Month: april 2017

La Juive: discografie

Juive Halevy

Jacques Fromental Halévy (1799-1862) was tijdens zijn leven een zeer geliefde en gevierde componist. Op zijn naam staan zowat 40 opera’s, waarvan minstens de helft best succesvol was. Toch: geen één van zijn werken heeft ooit de populariteit van La Juive kunnen evenaren.

Juive_Act1_set_1835_-_NGO2p927

La Juive: decor voor de eerste acte uit de originele productie in 1835

La Juive, ‘De Jodin’, behoorde ooit tot de absolute publiekslievelingen en tot de jaren dertig van de vorige eeuw werd het stuk met grote regelmaat opgevoerd. De rol van Éléazar werd gezongen door de grootste en beroemdste tenoren uit die tijd: Caruso, Leo Slezak, Giovanni Martinelli… Wie eigenlijk niet?

Juive carusoterracota3

Terracota portret van Caruso als Éléazar, gemaakt door Onorio Ruotolo in 1920.

Enrico Caruso in een opname gemaakt op 14-09-1920:

Leo Slezak (in het Duits) in een opname uit 1928:

Juive Martinelli foto

Giovanni Martinelli als Éléazar

Van Martinelli kon ik geen voorbeeld vinden op Youtube, maar van hem bestaat er een opname van de hele tweede acte (met Elisabeth Rethberg als Rachel), opgenomen in 1936, plus wat fragmenten van de vierde akte, uit 1926 (SRO 848-1).

Juive_opéra_d'Halévy_et_[...]Maleuvre_Louis_btv1b7001613w

Adolphe Nourrit, vertolker van de eerste Éléazar

Éléazar is geen aimabele man. Gelijk Shakespeare’s Shylock is hij weerzin- en meelijwekkend tegelijk. Hij zit vol wrok en zint op vergelding waarvoor hij bereid is alles op te offeren, ook datgene wat hij het meest liefheeft. Maar is hij altijd zo geweest, of zijn het omstandigheden die hem zo hebben gemaakt? Bovendien kent ook hij zijn twijfels – in zijn grote aria vraagt hij zich (en God) oprecht af of hij goed heeft gehandeld.

Eigenlijk kun je hem als een mannelijk equivalent van Azucena zien. Beiden hebben ze hun eigen kind(eren) verloren en beiden hebben ze zich over een kind van hun vijand ontfermd en als eigen vlees en bloed opgevoed en grootgebracht. Waardoor Manrico een Zigeunerjongen en Rachel een Jodin is geworden. Met alle gevolgen van dien.

RICHARD TUCKER

Juive Tucker Legato

In de jaren dertig werd Halévy als ‘ontaard’ bestempeld en belandde samen met zijn opera op de grote vuilnisbelt van wat de nazi’s ‘Entartete Musik’ noemden.

Tegenwoordig gaat La Juive alle grote operahuizen rond en in 2009 heeft zij zelfs – in een schitterende productie van Pierre Audi – Amsterdam aangedaan. Het is echter nog niet zo lang geleden dat Halévy bekend was als componist van één aria en zijn opera was een echte rariteit, zeker in Europa. Ik vraag me dan ook af, hoe het met La Juive zou zijn afgelopen, als er niet iemand als Richard Tucker zou hebben bestaan.

Tucker (1913-1975), één van de grootste tenoren uit zijn tijd, was niet alleen de sterzanger bij de Metropolitan Opera, maar ook de voorzanger aan de New Yorkse hoofdsynagoge. Éléazar was zijn droomrol en met zijn sterstatus kon hij het zich permitteren om de opera op de planken te krijgen bij verschillende gezelschappen in verschillende landen, al was het maar concertante.

Zijn grootste droom was echter om La Juive in de Met te zingen, volledig geënsceneerd. Begin januari 1975 kreeg hij te horen dat de opera voor het seizoen 1975/1976 op de planning stond. Bernstein zou dirigeren en de andere rollen zouden gezongen worden door Beverly Sills (Rachel), Nicolai Gedda (Léopold) en Paul Plischka (de kardinaal).

Het mocht zo niet zijn: op 8 januari, een dag voor de productiebesprekingen zouden beginnen, kreeg Tucker een hartaanval, waaraan hij overleed.

Op verschillende labels (de mijne is op Legato Classics LCD-120-2) is de sterk gecoupeerde La Juive met Tucker te koop. De (piraten) opname is gemaakt in Londen, in 1973. Het geluid is pover en de rest van de rollen is zo-zo, maar vanwege Tucker een absolute must.


Juive Tucker Moffo

In 1973 heeft RCA (tegenwoordig Sony 88985397782) hoogtepunten uit de opera met Tucker, Anna Moffo en Martina Arroyo in de studio opgenomen.

Ik heb sterk de vermoedens dat het ze toen – voornamelijk – om Moffo (Eudoxie) te doen was. In die tijd was zij namelijk één van de stersterren van de firma. Een letterlijk bloedmooie sopraan, die zich niet alleen goed op de cover presenteerde maar ook als zangeres de slechtste niet was. Met haar lichte, wendbare stem was zij buitengewoon geschikt voor het zingen van jonge meisjesrollen, maar ook Eudoxie lag haar goed.

Martina Arroyo is een prima Rachel en Bonaldo Giaiotti een dito kardinaal, maar de echte ster van de opname is – naast Tucker – de dirigent. Antonio de Almeida heeft er duidelijk feeling mee.

Tucker en Martina Arroyo in de “Seider-scène”:

Niet op cd, maar wel op You Tube vindt u de Seider-scène uit Barcelona. De opname is gemaakt op 14 december 1974, drie weken voor Tuckers overladen:

JOSE CARRERAS
Juive Carreras TokodyNooit heb ik goed kunnen begrijpen waarom José Carreras de rol van Éléazar op zijn repertoire heeft gezet. Het paste wel bij zijn verlangen om ook zwaardere, meer dramatische rollen te gaan zingen. Rollen die voor zijn prachtige, lyrische tenor een maatje te groot waren. Wat absoluut niet inhoudt dat hij de rol niet aankon! Dat lukte hem best aardig en het resultaat is het beluisteren meer dan waard, maar echt idiomatisch klinkt hij niet.

In de live opname uit Wenen 1981 klinkt Carreras ook nog eens te jong (hij was toen nog maar vijfendertig!), iets wat zich voornamelijk wreekt in de Seider-avond scène. Het is mooi gezongen, maar bij gebrek aan overwicht gaat hij zich een beetje overschreeuwen.

José Carreras zingt ‘Rachel, quand du Seigneur‘

Ilona Tokody is een Rachel van intensiteit die alleen Renata Scotto wist te bereiken (jammer, dat zij de rol nooit heeft gezongen!) en Sona Ghazarian zingt een uitstekende Eudoxie.

Maar, eerlijk is eerlijk: niemand, maar dan ook niemand kan zich met Cesare Siepi in zijn rol van  kardinaal Brogni meten. Na zijn eerste grote aria wordt hij dan ook terecht beloont met een langdurend opendoekje.

Hieronder Cesare Siepi in ‘Si la rigeur’ in een opname uit 1954:

Chris Meritt (Léopold) bezat misschien niet de mooiste van alle tenorstemmen, maar hij had zijn hoge noten paraat. Al kwamen ze soms een beetje geknepen uit. De zeer sterk gecoupeerde partituur werd zeer liefdevol gedirigeerd door Gerd Albrecht (Legato Classics 224-2)

Juive Carreras Philips

De in 1989 door Philips opgenomen La Juive markeerde de eerste studio-opname dat Carreras maakte na zijn ziekte. Zijn stem was nu minder zoet en smeuïg dan voorheen maar klonk veel doorleefder, wat de invulling van de rol ten goede kwam.

Julia Varady is een schitterende Rachel, misschien één van de beste ooit en Eudoxie is bij June Anderson in uitstekende handen.

Dalmacio Gonzales is een meer dan fatsoenlijke Léopold, in ieder geval veel beter dan Chris Merrit en de Frans-Amerikaans-Portugese dirigent Antonio de Almeida bewijst alweer zijn affiniteit met de opera. (Philips 475 7629)


FRANCISCO CASANOVA

Juive Casanova

Eve Queler kennen we niet alleen als één van de eerste beroemde vrouwelijke dirigenten, maar ook als één van de grootste voorvechters van een onbekend operarepertoire. Op 13april 1999 dirigeerde zij in het New-Yorkse Carnegie Hall een zeer spannende uitvoering van La Juive.

Paul Plishka was een goede kardinaal en Jean-Luc Viala en Olga Makarina klonken uitstekend als resp. Léopold en Eudoxie.

Francisco Casanova vind ik – na Tucker en Shicoff – misschien de allerbeste Éléazar van onze tijd. Zijn robuust gevoerde tenor klinkt gekweld en gepassioneerd maar ook buitengewoon lyrisch. Daar past de door Asmik Papian met zinderende passie gezongen Rachel uitstekend bij. Om stil van te worden, zo mooi.  

Mocht het u lukken om de cd’s te bemachtigen: meteen doen! Ook omdat de opname vrijwel complete is. (House of Opera CD 426)

Hieronder zingt Francisco Casanova ‘Dieu que ma voix tremblante’:

NEIL SHICOFF

Juive Shicoff Isokoski

Neil Shicoff, gelijk Tucker, had van Éléazar zijn levensrol gemaakt. De eerste keer zong hij hem in Wenen, in 1998. De voorstelling, met ook verder een voortreffelijke cast (Soile Isokoski als Rachel, Zoran Todorovich als Léopold en Alastair Miles als de kardinaal Brogni), werd live opgenomen en door RCA op cd uitgebracht (RCA 795962).

Dezelfde productie (met Shicoff en Isokoski) reisde in 2003 naar de Met om een paar maanden later terug te keren naar Wenen, waar de opera op dvd (DG 0734001) werd geregistreerd. Shicoff was nog steeds van de partij, maar de rest van de rollen werd vervangen.

Juive Shicoff dvd

Rachel werd gezongen door een adembenemende Krassimira Stoyanova (wat een stem, en wat een uitstraling!), Eudoxie was in goede handen van Simina Ivan, maar Jianyi Zhang was een beetje problematisch in zijn rol van Léopold.

‘The rol that Shicoff was born to sing’, kopte het programmaboekje en daar zat wat in. Als zoon van een voorzanger was hij niet alleen kind aan huis in de Joodse traditie en gezangen, ook zijn stem, lichtelijk nasaal en met een traan, klonk zeer Joods.

De regie van Günter Krämer was geactualiseerd: geen Konstanz in 1414 dus, maar duidelijk jaren dertig van de vorige eeuw en de opkomst van het nationaal-socialisme. En al werd het nergens expliciet gezegd, het koor gekleed in Duitse jager pakjes sprak boekdelen.

Éléazer werd neergezet als een fanatiekeling met weinig of geen sympathieke eigenschappen, de kardinaal daarentegen was één en al liefde en vergiffenis – een stelling waar ik het behoorlijk moeilijk mee had.

Als bonus staat er op de dvd een interview met Shicoff en volgen we zijn voorbereidingen voor de rol. Buitengewoon interessant en fascinerend, maar wat is die man toch een zenuwpees!

Hieronder zingt Shicoff ‘Rachel, quand du Seigneur‘:

LA JUIVE Tel Aviv 2010

Herinneringen aan La Juive in Amsterdam

 

NOTTURNO: Thomas Hampson zingt liederen van Richard STRAUSS

Strauss Hampson

In 2014 was Richard Strauss “jarig”. Het was te merken in de aanwas van cd’s rond het oeuvre van de componist uit München. Ook de bariton Thomas Hamson heeft toen een cd met een selectie van zijn liederen uitgebracht.

Ik heb niets tegen herdenken, ook al gaat het om de overbekende componisten. Integendeel, het levert namelijk soms echte verrassingen op: zo kan een onbekende of verloren gewaande compositie (her)ontdekt worden, maar ook werken die amper nog worden uitgevoerd beleven zo hun herkansing.

Ik ben dol op liederen van Richard Strauss en ik houd van Thomas Hampson. Kan er dan nog iets misgaan? Zeker, als de cd ook een echte  “Hampson touch” heeft meegekregen? De zanger heeft de liederen namelijk zelf gekozen en ze chronologisch gerangschikt; dat alles vergezeld met een persoonlijke noot in het cd-boekje.

Dat ik niet echt enthousiast over het resultaat ben geworden ligt aan Hampsons (voor mij te) gecultiveerde manier van zingen, waardoor alles zeer fraai klinkt, maar de emotie wordt onderbelicht. Dat gecultiveerde wreekt zich in de algehele beleving: op den duur wordt het een beetje eentonig.

Alleen in ‘Ach weh mir unglückhaften Mann’ trekt Hampson alle registers open, waarin hij meer dan geholpen wordt door Wolfram Riegel. Diens begeleiding is zo buitengewoon congeniaal dat men eigenlijk niet meer van een begeleider mag spreken maar meer van een ‘sparringpartner”.

Ook ‘Nottturno’ – een zwaarmoedig lied naar de tekst van Richard Dehmel – prachtig op viool begeleid door Daniel Hope, maakt veel goed. Ik kende het lied alleen maar met orkestbegeleiding, Hampson zong het in Salzburg in 2012. Zijn interpretatie is nadrukkelijker geworden, wat ook aan de begeleiding kan liggen. Het lied, dat al “minimaal” was maakt nu een nog minimalistischer en haast atonale indruk.

Thomas Hampson zingt ‚Notturno‘ in Salzburg:

Al met al: net geen top, maar wel van harte aanbevolen!


Notturno
Lieder von Richard Strauss
Thomas Hampson, bariton; Wolfram Riegel, piano; Daniel Hope, viool
DG 4792943

Meer recitals door Thomas Hampson:
TIDES OF LIFE
THOMAS HAMPSON & MACIEJ PIKULSKI: Serenade

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

Gurre

Reproductie van de fascimile uitgave uit 1912

Voor mij behoren de Gurre-Lieder tot de één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Op het moment dat de muziek zachtjes begint te zwellen, voel ik mij in de zevende hemel. De muziek, gelijk een Dibbuk, neemt mij volledig in beslag en er is geen ontkomen meer aan.

Niet, dat ik het erg vind. Je volledig ergens ondergedompeld voelen, je ergens mee vereenzelvigen, dat geeft je een onwerkelijk gevoel van zweven. Een beetje eng, dat wel, maar (sorry voor de uitdrukking) ook een beetje zalvend. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

De beroemde Weense criticus Julius Korngold noemde het werk ‘een bloeiende cactus”. Een mooie metafoor.

In ‘Seht die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bereikt Schönberg iets werkelijk ongehoords, al weet hij het zelf (nog) niet: hij bouwt een brug tussen vroeger en nu. Denk aan het slot van Iris van Mascagni. En denk aan Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

Hieronder ‘Sehnt die Sonne’ in de uitvoering van het (hier niet besproken) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

De première, op 23 februari 1913 in Wenen, werd gedirigeerd door Franz Schreker, er werkten toen 757 musici aan mee. De Nederlandse première onder leiding van Schönberg zelf vond plaats in maart 1921. Het idee om het werk scenisch uit te voeren is niet echt nieuw, het schijnt dat er al in 1927 plannen voor bestonden, maar Schönberg heeft zich er altijd tegen verzet.

Het is een cliché, weet ik, maar de Gurre-Lieder moet je tenminste één keer in je leven live hebben gehoord. Geen enkele opname, hoe geweldig ook, kan de overweldiging van het live concert evenaren.

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

De allereerste commerciële opname stamt, voor zo ver ik weet, uit 1932. Het was niemand minder dan Leopold Stokowski, die op 8 april dat jaar de Amerikaanse première van het werk verzorgde. Het werd door RCA opgenomen en met een beetje zoeken is er wellicht aan te komen (al is het mij niet gelukt).

In 1961 nam Stokowski de Gurre-Lieder mee naar Edinburgh, waar hij een ware sensatie veroorzaakte. De uitvoering werd  door de radio opgenomen en later op Guild  (GHCD 2388/89) uitgebracht. Zijn affiniteit met het werk is duidelijk hoorbaar, het is alsof het zijn liefdeskind is: zijn benadering is strelend, aaiend, knuffelend, maar wel met terechte woede-uitbarstingen als het kind weerbarstig wil worden. Prachtig vind ik dat, echt prachtig.

Gré Brouwenstein is een goede Tove. Mooi van stem, al vind ik haar soms wat afstandelijk. James McCracken is een beetje zware Waldemar, maar nergens ontaardt hij in brullen, iets wat later veel van zijn opnamen ontsierde. Persoonlijk hoor ik liever een stem die wendbaarder is, maar de lyrische benadering van Stokowski slaat ook over op zijn solisten, dus ook op McCracken.

Het concert begint met de aankondiging van de omroeper van de BBC, waarna het ‘God save the Queen’ weerklinkt. Toch wel leuk en sfeerverhogend.

Hieronder de Prelude, gevolgd door het eerste lied van Waldemar (James McCracken):

 

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979 was Mc Cracken al lang over zijn top heen. Jammer, want het is de enige smet op de verder prachtige uitvoering door Seiji Ozawa (Philips 4125112).

De jonge Jessye Norman kon met haar stem werkelijk alle kanten op, en haar donkere sopraan met een enorme wijdte was zeer sensueel. Klein beetje dominant, dat wel, niet echt een onschuldige deerne, maar ik mag het wel.

Jessye Norman zingt “Du sendest mir einen Liebesblick” :

Tatjana Troyanos is een zeer het hart aansprekende Waldtaube. Het geheel is live opgenomen in het Boston Symphony Hall.


RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly

De lezing van Riccardo Chailly (Decca 4737282) vind ik enigszins teleurstellend. Het is een “studio” opname (in 1985 opgenomen in Jesus-Christus-Kirche in Berlijn), maar het geluid komt op mijn speakers niet echt over. Ik vind Chailly ook een beetje “lawaaierig”, met weinig nuancen.

Siegfried Jerusalem klinkt gewoon Wagneriaans, en dat is, in dit geval, geen compliment. Ook Susan Dunn, in de tijd een Chailly protégee, vind ik niet adequaat, soms heb ik het gevoel dat zij niet weet wat zij zingt. Maar dan komt Brigitte Fassbaender (Tove) voorbij en weg zijn de twijfels!


 

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen

In 2009 zorgde Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) voor een ware sensatie met zijn uitvoering in het Royal Festival Hall in Londen. Terecht. De uitvoering is zeer zinderend en de solisten met de zowat mooiste Tove ooit, Soile Isokoski voorop, fantastisch.

Stig Andersen is zonder meer een goede Waldemar en Monica Groop een hartverscheurende Waldtaube. Helaas is de opname abominabel. De geluidsbalans is ver te zoeken, je volumeknopen moeten steeds versteld worden. Nou beschik ik niet over een SACD-speler, maar mijn boxen wisten zich er geen raad mee. Jammer.


 

MARKUS STENZ 2014

gurre stenz

De in juni 2014 onder Markus Steinz voor Hyperion (CDA68081/2) opgenomen uitvoering, behoort volgens mij tot de besten die er zijn. Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

REINBERT DE LEEUW 2011

Gurre de leeuw

Dr Anton Philipszaal na afloop van de uitvoering van de Gurre-Lieder

Voordat ik mijn absolute favoriet onthul (er gaat niets boven spanning, niet waar?), even over de uitvoering van Reinbert de Leeuw, door de KRO op 26 maart 2011 opgenomen in de uitverkochte Dr Anton Philipszaal in Den Haag. Het orkest werd gehalveerd, er deden ‘maar’ 356 musici er aan mee. De solisten vielen mij niet mee, maar het blijft een document uit eigen bodem. Internet biedt genoeg (al of niet) piratenopnamen. Anders zoek het even op youtube.

Reinbert de Leeuw vertelt over de Gurre-lieder:

 

EN DE WINAAR IS: RENÉ LEIBOWITZ 1953

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Heeft u ooit van hem gehoord? In de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde hij tot de “ijzeren garde”van de beste dirigenten, die allemaal hun eigen stempel zetten op alles wat ze onderhanden namen. In 1953 dirigeerde hij de ‘Gurrelieder’ in Parijs. Toen ik de cd (Preiser 90575) in handen kreeg dacht ik: curieus, laat maar komen… Nou… een paar uur later wist ik het wel: beter, mooier, ontroerender bestaat niet, althans niet voor mij. Bij Leibowitz hoor je zelfs het klapwieken van de vleugels van de duif!

Richard Lewis zingt een Waldemar zoals ik hem altijd al wilde horen: gevoelig en sensibel. Ethel Semser (Tove) was goed bekend met het oeuvre van Schönberg, zij had al eerder ook zijn Pierrot Lunaire opgenomen.

Nell Tangemann (Waldtaube) blijft een grote onbekende, ondanks de rollen die zij gecreëerd heeft: Mother Goose bijvoorbeeld. Of Dinah in de wereldpremière van Trouble in Tahiti van Bernstein. Ook Ned Rorem heeft het een en ander voor haar gecomponeerd. Helaas bestaan er geen opnamen van, de ‘Gurrelieder’ kan je dan ook beschouwen als een document en een eerbeton aan de onbekende mezzosopraan die beter verdiende. Een absolute must.


 BONUS

Een curiositeit: Schönberg dirigeert zijn “Lied der Waldtaube”, hier gezongen door Rose Bampton. De opname dateert uit 1934:

Gurre-Lieder scenisch, in de regie van Pierre Audi:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Amsterdamse Gurre-Lieder op dvd:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

D’OR ET LUMIÈRE / אור וזהב

D'or et de Lumière

 “Op hun concerten nodigt Le Baroque Nomade het publiek uit om samen mee te reizen door de tijd en de ruimte. In de traditie van de rondtrekkende muzikanten herstelt het ensemble de culturele en historische verbanden tussen het Europese repertoire en muzikale tradities van elders: Chinees, Indisch, Ethiopisch en Turks  […]”

Aan het woord is Jean-Christophe Frisch, fluitist en oprichter van de Franse groep Le Baroque Nomade. De groep bestaat al meer dan twintig jaar en heeft in die tijd evenzoveel cd’s uitgebracht, maar op de een of andere manier zijn ze niet alleen aan mijn, maar ook aan de Joodse mainstreammedia’s aandacht ontsnapt.

Op hun nieuwste cd Or vezahav (Licht en goud) verzamelden ze verschillende volksliedjes en gezangen die betrekking hebben op de Joodse Feestdagen, vanaf  Rosh Hashana (Joods Nieuwjaar) tot en met Pesach.

De cd opent – vanzelfsprekend eigenlijk – met ‘Avinu Malkenu’, oftewel Onze Vader. Het gebed maakt deel van de synagogale liturgie en wordt traditioneel gezongen op Rosh Hashana en Yom Kipur (Grote Verzoendag).

Naast de, voornamelijk in het Ladino gezongen volksliedjes heeft Le Baroque Nomade ook stukken opgenomen van componisten uit het begin van de achttiende eeuw. De meeste fragmenten komen uit Dio, Clemenza e Rigore, een verloren gewaand oratorium uit 1733 van een onbekende componist, in wie Fritsch Giuseppe Lidarti meent te herkennen.

Het oratorium werd besteld door de Joodse gemeenschap van het plaatsje Casale Monferrato en werd pas in de twintigste eeuw in Moskou teruggevonden. Of wij veel hebben gemist is moeilijk te zeggen, daarvoor zijn de stukken te fragmentarisch.

De uitvoering vind ik niet meer dan matig. Er wordt wel met veel passie gemusiceerd, maar alles klinkt behoorlijk amateuristisch en niet altijd zuiver. Alsof de revolutie in en de ontwikkeling van het op authentieke instrumenten musiceren nooit had plaats gevonden.

Daar de groep opgericht werd door de fluitist Jean-Christophe Frisch, concentreert het zich vanzelfsprekend rond het instrument (de instrumenten?) van de oprichter en dat vind ik jammer. Een niet helemaal zuiver klinkende blokfluit is niet bepaald prettig om naar te luisteren.

Ook de sopraan Cyrille Gerstenhaber vind ik niet altijd aangenaam klinken. Voornamelijk in de volksliedjes vind ik haar zang behoorlijk gekunsteld en niet ‘losjes’ genoeg. In de klassieke stukken is zij beter op haar plaats.

Het tekstboekje klopt ook niet helemaal: niet alle data’s en namen worden correct weergegeven. Onder andere lezen we dat alle arrangementen werden gemaakt door Josef Mijnapfel, die zou leven van 1553 tot 1821. Iets wat volgens mij fysiek onmogelijk is.


Or Zahav
D’Or de Lumiére
XVIII-21
La Baroque Nomade
Music for celebrations

Cyrille Gerstenhaber
Jean-Christophe Frisch
Harmondia Mundi EVCD029 • 68’

Mendelssohn gedirigerd door Andrew Manze: ‘sit back and enjoy’

Mendelssohn Manze presentatie

Met de opname van de eerste en de derde symfonie van Mendelssohn heeft de in de Oude Muziek gespecialiseerde Britse violist en sinds 2014 chefdirigent van het NDR Radiophilharmonie, Andrew Manze, zijn visitekaartje afgegeven.

Het is niet alleen hun eerste cd samen, het is tevens deel één van het project dat alle symfonieën van Mendelssohn zal omvatten. Een weinig revolutionaire daad, zou je denken: aan goede opnamen van symfonieën van Mendelssohn, al of niet compleet, hebben wij immers geen gebrek. Het is echter best interessant om de visie van de van oorsprong barok-specialist te kunnen horen, zeker nu hij  voor een “modern” orkest staat.

De uitvoering is zonder meer goed. Manze dirigeert met veel oog voor het detail, maar ik mis de sfeertekening, het ‘plaatje achter de muziek’. Iets, wat zich voornamelijk in de derde symfonie, waarvoor Mendelssohn rijkelijk inspiratie in Schotland heeft opgedaan, wreekt.

Het is niet uitgesloten dat ik te veel naar Claudio Abbado heb geluisterd: het risico van cd’s hebben, men hecht er aan. Maar misschien moet ik niet te veel nadenken en gewoon genieten?

“Sit back and enjoy”, zo staat het op de achterkant van het boekje en er is niets op tegen om die woorden letterlijk te nemen. Al is het van de schitterend warme en natuurgetrouwe klank van de opname. En dan te weten dat ik het ik via gewone cd-speler en speakers heb beluisterd.

CD- presentatie:

http://www.ndr.de/orchester_chor/radiophilharmonie/Start-einer-Mendelssohn-Serie-mit-Andrew-Manze,mendelssohn174.html


 

FELIX MENDELSSOHN
Symphonies Nos.1 & 3
NDR Radiophilharmonie olv Andrew Manze
PentaTone Classics PTC 5186 595 • SACD – 71′