Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Meyerbeer’s Robert le Diable from Salerno is unimaginably good!

A little longer and Brilliant Classsics will become a true rival to Opera Rara. They snatch one unknown/unloved/forgotten opera after another from oblivion and their catalogue makes a sincere opera lover’s mouth water. Add to this many recordings of better, or well-known titles that have become classics but have long since disappeared from the market, and it should become clear: Brilliant Classics is a publisher to take seriously. Especially because its price tag is particularly friendly to consumers.

The difference with Opera Rara lies mainly in the very brief presentation at BC. And you don’t have to expect the first and/or complete score of a work with them either.

Meyerbeer’s Robert le Diable, recorded live in Salerno in March 2012, has therefore been updated. Some things have been cut, but what remains is three hours of unadulterated fun, in which you can take turns to horror, grief and love.

The very first performance after World War II – abridged and in Italian – was only in 1968, during Maggio Musicale Fiorentino. The magnificent cast (Merighi, Christoff, Scotto and Malagù) was under the direction of Nino Sanzogno and the live recording was released on a “bootleg”.

Bryan Hymel has pretty much become the face of French Grand Opera by now. After Berlioz’s Le Troyens, he has also included Robert in his repertoire, a role he also recently performed in London.

His firm but supple tenor, with its slightly nasal timbre, also sounds a bit French. Occasionally he reminds one a little of the young Domingo, but for now he lacks his power and, especially in the high part, he is sometimes inclined to ‘bleat’

About Patricia Ciofi I can be brief: phenomenal and breathtaking. With her “Robert, toi que j’aime”, she gives listeners goosebumps and tears in their eyes. Carmen Giannatasio (Alice) is not inferior to her. With a very sublime and movingly sung “Va, dit-elle”, she provides another highlight of the opera.

Alastair Miles is a good Bertram, though one can hear his best years are perhaps behind him; and Martial Defontaine is a very idiomatic Raimbout.

Daniel Oren clearly has “feeling” for the repertoire and is unconditionally committed to it.

Opera Fanatic: road movie with opera stars

In 2008, Arthaus Musik released an extraordinary, outstanding documentary: Opera Fanatic. The eccentric Stefan Zucker travelled through Italy to visit divas of yesteryear. Quite rightly, the film won awards.

“We live in an age of Barbie doll opera singers, who look good, move nicely, but lack charisma. What we need are singers with hair under the armpits!”

It is just one of the quirky sayings of Stefan Zucker, an opera fanatic of the first hour, and, by his own admission, the “highest tenor voice ever”. Whether it is true? I wouldn’t know, but his whispered voice sounds downright laughable. Could he possibly be eunuch, too?

He is also a very irritating little man in search of gossip and thrills, but thanks to him we get to visit the great divas of bygone times: Anita Cerquetti, Fedora Barbieri, Giulietta Simionato, Magda Olivero, Leyla Gencer, Marcella Pobbe …

Marcella Pobbe

Fedora Barbieri



Not all ladies are keen on talking to him or answering his impertinent questions (fair’s fair: I can really enjoy those anyway), but with a few grappas in them, they suddenly go wild. He seduces them into the most remarkable statements and we are treated to footage and sound clips of their performances.

The film was made by Jan Schmidt-Garre in 1999 and has since won quite a few awards at various film festivals. Rightly so. It has become a bit of a road movie, but with opera stars in the leading roles.

To my great shame and embarrassment, I must confess that it was the first time I had heard of Carla Gavazzi, but by now I have more than made up for this shortcoming.

Carla Gavazzi


What a voice, what a singer! And for me definitely the best Santuzza (Cavalleria Rusticana) ever.

Highly, highly recommended!!!!!!!!!!!

Opera Zuid brengt moderne versie van Mozarts Schauspieldirektor

Tekst: Peter Franken

Der Schauspieldirektor is een kort komisch Singspiel dat op 7 februari 1786 voor het eerst werd opgevoerd in de Orangerie van Paleis Schönbrunn. De gelegenheid was een lunch die keizer Joseph gaf voor 80 genodigden. Zodoende had het werkje van meet af aan het karakter van een stuk dat bestemd was voor tussen de schuifdeuren. Bij diezelfde gelegenheid had Salieri’s Prima la musica e poi le parole première, eveneens een korte eenakter. De keizer wilde meer aandacht voor het Duitse Singspiel genereren maar het publiek reageerde vooral ten faveure van Salieri’s Italiaanse creatie.

Der Schauspieldirektor bevat vijf stukken muziek: een ouverture, arietta, rondo, terzet en vaudeville; bij elkaar ongeveer 25 minuten. Het werkje leunt dan ook zwaar op de gesproken teksten en die waren duidelijk toegesneden op de toenmalige actualiteit. Het is dus voor elk gezelschap dat dit Singspiel vandaag de dag programmeert zaak om hier flink de stofkam doorheen te halen. Dat kan een pakkende eenakter van een uurtje opleveren. En net als bij de keizer thuis zou daar dan die Prima la musica van Salieri tegenover gezet kunnen worden voor een avondvullend programma. Waarschijnlijk werd dat te kostbaar want Opera Zuid heeft in plaats van voor die oplossing te kiezen het Singspiel naar eigen inzicht geactualiseerd en uitgebreid met nog eens ongeveer 20 minuten muziek uit andere Mozart opera’s.

Hiertoe is geput uit Cosi fan tutte, Le nozze di Figaro en Die Zauberflöte. Verder is er een tenoraria te horen die ik niet kon plaatsen. Tussendoor wordt het geheel aan elkaar gepraat in een format dat meerdere lagen heeft. Je kijkt aanvankelijk naar een auditie. Dat blijkt vervolgens een repetitie te zijn voor een stuk over een auditie.

Als het vervolgens pauze is en de spelers achter de coulissen zich vertreden en met elkaar praten vindt er opnieuw een onderbreking door de toneelregie plaats waaruit blijkt dat we kijken naar de repetitie van een voorstelling die gaat over een repetitie van een auditie voor een opera. Niet geheel onverwacht krijgen de spelers in dit ‘matroesjkadrama’ meerdere identiteiten en namen. Het is aardig bedacht maar wordt al gauw een theatraal handigheidje.

Tijdens de pauze in de repetitie voor een auditie probeert de tenor die Herr Vogelsang vertolkt om Mademoiselle Silberklang te versieren. Inmiddels zijn het acteurs in de tweede laag die spelen dat ze zichzelf spelen.

Goed beschouwd lukte dat alleen Kristina Bitenc die geheel naturel zat te praten zoals ik haar bij eerdere gelegenheden al wel eens heb gesproken. Voeg dit bij haar stimmliche Silberklang vertolking en je hebt de echte prima donna van de avond. Ik heb van haar genoten.

Madame Herz kwam voor rekening van Chelsea Bonagura die een geweldige entree had als de Roemeense sopraan Angela, door de Schauspieldirektor gemakshalve aangeduid als Madame Ceauscescu. Bonagura wist goed raad met haar door Madame Herz gezongen arietta ‘Da schlägt die Abschiedsstunde’. En in het Eifersuchtduet ‘Ich bin die erste Sängering’ met Bitenc dreven ze elkaar steeds verder de hoogte in. Hilarisch nummer, het muzikale hoogtepunt van het werkje.

De vocale bijdragen van Marc Pantus als Buff en Mitch Raemakers als Herr Vogelsang bleven hier wel wat bij achter. Ook het koppel dat het PaPaPaPa duetje mocht voorzingen kwam niet verder dan tijdvulling. En dat was een beetje de makke van deze productie: er moest teveel tijd worden gerekt om tot ongeveer anderhalf uur te komen. Het is dat men Thomas Allen had weten te strikken voor de titelrol, anders was het een moeizame avond geworden.

De bijna 80-jarige Allen is natuurlijk een fenomeen, een van de grote baritons van yesteryear. Het is eigenlijk treurig dat hij hier uitsluitend mag spreken en de scène waarin hij lamenteert over het feit dat hij niet kan zingen is onbedoeld schrijnend: goed beschouwd is hij geen (echte) zanger meer en nu dus aangewezen op acteren.

Terwijl het toneel steeds donkerder wordt komen Pantus, Bonagura en Bitenc hem troosten met een gevoelige trio: Fiordiligi en Dorabella die roerend afscheid nemen van hun lovers terwijl Don Alfonso schijnheilig meezingt. Het was het mooiste moment van de avond.

So far so good. Waar ik teveel moeite mee had was de kwaliteit van de gedebiteerde teksten en de wijze waarop die werden voorgedragen. Dat kwam helaas vaak niet verder dan het niveau van amateurtoneel. Als je wel eens kijkt naar comedy op tv, zelf ben ik fan van ‘The big bang theory’, dan valt op dat grappen meestal heel terloops worden gemaakt. Dus niet minutenlang uitmelken, als iemand het heeft gemist heeft hij pech gehad.

Een goed voorbeeld van hoe het in mijn beleving niet moet is de grap die wordt gemaakt over een controversiële Lohengrin regie in Salzburg. Die in een wasserette, ja met 200 wasmachines, het was geweldig. Als oneliner is dat zeer geslaagd, als onderdeel van een tenen krommende scène over dat vermaledijde regietheater is het niet meer dan ongemakkelijke tijdvulling. En dat is naar mijn smaak teveel het geval in deze Schauspieldirektor.

In de bak zat de Phiharmoniezuid. Enrico Delamboye had de muzikale leiding.
Op zich wel een aardige voorstelling maar er had meer ingezeten.

Behind the scenes:

Christopher Gillett vertelt over Der Schauspieldirektor – Opera Zuid

trailer:

https://vimeo.com/884122026/0d1ced240f?share=copy

Fotomateriaal: © Joost Milde, Opera Zuid

How Talitha was raised from the dead

In the late nineteenth century, Ermanno Wolf-Ferrari fell under the spell of church music composer Don Lorenzo Perosi, with whom he also became friends. It was also under Perosi’s influence that Wolf-Ferrari composed his cantata Talitha Kumi and the choral work La passione.

The latter, which was based on ancient Italian folk poetry, Wolf-Ferrari also dedicated to his friend. The beautiful youthful work ‘Otto cori’ also betrays the composer’s great love for Renaissance music.

Talitha Kumi!” means “Get up!” in Aramaic. It is a quote from the Gospel of Mark which tells the story of Talitha, the daughter of Jairus. She is dying and in his despair – and hope for a miracle – Jair goes to seek help from Jesus. When Jesus reaches the house of Jairus, the girl is already dead, yet he manages to raise her from the dead.

Resurrection of the daughter of Jairus, by Victor-Oscar Guétin, 1902.

It is the evangelist who carries the story of the work: tenor Rainer Trost sings his text very impressively and manages to keep the listener glued to his every word. Jairus and Jesus have relatively little to do, but both roles are excellently performed here by baritone Joan Martín-Royo. The choir and orchestra have no more than a contemplative role. Call it a ‘colour-wash’ background.

Lohengrin vol mystiek en fel realisme

Tekst: Neil van der Linden

Dat de Wagner-vuurdoop van dirigent Lorenzo Viotti zo succesvol zou verlopen hoefde op zichzelf geen verrassing te zien als je bedenkt hoe hij eerder met name de misschien nog veel complexere en in veel opzichten bijna net zo Wagneriaanse partituur van Der Rosenkavalier in de vingers kreeg. De vraag restte nog of hij grip zou krijgen op de mystiek van Lohengrin. Daar heeft hij zich met volle overgave op gestort, met een geweldige resultaat tot gevolg. Ik vond dat dat hij de piano passages juist er mooi deed en de zang altijd de ruimte gaf, n pas op forte en meer overging als de spanningsbogen daarom vroegen.

Hierin wordt hij in niet geringe mate bijgestaan door regisseur Christof Loy en decorontwerper Philipp Fürhofer. We zien in vage blauw, grijs en zwart tinten een grote onbestemde ruimte die een middeleeuwse Brabantse burchthal, maar ook een kathedraal of een overdekt plein kunnen zijn, en ook een verlaten filmstudio of fabriekshal.

In deze ruimte zien we een indrukwekkende mise-en-scene van het koor, dat zo’n groot aandeel heeft in deze opera, en dat bij regisseur Cristof Loy ook geregeld in beeld komt als het niet zingt. Bijvoorbeeld in een magistrale videomontage tijdens het (al even magistraal door dirigent en orkest uitgevoerde) voorspel, als we de leden van het koor en een groep dansers/mimers boven het podium geprojecteerd zien.

Iedereen in de video staart omhoog naar iets in de verte, boven achter ons in het publiek, en loopt langzaam een voor een van achter het podium naar voren, totdat we tegelijkertijd opeens in de hele breedte het koor zelf in levenden lijve vooraan op het podium zien staan, ook starend naar dat visioen ergens boven achter ons. Het lijkt inderdaad wel of er een verlosser wordt verwacht.

Dat koor levert vervolgens tijdens de hele opera fenomenale prestaties. Het moet mede aan het instudeerwerk van koordirigent Edward Ananian-Cooper maar ook aan de directie van Lorenzo Viotti liggen dat het koor het ene moment zo zoetgevooisd harmonieus als in een Schubert-koorstuk en Mendelssohn-oratorium kan klinken, en het andere moment de gigantische dissonanten produceert die er als huiveringwekkende donderslagen uitkomen wanneer het volk onthutst de handelingen van de protagonisten. Ergens in een complexe passage in de tweede akte liepen koor en dirigent even niet helemaal in de pas, maar in nog complexere passages verspreid over de hele opera stak alles messcherp in elkaar.

Misschien is het louter toeval dat de verlosser waarop wordt gewacht, Lohengrin, een beetje op – politicus – Pieter Omtzigt lijkt. Beetje hetzelfde haar, dezelfde kleren, bewust een beetje flets. Strikt genomen doet ook Lohengrin niet zoveel meer dan één keer een stevige ingreep in het politieke bestel plegen, daarbij zich vaag beroepend op Gods assistentie en stipulerend dat er niet naar nadere details over zijn afkomst en plannen mag worden gevraagd. Een interessante keuze. Op zijn gedistingeerdst lijkt hij op een jonge telg uit een oud Duits hertogelijk geslacht, maar van het soort dat tegenwoordig meer in de bancaire wereld zit.

Maar ja, wat is dat dan ook voor gewichtigdoenerij, dat hij zijn naam niet mag vertellen, en dat hij bovendien niet bij aankomst al laat weten dat Elsa’s broer Gottfried, van wiens dood zij wordt beschuldigd is, in leven is, in dat Gottfried de zwaan waarmee hij rondreist. Maar goed, dat wil dit sprookje, of mythe, over onvoorwaardelijke trouw.

Titelrol-vertolker Daniel Behle kwam overtuigend over, al was ik vocaal niet helemaal geporteerd van de falsetstem die hij inzette bij de hogere lyrische passages. Dat hoorde ik hem niet doen in Die Königskinder vorig jaar, al zitten daar misschien minder van die hoge zachte passages in. Als hij kracht bij mocht zetten ging alles weer goed. En gelukkig hoeft het niet altijd Klaus Florian Vogt in deze rol te zijn.

Malin Byströms Elsa kwam aanvankelijk wat ouwelijk over, door uiterlijk en het lage timbre. Ze kwam toch echt wel over als rond de 30 in plaats van het vigerende idee dat zij en haar verdwenen broer maximaal net jong-adolescenten-af zijn. Maar hoe het ook zij, al snel overtuigt ze toch en maakt ze het bovendien aannemelijk dat haar Elsa ook zonder de intriges van Ortrud heel wijze, maar dus fatale vragen over de achtergronden van haar aanstaande echtgenoot stelt. En ik vind haar Leonie Rysanek-achtige timbre fraai; dat vond ik ook al in de Tosca die ze hier recentelijk zong.

Dat Martina Serafin (Ortrud) ook Brünnhilde heeft gezongen is duidelijk. Ze heeft een sterke, zo niet dominante, zij het dus malicieuze aanwezigheid op het toneel. Ze kan vocaal met alle nuances in haar muziek en tekst omgaan en is op veel momenten eerder een bijna menselijk-tragisch dan een kwaadaardig personage. Toch schrik je als aan het eind, als verder bijna elke protagonist dood is, Ortrud alleen overblijft met de jonge Gottfried, in deze enscenering een engelachtig jongetje van niet ouder dan tien jaar.

Anders dan meestal, en ongeveer voorgeschreven, zijgt Lohengrin aan het eind in verbijstering neer, en Ortrud blijft alleen over met het kind temidden van een inmiddels apathische koning Heinrich en de massa, die in het slotbeeld op dezelfde manier als tijdens het openingsbeeld naar voren loopt, starend naar iets in de verte achter boven ons, misschien op zoek naar een volgende verlosser. Het beeld met het koor over de hele breedte van het voortoneel doet ook denken aan het slottafereel uit Christof Loys enscenering van Mussorgski’s Khovanshchina, ook een opera waarin een goedgelovig volk op zoek gaat naar verlossers.

Thomas Johannes Mayer gaf als Friedrich von Telramund diens echtgenote Ortrude waardig repliek. Vocaal is hij niet helemaal de Wotan meer die hij was in de DNO-Ring uit 2012, 2013 en 2014, maar dramatisch stond hij er nog helemaal en vervolgde hij zijn recente succes als Dreieinigkeitsmoses in Mahagonnydit jaar. Vocaal gaf hij de nuances in de rol imposant weer, van moedige en loyale ridder, bedrogen echtgenoot en wraakzuchtige dissident.

Koning Heinrich heeft dramatisch veel minder nuances in zijn rol. Anthony Robin Schneider zong eerst wat gruizig, waarbij zijn niet helemaal perfecte Duits ook te horen was, maar hij herpakte zich al snel.
Nog minder diepte zit er in de rol van de Heerrufer, maar voor wat die is werd die in elk geval prima vertolkt door Björn Bürger. Regisseur Loy gaf hem in de derde akte nog een stille rol als een soort waarnemer die schrikt van wat hij allemaal ziet gebeuren, en bijna geneigd lijkt in te grijpen. Hoe anders dan de intussen machteloos toekijkende massa, in de vorm van het koor, die in de tekst wel commentaar heeft maar intussen niets doet, wat op deze manier door regisseur Loy extra werd geaccentueerd.

Sterk was daarbij de inzet van de groep toegevoegde dansers/mimers, waarmee Loy de mise-en-scene van het koor uitlijnt en daarmee de emoties van de massa uitvergroot. Hij gebruikt deze dansers/mimers ook fraai om er de door de zwaan voortgetrokken boot mee uit te beelden, in dit geval een zwart gevederde zwaan.

De aankleding is ‘neutraal-grijzig eigentijds’, zo ongeveer volgens de esthetiek van Duitslan eind jaren vijftig/begin jaren zestig. Dat was de tijd die direct of indirect een stempel moet hebben gedrukt op de tijd waarin Loy en decorontwerper/beeldend kunstenaar Philipp Fürhofer opgroeiden.

De menigte, de massa, heeft hier en daar kleur in de kleding, maar de Heerrufer, Ortrud en Telramund gaan in de eerste akte in een uitdrukkelijk saai en muizig lichtgrijs, koning Heinrich in stemmig donkergrijs, Elsa in het zwart nadat ze de beige regenjas waarin ze opkomt heeft uitgetrokken en haar Sophia Loren-hoofddoek en zonnebril heeft afgedaan, en Lohengrin draagt bankmedewerkers-zwart en wit.

Maar dat verandert nog wel, Ortrud kleed zich vanaf de tweede acte in kobaltblauw, Lohengrin heeft een gedistingeerd blauw pak aan en Elsa draagt in het begin van de tweede akte felrood, gevolgd door haar trouwjurk, met een fraaie meterslange sleep, die nadat bij haar de eerste twijfels over haar toekomstige partner zijn gerezen op het toneel achterblijft, als in dit geval een witte zwaan, een wolk van witte tule waarin Elsa in de derde akte uiteindelijk bijna lijkt te verdrinken.

In elementen als deze sleep, die op sommige momenten podiumbreed achterblijft, het optimale gebruik van alle hoeken van het toneel door het koor, het licht, een oplichtend achtertoneel met een winterlandschap als de zwaan verschijnt en de manier waarop de hal op het toneel het podium vult dat deze productie zich ook onderschrijft.

Nee, het immense podium van het Muziektheater vullen hoeft niet per se met tientallen solisten, koorzangers en dansers/mimers op het toneel, zoals de ook weergaloze kameropera Denis & Katya van Philip Venables en Ted Huffmann met alleen maar Inna Demenkova en Michael Wilmering op het toneel liet zien. Maar bij regisseur Loy en zijn decorontwerper Fürhofer lukt dat ook in het groot, het uitgekiend gebruik van elementen, zoals die bijna podiumbrede sleep, die op zeker moment achterblijft, en het optimale gebruik van alle hoeken van het toneel in de mise-en-scene van het koor, en bijvoorbeeld het indringende oplichtende winterlandschap dat achter het toneel zichtbaar wordt op de momenten dat de zwaan verschijnt.

Door dirigent, kwaliteit van solisten, de bijna volmaakte inzet van het koor en het orkest was de klankschoonheid van het geheel zoals zelden gehoord, van het niveau van die eerder genoemde Rosenkavalier waarvan ik het genoegen had de eerste en de laatste uitvoering bij te wonen, waarbij bleek hoezeer Viotti en orkest toen nog verder was gegroeid waren in de partituur. Dus dat zou hier ook nog kunnen gebeuren, al is dat niet eens goed voor te stellen.

Grapje: als Elsa in de tweede akte naar de kerk gaat in de bruiloftsprocessie, klinkt uit de kerk een orgel. Op het toneel staat achterin een gigantisch orgel (van de esthetiek van naoorlogs gebouwde kerken trouwens). En wie zien we daar op het toneel het kerkorgel bespelen? Telramund!

Trailer van de productie:



Dirigent  Lorenzo Viotti
Regie Christof Loy 
Toneelbeeld  Philipp Fürhofer

Lohengrin:  Daniel Behle
Elsa von Brabant:  Malin Byströ
Friedrich von Telramund:  Thomas Johannes Mayer
Ortrud:  Martina Serafin
Heinrich der Vogler:  Anthony Robin Schneider
Heerrufer: Björn Bürger

Foto’s Marco Borggreve

Zeer geslaagde Siberia uit Bregenz uitgebracht op Bluray

Tekst: Peter Franken

Het succes van Fedora uit 1898 met zijn Russische verhaallijn bracht Giordano ertoe opnieuw een werk in die setting te schrijven. Dat werd Siberia op een libretto van Luigi Illica. De opera had in 1903 première in La Scala en was gedurende een tiental jaren redelijk succesvol. Daarna raakte het werk in de vergetelheid. In 2022 stond er een nieuwe productie van Siberia op het programma in Bregenz. De regie was in handen van Vasily Barkhatov en een opname van de première is door Unitel uitgebracht op Bluray.

Schijnexecutie van de Petrasjevtsy, illustratie uit ‘Dostojevski’, Leonid Grossman (1963)

De handeling speelt zich grotendeels af in een strafkamp in Siberië en haalt zijn inspiratie uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, vooral bekend van Janaceks opera. De eerste akte is feitelijk een theatraal vehikel dat ten doel heeft de protagonisten vanuit Sint Petersburg in Siberië te krijgen. Giordano maakte het zijn librettist Illica volstrekt duidelijk. Hij wilde geen historische opera met aandacht voor ‘actuele zaken’ als Socialisme, Nihilisme en Antiklerikalisme maar gewone romantiek: een vrouw tussen twee mannen. Het strafkamp was niet meer dan de hardvochtige sociale omgeving waarin de heldin ten onder zou gaan, zoals Violetta in de ‘woestijn die Parijs werd genoemd’.

Het draait om Stephana, een vrouw die als jong meisje is ontdekt door Gléby die haar eerste minnaar werd en haar vervolgens omvormde tot een verdienmodel. Dat heeft succes gehad, ze woont in een huis dat haar geschonken is door Vorst Alexis; vele welgestelde minnaars zijn hem voorgegaan. Maar Stephana gaat incognito de stad in en de jonge officier Vassili wordt op slag verliefd op dit onschuldige meisje dat de kost verdient met borduurwerk. Als hij toevallig in Stephana’s huis komt om zijn peetmoeder te begroeten loopt alles mis. Deze Nikona is in dienst van Stephana en door een ongelukkig toeval bevinden zich ook Gléby, Alexis en zijn gevolg aldaar. Vassili doodt Alexis, wordt veroordeeld en Stephana reist hem na als ‘vrijwillig gedetineerde’.

Als Gléby ook in dat kamp opduikt zijn de rapen gaar. Hij wil zijn vroegere protégée meenemen, kent een ontsnappingsroute. Als ze weigert maakt hij ten overstaan van de gevangenen alles bekend over haar verleden als courtisane, tot verbijstering van Vassili. Ze geeft echter geen krimp, beschuldigt hem op zijn beurt van bedrog en uitbuiting. Als ze met Vassili wil ontsnappen via de route die Gléby heeft aangegeven, slaat deze alarm. Stephana wordt neergeschoten en sterft in de armen van haar geliefde.

Barkhatov maakt geen gebruik van live videobeelden, bless him. Maar helemaal zonder filmbeelden bleek toch een brug te ver in een hedendaagse productie. Het verhaal wordt omlijst door een raamvertelling waarin een oude vrouw begin jaren ’90 op zoek gaat naar het verleden van haar familie. Ze reist van Petersburg naar Siberië en als ze de plek heeft gevonden waar ooit het strafkamp stond waar haar ouders zijn omgekomen, strooit ze daar de as uit van haar overleden broer. Die urn heeft ze de hele tijd in haar arm geklemd, ze laat hem geen moment uit het oog. De plek in kwestie is nu een eenvoudige kinderspeelplaats tussen typische ‘oostblok’ woonflats. Het lijkt een verwijzing naar de situatie is Berlijn waar zich een kinderspeelplaats bevindt boven de  vroegere Führerbunker, omringd door DDR Plattenbau. 

Het decor van de eerste akte wordt met schuifwanden en andere kleine aanpassingen geschikt gemaakt voor de twee volgende. Om die raamvertelling een plek in het geheel te geven speelt akte 2 zich niet af op een treinstation maar in een archief. De oude vrouw mag daar op zoek gaan naar haar familie. Om het niet moeilijker te maken dan strikt noodzakelijk krijgt ze en passant de tekst van ‘la fanciulla’ te zingen, een meisje dat in het vervolg van het verhaal geen rol meer speelt. De kostumering is een beetje onbestemd maar uit de film kunnen we afleiden dat die vrouw een jaar of tachtig is. Barkhatov laat haar geboren worden in het strafkamp evenals een wat ouder broertje. Daarmee situeert hij de handeling in de nadagen van het tsaristische Rusland.

Dat Stephana haar Vassili louter en alleen uit liefde nareist om het leven in een strafkamp met hem te delen wordt door Barkhatov met een korreltje zout genomen. Hij toont haar hoogzwanger op dat treinstation ergens in Siberië waar ze een kapitein geld geeft in ruil voor informatie over Vassili’s eindbestemming. Ze heeft haar rijke leven vaarwel gezegd en ‘alles’ aan de armen gegeven maar voldoende contant geld meegenomen om te kunnen overleven.

Het kampleven wordt treffend weergegeven maar geweldsexcessen blijven nadrukkelijk achterwege, het moest immers een romantische opera zijn? De muziek is heel herkenbaar voor de luisteraar die bekend is met Chénier en Fedora. Een beklijvende hit ontbreekt maar het werk kent meerdere fraaie monologen en duetten. In de tweede en derde akte wordt veelvuldig geciteerd uit het lied van de Volgaslepers, een Russische traditional.

De Canadese sopraan Ambur Braid geeft schitterend gestalte aan de gedoemde heldin die zoals zo vaak haar verleden niet kan ontlopen. Ze acteert zeer geloofwaardig en haar zang is van begin tot eind op hoog niveau. In de eerste akte is ze nog een roekeloze verliefde vrouw die tot haar ontzetting alles in duigen ziet vallen. Maar door zich ‘te bekeren’ tot de echte liefde en Vassili na te reizen om zijn lot te delen, transformeert ze in een powerhouse dat Gléby overtuigend van repliek dient en de sympathie van haar medegevangenen weet te verwerven.

Tenor Alexander Mikhailov zet een solide Vassili neer, uitstekend gecast door Barkhatov die hem kort daarna ook een rol gaf in zijn productie van Charodéyka in Frankfurt. In die opera zong hij Prins Yuri die het enige liefdesduet van het werk voor zijn rekening neemt. Weliswaar met zijn moeder, maar toch. In Siberia is hij een goed acterende lover die na een kort moment van ontzetting de situatie toch weer weet te accepteren, zowel in de confrontatie met Prins Alexis als met Gléby.

De Gléby van Scott Hendricks is gemaakt charmant en manipulatief in de eerste akte, rancuneus in de derde. Enge man, mooi gedaan. In de kleinere rollen vallen vooral Frederika Brillembourg als een bezorgde Nikona en Omer Kobiljak als de onfortuinlijke Alexis op. De rol van de oude vrouw die ook nog even zingt komt voor rekening van Clarry Bartha.

De muzikale leiding van Valentin Uryupin completeert het succes. Hij dirigeert de Wiener Symphoniker en het Praags Philharmonisch Koor. Een echte aanwinst de opname.

Trailer van de productie:

https://www.youtube.com/watch?v=NmLIPo3DvYQ

Fotomateriial : © Karl Forstner/ Bregenzer Festspiele

Il Proscritto:  Opera Rara brengt een fantastische nieuwe Mercadante

Tekst: Lennaert van Anken

Saverio Mercadante (1795 – 1870) is helaas niet voor iedereen een gangbare naam in de operawereld. Deze Italiaan was na Rossini, Bellini en Donizetti de belangrijkste operacomponist in de periode voordat Verdi de theaters binnendrong. In zijn lange bestaan schreef hij in totaal circa 50 opera’s, waarvan het merendeel viel in de tijdsspanne van 1820 tot 1850. In deze periode ontwikkelde de Italiaanse opera in een rap tempo. Rossini was in 1820 nog regerend operacomponist, terwijl Verdi in 1850 werkte aan zijn Rigoletto. Met name in de jaren 1840 tot 1850 was Mercadante de meest toonaangevende componist in Italë. Rossini had na zijn Guillaume Tell in 1829 zijn opera carrière aan de wilgen gehangen. Bellini was in 1835 vroegtijdig overleden en Donizetti was rond 1845 te veel door syfilis geveld, waardoor hij geen invloed meer had.

De werken van Mercadante zijn helaas redelijk snel van het podium verdwenen door met name de populariteit van Verdi die immens populair was na het succes in 1842 van zijn Nabucco. Vanaf de jaren 1850 was de populariteit van Verdi zo groot, dat Mercadante ook steeds minder in staat was opera’s aan zijn palmares toe te voegen. Zijn belangrijkste bijdrage volgde direct na zijn Parijse avontuur: op uitnodiging van Rossini debuteerde de componist met de opera I Briganti in het Teatre Italien. Hoewel geen echt succes, ondanks een sterrencast bij de wereldpremière, was het bezoek aan Parijs wel van onderscheidend belang, want aldaar maakte Mercadante kennis met Les Huguenots van Meyerbeer die in dezelfde periode zijn wereldpremière beleefde. Deze opera inspireerde Mercadante, waarna hij zijn grootste succes behaalde met zijn opera Il Giuramento, tot vandaag de dag zijn meest bekende, meest gespeelde en meest opgenomen opera.

Het prachtige platenlabel Opera Rara zet zich al jaren in om onbekende opera’s uit met name de belcanto periode weer nieuw leven in te blazen. Zo verschenen bij dit label van Mercadante reeds opnames van Maria Stuarda, Zaira en I Normanni a Parigi (highlights), Emma d’Antiochia, Orazi e Curiazi en Virginia (compleet). Allemaal zeer gewenste uitgaves die een beter beeld van de veelzijdigheid van de componist hebben gegeven. Onlangs voegde ze een opname van de opera Il Proscritto toe aan de catalogus. De opera, op een libretto van Salvadore Cammarano (bekend van o.a. Lucia di Lammermoor, Il Trovatore en Roberto Devereux), ging op 4 januari 1842 in Naples in wereldpremière. Één van zijn latere werken.

https://opera-rara.com/donor-portal-il-proscritto

Het verhaal van de opera is wat melodramatisch en leent zich niet echt goed voor een geënsceneerde uitvoering. De opera speelt zich af in het midden van de 17de eeuw in Schotland, tijdens de regeling van Oliver Cromwell en handelt over Malvina Douglas, de dochter van Anna Ruthven. Malvina was getrouwd met Giorgio Argyll, maar men denkt dat hij is omgekomen bij een schipbreuk. Anna en haar zoon Guglielmo hebben Malvina overgehaald om een nieuw huwelijk aan te gaan met Arturo Murray, een aanhanger van Cromwell (dat in tegenstelling tot haar vermeend overleden echtgenoot). De opera vangt aan op de dag dat het nieuwe huwelijk plaats zal vinden.

Uiteraard treedt haar voormalige echtgenoot, Giorgio, ten tonele voordat het huwelijk zal voltrekken. Enkel Malvina herkent hem, waardoor er algehele constellatie ontstaat. Malvina, zich inmiddels voorbereidend op haar nieuwe huwelijk, was langzaam reeds gewend geraakt aan het idee te hertrouwen. Giorgio erkent aan Arturo dat hij ook verliefd is op Malvina, waarmee de heren officiële rivalen van elkaar zijn in het verdere verloop van de opera. Giorgio smeedt het plan om met Malvina te vluchten, maar op het moment dat twee echtlieden willen vertrekken, worden ze betrapt, waarna Giorgio zijn ware identiteit uit de doeken doet. Malvina, overmand van wisselende emoties, omdat ze inmiddels ook houdt van Arturo, besluit omdat ze geen uitweg meer zit vergif in te nemen, waarmee de opera eindigt.

Ondanks dat de opera wellicht niet echt interessant is om op de bühne te brengen, is de nieuwe cd opname toch een niet te versmaden aanwinst. De muziek is Mercadante op zijn best. Grootse ensembles, fonkelende duetten, Indrukwekkende aria’s, het ene hoogtepunt na het andere passeert de revue.

Opera Rara heeft ook voor deze uitgave een uitstekende bezetting weten te verzamelen. De rivaliserende tenoren zijn dat niet alleen in het verhaal, maar ook zeker in hun zang. De inmiddels 63-jarige Ramón Vargas, die de rol van Giorgio zingt, heeft zijn mooie lyrische tenor goed in takt weten te houden. Hij klinkt nog precies gelijk als dertig jaar geleden. Erg knap. Hij klinkt zo jeugdig en fris als zijn 30-jarige rivaal, de tenor Iván Ayón-Rivas, die de rol van Arturo voor zijn rekening neemt. Hun duet is dan ook verzekerd van een fonkelend succes.

Carlo Rizzi met Ramón Vargas and Iván Ayón-Rivas. Photograph: Russell Duncan

Maar ook de vrouwenrollen zijn uitstekend bezet. Elizabeth DeShong zet met haar kruidige alt-stem een prachtige Odoardo neer. De cabaletta van haar aria in de tweede akte is een van de hoogtepunten. Maar ook Irene Roberts is niet te versmaden als Malvina. Jammer dat zij geen echte grote solo heeft te zingen. Hetzelfde geldt voor de uitstekende Sally Matthews, die regelmatig wonderen verricht in Brussel. Hier heeft ze de bescheiden rol van de moeder Anna Ruthven.

Het orkest (Britten Sinfonia) en het uitstekend zingende Opera Rara koor staat onder de bezielende begeleiding van Carlo Rizzi, die in Amsterdam natuurlijk een graag geziene gast was. Het is jammer dat hij niet meer in de picture lijkt bij DNO.

Teaser:  

meer Mercadante:

Il Giuramento: een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren

Wereldpremière van Mercadante’s Francesca da Rimini

Didone Abbandonata als muzikale kennismaking met Mercadante

Hans Werner Henze: aesthetic-theatrical do-gooder in three operas and a biography

Curious man, that Henze. Once flirting with communism and dreaming of a world revolution, he was also an aesthete and an erudite which – in part – made him decide to bid farewell to Germany and move to Italy in 1953.

His music has always been highly theatrical: he never liked the strict rules of serialism and felt a close connection with opera, which, unlike the hardliners of the avant-garde at the time, he had never labelled as obsolete. His discography therefore lists more than 20 musical theatre works, performed with great regularity.

DIE BASSARIDEN

Die Bassariden is among Henze’s finest and most important compositions. The English Language libretto, after ‘The Bacchantes’ by Eurypides, was written by W.H.Auden (does anyone remember the ‘Funeral Blues’ from Four Weddings and a Funeral?) and Charles Kallman.

It became a massive, through-composed score, anchored in the Wagnerian tradition (it is whispered that the librettists insisted that Henze, before turning to composing, study the ‘Götterdammerung’) and constructed as a four-movement symphony with voices.

The story of King Pentheus, who, by wanting to banish all sensuality, comes into conflict with Dionysus and his adepts and is ultimately torn apart by his own mother, serves as a metaphor for the conflict between Eros and Ratio.

The opera premiered (in the German translation) at the Salzburg Festival in August 1966. It became a huge success, even prompting one of the reviewers to cry that Richard Strauss had finally got a successor. Henze laughingly and rightly dismissed this with a simple “where are the man’s ears?!”

A few years ago, the live-recorded premiere performance (in German translation) was released by Orfeo (C 605 032 1). The highly emotional playing of the Wiener Philharmoniker, under the inspired direction of Christoph von Dohnányi, reaches unprecedented heights.

Kostas Paskalis is very credible in his role of Pentheus and Kerstin Meyer moves as Agave.

It’s just a pity no libretto was included, after all, it’s not everyday fare.

[Editorial: A later performance of the English Language version was released on the Musica Mundi label, conducted by Gerd Albrecht, but this revised edition omits the interlude]

Das Urteil der Kalliope, interlude from Die Bassariden :

L’UPUPA

Almost forty years later, a new (and also the last, the then almost 80-year-old composer claimed) [Ed: He would produce two more after this, in spite of ill health] opera by Henze was performed in Salzburg: L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe. It was a commissioned work by the Salzburg Festival, and its premiere at the Kleines Festspielhaus in August 2003 was recorded live for DVD (EuroArts 2053929).

The libretto, a fairy tale based on Syrian-Persian tales, was written by Henze himself. The three sons of The Old Man go in search of L’Upupa (a hop), a bird lost by the man with the golden feathers. The two eldest drop out immediately and amuse themselves by drinking and playing cards. The youngest, Kasim (an excellent role by Mattias Goerne), assisted by a Papageno-like ‘Demon’ endures all kinds of adventures, including an attempt on his life by his brothers. But he finds the bird and, in passing, a lover in the guise of a Jewish Princess (Laura Aikin) and returns to his old father. Only to leave again immediately, this time to fulfil a promise made. An open-ended ending, then, that also makes for beautiful imagery and moving music.

The text is at times very comic, but also very poetic. Jürgen Rose’s sets and costumes are truly dazzling, and Dieter Dorn’s direction very intelligent. There is also more than excellent singing and acting, especially by the truly inimitable John Mark Ainsley as the Demon.

DER PRINZ VON HOMBURG

On Arthaus Musik (100164) you will find another superb opera by Henze: Der Prinz von Homburg. It was recorded at Bayerischer Staatsoper in Munich in 1994 and Nikolaus Lehnhoff’s direction is truly inimitable.

The story of a daydreaming prince, who fails to follow orders properly during the war and is sentenced to death but is exonerated as soon as he accepts his punishment, is based on a play by Heinrich von Kleist.

François Le Roux seems cut out for the lead role, but the rest of the cast: William Cochran, Helga Dernesch, and Marianne Häggander is also particularly strong.

MEMOIRS OF AN OUTSIDER

I also warmly recommend the documentary about Henze made by Barrie Gavin in 1994 (Arthaus Musik 100360). It features – apart from the composer himself and his Italian friend – Simon Rattle and Oliver Knussen, who candidly confesses that his own music would never have become anything without Henze’s influence. All this is interspersed with music excerpts and with beautiful archive footage. As an encore, you get a stunning performance of Henze’s absolute masterpiece, his Requiem.

Hans Werner Henze. Das Floss der Medusa

Der junge Lord van Henze. Satire? Of meer?

L’upupa und der Triumph der Sohnesliebe

Tekst: Peter Franken

Henze werkte aan deze opera waarvoor hij ook het libretto schreef in de periode 2000-2003. Het is een opdrachtwerk voor de Salzburger Festspiele waar het op 12 augustus 2003 zijn première beleefde. Naar verluidt was Henze opgelucht dat hij ondanks zijn gevorderde leeftijd dit grote werk had weten te voltooien en het zag er dan ook naar uit dat het zijn laatste opera zou worden. Niettemin wist hij er nog twee op te laten volgen: Phaedra in 2007 en Gisela voor de Ruhrtriennale van 2010. L’upupa is een komedie waarvan het verhaal is gebaseerd op Arabische vertellingen. Van de première is een opname op dvd uitgebracht door EuroArts.

Een upupa is een fraai uitgedoste zangvogel die ook wel ‘hop’ wordt genoemd. Een oude heerser wordt dagelijks door zo’n kleurrijk wondertje bezocht en hij raakt er volledig aan verslingerd, zozeer dat hij het wil vangen. Dat lukt maar de vogel pikt hem en weet zich zo te bevrijden om vervolgens nooit meer terug te komen.

De oude man kwijnt hierdoor weg en geeft zijn drie zonen opdracht het beestje te gaan zoeken en terug te brengen, koste wat kost, met inbegrip van hun eigen leven. Enig egocentrisme is dit personage niet vreemd. Zijn oudste zoon is een leugenaar, de middelste een nietsnut maar Al Kasim, de jongste, is zijn oogappel. Die wordt door zijn broers vooruit gestuurd en vervolgens besluiten ze maar gewoon te wachten tot hij terugkeert van zijn queeste.

Al Kasim ontmoet zijn Demon die zich ontpopt als de beschermengel die hem al had verwacht. Samen vliegen ze naar het eiland Pate waar inderdaad die vogel in een kooi wordt aangetroffen in het paleis van de bejaarde koning Malik. In de stijl van Osmin willen diens ondergeschikten gelijk de oren en handen afhakken van die diefachtige indringers maar Malik beslist anders. Hij stuurt die twee erop uit om in Kipungani een Joods meisje voor hem te halen als bruid. Ze wordt daar gevangen gehouden door de plaatselijke heerser Dijab die haar tot de zijne wil maken. Zo langzamerhand dringt de vergelijking zich op van Tamino, Papageno, Sarastro en Malik in de rol van Koningin van de Nacht.

Al Kasim treft het meisje dat luistert naar de welluidende naam Badi’at el-Hosn wal Dschamal daar slapend aan, wekt haar en ze verklaren elkaar prompt liefde tot in de dood. In zijn enthousiasme probeert Kasim haar gelijk te bestijgen wat haar onwillekeurig ‘help’ doet roepen. De Demon had nog zo gewaarschuwd alles heel stil en snel te doen, geen onnodig risico te nemen. Terwijl ze hun liefdesontmoeting hebben zien we hem waarschuwend langs de zijlijn, als Brangäne die Tristan en Isolde tot voorzichtigheid maant.

Betrapt na dat hulpgeroep worden Kasim en zijn Demon ter dood veroordeeld maar de smeekbeden van Badi’at brengen de barse Dijab op andere gedachten. Hij laat hen gaan als ze tenminste eerst naar het rijk van een kwaadaardige heerser afreizen om daar voor hem een toverkist te halen. Niet zozeer omdat hij die wil hebben maar gewoon omdat hij niet kan uitstaan dat niemand hem kan vertellen wat er in zit.

Uiteindelijk komen het drietal terug bij de waterput waar de broers zijn achtergebleven. De Demon torst de kist en Al Kasim koestert zijn nieuwe bruidje. Niemand denkt nog aan Malik en Dijab die ze erop uit hebben gestuurd. De upapa is er natuurlijk ook bij, in een kooi. Door een list weten de broers Al Kasim in die waterput te krijgen waarna Badi’at hem achterna gaat, ‘Isoldes Liebestod’ in combinatie met ‘Joseph und seine Brüder’: Henze gebruikt veel materiaal in zijn libretto. Afgezien daarvan doorspekt hij het ook nog eens met subtiele anachronismen variërend van napalm tot psychotherapie.

Vader is ontzet als hij verneemt dat zijn favoriete zoon dood is maar knapt gauw op zodra hij de meegebrachte vogel ziet. De queeste is dan toch geslaagd, het is het waard geweest. Als de broers met het afgeluisterde wachtwoord de kist openen komen er dwergen uit die hen een pak slaag geven. Op dat moment komen Al Kasim en Badi’at aanlopen, bevrijd door de net op tijd teruggekeerde Demon.

Zij kennen het wachtwoord om de kist zich te laten sluiten, met al die dwergen weer veilig opgeborgen. De oude man is ontzet over het bedrog van zijn twee zonen en wil hen op gruwelijke wijze laten ombrengen. De jongste pleit echter voor gedeeltelijke amnestie. Ze moeten eerst die kist terugbrengen naar de rechtmatige eigenaar en daarna worden ze verbannen naar twee provincieplaatsen aan de randen van het rijk waar ze te werk zullen worden gesteld bij het schoonhouden van het hoofdriool.

Voor het tot een huwelijk komt tussen Al Kasim en Badi’at moet de jongeman eerst nog even terug naar de waterput waar de Demon op hem wacht. Als afscheidsgeschenk heeft hij een appel van de levensboom bedongen en die heeft hij natuurlijk ten volle verdiend. Samen lopen de oude man en zijn aanstaande schoondochter de zonsondergang tegemoet. De vogel is vrijgelaten, het was van meet af aan een vergissing hem te willen kooien. Een zangvogel net als ‘kunst’ moet vrij zijn.

De enscenering die regisseur Dieter Dorn maakte voor de Salzburger Festspiele is oogverblindend mooi. Niet in de laatste plaats door de decors en kostuums van Jürgen Rose en de belichting van Tobias Löffler. We zien een koepelvormig decor met een ring bovenaan. Het oogt als de bovenste helft van een vogelkooi. In die open ring zingt de oude man. Beneden op het licht gewelfde grondvlak spelen de scènes zich af. Door veelheid aan exotische kostuums krijgt alles het oriëntaalse tintje dat zozeer bepalend is voor de verhaallijn.

Laura Aikin is een prachtige Badi’at: een onschuldig meisje dat heel mooi kan zingen en niet voor een kleintje vervaard is als het er om spant. Haar directe tegenspeler Al Kasim wordt uitstekend vertolkt door bariton Matthias Goerne. Daarmee laat Henze de eer die de tenor altijd toevalt aan John Mark Ainsley die weet te excelleren als de Demon. De egocentrische oude vorst die zijn zonen wel wil opofferen voor een zangvogeltje wordt prima vertolkt door Alfred Muff.

Leuk om een van mijn sentimental favourites Hanna Schwarz te zien als Malik, compleet met puntbaardje. Jammer eigenlijk dat Muff en niet Donald McIntyre als oude man was gecast, wie mij kent begrijpt wel waarom. De bas Günther Missenhardt is een aansprekende barse Dijab. De twee oudere broers worden vertolkt als een duo list en bedrog door Axel Köhler en Anton Scharinger.

Markus Stenz dirigeert de Wiener Philharmoniker met veel oog voor alle instrumentele details die Henze in de partituur heeft verwerkt. Een fraai klankbeeld is het resultaat. Met 20e eeuwse muziek is het altijd verleidelijk om de essentie van een werk op te roepen door middel van ‘het klinkt als’ uitspraken waarna een reeks bekende componisten de revue passeert. Ik zie daar deze keer van af. Het is een opera uit Henzes nadagen en wie zijn werk een beetje kent zal genoegen kunnen nemen met de kwalificatie: ‘klinkt als Henze’.

https://my.mail.ru/video/embed/7148156706873149405

Der junge Lord van Henze. Satire? Of meer?

Tekst: Peter Franken

Dit werk ging in 1965 in première aan de Deutsche Oper Berlin. Net als bij Mozart en Schikaneder is het de vraag wie de belangrijkste bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan. De aftiteling van de Unitel opname uit DOB die daar in 1968 werd gemaakt vermeldt librettist Ingeborg Bachmann als de auteur van het werk, ‘met muziek van Henze’.

Bachmann was echter in hoge mate schatplichtig aan het verhaal Der Affe als Mensch van Wilhelm Hauff uit 1826. De getoonde productie met decors en kostuums van Filippo Sanjust doen volledig recht aan deze periode, op het karikaturale af. Je zou het kunnen omschrijven als Biedermeier naturalisme zoals geproduceerd door een zondagsschilder. De regie is in handen van Gustav Rudolf Sellner, de toenmalige intendant van DOB.

Henze en Bachmann

Het verhaal is volstrekt ongerijmd en leent zich uitstekend voor de opera buffa die Bachmann en Henze er van wisten te maken. In Hülsdorf-Gotha, een kleine stad in Oberfranken, wachten alle notabelen met spanning op de komst van een nieuwe belangrijke en vooral zeer rijke bewoner: Sir Edgar. De eerste twee koetsen die arriveren blijken echter tot hun teleurstelling en verwondering slechts een complete menagerie aan exotische dieren te bevatten. Pas in derde instantie arriveert de door Prinz Heinrich aanbevolen Engelsman zelf.

Zijn secretaris doet het woord en slaat alle uitnodigingen voor welkomstfestiviteiten beleefd af. Hij spreekt voor zijn werkgever die overigens de gehele opera geen mond open zal doen. Men is in zijn waardigheid aangetast maar schikt zich in zijn lot, Prinz Heinrich zal wel geweten hebben wie hij hen op hun dak heeft gestuurd. En de man heeft het grootste pand in de stad gekocht voor zeer veel geld, op termijn zal hij de plaatselijke economie wel stimuleren.

Maar als Sir Edgar wordt uitgenodigd voor de thee bij barones Grünwiesel stuurt hij zijn Moorse lakei in vol oosters ornaat pas met een bericht van afwijzing als haar salon al vol zit met alle echtgenotes van heren die er toe doen in de stad. De vernedering is groot en ze neemt zich voor hem zijn verblijf onmogelijk te maken. Dan arriveert een klein Italiaans circus en verschijnt Sir Edgar voor het eerst sinds zijn komst buiten op het plein.

Nu voelt alles en iedereen zich geschoffeerd: voor die nietsnutten komt hij wel naar buiten terwijl hij de gehele sociale bovenlaag al die tijd heeft genegeerd. De burgemeester wil het circus wegsturen omdat ze niet voor hun vergunning hebben betaald maar Sir Edgar springt bij. Nog erger wordt het als de gehele troupe door de secretaris naar binnen wordt genood om de gastvrijheid van Sir Edgar te genieten. Behalve de obligate krachtpatser, koorddanseres en jongleur zit er ook een gedresseerde Orang-oetan bij.

Louise is het mooiste meisje van de stad en wordt opgevoed als pupil van de barones. Ze is gecharmeerd van de student Wilhelm maar de barones denkt dat er een betere partij voor haar is weggelegd, eentje die ook haar eigen status verder kan verhogen. Niettemin weten die twee elkaar te vinden en over en weer verklaren ze hun liefde. Intussen worden er vreemde jammerkreten uit Sir Edgars huis gehoord.

Als de notabelen om opheldering komen vragen vertelt de secretaris dat een neef van Sir Edgar uit Engeland is overgekomen en dat die nog veel moeite heeft zich de Duitse taal aan te leren. Gepast geweld moet deze jonge Lord Barrat stimuleren om beter zijn best te doen. Daar heeft iedereen alle begrip voor, zonder tuchtiging wordt het immers niets met opvoeden en onderwijzen? Maar als de jonge Lord zover is zal iedereen wordt uitgenodigd om tijdens een feestelijke ontvangst met hem kennis te maken.

Het verdere verloop is voorspelbaar. De barones probeert Louise aan die hoog adellijke heer te koppelen. Die valt als een blok voor hem en een gedroomde toekomst, Wilhelm heeft het nakijken. Hij is de enige die overal doorheen kijkt: die man gedraagt zich onbeheerst en kan maar een paar zinnen uitbrengen. Later wordt dat beter en binnen een paar maanden is hij the talk of the town die onmerkbaar een voorbeeldfunctie heeft gekregen. Beter gezegd: men gaat hem imiteren. Een Engelse lord is nu eenmaal altijd een beetje excentriek en hij brengt leven in de brouwerij. Naar verwachting zal tijdens een bal in het casino de verloving van Louise met die bijzondere Engelsman bekend worden gemaakt.

Barrat danst met Louise en maakt daarbij vreemde hoge sprongen die vooral door de jongere gasten braaf worden geïmiteerd. Vervolgens loopt alles echter vreselijk uit de hand doordat Barrat ‘zijn manieren’ begint te verliezen en als de ontreddering compleet is neemt Sir Edgar zijn neef het gezichtsmasker af: hij is een aap. Louise probeert zich te redden door te zwijmelen dat alles een kwade droom is geweest. Wilhelm weet wel beter maar heeft er geen belang bij haar al te zeer tegen te spreken.

De gehele gemeenschap voelt zich in zijn hemd gezet. Het waarom hiervan blijft onduidelijk. Welke drijfveer kan die Engelsman hebben gehad hen een spiegel voor te houden om te tonen dat men zich slaafs gedraagt als gedresseerde wezens die elkaar alleen maar na-apen?  Zij zijn kleinburgerlijk maar dat was in die tijd de norm in Duitsland, een reactie op woelige tijden die standhield tot revolutiejaar 1948. En waarom moest Sir Edgar zich zo nodig in dat oord vestigingen als hij er sowieso geen deel van uit wenste te maken?

From DER JUNGE LORD by Ingeborg Bachmann and Hans Werner Henze – Edith Mathis with Loren Driscoll and Bella Jasper © Archiv Deutsche Oper Berlin, April 1965

Sopraan Edith Mathis is betoverend mooi als de onstandvastige Louise. Haar vriendin Ida wordt alleraardigst vertolkt door coloratuursopraan Bella Jasper. Comic relief komt van mezzo Vera Little als Begonia, de Jamaicaanse kokkin van Sir Edgar en van Margarete Ast dankzij haar Mrs. Bouquet act als barones Grünwiesel.

Tenor Donald Grobe is een prima Wilhelm en bariton Barry McDaniel maakt goede sier als de onverzettelijke secretaris die altijd precies weet te vertellen wat zijn meester wil. De titelrol wordt met verve vertolkt door tenor Loren Driscoll. Qua zang wordt er niet heel veel van hem gevergd, zijn rol steunt op acteren. Omdat het moeilijk valt te voorspellen hoe een getrainde aangeklede Orang-oetan zich zal gedragen in de sociale omgang met grote groepen bewonderaars, heeft de regie hem vooral robotachtige bewegingen laten instuderen die tegen het einde ontaarden in wilde gebaren, hoge sprongen en de aankondiging van regelrecht geweld. Op dat moment laat Sir Edgar zijn zweep knallen waarop het dier op slag kalmeert en gedwee met zijn meester het casino uit loopt, terug naar huis. De vele overige rollen zijn stuk voor stuk naar behoren bezet.

Muzikaal is het werk een collage van Mozart, Lortzing, Strauss en Stravinsky. Veel eigenwijs geklets van in hun eigen belangrijkheid verstrikte notabelen en vergelijkbaar gekwetter van hun echtgenotes die maar al te graag het gevolg van de barones vormen. Het is aardig om eens te bekijken en ook wel om te beluisteren. Maar als middel tegen de existentiële angst die het ontstaanstijdperk bij de twee scheppers had doen ontstaan is het ongeloofwaardig en volledig gedateerd. Niettemin een waardevol tijdsdocument. Christoph von Dohnányi heeft de muzikale leiding.

.