Strigoii (Geesten) is een totaal onbekend oratorium van George Enescu, waar werkelijk niemand van wist. Enescu componeerde het in 1916 waarna het – onvoltooide – manuscript verloren raakte. In de jaren zeventig van de vorige eeuw dook het op in het Enescu-museum en werd het voltooid door Cornel Ţăranu. Een paar uitvoeringen door het Ars Nova Ensemble volgden maar het is nu pas dat het werk werd georkestreerd, door de componist Sabin Păuta.
George Enescu
Je kunt de Geesten beschouwen als de ontbrekende schakel tussen Enescu’s vroege liederen en zijn grote opera, Oedipe. De muzikale taal van de compositie komt in de buurt van Schönberg en zijn Gurre-Lieder, maar ook Bartóks Blauwbaardsburcht is nergens ver weg. En toch is het werk eigenlijk nergens mee te vergelijken, het is zo ontzettend eigen en bijzonder!
Mihai Eminescu
Het driedelig oratorium is gebaseerd op een dramatisch gedicht van de bekendste Roemeense dichter Mihai Eminescu (1850-1889). Het is een zeer mysterieus poeme die vertelt over de voortijdige dood van de bruid van koning Arald van wie niet vaststaat of zij een onschuldige geest of een gevaarlijke vampier is geworden.
Strigoii doet mij het meest aan een ouderwets hoorspel denken. Dat komt niet alleen door de verteller maar ook door de manier hoe de muziek om het (moeilijk te volgen) verhaal heen is gebouwd. Het is ook vreselijk spannend en dat ligt voornamelijk aan de onheilspellende muziek. En opeens bedenk ik: wie heeft nog woorden nodig als muziek sec het allemaal zelf kan vertellen? Schitterend. En onweerstaanbaar.
De uitvoering is uitstekend. Het verhaal wordt zeer spannend verteld/gezongen door de bas Alin Arca en de sopraan Rodica Viva zingt een prachtige koningin. Ook de tenor Tiberius Simu (Arald) en de bariton Bogdan Baciu (Der Magus) zijn eersteklas.
De opname werd in december 2017 gemaakt in Berlijn. Het prachtig spelende Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin stond onder leiding van Gabriel Bebeselea, de dirigent van de Nationale Roemeense opera en het Transsylvaans staatsorkest.
Het ‘toegift’, een 10-minuten durende Pastorale fantaisie für kleines Orchester uit 1899 is niet minder dan een kostbaar cadeautje. Die leg ik dan onder mijn Sinterklaas/kerst/Chanoeka-boom.
Bedankt Capriccio!
George Enescu
Strigoii; Pastorale fantaisie für kleines orchester
Rodica Vica, Alin Anca, Tiberius Simu, Bogdan Baciu
Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin olv Gabriel Bebeselea
Capriccio C 5346
Is the music world finally waking up? Not if it’s up to the big record companies. With them we are still condemned to Bachs, Beethovens and Wagners. Fortunately, smaller labels like Chandos still exist. A while ago they surprised us with a CD with chamber works by Paul Ben-Haim, now they know how to make me overjoyed with Jerzy Fitelberg.
While Ben-Haim’s name was still a little known here and there, Fitelberg’s name was not. At least not Jerzy’s, because there are still enough old recordings of his father Grzegorz, who was a famous conductor.
Jerzy Fitelberg (1903 – 1951) was born in Warsaw and first studied with his father who had him play as a percussionist in the orchestra of the National Theatre in order to gain experience. From 1922 he studied composition with Franz Schreker in Berlin, among others. In 1927 he made a name for himself by re-orchestrating Sullivan’s Mikado for Erik Charell’s operetta-revue in the Grosses Schauspielhaus in Berlin. In 1933 he fled first to Paris and from there to New York.
Fitelberg was one of the favourite composers of Copland and Artur Rubinstein, among others. He himself described his compositional style as “full of the energy and high tension of Stravinski combined with the harmonic complexity of Hindemith and the colours of Milhaud’s French music. Plus the much-needed satire”.
Below an arrangement, made by Stefan Frenkel, of a Tango from Fitelberg’s opera ‘Der schlechgefesselte Prometheus’,played by Marleen Asberg (violophone) and Gerard Bouwhuis (piano) at a concert given by the Ebony Band, April 25, 2013 in Amsterdam,
His works were often performed until his death, after which they disappeared from the stage. Until more than sixty years later the ARC Ensemble (yes, the same ensemble that recorded the Ben-Haim CD) picked up the thread.
The first string quartet from 1926 starts with a resolute Presto, which reminds me a lot of Mendelssohn, but not for long. Soon Slavic themes pass by to make way for the melancholic Meno mosso. Beautiful.
The second string quartet , overloaded with prizes in 1928, sounds a bit like Janaček, but with Polish instead of Moravian dances in the background. The sonatine for two violins mixes all the contradictions of the late 1930s: entertainment, jazz and a (cautious) atonality.
Fisches Nachtgesang, a night music for clarinet, cello and celesta is so beautiful that it hurts. It reminds me of a night candle, which goes out carefully. Covered with the soothing words “go to sleep, but don’t worry about it”, but you’re not really reassured.
The members of the Canadian ARC Ensemble, who play contagiously well, all work at the Glenn Gould School at the Royal Conservatory of Music. What a CD! Ten out of ten!
Jerzy Fitelberg
Chamber Works
String Quartets Nos 1 and 2
Serenade; Sonatine; Night musik “Fisches Nachtgesang”.
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10877
Zij is zonder meer één van de belangrijkste personen achter de revival van de Joodse muziek en het Joodse lied: Shura Lipovsky. Woensdagavond 18 februari 2011 gaf ze een onvergetelijk concert in het Concertgebouw. Een diva die alleen met de grootsten is te vergelijken.
Na de oorlog had je in Amsterdam nog het cabaret ‘Li-La-Lo’ en in Rotterdam bezorgde Leo Fuld menig toeschouwer kippenvel en tranen in de ogen. Maar eind jaren zeventig was dat wel voorbij.
En toen verscheen zij op het toneel: Shura Lipovsky. Lang voordat de zak met klezmer openbarstte en de ‘Joodse muziek’ (de aanhalingstekens zijn zo bedoeld) hot en hype werd, begon ze te werken aan de revival van de vergeten liedjes van onder andere Mordechai Gebirtig.
Ze zong op het allereerste Joods Muziek Festival in Kraków, trad aanvankelijk op in het kleine circuit, maar maakte daarna naam én cd’s.
Shura Lipovsky en haar ensemble tijdens het 24ste Joodscultuur Festival in Kraków.
Een paar jaar was het een beetje stil rond haar, maar nu was zij er weer. En hoe! Haar stem is mooier dan ooit, haar voordracht zowat perfect en haar uitstraling meer dan charismatisch. Ze is een mooie vrouw met een weelderige bos krullen en ze beheerst de bühne vanaf haar eerste opkomst. Een diva die alleen met de grootsten is te vergelijken. Denk aan Callas of Oum Khaltoum.
Haar programma dat zij in 2011 naar het Concertgebouw bracht heette ‘Novaya Shira’. ‘Novaya’ betekent in het Russisch ‘het nieuwe’ en ‘Shira’ staat in het Hebreeuws voor ‘poëzie’, maar ook voor ‘gezang’.
Het meest verrast werd ik door het repertoire dat ze zong en waarvan ik dacht het door en door te kennen. Niet dus. Op een paar nummers na kende ik geen van de door haar gezongen liederen, allemaal uit Rusland afkomstig.
Of het over de oude ‘Matjoesjka Rassiya’ van de tsaren ging of de nieuwe orde van Stalin en de zijnen, één ding was duidelijk: gevaar lag op de loer. Als Jood mocht je je niet in grote steden vestigen, je liep de kans om voor 25 (of nog meer!) jaar het leger in te moeten en aan de horizon lagen de kampen van Siberië. Maar de mensen hadden elkaar lief, trouwden, kregen kinderen en… maakten revolutie.
Af en toe deed Lipovsky mij aan Esther Ofarim denken, wat mij betreft het grootste compliment mogelijk. Het mooiste kwam dat tot uiting in ‘Ikh un di velt’ (Ik en de wereld) van Reisen en Rauch.
Het is onmogelijk om al de liederen hier te bespreken, dus ik noem er maar een paar. Bijvoorbeeld het ontroerende ‘Di Varone’ (De Kraai), een traditionele melodie naar een tekst van E. Chrony, dat later door Sjostakovitsj in zijn cyclus ‘Uit de Joodse Poëzie’ werd gebruikt. Of ‘Shvartse kats’ (zwarte kat), een geestelijke satire op Stalin.
Lipovsky zong zeer ingetogen, a capella ‘Ikh hob gehert fun metschen’ (Ik heb gehoord van mensen), een anoniem lied uit het begin van het Sovjet-tijd. En ze raakte me zeer met ‘Aleyn in veg’ (Eenzaam op weg), naar een gedicht van Lermontov.
Het recital eindigde met een in perfect Russisch gezongen zigeunerliedje, ‘Sivodnya ya lyubyu’ (Vandaag heb ik lief). Hierbij moest ik aan Vertinski denken, de Russische bard uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Die van ‘Those were the days…’ Inderdaad.
Snel een traantje wegpinken, want het publiek wilde meer, en dus werden we getrakteerd op nog twee fantastische toegiften. En aangezien het Poerim was, een vrolijk Joods feest (zeg maar gerust het Joodse karnaval) ging de tweede over cadeautjes geven.
Lipovsky wist fantastische musici om haar heen te verzamelen, van wie één echt goed bekend was met het idioom: Bert Vos. Dat was te horen. Zijn solo’s waren duizelingwekkend in hun virtuositeit, dansant, vol humor, maar tegelijkertijd weemoedig. Precies zoals het Jiddische lied zelf is.
Op 23 december 2017 heeft Lipovsky, als eerste niet Amerikaanse/Canadese in New York de Adrienne Cooper ‘Dreaming in Yiddish’ Award ontvangen voor haar eigen composities en liedteksten en haar verdiensten voor de Jiddische cultuur.
Vocaal in de Kleine Zaal (in het kader van Rusland Festival)
Programma “Novaya Shira”- Shura Lipovsky and Friends
Bezocht op 16 februari 2011 in Het Concertgebouw in Amsterdam
De kans dat u ooit van Nicolae Bretan (1887 – 1968) hebt gehoord is niet zo groot. Dat ligt niet aan zijn muziek, want deze Roemeense componist/zanger (hij werd opgeleid als een bariton) heeft heel wat prachtige werken gecomponeerd.
Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij een korte tijd als de directeur van de Nationale Opera in Boekarest maar omdat hij weigerde lid te worden van de Communistische Partij werd hij uitgesloten van de componistenbond, wat betekende dat zijn werken niet meer uitgevoerd mochten worden. De kentering kwam in de jaren tachtig van de vorige eeuw: er werd toen (mede door het initiatief van zijn dochter) een Nicolae Bretan Muziekstichting opgericht, en de Engelse firma Nimbus nam gestaag zijn composities op.
Ik bezit drie van zijn vier opera’s: Horia (NI 5513/4),‘Golem’ en ‘Arald’ (NI 5424), daar heb ik altijd met veel plezier naar geluisterd, en die kan ik iedere operaliefhebber van harte aanbevelen.
Een paar jaar geleden is bij Nimbus (NI 5810) een cd met selectie van zijn liederen (hij heeft er meer dan 200 gecomponeerd!) uitgekomen, mooi gezongen door de bariton Alexandru Agache. Ze doen me een beetje aan liederen van Puccini denken, maar dan wel met een Roemeens-Hongaars sausje. Niet echt meesterwerken, maar zeer prettig om naar te luisteren.
Door hun weemoed stralen ze ook een zekere melancholie uit, en voor je het weet word je er een beetje droevig van. Daar Agache niet over al te veel kleurnuancen beschikt, kan het op den duur een beetje eentonig worden. Doseren met mate, zou ik zeggen.
Would we still love Callas so much if she had been an ‘ordinary’ happy person, like most of her colleagues? If she had been happily married and had had children, what she so longed for? If she didn’t suffer from bulimia and was not constantly fighting with her weight and body? If she had not fallen in love with Aristoteles Onassis, the super-rich Greek shipowner who left her to marry an even more famous lady? And if she had not lost her voice prematurely? Speculations, of course, but since even the most honest opera lover has something of a tabloid reader it keeps buzzing. People simply love gossip.
Rumour, success, being in the spotlight, are the most important ingredients in the lives of people who find their lives boring and everyday and lose themselves in the stories of the ‘rich and beautiful’. It should be noted that they feast most on the dark sides of the stories, because there is no greater happiness than sorrow.
Maria Callas was a diva with a true cult status. She owed this not only to her singing, but also to her unmistakable acting talent, her attractive appearance and her, unfortunately, more than tragic personal life.
However great, famous, loved and adored, Maria Callas was, she did not invent opera, nor was she the greatest actress amongst singers. Not all singers were equally gifted actors, but the image of a fat lady standing motionless on stage fluttering only her hands is not at all accurate.
Just think of Conchita Supervia, Geraldine Farrar, Marjorie Lawrence or Grace Moore, but there were more.
Conchita Supervia as Carmen
Geraldine Farrar as Carmen in a film from 1915:
What Callas truly was, was a pioneer in (dramatic) belcanto, and that happened more or less by accident (consult the DVD The Callas Conversations vol. II). It was a genre that at the time was a little neglected. It was she who gave us back the forgotten operas of Bellini, Donizetti and Spontini, but was she really the first?
There are many more sopranos from the time of Callas who sang at the highest level and deserve to be discussed. The sopranos I am going to talk about were all more or less Callas’ contemporaries and all sang almost the same repertoire (not counting spinto sopranos that sang mainly verist roles, such as Magda Olivero, Carla Gavazzi or Clara Petrella).
These divas missed the chance to be in the right place at the right time. Or: to meet someone who was important enough not only to boost your career, but also to give you a record deal.
Maria Callas as La Gioconda in 1952
Cynical?
It has always been like this and nowadays it is no different, although we are dealing with another aspect: the ideal of beauty. If you don’t meet it, you can say goodbye to your career in advance – fat people are not even allowed to audit in many theatres anymore and a starting Callas would have absolutely no chance at all now.
ANITA CERQUETTI
Her career, like that of Callas, didn’t last long. She was born in 1931 and made her opera debut as Aida in Spoleto as early as 1951 (!). She became – typically enough – the most famous by stepping in for a sick Callas in 1958. While she was still in a production of Norma in Naples, she sang some performances of the same opera by Bellini at the opera house of Rome, instead of La Divina.
Anita Cerquetti sings ‘O re dei cieli’ from Agnese di Hohenstauffen by Spontini:
On the label Bongiovanni (GB 1206-2, unfortunately not on You Tube) you can hear her in the famous ‘Casta diva’ from Norma. For me this is one of the most beautiful performances of this aria ever. Goosebumps.
Cerquetti sings Norma. Recording from 1956:
LEYLA GENCER
Born in 1928 in a small town close to Istanbul, Gencer, just like Callas, has a cult status, even today, but on a smaller scale. She had a Turkish father and a Polish mother, which made her proficient in that language. There is even a pirate recording of her with songs by Chopin in Polish:
Gencer’s real speciality was belcanto. She sang her first Anna Bolena only a year after Callas:
And unlike Callas, she also included the other Tudor Queen operas by Donizetti in her repertoire: Roberto Devereux and Maria Stuarda.
Gencer as all three Tudor Queens
Besides all her Bellini’s, Donizetti’s and Verdi’s, and between Saffo by Paccini and Francesca da Rimini by Zandonai, she also sang some of Mozart’s songs. Fortunately, her Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne was recorded and released on CD some time ago. For the rest, you have to settle for the pirates.
Her round and clear voice – with the famous pianissimi, which only Montserrat Caballé could match – is so beautiful that it hurts. If you have never heard of her before, listen below to ‘La vergine degli angeli’ from La forza del Destino, recorded in 1957. Bet you’re going to gasp for breath?
VIRGINIA ZEANI
Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them, born in Solovăstru in 1925.
Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (indented for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a costly anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?
The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc. Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:
I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!
Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:
CATERINA MANCINI
Never heard of her? Then it’s time to make up for the damage, because I promise you a voice out of thousands, with a beautiful height, pure coloratures (all ‘al punto’) and a drama that could make even La Divina jealous.
Mancini sings “Santo di patria… Da te questo m’è concesso” from Attila by Verdi:
Mancini’s career also lasted only a short time. People talked about health problems, but what really happened? The fact is that the soprano, born in 1924, stopped working as early as 1960. Although her name can still be found in 1963, as contralto (!) at the concert in memory of Kennedy.
Mancini made her debut in 1948, as Giselda in I Lombardi. At the Scala she already sang Lucrezia Borgia in 1951. Donizetti, Rossini and Bellini are not lacking in her repertoire.
The Italian label Cetra has recorded a lot with her; difficult to obtain, but so very worthwhile to look for!
At her best I find her as Lida in La Battaglia di Legnano by Verdi. Below a fragment of it:
MARCELLA POBBE
Marcella Pobbe may be a bit of an outsider in this list, as she had fewer belcanto roles in her repertoire (Gluck and Rossini, but no Bellini). But the Verdi and Puccini heroines she more or less had in common with La Divina.
Pobbe sings ‘D’amor sull’ali rosee’ from Il Trovatore:
She also sang a lot of Mozart and Wagner. But what made her really famous is Adriana Lecouvreur from Cilea
Pobbe was exceptionally beautiful. Elegant, elegant, almost royal. And her voice was exactly the same: her singing flowed like a kind of lava, in which you could lose yourself completely. Nobody then thought it necessary to record her. We already had La Divina, didn’t we?
Pobbe sings ‘Ave Maria’ from Otello by Verdi:
Listen below for example to ‘Io son l’umile ancella’ from Adriana Lecouvreur and think of that golden age, which is irrevocably over.
We schrijven Parijs 1539. Benvenuto Cellini en zijn leerling Ascanio zijn beiden verliefd op de mooie Colombe. Maar het is ingewikkelder dan u denkt. Er is namelijk nog Scozzone en die is verliefd op Cellini. En La Duchesse d’Étampes ziet Ascanio helemaal zitten en wil van Colombe af. U snapt het meteen: foute boel!
Cellini vermoedt verraad en verbergt Colombe in een reliekschrijn. De Duchesse komt er achter en beveelt de bedienden de kist naar haar landgoed te brengen en zo Colombe te laten stikken. Scozzone die aanvankelijk aan het complot meedeed krijgt er spijt van en neemt Colombe’s plaats in de kist. Morta. Maar er is ook goed nieuws: Ascanio en Colombe mogen trouwen.
Het libretto is gebaseerd op het toneelstuk ‘Benvenuto Cellini’ van Paul Meurice en Auguste Vacquerie maar de naam werd veranderd om verwarring te voorkomen met Benvenuto Cellini van Berlioz. De – mislukte -première vond plaats op 21 maart 1890 inde Académie Nationale de Musique in Parijs. Ik kan geen enkele reden bedenken voor de mislukking en nog minder voor het negeren van de opera voor lange tijd.
De voorliggende opname is, voor zo ver ik weet de allereerste volledige registratie van het werk en het verbaast mij zeer dat we er zo lang op moesten wachten. De partituur is buitengewoon goed en verrassend,voornamelijk instrumentaal. De combinatie van belcanto en veristische dramatiek met de Franse slag is gewoon opwindend.
De uitvoering, in november 2017 live opgenomen in Geneve is onvoorstelbaar goed. Ik denk dat de verdienste voornamelijk op conto van de dirigent Guillaume Tourniaire moet worden geschreven: vanaf het begin tot het einde hield hij mij op mij stoel genageld.
Bernard Richter ontroert als Ascanio en Karina Gauvin is een gemene Duchesse. Eigenlijk zijn alle zangers meer dan voortreffelijk maar het meest werd ik ontroerd door Eve-Maud Hubeaux (Scozzone). Luister even naar haar ‘O coeur pur’ en probeer het droog te houden!
CAMILLE SAINT-SAËNS Ascanio Jean-Francois Lapointe, Bernard Richter, Eve-Maud Hubeaux, Jean Teitgen, Karina Gauvin Clemence Tilquin Choeur de la Haute Ecole de Musique de Geneve, Choeur du Grand Theatre de Geneve Orchestre de la Haute Ecole de Musique de Geneve olv Guillaume Tourniaire LBM 013
Ik denk niet dat het verstandig was om ‘Ekkehard’, een jeugdwerkje van Franz Schreker op te nemen. Überhaupt. En al zeker niet om het aan het begin van de cd te plaatsen. De symfonische ouverture heeft weinig om het lijf, klinkt onsamenhangend, is saai en werkt eerder afschrikwekkend dan uitnodigend tot luisteren. ‘Phantastische Ouvertüre’ op 15 is nauwelijks beter en zelfs ik, een keiharde Schreker-fan heb echt moeten doorzetten om het af te luisteren.
Gelukkig vind je op die cd ook twee op de gedichten van Hans Reisiger (naar Walt Whitman) gecomponeerde liederen met de titel ‘Vom Ewigen Leben’ en hier hoor je de echte Schreker. Sensueel en smachtend. Dat mijn eindoordeel niet negatief uitpakt ligt dan ook aan de liederen die prachtig, met veel sehnsucht gezongen worden door de Australische sopraan Valda Wilson.
Maar het kan ook een beetje aan de jonge Engelse dirigent Christopher Ward liggen. Hij dirigeert zeer kundig maar het ontbreekt hem aan een echte drive. Ik kan mij ook niet aan de indruk onttrekken dat hij het ‘Schrekiaanse idioom’ niet helemaal begrijpt, want ergens tussen de alle zeer keurig gespeelde noten is hij de erotiek kwijtgeraakt. Het best hoor je het in het bekendste stuk van Schreker, zijn ‘Vorspiel zu einer grossen Oper’.
FRANZ SCHREKER Ekkehard; Vom Ewigen Leben; Phantastische Ouvertüre; Vier kleine Stücke fürgrosses orchester; Vorspiel zu einer grossen Oper Valda Wilson (sopraan) Deutsche Staatsphilharmonie Reihnland-Pfalz olv Christopher Ward Capriccio C5348
I had been playing with the idea of writing about modern American operas, because nowhere in the world is opera as alive as it is there. Romantic, minimalistic, dodecaphonic: something for everyone.
But ask the average opera lover (the diehards know Heggie, Barber and Menotti) to name an American opera composer: bet that they will not get beyond Philip Glass and John Adams. Why is that? Because we, Europeans, have a nose for American culture and feel superior in everything. That’s why
September 2018 it was exactly twenty years ago that an important American opera had its premiere in San Francisco: A Streetcar named desire by André Previn, after the play by Tennesee Williams. I was there.
Expectations were high. Tennesee Williams’ A Streetcar Named Desire is one of the best known and most important American plays. Its adaptation by Elia Kazan in 1951 not only earned the play worldwide recognition but also a real cult status; and the main characters – curiously enough except for Marlon Brando – were all rewarded with an Oscar.
The play was made into a film twice more, without success. Not surprisingly, there are few films – or dramas – so intensely linked to the actors’ names. Still, it was the ultimate dream of Lotfi Mansouri, the then boss of the San Francisco Opera, to turn ‘Streetcar’ into an opera. Leonard Bernstein was approached but showed no interest.
The choice eventually fell on André Previn, a choice that seemed a bit strange to some, after all he had never composed an opera before.
Philip Littel, an old hand in the trade, wrote the libretto. He was best known for The Dangerous Liaisons, an opera that premiered two years earlier with great success. Colin Graham was the director and for the leading roles, great singer-actors were cast.
The libretto closely follows the play and does not shy away from even the most difficult details. Small cuts have been made and Littel allowed himself a small addition: the Mexican flower saleswoman with her sinister ‘Flores, flores para los muertos’ returns at the end of the third act, with a clear message for Blanche. To me this felt slightly superfluous.
The stage images resembled those from the film. The first scene already: mist, a little house with the stairs to the upstairs neighbours and Blanche, carrying her little suitcase, singing ‘They told me to take a streetcar named Desire…” A feast of recognition for the film lover.
Renée Fleming sings I can smell the sea air:
You recognise fragments of Berg, Britten, Strauss and Puccini in the music, which is easy on the ears. The atmosphere is partly determined by strong jazz influences and you hear many trumpet and saxophone solos. Logical, after all, it takes place in New Orleans.
The opera is through-composed, but contains numerous arias: Stella and Mitch get one, there is a duet for Stella and Blanche, and Blanche herself is very richly endowed with solo’s. All attendees speculated what notes Stanley would get to sing with his famous “Stelllllaaa!!!
None, as it turned out. Rodney Gilfrey (Stanley), just like Marlon Brando in the movie stood at the bottom of the stairs and shouted. And just like in the movie Stella came back. The next morning she woke up humming. And she responded to Blanche with a beautiful big aria “I can hardly stand it”.
Elisabeth Futral provided a true sensation in her role of Stella. Blessed with a brilliant, light, agile soprano, she sang the stars from the sky and was ovationally applauded by the press and the public.
Stanley Kowalski’s role was Rodney Gilfrey’s own. He even did me, even if it had been forgotten Brando for a while. I don’t know how he did it, but he could sing and chew gum at the same time! He looked particularly attractive in both the torn white T-shirt and the “red silk pajamas”. Unfortunately Previn didn’t give him an aria to sing, which made him even more unsympathetic as a person.
Mitch was sung very sensitively by the then unknown tenor Anthony Dean Griffey, and Blanche….. André Previn wrote the role especially for Renée Fleming and you could hear that. Sensational.
Meanwhile Fleming has added her large aria ‘I Want Magic’ to her repertoire and recorded it in the studio for the CD with the same name.
The opera was recorded live by DG and brought on the market in the series 20/21 (music of our time).
DVD
The opera has now become a classic and is performed in many opera houses in many countries, but the chance that you will ever see the opera in the Netherlands is virtually nil. Fortunately it was also recorded on DVD (Arthaus 100138). Not so long ago I have watched it again.
“Whoever you are – I have always depended on the kindness of strangers” sings Blanche Du Bois (Fleming), disappearing into the distance. She is led away by a psychiatrist, whom she sees as a worshipper.
Her words echo on, a trumpet plays in the distance, and strings take over the blues. The heat is palpable, the curtain falls and I look for a handkerchief. Before that I spent two and a half hours on the edge of my chair and even forgot the glass of whiskey I filled at the beginning of the opera.
People: buy the DVD and get carried away. It is without a doubt one of the best operas of the last twenty years.
Renée Fleming in conversation with André Previn about the opera:
THE KINDNESS OF STRANGERS
The kindness of Strangers’ is also the title of a film about André Previn, made by Tony Palmer
The kindness of Strangers’ is also the title of a film about André Previn
Daniil Trifonovs vertolking van het tweede en het vierde pianoconcert van Rachmaninoff is het allerbeste wat ik in jaren heb gehoord. Zijn energie is tomeloos, de spanning is om te snijden en de manier hoe hij de sentimentele passages met pure virtuositeitsvertoon weet te combineren is weergaloos.
Dat Trifonov, nog maar 27 jaar oud tot de meest opwindende pianisten van de laatste tijd behoort, dat wisten we wel. Ook zijn affiniteit met de muziek van Rachmaninoff was ons bekend. Maar soms ontstijgt iets je voorstellingsvermogen en dat is wat nu gebeurt. Geholpen door Yannick Nézet-Séguin laat Trifonov je alle (en dat zijn er heel erg wat!) uitvoeringen van nummer twee vergeten. Niks geen routine, niks geen klank om de klank alleen, niks geen spiervertoon. Hier gebeurt echt een wonder: het is alsof ik het concerto voor het eerst in mijn leven onderga. …
In nummer vier gaat hij nog een stapje verder en gebruikt al zijn techniek om het concert nog moeilijker te laten klinken dan het is. Of juist makkelijker, wat elkaar niet tegenspreekt. Ik heb nog nooit in mijn leven een betere uitvoering van dit concert gehoord.
Maar er is meer. Tussen de beide pianoconcerto’s zit ‘een mopje’ Bach: Rachmaninoffs eigen bewerking van de vioolsolopartita BWV 1006. Ik vind die transcriptie heel erg mooi, het voelt ook een beetje als een oase van zalige rust.
Vergeet trouwens het Philadelphia Orkestra niet, ooit Rachmaninoffs eigen ‘huisorkest’! Onder de waanzinnig energieke, inspirerende en opwindende leiding van Yannick Nézet-Séguin ontplooien ze zich als een meesterlijk virtuoos geheel. Voornamelijk de houtblazers klinken opmerkelijk goed.
De live opname maakt het genot nog groter en intenser. Laat je niet door de rare titel, de hoes en de foto’s misleiden, die slaan nergens op. Koop de cd en geniet van wat wellicht de beste opname van het jaar is.
Destination Rachmaninov. Departure. SERGEI RACHMANINOV: pianoconerto’s 2 &4 J.S.BACH: Suite from the Partita for Violin in E major BWV 1006 Daniil Trifonov The Philadelphia Orchestra olv Yannick Nézet-Séguin DG 4835355
Goed beschouwd is A Quiet Place een stuk over The American Dream in suburbia. De film Pleasantville uit 1998 geeft hiervan een heel integer beeld. Meestal overheerst echter de schone schijn zoals dat lekker zwaar aangezet wordt in een tv show als Happy Days. Dat het onder de oppervlakte meer weghad van een sociaal labyrint heeft John Updike later geschetst in zijn roman Couples.
Het o zo fantastische leven in een slaapstad wordt in de opera bezongen door een jazztrio dat op de meest onverwachte momenten opduikt, vanonder het aanrecht, vanachter een zijmuur of vanuit de kelder in het kleine witte huisje waar de hoofdpersonen Sam en Dinah hun door Life Magazine vereeuwigde idylle beleven, compleet met chlorofyl tandpasta. Who wants more? Het zijn de naoorlogse jaren onder de presidenten Truman en Eisenhower, toen in Nederland ‘Geluk nog heel gewoon was’.
In werkelijkheid maken Sam en Dinah alleen maar ruzie en zijn na tien jaar huwelijk zozeer van elkaar vervreemd dat ze allebei veinzen een lunchafspraak met een ander te hebben als ze elkaar toevallig in de stad treffen. Zij komt van een bezoekje aan haar psychiater, hij is even weg van kantoor waar hij net weer geweldig bezig is geweest, een echte winnaar. Eigenlijk moeten ze allebei die middag naar een toneelstukje op de school van hun zoontje Junior die daarin een belangrijke rol speelt. Maar Sam geeft de voorkeur aan de finale van een handbaltoernooi en Dinah gaat naar een film.
Dit deel van de opera is overgenomen uit Bernsteins eenakter uit 1951 Trouble in Tahiti. Het brengt Sams herinneringen tot leven in de dagen die volgen op de begrafenis van Dinah die omgekomen is bij een auto ongeluk. De titel refereert aan de film die Dinah die middag van Juniors toneelstuk heeft gezien. Een escapistisch geheel dat door haar uitgebreid wordt verteld. De kernscène ‘Island Magic’ laat Bernstein klinken als een parodie op de populaire musical South Pacific.
Dinah’s begrafenis is de aanleiding voor het samenkomen van de leden van het volledig ontwrichte gezin. Sam en Dinah zijn ondanks alles zo’n veertig jaar bij elkaar gebleven. Junior is naar Canada geëmigreerd om de dienstplicht te ontlopen tijdens de Vietnam oorlog. Zijn jongere zus Dede is hem later nagereisd en getrouwd met Juniors homofiele partner Francois, zodat ze de aan een psychose lijdende Junior samen kunnen beschermen.
De emoties lopen hoog op, zijn vaak nogal rauw, het gaat er hard aan toe. Verwijten vliegen over en weer, trauma’s komen naar boven. Junior heeft een dwangneurose die hem voortdurend alles laat rijmen en in twee grote blues nummers, een soort rap avant la lettre, veegt hij de vloer aan met zijn vader en later ook met het beeld dat Francois heeft van de relatie die hij ooit met zijn jonge zusje had. De als Junior uitblinkende bariton Michael Wilmering gaf het alles wat hij had waardoor deze topnummers in volle glorie over het voetlicht kwamen.
Het stuk komt wat traag op gang doordat de openingsscène in het uitvaartcentrum nogal veel bijfiguren kent die allemaal hun zegje moeten doen. Hier hadden Wadsworth en Bernstein zich nog wat meer mogen beperken. Zodra Sams gezin centraal komt te staan, krijgt de handeling veel vaart en die blijft er tot het einde in als na een kortstondige verzoening er door een kleinigheid toch weer een knetterende ruzie ontstaat, vooral door toedoen van Junior die in een vlaag van razernij het losbladige dagboek van zijn moeder de lucht ingooit. Vrij snel keert de rust echter terug omdat iedereen beseft dat het zo niet kan blijven gaan, men moet proberen tot elkaar te komen. Het is het einde van de opera: all is quiet in het witte huisje van Sam en Dinah, de ‘quiet place’ uit de titel.
Orpha Phelan (regie) en Madeleine Boyd (scenografie & kostuums) hebben gekozen voor een eenheidsdecor waarin door middel van minimale wijzigingen een wisseling van plaats en tijd aanschouwelijk wordt gemaakt. Het werkt wonderwel, een mooi voorbeeld van hoe je met relatief beperkte middelen heel effectief te werk kunt gaan. Alles ziet er doordacht uit, de toeschouwer kan zich probleemloos verplaatsen in elke scènewisseling. Matthew Haskins heeft gezorgd voor een uitgekiende belichting en Lauren Poulton voor een fraai uitgewerkte choreografie. Hoe iedereen beweegt mag gerust voorbeeldig worden genoemd.
Het jazztrio bestaande uit Veerle Sanders, Jeroen de Vaal en Rick Zwart (mezzo, tenor, bariton) wordt ook ingezet ter ondersteuning van de handeling. Zo houden de mannen een handdoek voor Young Sam die zich uitkleedt terwijl hij in een opblaasbadje staat nadat hij met zijn team de finale van de handbalwedstijd heeft gewonnen. Terwijl hij zingt over mannen die geboren zijn als winnaars terwijl anderen gedoemd zijn hun hele leven verliezers te blijven, gebruikt hij beide mannen als kapstok terwijl Veerle hem een douchebad geeft met behulp van een tuingieter.
En om het tijdsbeeld nog eens extra kleur te geven mag Veerle zich helemaal uitleven in een dansnummer gestoken in een Playboy Bunny kostuum. Het trio vormde een geweldige ondersteuning voor de handeling, enerzijds zorgde het voor comic relief, anderzijds leverde het ironisch commentaar op het gebeuren. En steeds uitstekend gezongen en met perfect uitgevoerde bewegingen.
De ménage à trois bestaande uit Junior, Dede en hun beider partner Francois leverde een topprestatie. Zowel de moeilijk te zingen delen, meer praten, als de lyrische momenten kwamen uitstekend uit de verf. Tenor Enrico Casari gaf herkenbaar uitbeelding aan de relatieve buitenstaander die zijn schoonvader voor het eerst ziet en verzeild raakt in een situatie waarin hij Junior er niet van kan weerhouden Dinah’s begrafenis op stelten te zetten.
Dede werd fraai geportretteerd door de sopraan Lisa Mostin, onzeker, kwetsbaar, maar ook blij haar vader eindelijk weer te zien, als was het dan bij de kist van haar moeder. ‘I’m so pleased we’ve met’ zingt zij haar vader toe, alsof hij nieuw voor haar is. In de tuin zingt ze aandoenlijk over de verwildering, alsof Dinah haar einde had zien aankomen en maar vast was gestopt met dat eindeloze onkruid wieden.
Old Sam was in handen van de zeer ervaren bas-bariton Huub Claessens die zijn reputatie alle eer aandeed. Zijn jongere tegenhanger werd vertolkt door de bariton Sebastiàn Peris I Marco die deze rol dit jaar ook al zong in Trouble in Tahiti tijdens het Opera Forward festival van DNO. Goed gezongen en prima geacteerd: een onprettig persoon die Young Sam.
De sopraan Turiya Haudenhuyse gaf gestalte aan Dinah. Ze zong net als Peris die rol ook als bij DNO in Trouble in Tahiti. Haudenhuyse een mooie vertolking van een ‘desperate housewife’ jaren ’50 stijl, vaste klant bij een ‘shrink’ en haar frustraties wegschrijvend in een dagboek.
Mede doordat het stuk een gebroken ontstaansgeschiedenis heeft, treden er nogal wat verschillen in het muzikale idioom op. Wat terug gaat op Trouble in Tahiti is jazzy, vaak melodieus zoals in Candide en West Side Story. Ook de instrumentatie doet geregeld sterk aan Bernsteins grootste succesnummer denken. De mantel die eromheen is gelegd waardoor A Quiet Place is ontstaan, is dertig jaar later stand gekomen en dat is goed te horen. Toch ook hier herkenbaar idioom en jazzy momenten.
Dirigent Karel Deseure wist dit muzikale palet volop kleur te geven. Hij gaf uitstekend leiding aan de prachtig spelende philharmonie zuidnederland. Dat gezegd hebbend moet wel worden benadrukt dat het echte theatermuziek is. Het is minder geschikt om als op zichzelf staand stuk te beluisteren. Omgekeerd betekent dit dat hoge eisen worden gesteld aan de enscenering, die moet het tot een aansprekend geheel maken. Wel, dat is hier bijzonder goed gelukt. Deze Quiet Place is een fantastische productie, de voorstelling is er een met een gouden rand. Opera Zuid heeft hiermee een geweldige troefkaart in handen voor een succesvolle tournee langs de Nederlandse theaters met een uitstapje naar Luxemburg.