Gastcolumns

In Lazarus doet David Bowie zichzelf te weinig recht.

Tekst: Neil van der Linden

https://www.musicalweb.nl/wp-content/uploads/2017/07/lazarus.jpg

David Bowie was een jeugdheld. Hoewel hij altijd iets afstandelijks en bedachts had (en ook dat paste bij zijn imago), en zijn geflirt met Amerika – terwijl hij zo door en door Engels was – mij irriteerde, was het een combinatie van zijn experimenteerzin en zijn biseksuele imago die hem onderscheidden. Dat was tot aan 1983, het jaar van één van zijn grootste commerciële hits, Let’s Dance.

Tot dan toe was hij consequent een voorloper geweest. Vaak op een eclectische manier: hij ‘kopieerde’ geregeld anderen, en je kon het soms zelfs plagiaat noemen. Maar ook in dat kopiëren was hij zijn tijd vooruit, kopiëren werd een kenmerk van het postmodernisme. Hij kopieerde cabaretmuziek, creëerde elektronische muziek, hij integreerde ‘zwarte’ funk-ritmes en baspatronen in in principe ‘blanke’ muziek, zong al vroeg over science fiction-onderwerpen (‘Space Oddity’, ‘Is there life on Mars?’), flirtte met mode (de song Fashion), schiep via alterego’s via glitter en glamour-uiterlijk in zijn live-optredens en op zijn hoezen, en koketteerde met same-sex ‘gender-neutraliteit’ door met echtgenote Angie in identieke make-up te poseren, en homoseksualiteit, al heel vroeg maar ook heel duidelijk in de film Merry Christmas Mr Lawrence uit 1982, waarin het personage, een door de Japanners krijgsgevangen gemaakte knappe Britse kolonel – Bowie –  zich overduidelijk aangetrokken voelt tot een eveneens knappe Japanse officier – de musicus Ryuichi Sakamoto.

Na die ene funk-diso-hit uit 1983, Let’s Dance, nam vernieuwingsdrang wat af, maar hij had er toen al een muzikale loopbaan van veertien jaar op zitten. Dat was langer dan de Beatles bij elkaar waren geweest.

In Lazarus, min of meer een autobiografie, geschreven door Bowie zelf samen met ene Enda Welsh, krijgen we een selectie van ‘greatest hits’ die de fans (de zaal zat vol met veertigers, vijftiger en zestigers) blij maken. Maar ik zag weinig terug van die vernieuwingsdrang, weinig dat weerspiegelde wat Bowie echt teweeg heeft gebracht.

Wat betreft het artistiek overzicht over zijn oeuvre mis ik wel wat uit zijn ‘tweede periode’, van de albums Station to Station (1976) tot en met Scary Monsters (1980). Al is het een stunt om Heroes uit 1977, één van de hoogtepunten uit zijn zogenaamde Berlijnse periode (toen hij geregeld opnam in Berlijn en hij op soms dubieuze wijze naar symboliek uit het Nazisme en het Oostduitse communisme leek te knipogen) om te vormen tot een zoetgevooisd liefdesduet, waarmee de musical afsluit. Wil Bowie met dit einde zeggen dat hij verkeerd is begrepen?

Bowie schreef deze musical in de tijd dat hij te horen had gekregen dat hij aan een ongeneeslijke vorm van kanker leed. De musical is geïnspireerd door de science-fiction roman The Man Who Fell To Earth uit 1963 van Walter Tevis, op basis waarvan de Britse regisseur Nicholas Roeg een film heeft gemaakt met Bowie in de hoofdrol als de ‘man who fell to earth’ (1976). Lazarus is een vervolg op die roman en die film. The Man Who Fell to Earth wil terug naar de ruimte. Daarvoor moet hij een raket bouwen.

Allerlei figuren uit zijn dagelijks leven storen hem hierbij. De enige die hem kan helpen is een personage uit zijn verbeelding, ‘Girl’ genaamd. Met haar hulp, maar dus eigenlijk met de hulp van zijn eigen projectie, lukt die terugtocht naar de ruimte, in elk geval in de verbeelding, en gaat hij met Girl op reis, verbeeld met videoprojecties, onder het in duetvorm zingen van Heroes.

Persfoto Lazarus DeLaMar_ otocredit- Jan Versweyveld

© Jan Versweyveld

De hoofdpersoon uit de oorspronkelijke roman, Roeg’s film en uit Lazarus heet Thomas Newton. Hij is een zware alcoholist. In het decor dat een luxueus groot modern leeg appartement voorstelt vormen zijn een onopgemaakt bed en een ijskast vol flessen gin de weinige interieurelementen. Die ijskast gaat voortdurend open, wat de onophoudelijke drankzucht van Newton uitbeeldt. Door de alcoholnevel heen kijkt Newton, gespeeld en gezongen door Dragan Bakema, terug op een verleden met een grote liefde, Marylou genaamd, die hem heeft verlaten.

In allerlei vrouwen in zijn omgeving probeert hij die oude geliefde terug te vinden, onder meer in een soort secretaresse annex huismanager (Noortje Herlaar), en verder op iedere vrouw die maar in de buurt komt. Die projecties blijken illusies, behalve bij één figuur, maar dat is een illusionair personage, Girl (Juliana Zijlstra, die op 17-jarige leeftijd al wonderlijk overtuigend op het toneel staat, en overigens ook, samen met Noortje Herlaar, de beste stem van de hoofdrolspelers heeft).

De mannen rond Thomas Newton zijn allemaal slecht of slap: managers die proberen hem aan het werk te krijgen om nog aan hem te kunnen verdienen tot en met de jaloerse echtgenoot of levensgezel van die secretaresse en huismanager. Ook al gaat het om een romanfiguur, mede gezien de koppeling aan het overzicht uit Bowies oeuvre, is het vermoedelijk ook de bedoeling Lazarus als autobiografisch te zien. Bij Bowie zou ik dan wel hebben gehoopt op minder voorspelbare en ‘burgerlijke’ en ook op karakterologisch minder vlakke personages. De vele tekst staat bovendien verdere karaktertekening eerder in de weg dan dat die mogelijkheden verruimt.

Persfoto Lazarus DeLaMar-3 Fotocredit- Jan Versweyveld

© Jan Versweyveld

Dat terugverlangen naar die ene Marylou, is dat waar de altijd zo veelzijdige Bowie op het laatst voor wilde staan? Er is overigens zelfs een bijrol personage, dat vertelt dat hij ooit ten onrechte voor homoseksueel is aangezien. Misschien is ook dat ook een alter ego van Bowie? Dan voel ik me wel verraden. Maar waarom is dat personage überhaupt op het toneel als het verder niet wordt uitgewerkt? Ja, ik begrijp dat Marylou kan staan voor alles uit het verleden, de artistieke bloeiperiode, de creatieve jaren enz. Overigens ging nou juist David Bowie tot het eind toe door met het opnemen van nieuwe en vernieuwende muziek. Maar misschien is het de schuld van Lazarus’ co-auteur Enda Walsh.

De best gekozen songs, met eraan gewaagde vertolkingen, zijn ‘The Man Who Sold the World’, een sciencefiction electrorocker helemaal uit Bowies beginperiode, het seksueel geladen ambigue cabareteske ‘Changes’ van vlak erna, 1971, inderdaad goed gezongen zoals de NRC schreef door Noortje Herlaar, ‘All the Young Dudes’ uit 1972, een voluit ambigue puberjongenssong, indertijd een hit van de glamourrock band Mott the Hoople en hier gepromoveerd tot echte Bowie-song en ‘Absolute Beginners’, een filmsong uit 1986; met de laatste twee kwamen ook niet-standaard Bowie-songs mooi voor het voetlicht. En dan is er aan het eind zoals hiervoor beschreven associaties het ooit controversiële ‘Heroes’, hier omgevormd tot een romantische musical-duet.

Persfoto Lazarus DeLaMar-7 otocredit- Jan Versweyveld

© Jan Versweyveld

De begeleidende musici waren trouwens fantastisch, en hier had regisseur Ivo van Hove’s vaste decorontwerper Jan Versweyveld iets briljants gedaan. De musici stonden achter glas in een ruimte achter het appartement van Thomas Newton, alsof je door ramen naar een belendende ruimte kijkt, in dezelfde architectonische stijl, maar overigens witter en kouder belicht. Door ze achter glas of plastic te plaatsen kon je bovendien voorkomen dat de band te hard zou klinken, en, briljant technisch detail, de drummer zat daarbinnen in nog een extra glazen of plastic kooi. Al het geluid instrumenten kwamen zo prachtig gecontroleerd elektronisch versterkt in de zaal terecht, terwijl je tegelijkertijd de musici bezig zag, maar ook vanuit een andere wereld. Is dat dan niet eigenlijk de andere wereld waarnaar Thomas Newton terug wil?

Lazarus van David Bowie en Enda Welsh.
Regie Ivo van Hove.
Gezien in DeLaMar theater, 19-10-2019

Voor meer informatie en speeldata:

https://delamar.nl/voorstellingen/lazarus/

Opera Odessa brengt klassieke Trovatore

Tekst: Peter Franken

 

SAG_2998-1

Inmiddels geen nieuwkomer meer op de Nederlandse podia, Opera Odessa. Na korte tournees met Turandot, Pique Dame en Madame Butterfly treedt het gezelschap dezer dagen op in Nederland met een klassiek vormgegeven productie van Il Trovatore.

Il trovatore is in muzikaal opzicht een van Verdi’s populairste werken maar op het toneel wil het werk wel eens wat ongeloofwaardig overkomen. Ik ben een verklaard tegenstander van opera in concertvorm maar ben bijna geneigd voor dit werk een uitzondering te maken. Gewoon het verhaal volgen betekent onwaarschijnlijke wendingen zonder commentaar voor lief nemen.

In dat opzicht is Il trovatore toch wel een vreemde eend in de bijt als we kijken naar Verdi’s werken uit de periode 1849 – 1853. Hij schreef daarin vijf opera’s in evenzo vele jaren: Luisa Miller, Stiffelio, Rigoletto, Il trovatore en La traviata. Zowel muzikaal als inhoudelijk zie ik Il trovatore in deze reeks als een stap terug, een rommelig libretto dat nauwelijks enige betrokkenheid bij de bordkartonnen personages weet te genereren en daar overheen vooral spectaculaire muziek die naar mijn smaak te veel op effectbejag is gericht.

Een team onder leiding van regisseur Thilo Reinhardt brengt het werk in een naturalistische setting waarbij omwille van de eenvoud het verschil tussen binnen- en buitenruimte zo min mogelijk wordt benadrukt. Soldaten zijn voorzien van uniformen, degens en kurassen. Zigeuners lopen in kleurrijke kledij, slapende mannen maken snurkende geluiden. In het zigeunerkoor ‘Chi del gitano i giorni abbella’ waarin ze blèren dat er altijd troost is in de vorm van een zigeunerinnetje zijn het twee vrouwen die een zwaard smeden op een heus aambeeld terwijl de mannen hun ochtendkater aan het verwerken zijn. Na elke scène gaat het doek even dicht voor een decorwisseling, bewerkelijk doordat er relatief veel rekwisieten worden gebruikt.

In de kleinere rollen viel de bijdrage van Kateryna Lian op. Zij zette een mooie Ines neer, de vertrouweling van Leonora. Ook de Ferrando van Viktor Schevchenko kwam goed uit de verf. Zijn grote aria ‘Di due figli vivea padre beato’ waarin hij de voorgeschiedenis van het verhaal samenvat, werd met veel overtuiging gebracht, zozeer dat zijn mannen zich vervolgens schrik lieten aanjagen door een onverwacht geluid.

SAG_3298

Roman Strachov nam de rol van de spreekwoordelijke bariton voor zijn rekening die tussen de tenor en de sopraan in staat. Zijn Conte di Luna is een personage dat afwisselend ten prooi valt aan jaloezie, woede, wraakgevoelens en verbittering. Luna is geen moment gelukkig en dat liet Strachov zowel zingend als acterend redelijk tot uiting komen.

De lage mezzo Tatiana Spasskaya wist overtuigend in de huid te kruipen van de zigeunerin Azucena. Stimmlich kon ze me aanvankelijk niet erg bekoren. Haar grote vertelling ‘Condotta ell’era in ceppi’ klonk erg ongepolijst. In haar latere bijdragen was Spasskaya veel prettiger om naar te luisteren. Haar bereik bleek groot genoeg om ook de hoogste passages aan te kunnen en acterend stal ze de show. Ondanks haar onwaarschijnlijke verleden (wie gooit nu zijn eigen kind per abuis in het vuur?) wist ze zich te presenteren als het meest geloofwaardige personage.

Leonora was toevertrouwd aan Julia Tereshuk. Vocaal kan ze de rol prima aan maar toch vertoonde ze onnodig veel risicomijdend gedrag, met name bij het attaqueren van sommige hoge passages. Daarbij zette ze een keel op, om vervolgens in een volgende, vergelijkbare passage, mezzo forte te zingen. En bij de hoogste noten koos ze wat erg snel voor een lager alternatief. Verder niets dan lof voor deze Julia, ze was van begin tot einde een vast baken in deze roller coaster met als hoogtepunt een fraaie vertolking van Leonora’s topnummer ‘D’amor sull’ali rosee’.

Eduard Martyniuk nam de titelrol voor zijn rekening. Manrico heeft de bravoure van een man die in ‘alles’ uitblinkt, van minstreel tot vechtersbaas. Logisch dat Leonora voor hèm valt en niet voor zijn veel saaiere broer. Martinyuk wist dit vrij aardig over het voetlicht te brengen, al nam hij opvallend weinig risico in de lastige passages. Hij ging zoals verwacht direct los in ‘Di quella pira’ maar bleef bewust hangen onder de hoge C. Goede tenor maar niet de ster van de show.

SAG_3107

Il trovatore speelt zich af tijdens een burgeroorlog en Reinhardt laat dat zien zonder die context tot de kern van het stuk te verheffen. We zien een groepje nonnen die gewonden mannen verplegen en de suggestie wordt gewekt dat op de achtergrond een operatie wordt uitgevoerd. Gevechtshandelingen, plundering en wangedrag blijven buiten beeld. Des te meer valt de vrij expliciete suggestie van marteling op die Azucena ten deel valt als ze door Luna’s mannen is gevangen genomen.

Al met al is deze productie een vrij goed gelukte poging om dit rommelige werk dat het vooral van de muziek moet hebben librettogetrouw ten tonele te voeren. Dat op zich is een compliment waard. Ik kijk uit naar de volgende bijdrage van dit sympathiek gezelschap uit de fraaie stad Odessa, met zijn prachtige theater.

Bezocht op 14 oktober 2019

IL TROVATORE. Discografie

Il trovatore van Dmitri Tcherniakov, naar de opera van Verdi

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. Ter nagedachtenis van Marcello Giordani

Il barbiere di Siviglia door de Nederlandse Reisopera: wat een topproductie!

Door Sander Boonstra

Il Barbiere_NRO024

Het gebeurt me niet vaak meer: vanaf de eerste noot tot en met de laatste op het puntje van m’n stoel zitten. Gisteravond gebeurde het..

Il Barbiere_NRO006

De Nederlandse Reisopera stond voor een bijna uitverkochte zaal in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden met Rossini’s Il barbiere di Siviglia. En hoe… Deze productie kent geen (zwarte) katten over het toneel of vallende decorstukken zoals bij de wereldpremière in 1816, maar wel een Vespa, een kleurrijk decor en een cast om je vingers bij af te likken.

Il Barbiere_NRO001

De avond begint met het Noord Nederlands Orkest onder de gelauwerde George Petrou. De ouverture begint stevig, lekker op tempo en nergens een ‘inkak’-moment. En die lijn wordt de hele avond volgehouden. Orkest en solisten staan in verbinding met elkaar door een uitstekend dirigerende Petrou: hij houdt alles goed bij elkaar en je merkt aan alles, dat hij de touwtjes in handen heeft.

Il Barbiere_NRO009

De solistenequipe wordt aangevoerd door German Olvera als Figaro en Neerlands trots Karin Strobos als Rosina. Stemmen als een klok die elk hoekje van de Aegon-zaal van De Harmonie vullen, zowel in de hoogte als de laagte. Tel daarbij op hun acteertalent en gevoel voor timing, en je hebt een fantastische avond.

Il Barbiere_NRO015

Mark Milhofer als Almaviva en Bruno Praticò als Bartolo stelen op hun geheel eigen wijze de show: Milhofer die een pot vocaal vuurwerk op het eind opentrekt (aria ‘Cessa, di più resistere’) en Praticò met zijn bijna onmogelijk kopieerbare versie van ‘A un dottor della mia sorte’.

Il Barbiere_NRO011

Regisseur Laurence Dale heeft oog voor personenregie en details. Komische effecten worden ingezet én afgemaakt, je komt het niet vaak meer tegen… Niet alleen voor de solisten, maar ook voor de uitstekend zingende mannen van Consensus Vocalis: ze zijn 100% onderdeel van de actie en niet zomaar een ‘achtergrondkoortje’.

Il Barbiere_NRO026

En het oog wil ook wat, natuurlijk. Met deze reprise van de voorstelling uit 2013 komt dat helemaal goed: decors zijn kleurrijk en multifunctioneel inzetbaar, en de kostuums zien er fantastisch uit.

Het was een avond die ik nog een keer wil meemaken, absoluut! Het slotapplaus kwam niet zomaar van de lucht. Daarom zeg ik: over 6 jaar maar weer doen.

Barbiere Sabnder

Cast en dirigent danken het uitbundige Leeuwarder publiek in Stadsschouwburg De Harmonie © Sander Boonstra

Gezien op 9 oktober 2019 in de Harmonie in Leeuwarden

Fotomateriaal: Marco Borggreve

https://reisopera.nl/producties/il-barbiere-di-sivigla/

Discografie: Il Barbiere di Siviglia

 

 

 

 

 

DNO herneemt bijna vergeten Cosi fan tutte

Tekst: Peter Franken

92.cosifantuttecd-ogaard1079

© Hans van den Bogaard

Temptation Island avant la lettre, zo probeert DNO Mozarts liefdesexperiment onder de aandacht van een jong publiek te brengen. Op zich goed gevonden, zo lijkt het, maar de oude productie uit 2006 oogt te gedateerd om die claim geloofwaardig te maken. Muzikaal was de première een succes maar het duurde allemaal wat lang.

In 2006 stond er een complete Da Ponte cyclus op het programma bij DNO in de regie van het duo Jossi Wieler en Sergio Morabito. De kritiek was niet van de lucht, met name het Beddenpaleis (Don Giovanni) moest het ontgelden, maar ook de Autosalon (Le nozze di Figaro) kon op veel commentaar rekenen. Inmiddels zijn beide werken al eens geprogrammeerd in nieuwe producties, voor hun herneming hoefde niet langer gevreesd te worden. De Jeugdherberg (Cosi fan tutte) kwam er nog het beste vanaf en deze productie uit 2006, eerder hernomen in 2009, staat nu weer op het programma.

82.cosifantutte-d-ogaard1165

© Hans van den Bogaard

Het decor van Barbara Ehnes suggereert een jeugdherberg, met tieners en adolescenten die duidelijk tot een bepaalde groep horen, gelet op hun padvinderachtige uniformen. We zijn aan het strand, er ligt wat zand rondom het draaitoneel en jongelui in weinig eigentijdse kleding draaien wat om elkaar heen. Het doet onwillekeurig denken aan Sommerferien aan de Oost Zee kust onder auspiciën van de Freie Deutsche Jugend. Dat Ferrando blauwe sokken draagt is wellicht een hint in de richting van deze FdJ, ook wel Blauwhemden genaamd.

81.cosifantutte-d-ogaard0974

©Hans van den Bogaard

Met Don Alfonso als een jeugdleider en Despina plotseling even in de rol van keukenprinses die de geüniformeerde jongelui van soep voorziet, is een pseudo eigentijdse setting gecreëerd. De rest van de ongerijmde handeling krijgt daarin zonder veel frictie een plaats, zolang je de gezongen teksten grotendeels voor kennisgeving aanneemt. Waar het om draait is het thema trouw in de liefde en de kern van Cosi – ‘zo doen zij allen’ – wordt veelal opgevat als een wel erg generaliserende negatieve kijk op vrouwen in het algemeen. Maar op die manier over mannen praten is bijna een cliché, getuige Despina’s ‘van mannen trouw verwachten, laat me niet lachen’. Er is veeleer sprake van een repliek op die gemeenplaats, vrouwen zijn heus niet zoveel anders dan mannen als het om de liefde gaat.

De natuur maakt voor de twee overmoedige jongens Ferrando en Guglielmo geen uitzondering en mede dank zij intensieve brainwashing door Alfonso en Despina gaan beide tienermeisjes voor de bijl. Goed, een dag is wel erg ongeloofwaardig, maar met een week was de uitkomst van de strijd (in liefde en oorlog….) tamelijk voorspelbaar geweest. Die meiden hebben zich kranig geweerd maar waren niet bestand tegen een lawine van list, bedrog en hormonale opwinding.

95.cosifantuttecd-ogaard0996

© Hans van den Bogaard

De productie als geheel kan er mee door, maar een topper zal het nooit worden. Ook de personenregie van de figurerende koorleden draagt niet echt bij aan het succes. Verder zijn er te vaak dode momenten waarin iemand zich omkleedt, nadenkt of stilletjes zit te flirten. Zoiets is dodelijk voor de vaart en dat kan deze uitgesponnen voorstelling niet hebben. Een Cosi met een zuivere speelduur van 200 minuten is te lang. Het is ironisch dat een Wagneriaan zich daarover beklaagt, maar punt is dat er gewoon te weinig gebeurt om het zo te rekken.

De langste opname onder Böhm duurt 165 minuten en dat verschil komt niet alleen voor rekening van de daarin gecoupeerde tweede aria van Ferrando. Dirigent Ivor Bolton neemt gewoon overal ruim de tijd. Onder zijn leiding laat het Nederlands Kamerorkest mooie klanken horen al vielen er wel de nodige missers in de hoornsoli te noteren. Wat de voorstelling ondanks alle gebreken tot een succes maakt is de zang.

Thomas Oliemans is als Don Alfonso een wat jonge ‘levenswijze’ vriend, iets te baritonaal wellicht maar uitstekend vertolkt. Zijn compagnon in de ad hoc firma list en bedrog is in handen van de sopraan Sophia Burgos die een sexy Despina neerzet, met passend bijdehand gedrag.

Het geplaagde viertal dat aan een experiment wordt onderworpen was uitstekend gecast. De bariton Davide Luciano als Guglielmo was voor mij de beste man van het veld, hij beviel me net iets meer dan zijn vriend Ferrando, de tenor Sebastian Kohlhep. Al heb ik na afloop geluiden gehoord die precies het tegenovergestelde suggereerden. Opvallend was dat Ferrando twee arias’s te zingen kreeg, zijn ‘Ah, lo veggio’ kwam mij in het geheel niet bekend voor, wordt kennelijk vrijwel altijd gecoupeeerd.

De mezzo Angela Brower, bijna een sopraan, zette een leuke Dorabella neer, goed gezongen en uitstekend geacteerd. Zij is minder naïef dan haar zuster, neigt in de richting van Despina waardoor ze in de handeling meer en meer een tussenpositie gaat innemen naarmate ‘the plot thickens’. Anet Fritsch tenslotte was een ideale Fiordiligi, zowel qua voorkomen als qua stem. Haar vertolking van de twee grote aria’s, de muzikale hoogtepunten van dit werk, was uitstekend verzorgd.

93.cosifantuttecd-ogaard1085

© Hans van den Bogaard

Terugkomend op de poging van DNO om deze productie te slijten als een leuke binnenkomer voor een jeugdig publiek: een in totaal vier uur durende voorstelling met schier eindeloze aria’s, tenenkrommende teksten en een plot die vandaag de dag in minder dan een uur verteld zou worden, is geen geschikt uithangbord voor deze doelgroep. En een gitaar spelende hippie op het toneel helpt ook echt niet, das war einmal.

Thomas Oliemans over zijn rol als Don Alfonso:

Bezocht op 3 oktober 2019

Cosi fan tutte: zo doen ze het allemaal (maar sommigen doen het gewoon beter)

Johan Simons brengt een goed doordachte Don Carlos

Tekst Peter Franken

Carlos

Opera Vlaanderen opent het seizoen met een nieuwe productie van Don Carlos. Het is al de derde sinds de heroprichting van het instituut dertig jaar geleden. Gekozen is voor de Franse versie, de Grand Opéra die Verdi schreef voor de Parijse Opéra.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Don Carlos waarin de titelheld een onmogelijke strijd voert om erkenning en liefde en wordt vermorzeld door een totalitaire christelijk politieke maatschappij.

Carlos Schille

Dat tijdsbeeld is vermoedelijk voor Schiller de aanleiding geweest de Infante tot de held van zijn toneelstuk Don Karlos, Infant von Spanien te maken. Het stuk dateert van 1787 en het strenge oordeel dat erin wordt geveld over de rol van de Kerk en de Inquisitie, in al zijn afstotelijkheid ten tonele gevoerd door de Grootinquisiteur, moet de latere Franse revolutionairen hebben aangesproken. Zozeer dat Schiller in 1792 het ereburgerschap van de Franse Republiek kreeg toegekend. Met enige fantasie kan in het personage Posa, de enige niet historische figuur in het drama, het alter ego van Schiller worden gezien.

https://mariaberini.files.wordpress.com/2018/03/siglo-xvi-5.jpg?w=1140

Een kleine eeuw later pakt Verdi de door Schiller geromantiseerde geschiedenis op en zijn librettisten werken het stuk om tot een klassieke Grand Opéra, in vijf aktes en een groot ballet. Verdi benadrukt dat er niets historisch is aan de inhoud van het werk, maar dat is toch te gemakkelijk. Zeker voor een Nederlander die van jongs af aan vertrouwd is met de figuur van Philips II, de grote boeman uit de Tachtigjarige Oorlog, blijft het moeilijk om in Verdi’s opera in het geheel geen ‘echte geschiedenis’ te willen zien.

Johan Simons komt ons in dit opzicht volledig tegemoet door een zeer goed doordachte poging te wagen de frictie tussen feiten en fantasie te verminderen. Hiertoe plaatst hij Carlos nog nadrukkelijker in het centrum dan het libretto aangeeft. We zien de 23-jarige Carlos in zijn stervensuur, opgesloten in een kamer in het paleis, waar hij verbannen uit de wereld mag leven of sterven, feitelijk doet dat er voor zijn vader Philips niet meer toe. De Infante was te gevaarlijk geworden en moest onschadelijk worden gemaakt.

Het cliché wil dat iemand in zijn laatste ogenblikken zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Hier gebeurt iets dergelijks met dien verstande dat we de voorbije gebeurtenissen te zien krijgen zoals ze door Carlos zijn gefantaseerd. Het is onduidelijk wat er mis was met deze jongeman maar hij functioneerde aan het hof op geen enkele wijze, zo wil men. Misschien was hij wel een fysiek gehandicapte borderliner met ADHD die er verder niet uitzag. Bedenk maar wat. Ongeschikt voor het hofleven, niet uit te huwelijken, een potentiële ramp als troonopvolger.

Carlos Elisabeth

Mary Elizabeth Willems (Elisabeth) en Leonardo Capalbo (Carlos)  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns

Niettemin was er een match voor hem geregeld met de dochter van de Franse koning, Elisabeth van Valois. Dat was iets om naar uit te kijken voor deze 14-jarige puber. Maar dan gaat dit niet door en komt de eveneens 14-jarige Elisabeth naar het Spaanse hof als de nieuwe echtgenote van zijn 32-jarige vader Philips. Goed beschouwd was dit een royaal gebaar van de Spaanse koning naar zijn Franse collega. Voor Carlos is het een streep door de rekening en hij begint te fantaseren hoe het zou zijn geweest als Elisabeth en hij elkaar in Frankrijk hadden ontmoet. Het is te vergelijken met de jongensdroom over een onbereikbare liefde die veroverd kan worden door haar uit een brandend pand te redden.

De voorstelling begint in het klooster van San Yuste met de verschijning van Karel V. We beleven dit in de gefantaseerde herinnering van Carlos, gelegen op een bed. Alles wat volgt vindt plaats in diezelfde ruimte, feitelijk is het een Kammerstück. Na het bezoek van Posa volgt in de tweede scène een flashback naar Fontainebleau, de ontmoeting met Elisabeth en het moment dat de twee jonge tieners ter plekke verliefd werden. Dat dit korte moment van geluk nooit heeft bestaan, is voor Carlos niet aan de orde. Denk aan de ‘brandend pand’ metafoor. Zij hield van hem en is altijd van hem blijven houden, vandaar al die latere verwikkelingen.

In zijn op maat geslepen herinnering offert Carlos zich op en vertrekt om het volk van Vlaanderen te bevrijden van het juk van zijn vader en de Inquisitie. Maar hij, de held van het moment, wordt ook daarin de voet dwars gezet. Philips eist een dubbel offer, zowel Carlos als Elisabeth zullen moeten sterven. Dat is de prijs voor hun liefde. Gesproken als een echte puber, toch? Zo brengt Simons de twee werelden heel dicht bij elkaar en krijgt de toeschouwer iets mee van wat vermoedelijk de ware tragiek van de Infante is geweest.

Carlos Antwerpen

Auto da fe  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns

The chorus puts the ‘grand’ in the Grand Opéra, las ik ergens. En de decors en het ballet vormen de visuele component. Simons’s productie voldoet zodoende niet aan de formele eisen om bestempeld te kunnen worden als een Grand Opéra. De decors van Hans Op de Beeck zijn grotendeels zeer ingenieuze videoprojecties. Het koor bevindt zich meestentijds achter het projectiedoek en is in de handeling gereduceerd tot statisch element dat de handeling becommentarieert. Het is een keuze die mede wordt bepaald door de situering van alle gebeurtenissen in de ruimte waarin Carlos is opgesloten. Hij regisseert daarin letterlijk alles, sleept bijvoorbeeld een voor een de op de grond liggende Vlaamse smekelingen het toneel op voorafgaand aan de Auto da fe.

Voor een ballet is in dit Kammerstück sowieso geen rol weggelegd. De beelden op het doek zijn gestileerd en doen vagelijk denken aan het werk van Giorgio de Chirico. De kostumering van Greta Goiris is fantasierijk met middeleeuwse accenten gekoppeld aan modieuze jaren ’50 stijlfiguren. Met name bij de aankleding van het koor heeft ze zich helemaal uitgeleefd. Bij de protagonisten gaat het er veel ingetogener aan toe. Zo loopt Elisabeth de hele voorstelling in een turquoise broekpak, op zich heel geschikt voor de scène in Fontainebleau maar weinig koninklijk. Anderzijds kan het natuurlijk duiden op de wijze waarop Carlos haar in zijn fantasie in dat liefdesmoment heeft gefixeerd.

Overigens is er zeer weinig gecoupeerd, de speeltijd van 210 minuten spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Wat Simons brengt is een uitstekende lezing van dit grootse werk, een van Verdi’s meest aansprekende opera’s. Muzikaal was het zeer goed verzorgd. Alejo Pérez, de nieuwe chefdirigent van Opera Vlaanderen, had de zaken goed in de hand en liet het orkest tonen wat het waard is. Verder hield hij goed rekening met de zangers, ze hoefden niet tegen het geluid vanuit de bak op te boksen.

Niettemin waren de twee heren Carlos en Posa in de eerste scène onnodig luid, bijna schreeuwerig bezig, alsof het een wedstrijd was. In hun andere duetten hielden ze zich veel meer in. Leonardo Capalbo gaf overigens een uitstekende invulling aan de titelrol. Er werd een heleboel van hem gevergd doordat hij naast veel zingen ook zijn eigen fantasieën moest regisseren. Bariton Kartal Karagedik, eerder in Vlaanderen te gast in de titelrol van Le Duc d’Albe, was een prettig klinkende Posa.

Carlos drie

Leonardo Capalbo (Carlos), Andreas Bauer Kanabas (Philips), Kartal Karagedik (Posa)

Andreas Bauer Kanabas wist mij geheel te overtuigen als Philips II. Met name zijn topstuk, de monoloog ‘Elle ne m’aime pas’, was van grote klasse. Het verbale gevecht met Grootinquisiteur Roberto Scandiuzzi was een hoogtepunt in de voorstelling. Hier kijken we in de beerput van de samenleving ten tijde van de godsdienstterreur, feitelijk het historisch hart van de opera. Werner van Mechelen nam de rol van Karel V voor zijn rekening, goed gezongen.

Carlos Eboli

Raehann Bryce-Davis (Eboli)  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns

En dan de beide dames. Eboli werd door de flamboyante mezzo Raehann Bryce-Davis neergezet als een hete bliksem met ‘maniertjes’. Acterend goed geslaagd en uitstekend gezongen. Mary Elizabeth Willems was een heel mooie Elisabeth. Technisch zeer goed verzorgd optreden, mooie klank hoewel hier en daar een tikje schel. Al met al een prima keuze voor deze rol.

Trailer van de productie:

Deze Don Carlos is een absolute aanrader. Weliswaar niet de originele Grand Opéra maar wel een hele grote opera. Er volgen nog 11 voorstellingen in Antwerpen en Gent.

Bezocht op 22 september 2019

DON CARLO(S). Een poging tot discografie

DON CARLOS in Antwerpen 2010

Elements of freestyle: wonderschoon wervelend hiphop, breakdance, skating, skateboard en baljongleer show voor viool, cello, elektronica en dansers.

Tekst: Neil van der Linden

Elements-of-Freestyle-11-c-Alex-Brenner-1200x800

© Alex Brenner

Breakdance, in-line skating (rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen), BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Urban en street zijn letterlijk goed in het Nederlands te vertalen, maar, net als ooit bijvoorbeeld met ‘pop art’ of ‘rock’ geeft het soms slang-Engels beter weer wat wordt bedoeld. Deze stijlen zijn in het algemeen afkomstig uit de VS, met name uit grote steden met deels Afro-Amerikaanse gemeenschappen. Intussen zijn ze wereldwijd verbreid, van Tokyo tot en met Gaza, en van Ghana tot Amsterdam; ja, Nederland excelleert er ook in.

elemenst (c) Studio Breed, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle - 4

© Alex Brenner

Al jaren verzamelt regisseur/choreograaf Marco Gerris, zelf van oorsprong een virtuoze rolschaatser, enkele van de besten in Nederland om zich heen, en bouwt met hen theatervoorstellingen die niet alleen spectaculair zijn wat betreft acrobatisch vertoon maar ook heel goed in elkaar zitten als theatervoorstellingen. Vandaar dat ISH telkens ook weer in grote reguliere theaters te zien is. Daar was Marco Gerris geen vreemde. Al lang geleden begaf hij zich in andere disciplines, zoals in een prachtige dansvoorstelling van Krisztina de Châtel en in zijn eigen productie van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met muziektheatergroep Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Maar associaties met deze ‘serieuze’ vormen van theater heeft ISH niet eens nodig, ook geheel nieuw uit de grond gestampte voorstellingen staan als een – theatraal – huis. En deze voorstelling stond bijvoorbeeld een paar wekenlang in de reusachtige Pleasance zaal in het theaterfestival van Edinburgh, wat ook in het VK leidde tot laaiende recensies.

Afgelopen winter waren er twee films die tegelijkertijd in de Amsterdamse Filmhallen draaiden, en die ik drie keer in combinatie met elkaar heb gezien. Spiderman into the Spiderverse, een cartoonversie in de ‘Spiderman serie’, en meteen de beste die ik ken. Vol personages die acrobatisch en met gebruikmaking van alle animatietrucs door de ruimte zweven en zich zoals animatie toelaat maar ook realistisch op het laatste moment aan van alles vastklampen. Dat doen de dansers van Ish live voor je ogen. En de film Climax van Gaspar Noé, een navrante, uitermate pessimistische kijk op de samenleving gezien vanuit een collectief jonge virtuoze hiphopdansers, waarin tijdens een feest alles uit de hand loopt, met doden tot gevolg. Ish combineert het idee van het collectief en de virtuositeit, maar tovert gelukkig een wereldbeeld voor waarin samenwerking essentieel en productief is.

elements (c) Alex Brenner, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle (_DSC9222)

© Alex Brenner

Gerris heeft in Elements of Freestyle de grenzen van het mogelijke in verschillende disciplines opgezocht. De voorstelling duurt net een uur, maar je vergeet de tijd en waar je bent als je al die lichamen door de lucht of over balken of langs torenhoge stellages ziet zwieren, waarbij het ook de bedoeling lijkt dat je je afvraagt of al die acrobatische trucs (‘tricks’ in het eigen jargon) wel gaan lukken, of in elk geval is dat de bedoeling.

elements Neil

© Neil van der Linden

Nou ja, die schaatsers en skateboarders komen ook echt tot vijf, zes meter in de lucht terecht als ze een ‘halfpipe’ doen, en er is geen andere weg terug dan terugvallen, en als dat niet gecontroleerd gebeurt zou het fout kunnen gaan. Uit het jargon van de ‘extreme sports’: ‘Een halfpipe of halfpijp is (vooral in het skateboarden, skaten, snowboarden en skiën) letterlijk een halve pijp waarin oefeningen gedaan kunnen worden. In een hoge halfpipe is het mogelijk heel hoog te springen’ (bron: Wikipedia). En die Motocross-fietser, die qua uiterlijk eigenlijk zo uit Amsterdam-Zuid zou kunnen komen (de deelnemers zijn qua afkomst zeer divers), die zijn fiets achterstevoren, ondersteboven en ongeveer binnenstebuiten gebruikt zou eigenlijk heel hard kunnen vallen, als hij de kunst niet heel erg goed onder de knie zou hebben gehad.

elemen(c) Alex Brenner, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle (_DSC9072)

© Alex Brenner

Maar anders dan bij Cirque du Soleil vergeet je ook heel vaak dat het om ijselijke toeren gaat, zo gaan alle elementen in elkaar op. Daar draagt ook de muziek van de voorstelling aan bij. Een celliste, die naast lyrische noten ook metalmuziek-klanken uit haar instrument tovert, een violist, tevens mede-componist van de hele score, die naast ook lyrische klanken af en toe het wah-wah pedaal openzet waardoor er een geluid ontstaat dat herinnert aan de meester van het wah-wah pedaal Jimi Hendrix, en een reeks computer-gegenereerde klanken die soms sereen zijn, en vaak ook uit opzwepende, snoeiharde beats, of gewoon vrolijk opborrelende blurp-geluiden.

Elements

© Alex Brenner

Zoals ISH in de toelichting schrijft, worden vaak aparte skatewedstrijden gehouden in die halfpipe, waarbij wordt gekeken naar de hoogte van de sprong, de moeilijkheid van de trick en hoe de wedstrijddeelnemer landt. Gezonde rivaliteit en collegialiteit zijn ook een onderdeel van het verhaal van deze voorstelling, die in combinatie met wat we in de muziek horen ook leiden tot momenten van rust en verbroedering.

En soms gaat het heel even ook over de eenzaamheid van de virtuoos, die ondanks alle aanmoedingen vanuit te de groep daar ergens boven in zo’n stellage een paar seconden in zijn eentje de zwaartekracht zal moeten tarten. En dan is er even de celliste die een gevoelige melodielijn speelt. Dit alles levert ook ontroerende momenten op temidden van de voor het overige als een waterval voortrazende stroom tricks.

Elements of freestyle door theatercollectief ISH.

Regie: Marco Gerris | Cast: Luis Alkmim (freerunning), Michael van Beek (freestyle basketball), Sven Boekhorst (inline skate), Jelle Briggeman (inline skate), Annie Tangberg (cello), Denden Karadeniz (breakdance), Thomas Krikken (breakdance), Bart van der Linden (freerunning
), Dez Maarsen (BMX Flatland), Ben Mathot (viool), Arnold Put (breakdance), Pim Wouters (skateboard)| Compositie: Rik Ronner, Jörg Brinkmann en Ben Mathot |

Gezien in Theater De Vest Alkmaar 11 september 2019

Volgende voorstellingen

18.09.19 | Zuiderstrand Theater | Den Haag

19.09.19 | Stadsschouwburg Utrecht

En voor wie in België woont:

27.09.19 | De Spil | Roeselare

Castellucci’s Salome from Salzburg released on DVD and Blu-ray

Salome Asmik coverBy Peter Franken

Romeo Castelluci’s production of Salome was a remarkable success at the Salzburg Festival in 2018. Not least because of the phenomenal interpretation of the title role by Asmik Grigorian. The premiere was broadcast live on TV and, supplemented with material recorded during two subsequent performances, recently released on DVD and Blu-ray. Last summer, the production was repeated three times, again with great success, after which the visitors could have their previously purchased copies signed by Frau Grigorian.

A production by Romeo Castelluci is in fact a Gesamtkunstwerk. He directs and designs the costumes and the scenery. Only for the choreography does he allow someone else into his world. Castellucci is said to be not so much a director of persons as one who stages the entire space. His Salome therefore does not lend itself very well to wide-ranging interpretations, but can best be experienced as it is.

The broad, shallow stage of the Felsenreitschule is used in its entirety. The arches in the back wall have been closed, so that the audience is looking at a closed, greyish back wall, which contributes to the oppressive atmosphere. The stage is empty, with the exception of a number of gold-coloured objects, which sometimes play a role in the action, sometimes not.

The floor is shiny gold, making the light reflect in such a way that the players seem to be standing behind a transparent curtain. This is a small disadvantage of a recording in HD, the public in the auditorium did not notice it, as I know from my own experience. A large opening in the floor gives access to the cistern where Jochanaan is kept prisoner.

The costumes are fairly uniform: men in dark suits with faces partially painted in red. It is difficult to distinguish between the different characters; all of them are merely secondary figures in the drama that takes place between the three protagonists. Herodias, with green makeup, is also emphatically kept in the background.

Salome appears in a white dress holding a royal white cloak with a crown in her hand.  A red spot suggests that she is menstruating, emphasizing that although she is unmarried, she has more than reached the age of marriage. Moreover, this makes her extra untouchable for the prophet; she is in all respects an impure woman. When Narroboth gives in and has the Prophet brought up, he remains largely shrouded in darkness. We only see a black shadow. Salome speaks to him, he answers and curses her.

So far, the libretto is followed fairly closely. But after Jochanaan has retreated to his dungeon, the action takes a remarkable turn. During the overwhelming musical interlude, Salome lies on her back and performs a complex, erotically tinted ballet with her legs. Cindy van Acker’s choreography is sublime and the mastery with which Grigorian performs this ballet is phenomenal. The eroticism of course relates to the excitement generated by the encounter with the prophet. He grossly rejected her and even cursed her, an entirely new experience for this luxurious creature. At the same time, a horse wanders around the cistern, a reference to the fascination of young girls with large animals. A bit of a cliché, but very effective.

Sallome asmik-grigorian-r-castellucci-rezisuotoje-salomejoje-5b6078eedf35d

Salzburgerfestspiele © ruth waltz

On the front curtain the text “Te Saxo Loquuator” was written, meaning “what the stones may say to you”. Castellucci uses this reference to the supposed strenghth and power of stones to give a different meaning to Salome’s dance. At the beginning she is hidden from view by a group of extras and suddenly appears lying almost naked in a fetal position on a golden block, on which SAXO is written in large letters.

During the musical intermezzo, a large block slowly descends from above and threatens to crush her. Instead, however, Salome is enveloped by the descending block, hidden from view. She has turned to stone, a gem, but still. The enormity of what she intends to do has made her an undead in advance.

Dramaturge Piesandra di Matteo gives the following explanation:  „In ihrer Eigenschaft als Objekt verweigert sich die Figur“, so erlischt der Trieb, wodurch sich neues Potenzial erschließt.“  Be that as it may, the above mentioned ‘ballet’ clearly ends with the suggestion of an orgasm, so ‘Trieb’ will play less of a role by now. There is no longer any question of revenge sex with the head, it is now about the revenge of ‘a woman scorned’.

Opera singer Grigorian performs during a dress rehearsal of Richard Strauss' opera "Salome" in Salzburg

Opera singer Asmik Grigorian performs as Salome during a dress rehearsal of Richard Strauss’ opera “Salome” in Salzburg, Austria July 24, 2018. Picture taken July 24, 2018. REUTERS/Leonhard Foeger

While Herod wringing his hands tries to get Salome to change her mind, she bathes in a large puddle of milk. He gives in, but instead of Jochanaan’s head Salome does not unexpectedly first receive a horse’s head and only later the body of the dead prophet. Salome’s final monologue is directed at Jochanaan’s torso. She also briefly puts the horse’s head on it. Finally she goes down into a second cistern and we only see her head when Herod gives the order to kill her.

Salome really is an orgy of sound and visuals, an overwhelming theatre play. And it only really comes into its own when there is a Salome on stage who is in charge of everything and everyone, including the huge orchestra, no matter how loud they play. This makes Asmik Grigorian the ideal Salome. She has a large voice, with which she is able to cut through the orchestra at any moment, without forcing it for a single moment. A Salome should have everything: an Isolde, but also a Chrysothemis and a Zdenka. With her clear, agile voice, Grigorian can convincingly perform these different types. What makes her a unique interpreter of the famous title character, however, is her ability to make singing and acting an organic whole.

John Daszak is vocally a strong Herod, but cannot make much of an impression: it’s all about Salome here. Even Jochanaan remains, literally, in her shadow. Bass-baritone Gabor Bretz is above all a strongly singing shadow. The only time he appears is when he is sprayed clean with a garden hose by a couple of helpers.

The Vienna Philharmonic Orchestra, the house orchestra of the Salzburger Festspiele, under the direction of Franz Welser-Möst, provides a hugely successful musical support, claiming the leading role here and there during the interludes.

This recording by (C-major 801704) is an absolute must for lovers of this masterpiece by Richard Strauss.

Trailer of the production:

Asmik Grigorian, John Daszak, Anna Maria Chiuri, Gábor Bretz, Julian Prégardien
Vienna Philharmonic Orchestra conducted by Franz Welser-Möst
Directed by: Romeo Castelluci

In Dutch:
Castellucci’s Salome op dvd en Bluray uitgebracht

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Castellucci’s Salome op dvd en Bluray uitgebracht

Tekst: Peter Franken

Salome Asmik cover

Romeo Castelluci’s productie van Salome was een opzienbarend succes tijdens de Salzburger Festspiele van 2018. Niet in de laatste plaats vanwege de fenomenale vertolking van de titelrol door Asmik Grigorian. De première werd live uitgezonden op tv en, aangevuld met materiaal dat werd opgenomen tijdens twee volgende voorstellingen, recent uitgebracht op dvd en Bluray. Afgelopen zomer werd de productie voor drie voorstellingen hernomen, wederom met groot succes, waarbij de bezoekers na afloop hun tevoren aangeschafte exemplaar door Frau Grigorian konden laten signeren.

Een productie van Romeo Castelluci is feitelijk een totaalkunstwerk. Hij voert de regie en ontwerpt de kostuums en het decor. Alleen voor de choreografie laat hij iemand anders toe in zijn wereld. Van Castellucci wordt wel gezegd dat hij niet zozeer personen regisseert als wel de totale ruimte ensceneert. Zijn Salome leent zich zodoende niet erg voor wijdlopige interpretaties, maar kan het beste gewoon ondergaan worden.

Het brede, ondiepe toneel van de Felsenreitschule wordt in zijn geheel benut. De bogen in de achterwand zijn dichtgemaakt, waardoor het publiek naar een gesloten, grijsgrauwe achterwand zit te kijken, wat bijdraagt aan een sfeer van beklemming. Het toneel is leeg, op een aantal goudkleurige objecten na, die soms wel, soms niet een rol in de handeling spelen.

De vloer is goud glimmend waardoor het licht zodanig reflecteert dat de spelers achter een doorzichtig gordijn lijken te staan. Dat is een klein nadeel van een opname in HD, het publiek in de zaal merkt daar niets van, zo weet ik uit eigen ervaring. Een grote opening in de vloer geeft toegang tot de cisterne waarin Jochanaan zich bevindt.

De kostuums zijn tamelijk eenvormig: mannen in donkere pakken met gedeeltelijk rood geschminkte gezichten. Het is moeilijk de verschillende personages te onderscheiden; allen zijn slechts bijfiguren in het drama dat zich voltrekt tussen de drie protagonisten. Ook Herodias, met groene schmink, wordt nadrukkelijk op de achtergrond gehouden.

Salome komt op in witte jurk met in haar hand een koninklijke witte mantel met een kroontje.  Een rode vlek suggereert dat ze menstrueert, waarmee wordt benadrukt dat ze weliswaar ongetrouwd is, maar de huwelijkse leeftijd ruimschoots heeft bereikt. Bovendien maakt dit haar extra onaanraakbaar voor de profeet; ze is in alle opzichten een onreine vrouw. Als Narroboth toegeeft en de profeet naar boven laat halen, blijft deze grotendeels in het duister gehuld. We zien slechts een zwarte schim. Salome spreekt hem toe, hij antwoordt en vervloekt haar.

Tot zover wordt het libretto vrij nauwkeurig gevolgd. Maar nadat Jochanaan zich weer in zijn kerker heeft teruggetrokken, neemt de handeling een opmerkelijke wending.Tijdens het overdonderende muzikaal tussenspel ligt Salome op haar rug en voert een complex, erotische getint ballet uit met haar benen. De choreografie van Cindy van Acker is subliem en de beheersing waarmee Grigorian dit ballet uitvoert is fenomenaal. De erotiek heeft uiteraard betrekking op de opwinding die de ontmoeting met de profeet heeft teweeggebracht. Hij heeft haar op grove wijze afgewezen en zelfs vervloekt, een geheel nieuwe ervaring voor dit luxe wezentje. Tegelijkertijd loopt er een paard rond in de cisterne, een verwijzing naar de fascinatie van jonge meisjes met grote dieren. Wel een beetje clichématig, maar heel effectief.

Sallome asmik-grigorian-r-castellucci-rezisuotoje-salomejoje-5b6078eedf35d

Salzburgerfestspiele © ruth waltz

Op het voordoek was bij aanvang te lezen: “Te Saxo Loquuator”, wat zoveel betekent als “wat de stenen je kunnen zeggen”. Castellucci gebruikt die verwijzing naar de veronderstelde kracht en macht van stenen om Salome’s dans een andere betekenis te geven. Ze wordt tijdens het begin hiervan aan het zicht onttrokken door een groep figuranten en blijkt dan plotseling vrijwel naakt in de foetushouding op een goudkleurig blok te liggen, waarop in grote letters SAXO staat.

Tijdens het muzikale intermezzo daalt langzaam een groot blok van boven neer en dreigt haar te verpletteren. In plaats daarvan wordt Salome echter door het neerkomende blok omhuld, aan het gezicht onttrokken. Ze is tot steen geworden, weliswaar een edelsteen, maar toch. De enormiteit van wat ze zich heeft voorgenomen, heeft haar op voorhand tot een ondode gemaakt.

Dramaturge Piesandra di Matteo geeft de volgende verklaring: „In ihrer Eigenschaft als Objekt verweigert sich die Figur“, so erlischt der Trieb, wodurch sich neues Potenzial erschließt.“ Hoe het ook zij, het boven genoemde ‘ballet’ eindigt duidelijk met de suggestie van een orgasme, dus ‘Trieb’ zal inmiddels minder een rol spelen. Van wraakseks met het hoofd is niet langer sprake, het gaat nu om de wraak van ‘a woman scorned’.

Opera singer Grigorian performs during a dress rehearsal of Richard Strauss' opera "Salome" in Salzburg

Salzburgergfestspiele © ruth waltz

Terwijl Herodes handenwringend probeert Salome op andere gedachten te brengen, baddert zij wat in een grote plas melk. Hij geeft toe, maar in plaats van het hoofd van Jochanaan ontvangt Salome niet geheel onverwacht eerst een paardenhoofd en pas later het lijf van de gedode profeet. Haar slotmonoloog richt Salome tot Jochanaans romp. Ze zet er ook nog even het paardenhoofd op. Ten slotte laat ze zich afzakken in een tweede cisterne en zien we nog slechts haar hoofd als Herodes het bevel geeft haar te doden.

Feitelijk is Salome een orgie van geluid en visuele ervaring, een overweldigend theaterstuk. En dat komt pas echt goed tot zijn recht als er een Salome op het toneel staat die alles en iedereen de baas is, ook het enorme orkest, hoe luid ze ook spelen. Dat maakt Asmik Grigorian tot de ideale Salome. Ze heeft een grote stem, waarmee ze op elk moment door het orkest heen weet te snijden, zonder dat het ook maar een moment geforceerd klinkt. Een Salome moet alles in huis hebben: een Isolde, maar ook een Chrysothemis en een Zdenka. Met haar heldere, wendbare stem kan Grigorian die verschillende types overtuigend ten gehore brengen. Wat haar echter tot een unieke vertolker van de beroemde titelfiguur maakt, is haar vermogen zingen en acteren tot een organisch geheel te maken.

John Daszak is vocaal een sterke Herodes, maar kan verder weinig indruk maken: alles draait hier om Salome. Zelfs Jochanaan blijft, ook letterlijk, in haar schaduw. Bas-bariton Gabor Bretz is vooral een sterk zingende schim. De enige keer dat hij goed in beeld komt, is als hij door een stel hulpkrachten met een tuinslang wordt schoongespoten.

De Wiener Philharmoniker, het huisorkest van de Salzburger Festspiele, zorgt onder leiding van Franz Welser-Möst voor een zeer geslaagde muzikale ondersteuning, hier en daar de hoofdrol opeisend tijdens de tussenspelen.

Deze opname door (C-major 801704) is een absolute aanrader voor liefhebbers van dit topwerk van Richard Strauss.

Trailer van de productie:

Asmik Grigorian, John Daszak, Anna Maria Chiuri, Gábor Bretz, Julian Prégardien
Wiener Philharmoniker olv Franz Welser-Möst
Regie: Romeo Castelluci

Duvel of Prosecco? Graindelavoix zingt Gesualdo in Utrecht

Tekst: Neil van der Linden

grende

Graindelavoix © Koen Broos

Ik weet nog dat ik overrompeld werd door de eerste CD van dit ensemble, Caput, uit 2006, met de Missa Caput van Ockeghem in een huiveringwekkende uitvoering, dat was toen de Fame CD-winkel nog in de Kalverstraat zat. Hier leken karakters uit een Brueghel-dorpsleven aan het zingen te zijn geslagen. Oud-Vlaamse boerenzang van ver voor de Beeldenstorm, huiveringwekkend geloei in een middeleeuwse Belgische basiliek. Maar als je goed luisterde hoorde je toch een feilloze techniek. Ook, dan waren het waarschijnlijk de beste en meest toegewijde zangers van een rijke Vlaamse stad die zo hadden geklonken, de meesterzangers van Mechelen, zoiets. Lange slepende uithalen en intonaties bewust niet precies op de toon ge-’pitcht’, met een korrel, (‘grain’), graantje, op de stembanden, korrelig.

Waar de meeste ensembles wel twee missen van Ockeghem en nog wat motetten op een CD stopten, volstond Graindelavoix met een enkele, helemaal uitgesponnen mis, met nog een handvol motetten en stukken Gregoriaans. Maar het paste allemaal wonderwel. En natuurlijk wisten deze ‘boerenzangers’ heel goed wat ze deden en wat ze wilden bereiken.

fomu19_Graindelavoix 1 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Het concert duurde van acht tot bijna twaalf, twee voor twaalf om precies te zijn. Dat is niet kort, zij het dat er twee pauzes waren ingelast, ook om de zangers even op adem te laten komen. Gelukkig waren het korte pauzes, want al snel konden wij, het hele publiek, en, zo leek het, ook de zangers, er niet genoeg van krijgen.

Het vanuit Antwerpen begonnen ensemble exploreert onder leiding van oprichter, dirigent, musicoloog en antropoloog Björn Schmelzer al enige tijd repertoire van de vijftiende en zestiende eeuw. Het bouwt, zo klinkt het, voort op de benadering waar de Franse musicoloog Marcel Pérès en zijn gezelschap Organum ooit mee begonnen.

Het idee is dat je muziek waarvan we soms alleen wat gothische noten en wat beschrijvingen hebt, maar waarvan je weet dat die enorme impact heeft gehad, misschien goed kunt benaderen door eerst als het ware nog verder terug te gaan in de tijd, en dan vooruit te kijken. Dus je probeert te bedenken hoe de muziek klonk die ervoor kwam en ervan uit te gaan dat de componisten en uitvoerenden daarmee vertrouwd waren, in plaats van uit te gaan van het ons bekende dat erna kwam.

En die tijden ervoor, de ‘donkere’ Middeleeuwen en nog daarvoor, waren natuurlijk opwindende tijd. In Europa de opkomst en definitieve bevestiging van het Christendom, en aan de zuidkant van de Middellandse Zee, waar het Christendom vandaan kwam, vervolgens de opkomst van de Islam. En daar loopt dan steeds ook het Jodendom doorheen, dat in Islamitisch Spanje en vervolgens het Ottomaanse rijk tot bloei kwam, nadat het eerst door de Romeinen leek weggevaagd. Marcel Pérès en zijn Organum gingen terug tot de muziek zoals die in de vijfde-eeuwse kerk van Rome zou hebben kunnen klinken.

We weten dat de kerkvader St Augustinus, zelf een Berber, afkomstig uit wat nu Algerije is, elementen uit de toenmalige Noord-Afrikaanse muziek in de kerk van Rome introduceerde, omdat hij de bestaande Roomse praktijk zo saai vond. Pérès castte Byzantijnse en Libanese zangers in zijn ensemble. In plaats van zuiver meteen op de toon te zingen, zoals latere klassieke principes voorschrijven, behoort tot de versiertechniek dat je dan juist via een glissando of eigenlijk portamento omhoog of omlaag naar de toon toe zingt, zoals heden ten dage nog steeds de regel is in veel Arabische muziek, onder meer in de Libanese en Syrische kerkmuziek. Er was genoeg reden om van daaruit naar laat-Middeleeuwse en Renaissance-muziek te extrapoleren.

Organum kwam tot Josquin Desprez en Pierre de la Rue. Graindelavoix is nu tot Gesualdo gegaan. En ook Björn Schmelzer haalde Mediterraanse en Zuid-Europese specialisten in huis. Countertenor Razek-François Bitar komt uit Aleppo, en de Roemeens bas-bariton Adrian Sirbu is specialist in de Byzantijnse muziek. Laatstgenoemde nam een deel van de Gregoriaanse tussenzangen voor zijn rekening, en paste daarbij juist die prachtige Byzantijnse intonaties toe.

Kan dat allemaal met Gesualdo? Welnu, ervan afgezien dat je door die extrapolatiemethode misschien tot dit resultaat komt, en dat het resultaat hoe dan ook fascinerend klonk, kun je redeneren dat Napels lange tijd Spaans is geweest, en dat Napels’ muziek dus zeer zeker ook laat-Moorse invloeden heeft ondervonden. Terwijl Napels, een smeltkroes van de wijde omgeving, ook niet ver van Sicilië ligt, dat enige tijd Arabisch is geweest, en ja, het Arabische rijk heeft zich zelfs enige tijd tot de Zuidpunt van het Italiaanse vasteland uitgestrekt.

fomu19_Graindelavoix 2 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Als ik wat ik deze avond hoorde vergelijk met wat ik op Spotify vind van gerenommeerde ensembles als de Tallis Scholars, het Hilliard Ensemble of Les Arts Florissants, vind ik de aanpak van Graindelavoix echt opwindender en inventiever. Grappig, maar misschien niet verbazingwekkend is dan dus dat een in Vlaanderen gelokaliseerd ensemble de meeste emotie brengt in deze muziek. In de twee pauzes zag ik om deze reden misschien dan ook meer mensen met een stevig bokaal Duvel of Affligem Blond rondlopen dan met prosecco, al dan niet spumante.

IMG_8448

© Neil van der Linden

Zoals ensembleleider en dirigent Björn Schmelzer in de toelichting opmerkt, het is toch al zo moeilijk het persoonlijk leven van Gesualdo te scheiden van de muziek. Iedereen, nou ja bijna iedereen, kent hem van de dubbele moord die hij pleegde, op zijn eerste echtgenote, die tevens zijn eerstelijns nicht was, en haar minnaar, ook hoge adel. De Gesualdo’s waren rijk en aangetrouwd aan een paus, dus er zal wel flink wat klassenjustitie zijn bedreven om hem dit te vergeven.

Gesualdo

Gesualdo bent the rules of harmony in extreme ways.
Illustration by Pierre Mornet

Er zijn hypotheses dat hij het zichzelf nooit heeft vergeven. Hij trouwde nog een keer, nu met Leonora de Este van de hertogenfamilie van Ferrara, maar hij leed steeds meer aan depressies.  Vandaar, zegt men, dat Gesualdo in het verhaal van de lijdensweek, vol verraad (Judas), verloochening (Petrus) en onverschilligheid (de discipelen die in slaap vielen terwijl Christus even de Hof van Ghetsemaneh in ging om in zijn laatste uren te bidden), mogelijkerwijs de ultieme weergave van zijn eigen levenservaringen aantrof.

Wel, dankzij zijn geprivilegieerde positie kon hij ook componeren. En hij kon het zich permitteren de werken in topuitvoeringen te laten uitvoeren. Naar het schijnt meestal voor zichzelf, maar wel met de beste beschikbare musici. Geld speelde geen rol. Toch is het de vraag of hij ooit een droomuitvoering als deze heeft gehoord.

In de langgerekte maar relatief smalle ruimte van de Utrechtse Janskerk wist het ensemble een indringende intimiteit te scheppen, door zich heen en weer door het langwerpige middenschip en koor van de basiliek te verplaatsen, zodat iedereen vroeg of laat het ensemble van vlakbij te horen kreeg, en op andere momenten verder af, waarbij je naast de klanken ook ruimte en tijd onderging. Gesualdo’s grillige telkens wisselende harmonieën, hoewel duizelingwekkend complex, werkten op zeker moment uniformerend, wat een trance teweegbracht.

De Tenebrae Responsoria, gepubliceerd in 1611, zijn zogenaamde Responsoria, wisselzangen, voor de Lijdensweek, met name Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Stylistisch zijn het madrigalen conform het populaire zanggenre uit die tijd, maar dan wel op religieuze en niet op wereldlijke teksten, waarvan Gesualdo ook reeksen componeerde. Hij gebruikte scherpe dissonanten, met name in de passage die te maken hebben met het lijden van Christus, de discipelen die hem waren vergeten en in slaap vielen en Petrus die hem verried.

Na een turbulente avond en nacht van al deze chromatische contrasten die soms niet eens tot een oplossing komen, werd de uitvoering besloten met Gesualdo’s zetting van het Miserere, Psalm 51 (psalm 50 in de Rooms-Katholieke Vulgaat), met zijn afwisselende eenstemmige en zwaar chromatische maar wel meer homofone akkoordstructuren in de meerstemmige passages. Je moet van slechte huize komen om de intensiteit van deze te bederven. Maar misschien heeft deze psalm in moderne tijden nooit zo emotioneel geklonken als aan het eind van deze marathon.

Graindelavoix zingt Gesualdo in Chapelle Corneille Rouen, februari 2018:

Of Gesualdo veel invloed heeft gehad in zijn tijd? Zijn muziek werd spoedig vergeten. Zijn levensverhaal bleef bekend, maar pas gedurende de afgelopen eeuw werd zijn muziek echt ontdekt. Zijn harmonische experimenten maakten Gesualdo tot een darling van modernistische componisten, van Stravinsky tot Nono en Rihm, en onze eigen Van Vlijmen en Boehmer. Graindelavoix (dat gelukkig tot nu toe nooit vreselijke dingen doet als ook Pärt uitvoeren) liet ons Gesualdo als een toenmalig uniek, vooruit- maar ook terug-blikkend kind van zijn tijd zien.

Ondanks dat Utrecht een verkeersluw centrum heeft, zoals dat heet, dankzij verkeersluw beleid, drong geregeld toch een rotherrie van buiten veroorzaakt door een beklagenswaardige sterveling in diens ongetempereerde automobiel, en de Janskerk ligt pal naast de straat. In feite lieten de contrasten met deze aardse euvelen het devote en etherische van de muziek des te meer tot uiting komen.

Graindelavoix, Gesualdo’s Lamentaties
Anne-Kathryn Olsen, Carine Tinney, Razek-François Bitar, Albert Riera, Andrés Miravete, Marius Peterson, Adrian Sîrbu, Arnout Malfliet, Björn Schmelzer

Gehoord op 30 augustus 2019, Janskerk, Utrecht.

Diego Ortiz: Vesper in Surround Sound.

Tekst: Neil van der Linden

Ortiz

Diego Ortiz (Toledo 1510-Napels 1570) is zo’n componist die je in allerlei combinaties met anderen tegenkomt in thematische CDs van Jordi Savall, maar die niet altijd opvalt tussen de vele muzikale pracht en praal die de Spaanse laat-Renaissance heeft opgeleverd. Wat ook niet helpt is dat we van ’s mans leven vrijwel niets weten, terwijl Ortiz in zijn tijd wel flink aan de weg timmerde.

Ortiz’ naam duikt op in Napels, toen dat aan Spanje was gelieerd, dus in feite ‘onze’ Karel V en daarna de door ‘ons’ vermaledijde Philips II. Sterker nog, hij werkte voor de onderkoningen van Napels, waaronder Fernando Álvarez de Toledo, ofwel de derde hertog van Alba, ofwel de IJzeren Hertog, degene die later in opdracht van Philips II in de Nederlanden huishield, Alva; mooi is dat.

Ortiz schreef een standaard-handboek voor versieringstechnieken op strijkinstrumenten en een groot aantal geestelijke werken voor vocaal ensemble. De Belgische pianist Geert Callaert, eminent uitvoerder van complexe eigentijdse muziek, liet mij weten dat Ortiz ‘heel interessant contrapunt [schreef], ik heb het wel gegeven als oefening aan mijn studenten compositie om boven een ground een melodie te ontwikkelen vanuit motorische variatie en uitbreiding, heel interessant’. Tijdloze kundigheid.

https://i.ytimg.com/vi/j9DQ6eg3BvQ/maxresdefault.jpg

Er is één portret van Ortiz, wat er ook op wijst dat hij belangrijk moet zijn geweest, en misschien is hij geportretteerd als viola da gamba-speler op een schilderij van Veronese, De Bruiloft te Kana.

Ortiz el pais

© El Païs

Indachtig de praktijk die toen in de mode was om muziek uit te voeren met de musici verdeeld over de ruimte van een kerk, programmeerde het Festival Oude Muziek onder de noemer Vesper in Surround Sound een collage van Ortiz’ polyfone motetten in Muziekcentrum Vredenburg, gebruikmakend van de mogelijkheden van de grote zaal. Muziek die oorspronkelijk geschreven is voor kerkakoestiek komt soms wat ielig over in moderne concertzalen, maar nu droeg de architectuur van Muziekcentrum met zijn ‘surround’-opstelling van het publiek juist wonderwel bij aan de ruimtelijke ervaring. En het ensemble kon de drogere akoestiek van een concertzaal, waarin eventuele foutieve intonaties en inzetten worden blootgelegd die in de galm van een kerk gemakkelijk te camoufleren zijn, riant aan.

In steeds wisselende opstelling stonden vocalisten en instrumentalisten verspreid over het centrale podium, de gaanderijen en de balkons, en het was een komen en gaan van musici die over de trappen van de zaal van de ene naar de andere uitvoeringsplaats liepen. Soms leken ze te zoeken naar het juiste trapje, maar dat was misschien maar schijn, of in elk geval kwam alles altijd weer op zijn pootjes terecht, en het zien van die musici die zich door het halfdonker een weg moesten banen naar de volgende piste droeg bij aan het gevoel voor discrepantie tussen ons aardse gedoe en de hemelse zaken die zich in de muziek willen openbaren.

Ortiz el

Een paar hoge vrouwenstemmen, een uitgebreid mannenzangensemble, en een reeks van koperblazers, viola da gambas, een gigantische contrabas, een schalmei die geregeld een solo-rol nam, en een organist die geregeld heen en weer moest rennen tussen een portatief-orgel op het podium en het vaste orgel van Vredenburg, dat ook werd gebruikt, en dat zich op de eerste verdieping bevindt, het was een drukte van belang.

Ortiz zal in zijn theorieboeken vermoedelijk hebben geschreven welke instrumenten in zijn omgeving gebruikelijk waren, en schilderijen uit die tijd laten incidenteel zien hoe muziek werd uitgevoerd, toch zijn zulke uitvoeringen speculatief. Maar dat maar dat maakt het ook mogelijk je fantasie te gebruiken, en dat deed artist in residence Marco Mencoboni, een enthousiaste en flamboyante ambassadeur voor met name onbekende muziek uit Italië.

Ortiz Marco Mencoboni_Cantar Lontano 28 aug 2 (c) Marieke Wijntjes

Marco Mencoboni © Festival Oude Muziek Utrecht

Geestelijke muziek uit die tijd was bedoeld om vooral de rijken en de machthebbers bij de religieuze les te houden maar ook om te behagen, en Mencoboni weet beide aspecten goed te vertalen voor een hedendaags publiek. Men moet bedenken dat mensen uit vergelijkbare maatschappelijk lagen als waar de meesten van ons vandaan komen in die tijd nooit in de gelegenheid zullen zijn geweest zoiets te horen. Ik meen dat Monteverdi’s Vespers uit 1610 bijvoorbeeld misschien waren gebruikt om een van het Protestantisme afvallende Zweedse prinses te imponeren en daarnaast hebben vermoedelijk alleen nog wat andere bevoorrechten het werk toen gehoord. Dat zal ook wel hebben gegolden voor de muziek die werd gecomponeerd door de hof componist van de onderkoning van Napels, Diego Ortiz.

Over Monteverdi gesproken (vaak als de eerste barokcomponist beschouwd), in Ortiz hoort men de barokmuziek er al aankomen, hoewel hij er zo gemiddeld nog ruim een halve eeuw vandaan zit. Misschien is dit ook wat Mencoboni ons wil laten horen, door de mogelijkheden tot uitbundigheid en muzikale variatie tot het uiterste op te rekken. In elk geval was cantar lontano, het ‘verre zingen’, waarbij zangers in groepen stonden opgesteld in de kerk, dat door Monteverdi in diens Vespers uit 1610 tot het uiterste zou worden benut, in het Italië ten tijde van Cortiz al gewoon. Er zal misschien een verband zijn met de techniek van de cori spezzati die al eerder in Venetië was ontwikkeld door een daar werkzame Nederlander, Adriaan Willaert, toen hij in de San Marco koren verspreid opstelde; ik ben niet musicoloog genoeg om daarover meer met zekerheid te zeggen.

De teksten uit het Latijn – fragmenten uit de Bijbel en lofzangen op de Maagd Maria – werden vertaald in het Nederlands en Engels geprojecteerd op de wanden van de zaal. Af en toe realiseer je je wat een rimram die teksten soms zijn; dat mensen daar eeuwenlang intrapten, denk je dan. Het was misschien niet voor niets dat de Katholieke kerk eeuwenlang verbood die teksten te vertalen. Dat de Engelse en Nederlandse vertalingen uiteenlopen geeft ook aan hoe multi-interpretabel die religieuze teksten zijn. Eén van de fragmenten gaat trouwens over hoe Hij, God, de Israëlieten het land van andere volkeren gaf. Het staat er. In die tijden waren massale volksverhuizingen normaal.

De uitvoering besloot met een vijfstemmig Salve Regina, alleen door een relatief klein mannengezelschap gezongen, op het midden van het hoofdpodium. Je zou misschien net zoals in het gedeelte voor de pauze een uitbundige finale hebben verwacht, met alle zangers en instrumentalisten in alle hoeken en gaten van de zaal. Maar naarmate Salve Regina stuk zich verder ontspon in een sfeer van intimiteit en ingetogenheid, beloofde het steeds meer het passende, devote einde te worden, en dat werd het.

IMG_8439

IMG_8442

© Neil van der Linden

Marco Mencoboni aan het woord:

Uitgevoerd door Cantar Lontano o.l.v. Marco Mencoboni

Bezocht op 28 augustus 2019 in TivoliVredenburg, Utrecht