opera/operette/liederenrecitals

De duivel in de nacht

Tekst: Neil van der Linden

In de serie Voix Étouffées, Missing Voices presenteerde de Leo Smit Stichting een CD met werken van Henriëtte Bosmans (1895-1952). De serie heet zo omdat, net zoals zoveel componisten waaraan de Leo Smit Stichting aandacht besteed, en zoveel anderen, Henriëtte Bosmans, met een Joodse moeder, slachtoffer werd van de Nazipraktijken. In 1941 werd haar (volgens de Joodse leer dus Joods, maar volgens de Nazis ‘maar’ half-Joods) optreden als pianist verboden, ook omdat ze weigerde lid te worden van de Nederlandsche Kultuurkamer.

Maar ze heeft de oorlog overleefd. Anders dan de andere componist die deze middag op het programma stond, Daniel Belinfante (1893-1945) die naar een werkkamp bij Auschwitz was gedeporteerd en daar de dag voordat het kamp werd bevrijd stierf (toen de Duitsers terwijl Russische troepen naderden) de barak waar hij doodziek was ondergebracht in brand hadden gestoken. Van hem klonk zijn prachtig grimmige, maar deels ook lyrische Sonatine uit 1939.

In een vergelijkbaar concert vorig jaar november van sopraan Elizaveta Agrafenina en pianist Dimitri Malignan stond naast Bosmans ook werk van Daniel Belinfante op het programma. Malignan bereid inmiddels een CD helemaal gewijd aan werk van Belinfante voor. Daniel Belinfante was trouwens een neef van celliste Frieda Belinfante, Bosmans’ levensgezellin gedurende de jaren twintig.

De eerste drie liederen van deze middag klonken de vorige keer ook. “Lead, kindly light” uit 1945 op tekst van de Engelse kardinaal Newman is geschreven voor Jo Vincent, die het in de orkestversie zong met het Concertgebouworkest onder Adrian Boult. Newman had ook de tekst voor Elgar’s The Dream of Gerontius geschreven. Bosmans was in die jaren bevriend met Britten. Het lied werd nu uitgevoerd in de versie voor piano, maar met een fraaie extra toegevoegde vioolpartij (bewerking Elizaveta Agrafenina), gespeeld door Sarah Bayens.

“La chanson des marins hâlés” (Het lied van de gebruinde zeelieden) uit 1949 was wat zonniger, burlesker. Maar het gaat ook over de rusteloosheid van het leven, van mensen als zeelieden die overal en nergens thuis zijn.

Het derde lied, “Le diable dans la nuit” uit 1935, waarnaar de middag vernoemd was, onderstreept de lugubere sfeer van die tijd. Het lied zit vol extreme kleuringen, in de zang en de pianopartij, fraai naar boven gehaald door Agrafenina en Malignan.

De eerste regel uit het gedicht van Paul Fort uit 1895 luidt “Le diable court dans la nuit”, “De duivel rent de nacht in”, maar in 1935 moest er eerst nóg weer een Satan komen.

Bosmans’ vier liederen die na Belinfantes Sonatine werden uitgevoerd stonden de vorige keer niet op het programma. “Complainte du petit cheval blanc” uit 1949, heeft door de combinatie van de speelse pianopartij en de tekst van Paul Fort, over een levenslustig ronddravend wit paard dat bliksem en donder tart, maar uiteindelijk door de bliksem wordt getroffen, wel iets Mahler-Wunderhorn-achtigs, ook in de Mahleriaanse harmonieën en ritmen die het beeld van het ronddravende paard oproepen.

“Pieusement” is een relatief vroeg werk, uit 1921, fraai devoot. Ik meen er ook kerkklokken ergens in een landschap in te horen, op zijn impressionistisch, zoals in werken met kerklokken als thema van Debussy en Ravel.

Het contrast met “Chanson” kon bijna niet groter zijn. In dit lied uit 1952, Bosmans’ laatste levensjaar, is ze mondain, een echt-Franse chanson, die misschien Piaff niet zou hebben misstaan, aldus Agrafenina.

Nog een contrast is er met “Daar komen de Canadezen” uit 1945 behoort tot haar Nederlandstalige liederen. Het is ook geschreven voor Jo Vincent. Ondanks dat er een satire op marsmuziek in doorklinkt, is het een ode aan het geallieerde bevrijdingsleger (en misschien is gekozen voor de Canada als bevrijdingsmacht met de minst imperialistische aspiraties).

Na een fraaie uitvoering door Sarah Bayens en Dimitri Malignan van Bosmans’ vioolsonate voegde Elizeveta Agrafenina zich voor de laatste keer bij hen voor “Gebed” uit 1945, van dezelfde tekstdichter als van “Daar komen de Canadezen”, Fedde Schurer, en een meditatiever oorlogslied: ‘Heer, zegen Gij ons dierbaar vaderland
En laat ons nimmer, nimmer slaven worden.
Gelijk de blinde, teugellooze horden
Die ons verheerden lang met moord en brand.’ Het lied, waarin op de piano ook weer kerkklokken doorklinken, eindigt met een ‘Amen’.

Henriëtte Bosmans (1895-1952)

  • Lead Kindly light (arr. met viool) 1945 J.H. Newman
  • La chanson des marins hâlés 1949 Paul Fort 
  • Le diable dans la nuit 1933 Paul Fort 

Daniel Belinfante (1893-1945) Sonatine 1939

Henriëtte Bosmans

  • Complainte du petit cheval blanc 1949, Paul Fort  
  • Pieusement (1921, second song she wrote after Beau Chevalier.. first work was already 1914.) I only spoke from lieder perspective, a bit like with Schubert.. his first song was Erlkonig…. op.1 (Poet: Verhaeren)
  • Chanson 1952 Fernard Mazade 
  • Daar komen de Canadezen. 1945-1946, Fedde Schurer 

Henriëtte Bosman Sonate voor viool en piano 1918

Henriëtte Bosmans

-Gebed (arr.met viool) 1945 Fedde Schurer 

De hele CD staat op Spotify:

Er zijn nog veel meer liederen van Bosmans. Hopelijk gaan Agrafenina en Malignan die ook opnemen. Hopelijk komt het ook van opnamen van Bosmans’ liederen met orkest. In elk geval bestaat er een youtube opname van de orkestversie van “Lead, kindly light” met Elizaveta Agrafenina als solist.

Afgelopen juni en juli verschenen bij CPO twee fraaie CDs met onder meer de cellosonate en de twee celloconcerten van Bosmans, met cellist Raphael Wallfisch en Ed Spanjaard als pianist en dirigent.

­

­

Foto’s: © Neil van der Linden

Trouble in Tahiti. More then an opera



Leonard Bernstein with Felicia Cohn Montealegre at their wedding on Sept. 9, 1951. Bernstein’s suit had previously belonged to Serge Koussevitzky. (Courtesy Music Division/Library of Congress

During his honeymoon in 1951 Bernstein started composing his first opera, Trouble in Tahiti. He wrote not only the music, but also the libretto, which, according to his biographer Humphrey Burton, was highly autobiographical and based on his parents’ marriage. Bernstein himself described it as a “light work, inspired by popular songs” and dedicated the piece to his good friend Marc Blitzstein, who had taught him the basics of musical theatre.

Bernstein with composer and friend Marc Blitzstein. Photographer unidentified. (Music Division)

The work may be light, but it is certainly not light-hearted. Consider it a satirical caricature of the life of an average American couple in the suburbs in the 1950s. To the outside world, they appear to be a happy couple, but in reality they are deeply unhappy, both with each other and with the life they lead, despite achieving prosperity.




The opera begins with – and is commented on by – a vocal trio singing about the idyllic life of the American middle class. A kind of contemporary Greek chorus that is reminiscent of the Andrews
Sisters, or the radio commercials of that era.

British director Tom Cairns filmed the opera for television in 2001 in the style so characteristic for the 1950s comedies starring Doris Day.

Karl Daymond is not to be dismissed as a vocally and scenically inimitable Sam, and Stefanie Novacek is a more than convincing Dinah.

Tom Randle, Toby Stafford-Allen and Mary Hegarty (the Greek chorus) sing and act at the highest possible level.

An absolute must.

Thomas Hampson: always a hiker of the lesser-known paths,

TIDES OF LIFE: exciting arrangements of songs by Wolf, Schubert, Brahms
and Barber



In the winter of 2014, Amsterdam Sinfonietta and American baritone Thomas Hampson toured Europe. In a fortnight, they gave 12 concerts in six different European countries.

Especially for this tour and commissioned by Amsterdam Sinfonietta, British composer David Matthews arranged songs by Wolf, Schubert and Brahms. Schubert’s ‘Ständchen’ was given a new arrangement by Bob Zimmerman. Only Samuel Barber’s “Dover Beach” was not given a real ‘make over’ and remained close to the original composition.



The songs are sometimes barely recognisable, but I don’t mind. It’s quite exciting to hear what an arrangement can do with familiar melodies.

The text remains the same, of course, but the melody line – and ertainly the tone – does change. In the new arrangements, Brahms’ “Vier ernste Gesänge” sound a little less sombreand Wolf’s songs (“Der Rattenfänger”!) actually become much more serious in tone and less ironic.

In Bob Zimmerman’s setting, the lovely “Ständchen” sounds a little unheimlich. A feeling reinforced by the reversal of the ‘roles’: it is now not a girl assisted by a male choir, it is now the women who accompany the man. It takes some getting used to, but beautiful it most certainly is. In any case, the National Women’s Youth Choir knows it well.

Hampson’s voice is not as beautiful and cultured as it used to be, which is only a plus here.Thus, the songs sound sort of spicy, with plenty of punch. Nice!

Amsterdam Sinfonietta proves yet again that they are one of the best chamber music ensembles in the world.


TO THE SOUL: AMERICAN SONGBOOK



For decades, Thomas Hampson has been a tireless ambassador for art songs by American
composers, as well as American poetry. In 1991, he recorded a CD for Teldec with “German” songs by Charles Ives, Charles Tomlinson Griffes and Edward MacDowell

Griffes’ “Mein Herz ist wie die dunkle Nacht”:



To the Soul was released by EMI in 1997, featuring songs on texts by Walt Whitman.



Those names were therefore not missing from the recitals he gave in Salzburg in 2001, part of what was called a “Hampson Project”.

The theme of this mini-festival (there was also a symposium) was American poetry, set to music by various, not only American, composers. Hampson did more than just sing. He introduced the songs, commented on them and talked
about the composers, poets, writers and traditions.

Thomas Hampson on “American Songbook” :



To the delight of anyone who cares about American music and poetry, three of those recitals, from 12 (and not 15), 17 and 22 August 2001 respectively, were released on two CDs a few years ago. Hampson sings as we have come to expect: cultured and beautiful, and his diction
and text handling are exemplary.

This clip is not from the CDs (neither found on You Tube nor Spotify), but it illustrates Hampson’s commitment to the music and poetry of his homeland:



As a bonus, we get three songs by Korngold, taken from the project Forbidden and Exiled, from Salzburg 2005.



WERTHER : Can a baritone be a convincing Werther?



In 1902, ten years after the premiere, Massenet made a new version of his Werther, this at the request of Italian baritone Mattia Battistini, who was eager to sing the lead role. Massenet did not change the key, but rewrote the vocal lines of Werther’s music, making the arias, “Pourquoi me réveiller” included, barely recognisable.



The “baritone version” of the opera was and remains an oddity; no original manuscript of the score even exists. In recent times, with its penchant for ever new challenges, there was also an increased interest in the alternative versions of well-known operas.

Thomas Hampson has always walked the lesser-known paths, and he first performed the role of Werther back in 1989. In 2004, he sang a concert performance of it at the Paris Chatelet, and that performance has been released by Virgin on two DVDs. He does an excellent job, but
the manic-depressive is a bit off.

His Charlotte is sublimely sung by Susan Graham, who also performed the role in Amsterdam some years ago, where she had moved the audience and press to tears. Michel Plasson has drama in his fingertips and you can hear it.

Maartje Rammeloo’s cd ‘Longing to be loved’ is heerlijk om naar te luisteren


Tekst: Peter Franken






De titel is ontleend aan het zevende lied uit de tiendelige cyclus ‘December songs’ van de Amerikaanse musical componist Maury Yeston, bekend van onder meer ‘Titanic’ en ‘Grand Hotel’. Yeston schreef de cyclus in 1991 en zowel de titel als de inhoud verwijzen duidelijk naar Schuberts ‘Winterreise’.

In de cyclus komt een jonge vrouw aan het woord die net een verbroken relatie achter de rug heeft. Het eerste lied (‘December Snow’) is de expositie, ze kijkt terug op hoe het twee jaar eerder is begonnen, vol hoop, liefde en goede moed. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit openingsnummer muzikaal niet het meest geïnspireerde deel is van de cyclus maar we weten na afloop wel waar we aan toe zijn met de ik-figuur.

Het tweede lied brengt de vaart er in. In een hoog tempo worden situaties bezongen waarin de vroegere geliefde lijkt op te duiken: een schim, een paar ogen, een reflectie in een etalageruit. Heel aansprekend voor iedereen die dit zelf al eens heeft meegemaakt.

Dat de vrouw nog aan het begin van haar verwerkingsproces staat wordt duidelijk in het derde lied. De kans bestaat dat ze haar vroegere liefde onverwacht tegenkomt en daar kan ze (nog) niet mee omgaan: ‘So, please let’s not even say hello’. Het is een heel gevoelig nummer en voor mij persoonlijk het meest herkenbare.

Nummers 4, 5 en 6 gaan over gedachten, herinneringen, bijzondere situaties. Nummer 6 (‘My grandmother’s loveletters’) is een onversneden musical nummer en na een wat aarzelende start ontwikkelt nummer 7 (‘I am longing’) zich ook in die richting, modulerend, bijna ‘beltend’ op het laatst. Nummer 8 (‘I had a dream about you’) is een regelrechte tongue twister, hoog tempo en veel tekst. Het kantelpunt in de emotionele reis van de vrouw komt in nummer 9 (‘By the river’). Het is nog steeds winter en overal ligt sneeuw en ijs, zo ook op de rivier. Die probeert haar ervan te overtuigen dat ze zich beter door het ijskoude water kan laten meevoeren naar de zee. Dan zijn al haar problemen voorbij en heeft ze voor altijd rust.

In nummer 10 heeft ze zich herpakt al blijft het moeilijk allemaal. De sneeuw blijft vallen en haar lover is en blijft weg. ‘Als we elkaar zomaar ergens tegenkomen laten we dan vooral niets zeggen.’

Maartje Rammeloo geeft een zeer goede vertolking van deze cyclus, begeleid oor pianist Enrico Delamboye. Maartjes zang is doorleefd, uitstekend  te verstaan en muzikaal tot in de perfectie verzorgd. In een theateroptreden zou je het daar bij laten maar op deze cd worden we nog verwend met een serie losse nummers uit de beginjaren van Broadway. Ik pik er een paar uit.

‘I wish hit so’ uit de musical ‘Juno’ van Blitzstein verhaalt over iemand die de liefdeskriebels heeft: ‘It’s the unrest inside me and I think I’ll go mad.’ Prachtige begeleiding door een zevenkoppig orkestje (arrangement Bob Zimmermann) maakt er een extra mooi nummer van. Ronduit geinig is ‘That’s him’ uit ‘One touch of Venus’ van Weill en Nash. Er moet heel veel tekst in worden gedebiteerd en Maartje heeft daar niet de minste moeite mee, zo lijkt het.

‘Show me’ uit ‘My fair lady’ laat tenor Jan Willem Schaafsma (‘meneer Rammeloo’) een paar strofen aan het woord als Freddy voor hij ruw wordt onderbroken door Eliza die aangeeft geen belangstelling te hebben voor zijn romantische gewauwel maar wil dat hij nu eindelijk gewoon laat zien wat hij voor haar voelt. Gelukkig krijgt Jan Willem nog een herkansing in ‘So in love’ uit ‘Kiss me Kate’ waarin hij een volwaardig duet zingt met zijn echtgenote.

Ronduit hilarisch is ‘My husbands first wife’ uit ‘Sweet Adeline ‘ van Kern en Hammerstein waarin de alles kunnende eerste vrouw door haar opvolgster wordt bezongen. ‘Haar kinderen waren ’s ochtends geboren maar ‘s avonds had ze zelf al weer het eten gekookt.’ Het is een vlot walsje en wordt met veel enthousiasme vertolkt. ‘What I’ll do’ van Irving Berlin is heel anders, klinkt als iets dat Marlene Dietrich in de jaren ’30 gezongen zou kunnen hebben. Zo biedt de cd een goede balans in getoonde emoties, muzikale stijlen en onderwerpen.

Het genoemde orkestje is op vijf nummers te horen, voor de overige begeleiding is Delamboye verantwoordelijk. Ik wil Maartje Rammeloo en alle medewerkende van harte feliciteren met het resultaat. ‘Longing to be loved’ is een prachtige cd geworden waarop deze getalenteerde sopraan laat blijken wat ze op het gebied van zang, tekstbeheersing en algehele muzikaliteit in huis heeft. Van harte aanbevolen.

\

For Eva Urbanová on her Birthday

In the accompanying textbook, I read that Eva Urbanová was coached by Renata Scotto, and this can clearly be heard. Her text handling and deep empathy are truly phenomenal and indicate a singing actress of great stature. The choice of her roles may also point to this, although I had to frown a little when I read, that at the Metropolitan Opera she sang Ortrud (Lohengrin) and Tosca at the same time.

That this is not exactly healthy for the voice you can hear in the opening aria from Smetana’s Libuše , a real tour de force alla Turandot, in which she sounds a little shrill. However, as the recital progresses (everything was recorded live during a concert in Prague), her voice becomes calmer and more balanced, culminating in the monologue of Kostelnicka (Jenufa).

That she also possesses another, more lyrical, side can be heard in a beautiful duet from Smetana’s Dalibor. By the way: this music is so very beautiful!



The choice of sung fragments is rock solid: most of the operas they come from are virtually unknown outside Urbanová’s homeland. She is assisted by a host of Czech singers who unfortunately are not able to reach her level. But that is not really a big deal. This CD is definitely worth your while; because of the superb music and because of this exceptionally interesting singer.

Songs (and a bit more) of Nicolae Bretan




The chance that you have ever heard of Nicolae Bretan (1887 – 1968) is not very high. That’s not because of his music, because this Romanian composer/conductor/music critic and singer (he was trained as a baritone) produced many wonderful works. In 1944, Bretan wife’s family, who were Jewish, were transported to the Nazi extermination camp at Auschwitz and murdered.

After World War II, he worked for a short time as the director of the National Opera in Bucharest, but because he refused to join the Communist Party he was excluded from the composers’ union, which meant that his works were no longer allowed to be performed. The turning point came in the 1980s: a   was then established (partly through the initiative of his daughter), and the English firm Nimbus started recording his compositions at a steady pace.


I own three of his four operas: ‘Horia’ (NI 5513/4) and ‘Golem and Arald’ (NI 5424), which I have always enjoyed listening to, and I can heartily recommend them to any opera lover.


Some time ago Nimbus (NI 5810) released a CD with a selection of his songs (he composed more than 200!), beautifully sung by the baritone Alexandru Agache.

They remind me a bit of songs by Puccini, but with a Romanian-Hungarian sauce. Not really masterpieces, but very pleasant to listen to. Because of their wistfulness, they also exude a certain melancholy, and before you know it, they make you a little sad. Since Agache’s voice does not have too many color nuances, it can get a bit monotonous in the long run. So listen in moderation, I would say.

Bonus

In the Jardin de Luxembourg
Ruxandra Donose – Mezzosoprano and  Julius Drake – Piano



Requiem:

Bust of Bretan in Cluj-Napoca Central Park

Does anyone still remember Inessa Galante?

© De Ster

The case of Inessa Galante is a glaring example of what might be called a ˜victim of commerce”. Her first recital Debut, released in 1995, became (incidentally: quite rightly) a huge success, which was mainly due to the Ave Maria by ˜Giulio Caccini”

Pure deception, it later turned out, as the song, that became a huge hit (did you know it is in the Top 100 music for funerals?) turned out to have been composed around 1970 by one Vladimir Fyodorovich Vavilov, a Russian composer, lute player and guitarist.



Debut stayed at number one on all the charts after which Galante had to record several CDs with more of the same.





A crying shame! Anyone who witnessed her live could confirm that she was much more than just another studio product. Her Violetta’s and Lucia’s are unforgettable and I am extremely sorry that none of it has been recorded for DVD/BR.  But, lucky us, there is YouTube!

La Traviata:

Galante in Pique Dame:



She made her debut at the famed Wigmore Hall in January 2000. The BBC recorded it and the (still existing?) label Campion put it on CD, for which I am very grateful to both.



At her London performance, Galante sang songs by Russian composers, all coated with melancholy and longing. Her voice lends itself perfectly to them, and with her ability to dose emotion and put the accents in the right places, she turned them into real mini chamber operas. Just listen to her sigh at the end of Glinka’s ‘Zhavaronok’ (Lark), all in complete accordance with the text. And, like me, you may barely be able to suppress your tears at Tolstoi’s poem, so brilliantly set to music by Tchaikovsky (Sred’ shumnava bala).

Inessa Galante possesses a splendour of a soprano, with a healthy dose of morbidezza. Roger Vignoles is an exemplary ˜partner in crime”. (Campion RRCD 1348)

Her album with Jewish Folksongs by Goldins and Rachmaninovs Romantic Songs is, for me, absolutely irresistible

BONUS:

Inessa Galante and Kevin Grout live in the Netherlands 2004

Mahhler: Last part of 2nd symphony: Inessa Galante, Nathalie Stutzmann; Orchestre National de France/Myung-Wun Schung

Die Lustige Witwe and The Merry Widow

© Mary Evans Picture Library

Operetta may be seen and heard again, and even in the poshest opera houses it appears in the repertoire these days.

Die Lustige Witwe is often chosen, and not without reason: this is a beautiful work, full of wonderful melodies and witty dialogue.



Helmuth Lohner, originally a film and stage actor and also an operetta singer has been concentrating on directing in recent years and he does so superbly. His 2004 production from Zurich is very traditional, rich in colour and movement, and his satirical characterisation of the characters makes perfect sense.

He does allow himself a small ˜adaptation”: after the men’s sextet ˜Wie die Weiber”, he has the women sing an equivalent of it.



Initially I had a bit of trouble with the somewhat shrill Dagmar Schellenberg (Hanna), but gradually she gets better and better and she really redeems herself with a perfectly performed Vilja song.


Rodney Gilfrey is an irresistibly charming and sexy Danilo, Ute Gferer a kitschy Valencienne, and Piotr Beczala revives the good old days of a Kiepura with his beautiful, lyrical tenor (Arthaus Music 100451)





THE MERRY WIDOW



Yes, it’s in English. So what? The ˜unvergessliche süsse Melodien” sound no less beautiful. This production of Franz Lehár’s Die Lustige Witwe by San Francisco Opera is simply wonderful.

In 2003, The Merry Widow was the last production by Lotfi Mansouri, the face of San Francisco Opera for more than forty years. A new English translation of the libretto, of its French version!, was produced for the occasion. In it, the last act does not take place at Hanna’s home, but in the real ˜Maxim’s”.

Mansouri sees Hanna as an already somewhat mature woman, who should be sung by a singer who has already been performing the Marschallin. Into this concept Yvonne Kenny fits wonderfully and she makes her role debut with it. She possesses a brilliant stage personality, her voice is creamy, velvety and enchanting.

Bo Skovhus, too, is a Danilo true to Mansouri’s vision: youthful and irresistibly attractive. His voice rings like a bell, he is a gifted actor and a superb dancer.

Angelika Kirschschlager and Gregory Turay excel as Valencienne and Camille, and the rest of the cast is also outstanding. A wonderful production (Opus Arte OA 0836 D)

BONUS



Over Vleermuizen van hier tot daar en terug: een piepkleine selectie

“Glücklich ist, wer vergisst, was doch nicht zu ändern ist!”

“Die Fledermaus” – Titelblatt von 1875 | Bildquelle: picture-alliance / akg-images

LIVE

Amsterdam 2008



De Nationale (toen nog Nederlandse) Opera luidde het jaar 2008 uit met het ruim twee decennia oude Die Fledermaus. Veel verwachtingen had ik niet: na éénentwintig jaar en vier reprises zou de rek eruit moeten zijn en de productie zou naar mottenballen moeten ruiken. Het viel wel mee, wat voornamelijk aan de inbreng van de regisseur toegeschreven kan worden.

Johannes Schaaf heeft het een en ander geredigeerd en aangepast, waardoor het geheel toch nog leuk werd, al wilde het nergens sprankelen. De schuld lag voornamelijk bij de dirigent. Ik had mij best op de komst van Friedrich Haider verheugd, tenslotte had hij al heel wat Fledermausen achter zijn kiezen. Bovendien: als de (ex)echtgenoot van de coloratuurdiva en één van de leukste Adele’s ooit, Edita Gruberova, zou hij toch wel moeten weten waar de accenten gezet moesten worden.

Niet dus. Het Nederlands Philharmonisch Orchest speelde onder zijn leiding zeer keurig, maar het smaakte als oude champagne zonder de bubbels. Ook de zangers vielen een beetje tegen. Niet dat ze slecht waren, maar ook niet geweldig en vaak ook niet rol dekkend.

Brigitte Hahn was een echte misbezetting.  Haar donkere en romige sopraan klonk echt mooi, maar Rosalinde is nooit echt haar ding geweest. En met haar uitstapjes naar de Wagner was zij de rol gewoon ontgroeid en dan druk ik mij gewoon vriendelijk uit (btw: hebben we nog ooit van haar gehoord?)

Albert Bonnema was een goede Eisenstein en Maria Riccarda Wesselink een dito Orlofsky. Markus Eiche was een grote belofte voor later, die hij inmiddels ruimschoots heeft ingelast, maar zijn mooie, lyrische bariton klonk nog te jong en te lief voor de cynische Falke. Kurt Streit (Alfredo), met zijn mooi gevoerde tenor steeg uit boven de middelmaat.

De conclusie? Het was niet echt slecht.

Brussel 2012

© De Munt

Die Fledermaus werd samen met La Traviata in december 2012 als een soort tweeluik gepresenteerd. Bestaat er dan een link tussen de twee zo onverenigbare opera’s? Nee, natuurlijk niet. Maar in Brussel werd er toch een kleine link gelegd. Het zette mij aan het denken en liet mij nieuwe aspecten van beide werken zien.

“Het is allemaal de schuld van de champagne”, zingen ze aan het eind van Die Fledermaus, de onweerstaanbare operette van Johann Strauss. Daarna slikken ze een paar aspirientjes en alles lijkt opgelost. Daarvóór hebben ze een nacht vol verwikkelingen gehad, hebben ze zich voor iemand anders voorgedaan en zijn ze vreemdgegaan, hebben ze gefeest en gedanst. Eind goed al goed? Of misschien toch niet?

De champagne, die vloeit ook rijkelijk op de feesten in La traviata. Ook daar wordt uitgebreid gefuifd en ‘amuseert’ men zich. Maar hoe bitter is het einde. In La traviata kun je het zelfs met een emmer vol aspirientjes niet redden. Er valt simpelweg niets meer te redden.

Het is de onvolprezen Guy Joosten, de regisseur van de semiscenische Fledermaus, die de link heeft gemaakt, door in zijn waanzinnig goede, leuke, geestelijke enscenering ook ‘symbolen’ uit de nieuwe productie van Traviata te verweven.

De bühne was veranderd in een balzaal met kristallen kroonluchters, goud, glitter en feeëriek van licht. De feestvierders (het koor en de figuranten, gestoken in avondkleding) waren gezeten aan tafeltjes met champagne. Een duidelijke knipoog naar de beroemde ‘Mecenaatsdiners’ in De Munt.

Joosten liet het orkest op het podium plaatsnemen en liet de actie op het voortoneel plaatsvinden. Met een sofa, een kaptafel en een fauteuil creëerde hij een decor voor zowel de salon van de Eisensteins als het kamertje van Adele, het paleis van Orlofsky en de gevangenis.

De rol van de gevangenisbewaarder Frosch – hier neergezet als theaterwachter en oud-rekwisiteur – werd gespeeld door Georg Nigl. Hij leverde zeer vermakelijk commentaar op alles wat zich op de bühne afspeelde (de geheel nieuwe dialogen waren van de hand van de regisseur). Een steeds terugkerend klein meisje met een pot chocoladepasta in haar handjes geklemd – een verwijzing naar het met chocolade besmeurde gezicht van een jong meisje in La traviata – werd gesommeerd ‘morgen terug te komen’.

Ook het operawereldje van nu werd niet gespaard en Brussel met haar controversiële producties moest het eveneens ontgelden. “Dat was onder Mortier niet mogelijk geweest”, was één van de quotes.

Ondanks dat de voorstelling geplaagd werd door afzeggingen, werd er ontegenzeggelijk goed gezongen. De voor Thomas Johannes Mayer ingesprongen Dietrich Henschel liet zien dat hij ook over humor en danstalent beschikt en al prefereer ik een iets lyrischer Eisenstein, hij wist mij volledig te overtuigen.

Bernarda Bobro (Adele) verving Danielle de Niese met allure en de als ziek aangekondigde Ivan Ludlov was een goede Falke. Andrea Rost was een meer dan vurige Rosalinde en samen met de even vurige Alfred (Pavol Breslik) zorgden ze voor veel ‘liefdesvermaak’ (wat een legato heeft de jonge Slovaak!).

Twee zangers sprongen er echter voor mij uit: de jonge Belgische bariton Lionel Lothe (Frank) en Tania Kross (Orlofsky). Hoogzwanger, hooggehakt en vermomd als een soort Lady Gaga was zij helemaal in haar element.

Het orkest (dirigent Ádám Fischer) speelde aanvankelijk aarzelend, maar halverwege kwam de vaart er in en de Czardasz spetterde de zaal in. Maar ja, met de Hongaren verwacht je niet anders…

Bildquelle: © Privatarchiv Stefan Frey

OPNAMEN

DVD’S

Wenen 1980

Voor mij is de opname die op oudejaarsavond in 1980 in de Wiener Staatsoper werd opgenomen verreweg één van de besten zo niet dé beste.De productie was toen één jaar oud en de regie lag in handen van Otto Schenk, een beroemde Weense acteur, die zelf 29 keer de rol van  Frosch had gespeeld.In een rijk en gedetailleerd decor ontvouwt zich een intrige vol leugens, dat tegelijk spannend, komisch en droevig is.

De bezetting kan gewoon niet beter: Bernd Weikl zet de losbandige en oerdomme Eisenstein neer met de nodige knipoog en humor, Lucia Popp is kostelijk als de verveelde huisvrouw Rosalinde, en  Brigitte Fassbaender onweerstaanbaar als Orlovsky. Maar de allerbeste is de jonge Edita Gruberova (Adele): ze koketteert, doet ons lachen om haar bespottelijk accent, en ontroert in haar naïviteit. En dat alles met perfect gezongen coloraturen, brava!

Theodor Guschlbauer laat al in ouverture horen dat het een avond met de meesterlijk uitgevoerde mooiste melodieën gaat worden. Heerlijk.

Glyndebourne

Het is allemaal de schuld van de champagne, zeggen ze. Zou best kunnen, want het bruist, bubbelt, schittert en spettert dat het een lieve lust is. De bubbels zijn ook letterlijk omnipresent in deze schitterende productie van ‘Die Fledermaus’, die in augustus 2003 in Glyndebourne werd opgenomen

Het geheel is zeer Art Deco en Jugendstil, met decors die lijken te zijn ontworpen door Otto Wagner, en geschilderd door Gustav Klimt. Die laatste is eveneens alomtegenwoordig, ook in de kleding: van de jurk van Rosalinde tot de “schlafrok” van von Eisenstein, waarin de arme Alfred de gevangenis ingaat.

Voor deze productie zijn nieuwe dialogen geschreven (de regisseur, Stephen Lawless, ziet het stuk als een toneelstuk met muziek), makkelijk te volgen dankzij de Nederlandse ondertitels.

Thomas Allen zet een kruidige von Eisenstein neer die duidelijk aan een midlifecrisis lijdt in een ietwat ingeslapen huwelijk, en Pamela Armstrong is een pittige Rosalinde. Malena Erdmann is een fantastische Orlofsky en Lybov Petrova en kittige Adele. Eigenlijk zijn ze allemaal fantastisch, inclusief de dirigent dirigent (sprankelende Vladimir Jurowski), die ook actief deelneemt aan de actie.

Zet de champagne maar vast koud, geniet en drink. Niet noodzakelijk met mate.

Sir Thomas Allen over Eisenstein:

CD’S

Herbert von Karajan

De opname van von Karajan uit 1960 (Decca 4758319), met o.a.  Waldemar Kmennt, Hilde Gueden, Erika Köth en Eberhard Wächter is een absolute must. Alleen al vanwege de weergaloze “inlagen”, waarin de grootste operasterren uit die tijd (uiteraard uit de Decca staal) een zeer verrassende acte de préséance geven.

Clemens Krauss



Schitterend ook de “Wiener klassieker” uit 1950, gedirigeerd door Clemens Krauss), en ook niet in de laatste plaats vanwege de vele extra’s

Bekroonde Ruslan en Lyudmila uit het Bolshoi betovert

Tekst: Peter Franken

Stage design for ”Ruslan and Lyudmila” ©Bridgeman Images

Ruslan en Lyudmila had première in 1842. Het was de tweede opera van Michail Glinka (1804-1857) na Ivan Susanin uit 1836. Glinka wordt wel gezien als de eerste componist uit Rusland die zich de klassieke muziek uit West Europa eigen maakte en daarop voortbouwde. Zijn opera’s hebben dan ook een geheel ander klankbeeld dan die van Moessorgski, Borodin en Rimski Korsakov die feitelijk de eerste generatie echt Russische componisten vertegenwoordigen.

Het libretto van Ruslan en Lyudmila is gebaseerd op een gedicht van de onvermijdelijke Pushkin die op zijn beurt uitging van vroeg middeleeuwse legendes over de ontvoering van Lyudimila, de dochter van prins Vladimir van het Kievse Rijk. De opera speelt zich af aan het hof van Kiev en op een aantal sprookjesachtige locaties.

Mikhail Petrenko, Albina Shagimuratova ,Vladimir Ognovenko Setozar

De handeling begint met de bruiloft van Lyudmila die uitkijkt naar een leven met haar uitverkorene  edelman Ruslan maar tegelijker tijd wat melancholiek is gestemd nu ze definitief een keuze heeft gemaakt. Het betekent een afscheid van haar vader maar ook van twee vrijers die naar haar hand hebben gedongen. Dat zijn de Varjaar Farlaf en de Khazaar Ratmir, niet toevallig vertegenwoordigers van de beide buurlanden van Kiev Rus.

Ze spreekt hen troostend toe. Dan heft de bard Bayan een lied aan waarin hij het liefdespaar een zware toekomst voorspelt die pas na veel ellende plaats zal maken voor een leven vol geluk. Dat wordt hem niet in dank afgenomen maar hij krijgt onmiddellijk zijn gelijk. Het wordt plotseling donker en er is bliksem te zien. Verwarring alom en als het weer licht en rustig is geworden blijkt Lyudmila te zijn verdwenen.

Haar vader Svetosar raakt in paniek en belooft dat de man die haar zal terugbrengen zijn dochter mag trouwen en de helft van zijn rijk krijgt. Hij kan dat doen omdat het huwelijk met Ruslan nog niet is voltrokken en die trekt erop uit met zijn concurrenten.

Ruslan ontmoet de welwillende tovenaar Finn, zo genoemd omdat hij uit Finland komt. Die vertelt hem zijn levensverhaal waarvan voor de toeschouwer uitsluitend de afloop ter zake doet. Hij heeft een vete met zijn vroegere geliefde Naina die hem in alles tegenstreeft. Hij gelooft in liefde en geluk, zij in het tegendeel.

Finn wil Ruslan helpen in zijn queeste om Lyudmila terug te vinden maar waarschuwt dat Naina hem zal tegenwerken door een van zijn concurrenten te helpen, gewoon om hem dwars te zitten. Zij is de boze heks in het verhaal.

Illustration for Ruslan and Ludmila by DeGrafo

Ruslan komt in een verlaten gebied terecht waar hij overal knekels ziet liggen, overblijfselen van een veldslag lang geleden. Dan verschijnt er een hoofd dat hem probeert weg te blazen. Ruslan weet zich staande te houden en bevraagt het hoofd. Het vertelt een verhaal over een zwaard dat hem, een reus, en zijn dwergbroer Chernomor, een boze tovenaar, zou doden. Door hem te onthoofden en het hoofd naar een verlaten land te toveren en het zwaard onder het hoofd te verbergen heeft Chernomor geprobeerd de vloek van zichzelf af te wenden. Nu Ruslan het zwaard heeft kan hij de vloek in vervulling doen gaan en tevens Lyudmila bevrijden die door Chernomor is ontvoerd.

Inmiddels is Farlaf bij Naina terecht gekomen die hem haar hulp heeft toegezegd om Lyudmila te bevrijden van Chernomor. In een volgende scène zien we Ratmir opduiken in Naina’s betoverde slot, vol verleidelijke dames, die hem van zijn queeste af proberen te brengen. Dan verschijnt daar ook zijn vroegere haremfavoriete Gorislava die zijn interesse zozeer weet te hernieuwen dat hij Lyudmila verder maar laat zitten. Ook Ruslan doet zijn intrede en vergeet bijna waarvoor hij is gekomen totdat Finn binnenkomt en hem weer op het juiste pad brengt, tot ongenoegen van Naina.

Middelerwijl is Lyudmila gevangen in het kasteel van Chernomor waar ze aan velerlei verleidingen wordt blootgesteld. Net op tijd verschijnt Ruslan die Chernomor weliswaar weet te doden maar niet kan verhinderen dat hij Lyudmila betovert waardoor ze in diepe slaap geraakt.

Yuri Minenko, Alexandrina Pendatchanska, Albina Shagimuratova, Mikhail Petrenko

Ruslan en Farlaf brengen Lyudmila teriug naar het hof. Ratmir en Gorislava gaan ook mee. Farlaf weet met Lyudmila te ontsnappen en komt als eerste bij Svetosar aan om zijn beloning op te eisen. Hij kan echter de betovering niet verbreken en ook Naina is niet in staat hem te helpen. Uiteindelijk lukt dat Ruslan wel, met behulp van Finn en dan zijn we weer terug aan het begin: het huwelijk van Ruslan en Lyudmila.

Twee elkaar tegenstrevende tovenaars, een diepe slaap, een betoverd slot, een zwaard dat uitkomst moet bieden, een pratend hoofd, een boze dwerg: zo ongeveer het hele standaardmateriaal uit een sprookje komt langs. Je kunt er ook Siegmund, Siegfried, Mime, Fafner, Klingsor en Brünnhilde in herkennen.

Het werk stond in 2011 op het programma van het Bolshoi ter gelegenheid van de heropening van dit theater na een jarenlange renovatie. Dmitri Tcherniakov werd aangetrokken voor de regie en volledige enscenering en de productie draagt overduidelijk zijn stempel. Bij aanvang zien we iedereen in klassieke kostuums, daarna volgen we de verschillende personages op hun tochten en zijn ze eigentijds gekleed.

Naina’s kasteel wordt getoond als een harem waar de verschillende dames zich op een brave manier verleidelijk gedragen. Omdat die scènes nogal lang duren lijkt het soms meer op een kinderfeestje dat een gerichte poging Ruslan en Ratmir van het pad af te brengen.

Chernomors kasteel oogt als een welness centrum waar het personeel achter de schermen seksfeesten houdt. Ook Lyudmila wordt bijna in de actie betrokken door een overmaatse masseur. Eenmaal terug aan het hof trekken de spelers hun kostuum uit de eerste akte weer aan , de hoofdpersonen blijven gekleed zoals ze aankwamen.

Rond dezelfde tijd was Tcherniakov bezig met de productie van Kitesh voor DNO, ook een hybride van klassiek en eigentijds. Svetlana Aksenova zong daarin de hoofdrol, ze zou ook heel goed in deze productie als Lyudmila op haar plaats zijn geweest.

De ouverture is zeer energiek, de verschillende solostukken hebben een veel bedaagder tempo. Tenor Charles Workman zingt verkleed als Bayan het lied dat de sfeer tijdens de bruiloft verpest. Even later is hij als Finn te horen. In een lange nogal eentonige monoloog vertelt hij hoe het zo gekomen is tussen hem en Naina. Workman geeft een fraaie vertolking van een niet zo interessante partij.

Sopraan Albina Shagimuratova heeft als Lyudmila twee grote solostukken, tijdens de bruiloft en in het paleis van Chernomor, beiden overtuigend gebracht.

De kleinere rol van Gorislava wordt op aantrekkelijke wijze vertolkt door sopraan Alexandrina Pendatchanska. Tcherniakov heeft haar gekleed in een zwart truitje en een geruit plooirokje,  de onschuld zelve.

De bas Almas Svilpa als Farlaf heeft zijn moment in de tweede akte. Zijn rondo doet wat denken aan Figaro’s ‘Largo al factotum’, een zeer degelijk optreden. Counter tenor Yoiuri Menenko (Ratmir) zingt een grote aria in de derde en een romance in de vijfde akte, beiden zeer geslaagd. Counter tenors vind ik onnatuurlijk klinken maar Minenko zingt bijna met een normale sopraan stem.

De bas Mikhail Petrenko neemt de rol van Ruslan voor zijn rekening, een wat ongebruikelijk stemtype voor een held op een queeste maar goed in overeenstemming met het karakter van zijn personage. Petrenko weet er in elk geval iets moois van te maken.

Albina Shagimuratova en Mikhail Petrenko:

De kleinere rollen van Svetosar en Naina komen voor rekening van de bas Vladimir Ognovenko en sopraan Elena Zaremba. Het hoofd heeft de stem van bariton Alexandre Polkovnikov.

Koor en dansers leveren een zeer geslaagde bijdrage aan de uitvoering. Het orkest van het Bolshoi staat onder leiding van Vladimir Jurowski die Glinka’s muziek in al zijn glorie uit de orkestbak laat komen.

Trailer :

Productiefoto’s: © Damir Yusupov/Bolshoi Theatre.

Authentieke Ruslan en Ludmila uit het Bolshoi

De voorstelling van ‘De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ werd gedragen door Svetlana Aksenova. Ook op DVD