tante Zia had haar nicht het liefst dood aan getroffen. Boetedoening is niet genoeg, het gaat haar om wraak, ook zij voelt zich slachtoffer van de geschonden familie eer. Maar ze verbergt dat achter een masker van godvruchtigheid waarachter een helleveeg schuilgaat.

Angelica realiseert zich dat ook en beseft dat ze in dat klooster niets meer te zoeken heeft, in het leven ook niet trouwens. Ze ontdoet zich van haar habijt, trekt een eenvoudig zwart jurkje aan en steekt een sigaret op. Maar ze loopt niet naar buiten op haar pumps. In plaats daarvan vergiftigt ze zichzelf met haar eigen kruiden.

Plotseling beseft ze nu verdoemd te zijn en roept de Heilige Maagd aan, immers ook een moeder. Ten teken dat ze niet in de hel is beland laat Loy een jongetje het toneel op lopen: haar overleden zoontje. Dan moet ze wel in de hemel zijn is de conclusie.

De melodielijn van Angelica’s aria ‘Senza mamma’ is al vroeg in het stuk waarneembaar. De aria zelf is het emotionele hoogtepunt in dit stuk. Grigorian begint aarzelend alsof ze bang is dat haar stem elk moment kan breken. Vervolgens laat ze haar volume heel geleidelijk aanzwellen tot een hartverscheurende climax. Ze is een ervaren Butterfly maar hier brengt ze het tonen van intens gevoelde emotie op een nog hoger niveau. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.

Senza Mamma:

Het complete einde van de oper:



Het Staatsopernchor heeft een bescheiden rol in het geheel. Uit de bak klinkt de orkestrale begeleiding door de Wiener Philharmoniker. Franz Welser-Möst heeft de muzikale leiding.

Foto’s: © Monika Rittershaus

Mascagni op zijn lyrisch: L’amico Fritz in Firenze

Tekst: Peter Franken

De handeling van deze korte toch wel gemoedelijke opera uit 1891 gaat ongeveer als volgt. Fritz is een rijke landeigenaar ergens in de Elzas die een regelrechte minachting koestert voor het fenomeen huwelijk. Niettemin is hij wel bereid om een bruidsschat op te hoesten voor een jong koppel dat gaat trouwen. Als Fritz zijn verjaardag viert krijgt hij een boeketje van Suzel, de dochter van een van zijn pachters. Als ze weg is raakt Fritz in gesprek met David, de plaatselijke rabbijn, die stelt dat Suzel een geschikte bruid is en hij voor haar een man zal zoeken.

Daarop volgt een discussie tussen Fritz en David waarin eerstgenoemde zijn mening over het huwelijk te berde brengt en het einde van het liedje is een weddenschap met als inzet een van Fritz’ wijngaarden. Die verliest hij aan David als hij alsnog in het huwelijksbootje stapt.

In een volgende scène ontmoeten Fritz en Suzel elkaar in een boomgaard. Fritz helpt haar bij het kersen plukken en ze zingen een duet over de lente en de bloemen, het ‘kersenduet’.

Als Fritz weg is komt David aan en praat met Suzel. Hij suggereert dat ze bruid zou kunnen worden en zij holt verlegen weg. Als David later Fritz vertelt dat hij denkt een goede man voor Suzel te hebben gevonden, raakt deze in verwarring. Hij realiseert zich als snel, dat hij verliefd is geworden op het jonge meisje. Als David kort daarna komt melden dat hij Suzel heeft gekoppeld aan een leuke rijke jonge man en dat haar vader hem om toestemming komt vragen, ontsteekt Fritz in woede en zegt dat te zullen weigeren.

Intussen is Suzel op Fritz verliefd en niet op haar onbekende aanstaande en na een paar verwikkelingen komt alles natuurlijk goed.  David heeft zijn weddenschap gewonnen en geeft de daarmee verkregen wijngaard als huwelijkscadeau aan Suzel. Let wel, er vallen geen slachtoffers in deze ‘romantic feel good opera’.

Het verhaal heeft een hoog ‘Bouquet reeks’ gehalte, denk aan oudere uitgaven van zo’n veertig jaar geleden. Maar daar trekt Mascagni zich helemaal niets van aan. Als Suzel het lot bezingt van de bloemen die ze heeft geplukt voor Fritz – gestorven in de hoop dat het iemand blij en gelukkig zal maken – is er zoveel hartstocht te bespeuren dat je zonder de tekst te kennen zou denken in een veristisch liefdesdrama te zijn beland.

En zo zijn er voortdurend briljante passages waarin de sub tekst de muziek volgt als een schaduw en wat er gezegd wordt nauwelijks nog van belang lijkt te zijn. Ja, de handeling moet voortgang hebben maar iedereen weet al direct hoe het gaat aflopen. Het is nauwelijks mogelijk om niet zo nu en dan flarden Cavalleria en Iris in de muziek te ontwaren maar het is toch vooral Mascagni die aan het woord is. Al kreeg ik tijdens de prelude tot de derde akte even het gevoel dat we op het punt stonden de Tweede Hongaarse Rapsodie van Liszt te zullen horen.

Opvallend is hoezeer Mascagni de geluiden die samenhangen met de handeling muzikaal weet uit te beelden. Met name het aankomende rijtuig in de tweede akte: geklak van een zweep en een duidelijke galop. De overgang van het meeslepende romantische Kersenduet naar de koets met vrienden had niet groter kunnen zijn: die twee worden duidelijk ruw gestoord in hun tête à tête.

In maart 2022 was er in Teatro del Maggio Musicale Fiorentina een door Rosetta Cucchi geënsceneerde voorstellingenreeks te zien. Op het label Dynamic is daarvan een opname op Blu-ray uitgebracht. Cucchi heeft de handeling verplaatst van ergens in de 19e eeuw naar (vermoedelijk) het San Francisco van einde jaren ’80. Dat Suzel rondloopt met een Walkman is een prima aanwijzing. Fritz is de uitbater van een wijnbar en tevens natuurlijk eigenaar van een aantal wijngaarden in Napa Valley. Voor zover mogelijk wordt het libretto verder vrij keurig gevolgd.

Decor en kostuums zijn van Gary MacCann en bevestigen het jaren ’80 beeld. In plaats van een rijtuig komen Fritz’ vrienden op in een golfkarretje. De handeling in de eerste en derde akte speelt zich af in een café met grote ramen waardoor ook het buitengebeuren in beeld kan worden gebracht. Het is een ‘half open doos’ die nogal laag en diep is wat minder goed werkt. Een doos is prima, een kijkdoos een stuk minder. In de tweede akte is deze ruimte gedeeltelijk ingericht als kantoor waar Suzel achter een bureau wat zit te typen met een Walkman op haar hoofd. Op de achtergrond zien we wijnvaten.

Suzel wordt vertolkt door de zeer charmante uit Georgië afkomstige sopraan Salome Jicia, heel goed gezongen en leuk ‘spontaan’ geacteerd. Het Kersenduet met Fritz gaat haar prima af. Tenor Charles Castronovo vervult de titelrol met verve al moet hij zo nu en dan een beetje forceren.

De rol van Beppe is geschreven voor een mezzo. Hij komt Fritz feliciteren met zijn verjaardag en kondigt zijn komst aan door op zijn viool te spelen. Die rol komt voor rekening van Teresa Iervolino, nogal mannelijk uiterlijk met een zeer vrouwelijke stem.

David laat Suzel het verhaal van Rebeccca navertellen om haar zodoende in de bruidsmodus te krijgen. Van beide kanten wordt dat leuk geacteerd waarbij Suzel bijna kinderlijk trots is op zichzelf.

Prima invulling van zijn rol door Massimo Cavaletti die later dat jaar als David zou inspringen in de Matinee voorstelling van Fritz in het Concertgebouw. Op zich wel een merkwaardig detail, die rabbijn als huwelijksmakelaar die erop gebrand is koppels naar ‘het altaar’ te brengen.

Riccardo Frizza heeft de muzikale leiding. Het levert een pakkende verklanking op van Mascagni’s bij vlagen exuberante partituur.

Foto’s van de productie © Michele Monasta/Maggio musicale fiorentino

Trailer van de productie:

For Francesco Cilea on his birthday

Adriana Lecouvreur

Aleardo_Villa

Daniela Dessì



‘Poveri fiori’ (poor flowers), Adriana sings in one of the most moving arias in the history of opera, smelling the bunch of wilted violets. If only we could warn her, because those violets are poisoned, you can smell the contamination even from your armchair in front of the TV. And indeed they prove fatal. She launches into a big monologue, and that was it! Tutto e finito.

The orchestra plays a few more bars, and then there is the final chord. Pian-pianissimo, and so movingly beautiful that my tears, which had already begun to flow at the beginning of the last act, turn into a veritable flood.

Portrait of Lecouvreur (ca. 1725), by anonymous artist, based on her first appearance at the Comédie-Française, and located in the Musée des Beaux-Arts, Châlons-en-Champagne



The real Adriana, a star of the Comédie Française, died in Voltaire’s arms in 1730. Eugene Scribe made her immortal by creating a play about her life and her role was played by the greatest actresses of the time: Sarah Bernhardt, Eleonora Duse, Helena Modjeska.



The opera, which Francesco Cilea based on the play, thus requires a singer with the greatest acting skills, such as a Mafalda Favero, Magda Olivero or Renata Scotto.



Daniela Dessi, by the way, can do both the singing and the acting. 21 years ago (the recording was made at La Scala in January 2000), her sound was still lyrical, but already well developed dramatically. A true lirico-spinto, even if it was still a bit ‘in spe’ then.


Maurizio was one of Sergei Larin’s favourite roles, he also sang it in 2006 in Amsterdam (Saturday Matinee) alongside Nelly Miricioiu. The much-lamented Latvian tenor (he died in January 2008 at the age of 51) presents a beautiful and elegant sound, not devoid of passion, but still without the ‘roar’ that marred his last performances.


Olga Borodina is a deliciously mean Principessa di Bouillon and Carlo Guelfi a sonorous Michonnet, although his voice lacks ‘that certain something’, that made Sherrill Milnes one of the best interpreters of the role.


Roberto Rizzi Brignoli elicits from the orchestra all the colours of the rainbow and then some more. Here he is at the very beginning of his career (I once wrote: remember that name, we will be hearing more from him). Now he has become one of the greatest.

For those who appreciate it: the direction and the stage setting are traditional.



Dessì and Borodina in the finale of the third act:

EuroArts 2050098

Mafalda Favero:

Magda Olivero:

Renata Scotto:

L’Arlesiana (rediscovered!)



There are more operas that derive their fame from just one aria: just think of La Wally. Or even Andrea Chenier or La Gioconda. But there can only be one winner and that is undoubtedly Cilea’s L’Arlesiana.


The aria “E’ la solita storia del pastore”, better known as Lamento di Federico is among the most beautiful and best-loved tenor arias in all opera history. Just about every tenor sings it; it is also very often found on compilation CDs or opera recitals. No wonder: who among us can keep dry eyes listening its languorous tones? And: who among us actually knows what it is about? And who has ever heard the opera in its entirety?

L’Arlesiana is still performed only sparsely, even its recordings are scarce. Strange really, but the intendants of most opera houses don’t like verism. Is there too little honour to be gained for directors?

Not that L’Arlesiana is a masterpiece. That the opera is unbalanced, Cilea himself knew that very well. He also continued to tinker with it from its premiere in 1897 until his death in 1950. He went from four acts to three, and his finest and best move was undoubtedly adding the famous interlude “La notte di Sant’Egilio”, in 1937.


Curiously, the heroine, the girl from Arles, is not even present in the opera. Well, not fysically. She is being talked about, gossiped about also and she is the cause of the ensuing drama, of which she is probably not even aware, we will never know it.


Clearly present, though, is Rosa Mamai, Federico’s mother. I read somewhere that if Santuzza (Cavalleria rusticana) had ever left Sicily and started a family of her own, she would surely have become Rosa Mamai. I was reminded of this when listening to Iano Tamar’s fantastic, highly dramatic Rosa Mamai.

arlesiana-tamar

Iano Tamar. Foto: Picus online



In her own “lamento” (‘Esser madre è un inferno’), she defies the limits of beautiful singing, but nowhere crosses them and she really makes us share her grief.  In doing so, she proves what we actually already knew: the opera is not about silly shepherd Federico and his desperate love for the adulterous Arlesienne. No, it is about the boundless love of a mother who wants to save her son from a fatal fate at any cost and who even goes so far as to give her consent to the marriage with “the bitch”. To no avail: in a moment of madness, Frederico plunges himself from the hayloft

arlesiana-filianotti

Foto: Arielle Doneson



Giuseppe Filianotti has the ideal timbre for Federico: beautifully lyrical, but with enough power to meet the heavy demands of the complex role, with its many changes of mood. I truly would not know who else, perhaps apart from Beczala or Fabiano, could sing the role with as much feeling and languor. It is a real “Caruso role”; lyricism alone would not be enough.

Mirella Buonoaica’s light and agile soprano is sometimes like quicksilver: bouncy and fascinatingly beautiful. But her Vivetta also possesses enough power: should the need arise, the girl is ready to fight. It is not her fault that her lover has gone mad, remember Micaela!

Francesco Landolfi is a beautiful Baldassare, authoritarian but also very fatherly. His ‘Come due tozzi accesi’ moves me greatly. He phrases with a perfection you don’t often come across anymore and his messa di voce is astounding..

All the minor roles are also more than adequately cast and the orchestra under Fabrice Bollon plays very animatedly.

But this recording has even more to offer. It contains a lost aria by Federico: a “Una mattina m’apriron nella stanza”. We owe the discovery to Giuseppe Filianotti, who found the piece at the Museo Francesco Cilea, in a manuscript belonging to the composer. “Una mattina” was heard for the first time during this performance in Freiburg.

The original 1897 version of Lamento di Federico (note the end):




The rediscovered aria “Una mattina m’apriron nella stanza”:


CPO 7778052; recorded live juli 2012 in Freiburg



Bonus: Tito Schipa sings Il Lamento di Federico



A pleasant introduction to Cilea’s piano works

Francesco Cileais today particularly known for his opera’s Adriana Lecouvreur and L’Arlesiana, but did you know that he, himself a great pianist also composed for the piano?

I didn’t. Not that I think I missed much. It’s all very pleasant, no more. Wonderful to have in the background but the music has too little going for it. It does not sink in.

And yet I am glad someone took the trouble to record the music. It sheds a totally different light on the composer and takes him out of the shadows in which (music) history has cast him. No, Puccini he was not, and in his day piano music was already much more than just an entertaining ‘salon music’, but fair is fair: I must confess that I found it an extremely  enjoyable introduction. Not least because of pianist Sandro De Palma’s very strong advocacy of his music.

In the very Schubertian-looking sonata for cello and piano, De Palma is assisted by the not particularly virtuoso Ferdinando Calcaviello.






Verismo in German: Der Golem

Eugen d’Albert (1864 – 1932), the German pianist and composer of English/French/Italian origin, was born in Glasgow and died in Riga (can it get any more multiculti?). He is still  “terra incognita” for most opera-goers.

Of the 20 operas he composed, only one has kept repertoire: ‘Tiefland’, a very verist work from 1903. Occasionally you will still hear some part of ‘Die Tote Augen’, but ‘Der Golem’?



It is listed in reference works, yes, but, to my knowledge, after its 1926 premiere in Frankfurt it was never performed again.

Image by Mitchellnolte

The story is based on an old Jewish legend from Prague..In a few words; Rabbi Löw  creates an artificial man (Golem) from clay, which then takes on a life of its own. Death and destruction ensue and it eventually costs the life of Lea, Löw’s daughter. Too late, the rabbi comes to the realisation that he was never allowed to play God, however good and noble his intentions.

Rabbi Löw’s grave in Prague © Basia Jaworski

Recording(s)



The opera house in Bonn, always up for the unknown repertoire, put it on stage in January 2010 and it was also recorded there live. Bravo



The performance is more than outstanding.
Ingeborg Greiner is a very moving Lea. With her very light, girlish soprano, she manages to evoke our pity. Adolescents, after all! Always in love with the wrong one!


American baritone Mark Morouse (Golem) possesses a very attractive (may I say erotic?) voice, which makes Lea’s passion only logical.

Trailer of the production:

The whole opera (audio)



The music is very recognisable and melodic. Think Mascagni, but in German. Then also add a touch of Richard Strauss and a droplet of Wagner.
Eclectic? Yes, but so very delightful!

The movie, made in 1920:




Eugen D’Albert
Der Golem
Mark Morouse (baritone), Alfred Reiter (bass), Tansel Akzeybek (tenor), Ingeborg Greiner(soprano) and others.
Chor des Theater Bonn (conductor: Sybille Wagner); Beethoven Orchester Bonn conducted by Stefan Blunier
MDG 937 1637-6

Requiem for Krzysztof Kieśłowski

What does a composer do when a dear friend dies? Naturally, he writes a Requiem.

Zbigniew Preisner is among the one of the best film composers of our time. His music is much loved, even in the Netherlands. In particular, his collaboration with director Krzysztof Kieśłowski (La Double Vie de Veronique, Trois Couleurs, Decalogue) has led to great success and it is sometimes difficult to separate the film images from the music.

On his 50th birthday, Kieśłowski decided to stop filming, a decision that many film fans deeply regretted. However, he still had very many plans for the future, including a creation of a mystery play/opera about ‘life’, obviously in collaboration with Preisner and his regular screenwriter Krzysztof Piesiewicz.

It was due to premiere at the Acropolis. Sadly, in March 1996, Kieśłowski died of a heart attack, aged just 55. Whether the plans had progressed very far, the (otherwise very brief) liner notes do not mention.

Krzysztof Kieśłowski

The music is very wistful and evocative. The ‘Ascende huc’ in the Apocalypse section would not have been out of place in a Theodorakis score (it also contains literal quotes from ‘Z’). The lyrics are in Latin (in the Life section also in Greek) and in Polish.

Zbigniew Preisner

Fans of Preisner’s music will definitely not be disappointed. The Sinfonia Varsovia conducted by Jacek Kaspszyk plays very well and there is beautiful singing. The whole thing has a great deal of potential and I don’t mean that in a condescending way. I personally love it. However, I do warn against the high ‘Górecki 3’ content.

Gilbert Bécaud and opera? Yes, for sure: Opéra D’aran

An opera by Gilbert Bécaud, really? Did this king of French chanson, the singer-songwriter of world hits like ‘Natalie’ and ‘Et maintenant’, ever venture into the opera genre? Certainly: the piece is called Opéra d’Aran and is now available on CD.

Opéra d’Aran, to a text by Pierre Delanoé, Louis Amade and Jacques Emmanuel, was first performed on 25 October 1962, at the Théâtre des Champs- Élysées. That performance, conducted by George Prêtre , was once released on LP and is now also available as a CD.

Marlene Dietrich, Gilbert Bécaud, Jean Cocteau en Margarethe Wallmann tijdens de generale van ‘Opéra d’Aran’ in  Théâtre des Champs-Elysées op 26 oktober 1962



It was quite a chore to find out what the opera is about, as the CD edition is extremely carelessly put together. There is no libretto and not even a synopsis. You also have to do your best to find the cast. But here we go (fasten your seatbelts!):

Angelo, a drowning man fished out of the sea, is brought back to life, and pretends to be a prince from a distant land. He falls in love with Maureen, who looks after the blind mother of her fiancé Sean, whom everyone thinks is dead. Then Sean returns and a duel ensues. Maureen goes blind and everything ends where it all started: in the sea. Say a postmodern ‘Senta and Holländer ‘.

The music is very cinematic. No wonder: Bécaud, before meeting Edith Piaf and finding his true calling, worked as a film composer. The opera, larded with Irish folk music, has a very verismo feel to it. But I also detect a touch of Britten (Peter Grimes!).

With the exception of Alvino Misciano (Angelo), the performance is truly phenomenal.
In her last aria in the first act, Rosanna Carteri (Maureen) manages to move me very deeply. Agnés Disney (Mara) is a real discovery for me, very impressive how she manages to give shape to the blind woman.

Georges Prêtre conducts very enthusiastically and gives the work the grimness it deserves.



Below the making of:






Gilbert Bécaud
Opéra d’Aran
Rosanna Carteri, Agnés Disney, Alvino Misciano, Peter Gottlieb, Frank Schooten and others; Orchestre de la Société des concerts du Conservatoire olv Georges Prêtre
FA 5495

Il Re: Giordano’s laatste opera

Tekst: Peter Franken

In 1929 had Il Re première in La Scala onder leiding van Arturo Toscanini. Na aanvankelijk succes raakte het werk in de vergetelheid.


Toscanini dirigeert ‘Danza del moro’ uit Il Re:

Op het label Bongiovanni is een opname verschenen van een voorstelling uit 2006 in het Teatro Giordano in Foggia, de geboorteplaats van de componist.

Met Il Re neemt Giordano afscheid van zijn veristische periode: geen herkenbare dramatische situaties en levensechte personages met hoog oplopende emoties, vaak tegen een historische achtergrond. Il Re is feitelijk een middeleeuws sprookje met een nieuw muzikaal idioom waarin de jaren ’20 zo nu en dan waarneembaar doorklinken. Om dan weer plaats te maken voor zang die je eerder associeert met een minstreel of andere hofmuziek.

Rosaline is een molenaarsdochter die op het punt staat te trouwen met de smid Colombello. Maar zes dagen voor hun huwelijk wil ze plotseling niets meer van hem weten. Ouders en verloofde ten einde raad. Ze halen er een astroloog en een priester bij maar het wicht geeft geen krimp. Pas na lang aandringen is ze bereid te vertellen wat er aan de hand is.

Wandelend in het bos hoorde ze een zwartkop zangvogel en die vertelde haar dat er een grote toekomst voor haar in het verschiet lag. En even later passeerde toevallig de stoet van de koning en werd ze spontaan verliefd op de vorst. Nu wil ze alleen nog maar met hem trouwen, dat was toch wat die vogel haar had voorspeld?

Haar ouders en Colombello krijgen een audiëntie bij de koning en leggen hem het probleem voor. Hij is bereid te helpen. Maar Rosalina moet daarvoor een nacht met hem doorbrengen. Het drietal reageert ontgoocheld en verontwaardigd, zozeer dat ze worden gearresteerd.

Rosalina wordt naar het paleis gehaald en krijgt in de koninklijke slaapkamer een bruidsjurk aangereikt. Draag die maar vast, de koning komt zo. Als de vorst verschijnt bezingt ze haar grote liefde voor hem. Hij bedankt haar dat ze al die herinneringen in hem heeft gewekt en verdwijnt achter een scherm. Zijn bedienden komen tevoorschijn met zijn kledingstukken en daarna verschijnt de vorst zonder make up: een kale oude man in een nachtgewaad. Rosalina is gelijk genezen en na wat kleine verwikkelingen komt alles weer goed tussen haar en de arme Colombello.

Naar verluidt was de rol van Rosalina speciaal bedoeld als stervehikel voor Toti Dal Monte die uiteraard ook tijdens de première zong. Omdat haar personage een zangvogel kan verstaan en navertelt wat die heeft gezegd, staat de rol garant voor het nodige gekwinkeleer en een aaneenschakeling van hoge noten. Het doet wat denken aan de lange monoloog van de Tsaritsa van Shemakha in De gouden haan.

De zeer meisjesachtig ogende Patrizia Cigna leeft zich er helemaal in uit, prachtig gedaan. Il Re wordt gezongen door de bas Giuseppe Altomare, zeer welluidend en aardig geacteerd. Verder horen en zien we onder meer Fabio Andreotti als Colombello, Francesco Facini als de molenaar en Maria Scogna als diens vrouw.

Patrzia Cigna zingt Rosalina:

De enscenering is van Nucci Ladogana, eenvoudig maar effectief.

Gianna Fratta geeft leiding aan het Orchestra Sinfonica di Capitanata. Zij is een knappe verschijning die opvallend genoeg gekleed gaat in een klassiek rokkostuum, een outfit die je eerder associeert met mannelijke dirigenten. Moet gezegd: het staat haar goed. Leuke opname van een absolute rariteit.

Complete opera is hier te bekijken:



https://www.operaonvideo.com/il-re-foggia-2006/

Giordano’s Siberia: romantiek in het strafkamp

Tekst: Peter Franken

Scéne uit de derde acte, La Scala 1911

Het succes van Fedora met zijn Russische verhaallijn bracht Umberto Giordano ertoe opnieuw een werk in die setting te schrijven. Dat werd Siberia op een libretto van Luigi Illica.

Première in La Scala, 2003

De opera had in 1903 première in La Scala en was gedurende een tiental jaren redelijk succesvol. Daarna raakte het werk in de vergetelheid.

In 2022 stond er een nieuwe productie van Siberia op het programma in Bregenz. Maggio Musicale Fiorentino was Bregenz in 2021 al voorgegaan en deze productie van Roberto Andò is op Blu-ray uitgebracht.

De handeling speelt zich grotendeels af in een strafkamp in Siberië en haalt zijn inspiratie uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, vooral bekend van Janaceks opera. De eerste akte is feitelijk een theatraal vehikel dat ten doel heeft de protagonisten vanuit Sint Petersburg in Siberië te krijgen.

Giordano maakte het zijn librettist Illica volstrekt duidelijk. Hij wilde geen historische opera met aandacht voor ‘actuele zaken’ als Socialisme, Nihilisme en Antiklerikalisme maar gewone romantiek: een vrouw tussen twee mannen. Het strafkamp was niet meer dan de hardvochtige sociale omgeving waarin de heldin ten onder zou gaan, zoals Violetta in de ‘woestijn die Parijs werd genoemd’.

Het draait om Stephana, een vrouw die als jong meisje is ontdekt door Gléby die haar eerste minnaar werd en haar vervolgens omvormde tot een verdienmodel. Dat heeft succes gehad, ze woont in een huis dat haar geschonken is door Vorst Alexis; vele welgestelde minnaars zijn hem voorgegaan.

Maar Stephana gaat incognito de stad in en de jonge officier Vassili wordt op slag verliefd op dit onschuldige meisje dat de kost verdient met borduurwerk. Als hij in Stephana’s huis komt om zijn peetmoeder te begroeten loopt alles mis. Deze Nikona is in dienst van Stephana en door een ongelukkig toeval bevinden zich ook Gléby, Alexis en zijn gevolg aldaar. Vassili doodt Alexis, wordt veroordeeld en Stephana reist hem na als ‘vrijwillig gedetineerde’.

Als Gléby ook in dat kamp opduikt zijn de rapen gaar. Hij wil zijn vroegere protégée meenemen, kent een ontsnappingsroute. Als ze weigert maakt hij ten overstaan van de gevangenen alles bekend over haar verleden als courtisane, tot verbijstering van Vassili. Ze geeft echter geen krimp, beschuldigt hem op zijn beurt van bedrog en uitbuiting. Als ze met Vassili wil ontsnappen via de route die Gléby heeft aangegeven, slaat deze alarm. Stephana wordt neergeschoten en sterft in de armen van haar geliefde.

De productie uit Florence kent een onopvallende update naar 1941. Dat is op te maken uit de kostumering van Nana Cècchi en kleine veranderingen in de tekst. Zo wordt gesproken over Leningrad en staat Vassili op het punt te vertrekken voor de strijd tegen de Duitsers. In het strafkamp wordt de directeur aangesproken met kameraad gouverneur en als in de derde akte het paasfeest wordt gevierd en iedereen elkaar begroet met de zinsnede ‘christus is herrezen’ laten de filmbeelden op de achtergrond een afbeelding van Stalin zien. Voor het overige wordt het libretto keurig gevolgd.

Die filmbeelden geven in de marge weer waarover wordt gezongen en zijn zeer evocatief waar het gaat om het echte kampleven. Geweldsexcessen blijven echter nadrukkelijk achterwege, het moest immers een romantische opera zijn?

De muziek is heel herkenbaar voor de luisteraar die bekend is met Chénier en Fedora. Een beklijvende hit ontbreekt maar het werk kent meerdere fraaie monologen en duetten. In de tweede en derde akte wordt veelvuldig geciteerd uit het lied van de Volgaslepers, een Russische traditional.

Sonya Yoncheva geeft schitterend gestalte aan de gedoemde heldin die zoals zo vaak haar verleden niet kan ontlopen. Ze acteert heel behoorlijk maar het is vooral haar zang die het verschil maakt. Het is een mooie rol waarin ze haar niet geringe kunnen op vocaal gebied met ogenschijnlijk gemak etaleert, zij het met een flink vibrato.

Sonya Yoncheva zingt “Quale vergogna tu porti”:

In de eerste akte is ze nog een roekeloze verliefde vrouw die tot haar ontzetting alles in duigen ziet vallen. Maar door zich ‘te bekeren’ tot de echte liefde en Vassili na te reizen om zijn lot te delen, transformeert ze in een powerhouse dat Gléby overtuigend van repliek dient en de sympathie van haar medegevangenen weet te verwerven.

Sonya Yoncheva zingt “No! Se un pensier”:

Tenor Giorgi Sturua weert zich als Vassili uitstekend maar klinkt te dun om volledig te kunnen overtuigen. Hij heeft net iets teveel moeite met zijn partij.

Anders is het gesteld met bariton George Petean die een uitstekend zingende Gléby neerzet; gemaakt charmant en manipulatief in de eerste akte, rancuneus in de derde. Enge man, mooi gedaan. In de kleinere rollen vallen vooral Caterina Piva als een bezorgde Nikona en Giorgio Misseri als de onfortuinlijke Alexis op.

De voortreffelijke muzikale leiding van Gianandrea Noseda completeert het succes. Een echte aanwinst de opname.

Trailer van de productie:

Fotomateriaal: © Michele Monasta / Maggio Musicale Fiorentino

L’Arlésiana van Cilea, een weinig bekende opera met een van de grootste hits uit het tenorrepertoire.

Tekst: Peter Franken

Dit zelden gespeelde werk van Francesco Cilea stamt uit 1897, vijf jaar voor zijn grote hit Adriana Lecouvreur. Het libretto van Leopoldo Marenco is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Alphonse Daudet. Hoewel de plot draait om ‘het meisje uit Arles’ komt die nergens in de handeling voor. De hoofdpersoon Federico is verliefd op haar en is vastbesloten met haar te trouwen. Maar als er een concurrent opduikt in de persoon van Metifio loopt alles mis.

Deze is de geliefde van de Arlesienne en hij heeft twee brieven waaruit dit onomstotelijk blijkt. Ook de ouders van het meisje zijn op de hoogte maar hebben hem afgewezen toen bleek dat er een (beter) huwelijk met Federico in het verschiet lag.

Frederico is geschokt als hij de vrouw die hij adoreert van haar voetstuk ziet vallen. Al die tijd had ze kennelijk al een andere minnaar. Zijn moeder Rosa Mamai verbiedt hem om nog met ‘die meid’ te trouwen en probeert hem te koppelen aan Vivetta, een meisje uit de buurt dat al lang een oogje op hem heeft. Ze moet gewoon wat vrijer worden in de omgang, niet zo ingetogen met een hoog gesloten kraagje stilletjes rondsluipen. Dan kan ze vast wel Federico’s aandacht op zich vestigen.

Federico is ziek van jaloezie en maar accepteert na een aanvankelijke bruuske afwijzing Vivetta’s aanbod ‘om hem te genezen’, dit op aandringen van Mama Rosa die hem eronder door ziet gaan. Het komt zelfs tot een voorgenomen huwelijk maar als Metifio opnieuw opduikt om zijn brieven terug te vragen en achteloos vertelt dat hij van plan is zijn geliefde te ontvoeren staat alles weer op scherp. Federico heeft dit gesprek afgeluisterd en probeert Metifio te doden. De kemphanen worden gescheiden maar voor Federico is alles verloren. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord door uit een hoog raam te springen.

In september 2013 was dit werk te zien in Jesi, de geboorteplaats van Pergolesi die ik tot dan toe uitsluitend kende van de witte wijn met de aansprekende naam ‘Verdicchio dei castelli di Jesi’. De op Dynamic uitgebrachte opname laat een verrassend goede voorstelling zien: uitstekende zang en de enscenering van Rosetta Cucchi is heel behoorlijk, vooral de goede personenregie valt op. Het toneelbeeld is betrekkelijk eenvoudig, slechts het hoognodige wordt getoond. De kostumering sluit aan bij hoe men zich de bewoners van de Provence voorstelde eind 19e eeuw.

Federico’s moeder Rosa Mamai wordt vol overgave vertolkt door mezzo Annunziata Vestri. Op een gegeven moment gaat ze overstag en wil ze haar zoon toch maar met die onbetrouwbare feeks uit Arles laten trouwen omdat ze hem krankzinnig ziet worden. Alleen dat huwelijk kan hem redden. Maar Frederico weigert en besluit zich door het dorpsmeisje Vivetta dat al sinds hun kinderjaren verliefd op hem is, in een normaal bestaan te laten terugbrengen. Ze heeft veel liefde te geven en het is het proberen waard.

Sopraan Mariangela Sicilia geeft heel mooi gestalte aan het verlegen meisje dat voor de onmogelijke taak komt te staan om die wilde meid uit de grote stad uit Federico’s systeem te verdrijven. Mooi geacteerd en prima gezongen. Maar het succes is niet blijvend: zodra de horkerige Metifio opduikt komt alle woede en teleurstelling weer bij Federico naar boven.

Frederico is een rol die goed past in het veristisch karakter van het verhaal, hevige emoties van een plattelandsbewoner. Tenor Dmitry Golovnin maakt er iets moois van, hier en daar een tikje pathetisch maar hij blijft te allen tijde een ‘Werther met ballen’.

De Metifio van bariton Valeriu Caradja is donker, beetje een louche type. Als een soort verteller verbindt de oude schaapherder Baldassarre de delen van de tamelijk fragmentarische handeling, prachtig tot leven gebracht door Stefano Antonucci. Ook de kleinere bijrollen zijn adequaat bezet. 

Het Orchestra Filarmonica Marchigiana staat onder leiding van Francesco Cilluffo.

zie ook:

Cilea L’Arlesiana


Izabela Matula schittert als La Wally

Tekst: Peter Franken

An Avalanche in the Alps, Phillip James De Loutherbourg, 1803, Uit de collectie van: Tate Britain

Alfredo Catalani (1854-1893) schreef vijf opera’s waarvan alleen La Wally uit 1892 enige bekendheid geniet bij het grote publiek. Het werk stamt uit dezelfde periode als Mascagni’s Cavalleria Rusticana (1890) maar is minder uitgesproken veristisch. La Wally markeert als het ware de overgang van romantiek naar verisme.

Het personage Wally doet in bepaalde scènes denken aan een licht hysterische wanhopige Santuzza maar gedraagt zich op andere momenten zo onbehouwen dat een vergelijking met een hybride van Turiddu en Alfio meer op zijn plaats is. Ze is dan ook geen arm dorpsmeisje maar na de dood van haar vader een grootgrondbezitter en de rijkste vrouw van het dorp.

Het verhaal is nauwelijks relevant, een vrijgevochten meisje dat niet wil trouwen met de man uit het dorp Hochstoff die haar vader voor haar heeft bepaald, een andere man uit het naburige Sölden (Hagenbach) die haar voorkeur heeft, de afgewezen huwelijkskandidaat Gellner), een uitdagende concurrente in de liefde en verder ruzie, wraak en moord. Het einde komt als Hagenbach door een lawine een ravijn in wordt gestort waarna Wally hem volgt in de dood.

In 2021 was er in Wenen een nieuwe productie van Catalani’s beroemde opera te zien in de regie van Barbora Horákova Joly. De Poolse sopraan Izabela Matula schittert in de titelrol op de opname die zeer recent door Unitel op dvd is uitgebracht.

Eva-Maria van Acker was verantwoordelijk voor decor en kostumering. Ze laat de handeling zich afspelen op een betrekkelijk kaal toneel met wat rotsblokken om de suggestie van een berglandschap te wekken. Tijdens bepaalde scènes zijn er wat rekwisieten zoals een tafel met glazen, een paar stoelen, eenvoudige feestversiering.

De laatste twee aktes spelen zich af in een stellage van meerdere verdiepingen die grote hoogteverschillen suggereren, een berg en een ravijn. De kostuums zijn in overeenstemming met de Tiroler omgeving zonder dat sprake is van etnografische flauwekul.

Alastair Miles is voorbeeldig als de onsympathieke vader van Wally die haar ter plekke aan Gellner wil uithuwelijken nadat hij door Hagenbach is vernederd. Dat zijn dochter op diezelfde Hagenbach verliefd is, deert hem niet. Haar wel natuurlijk en ze neemt de benen. Na zijn dood keert ze terug in het dorp, nu rijk en machtig en daar maakt ze gemakkelijk misbruik van. Het is een vrouw met een sterk karakter en de nodige onprettige kanten.

Voor zo’n rol moet je geen tengere kwetsbaar ogende sopraan inzetten en in dat opzicht is Matula een ideale keuze. Ze is een betrekkelijk forse vrouw die tevens heel aantrekkelijk is. Acterend weet ze alle details in Wally’s grillige gedrag goed uit te spelen. Stimmlich is ze volstrekt ideaal voor deze partij. De bekende aria ‘Ebben? ne andrò lontana’ krijgt een prachtige vertolking en ook de monologen in de laatste twee aktes zijn van hoog niveau.

De onfortuinlijke Gellner komt voor rekening van Jacques Imbrailo, een wat ondankbare rol waar hij goed raad mee weet al vind ik hem acterend soms wat pathetisch. Zijn concurrent in de liefde Hagenbach is in goede handen bij Leonardo Capalbo, een uitstekende tenor, ik zag hem eerder al eens als Don Carlo in Antwerpen. Daarmee is de klassieke liefdesdriehoek  uitstekend bezet.

Door het stuk heen loopt het jongetje Walter dat zich welhaast fysiek aan Wally heeft gehecht. Vermoedelijk is hij een weeskind die in haar een grote zelfbewuste zus ziet. Walter is altijd vrolijk en zelfs als de wereld voor Wally lijkt in te storten nog steeds het toppunt van optimisme. Deze bijrol krijgt gestalte in de persoon van Ilona Revolskaya. De grote aria aan het begin, Wally’s lied, wordt door haar met verve gebracht. De overige rollen zijn adequaat bezet.

Het Arnold Schönberg Koor en de Wiener Symphoniker staan onder leiding van Andrés Orozco-Estrada.

Trailer:



Productie foto’s: © Herwig Prammer