Peter Franken

Kosky’s Fledermaus: Donner und Glitz

Tekst: Peter Franken

Met een overdonderende première van ‘Die Fledermaus’ in de regie van Barrie Kosky werd het eindejaar seizoen bij DNO afgetrapt, nota bene op Sinterklaasavond. Kosky, bekend om zijn voorkeur voor gender fluïditeit in zijn operette-ensceneringen, heeft zichzelf nog eens weten te overtreffen. Dit tot groot enthousiasme van het publiek.

Johann Strauss jr. (1825-1899) schreef vooral korte orkeststukken en operettes waarvan er eentje zo vaak op het programma van reguliere operahuizen is komen te staan dat het de status van opera heeft gekregen: ‘Die Fledermaus’ uit 1874. Het is een Spieloper met een eenvoudig verhaaltje dat zozeer is opgerekt met losse nummers dat het avondvullend is geworden. Met name de conference van gevangenenbewaarder Frosch in de derde akte neemt vaak veel tijd. En tijdens het feest ten huize van Prinz Orlovski worden soms gastsolisten op het toneel gebracht, alsof ze daar een gig hebben die avond.

‘Mein Herr Marquis’ gezongen door het kamermeisje Adèle is een van de topnummers, samen met de Czardas ’Klänge der Heimat’van Rosalinde die later haar niets vermoedende echtgenoot zijn horloge afhandig weet te maken om hem daar later mee te confronteren, uiteraard dan zonder vermomming: ‘Dieser Anstand, so manierlich’.

Alles goed en wel, moet Kosky gedacht hebben, maar daar is toch wel wat meer van te maken. En met behulp van de inventieve decors van Rebecca Ringst en de uitzinnige kostuums van Klaus Bruns is dat wonderwel gelukt. Wie wel eens eerder een operette in de regie van Kosky heeft gezien zal met me eens zijn dat sommige scènes de subtiliteit van een sloopkogel hebben. Tegelijkertijd wordt de toeschouwer meegenomen in een handeling waarin zoveel vaart wordt gebracht dat dit in het geheel niet stoort maar vooral bijdraagt aan het amusementsgehalte.

Zijn ‘Orphée aux enfers’ is hiervan het sprekende voorbeeld en in ‘Die Fledermaus’ probeert hij die productie nog te overtreffen. Dat dit in mijn beleving niet helemaal is gelukt komt vooral voor rekening van het werk zelf: met ‘Orphée’ is meer te beginnen dan met ‘Fledermaus’. Met name de derde akte is problematisch door het ‘verplichte’ optreden van een cabaretier in de persoon van de cipier Frosch. Gelukkig heeft Kosky daar een oplossing voor bedacht die goed in de smaak bleek te vallen.

In de eerste akte speelt de handeling zich af op een stadsplein dat zowel de binnen- als buitenruimte voorstelt. Verrijdbare gevels in Biedermeierstijl suggereren een keurige geordende maatschappij waarin iedereen vooral de schone schijn probeert op te houden. Hoeveel moeite dat kost wordt getoond door de gevels te draaien. Dan wordt de stalen constructie zichtbaar die de hele zaak overeind houdt. En aan het einde valt de papieren gevelbekleding zelfs helemaal naar omlaag: alles is van bordpapier, niets is echt.

Tijdens de ouverture ligt Eisenstein in bed en lijkt een nachtmerrie over vleermuizen te hebben, aanschouwelijk gemaakt door een vleermuizenballet. Kennelijk leeft in zijn onderbewustzijn de vrees dat Falke hem vroeg of laat op zijn beurt voor gek zal zetten na zijn grap van jaren eerder die zijn vroegere vriend de bijnaam Dr. Fledermaus heeft bezorgd.

Waar het spel in de eerste akte vooral drijft op een ‘theater van de lach’ benadering trekt Kosky in de tweede alle registers open. Het koor is uitzinnig uitgedost, Orlovsky komt op als drag queen, vergezeld door een paar paladijnen in vergelijkbare kostuums. De decorstukken zijn nu allemaal omgedraaid: in Orlovsky’s landhuis is geen sprake van schone Weense schijn, hier gaan alle maskers af. De ironie wil dat juist nu iedereen zich probeert te verschuilen achter een andere identiteit, niemand is die hij of zij voorgeeft te zijn. Massale scènes met veel beweging worden afgewisseld met momenten dat er maar twee of drie mensen op het toneel staan. Zo worden de spilmomenten van de handeling extra benadrukt.

Geen intermezzo voor bezoekende artiesten in deze productie maar vlak voor de pauze een wervelend ballet op de polka ‘Unter Donner und Blitz’. So far so good..

Mijn verwachting dat Kosly erin zou slagen ook in de moeizame derde akte het tempo hoog te houden werd niet bewaarheid. Cipier Frosch was ditmaal een zeer geoefend tapdanser die in combinatie met ‘lichaamspercussie’ een uitstekende act wist op te voeren. Maar het duurde mij te lang en toen hij het publiek probeerde mee te krijgen in het maken van geluiden en andere vormen van participatie haakte ik tijdelijk af. Ook de rest van de akte leunde naar mijn smaak onnodig sterk op slapstick en herhaling van flauwe grapjes

Na de tapdansende Frosch bleek er nog een sprekende variant te zijn die vooral als aangever voor gevangenisdirecteur Frank diende. In zijn gevolg nog vier andere ‘Froschjes’ die heen en weer renden en uitroepen mochten slaken. Als ik mezelf niet zo enorm had geamuseerd voor de pauze had ik er minder moeite mee gehad. Nu was het verschil me te groot. Een lichtpunt was vooral Adèles ‘Spiel ich die Unschuld vom Lande’.

Om een voorstelling op de planken te brengen waarin zoveel mensen zich vrijwel voortdurend in hoog tempo bewegen moet je van goede huize komen. En natuurlijk de beschikking hebben over een ervaren choreograaf: Otto Pichler. Ook de belichting van Joachim Klein had een duidelijke inbreng.

De ster van de show was voor mij bariton Björn Bürger als Eisenstein. Ik herinnerde mij hem als de wat timide Wolfram in Loy’s ‘Tannhäuser’ uit 2019 waarin hij met zijn zang veel aandacht trok. Hier bleek hij ook uitstekend te kunnen acteren, dansen en acrobatische toeren uit te kunnen halen. Een compleet pakket zogezegd, geweldig optreden.

Zijn belangrijkste tegenspeelster Rosalinde was een kolfje naar de hand van sopraan Hulkar Sabirova, ook een zeer compleet artiest. Haar entrée in huize Orlovsky met de Czardas werd met veel bravoure gebracht.

Sydney Mancasola als Adèle vond ik wat schel klinken zo nu en dan maar haar complete act maakte dat meer dan goed. Ze opent in feite de handeling met een paar coloraturen en staat indien enigszins mogelijk de aandacht van het publiek daarna niet meer af. Haar vertolking van ‘Mein Herr Marquis’ is op afstand de leukste die ik tot op heden heb meegemaakt.

Dr. Falke was in goede handen bij Thomas Oliemans, zeer degelijk en tevens bij vlagen hilarisch. Eindelijk trekt zijn personage aan het langste eind maar hij ziet er vanaf Eisenstein het metaforische genadeschot te geven.

Miles Mykkanen acteerde als een zanger die aan de cocaïne was, over the top maar ja, Kosky. Zingen kon hij ook trouwens, deze Alfred.

Frederik Bergman kon zich helemaal uitleven als gevangenisdirecteur Frank en mezzo Marina Viotti hing het feestbeest Orlovski uit. Over haar acteren was ik meer te spreken dan over de zang overigens.

In de kleinere rollen Mark Omvlee als Dr. Blind en Tabea Tatan als Ida. De tapdanser verdient een speciale vermelding: Max Pollak.

Het NedPho stak deze avond in grootse vorm, mede door toedoen van maestro Lorenzo Viotti die er alles uit wist te halen. Schmalz, weemoed, verlangen, uitbundigheid, het kwam allemaal voorbij. Het koor van DNO ingestudeerd door Edward Ananian-Cooper was nadrukkelijk aanwezig in de tweede akte, compleet met een grote groep dansers. Het ‘gevoelige’ ’Brüderlein und Schwesterlein’ gezongen door Oliemans en later overgenomen door alle aanwezigen vormde een mooie bijdrage van het koor.

Er volgen nog negen voorstellingen, de laatste op 29 december.

Foto’s: De Nationale Opera | Bart Grietens

Over Vleermuizen van hier tot daar en terug: een piepkleine selectie

Bekroonde Ruslan en Lyudmila uit het Bolshoi betovert

Tekst: Peter Franken

Stage design for ”Ruslan and Lyudmila” ©Bridgeman Images

Ruslan en Lyudmila had première in 1842. Het was de tweede opera van Michail Glinka (1804-1857) na Ivan Susanin uit 1836. Glinka wordt wel gezien als de eerste componist uit Rusland die zich de klassieke muziek uit West Europa eigen maakte en daarop voortbouwde. Zijn opera’s hebben dan ook een geheel ander klankbeeld dan die van Moessorgski, Borodin en Rimski Korsakov die feitelijk de eerste generatie echt Russische componisten vertegenwoordigen.

Het libretto van Ruslan en Lyudmila is gebaseerd op een gedicht van de onvermijdelijke Pushkin die op zijn beurt uitging van vroeg middeleeuwse legendes over de ontvoering van Lyudimila, de dochter van prins Vladimir van het Kievse Rijk. De opera speelt zich af aan het hof van Kiev en op een aantal sprookjesachtige locaties.

Mikhail Petrenko, Albina Shagimuratova ,Vladimir Ognovenko Setozar

De handeling begint met de bruiloft van Lyudmila die uitkijkt naar een leven met haar uitverkorene  edelman Ruslan maar tegelijker tijd wat melancholiek is gestemd nu ze definitief een keuze heeft gemaakt. Het betekent een afscheid van haar vader maar ook van twee vrijers die naar haar hand hebben gedongen. Dat zijn de Varjaar Farlaf en de Khazaar Ratmir, niet toevallig vertegenwoordigers van de beide buurlanden van Kiev Rus.

Ze spreekt hen troostend toe. Dan heft de bard Bayan een lied aan waarin hij het liefdespaar een zware toekomst voorspelt die pas na veel ellende plaats zal maken voor een leven vol geluk. Dat wordt hem niet in dank afgenomen maar hij krijgt onmiddellijk zijn gelijk. Het wordt plotseling donker en er is bliksem te zien. Verwarring alom en als het weer licht en rustig is geworden blijkt Lyudmila te zijn verdwenen.

Haar vader Svetosar raakt in paniek en belooft dat de man die haar zal terugbrengen zijn dochter mag trouwen en de helft van zijn rijk krijgt. Hij kan dat doen omdat het huwelijk met Ruslan nog niet is voltrokken en die trekt erop uit met zijn concurrenten.

Ruslan ontmoet de welwillende tovenaar Finn, zo genoemd omdat hij uit Finland komt. Die vertelt hem zijn levensverhaal waarvan voor de toeschouwer uitsluitend de afloop ter zake doet. Hij heeft een vete met zijn vroegere geliefde Naina die hem in alles tegenstreeft. Hij gelooft in liefde en geluk, zij in het tegendeel.

Finn wil Ruslan helpen in zijn queeste om Lyudmila terug te vinden maar waarschuwt dat Naina hem zal tegenwerken door een van zijn concurrenten te helpen, gewoon om hem dwars te zitten. Zij is de boze heks in het verhaal.

Illustration for Ruslan and Ludmila by DeGrafo

Ruslan komt in een verlaten gebied terecht waar hij overal knekels ziet liggen, overblijfselen van een veldslag lang geleden. Dan verschijnt er een hoofd dat hem probeert weg te blazen. Ruslan weet zich staande te houden en bevraagt het hoofd. Het vertelt een verhaal over een zwaard dat hem, een reus, en zijn dwergbroer Chernomor, een boze tovenaar, zou doden. Door hem te onthoofden en het hoofd naar een verlaten land te toveren en het zwaard onder het hoofd te verbergen heeft Chernomor geprobeerd de vloek van zichzelf af te wenden. Nu Ruslan het zwaard heeft kan hij de vloek in vervulling doen gaan en tevens Lyudmila bevrijden die door Chernomor is ontvoerd.

Inmiddels is Farlaf bij Naina terecht gekomen die hem haar hulp heeft toegezegd om Lyudmila te bevrijden van Chernomor. In een volgende scène zien we Ratmir opduiken in Naina’s betoverde slot, vol verleidelijke dames, die hem van zijn queeste af proberen te brengen. Dan verschijnt daar ook zijn vroegere haremfavoriete Gorislava die zijn interesse zozeer weet te hernieuwen dat hij Lyudmila verder maar laat zitten. Ook Ruslan doet zijn intrede en vergeet bijna waarvoor hij is gekomen totdat Finn binnenkomt en hem weer op het juiste pad brengt, tot ongenoegen van Naina.

Middelerwijl is Lyudmila gevangen in het kasteel van Chernomor waar ze aan velerlei verleidingen wordt blootgesteld. Net op tijd verschijnt Ruslan die Chernomor weliswaar weet te doden maar niet kan verhinderen dat hij Lyudmila betovert waardoor ze in diepe slaap geraakt.

Yuri Minenko, Alexandrina Pendatchanska, Albina Shagimuratova, Mikhail Petrenko

Ruslan en Farlaf brengen Lyudmila teriug naar het hof. Ratmir en Gorislava gaan ook mee. Farlaf weet met Lyudmila te ontsnappen en komt als eerste bij Svetosar aan om zijn beloning op te eisen. Hij kan echter de betovering niet verbreken en ook Naina is niet in staat hem te helpen. Uiteindelijk lukt dat Ruslan wel, met behulp van Finn en dan zijn we weer terug aan het begin: het huwelijk van Ruslan en Lyudmila.

Twee elkaar tegenstrevende tovenaars, een diepe slaap, een betoverd slot, een zwaard dat uitkomst moet bieden, een pratend hoofd, een boze dwerg: zo ongeveer het hele standaardmateriaal uit een sprookje komt langs. Je kunt er ook Siegmund, Siegfried, Mime, Fafner, Klingsor en Brünnhilde in herkennen.

Het werk stond in 2011 op het programma van het Bolshoi ter gelegenheid van de heropening van dit theater na een jarenlange renovatie. Dmitri Tcherniakov werd aangetrokken voor de regie en volledige enscenering en de productie draagt overduidelijk zijn stempel. Bij aanvang zien we iedereen in klassieke kostuums, daarna volgen we de verschillende personages op hun tochten en zijn ze eigentijds gekleed.

Naina’s kasteel wordt getoond als een harem waar de verschillende dames zich op een brave manier verleidelijk gedragen. Omdat die scènes nogal lang duren lijkt het soms meer op een kinderfeestje dat een gerichte poging Ruslan en Ratmir van het pad af te brengen.

Chernomors kasteel oogt als een welness centrum waar het personeel achter de schermen seksfeesten houdt. Ook Lyudmila wordt bijna in de actie betrokken door een overmaatse masseur. Eenmaal terug aan het hof trekken de spelers hun kostuum uit de eerste akte weer aan , de hoofdpersonen blijven gekleed zoals ze aankwamen.

Rond dezelfde tijd was Tcherniakov bezig met de productie van Kitesh voor DNO, ook een hybride van klassiek en eigentijds. Svetlana Aksenova zong daarin de hoofdrol, ze zou ook heel goed in deze productie als Lyudmila op haar plaats zijn geweest.

De ouverture is zeer energiek, de verschillende solostukken hebben een veel bedaagder tempo. Tenor Charles Workman zingt verkleed als Bayan het lied dat de sfeer tijdens de bruiloft verpest. Even later is hij als Finn te horen. In een lange nogal eentonige monoloog vertelt hij hoe het zo gekomen is tussen hem en Naina. Workman geeft een fraaie vertolking van een niet zo interessante partij.

Sopraan Albina Shagimuratova heeft als Lyudmila twee grote solostukken, tijdens de bruiloft en in het paleis van Chernomor, beiden overtuigend gebracht.

De kleinere rol van Gorislava wordt op aantrekkelijke wijze vertolkt door sopraan Alexandrina Pendatchanska. Tcherniakov heeft haar gekleed in een zwart truitje en een geruit plooirokje,  de onschuld zelve.

De bas Almas Svilpa als Farlaf heeft zijn moment in de tweede akte. Zijn rondo doet wat denken aan Figaro’s ‘Largo al factotum’, een zeer degelijk optreden. Counter tenor Yoiuri Menenko (Ratmir) zingt een grote aria in de derde en een romance in de vijfde akte, beiden zeer geslaagd. Counter tenors vind ik onnatuurlijk klinken maar Minenko zingt bijna met een normale sopraan stem.

De bas Mikhail Petrenko neemt de rol van Ruslan voor zijn rekening, een wat ongebruikelijk stemtype voor een held op een queeste maar goed in overeenstemming met het karakter van zijn personage. Petrenko weet er in elk geval iets moois van te maken.

Albina Shagimuratova en Mikhail Petrenko:

De kleinere rollen van Svetosar en Naina komen voor rekening van de bas Vladimir Ognovenko en sopraan Elena Zaremba. Het hoofd heeft de stem van bariton Alexandre Polkovnikov.

Koor en dansers leveren een zeer geslaagde bijdrage aan de uitvoering. Het orkest van het Bolshoi staat onder leiding van Vladimir Jurowski die Glinka’s muziek in al zijn glorie uit de orkestbak laat komen.

Trailer :

Productiefoto’s: © Damir Yusupov/Bolshoi Theatre.

Authentieke Ruslan en Ludmila uit het Bolshoi

De voorstelling van ‘De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ werd gedragen door Svetlana Aksenova. Ook op DVD

Bigamie die geen bigamie is :  Le postillon de Longjumeau uit de Opéra Comique

Tekst : Peter Franken

De Opéra Comique in Parijs maakt al jaren veel werk van het op de planken brengen van oude successtukken die de tand des tijds niet wisten te doorstaan. Een daarvan is ‘Le postillion de Lonjumeau’ van Adolphe Adam uit 1863.

De componist schreef tientallen opera’s in de periode tussen 1824 en 1856 maar deze buffo opera over een koetsier is de enige die in het geheugen van operaliefhebbers is blijven hangen. Bij Adam denkt men vrijwel automatisch aan het ballet ‘Giselle’, dat heeft hem onsterfelijk gemaakt, niet aan zijn opera’s.

‘Le postillion’ beleefde meer dan vijfhonderd uitvoeringen in de Comique maar raakte sindsdien in de vergetelheid, evenals het complete genre Franse opera’s met gesproken teksten overigens. In 2019 werd het werk weer eens uitgevoerd in een nieuwe productie van Michel Fau die er alles aan heeft gedaan het in zijn oorspronkelijke vorm te presenteren. Dus compleet met alle dialogen en de voor  buitenlanders wat overdreven aandoende ‘Franse humor’.

Het verhaal speelt zich af ten tijde van de regering van Louis Quinze en is tamelijk onzinnig, maar dat maakt het toch ook juist wel leuk om in mee te gaan. De opera begint met een kort toegevoegd voorspel waarin Louis Quinze zijn entertainment chef Le Marquis de Corcy opdraagt nu eindelijk eens voor wat goede stemmen in zijn opera te zorgen. ‘Vindt stemmen, nu.’ Het klinkt bekend in de oren.

Chapelou is een koetsier die zijn standplaats heeft in Lonjumau, een dorpje even ten zuiden van Parijs. Hij is erg populair en vindt zich een hele Piet. Zoiets als: ‘Het is moeilijk bescheiden te blijven wanneer je zo goed bent als ik.’ Hij vindt echter zijn match in herbergierster Madeleine die eveneens een hoge dunk heeft van zichzelf.

We treffen hen op het moment dat ze net met elkaar zijn getrouwd en in plaats van daar blij om te zijn vertellen ze elkaar dat ze beiden een dorpsziener hebben geraadpleegd die onafhankelijk van elkaar het huwelijk hebben ontraden. Eerst trouwen en dan elkaar vertellen dat het waarschijnlijk niets wordt: het begin is bizar en dat zet de toon voor hetgeen volgt.

Maar goed, ze leggen het bij en de vrouwen uit het dorp nemen Madeleine mee om haar gereed te maken voor het bruidsvertrek. Intussen zingt Chapelou op aandringen van zijn vrienden een lied waarin hij zowaar een hoge D weet te halen. Toevallig wordt dat gehoord door de Corcy die met een kapot wiel aan zijn koets in het dorp is gestrand. Hij heeft onmiddellijk in de gaten dat dit ‘een stem’ is waarmee hij zijn koning kan verblijden. De man is nog geen zanger maar met een half jaar moet hij hem wel in de Opéra kunnen laten optreden.

Chapelou weigert om het de markies mee te gaan, hoe mooi de toekomst ook is die hem wordt voorgespiegeld. Hij kan zijn vrouw toch niet in de steek laten op de huwelijksnacht? Maar uiteindelijk zwicht hij en Madeleine blijft boos en verdrietig achter als ze merkt dat haar man er vandoor is gegaan. Gelukkig kan ze naar haar rijke tante die op het Île de la Cité woont en die haar een aanzienlijk vermogen zal nalaten als ze sterft.

Tien jaar later is Chapelou een grote ster die zichzelf Saint-Phar noemt. Madeleine is een rijke dame die als Madame de Latour door het leven gaat. Als hij haar ziet in de opera valt hem de gelijkenis met Madeleine op en als ze elke avond opnieuw op diezelfde plek zit wil hij haar ontmoeten. Dat lukt uiteindelijk maar Latour stelt een eis om op zijn avances in te gaan. Alleen als hij met haar trouwt kan hij zijn gang met haar gaan.

Mede dankzij andere kleding en lagen make-up herkent Chapelou zijn eigen vrouw niet. Om zijn zin te krijgen probeert hij een bruiloft te organiseren met een koorlid als zogenaamde priester. De markies krijgt hier lucht van en vertelt dat aan Madeleine die vervolgens een echte priester laat komen. In een duistere kapel wordt de ceremonie voltrokken en daarmee lijkt Chapelou bigamie te hebben gepleegd. Pas als Madeleine haar identiteit onthult ontloopt hij de doodstraf die daar op staat. Tweemaal trouwen met dezelfde vrouw is geen misdrijf die in het wetboek voorkomt dus gaat hij vrijuit. Voorwaarde is wel dat hij zijn carrière als Saint-Phar opgeeft. Madeleine wil hem na tien jaar wachten nu eindelijk eens helemaal voor zichzelf.

Het toneelbeeld van Fau’s productie is exuberant om het zo maar te stellen. De kostuums van Christian Lacroix doen recht aan de tweede helft van de 18e eeuw, de decors van Emmanuel Charles steken de Efteling naar de kroon en een goede mak-up en belichting doen de rest.

Fau is behalve als regisseur ook als acteur te zien in de kleine travestierol van Rose, de kamenier van Madame Latour. De zangerscast is werkelijk voortreffelijk, ook in de kleine rollen van Chapelou’s ‘bevriende vijand’ Biju (de bas Laurent Kubla) en de would be priester Bordon (bariton Julien Clément), het onbetekenende koorlid dat altijd rivieren en bomen moet spelen.

Vanwege het belang van verstaanbaarheid van de gesproken Franse teksten bestaat de cast vrijwel geheel uit Franstaligen. De uit Montréal afkomstige sopraan Florie Valiquette is een uitstekende Madeleine die zowel zingend als acterend haar personage overtuigend weet neer te zetten.

Bariton Franck Leguérine vertolkt de rol van Marquis de Corcy met verve en biedt de twee protagonisten goed tegenspel. En dan Chapelou en Saint-Phar.

Voor die rol moet men iemand beschikbaar hebben die daadwerkelijk die hoge D’s weet te produceren en verder ook nog uitstekend Frans kan zingen en vooral ook spreken. Opkomst de Amerikaanse tenor Michael Spyres die al eerder van zich deed spreken met een bijna ideale vertolking van Masaniello in ‘La muette de Portici’, de productie die ik in 2012 in de Comique mocht beleven. Hij heeft zich het Franse repertoire in brede zin eigen gemaakt en doet voor geen Francophone zanger onder. Maar vooral: hij kan die hoge D’s goed aan en perst er zelfs een keer een hoge E uit.

Persoonlijk zit ik daar niet op te wachten, voor een tenor vind ik de B eigenlijk wel hoog genoeg. Daarna wordt het zo’n brandsirenegeluid. Maar het publiek in de Comique vindt het geweldig.

Koor en orkest komen uit Rouaan, het betreft namelijk een coproductie met de opera aldaar. Onder leiding van Sébastien Rouland leveren ze een uitstekende prestatie. Alles bijeen een echte aanrader deze opname op Bluray.

Trailer(s) van de productie:


Productiefoto’s: © Stefan Brion

Overigens brengt Oper Frankfurt in maart en april 2025 een reeks uitvoeringen van de Postillion. Het betreft een productie die is overgenomen van het Tirol Festival in Erl.

Bonus: Michel Fou was ook verantwoordelijk voor de onweerstaanbare Ciboulette van Reynaldo Hahn:

Ciboulette, of hoe het Rodolfo verging

Autobiografische komedie over Strauss’ ‘ontrouw’ : Intermezzo

Tekst: Peter Franken

Unterwegs zur Uraufführung der Oper Intermezzo am 4. November 1924 in Dresden:
Baronin Thüngen, Richard Strauss, Pauline Strauss, Franz Strauss und unbekannte Dame © Semperoper Dresden

Richard Strauss componeerde Intermezzo, zijn achtste opera, in de jaren volgend op de première van Die Frau ohne Schatten. Het werk is opgedragen aan Strauss’ echtgenote Pauline en ging op 4 november 1924 in Dresden in première.

Pauline de Ahna als Freihild in ‘Guntram’.

De sopraan Pauline de Ahna was de dochter van een Beierse generaal en dus afkomstig uit een gegoed conservatief milieu. Ze zong bij de première op 10 mei 1894 de vrouwelijke hoofdrol in Guntram, de eerste opera van Strauss. Kort daarna traden beiden met elkaar in het huwelijk en ondanks de nodige ups en downs bleef het paar tot Richards dood in 1949 bij elkaar. Als huwelijksgeschenk componeerde Richard vier liederen (opus 27), waarvan ‘Cäcilie‘ en ‘Morgen‘ de bekendste zijn.

Pauline was naar verluidt een wispelturige vrouw, die geen blad voor de mond nam. Verder had ze de neiging iemands leven ‘over te nemen’, om het naar eigen inzicht opnieuw in te richten. Bij de wat lethargisch aangelegde Strauss had dat een nuttig effect. Naar eigen zeggen zou hij zonder zijn muze Pauline maar half zo veel gecomponeerd hebben. Pauline was ook ontzettend jaloers. Ze volgde de handel en wandel van haar echtgenoot met argusogen. Ze adoreerde hem, maar zag er ook geen been in hem ten overstaan van anderen van zijn voetstuk te hameren. Als je de verhalen over haar leest, krijg je een beeld van iemand met tenminste een aantal kenmerken van het borderlinesyndroom.

In 1903 deed zich een incident voor dat voor Strauss tenminste enigermate traumatiserend geweest moet zijn. Anders zou hij het toch twintig jaar later niet als uitgangspunt voor het zelfgeschreven libretto van zijn opera Intermezzo gebruikt hebben. Diverse bronnen berichten hierover en het verhaal komt ongeveer hierop neer.

photo of a mise-en-scene of world premiere production in Dresden, 1924. The composer character (based on Strauss himself) is shown standing to the left of the table with other male characters seated and playing a card game © Tamino

Na afloop van een voorstelling in de Kroll Oper ging de dirigent Josef Stransky met tenor Emilio DeMarchi en diens manager wat drinken in Hotel Bristol. Daar werden ze lastiggevallen door een opdringerige ‘boulevardière’ genaamd Mitze Mücke, die vroeg om een kaartje voor een volgende voorstelling. Om haar af te schepen zei DeMarchi dat ‘Herr Strausky’ daar wel voor zou zorgen. Toen ze de volgende dag niemand in dezelfde bar trof, zocht ze het adres van ‘Strausky’ in het telefoonboek op en het briefje waarin ze haar teleurstelling uitsprak over zijn afwezigheid kwam abusievelijk bij Strauss terecht, waar het werd gelezen door Pauline.

Pauline potte het incident een week op tot Richard naar het eiland Wight was vertrokken. Toen kwam ze tot uitbarsting, ging naar de bank om 2.000 goudmark op te nemen en naar een advocaat om een echtscheiding in gang te zetten. Dit alles zonder enige vorm van overleg. Richard kreeg slechts een mededeling ter zake en zijn brieven naar haar werden ongeopend teruggestuurd. Toen hij weer thuis was, werd de vergissing snel opgehelderd, maar langere tijd zat hij in een zeer akelige situatie. Waarschijnlijk is Intermezzo een verlate poging hier eindelijk overheen te komen.

1927. Photo: Francis C. Fuerst. “Intermezzo” by Richard Strauss with the Vienna Opera. During Rehearsals. Seated R. Strauss. From left to right, Miss Krauss, Mr. Ziegler, Mrs. Lehmann, Mr. Jerger and the councilor, Dr. Wallerstein.

In de opera heeft Pauline de naam Christine gekregen en Strauss heet Storch, ofwel de ‘struisvogel’ is een ‘ooievaar’ geworden. Verder is er bijzonder weinig aangepast. Christines gedrag jegens hem, maar ook naar anderen wordt breed uitgemeten. En Storch krijgt het flegmatieke van Strauss mee. Je zou denken: dat wordt niks, zo’n knullig gegeven, maar verrassend genoeg is Intermezzo een heel aardig werk met prachtige muziek, niet in de laatste plaats dankzij de instrumentale tussenspelen.

Intermezzo wordt slechts zelden uitgevoerd en er is maar één beeldopname van verkrijgbaar, van de Glyndebourne productie uit 2008 met Felicity Lott als Christine. De opera wordt in het Engels gezongen, Hoewel deze taal een wat vreemde keuze lijkt, blijkt dat in de praktijk erg mee te vallen. Het is toch vooral een conversatiestuk en je gaat er gemakkelijk in mee. Komt bij dat Lott werkelijk een schitterende ‘Pauline’ weet neer te zetten, ze draagt door haar spel en zang de gehele opera. Duitstalige versies zijn er alleen op cd.

©Foto: Monika Rittershaus/Deutsche Oper Berlin

Tobias Kratzer is bij Deutsche Oper Berlin bezig aan een Strauss trilogie. Na een nieuwe productie van Arabella was nu Intermezzo aan de beurt. De première op 25 april van dit jaar was zeer succesvol: de zaal was volledig bezet. Straussianen van overal waren kennelijk uitgelopen om dit feestje vooral niet te missen. Het was een zeer geslaagde voorstelling en het gerucht gaat dat er een opname van zal worden uitgebracht op dvd en Blureay. We wachten af.

Trailer uit Berlijn:

Cd opname onder Wolfgang Sawallisch

Semyon Kotko uit het Mariinsky op BluRay

Tekst: Peter Franken

Stage design for Prokofiev\’s opera Semyon Kotko, 1970 (tempera on plywood) by Levental, Valery Jakovlevich (b.1938); State Museum and Exhibition Centre ROSIZO, Moscow

Prokofjev componeerde dit werk in de jaren 1938-39 waarna de première plaatsvond op 23 juni 1940.

Links, Grigori Sokolnikov. Rechts, het originele verdrag van Brest-Litovsk in vijf talen: Duits, Hongaars, Bulgaars, Ottomaans Turks (met Arabische letters geschreven) en Russisch.

De handeling speelt zich af in een dorpje ergens in Oost-Oekraïne kort na de Vrede van Brest Litovsk waarbij de nieuw gevormde Russische Communistische Republiek vergaande concessies had gedaan. Zo was overeengekomen dat Russisch Oekraïne een semi onafhankelijke vazalstaat van Duitsland zou worden. Maar ‘op de grond’ waren in de lente en zomer van 1918 de verhoudingen nog lang niet uitgekristalliseerd en met die kennis voor ogen is het mogelijk de warboel aan groeperingen die de handeling van de opera bepalen enigszins te doorgronden.

Bedelende straatmuzikanten in Kiev, op de achtergrond kijken Duitse soldaten toe© IWM (Q 86621)

In het dorp waar de hoofdfiguur Semyon Kotko terugkeert na bijna vier jaar oorlog is de macht in handen van de Communistische Sovjet, feitelijk een dorpsraad met verstrekkende bevoegdheden, althans zo zien ze dat zelf. De Sovjet heeft have en goed van de plaatselijke grootgrondbezitter onder de dorpelingen verdeeld en de teruggekeerde soldaat Kotko wordt bij zijn terugkomst verblijd met de mededeling dat hij vanaf nu de eigenaar is van een flink stuk grond, een paar paarden en een kudde koeien.

De ironie wil dat ten tijde van het schrijven van het boek waarop het libretto is gebaseerd – Katayevs roman ‘I, Son of Working People’ uit 1937 – Kotko zonder meer zou zijn gebrandmerkt als ‘kulak’ en waarschijnlijk al hoog en breed zijn gedeporteerd.

Delegates from the Ukrainian People’s Republic and the Central Powers during a break in the negotiations in Brest-Litovsk, early February 1918

Intussen woedt er een burgeroorlog tussen de Roden en de Witten waarbij laatstgenoemden het regime van Lenin omver willenwerpen en uiteraard Brest Litovsk willen herroepen. Daar tussendoor lopen de Kozakken, van oudsher de Mobiele Eenheid van de Tsaar die in de opera een niet goed te duiden loyaliteit hebben. Aan de zijde van de Duitsers strijden de Haydamaks, een geuzennaam van Oekraïense onafhankelijkheidsstrijders die belang hebben bij de volledige implementatie van Brest Litovsk.

Al deze groeperingen maken op enig moment hun opwachting in Kotko’s dorp. Uiteindelijk behalen de Roden de overwinning maar hoe definitief dat is blijft ongewis. De regie heeft gekozen voor een algehele verzoening tussen de strijdende groepen in de vorm van een ludiek bedoeld ballet waarbij iedereen hetzelfde uniform draagt. Het einde is daarmee volstrekt onzinnig maar het ziet er allemaal wel aardig uit.

Kotko was voor hij vier jaar eerder vertrok officieus verloofd met Sofya, de dochter van Tkachenko die iets hoger op de sociale ladder stond in 1914. Nu de kansen zijn gekeerd en Kotko als landeigenaar iets te bieden heeft kan hij formeel om Sofya’s hand vragen. Het Sovjet bestuur helpt hem een handje door de onwillige Tkachenko onder druk te zetten. Die probeert tijd te rekken in de hoop dat de communisten binnen afzienbare tijd zullen worden verslagen. De op handen zijnde ‘rode bruiloft’ wordt verstoord door de komst van de Duitsers met de Haydamaks in hun kielzog. Een serie verwikkelingen vol moord en doodslag, gelamenteer en een handvol andere oorlogsclichés volgt tot uiteindelijk het volk (?) zegeviert.

Prokofjev zag zich hier voor de taak gesteld een propagandastuk te componeren, net als korte tijd later het geval was met zijn Oorlog en Vrede. Als we dat voor lief nemen dan valt er muzikaal nog wel het een en ander te genieten. Visueel komt de toeschouwer sowieso niets tekort, het toneelbeeld is ronduit spectaculair met veel schitterend uitgevoerd toneelgeweld.

De opname is een verfilming van twee voorstellingen in maart 2014 maar werd pas in 2016 uitgebracht. Valery Gergiev heeft de muzikale leiding.

In de titelrol zien we de tenor Viktor Lutsyuk die een uitstekende vertolking geeft van zijn partij. Het is een zware rol maar hij geeft geen krimp. Ook acterend komt hij vrij goed uit de verf.

Zijn directe tegenstrever is Sofya’s vader die samenspant met de onteigende grootgrondbezitter en iedereen die de vroegere status quo probeert te herstellen. Dit minder prettige personage wordt ten tonele gevoerd door de bas Gennady Bezzubenkov. De man zingt en acteert prima en wordt geholpen door een onprettige grijns waardoor je automatische een afkeer van hem krijgt. Zijn dochter Sofya is in handen van sopraan Tatiana Pavlovskaya, mooie rolinvulling.

De Sovjet is aanwezig in de persoon van voorzitter Remeniuk, gespeeld door een vrijwel onherkenbare Evgeni Nikitin die zijn reputatie alle eer aandoet. En verder Tsariov, de onvermijdelijke matroos, vertolkt door bariton Roman Burdenko.

Daarnaast komt er nog een peloton aan bijfiguren en figuranten langs die stuk voor stuk goed werk leveren. Al met al een goede opname van een problematisch werk.

Cd-recensie:

https://basiaconfuoco.com/2022/01/09/semyon-kotko-uit-het-mariinski-theater/

Semyon Kotko in Amsterdam:

The Greek Passion uit Salzburg: uitstekende uitvoering van een opera die meer aandacht verdient

Tekst: Peter Franken

In 2023 stond tijdens de Salzburger Festspiele The Greek Passion op het programma, een weinig gespeeld werk met een wel zeer actuele problematiek: hoe gaat een gemeenschap om met een groep vluchtelingen die zo groot in getal is dat men erdoor overspoeld lijkt te worden?

Nikos Kazantzakis © Universal Edition Magazine

De Tsjechische componist Martinú had na zijn terugkeer uit Amerikaanse ballingschap zijn zinnen gezet op het schrijven van een opera die zich zou afspelen in zijn geboorteland maar vond daarvoor maar geen geschikt libretto. Bij toeval leerde hij in Frankrijk de Griekse schrijver Nikos Kazantzakis kennen die kort daarvoor furore had gemaakt met zijn boek Christus wordt weer gekruisigd.

Martinú ging hiermee aan de slag en bewerkte de stof tot een libretto waarin nog slechts de Griekse namen en een vleugje muziek dat is overgewaaid uit de Orthodoxe Kerk aan de oorspronkelijke situering herinneren. The Greek Passion is een universeel drama dat heel wel beleefd kan worden als een reeks gebeurtenissen die zich afspelen in een willekeurige gesloten dorpsgemeenschap.

Martinú’s stijl is neo-klassiek, een voorkeur die na zijn vlucht naar de Verenigde Staten in 1940 werd versterkt door de eisen die de Amerikaanse muziekwereld aan nieuwe composities stelde. Met atonaal werk kwam men niet ver in de jaren ‘40 in New York. In dat opzicht kan The Greek Passion wel vergeleken worden met Prokofjevs War and Peace hoewel Martinú’s werk sterker wordt gekenmerkt door ‘Sprechgesang’. Ook Peter Grimes komt zo nu en dan om de hoek kijken, mede doordat in het Engels wordt gezongen.

In een Grieks dorpje heeft men de gewoonte eens in de zeven jaar een passiespel op te voeren. Kort na Pasen worden door de priester Grigoris de dorpelingen aangewezen die hierin de hoofdrollen zullen vervullen. Gedurende een jaar worden zij geacht zich in hun rol in te leven en ernaar te handelen. De rol van Christus wordt toegekend aan de herder Manolios.

De weduwe Katerina, die zich prostitueert, wordt als vanzelfsprekend aangewezen als de toekomstige Maria Magdalena, haar souteneur Panais wordt zeer tegen zijn zin opgescheept met een bestaan als Judas.

Vrijwel onmiddellijk schiet iedereen in zijn rol. Manolios verliest alle belangstelling voor zijn verloofde Lenio, Katerina begint van Manolios te dromen en stoot Panais af. Maar de vlam slaat pas echt in de pan als er plotseling een compleet dorp op de stoep staat, verdreven en gevlucht, op zoek naar een nieuwe plek om te wonen.

Als een van de vluchtelingen ter plekke sterft aan uitputting ziet Grigoris zijn kans schoon om van hen af te komen. Hij roept luidkeels dat de vrouw is overleden aan cholera waardoor de dorpelingen zich uit angst voor besmetting tegen de vluchtelingen keren. Deze zoeken hun toevlucht op een naburige heuvel en stichten daar een nieuw dorp.

Plotseling is er nu sprake van grotere problemen dan het gebruikelijk dorpsgeneuzel. De nieuwkomers hebben geen voedsel, geen kleding, moeten geholpen worden. En de beoogde passie-acteurs nemen hierin het voortouw, Manolios en Katharina voorop, wat tot ontwrichting van de dorpsgemeenschap leidt. Manolios gaat nog verder, begint te prediken en krijgt volgelingen in het dorp. Tamelijk voorspelbaar wordt dit zijn ondergang: rond kersttijd wordt hij vermoord, door Panais om in stijl te blijven.

Version 1.0.0

De productie die Simon Stone voor Salzburg maakte ruimt een grotere rol in voor het vluchtelingen aspect dan uit het libretto kan worden gehaald. Als de groep ontheemden, afkomstig uit een ander Grieks dorp dat door de Turken is verwoest, zich wil vestigen op een heuvel in de omgeving laat Stone aan het einde van de tweede akte er een stel schreeuwende dorpelingen op af komen die hen zogenaamd verdrijven. Maar in de derde akte zitten ze er gewoon nog.

Verder wordt op de witte achterwand van het toneel door een paar aan kabels hangende schilders de tekst ‘refugees out’ aangebracht. Dat leidt af van de kern van de zaak: priester Grigoris ziet zich aangetast in zijn absolute autoriteit. Hij regeert met de bijbel als plaatsvervanger gods, klaar om deze of gene te excommuniceren die hem voor de voeten loopt. Dat zijn passiepersoneel zich een jaar lang moet gedragen conform de hen opgespelde rol kan geen kwaad. Hun gedrag kan er alleen maar door verbeteren en dat de beoogde Jezus geen belangstelling meer heeft voor zijn verloofde maar zich nu richt op Katerina is hooguit amusant, leuk om naar te kijken.

De komst van die andere groep Grieken die in nood verkeren geeft de passiespelers die Jezus en zijn apostelen moeten vertolken echter de gelegenheid zich te manifesteren als echte navolgers van de joodse rabbi. Ook Katerina valt in haar rol als Maria Magdalena en cijfert zichzelf weg ten gunste van deze groep minder bedeelden. En voor je het weet zien beide dorpen Manolios als weldoener en leidsman. De maatschappelijke orde raakt verstoord, lees: ‘de autoriteit van Grigoris.’

De ontheemden wachten de verdere gebeurtenissen niet af, die trekken gewoon verder. Grigoris en zijn dorpsgenoten blijven achter met een trauma dat hen nog generaties zal belasten. Dat laatste aspect komt bij Stone wel goed naar voren, vooral de blik van ontzetting die Gábor Bretz als Grigoris ten beste geeft laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Maar hij herpakt zich en doet de dood van een dorpsgenoot verder zwijgend af als een ongelukje.

Het decor van Lizzie Clachan benut de volledige breedte van het ondiepe toneel van de Felsenreitschule. Het is vrijwel leeg op een paar openingen na, zowel in de wand als in de vloer. Die kunnen open en dicht respectievelijk naar boven komen en weer verzinken. Een van de openingen suggereert de bron in het centrum van het dorp.

De achterwand is lichtblauw en daarop verschijnt de eerder genoemde tekst ‘refugees out’. De kostumering van Mel Page toont de dorpelingen overwegend in grijstinten, de ontheemden zien er uit alsof ze net ergens van de straat zijn geplukt, hooguit een beetje te sjofel naar Salzburgse maatstaven.

Tenor Sebastian Kohlhepp zit als de schaapherder Manolios van meet af aan prachtig in zijn rol van de joodse rabbi die door zijn gedrag en uitspraken de maatschappelijke verhoudingen op hun grondvesten doet trillen. Uitnemende vertolking van deze grote rol.

Een betere tegenspeelster dan Sara Jakubiak als Maria Magdalena had hij, en het publiek, zich niet kunnen wensen. Haar optreden roept bij mij de herinnering op aan Das Wunder der Heliane waarin ze als Heliane een vergelijkbaar personage vertolkt. Heerlijke sopraan en een voltreffer in de casting.

Sopraan Christina Gansch weet te overtuigen als tweede vrouw in de driehoeksverhouding die ontstaat zodra Manolios in zijn rol valt. Als versmade verloofde zet ze alle zeilen bij om hem tot de afgesproken bruiloft te bewegen maar als dat niet lukt zoekt ze direct iemand anders in de persoon van Nikolio, ook een schaapherder.

Mooi optreden ook van Gábor Bretz als Grigoris, de barse priester die over lijken gaat om de eenheid in zijn eigen dorpsgemeenschap te handhaven. Zijn collega Fotis, priester van de ontheemden, geeft hem prima weerwerk: mooie rol van Lukasz Golinski. In een van de kleinere rollen zien we Helena Rasker als ‘oude vrouw’.

Prachtige zang van het koor, met name in de vierde akte. Prima spel van de Wiener Philharmoniker onder leiding van Maxime Pascal. Al met al een uitstekende uitvoering van een betrekkelijk onbekend werk van de componist die door menig operaliefhebber eerder wordt geassocieerd met het dromerige Julietta.

Grafschrift op de graf van Nikos Kazantzakis
Ik hoop niets. Ik vrees niets. Ik ben vrij.

Trailer van de productie:

Foto’s: © Salzburger Festspiele / Monika Rittershau




Meer over The Greek Pasion:

Nederlandse Muziekprijs uitgereikt aan Elisabeth Hetherington

Tekst: Peter Franken

© Nathalie Hennis

Op 22 augustus werd bekendgemaakt dat sopraan Elisabeth Hetherington was uitgeroepen tot winnaar van de Nederlandse Muziekprijs: ‘De meest prestigieuze erkenning voor een musicus in de klassieke muziek, toegekend door het Fonds Podiumkunsten namens het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Minister Eppo Bruins zal de prijs op vrijdag 4 oktober 2024 overhandigen in concertgebouw de Doelen in Rotterdam,’ zo luidde het persbericht.

Afgelopen vrijdag was het zo ver en voorafgaand aan de uitreiking gaf Hetherington een concert dat haar muzikale voorkeuren op een afgewogen wijze wist uit te lichten. Naast veel barok ook intermezezzi met 20e eeuwse muziek: Cavalli naast Stockhausen. Nu zijn dat beslist niet mijn favoriete genres maar niettemin wist Hetherington me enorm te boeien. Van de vijf kwartier die het muzikale gedeelte in beslag nam was ze er ongeveer vier aan het zingen: een absolute marathon die ze schijnbaar moeiteloos tot een goed einde bracht.

De commissie die het Fonds adviseert inzake de toekenning van de prijs schreef over Elisabeth Hetherington: ‘Met een schijnbaar moeiteloze souplesse en helderheid beweegt zij zich door uiteenlopend repertoire van de renaissance, barok, tot de nieuwste gecomponeerde muziek. Elisabeth Hetherington schakelt met een verbluffende vanzelfsprekendheid tussen intiem en grillig, verstild en beweeglijk. Dit muzikale spel verrast de luisteraar, maakt haar uitvoeringen boeiend en verfrissend, en zet telkens weer de muziek in een nieuw perspectief.’

Ik had die tekst indertijd vluchtig gelezen maar nu ik haar aan het werk heb gehoord kan ik vaststellen dat hiermee de spijker op zijn kop wordt geslagen. Behalve met haar zang weet Hetherington ook bijna achteloos het publiek ‘toe te spreken’ met haar stralende lach waarmee ze lijkt te zeggen: ‘Mooi hè, dat was goed gelukt, wat gebeurt er nu weer?’ Dat laatste slaat vooral op de overdaad aan dissonanten en regelrecht lawaai in Stockhausens ‘Tierkreis’, althans zo heb ik het ervaren. De bijdrage van de tweede eigentijdse componist: ‘ Dialogues’ van Lior Navok, beviel me beter. In dit stuk liet Hetherington vooral horen waartoe ze in technisch opzicht in staat is. Overigens maakte ze haar entree met ‘The musician’ van Miroslav Srnka, een stuk dat ook wel op mijn waardering kon rekenen.

Voor het overige liet Hetherington vooral barok horen: werk van Cavalli, Monteverdi, Sartorio, Benedetto Marcello en Purcell, begeleid door het B’Rock Orchestra, een achtkoppig ensemble. Voor het moderne slagwerk was HIIIT verantwoordelijk, twee musici die zo nu en dan voor al HIT leken te brengen. Technisch goed verzorgd maar ik miste mijn oordopjes.

Stabat Mater van Pergolesi door Elisabeth Hetherington & Olivia Vermeulen & Holland Baroque:



Na afloop een mooie toespraak door Viktorien van Hulst, directeur en bestuurder van het Fonds gevolgd door de feitelijke prijsuitreiking door minister Eppo Bruins. Hij memoreerde dat deze prijs al sinds 1981 wordt uitgereikt en vele politieke ‘winden’ had doorstaan en ze zal ook deze politieke wind doorstaan. Uiteraard een keurige speech die zijn ambtenaren voor hem hadden geschreven maar hij maakte er iets heel persoonlijks van.

Midden in zijn verhaald keek hij Elisabeth aan en zei: ‘Ik vind je geweldig.’ En daar was het publiek in de bomvolle Jurriaanse zaal van De Doelen het helemaal mee eens.

Rounds for Voice and Harpsichord (1965) – Luciano Berio:

Ik had Hetherington pas eenmaal eerder gehoord: als Susanna in ‘The divorce of Figaro’ in de Werkspoorkathedraal. Niet bepaald de ideale plek om een goed beeld te krijgen van iemands kwaliteiten.

Trailer of The divorce of Figaro:

.

Nu weet ik dat ze niet alleen zeer verzorgd en welluidend zingt maar ook in technisch opzicht een stemkunstenaar is. Eens kijken waar ik haar in de toekomst meer kan beluisteren, zelfs als het weer barok is.

Nature Boy (Eden Ahbez), uitgevoerd door Holland Baroque en Elisabeth Hetherington:

Foto’s: © Karen van Gilst

Het nieuwe seizoen van De Nederlandse Reisopera

Tekst: Neil van der Linden

De Reisopera heeft vanaf dit seizoen een nieuwe, tweehoofdige directie. De Britse regisseur Sam Brown en de huidige interim-directeur Rudy van Wijk zullen de taken van respectievelijk artistiek directeur en algemeen directeur op zich nemen.

Afgelopen dinsdag hielden ze een persbijeenkomst in Carré, de dag erop gevolgd door een bijeenkomst in de thuishaven Enschede. Theater Carré was een logische plek voor de alternatieve persbijeenkomst, want de drie grote producties van de Reisopera van het komende seizoen komen hier vroeg of laat terecht. En juist de producties van het komend seizoen zijn zeker aantrekkelijk voor publiek zoals in Amsterdam dat op incidentele producties af komt. Bovendien: niet iedereen van de pers, grotendeels woonachtig in Amsterdam, kan even gemakkelijk op en neer helemaal naar Enschede. Als Mozes niet naar de berg komt, enz.

Gezien voormalige functies elders van met name Sam Brown betekent dat alle evenementen krap moeten worden gepland. Brown kwam net per trein aan uit Kiel, waar hij de Rosenkavalier had geregisseerd. Het komende seizoen is hij nog niet actief als regisseur in eigen huis.

DE PIRATENKONINGIN

De eerstkomende productie – premiere 5 oktober – is een nieuw werk, De Piratenkoningin, een familievoorstelling over een meisje dat heerseres over de zee wordt, met muziek van Monique Krüs, op libretto Daniel van Klaveren en Xandra Knebel, een coproductie met het Overijselse jeugdtheatergezelschap Theater Sonnevanck en Dawn Collective, een all-female theaterproductiehuis uit Amsterdam. Die toert een maand. De zangerscast bestaat onder meer uit niemand minder dan Lilian Farahani, Francis van Broekhuizen en Aylin Sezer. Humor gegarandeerd. De instrumentalisten zijn een ad hoc ensemble.

https://reisopera.nl/programma/piratenkoningin

THE FOUR NOTE OPERA

Samen met De Nationale Opera en Opera Zuid wordt in november de kleine fijnzinnige productie The Four Note Opera van Tom Johnson hernomen, met leden van De Nationale Opera Studio, regie Kenza Koutchoukali, deze keer te zien in Heerlen, Zwolle en Groningen.

ARIADNE AUF NAXOS

In januari volgt een nieuwe productie, Richard Strauss’ Ariadne auf Naxos. Annemarie Kremer, eerder dit jaar de fenomenale Heliane in Korngolds Das  Wunder der Heliane, zingt Ariadne c.q. de Primadonna in het dubbeldeel, Daniel Frank zingt Bacchus c.q. Der Tenor. Dirigent is Jac van Steen, die ook Heliane dirigeerde, regisseur is de Zweedse Sofia Jupither, die bijvoorbeeld verantwoordelijk was voor de regie van het succesvolle Salomé-debuut van Nina Stimme. Het orkest is het Phion.

https://reisopera.nl/programma/ariadne-auf-naxos

Annemarie Kremer als Heliane bij de NRO:

https://basiaconfuoco.com/2023/10/02/annemarie-kremer-voltrekt-helianes-wunder/

Annemarie Kremer als Heliane in Berlijn:

https://basiaconfuoco.com/2018/11/05/das-wunder-der-annemarie-kremers-heliane/

L’INCORONAZIONE DI POPPEA

In april volgt Monteverdi’s L‘Incoronazione di Poppea, een productie die in premiere ging tijdens het festival van Aix-en-Provence in 2022 en ook werd opgevoerd in Versailles. De regie was van Ted Huffman, die zelf de herneming leidt. Huffman regisseerde bij De Nationale Opera de prachtige productie Denis & Katya op libretto van hemzelf en muziek van Philip Venables, en in het afgelopen Holland Festival The Faggots and Their Friends Between Revolutions en bij De Nationale Opera We Are The Lucky Ones, weer een samenwerking met Philip Venables. Dirigent is Mónica Pustilnik die haar Cappella Mediterranea leidt, op authentiek instrumentarium, natuurlijk. Zangers zijn onder meer Marcel Beekman als Arnalta/Nutrice/Farnigliari 1/Damigella en opnieuw Lilian Farahani als Fortuna/Drusilla.

https://reisopera.nl/programma/l-incoronazione-di-poppea

Denis and Katya:

https://basiaconfuoco.com/2022/03/13/in-denis-katya-komt-de-actualiteit-binnendenderen-als-een-trein/

The Faggots and Their Friends Between Revolutions

DIDO AND AENEAS

Tot slot in het seizoen is er een coproductie met De Nationale Opera en Opera Zuid in Purcell’s Dido and Aeneas, concertante helaas, in combinatie met Purcell’s Saul and the Witch of Endor. Maar waarschijnlijk krijgen de jonge zangers die de cast vormen theatraal toch wel het een en ander te doen.

In het algemeen wil de Reisopera zich sterk op Enschede en Overijssel richten met kleine producties die lokaal deels niet in opera ingewijd publiek moeten aanspreken, ook via scholen. De Campingtour, een coproductie met Theater Sonnevanck, waarin met een muziektheatervoorstelling langs campings in Oost-Nederland wordt gereisd, wordt herhaald.

Amsterdam bestaat het komend jaar 750 jaar, maar Enschede viert in december 2025 ook al haar 700-jarig bestaan. De Reisopera zal daar volgend jaar uitgebreid op inhaken.

Cilea’s ‘Gloria’ op Bluray: een wereldpremière

Tekst: Peter Franken

Francesco Cilea (1866-1950) schreef vijf opera’s waarvan alleen de laatste drie enige bekendheid genieten. ‘L ’Arlesiana’ ging in 1897 in première en onderging daarna twee revisies, de laatste in 1937. Daarna volgde Cilea’s succesnummer ‘Adriana Lecouvreur’ (1902) en zijn laatste opera werd ‘Gloria’. De première was in 1907 en in 1932 publiceerde de componist een herziene versie waarvan in 2024 een opname op Bluray is verschenen.

Het betreft een voorstelling uit 2023 in het Teatro Lirico di Cagliari. Het is opvallend hoeveel bijzondere opnames er de voorbije jaren in dat provinciale theater zijn gemaakt. Het is zo ongeveer de hofleverancier voor het label Dynamic.

A 14th-century conflict between the militias of the Guelph and Ghibelline factions in the comune of Bologna, from the Croniche of Giovanni Sercambi of Lucca


Gloria speelt zich af in de Middeleeuwen en centraal staat de eeuwig lijkende strijd tussen Guelfen en Ghibellijnen. De stad Siena wordt bestuurd door de Guelfen die de strijd met de Ghibellijnen al langere tijd geleden in hun voordeel hebben beslist. Men is dermate zeker van zijn zaak dat bij gelegenheid van de inwijding van een grote nieuwe fontein in het hart van de stad voor een dag amnestie wordt afgekondigd aan allen die uit de stad zijn verbannen, lees Ghibellijnen. Ze zijn welkom op deze gewijde en ook feestelijke dag mits ze ongewapend de stad betreden en voor middernacht deze weer verlaten.

De legeraanvoerder van de Ghibellijnen Fortebrando betreedt de stad incognito onder de naam Lionetto. Bij de fontein vraagt hij Gloria om wat water. Ze raken aan de praat tot groot ongenoegen van haar broer Bardo en haar vader Aquilante die aan het hoofd staat van de Signoria en feitelijk de stad regeert.

Lionetto zweert dat hij ongewapend is maar gaandeweg begint hij uit een ander vaatje te tappen. Als kind is hij uit de stad meegenomen toen zijn familie werd afgemaakt door aanhangers van Aquilante. Nu zint hij op wraak. Komt bij dat hij Gloria nog als klein meisje heeft meegemaakt, ze hebben samen gespeeld. Nu wil hij haar meenemen als zijn bruid. Na een kort gevecht waarbij ook Lionetto’s aanhangers wel degelijk gewapend blijken te zijn slagen de Ghibellijnen erin de stad te verlaten met medeneming van Gloria.

Er woedt strijd buiten de stad waarbij Aquilante wordt gedood. Gloria stelt als voorwaarde voor een huwelijk met Lionetto dat hij de strijd staakt en de status quo wordt hersteld. Bardo ziet in haar een afvallige ook al weet ze hem ervan te overtuigen dat ze niet Lionetto’s lover is. Niettemin is en blijft ze ‘dood’ voor hem. En die verrader Lionetto zal boeten voor zijn woordbreuk en erop volgende misdaden. Als Gloria en Lionetto hun bruiloft in Siena vieren probeert Lionetto zich broederlijk met Bardo te verzoenen. Die steekt hem echter neer en bedreigt ook zijn zuster. Uiteindelijk ziet Gloria geen uitweg meer en doorsteekt zich.

Het is geen briljant verhaal maar dat heeft de muzikale uitvoering niet in de weg gestaan. Aan bepaalde melodische wendingen en orkestrale details herken je al snel de hand van Cilea, ook al heb je van ‘Gloria’ nog nooit eerder gehoord. Het werk is een prachtig vehikel voor een sopraan die ook mezzo rollen zingt en als het werk meer bekendheid zou genieten zou het ongetwijfeld een gedroomde rol voor de grote namen in het vak hebben kunnen worden.

Naar verluidt heeft Cilea kort voor zijn dood per brief getracht om Maria Callas voor dit werk te interesseren. Een paar jaar later had ze wellicht haar reputatie kunnen benutten om zo’n obscuur werk op de planken te krijgen zoals bijvoorbeeld in het geval van ‘La Vestale’, maar 1950 kwam in dat opzicht nog te vroeg.

De regie in Cagliari was in handen van Antonio Albanese, Leila Fleita ontwierp de decors en Carola Fenocchio nam de kostumering voor haar rekening. Ze hebben een zeer verzorgde goed ogende productie gerealiseerd. In de eerste akte zien we natuurlijk die fontein, op een pleintje aan de voet van een trappartij die bovenaan overgaat in een smalle opening met blauwe achtergrond. Daar zijn we buiten de stad. Later is die fontein verdwenen en staat er een tafel en meer naar boven het skelet van een boom.

Het beeld is rustig en leidt niet af van de handeling. De personenregie is nogal summier overigens, het koor dat een grote rol heeft komt geen millimeter van zijn plek en ook de protagonisten beperken zich grotendeels tot zingen zonder enigerlei contact met hun tegenspelers.

Gloria is een dragende rol, ze staat vrijwel voortdurend op het toneel en zingt in zeker de helft van de scènes. De sopraan Anastasia Bartoli geeft een indrukwekkend mooie vertolking van de titelrol, om door een ringetje te halen. Ze heeft wat Pierre Audi vermoedelijk een ‘kloeke stem’ zou noemen en kan haar partij met ogenschijnlijk gemak aan.

Bartoli zingt ‘Vergine d’astri e di viole’:

en ‘Mia cuna fiorita’:

Dit najaar is ze zowel te beleven in de Deutsche Oper als in Staatsoper Berlin. Dus bepaald niet een zangeres die slechts in kleinere huizen te horen is.

Bariton Franco Vasallo is een donkere Bardo, een rol die hem goed past. Ik zag hem ooit in München als Rigoletto en iets van dat gekwelde personage weet hij in deze rol tot uiting te brengen.

Lionello komt voor rekening van tenor Carlo Ventre die aardig op dreef is als de outcast die meineed heeft gepleegd toen hij zwoer ongewapend Siena te zijn binnengekomen. Het is een weinig sympathieke figuur maar met zijn zang weet Ventre je toch wel een beetje voor zich in te nemen. De kleinere rollen zijn adequaat bezet.

Koor en orkest van Teatro Lirico Cagliari staan onder leiding van Francesco Cillufo.

Trailer van de productie:

Een paar opmerkingen over Rusalka

Tekst: Peter Franken

Water dat gelijktijdig beweegt in twee richtingen – voorwaarts en opwaarts –  wordt een golf genoemd. Zodra zo’n golf een naam wordt gegeven: Rusalka, krijgt dit eenvoudige natuurverschijnsel antropomorfische kenmerken. Mensen doen dat graag, het maakt zaken beter herkenbaar. Van oudsher wordt de godenwereld bevolkt met personages waaraan menselijke kenmerken worden toegeschreven. En met zo’n golfje kan een sprookjesschrijver natuurlijk ook alle kanten op.

Růžena Maturová, de eerste Rusalka – Národní divadlo 1901 (archiv ND)

Het golfje, van nu af Rusalka, heeft menselijke ervaringen, ze wordt zelfs verliefd. Op de een of andere wijze slaagt ze erin contact te maken met iemand aan de wal, de heks Jezibaba. Of ze op eigen kracht uit het water is gekomen en zo ja, in welke gedaante, vertelt het sprookje niet. Is ook niet belangrijk, slechts een detail. We concentreren ons nu gewoon op een verliefd wezen dat een menselijke gedaante wil aannemen. Ze is nu kennelijk golf noch mens, maakt niet uit. En zo ontrolt zich de rest van het verhaal waarbij tegen het einde Rusalka kennelijk weer transformeert tot golf. Maar wel eentje die ‘door haar zusters’ is verstoten, een onwelkome golf derhalve. En ook nog met liefdesverdriet tot in alle eeuwigheid.

“Rusalki” by Iwan Nikolajewitsch Kramskoj, 1871

De ene ongerijmdheid volgt kort op de andere en we slikken dat voor zoete koek omdat het een sprookje is. Maar we kunnen ook voorbij dit Bouquet reeks verhaaltje kijken en ons afvragen of die hele episode ergens voor staat, een voor mensen relevante betekenis heeft. We hebben de antropomorfische benadering al van meet af aan geaccepteerd, wat let ons om op die weg voort te gaan? Vergeet de naturalistische folklore zoals ruisende wateren en Moravische bossen. Voor iemand die gewend is zo te componeren wordt dat als vanzelf een methode. En het past ook wel aardig bij het sprookje zo lang we ons concentreren op de niet-menselijke kant van het verhaal. Dus toen Rusalka nog een golfje was en geen gemankeerd mens, immers koudbloedig en stom.

Barrie Kosky

© Monika Rittershaus

In de productie van Barrie Kosky voor Komische Oper Berlin kwam Rusalka op, zich moeizaam door een luikje wurmend. Ondanks haar enorme staart wist ze zich redelijk vlot over het toneel te verplaatsen. Na het duet met de watergeest waarin ze haar wens te kennen gaf een mens te worden, verscheen Jezibaba, de heks, op het toneel. Er volgde een scène waarin Rusalka werd geopereerd. Ze werd opengesneden waarna er een enorme visgraat naar buiten werd getrokken. Vervolgens werd haar vissenstaart afgestroopt en kwamen er benen en voeten tevoorschijn.

Kosky stelt in zijn toelichting dat Rusalka in zijn visie een sirene is, een wezen dat door haar stem mannen in het verderf stort. Haar stem is als het ware haar instrument, de oorsprong van haar macht. Als ze mens wordt, verliest ze haar stem, oftewel: haar macht. Dat daarmee op voorhand een normaal functioneren in de menselijke samenleving onmogelijk wordt, beseft Rusalka onvoldoende en dat is haar tragiek. Kosky geeft verder aan dat er bij een sprookje sprake moet zijn van enige mate van vervreemding. Het moet niet al te dicht op de werkelijkheid van de toeschouwer staan. Vandaar de keuze voor het zeemeerminlijf. Rusalka werd zo nadrukkelijk geïntroduceerd als een wezen uit een andere wereld.

Melly Still

Ter vergelijking Glyndebourne 2019. In een begeleidend schrijven vraagt Jan Smaczny, musicoloog en Dvorak expert zich af wat een reden kan zijn geweest om in een tijd dat Verismo de nieuwe trend was met een sprookje te komen over een waternimf. Het loopt natuurlijk niet goed af zoals in een echt sprookje behoort, maar toch. Librettist Jaroslav Kvapil zou wellicht geïnspireerd kunnen zijn door het lot van vele Moravische plattelandsmeisjes die dienst namen in Wenen. Omdat ze de taal niet spraken werd hen als het ware hun stem ontnomen, ze konden zich niet uiten. Eenmaal verleid door iemand uit de familie van hun werkgever werden ze dan zwanger terug naar huis gestuurd, het begin van een uitzichtloos bestaan. In die zin kan Rusalka worden begrepen als iemand die bezwijkt voor de verlokkingen van een leven onder beter gesitueerden en van een koude kermis thuis komt. Een sociaal drama verpakt als sprookje, herkenbaar voor het toenmalige publiek.

Philipp Stölzl

© Clärchen & Matthias Baus | De Nationale Opera

En daarmee komen we dicht in de buurt van de productie van Philipp Stölzl voor DNO, door mij omschreven als ‘Rusalka goes to Hollywood’. De ongerijmdheden in zijn regie vallen in het niet bij alles dat er conform het sprookje al aan vooraf is gegaan. Die kunnen we rustig voor kennisgeving aannemen. Een antropomorfische benadering is een keuze die niet achteraf selectief kan worden gehanteerd. En geen gezwijmel over de maan die in Moravië heel anders schijnt dan in de rest van de wereld, gewoon de kern van het verhaal en welke allegorie daarin wordt verbeeld is een kwestie van interpretatie.

Stefan Herheim

Hoe ver je verwijderd kan raken van het origineel bewees Stefan Herheim in zijn productie voor De Munt in 2008. De herneming uit 2012 is op dvd uitgebracht. Herheims Rusalka stamt uit hetzelfde jaar als zijn Parsifal in Bayreuth, een historiserende productie met een veelheid aan interpretatielagen en vaak verwarrende beelden. Wat Herheim hierin echter onderscheidt van deconstructie regisseurs zoals Castorf en in nog sterkere mate Rau is dat hij het verloop van de handeling onaangetast laat maar er zonder enige remming van alles en nog wat aan toevoegt tot het alleen voor ingewijden nog herkenbaar is als de opera die op het affiche staat.

Bij zijn Rusalka in Brussel heeft hij die drempel echter overschreden en is er sprake van een gedeconstrueerd werk dat Herheim de mogelijkheid biedt een ander verhaal te vertellen.

Hij maakt de Watergeest tot het centrale personage. De oudere man voelt zich opgesloten in een huwelijk dat al te lang heeft geduurd en een toevallige ontmoeting met een hoertje op straat is aanleiding voor een trip down memory lane. Daarin zien we de Vreemde Prinses als zijn echtgenote, zowel vroeger als nu, en de Prins als zijn jongere zelf, overigens in de persoon van een matroos. In plaats van te kiezen voor het hoertje, uiteraard Rusalka, is hij blijven plakken aan iemand uit zijn eigen wereld. De ouder geworden Watergeest vermoordt uiteindelijk zijn vrouw en wordt geboeid afgevoerd. Rusalka is inmiddels ook ouder geworden en dubbelt qua indentiteit met Jezibaba.

Die persoonsdubbeling worden op z’n Herheims getoond door middel van identieke kostuums en het gebruik van spiegels. Verder worden er nieuwe personages opgevoerd zoals een politieagent, een priester en een stel nonnen, en blijven de scènes met de koksmaat achterwege. Het geheel oogt als een bonte kermis waarin voortdurend veel te doen is. Je komt ogen tekort.

Voor de rol van Vodnik, de Watergeest, was veteraan Willard White gecast, een goede keuze gelet op het feit dat zijn personage voortdurend op het toneel staat en in de handeling is betrokken. Renée Morloc is goed gecast als Jezibaba. De Vreemde Prinses ofwel Vodniks echtgenote komt voor rekening van Annalena Persson, goed maar niet bijzonder, ik heb mooier horen zingen. Pavel Cernoch is weer eens te beleven als de Prins, de rol is zo ongeveer zijn visitekaartje, Rusalka wordt vertolkt door Myrto Papatanasiu, vooral oogstrelend en met goed gelukte zang in de hogere regionen.

De personenregie is zeer uitgekiend en bij vlagen hilarisch als meerdere personen dezelfde gebaren maken, beetje slapstick. Het toneelbeeld laat weinig te wensen over: een stadspleintje met een kerk, een metro-ingang, een hoerenkastje en een uitspanning in de stijl van Edward Hopper waarin de waternimfen hun opwachting maken.

Muzikaal een goede voorstelling, mede dankzij Adam Fischer en het koor en orkest van De Munt. Als opname vooral interessant voor verzamelaars van Herheim producties. 

Twintig sopranen zingen het Lied aan de Maan. Welke is de mooiste?


 

zie ook:

https://basiaconfuoco.com/2017/02/26/3-x-rusalka-kristine-opolais-gabriela-benackova-en-ana-maria-martinez/

Rusalka goes to Hollywood

Rusalka van Robert Carsen in Parijs

Glyndebourne’s Rusalka is een fraai schouwspel