concerten & recitals

Glansrijke wereldpremière van de Eerste symfonie van Willem Jeths

jeths

Met een glansrijke wereldpremière van een symfonie van Willem Jeths en wonderschone werken van Sibelius, Strauss en Wagner creëerde Edo de Waart op 13 april 2013 een ZaterdagMatinee van het allerhoogste niveau. Karin Strobos en Karita Mattila schitterden in solorollen.

Benjamin Britten in 1970: ‘My real worry about some of today’s young is their denial of the past. Whether we like it or not, we are all children of our fathers and I’m not going to dislike Mozart or Schubert or Bach for anyone’.

Zo. Die staat. Een waarheid als een koe, de bittere waarheid, maar nog meer een noodkreet, want: hoe kan je aan de toekomst werken als je je voorvaderen niet alleen ontkent maar zelfs niet kent? Hoe (en waarom?) was het mogelijk dat de klassieke muziek bijna om zeep werd geholpen door de jonge “revolutionairen” die het belangrijkste ingrediënt van muziek, het woord zegt het al, de melodie, hebben ontkend?

Maar het tij keert en zo kon het gebeuren dat het publiek dat de ZaterdagMatinee op 13 april 2013 bezocht van zijn stoelen sprong voor een hedendaags werk, een wereldpremière, een pas een paar weken geleden voltooid werk van Willem Jeths.

De “Symfonie 2012” voor mezzosopraan en orkest werd – terecht – meer dan enthousiast ontvangen, waarmee het publiek duidelijk een statement heeft gemaakt: ze hebben het gehad met “piep kras knor”. Ze willen herkenbare melodieën horen en ze willen ontroerd worden. En ze willen ergens aan herkend worden, aan wat Britten zo mooi verwoord heeft.

Bij Jeths was het voornamelijk Mahler. In de twee eerste delen, ‘Unbegrenzt’ en ‘Wie ein Kondukt’ hoorde ik flarden van ‘Um Middernacht’ en ook bimbam was zeer aanwezig. Maar ik hoorde meer: ik moest ook aan Der Cornet van Frank Martin denken. En aan The Unanswered Question van Ives, het gevoel dat door de prachtige trompet solo versterkt werd.

jeths-strobos

Katrin Strobos. Foto: Keke Keuke Keukelaar

Karin Strobos, voor wie de twee gezongen delen zijn geschreven, was mooier dan mooi, ook letterlijk. Haar van nature warme stem heeft een extra glans gekregen en ze heeft zich goed overeind weten te houden bij de heftigste passages: zij was goed hoorbaar.

Maar mijn twijfel: mezzo of toch een sopraan, bleef. Haar hoogte bloeide zoals nooit eerder, maar aan de laagte leek het haar aan kracht te ontbreken. Maar zolang zij zo mooi, zo intens betrokken en zo gevoelig blijft zingen maakt het eigenlijk niet uit.

In een gesprek met Thea Derks zei Willem Jeths over Strobos: “De hoekdelen zijn geïnspireerd op de stem van Karin Strobos, met wie ik eerder werkte in Monument to a Universal Marriage en Hotel de Pékin. Haar mezzosopraan is breekbaar en intiem en ik heb het middenregister veelvuldig gebruikt, waardoor haar stem nog meer nobiliteit krijgt.”

Na de pauze, die gebruikt werd om de opname van Hotel du Pékin (Etcetera KTC 1456) feestelijk te presenteren, kwam een andere diva voor het voetlicht: de wereldberoemde Finse sopraan Karita Mattila.

jeths-mattila

Karita Mattila. Foto: Lauri Eriksson

Zij begon met een fantastische vertolking van Luonnotar van Sibelius, een scheppingsverhaal gebaseerd op het Finse nationale epos Kalevala. Het stuk is kort, amper 10 minuten, maar is zeer berucht onder de sopranen vanwege de moeilijkheidsgraad: het gaat hoger dan hoog en Sibelius gebruikt intervallen (soms in één enkel woord!) van bijna een octaaf. Nou, ga daar maar aan staan!

Mattila wist er raad mee. Haar stem is misschien niet zo stabiel meer, maar het deerde niet. Alle noten waren er en haar zeer intense vertolking maakte dat je je met de dolende Luonnatar kon identificeren en het ontstaan van het heelal zowat aan den lijve ondervond. De prachtige muziek van Sibelius mag van mij vaker uitgevoerd worden!

Luonnotar door Karita Mattila in 2015:

In de slotscène van ‘Capriccio’ stelde Mattila mij toch enigszins teleur. Ik miste het “romige” wat bij deze muziek hoort. Het hoeft niet meteen Lisa della Casa zijn, maar Fleming deed het toch duizend keer mooier. Wat mij ook opviel was dat zij op de klank zong – de woorden waren amper te verstaan. Maar zij is een echte charmeur en bespeelde de zaal met handgebaren en –zoals het bij een diva hoort – prachtige jurken.

De echte held van de middag was voor mij Edo de Waart. Zijn zeer lyrisch gehouden lezing van de ‘Siegfried-Idyll’ van Wagner was zowat de mooiste dat ik ooit hoorde en in ‘Capriccio’ wist hij duizenden kleuren te voorschijn te halen. Voor het eerst hoorde ik er ook het “prijslied” uit Meistersinger in. Over de voorvaderen gesproken…

jeths-symfonie

slotapplaus. Foto: Jan Swinkels

Inmiddels is de symfonie van Jeths ook op cd verschenen, gekoppeld aan zijn blokfluitconcert (Challenge Classics CC 72693), de laatste gespeeld door Erik Bosgraaf en gedirigeerd door Markus Stenz:


NTR ZaterdagMatinee
Jeths, Sibelius, Wagner en Strauss
Karita Mattila (sopraan) en Karin Strobos (mezzosopraan)
Radio Filharmonisch Orkest olv Edo de Waart.

Bezocht op 13 april 2013 in Het Concertgebouw – Amsterdam

Ooit van Joseph Marx gehoord?

marx

Joseph Marx

Het leven zit vol verrassingen. Bij wie van u gaat het belletje rinkelen als u de naam Joseph Marx hoort?

Totaal onbekend is de in 1882 geboren en in 1964 gestorven Oostenrijkse componist Marx niet. Zijn liederen worden af en toe uitgevoerd en opgenomen, en niet door de minsten. Leontyne Price deed het. Ook Renee Fleming en Christine Brewer hebben het gedaan. Waar ligt het dan aan dat Marx in de ‘vergetelhoek’ is geraakt, een plek die hij tot voor kort nog met Korngold en Schreker moest delen?

Joseph Rupert Rudolf Marx was een alleskunner. Behalve componist was hij ook pianist, muziekpedagoog en muziekcriticus. Hij was doctor in de filosofie en ambassadeur voor Unesco. En in opdracht van Atatürk bouwde hij het muziek- en concertleven in Turkije op, inclusief een systeem van muziekscholen.

Zijn prachtige liederen (hij heeft er maar liefst 161 gecomponeerd!) ademen de sfeer van de laatromantiek en Jugendstil uit. Zijn stijl laat zich makkelijk met die van Korngold en Strauss vergelijken: lang uitgesponnen, goed in het oor liggende melodielijnen, smachtende tonen en een zinderende erotiek. Expressionistisch, maar dan wel “light”.

Maar hoeveel zangers hebben zijn liederen op hun repertoire staan? Erg weinig, denk ik. Ik kan me daarom goed de paniek voorstellen die bij de organisatoren en pianiste Reinild Mees toesloeg toen tenor Michael Schade zich een dag vóór het geplande concert in het Concertgebouw ziek meldde.

Wat doe je in zo’n geval? Het concert verplaatsen is geen optie, afblazen dan maar? Of toch, tegen beter weten in een vervanger zien te vinden die de liederen paraat heeft en op zo’n korte termijn kan inspringen?

Dat dat laatste gelukt is, mag een wonder heten. En het wonder heeft een naam: Katharine Dain. De jonge Amerikaanse sopraan, die sinds enige tijd in Nederland woont, heeft een breed repertoire, dat zich uitstrekt van vroege barok tot en met hedendaagse werken. Liederen en kamermuziek uit de twintigste eeuw hebben haar lichte voorkeur. Vorig jaar debuteerde ze bij De Nationale Opera in Claude Viviers Kopernikus.

katherine-dain-robert-kim

Katherine Dain. Foto: Robert Kim

Dain heeft een mooie, lyrische stem met een aangenaam timbre en een makkelijke hoogte. Het recital begon ze een beetje aarzelend met ‘Unvergänglichkeit’, het eerste van vier liederen van Korngold op teksten van Eleonore van der Straaten.

Het was te merken dat ze zich enigszins ongemakkelijk voelde (niet meer dan logisch), maar een glimlach en een bevestigend hoofdknikje van Reinild Mees deden wonderen. Ze ontspande zich, waardoor ze zich meer op haar voordracht kon concentreren. Naarmate het concert vorderde, werd ze beter en beter.

In het laatste lied voor de pauze, ‘Du bist der Garten’ van Marx, werd ze behalve door piano ook door viool begeleid en dat vond ik enorm teleurstellend. De ‘schuldige’ was de violist, Philippe Graffin, die werkelijk zijn best deed om de zangeres te overstemmen en daar grotendeels in slaagde. Al eerder liet Graffin horen dat hij geen Heifetz is (wie wel?) door de prachtige suite uit Viel Lärm um nichts van Korngold om zeep te helpen. Iets wat hij na de pauze herhaalde met Marche miniature viennoise, Schön Rosmarin en Liebesleid van Kreisler.

Met het eerste lied na de pauze, het zeer ontroerende ‘Con Sordino’ van Marx, op een tekst van Herman Hesse, liet Dain horen wat ze echt in haar mars heeft. En dat is niet weinig! Haar tekstbegrip liet niets te wensen over en ik gaf mij volledig gewonnen.

In Marx’ ‘Selige Nacht’, een lied op een tekst van Mörike, wist de sopraan me tot tranen toe te roeren. Het lied is één en al ‘Sehnsucht’ en de combinatie van haar pure en zuivere stem met de onverholen erotiek in de tekst van Otto Erich Hartleben voelde als een schilderij van Egon Schiele in de gouden omlijsting van Klimt. Jugendstil ten voeten uit. Ik kende het lied in de uitvoering van Renée Fleming en geloof mij: de interpretatie van Dain deed mij meer

Als laatste zong Dain het bekende ‘Morgen’ van Richard Strauss. Het paste wel qua sfeer en Dain wist er absoluut raad mee. Toch had ik liever nog een Marx gehoord. Of anders nog een Korngold of Schreker. Maar ik snap dat het publiek ook op iets wat ons allen bekend en zeer geliefd is mag worden getrakteerd.

Hieronder’Selige Nacht’ iin de uitvoering van Arleen Augér met Dalton Baldwin aan de piano:

Als toegift herhaalde Dain ‘Du bist der Garten’ van Marx en liet ze horen dat ze nu veel beter opgewassen was tegen het keiharde spel van de violist.

Het was aan de onvolprezen pianiste Reinild Mees en haar Stichting 20ste-eeuwse Lied te danken dat al deze schatten aan de vergetelheid ontrukt en ons op een presenteerblaadje voorgeschoteld werden. Dat ze daarbij ook nog één van de beste liedbegeleiders is die ik ken, hoeft bijna niet meer vermeld te worden.

marx-recital

Foto: Hans Heijmering

Hieronder ter kennismaking ‘Waltseligkeit’ van Joseph Marx, op een tekst van Richard Dehmel, gezongen door Leontyne Price:

Katharine Dain en Reinild Mees hebben al eerder samen een programma verzorgd.
Hieronder de opname uit de Waalse kerk in Amsterdam, gemaakt 23 February 2014

Kamermuziek op Zondagmiddag
Liederen van Joseph Marx
Katharine Dain (sopraan), Reinild Mees (piano), Philippe Graffin (viool)
Bezocht op 8 maart 2015 in het Concertgebouw in Amsterdam

Meer Katharine Dain:
Regards sur l’Infini: een les in loslaten

Sterke debuut van Pablo Heras-Casado bij ZaterdagMatinee

Luigi Dallapiccola heeft het ooit mooi geformuleerd: “Ik geloof sterk in de eeuwige vernieuwing van de kunst. Maar ik ben er ook van overtuigd dat het krankzinnig is om de traditie de rug toe te keren”. Dat hij zijn uitspraak daadwerkelijk meende, heeft hij met zijn (nog steeds veel te weinig gespeelde!) composities ruimschoots bewezen.

 

 

dallapiccola

Luigi Dallapiccola

 

 

Zijn intens lyrische Piccola musica notturna (zeg maar gerust Eine Kleine Nachtmusik), gecomponeerd tussen 1954 en 1961 en opgedragen aan Herman Scherchen is dan ook sterk in de traditie verankert. Mooi stuk, dat zijn naam volledig dekt en waarbij je gerust kan wegdromen.

 

Hieronder Piccola musica notturna in de uitvoering van Cameristi del Maggio Musicale Fiorentino olv Mario Ruffini

 

 

 

De uitvoering onder Pablo Heras-Casado was buitengewoon spannend met vloeiende en (soms iets te) breed uitgesponnen lijnen. Soms had ik indruk dat hij het publiek aftastte, er was namelijk iets in zijn houding van “hoe ver kan ik gaan” ..

Ver blijkbaar, want al in het tweede stuk, het opdrachtwerk Un minimum de monde visible van Yves Chauris, volgens eigen zeggen van de componist geïnspireerd op het Kammersymphonie van Schönberg, daagde hij het publiek behoorlijk uit. Het werk begon met een muisstille aanloop tot een ‘boem’, dan kwam er weer een stilte en dan weer een boem. Om het oneerbiedig samen te vatten: een compositie met veel stiltes, aftellen, tempoversnellingen (denk aan een locomotief), Japans aandoende klanken, wat kattengemauw en een paar mooie klanken er tussenin. Ik kon er geen structuur in ontdekken en het einde kwam voor mij veel te abrupt.

 

 

dallaicola

Yves Chauris. Foto: twitter

Publiek gedroeg zich voorbeeldig en zelfs tijdens de meest stille passages was er geen kuchje te horen. De in de zaal aanwezige componist was zichtbaar gelukkig met de uitvoering en terecht: daar mankeerde helemaal niets aan.

Mijn geduld werd meteen erna beloond met een prachtige lezing van de kamermuziekversie van ‘Lied der Waldtaube’, een hartverscheurend mooi fragment uit Schoenberg’s Gurrelieder. Susan Graham kwam hier op mij een beetje afstandelijk over, alsof ook zij het publiek (dat, overigens, vanaf het begin uit haar hand at) aftastte. Zij zong zonder meer fantastisch, maar hield de emoties in bedwang waardoor haar lezing een beetje onderkoeld voelde.

 

 

dallapicola gra

Susan Graham, foto: Dario Acosta

 

Na de pauze revancheerde zij zich met een immens doorleefde vertolking van Lieder eines fahrenden Gesellen van Mahler, hier bloeide haar stem op en trakteerde zij ons op warme lage noten en een sensueel midden en hoog register.

De bewerking, van de hand van de mij totaal onbekende grootheid Eberhard Kloke (het blijft een raadsel waarom voor Kloke werd gekozen in plaats van de aangekondigde Schönberg) voegde er eigenlijk niets toe. Meer af, aangezien hij het instrumentarium behoorlijk reduceerde. Laten we zeggen dat het niet stoorde en dat het – mede door de prachtige voordracht van Graham en de zeer gedisciplineerd spelende ensemble nog even indrukwekkend bleef. Ook hier bewees Heras-Casado zijn onbegrensde vakmanschap.

 

 

maderna

Bruno Maderna. Foto: The Guardian

Maar voor het zover was, meteen na de pauze en tussen Chauris en Mahler in, hoorden wij een wonderschone Serenata nr.2 voor elf instrumenten van Bruno Maderna, ontstaan tussen 1954 en 1957. Het stuk sloot mooi aan bij Schönberg en was een passende aanloop tot Mahler, dus de wisseling in het programma (Chauris was in het programmaboekje aangekondigd voor na de pauze en voor Mahler) was niet meer dan logisch. Jammer alleen van de pauze tussen Schönberg en Maderna, ik had ze liever achter elkaar gehoord. Ook hier niet meer dan lof voor de musici en de dirigent, die – het moet gezegd – mijn hart volledig heeft gestolen.

NTR ZaterdagMatinee
Dallapiccola, Chauris, Schönberg, Maderna en Mahler
Ensemble Intercontemporain onder leiding van Pablo Heras-Casado.
Solisten: Susan Graham (mezzosopraan).
Bezocht op 11 januari 2014 in Het Concertgebouw – Amsterdam

PABLO HERAS-CASADO

Frank van Aken schittert in de Amsterdamse ‘Boris Godoenov’

Let me tell you van Abrahamsen ontroert

Hannigan Abrahamsen

Barbara Hannigan in gesprek met Hans Abrahamsen

Merkwaardige componist, die Hans Abrahamsen. Jaargang 1952, dus eigenlijk net te laat geboren om echt beïnvloed te kunnen raken door de serialisten, maar wel op tijd om de minimalisten hartelijk te omarmen. Maar daarna ging hij zijn eigen weg en sindsdien kan hij in geen lade met opschrift ondergebracht worden. Als eclectisme niet zo’n vieze woord was (of is dat ook niet meer?) dan zou ik hem een ‘neo-eclecticus  noemen. Eentje met een voorkeur voor het romantische, maar dan wel met een modern sausje.

Abrahamsen is geen onbekende componist. Hij wordt veel en vaak opgevoerd, ook in Nederland, waar Reinbert de Leeuw en zijn Schönberg Ensemble een lans voor hem en zijn muziek breken. Ik moet eerlijk bekennen dat ik eigenlijk niet zo veel werken van hem kende. Wel bijvoorbeeld Schnee, een compositie die mij niet alleen intrigeerde en fascineerde, maar waar ik mij ook aan ergerde. Spannend dus, want alleen zo word je uitgedaagd en alleen zo wordt je nieuwsgierigheid geprikkeld.

Ik keek dus echt uit naar zijn Let me tell you, zijn allereerste werk voor stem en orkest. De liederen werden op bestelling gecomponeerd. En dan niet door een concertzaal of een orkest, maar door een zangeres.

Het begon met de verjaardag van de schrijver/dichter/musicoloog Paul Griffiths. Zijn vrouw vroeg Barbara Hannigan of zij hem met haar optreden wilde verrassen, zij kon niet, maar bedacht toen een ander cadeau. Zij belde Abrahamsen of hij niet wat bij Griffith’s teksten wilde componeren. Vervolgens werden de Berliner Philharmoniker benaderd of zij het wilden uitvoeren. Iedereen stemde toe en zo werd de cyclus met Ophelia liederen geboren.

Let me tell you van Griffith begint met:
“So: now I come to speak. At last. I will tell you all I know….” en dan ontvouwt hij het ‘omgekeerde” Hamlet verhaal. Bezien door de ogen van de vrouw, die haar vader en broer verliest, verlaten word en – krankzinnig geworden – zelfmoord pleegt.

Bij Abrahamsen ondergaat zij een hele scala aan emoties: soms treurend, soms woedend, maar voornamelijk berustend. Zo gaat zij ook haar zelfverkozen lot tegemoet. Zij zingt:

“The snow flowers are all like each other
and I cannot keep my eyes in one.
I will give up this and go on.
I will go on”

En dan sterft ook de muziek. Ik kan niet anders dan aan de dood van Mimi denken en haar laatste woord, ‘dormire’.  Zo voelt het nu ook. Tranen wellen onder mijn ogen en ik zoek naar een zakdoek.

Hannigan

Barbara Hannigan, foto: E. de Haas

Barbara Hannigan kan niet genoeg geprezen worden. Wat zij met de muziek _ en met de woorden_ doet verdient het diepste respect. Ik denk ook niet dat ik een andere zangeres ken die het haar na kan doen. Stemtovenares, jazeker, maar dan één met het hart en ziel op de juiste plek.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Yannick Nézet-Séguin toonde zich een voortreffelijke begeleider. Begeleider, ja, want het ging nu niet alleen maar om de orkestklank (voortreffelijk!), maar ook, of misschien voornamelijk de woorden die er werden gezongen.

Hannigan Yannick Marco Borggreve

Yannick Nézet-Séguin, foto: Marco Borggreve

Na de pauze werd Eine Alpensinfonie van Richard Strauss gespeeld. Die heb ik niet meer meegemaakt: na de liederen had ik absoluut geen behoefte aan de wereld van Strauss.

Zeer aan te bevelen is ook het gesprek van Barbara Hannigan met Hans Abrahamsen en Paul Griffiths over het ontstaan van de compositie, in de Digital Concert Hall‘ van de Berliner Philharmoniker.

Een fragment iot de uitvoering uit Berlijn staat ook op You Tube:

 

Hans Abrahamsen
Let me tell you
Barbara Hannigan (sopraan)
Rotterdams Philharmonisch Orkest olv  Yannick Nézet-Séguin.

Bezocht op 1 maart 2014 in Het Concertgebouw – Amsterdam

Barbara Hannigan : “In principe zing ik alles alsof het Mozart is”

BARBARA HANNIGAN betovert in liederen van HENRI DUTILLEUX.

PLI SELON PLI. Amsterdam 2011

Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012

Kristine Opolais stelt teleur maar Koninklijk Concertgebouworkest maakt alles goed

opolais

foto: Lieneke Effern

Soms is het zo gek nog niet om iets, waar je vreselijk van houdt, even los te laten.
Of,om iemand die je dierbaar is een tijdje niet zien. De gevoelens bij het weerzien zouden zo maar tot een (onvoorziene) hoogtepunt in je leven kunnen leiden.

Het is al een tijd geleden, dat ik het Concertgebouworkest voor het laatst live hoorde: het waarom laat ik in het midden. Gisteren hebben we elkaar weer eens ontmoet en de oude liefde bloeide weer op, met een intensiteit, groot genoeg om de vlam in de pan te veroorzaken. Hoe kon ik vergeten hoe prachtig het orkest is?

Opnieuw laafde ik mij aan de warme en liefde klanken van de strijkers en de gouden gloed van het koper. Waar ter wereld vind je de tutti die zo één voor één een eigen solistische carrière zouden kunnen beginnen, maar er voor kiezen om samen een één klank te toveren?

Op woensdag 12 mei speelde het orkest onder leiding van Semyon Bychkov een Russisch romantisch repertoire van Tsjaikovski en Rachmaninoff.

Ook aan de liefhebber van de vocale muziek werd gedacht: niemand minder dan Kristine Opolais maakte haar lang verwachte Amsterdamse debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Ook voor mij was het de eerste keer dat ik de Letse stersopraan live hoorde.
Mijn verwachtingen waren groot en ik werd behoorlijk teleurgesteld.

Het is, denk ik, haar schuld niet dat haar optreden heel erg ongelukkig werd geprogrammeerd tussen Romeo en Julia van Tsjaikovski en Symfonische dansen van Rachmaninoff.

Dat het – qua componistennamen dan – op papier klopte (Tsjaikovski- Rachmaninof – Tsjaikovski – Rachmaninoff) betekent nog niet dat het logisch was.

Ingeklemd tussen de passionele ouverture van Tsjaikovski en Tatyana’s briefscène uit diens opera Evgeni Onjegin, had Rachmaninoffs verstilde romance Zdes’ khorosho (het is hier mooi) geen kans van overleven.

Het, oorspronkelijk voor enkel pianobegeleiding gecomponeerd liedje werd in 2005 door Michael Rot bewerkt voor orkest. Niet slim, want daardoor deed hij het werkje geweld aan. In Zdes’ khorosho zijn er namelijk geen grote emoties, geen liefde en al zeker geen verzengende passie. Vergelijk het met een penseeltekening van de eerste rozenknopjes, die ga je ook niet met olieverf overschilderen.

Ik had het gevoel dat Opolais geen balans kon vinden tussen de intimiteit van de woorden en de volle klank van de orkestratie. Haar stem zwom ergens in de ruimte zonder indruk te maken en voor je het in de gaten kreeg, was het al voorbij. Zonde. Het had een perfecte toegift kunnen zijn.

Ook Tatyana’s aria pakte zij te groot aan. Hevig gesticulerend nam ze poses aan die nergens toe sloegen. Het voelde alsof zij boos was. Of geïrriteerd. En dat, terwijl zij alleen opgewonden moest zijn van verliefdheid. Een gevoel dat haar voor het eerst overkwam.

Ik vond haar stem bij vlagen scherp klinken. Heel erg bestudeerd ook. Zij is een zangeres van het grote gebaar, dus misschien moet je haar op de bühne zien? In actie? Maar dat zij iets aan haar dictie moet doen is evident: ik kon haar noch in Rachmaninoff noch in Tsjaikovski verstaan

Het concert begon spetterend met de fantasie-ouverture Romeo en Julia van Tsjaikovski. Voor mij behoort het werk tot de mooiste symfonische gedichten die er zijn. Hij componeerde het in 1869, maar pas na 11 jaar sleutelen en twee andere versies verder vond hij dat het werk definitief voltooid was.

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde de versie uit 1880, wat op zich niet meer vanzelfsprekend is: wensen van een componist worden tegenwoordig niet altijd gerespecteerd.

Onder leiding van Semyon Bychkov ontvouwde zich een lyrisch drama vol passie en jeugdig elan, waarbij de hoboïst in zijn solo mijn hart stal.

Na de pauze werden Rachmaninoff’s Symfonische dansen uit 1940 uitgevoerd.
Vaak wordt de compositie als een soort “dagboek” aangeduid, iets wat hij nooit bijhield.
Een soort testament als het ware, die al zijn herinneringen en angsten zou omvatten, inclusief die voor de door hem voorvoelde dood.

Ik houd niet van speculaties, maar het valt niet te ontkennen dat het werk behoorlijk nostalgisch is en boordevol zit met reminiscenties aan zijn vroegere composities.

In het laatste deel citeert hij een fragment uit zijn All Night Vigil uit 1915 en gebruikt het Dies irae-motief uit de Gregoriaanse dodenmis. Alsof hij hiermee wou zeggen “Ik dank u, heer, het is mooi geweest”.

Al die gevoelens en sentimenten zitten gewoon in de muziek en met een goede dirigent heeft men geen tekstboekje nodig om ze te begrijpen.
Het is Bychkov gelukt om ze in de klank te vertalen en zo tot leven te wekken. Sensationeel, bloedmooi en huiveringwekkend tegelijk.

Er was ook een toegift.

Toen de helft van het publiek de zaal al had verlaten, heeft Bychkov zijn stokje weer ter hand genomen en heeft het orkest geleid in wat ik als één van de mooiste uitvoeringen van Nimrod uit Enigma Variatiesvan Elgar zal onthouden.
Onder zijn handen kreeg Elgar een vleugje Massenets “Werther – parfum” mee, maar dan wel beluisterd door de filter van een Puccini. Onvergetelijk.

Tsjaikovski en Rachmaninoff.
Kristine Opolais, Koninklijk Concertgebouworkest,  Semyon Bychkov

Bezocht op 12 mei 2016 in Het Concertgebouw – Amsterdam.