Woodcut by Conrad Felixmüller of the composer Erwin Schulhoff, Prague 1924. Lindenau-Museum, Altenburg, VG Bild-Kunst
Of all the composers covered by the term ‘Entarte music’, Erwin Schulhoff is the most complex.
Contrary to what various anthologies tell us, Schulhoff was never in Theresienstadt. Nor was he murdered in Auschwitz. The hybrid Czech composer who did not fit into any pigeonhole had simply been unlucky. The Russian citizenship he applied for came two days too late, so instead of being in the Soviet Union, he ended up in the Wülzburg concentration camp, where he died of tuberculosis in 1942.
From his early childhood, Schulhoff was fascinated by everything new. Heartily embracing dada and jazz, he also had a particular liking for the grotesque. His music crossed borders and genres – sometimes even those of a “good decency”.
No wonder his music cannot be labelled: within the oeuvre for string quartet alone, one will discover a huge variety of styles.
Except for his Divertimento op.14 and string quartet op.25, all the works played by the Alma Quartet were composed between 1923 and 1925. Both, highly rhythmic string quartets betray Schulhoff’s affinity with jazz – the second a little more than the first – and also with Czech folklore.
The 1923 ‘5 Pieces for String’ dedicated to Milhaud sound quite neo-classical. Each refers to a dance or a country. In ‘Alla Valse Viennese’, the “waltzes of Ochs” are shining through and in ‘Alla Tango Milonga’ one can only think of Argentina.
Of all the existing recordings of Schulhoff’s quartets so far, the one by the Petersen Quartet (Cappricio) was always dearest to my heart. I still love their performance, but now they have to acknowledge the superiority of their Amsterdam colleagues. Grandiose.
Huge kudos also to Vruchtvlees.com for the cover and box cover design. Not only very bright and cheerful, but also perfectly suited to Schulhoff’s music.
Het succes van Fedora met zijn Russische verhaallijn bracht Umberto Giordano ertoe opnieuw een werk in die setting te schrijven. Dat werd Siberia op een libretto van Luigi Illica.
Première in La Scala, 2003
De opera had in 1903 première in La Scala en was gedurende een tiental jaren redelijk succesvol. Daarna raakte het werk in de vergetelheid.
In 2022 stond er een nieuwe productie van Siberia op het programma in Bregenz. Maggio Musicale Fiorentino was Bregenz in 2021 al voorgegaan en deze productie van Roberto Andò is op Blu-ray uitgebracht.
De handeling speelt zich grotendeels af in een strafkamp in Siberië en haalt zijn inspiratie uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, vooral bekend van Janaceks opera. De eerste akte is feitelijk een theatraal vehikel dat ten doel heeft de protagonisten vanuit Sint Petersburg in Siberië te krijgen.
Giordano maakte het zijn librettist Illica volstrekt duidelijk. Hij wilde geen historische opera met aandacht voor ‘actuele zaken’ als Socialisme, Nihilisme en Antiklerikalisme maar gewone romantiek: een vrouw tussen twee mannen. Het strafkamp was niet meer dan de hardvochtige sociale omgeving waarin de heldin ten onder zou gaan, zoals Violetta in de ‘woestijn die Parijs werd genoemd’.
Het draait om Stephana, een vrouw die als jong meisje is ontdekt door Gléby die haar eerste minnaar werd en haar vervolgens omvormde tot een verdienmodel. Dat heeft succes gehad, ze woont in een huis dat haar geschonken is door Vorst Alexis; vele welgestelde minnaars zijn hem voorgegaan.
Maar Stephana gaat incognito de stad in en de jonge officier Vassili wordt op slag verliefd op dit onschuldige meisje dat de kost verdient met borduurwerk. Als hij in Stephana’s huis komt om zijn peetmoeder te begroeten loopt alles mis. Deze Nikona is in dienst van Stephana en door een ongelukkig toeval bevinden zich ook Gléby, Alexis en zijn gevolg aldaar. Vassili doodt Alexis, wordt veroordeeld en Stephana reist hem na als ‘vrijwillig gedetineerde’.
Als Gléby ook in dat kamp opduikt zijn de rapen gaar. Hij wil zijn vroegere protégée meenemen, kent een ontsnappingsroute. Als ze weigert maakt hij ten overstaan van de gevangenen alles bekend over haar verleden als courtisane, tot verbijstering van Vassili. Ze geeft echter geen krimp, beschuldigt hem op zijn beurt van bedrog en uitbuiting. Als ze met Vassili wil ontsnappen via de route die Gléby heeft aangegeven, slaat deze alarm. Stephana wordt neergeschoten en sterft in de armen van haar geliefde.
De productie uit Florence kent een onopvallende update naar 1941. Dat is op te maken uit de kostumering van Nana Cècchi en kleine veranderingen in de tekst. Zo wordt gesproken over Leningrad en staat Vassili op het punt te vertrekken voor de strijd tegen de Duitsers. In het strafkamp wordt de directeur aangesproken met kameraad gouverneur en als in de derde akte het paasfeest wordt gevierd en iedereen elkaar begroet met de zinsnede ‘christus is herrezen’ laten de filmbeelden op de achtergrond een afbeelding van Stalin zien. Voor het overige wordt het libretto keurig gevolgd.
Die filmbeelden geven in de marge weer waarover wordt gezongen en zijn zeer evocatief waar het gaat om het echte kampleven. Geweldsexcessen blijven echter nadrukkelijk achterwege, het moest immers een romantische opera zijn?
De muziek is heel herkenbaar voor de luisteraar die bekend is met Chénier en Fedora. Een beklijvende hit ontbreekt maar het werk kent meerdere fraaie monologen en duetten. In de tweede en derde akte wordt veelvuldig geciteerd uit het lied van de Volgaslepers, een Russische traditional.
Sonya Yoncheva geeft schitterend gestalte aan de gedoemde heldin die zoals zo vaak haar verleden niet kan ontlopen. Ze acteert heel behoorlijk maar het is vooral haar zang die het verschil maakt. Het is een mooie rol waarin ze haar niet geringe kunnen op vocaal gebied met ogenschijnlijk gemak etaleert, zij het met een flink vibrato.
Sonya Yoncheva zingt “Quale vergogna tu porti”:
In de eerste akte is ze nog een roekeloze verliefde vrouw die tot haar ontzetting alles in duigen ziet vallen. Maar door zich ‘te bekeren’ tot de echte liefde en Vassili na te reizen om zijn lot te delen, transformeert ze in een powerhouse dat Gléby overtuigend van repliek dient en de sympathie van haar medegevangenen weet te verwerven.
Sonya Yoncheva zingt “No! Se un pensier”:
Tenor Giorgi Sturua weert zich als Vassili uitstekend maar klinkt te dun om volledig te kunnen overtuigen. Hij heeft net iets teveel moeite met zijn partij.
Anders is het gesteld met bariton George Petean die een uitstekend zingende Gléby neerzet; gemaakt charmant en manipulatief in de eerste akte, rancuneus in de derde. Enge man, mooi gedaan. In de kleinere rollen vallen vooral Caterina Piva als een bezorgde Nikona en Giorgio Misseri als de onfortuinlijke Alexis op.
De voortreffelijke muzikale leiding van Gianandrea Noseda completeert het succes. Een echte aanwinst de opname.
The title, Weinberg 1945, refers to the year when all the compositions recorded on this CD were created. The first performance of the piano trio took place on 9 June 1947, by Weinberg himself and two members of the Beethoven Quartet: Dmitri Tsyganov (violin) and Sergei Shrinsky (cello).
To my knowledge, there are already at least nine performances of the trio, all good to excellent. Consider Gidon Kremer (the greatest advocate of Weinberg’s music, Yulianna Avdeeva and Giedré Dirvanauskaité (DG).
Or, my absolute favourite with Dmitry Sitkovetsky, David Geringas and Jascha Nemtsov (Hänssler).
In comparison, this performance feels a bit disappointing to me. Mainly because of the pianist: Stéphanie Salmin is too dominant and the sound of the piano drowns out the strings, but this is something that could also be due to the recording.
But the cello sonata and the Rhapsody on Moldavian themes (replace ‘Moldavian’ with ‘Jewish’, which was actually the intention) make up for everything. Here, the cellist (Romain Dhainaut) and Sadie Fields (violin) are given every chance to shine, and they certainly do! And Sadie Fields completely stole my heart in the Two songs without words, which get their first ever performance here. Indeed, until recently, these two beautiful miniatures were thought to have been lost.
Piano Trio op. 24, Cello Sonata No. 1 in C, op. 21, Two songs without words for violin and piano, Rhapsody on a Moldavian theme for violin and piano op. 47 no. 3 Trio Khnopff: Sadie Fields (violin), Stéphanie Salmin (piano), Romain Dhainaut (cello) Pavane ADW 7590
Incredible really how many great musicians there are in our small country! Pianists, violinists, cellists, singers, harpists…. You name it. And I’m not even talking about the chamber music ensembles. Alma Quartet, The Hague String Trio … all world-class. That also includes the Delta Piano Trio.
Pianist Vera Kooper, violinist Gerard Sponk and cellist Irene Enzlin met in Salzburg in 2013, where all three were students at the time. They clicked. They were on the same page and that not only musically, but also outside the concert stages and concert halls. Friends for life?
Origin is already the third CD they have recorded together, I missed the first two, but this one has been in my player for a few weeks . Well, on Spotify really, because it’s that easy. The title refers to the origin of the music from which the composers draw: unadulterated folklore as a guiding principle.
In Dvořák’s case, it is – more or less – obvious: Dvořák developed his own musical language through a love of folk music from which he then drew his inspiration. His ‘Dumky trio’ (just a digression: ‘dumky’ is a plural of the word ‘dumka’, which is then also a diminutive of ‘duma’, a wistful Slavic folk ballad) is the only work on the CD that has known any recognition. And even that is almost gone, because this work also is not performed that often these days.
Things become more painful when it comes to the other two composers and their works recorded on this CD. A real music lover will know the name of Frank Martin, but who knew that he also composed a Trio sur des mélodies populaires irlandaises? What did a Swiss living in the Netherlands have to do with Ireland? Oh well… does it really matter?
And then we come to Tigran Mansurian, arguably one of the most important Armenian composers. But even in his case, things are a bit complicated. He was born in 1939 in Beirut, Lebanon. His family moved to Armenia in 1947. He received his education in Yerevan. His Five Bagatelles have been recorded before and, as far as I am concerned, not often enough.
Delta Piano Trio: “Three composers, three different cultures and three different eras, but with one similarity: a search for musical origins”.
Is there anything I can add? Yes. Not only the music, but also the performance is at the highest level. Don’t let this gem pass you
Frank Martin: Trio sur des mélodies populaires irlandaises Tigran Mansurian: Five Bagatelles for piano trio Antonín Dvořák: Piano Trio No. 4 in E, op. op. (Dumky) Delta Piano Trio
Dit zelden gespeelde werk van Francesco Cilea stamt uit 1897, vijf jaar voor zijn grote hit Adriana Lecouvreur. Het libretto van Leopoldo Marenco is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Alphonse Daudet. Hoewel de plot draait om ‘het meisje uit Arles’ komt die nergens in de handeling voor. De hoofdpersoon Federico is verliefd op haar en is vastbesloten met haar te trouwen. Maar als er een concurrent opduikt in de persoon van Metifio loopt alles mis.
Deze is de geliefde van de Arlesienne en hij heeft twee brieven waaruit dit onomstotelijk blijkt. Ook de ouders van het meisje zijn op de hoogte maar hebben hem afgewezen toen bleek dat er een (beter) huwelijk met Federico in het verschiet lag.
Frederico is geschokt als hij de vrouw die hij adoreert van haar voetstuk ziet vallen. Al die tijd had ze kennelijk al een andere minnaar. Zijn moeder Rosa Mamai verbiedt hem om nog met ‘die meid’ te trouwen en probeert hem te koppelen aan Vivetta, een meisje uit de buurt dat al lang een oogje op hem heeft. Ze moet gewoon wat vrijer worden in de omgang, niet zo ingetogen met een hoog gesloten kraagje stilletjes rondsluipen. Dan kan ze vast wel Federico’s aandacht op zich vestigen.
Federico is ziek van jaloezie en maar accepteert na een aanvankelijke bruuske afwijzing Vivetta’s aanbod ‘om hem te genezen’, dit op aandringen van Mama Rosa die hem eronder door ziet gaan. Het komt zelfs tot een voorgenomen huwelijk maar als Metifio opnieuw opduikt om zijn brieven terug te vragen en achteloos vertelt dat hij van plan is zijn geliefde te ontvoeren staat alles weer op scherp. Federico heeft dit gesprek afgeluisterd en probeert Metifio te doden. De kemphanen worden gescheiden maar voor Federico is alles verloren. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord door uit een hoog raam te springen.
In september 2013 was dit werk te zien in Jesi, de geboorteplaats van Pergolesi die ik tot dan toe uitsluitend kende van de witte wijn met de aansprekende naam ‘Verdicchio dei castelli di Jesi’. De op Dynamic uitgebrachte opname laat een verrassend goede voorstelling zien: uitstekende zang en de enscenering van Rosetta Cucchi is heel behoorlijk, vooral de goede personenregie valt op. Het toneelbeeld is betrekkelijk eenvoudig, slechts het hoognodige wordt getoond. De kostumering sluit aan bij hoe men zich de bewoners van de Provence voorstelde eind 19e eeuw.
Federico’s moeder Rosa Mamai wordt vol overgave vertolkt door mezzo Annunziata Vestri. Op een gegeven moment gaat ze overstag en wil ze haar zoon toch maar met die onbetrouwbare feeks uit Arles laten trouwen omdat ze hem krankzinnig ziet worden. Alleen dat huwelijk kan hem redden. Maar Frederico weigert en besluit zich door het dorpsmeisje Vivetta dat al sinds hun kinderjaren verliefd op hem is, in een normaal bestaan te laten terugbrengen. Ze heeft veel liefde te geven en het is het proberen waard.
Sopraan Mariangela Sicilia geeft heel mooi gestalte aan het verlegen meisje dat voor de onmogelijke taak komt te staan om die wilde meid uit de grote stad uit Federico’s systeem te verdrijven. Mooi geacteerd en prima gezongen. Maar het succes is niet blijvend: zodra de horkerige Metifio opduikt komt alle woede en teleurstelling weer bij Federico naar boven.
Frederico is een rol die goed past in het veristisch karakter van het verhaal, hevige emoties van een plattelandsbewoner. Tenor Dmitry Golovnin maakt er iets moois van, hier en daar een tikje pathetisch maar hij blijft te allen tijde een ‘Werther met ballen’.
De Metifio van bariton Valeriu Caradja is donker, beetje een louche type. Als een soort verteller verbindt de oude schaapherder Baldassarre de delen van de tamelijk fragmentarische handeling, prachtig tot leven gebracht door Stefano Antonucci. Ook de kleinere bijrollen zijn adequaat bezet.
Het Orchestra Filarmonica Marchigiana staat onder leiding van Francesco Cilluffo.
Nóg een voorstelling in dit Holland Festival over de confrontatie tussen een gesloten gemeenschap en een mysterieuze indringer, na Angela en Metamorfose van een woonkamer. En eigenlijk was de hoofdpersoon, de ‘milieuactiviste’, in de festival-openingsvoorstelling Drive Your Plow Over the Bones of the Dead ook een buitenstaander. In de mythologie zijn indringers met een voor de omgeving al dan niet aangename missie zo oud als de wereld. Gilgamesh, Achnaten, een groot deel van de Bijbelse profeten, Siegfried.
Ook de Griekse tragedieschrijver Euripides voerde zo iemand ten tonele in De Bacchae. Het stuk gaat over de uiteindelijk zelfs fatale relatie tussen een Thebaanse koning, Pentheus, en zijn moeder, Agave.
Die komt op scherp te staan als een vreemdeling arriveert. Dat is Dionysos, de god van de religie en de mythe, van de wijn, lust en extase. Dat hij, door afstamming van Zeus god is, daarvan wil hij de wereld overtuigen, desnoods met harde hand. Ook Pentheus gelooft hem niet. Maar de burgers van Thebe wel, althans ze sluiten zich al snel aan bij Dionysos’ orgiastische cultus.
Daardoor raakt Pentheus het gezag over zijn bevolking kwijt. Als hij later toch overstag gaat, is het al te laat. Hij mengt zich in een tomeloze menigte feestenden in de bossen bij Thebe, waar hij in het feestgedruis wordt verscheurd, zijn moeder hem onthoofdt en het hoofd gespietst op een houten paal naar de stad brengt. Pas als de roes is uitgewerkt realiseert iedereen zich wat er is gebeurd.
Queerness was altijd al een onderdeel van Euripides’ heftige tekst. In de orgieën lopen ook bij Euripides de genderidentiteiten goed door elkaar. Het is misschien niet voor niks dat de (homoseksuele) Poolse componist Szymanowski zijn opera Król Roger baseerde op een vergelijkbare mythologie over een Bacchanten-achtige Christelijke cultus op Sicilië, waarin koning Rogier II van Sicilië ongeveer hetzelfde overkomt als Pentheus.
In deze The Bacchae door het Griekse ensemble ODC (Odyssey!) zien we een decor van witte doeken met daarop projecties van beelden uit de kosmos. Agave en de ziener Tiresias zitten aan tafel terwijl personeel bedient. Op zeker moment verschijnt een projectie van een komeet op het doek en er wordt aangekondigd dat dat Dionysos is die als komeet de aarde zou kunnen vernietigen.
Eerst arriveert Pentheus, een evenknie van een Apollobeeld, maar in hoge rode laklaarzen met naaldhakken. Het maakt hem nog rijziger, maar ook genderfluïder. Dan komt Dionysos binnen in menselijke gedaante. Net bij Euripides brengt hij een cultus met zich mee. In deze cultus kan iedereen ongeremd genieten. In deze nieuwe wereld zijn de sekseverschillen opgeheven. De mensheid is teruggekeerd naar een amoebe-stadium, van het uit de eerste evolutionaire fasen van het leven op aarde stammend organisme dat zich voortplant door zich op te delen.
Een ‘muzikale queer-versie van Euripides’ De Bacchanten, waarin íedere vorm van verlangen door god Dionysus wordt aangemoedigd,’ zeggen de makers. Maar Pentheus was toch al tamelijk genderfluïde? Bij Euripides verkleedde Pentheus zich al als vrouw, al is dat niet per se ‘queer’, zo lijken de makers te willen zeggen. Het probleem van Pentheus, zo horen we, is dat hij gevangen zit in conventionele opvattingen over identiteiten.
Maar nadat zijn hofhouding inclusief zijn moeder zich heeft overgegeven aan de nieuwe cultus, ziet hij geen andere uitweg dan de teugels te laten vieren. Hij wordt anaal gepenetreerd door Dionysos in hoogst eigen persoon, in een scène achter de schermen, met een camera gefilmd en levensgroot geprojecteerd op het scherm boven de deelnemers aan de feestdis. Maar net als bij Euripides moet hij zijn late overgave met de dood bekopen, en horen we dat ook hier Agave zijn hoofd gespietst naar de stad draagt.
Wat is de boodschap van dit alles? Dries Verhoeven beeldde om een voorbeeld te noemen een uit de hand lopende gedrogeerde orgie in al zijn ambivalentie toch echt trefzekerder uit in The NarcoSexuals. En is trouwens het leven der amoeben de ideale vorm van voortplanting?
De elektronische muziek van Ariah Lester, die ook Dionysos speelt, is in elk geval wel fraai. Hij heeft zowel in de laagte als in falsetregisters een mooie ijle stem. Iets tussen bijvoorbeeld de Britse electropop-musicus James Blake en Michel van der Aa. Een associatie waaraan de projecties van kosmische verschijnselen op de achtergrond bijdragen.
Anderen zingen ook verdienstelijk, al gaat meerstemming zingen wel goed fout in een Mozart-duet over verlangen. Misschien een kwestie van elkaar niet goed kunnen horen, maar we zijn in het Muziekgebouw en ook al is alles elektrisch versterkt ben je als zanger tegenwoordig zo afhankelijk van techniek dat er vals wordt gezongen als er even een monitorluidspreker niet goed staat afgesteld?
Misschien was het Muziekgebouw aan ’t IJ voor Metamorfose van een woonkamer en The Bacchae niet de ideale plek. Misschien zouden beide beter af zijn in een vlakkevloer-theater zoals Frascati. Maar in het Holland Festival van vorig jaar stonden The Whale en Kein Licht hier wel prachtig, voorstellingen met nog veel meer podiumtechniek, en twee van de mooiste voorstellingen van het jaar.
Elli Papakonstantinou: ‘Als regisseur volg ik de golven van tekst, livemuziek, videokunst en dans op zoek naar een nieuwe uitvoerende taal. Dit stuk ligt op het kruispunt van deze stromen: queer is een nieuwe esthetiek. Het is een popstuk met klassieke opera-uitbarstingen, een dansstuk met vastigheid in het hart een filmisch concert: het is een Griekse tragedie in de metaverse.’
Maar nee, net als bij Metamorfose van een woonkamer, waarover makers Toshiki Okada en Dai Fujikura in vergelijkbare termen spraken, moet ik concluderen dat goede bedoelingen niet genoeg zijn.
Jammer is dat dit mijn laatste voorstelling dit jaar in het Holland Festival was. Binnenkort hopelijk optimistische verslagen van het in National Arts Festival in Makhanda/Grahamstown, Zuid-Afrika
The Bacchae, gezien 11 juni 2023, door het ODC ensemble, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam Concept en regie Elli Papakonstantinou regie Elli Papakonstantinou muziek Ariah Lester performers Vasilis Boutsikos Georgios Iatrou Hara Kotsali Ariah Lester Lito Messini Aris Papadopoulos technische leiding Lambros Pigounis
Veni vidi vici. Plácido Domingo could rightly have said these famous words after Thursday night, 13 June 2013. The sold-out Ziggo Dome (yes, you read it correctly, the huge hall was filled to capacity!) went wild as if it were a pop concert. Rightly so. Although the maestro is no longer the youngest, his voice does not want to know anything about getting older.
The evening was full of surprises, which only added to the fun:
1. Despite the despairing reports in the newspapers, the hall was almost completely full.
2. There was no programme booklet. The names of the two guest sopranos were projected on the screen, and what were they singing?: the guessing contest was on
3. The Orkest der Lage Landen, an orchestra I had never heard of before, amazed me. Led by Walter Proost, they played the stars from the sky.
Already with the very first song, the overture of Der fliegende Holländer, I was on the edge of my seat. The Nabucco overture was more than compelling and the lighter genre (Leichte Kavallerie by Franz von Suppé) also involved the audience. Proost turned and conducted the audience, who clapped along with the orchestra.
4. I was highly surprised at how many people had actually dressed up! Sure, the obligatory jeans were more than represented, but I also noticed ladies in evening wear. Like it or not: it’s always mood-enhancing.
5. The repertoire. No one took it too lightly. We went from Wagner to Verdi and via operetta and zarzuela we ended up with some musicals. And all at top level!
6. It was a night out in a temple to the lighter muse, so we got something of a show to go with it. Lights, more lights, and beams of light; a veritable lightshow.
Is Domingo the world’s best tenor? For me, yes, especially when we’re talking about the last 30 years of the previous century and the first 10 of this one. Now that his high notes are failing, he has turned to baritone roles and he does so with his usual abandon and musicality.
No, he is not a baritone, his timbre is still that of a tenor, but he manages to be more convincing in this repertoire. Perhaps we should just conclude that he is the most musical of all the tenors? A phenomenon born only once every hundred years?
His Siegmund still stands like a house and the Verdi duets ( La Traviata and Il Trovatore, no easy fare for a baritone) proved not only his musicality, but also the humane side of the man and the artist Domingo. Every time his partner was ‘speaking’, he took a step back and let her shine in the spotlight.
After the break, it was time for some light(er) music. ‘Dein is mein ganzes herz’ was met with cheers from the audience right from the first bars and then the fun was unstoppable.
‘So muss allein ich bleiben’ from Die Fledermaus was just about the funniest I have ever heard. Up went the legs in a cheerful dance and the audience participated with gusto!
After the wonderfully beautiful ‘De España vengo’ (El niño Judío by Pablo Luna), sung by Angel Blue, and a duet from Luisa Fernanda, we arrived at ‘Amor, vida de mi vida’ (Maravilla by Moreno) via the delightful ‘Tarantula’ from La Tempranica. Here I had to shed a tear, but that didn’t last long, because then came the encores.
‘I could have danced all night’, ‘Besame mucho’ (hmm… I wouldn’t have anything against that), ‘Yes I can, no you can’t’ from Annie get your gun and, to conclude, the ‘If I loved you’ from Carousel, sung by all three soloists – I loved it.
The two young sopranos accompanying Domingo, Angel Blue and Micaëla Oeste, were a delight. My preference was for the very charismatic Blue. She managed to convince me not only in the lighter genre but also in ‘Dich, teure Halle’ from Tannhaüser.
Who is afraid of Ziggo Dome? I, at least, no longer am. The venue is indeed immense, but somehow it feels intimate and the acoustics are really very good. Of course the singers sang with a microphone – there is no other way – but strangely enough, it hardly bothered me at all. The sound came across very naturally
‘Om een nieuw soort muziektheater te ontwikkelen sla ik de handen ineen met Dai Fujikura, een flexibele en avontuurlijke componist. We kijken hoe ver we kunnen gaan.’ Aldus regisseur en librettist Toshiki Okada.
‘Ik heb tot nu toe drie opera’s geschreven maar dit is de eerste keer dat ik een muziektheaterstuk schrijf. Sterker nog ik weet niet eens of er al zoiets bestaat in de wereld.’ Dat schreef componist Dai Fujikura.
Dat is nogal wat. En als het resultaat op bescheiden manier een beetje die kant uit neigt, kunnen we zulke overmoed in taal vergeten. Maar met alle respect, wat we zagen bestaat al, en wel al heel lang. Ik zag matig bewegingstheater dat ongetwijfeld veel knappe lichaamscontrole zoals van Japanse vechtsporten vergt, gezien de ingewikkelde poses die de acteurs al sprekend innemen.
Maar het deed ook erg denken aan ‘experimenteel theater’ van de jaren tachtig. En afgezien van de instrumentale perfectie die het Weense muziekensemble Klangforum aan de dag legt, voegde de uit ijle klankblokken bestaande muziek ook niets nieuws toe. Echt, je kunt in alle programmaboeken en overige toelichtingen eindeloos schrijven dat deze samenwerking allemaal nieuw is, maar daar wordt het niet nieuwer van.
Net als in Angela van Susanne Kennedy, dat ik de dag ervoor zag, zien we in Metamorfose van een woonkamer een dysfunctioneel huishouden. Een soort familie leeft op een afgelegen plek. Een agressieve landeigenaar heeft andere plannen met de idyllische locatie, maar de familieleden denken op basis van hun huurcontract dat ze daar veilig zijn. Schijnveilig, blijkt.
Iemand heeft de voordeur open laten staan. Net als in Susanne Kennedy’s Angela (en in The Bacchae dat ik gisteren zag, recensie volgt) verschijnt er een mysterieuze indringer waarna alles steeds verder ontregeld raakt.
Het gegeven is al bijna zo oud als de wereld. Het is het gegeven waarmee Pinter wondertheater maakte en Susanne Kennedy deed dat ook. Hier is dat anders. Eerst boeit de vreemdeling, een faun met zwarte schubben, die vaal afsteken bij de nette burgerlijke kleding en interieur in de woning. Een ‘edele wilde’ maar getransformeerd naar een apocalyptische status? Best interessant, en ja, men koos niet voor overdonderende videobeelden zoals Susanne Kennedy die gebruikte.
De acteurs spreken hun tamelijk triviale teksten toonloos uit, wat misschien moet aantonen dat de personages niet goed beseffen wat op hen afkomt. Intussen maken ze daarbij steeds complexere, wellicht aan klassieke Japanse theatertechnieken of vechtsporten ontleende hoekige bewegingen. Maar het is allemaal ook wel gedoe en zeg gerust saai.
Minder introvert, maar toch ook naar saai neigend is de muziek. Klangforum speelt natuurlijk op hoog niveau, en Fujikuras ijle klankflarden klinken bij tijden evocatief. Maar het is niet genoeg.
‘Beetje bij beetje smelten de muziek en de scenische handelingen samen, waardoor een geheel nieuwe ervaring ontstaat,’ zeggen de makers. Als bedoeld is dat de musici meekijken met de handelingen van de acteurs en dat de acteurs af en toe vlak achter de musici komen bewegen klopt dat een beetje, maar een geheel nieuwe ervaring is dat niet.
‘I am already eagerly looking forward to seeing what kind of chemical reaction will occur in the performance with the actors and musicians,’ zei componist Dai Fujikura. Lievig, maar naïef. Je kunt je afvragen of de makers zelf voldoende besef hebben van de theatergeschiedenis. Denk eens aan Life with an Idiot van Alfred Schnittke met Ilya Kabakov, mensen!
Weer valt overigens op dat de belangstelling voor het Holland Festival op het oude niveaus is: zaal zit vol (wel een speciaal gebouwde tribune met minder zitplaatsen dan normaal in de grote zaal van het Muziekgebouw), op dezelfde avond stond Laurie Anderson in een uitverkocht Carré, de (fantastische) openingsvoorstelling in het Amsterdam Theater was ook tijdens de tweede avond uitverkocht en Exotica eergisteren ook al.
Zo achterhaald als donderdag de muziektheaterproductie Metamorfose van een woonkamer (recensie volgt nog) en zo gemakzuchtig als de dansvoorstelling Exotica de dag ervoor overkwamen, zo vernieuwend en inventief is Euphoria, de nieuwe video-installatie van Julien Rosefeldt. Het is zo’n kunstevenement of bijna ‘totaalervaring’ waarbij je je gezegend voelt om die te hebben meebeleefd.
In Rosefeldts vorige video-installatie Manifesto, die ook in het Holland Festival te zien was en later ook als bioscoopfilm werd uitgebracht, zagen we Cate Blanchett in allerlei metamorfosen. Als lerares in een gemengde school in een gegoede buurt in Londen, machineoperateur in een vuilverwerkingsbedrijf in Berlijn die iedere ochtend voor dag en dauw op moet, een dakloze in Berlijn.
Maar ook als een spreker bij een begrafenis binnen een deftige familie waarin we haar beroemde manifesten uit de kunstgeschiedenis en de sociale geschiedenis, van Marx via Malevich tot Marinetti, zien debiteren in de stijl van de dagelijkse werk- of woonomgeving van het personage.
Ze leest het manifest van Dada als begrafenistoespraak en als de lerares Jim Jarmusch Golden Rules of Filmmaking, Lars von Triers en Thomas Vinterbergs Dogme 95-verklaring en Werner Herzogs Minnesota Declaration (1999). Kijk maar eens hoe ze Tristan Tzara’s befaamde Dada-manifest uitspreekt alsof ze bij die begrafenis over de overledenen praat.
in Manifesto was alleen Blanchett aan het woord, nu past Rosefeldt een vergelijkbaar principe toe, waarbij hij teksten laat uitspreken alsof het spontane discussies betreft, met behulp van een groot aantal verschillende acteurs die de teksten uitspreken.
De teksten komen van (rap-ster) Cardi B tot Rutger Bregman, van Dostojewski tot Houellebecq (dat is niet eens zo ver), van T.S. Eliot tot Fanon, van Machiavelli tot Marx en tot Mann, en van Plato, Vespasianus, Shakespeare en Ayn Rand, en dat allemaal volkomen realistisch gefilmd.
Op een groot centraal scherm midden achterin in de hal zien we acteurs daklozen spelen die zich bij een open vuur en met behulp van slechte sterke drank warm proberen te houden in de winterse kou. Terwijl ze alsof ze het een onderlinge discussie betreft flarden tekst uitspreken wat klinkt als jaarverslagen van bedrijven en persoonlijke beslommeringen van CEOs die het financieel gemaakt hebben. Alsook citaten van ultra-liberale auteurs over het kapitalisme als motor van de publieke welvaart en de zegeningen van materiele hebzucht (Ayn Rand en Cardi B).
We zien vrouwelijke lopend band-werkers in een gigantische distributiehal van een Amazon-achtig bedrijf ook weer als het ware onderling discussiëren aan de hand van teksten over onderdrukking van vrouwen, moderne slavernij in een Westerse context en kolonialisme (Franz Fanon).
In een enorm vroeg-twintigste-eeuws bankgebouw (New York, Boston) spreken klanten en medewerkers de teksten uit over de werking van geld terwijl er steeds meer stapels bankbiljetten worden rond gesmeten en de acteurs zelf ook alle kanten opvliegen in de ruimte.
Er is één optimistische ‘De meeste mensen deugen’-scene met een groep jongeren die een samenscholingsplek hebben in een vervallen busstation en discussiëren over het natuurlijke goede in de mens (in letterlijke teksten van Bregman?).
Zijn het dakloze jongeren? Vermoedelijk niet, Rosefeldt laat ze nu heel netjes Engels spreken en de jongeren zien er goedverzorgd uit. Wel is op gegeven moment het drinkwater op. Maar aan het eind van de scene gaan ze ieder huns weegs, waarschijnlijk gewoon naar huis. De maatschappelijke betrokkenheid van deze als middenklasse ogende jongeren kost ze misschien ook niet zoveel, lijkt de scene te willen zeggen.
En er is de taxichauffeur (Giancarlo Esposito) die in nachtelijk New York een tegenover een zwijgende klant een aangrijpende monoloog van minstens twintig minuten ophoudt over de betekenis van liefde terwijl we in steeds duisterder delen van New York terechtkomen en we voorbij protestdemonstratie, straatgevechten en begrafenisstoeten rijden.
Het onderwerp is de vraag waarom kapitalisme zo aantrekkelijk blijft ondanks zijn verwoestende werking die we om ons heen zien, en de vraag of er oplossingen zijn. Dat is allemaal zware kost, maar net als in Manifesto krijgt alles dankzij de bijzondere manieren van vervreemding ook een lucide kant, vaak geestig en vaak ook ontroerend.
Cate Blanchetts stem is te horen als pratende en zingende tijger, die in een apocalyptisch beeld door de gigantische lege supermarkt loopt en af en toe snuffelt aan etenswaren die uit de eindeloze rijen schappen vallen.
De muziek is van de Canadese componist Samy Moussa, geschreven voor een koor van 140 kinderen en vijf percussionisten (waaronder de befaamde jazz-percussionist Peter Erskine). De kinderen zie je op een cirkel van rondom het publiek opgestelde videoschermen en de percussionisten op vijf grote daarboven gemonteerde aparte schermen.
Telkens tegen het einde van de afzonderlijke verhalen vallen of de kinderen of de percussionisten in en voeren om en om passages uit de muziek uit. Die is een zegening vergeleken met de (veelal Britse) steriele kitsch van veel tegenwoordige koormuziek. Terwijl de kinderen de prachtigste, vaak ook uitermate complexe harmonieën zingen.
Luister maar eens naar het begin van deze clip:
Euphoria staat opgesteld in een enorme hal van het Amsterdamse Markthallen-complex. De locatie is een waardig alternatief voor de gashouder op het Westergasterrein waar Manifesto werd vertoond. Grote delen van de rest van het complex zijn overigens al deels of geheel gesloopt, wat dan wel weer bijdraagt aan de sfeer van het kunstwerk. De locatiemanagers van het Holland Festival verdienen ook lof.
Het aantal bij Euphoria betrokken personen heeft Hollywoodse proporties. Bij de ingang van de hal hangen enorme lijsten van de medewerkers. Alsof we een recente blockbuster zijn gaan zien.
Nogmaals de trailer
Julian Rosefeldt zelf over Euphoria
Julian Rosefeldt over Manifesto
Manifesto in de bioscoopfilm-versie compleet. Cate Blanchetts lerares-scene begint bij 1:21:24
Ixchel Mendoza Hernández en het pluche ‘beertje’ ofwel poolvosje of poolhondje
Tijdens de voorstelling moest ik even denken aan de moedergiraffe in dierentuin Emmen die stierf tijdens de bevalling van haar jong. Het kalf was al dood doordat het verkeerd lag. Daarna stierf ook de moeder.
Geboorte, dood, liefde, verloren liefde, gebrek aan liefde, moeder en kind, daar gaat deze voorstelling over. Daar gaat veel kunst over. En toch is het goed te benoemen dat ook deze voorstelling daar bij uitstek over gaat.
Angela speelt zich af in een aanvankelijk somber betonnen interieur met achterin een strak-moderne open keuken. Zes personages. Aan het begin zien we de Angela uit de titel, een jonge vrouw, alleen, nors kijkend, zittend aan een tafel.
Op een matras in een hoek ligt een pluche speelgoeddiertje dat op een poolvosje of poolhondje lijkt, maar later door Angela’s moeder telkens bijna dwingend als beertje zal worden aangeduid, Angela’s speelgoedbeertje.
Een op het speelgoeddiertje gelijkend poolvosje of poolhondje zien we vervolgens op een videoscherm in een animatiefilm. Het kan spreken en richt zich tot het publiek. En zal samen met een later te verschijnen buitenaardse boodschapster rationeler blijken te zijn dan wat de mensenpersonages op het toneel vervolgens tegen elkaar zullen zeggen.
Een jongen komt een paar keer binnen, die blijkbaar haar vriend is. Maar hij komt ook geregeld binnen met een andere jonge vrouw die weinig affiniteit met Angela heeft, maar die af en toe wel haar afschuw uitspreekt over Angela. En er is Angela’s moeder die evenmin veel affectie tegenover Angela aan de dag legt, maar zich wel voortdurend met haar bemoeit.
Angela blijkt sinds haar jeugd een neurotische aandoening te hebben waarvan ze als influencer op Instagram of TikTok verslag doet. Ze lijkt via het telefoonscherm tegenover haar volgers meer affectie kwijt te kunnen dan in haar fysieke werkelijkheid en debiteert zelfs levenswijsheden die ze nauwelijks kan hebben opgepikt uit haar benauwende dagelijkse omgeving. Een hoogbegaafd geestelijk instabiel oud kind binnen een kluwen van verstikkende psychologische verhoudingen. En terwijl iedereen het over de ziekte van Angela heeft lijkt de moeder te willen bewijzen dat ze nog zieker is.
Langzamerhand begint het decor te veranderen. Een soort zijkamers aan de rechter- en linkerkant en de hele open keuken in het midden blijken haarscherpe filmprojecties te zijn die langzamerhand veranderen, eerst in andere interieurs, met kamerplanten en open haard, tot de haardblokken beginnen te zweven, en we sombere straten, via bosbranden en zonnevlammen zijn.
De benauwende omgeving uit het begin biedt uitzicht op een wijds maar evenzeer bedreigend heelal. We zien video-‘loops’, die bewust zichtbaar niet naadloos aan elkaar zijn gelast. Het ‘a strange loop’ uit de titel wordt op deze deze manier ook een klein beetje gereflecteerd in de techniek van de videomontage.
Zo weinig empathie als de personages onderling aan de dag leggen, zo weinig empathie lijken ze in hun norse onderlinge gedrag van ons, toeschouwers te vragen. Alleen wordt Angela op gegeven moment wel heel erg ziek, en baart ze, via haar mond, een baby. Waarmee de moeder meteen aan de haal gaat.
Dat Angela zich tegenover haar influencers wel kan uiten zoals tegenover niemand in haar echte omgeving kan een metafoor zijn voor kunstenaarschap. Maar zou de voorstelling ook een metafoor zijn voor de zwaarte – voor een moeder – van het echte fysieke baringsproces?
Bevallen is één van de ongeveer de ‘normaalste’ gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid (en natuurlijk van een groot deel van het dierenrijk in het algemeen). Tegelijkertijd is het ook telkens één van de bijzonderste gebeurtenissen, waarbij fysiek dingen komen kijken waarvan een niet-moeder en zeker een man zich nauwelijks een voorstelling kan maken. Hoeveel liefhebbende familieleden je ook om je heen zou hebben, en hoezeer de diep in de biologie verankerde moederlijke oer- -reflexen en -instincten het proces meestal vanzelf de goede kant op sturen.
De videobeelden van foetussen en baby’s tegen de achterwand geven ook aanleiding tot interpretaties in deze richting. En ja, de ‘normale’ geboortes zijn tegelijkertijd toch telkens weer een wonderbaarlijke ‘loop’. En in wat volgt op de geboorte, het opvoedingsproces, kan alles evengoed vanzelf goed gaan, maar het kan ook fout gaan, nog meer ‘strange loops’.
In de voorstelling kan hoop worden geput uit het resterende personage, de van buiten de aarde afkomstig lijkende boodschapster, gespeeld door violiste Diamanda La Berge Dramm. Ze oogt als een cherubijn, en met een soort babydoll aan ook op een grootformaat klein kind, en met haar viool ook op een Orpheus in kindje-Jezus gedaante, die de wereld mooier maakt met muziek, en die samen met het pratend poolvosje op het videoscherm een Messiaanse duiding weet te geven aan het alles wat wij zien.
‘Dit verhaal is gisteren gebeurd, maar ik weet dat het morgen is’, zeggen ze. Aan het begin van de voorstelling hadden we al een tekst in het toneelbeeld geprojecteerd gezien, alsof het geschilderd was: ‘Het nu volgende verhaal is echt.’ Maar voor het moment is het gelukkig ook maar even echt als de projectie. Niet meer. En ook niet minder.
Gezien 7 juni, ITA, Holland Festival.
concept Susanne Kennedy, Markus Selg tekst en regie Susanne Kennedy decor Markus Selg performers: Diamanda La Berge Dramm, Ixchel Mendoza Hernández, Kate Strong, Tarren Johnson Dominic Santia Soundtrack Diamanda La Berge Dramm, Richard Alexander live muziek Diamanda La Berge Dramm video design Rodrik Biersteker, Markus Selg