opera/operette/liederenrecitals

La Passione gaat over de dunne scheidingslijn tussen het leven en de dood

La Passione

Ik weet niet of ik het zo fijn vind om de symfonie van Haydn tussen Luigi Nono en Gérard Grisey gepropt te zien. Afgezien van het feit dat ik er niets mee heb (goed, dat ligt dan aan mij): waarom? Voor mij is het een spelbreker en hoe goed het ook gespeeld wordt (heel erg goed) het haalt mij uit mijn concentratie en verstoort de verhoudingen. Wellicht is het vanwege zijn bijnaam, La Passione, waar de hele cd zijn titel aan dankt? Maar genoeg gezeurd want er valt natuurlijk voldoende te genieten.

Nono’s Djamila Boupacha is een eerbetoon aan de Algerijnse vrijheidsstrijdster die in 1961 werd gearresteerd, verkracht, gemarteld en ter dood veroordeeld. In 1962 werd zij vrijgelaten. Het vijf minuten durende hartekreet (met de nadruk op kreet) voor sopraansolo is gebaseerd op het gedicht ‘Esta Noche’ van Jesús Lopéz Pecheco en het wordt zeer ontroerend gezongen door Barbara Hannigan. Hartverscheurend en tegelijkertijd wiegend.

Dat wiegende, dat komt terug in Berceuse, het laatste deel van Griseys Quatre chants pour franchir (Vier liederen om over de drempel te stappen), liederencyclus voor sopraan en orkest die zich niet makkelijk prijsgeeft. Je moet er voor gaat zitten en het tot je laten komen. Dan kan je niet anders dan het adembenemend te vinden. En als je beseft dat het zijn laatste compositie was (Grisey heeft vlak na het voltooien van dit werk in 1998 een hersenbloeding gehad en overleden, hij was toen nog maar 52) dan krijgt dat ‘over de drempel te stappen’ iets lugubers mee. Zeker ook omdat het ‘over de drempel’ over de scheidingslijn tussen het leven en de dood gaat.

De compositie is zeer theatraal en eigenlijk zou je het live moeten meemaken. Gelukkig weten zowel Barbara Hannigan als het door haar gedirigeerde Ludwig Orchestra de sfeer perfect over te brengen. De orkestrale klanken met de vele diverse kleuren worden perfect gemengd met de vocale bijdrage van de zangeres.


 

La Passione
Luigi Nono: Djamila Boupacha
Franz Joseph Haydn: Symfonie nr. 49 in f (La Passione)
Gérard Grisey: Quatre chants pour franchir
Barbara Hannigan (sopraan en dirigent), Ludwig Orchestra
Alpha 586

Piotr Beczala en zijn nieuwe helden

Beczala Vincero

Luisterend naar deze cd moest ik ongewild denken aan de fabel van de La Fontaine, die over de mier en de krekel. De moraal: flierefluiten in de zomer is leuk maar als de winter komt heb je je spaarcenten nodig. Zo ongeveer.

Verander de ‘spaarcenten’ nu in stem en dan heb je het geheim van Piotr Beczala. Begonnen met de delicate Mozarts en de meest lyrische Verdi’s klom hij, via poëtische Rodolfo’s en Massenets des Grieux naar het repertoire wat zwaarder heet te zijn. Eerst een voorzichtige stap richting Lohengrin en Gustavo (Ballo in Maschera), maar toen ging het hek open en: et voilà! Hier staat een tenor aan een begin van de derde belangrijke fase in zijn professionele leven, die van het lyrico-spinto.

Na Mario (Tosca) en Maurizio (Adriana Lecouvreur) komen nu Radames en Calaf aan de beurt en dat is geen kattenpis. En weet u wat? Hij kan het! Hij benadert die rollen minder ‘heldisch’, iets wat eigenlijk helemaal niet hoeft. Luister naar zijn illustere voorgangers waar zijn stem – met de snik en de traan – het meeste op lijkt, Tauber en Kiepura. Hij benadert zijn helden emotioneel en schuwt het sentiment niet, want niet inhoudt dat hij schmiert.

Wat ik wel jammer vind is dat hij voor de bekendste aria’s uit het repertoire heeft gekozen. Maar van de andere kant: het gaf hem kans om te vergelijken en die vergelijking valt in zijn voordeel uit, zeker wat de hedendaagse tenoren betreft.

Radames staat er niet op, wel Calaf, wat de titel van de cd meteen verklaart. Zijn ‘Nessun dorma’ is voornamelijk teder en het Cor de la Generalitat Valenciana steunt hem er goed bij. Er is wel een minpuntje: ‘Aveto torto … Firenze è come un albero fiorito’ uit Puccini’s Gianni Schicchi. Die rol is Beczala al ontgroeid.


VINCERÒ
Puccini, Cilea, Mascagni, Giordano, Leoncavallo, Verdi
Piotr Beczala (tenor)
Evgenya Khomurtova (mezzosopraan)
Cor de la Generalitat Valenciana
Orquestra de la Comunitat Valenciana olv Marco Boemi
Pentatone PTC 5186 733

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

Waar is Eva Urbanová gebleven?

Urbanova

In het bijgeleverde tekstboekje las ik dat Eva Urbanová gecoacht werd door Renata Scotto en dat is duidelijk te horen. Haar tekstbehandeling en inlevingsvermogen zijn werkelijk fenomenaal en duiden op een zingende actrice van formaat. Ook de keuze van haar rollen kan daarop wijzen, al moest ik mijn wenkbrauwen fronsen toen ik las, dat zij in de Metropolitan Opera tegelijkertijd Ortrud (Lohengrin) en Tosca zong.

Dat het niet bepaald gezond is hoor je al in de openingsaria uit Libuše van Smetana, een echte tour de force alla Turandot, waarin haar stem een beetje schel klinkt. Echter, naarmate het recital vordert (alles is live opgenomen tijdens een concert in Praag) wordt haar stem rustiger en evenwichtiger, met als hoogtepunt de monoloog van Kostelnicka (Jenufa).

Dat zij ook over een andere, een meer lyrische kant beschikt, laat zij in een schitterend duet uit Dalibor van Smetana horen. Bovendien: wat is die muziek prachtig!

De keuze van de gezongen fragmenten is ijzersterk: de meeste opera’s waarvan ze afkomstig zijn, zijn buiten Urbanová’s vaderland vrijwel onbekend. Zij weet zich verzekerd door een keur van Tsjechische zangers die haar niveau helaas niet halen. Niet erg. Deze cd is beslist de moeite waard vanwege de schitterende muziek en een buitengewoon interessante zangeres.

Famous Czech Opera Duets
Smetana, Dvorak, Fibich, Janácek
Eva Urbanová and guests
Janáček Philharmonic Orchestra of Europe olv František Preisler jr.
SU 3555-2 631

Busoni en La Nuova Commedia dell’ Arte

Busoni Turandot Arlecchino

Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, denk ik, één van de grootste kosmopolitische componisten uit de muziekgeschiedenis. Zijn vader was een Italiaan en zijn moeder een Duitse. Busoni studeerde in Oostenrijk, trouwde met een Russisch-Zweedse en ging in Berlijn wonen. Voornamelijk dan, want hij woonde ook in Wenen, Zürich en Bologna. En, o ja, hij had ook nog eens Joodse wortels. En dan al die voornamen!

Het schijnt dat hij een boekencollectie had die had kunnen concurreren met de meeste bibliotheken: geen wonder dat hij zijn klassieken kende! Busoni was ook een groot kenner en bewonderaar van Carlo Gozzi en na het componeren van de incidentele muziek voor zijn toneelstuk Turandot besloot hij het gegeven tot een opera te verwerken. In dezelfde tijd (1916) componeerde hij ook Arlecchino, een opera gebaseerd op een figuur uit Commedia dell’Arte. De (Duitstalige) libretto’s met veel gesproken dialogen zijn van de hand van de componist zelf.

Busoni Turandot-Arlechino_Premier_Poster_600391

Beide opera’s, die Busoni ‘La Nuova Commedia dell’ Arte’ noemde beleefden hun wereldpremière op 11 mei 1917 in het Stadttheater van Zürich onder leiding van de componist zelf.

In 1992 werden de opera’s in Berlijn opgenomen en nu (voor het eerst?) op de markt gebracht. Joseph Protschka is een warm getimbreerde Kalaf en Linda Plech excelleert als Turandot.  Gerd Albrecht dirigeert zeer betrokken, met veel aandacht voor de partituur.



Feruccio Busoni
Turandot; Arlecchino
Rene Pape, Linda Plech, Joseph Protschka, Celina Lindsley, Peter Matic, Robert Wörle, Siegfried Lorenz e.a.
Radio-Sinfonie-Orchester Berlin olv Gerd Albrecht
Capriccio C5398

The Poker Club Band zingt Haydn: wat een cd!

CD

Kunt u zich nog ‘De Kap’ren varen’ van Fungus herinneren, een grote hit uit de jaren zeventig? Daar moest ik namelijk meteen aan denken, bij het beluisteren van deze cd. Het is min of meer dezelfde formule: men neemt een klassiek muziekstuk (nu, ja bij Fungus was het iets minder ‘klassiek’, maar toch) als uitgangspunt en brengt het terug naar de bron. In dit geval de Schotse folklore.

Het uitgangspunt nu was de enorme bundel van ‘Schotse liederen’ van Haydn: hij heeft bijna 400 traditionele liedjes bewerkt (eind achttiende eeuw was folklore echt in) met de bedoeling om ze in de salons uit te voeren door een zanger (een zangeres) die door een pianotrio werd begeleid. Niet dat er geen andere arrangementen werden gemaakt, maar alles bleef in het nette en het luchtig deftige. En dan komt ‘The Poker Club Band’, een Schots ensemble dat zijn naam aan één van de clubs in Edinburgh heeft ontleend.

Het is eigenlijk onmogelijk om ze ergens in een hokje te plaatsen want ze zijn eigenlijk van alles. Zeg maar de rauwe folklore ontmoet oude muziek. Want oude muziek specialisten, dat zijn ze ook, alle vier. Zodoende hoor je naast de klassieke klanken van de viool en de cello ook de pedaalharp en een gitaar. Maar alles valt of staat met de zang en daar zit dus het mooiste verrassingselement in. James Graham klinkt zo Schots dat het bijna een cliché is, maar wat een cliché! Tussen de liederen door krijgen we instrumentale arrangementen van een paar van Haydns symfonieën, meesterlijk gespeeld door de harpiste en de dirigente Masako Art.

Ik moet eerlijk bekennen: toen ik die cd in mijn speler duwde hoopte ik dat ik het zou overleven. De verrassing – en het plezier – kon niet groter zijn geweest. Wat een cd!


Tullochgorum – Schottish Songs
The Poker Club Band olv Masako Art
BIS 2471

Goerne zingt Beethoven: elke noot doet er toe

beethoven-songs-0028948383511_0

Hij is nog maar 54 jaar oud en toch praat hij al over ophouden. Niet, dat zijn stem minder wordt maar hij wil het ‘verval-moment’ niet afwachten. Of het verstandig is dat weet ik niet, vooralsnog is Matthias Goerne op zijn absolute top. Zijn stem klinkt nog steeds fris en zijn interpretatie heeft met de jaren aan de diepgang gewonnen. Men zegt dat hij de beroemdste leerling is van Fischer-Dieskau, maar is dat zo? Een ding is in ieder geval zeker: Goerne behoort tot de crème de la crème wat de vertolkers van de Duitse zangkunst betreft.

Zijn nieuwste cd is geheel aan de liederen van Beethoven gewijd. Het is geen dagelijkse kost. Ook in het Beethoven-jaar worden we voor de zoveelste keer op zijn symfonieën en concerten getrakteerd. Al zijn pianosonates en strijkkwartetten worden uit de kast getrokken of opnieuw opgenomen, maar de liederen blijven nog steeds in de marge steken. Vandaar (onder andere) dat ik de nieuwe cd van Goerne met een enorme ‘hoera’ verwelkom.

In een interview met Paul Janssen zei Goerne: “Het kost veel tijd om die prachtige melodieën, de structuur en het idee achter Beethovens liederen te vatten. In eerste instantie lijken het gewone liederen, maar zo gauw je er in duikt steekt Beethoven iemand als Schubert echt naar de kroon. Hij is zo precies in zijn componeren; elke noot doet er toe.” En dat er elke noot er toe doet, dat maakt Goerne meer dan duidelijk.

Het beste hoor je het in Beethovens bekendste lied, ‘Adelaide’. Logisch, dat kennen we allemaal, net als zijn cyclus ‘An die ferne Geliebte’. Het eerste wat er dan opvalt is zijn zachte en lieve manier van zingen waar de grootste aandacht naar de muziek uitgaat zonder dat de tekst er onder hoeft te lijden. Jan Lisiecki toont zich de meest voorbeeldige ‘partner in crime’, het is alsof de zanger en de pianist elkaar al jaren kennen.


LUDWIG VAN BEETHOVEN
6 Lieder op. 48; Resignation WoO 149; An die Hoffnung op. 32; Gesang aus der Ferne WoO 137; Maigesang op. 52 no.4; Der Liebende WoO 13; Klage WoO 11; An die Hoffnung op. 9; Adelaide op. 46; Wonne der Wehmut op. 83 no. 1; Das Liedchen von der Ruhe op. 52 no. 3; An die ferne Geliebte WoO 140; An die ferne Geliebte op. 98
Matthias Goerne bariton
Jan Lisiecki piano
DG 483 83511

Transparante La Clemenza di Tito uit Edinburgh

mozart-la-clemenza-di-tito-0028947757924

La Clemenza di Tito is in veel opzichten zeer opvallend. Lange tijd werd Mozarts zwanenzang als tijdgebonden en verouderd beschouwd, en als zodanig nergens meer opgevoerd. De omwenteling kwam in de jaren tachtig toen de moderne regisseurs er interessant materiaal voor een spannend muziektheater in zagen. Tegenwoordig kun je (bij wijze van spreken) je kont niet keren zonder die opera ergens tegen te komen. Waar zou het aan liggen?

Op muzikaal gebied is het vooral de orkestratie die opvalt. De blazers (voornamelijk bassethoorns en klarinetten) krijgen een prominente rol, met name in de aria’s van Vitellia en Sesto. Mozart componeerde het speciaal voor de klarinettist Anton Stadler die het instrument wist te verrijken met vier extra lage tonen.

In augustus 2005 werd de opera tijdens het festival in Edinburgh concertante uitgevoerd en daarna voor DG (4775792) opgenomen. De instrumenten van het Scottish Chamber Orchestra zijn modern, maar Sir Charles Mackerras houdt alles, geheel volgens de verwachtingen, licht en strak, waardoor het geheel voornamelijk een transparante indruk maakt.

De opera valt of staat met de bezetting van Sesto, die, met zijn gamma aan emoties, eigenlijk de hoofdrol vervult. Magdalena Kožená kwijt zich voorbeeldig aan haar rol, maar het is duidelijk dat zij daar nog in zal gaan groeien.

Hillevi Martinpelto is een lekker hysterische Vitellia: zinnend op wraak, maar bij vlagen ook verliefd en schuldbewust. Rainer Trost, die op het laatste moment voor Ian Bostridge was ingesprongen, zet een fantastische Titus neer.


Renée Fleming en belcanto

Fleming Belcanto

Renée Fleming en belcanto? Toen de cd in 2010 uitkwam werd het met behoorlijk veel argwaan begroet, maar de combinatie is echt minder vreemd dan u denkt. Wordt zij tegenwoordig voornamelijk geassocieerd met Mozart en Strauss, haar carrière is zij begonnen met het zingen van (o.a.) Bellini, Donizetti en Rossini.

Fleming groeide op in een muzikale familie, haar beide ouders waren zangpedagogen. Het was ook haar moeder, die haar haar eerste zanglessen gaf. Haar eerste grote succes boekte zij 1988 in Houston, als de Contessa in Nozze di Figaro, maar haar internationale doorbraak kwam in 1993, toen zij Armida vertolkte op het Rossini festival in Pesaro. Een rol die zij daarna nog in Carnegie Hall herhaalde. Zij heeft ook de rollen in Maria Padilla, La Sonnambula, Il Pirata en Lucrezia Borgia niet alleen maar opgenomen maar ook scenisch vertolkt.

“Toen ik begon met zingen dacht ik dat de belcanto-opera’s dé basis waren van het repertoire van iedere zanger. Alle zangeressen die ik toen bewonderde: Sutherland, Callas, Caballé, Sills, Scotto zongen het. Het was best schokkend om te ontdekken dat in de professionele wereld van de opera zoiets bestond als een ‘Mozart/Strauss sopraan’, en dat die nooit belcanto zong.”

 “Als ik moest tellen dan kom ik op zeven complete belcanto rollen die ik live heb gezongen. De meesten leerde ik in de beginjaren van mijn carrière, toen ik veel met Eve Queler samenwerkte. Maar ook van Montserrat Caballé heb ik veel geleerd. Wij zongen samen in Il Viaggio a Reims en wij hebben veel over het repertoire gediscussieerd. Ook Marilyn Horne betekende veel voor mij en mijn hoge noten leerde ik van Joan Sutherland bij haar thuis”.

De Bel Canto- cd is gewoon prachtig. De muziek is schitterend en Flemings vertolkingen superieur. Haar romige sopraan en haar prachtige hoogte mogen alom bekend zijn, haar coloraturen en expressiviteit doen er niet voor onder. Door haar fabelachtige ademhalingstechniek kan zij de lange bogen uitspinnen, tot in het fijnste pianissimo.

Philip Gossett is een specialist op het gebied van de negentiende-eeuwse opera. Hij heeft al vaker met Renée Fleming al vaker samengewerkt en speciaal voor haar ‘reconstrueerde’ hij ornamentiek in de welbekende cabaletta’s, o.a. die uit La Sonnambula. Het resultaat is zeer verrassend en spannend, al moet men aan die andere noten heel erg wennen (Decca 4571012)


Ladies and Gentlemen, Miss Renée Fleming

Opera Rara en vijf vergeten Donizetti’s

LUCREZIA BORGIA Fleming

Marina Rebeka en Mozart: mooi, maar niet helemaal overtuigend

Rebeka

Hoe zou het komen dat er de laatste tijd zo veel coloratuursopranen hun intrede in onze operahuizen, opnamestudio’s en daarmee ook in onze huizen doen? Is het de Schepper zelf, die een ‘coloratuur wolkje’ boven ons uitgeschud heeft

Nou is de ene coloratuursopraan de andere niet, je hebt ze in alle soorten en maten: van zeer licht en heel hoog tot dramatisch en ondersteund door een solide laagte. Marina Rebeka zit er – alsnog? – ergens tussenin. De jonge Letse sopraan is in ons land voornamelijk bekend van haar rol van Mathilde in Rossini’s Guillaume Tell die zij bij de Nationale Opera in januari/februari 2013 vertolkte.

Datzelfde jaar nam zij bij Warner haar eerste solo-cd met Mozart aria’s. Echt enthousiast ben ik niet, maar het is zeer zeker een mooie cd waar je met plezier naar kunt luisteren

Haar hoogte is voorbeeldig en zuiver maar niet zo duizelingwekkend als bij veel van haar collega’s. Zij heeft een sterk vermogen om het drama in de door haar gezongen aria’s te benadrukken, maar haar laagte behoeft nog wat meer ‘body’. Iets wat met leeftijd en ervaring nog kan komen.

Met ‘O smania! O Furie’ (Idomeneo) geeft zij haar visitekaartje af, de rol van Elettra lijkt haar op het lijf geschreven. Furieus, maar ook teleurgesteld en nog steeds liefhebbend verpersoonlijkt zij het leed haar aangedaan. Mooi.

Haar donna Anna vind ik iets minder intens maar desalniettemin zeer ontroerend, haar Elvira overtuigt mij meer al is het niet honderd procent. Op haar mooist vind ik haar in ‘Martern alle Arten’ (Entführung aus dem Serail), het zou mij verbazen als Konstanze haar paradepaardje niet werd.


Wolfgang Amadeus Mozart
Aria’s uit diverse opera’s
Marina Rebeka (sopraan), Royal Liverpool Philharmonic Orchestra olv Speranza Scapucci
Warner Classiscs 50999 6154972

Nieuwe Luisa Miller overtuigt mondjesmaat

Voor Fryderyk Chopin, omdat hij bijna jarig is

Chopin-liederen

Liederen van Chopin… Menig liedliefhebber kijkt er neerbuigend tegenaan. Ze lijken zo simpel, zo ‘niets aan de hand’. Men doet zijn strot open en voila, daar komen ze vanzelfsprekend uit.

Dat niets minder waar is bewees niet zo lang geleden Dawn Upshaw, toch één van de beste liedzangeressen van onze tijd. Zij pakte ze totaal verkeerd aan, waardoor een onverstaanbaar brij ontstond dat niets met de prachtige melodieën van het Poolse genie te maken had.

Dat je niet echt Pools hoeft te zijn om ze te begrijpen (moet Schubert uitsluitend gezongen worden door de Oostenrijkers en Rachmaninoff door de Russen?), heeft één van de beste vertolksters van de liederen, Elisabeth Söderstrom, al lang geleden bewezen. Ook Layla Gencer (toegegeven, zij was half Pools) deed het voortreffelijk.

In 2010, het ‘Chopin-jaar’ (hij werd in maart 1810 geboren), werd een opname van al zijn liederen door het Fryderyk Chopin Instituut ((NIFCCD 016) gemaakt. Als vertolkers werden twee van de meest succesvolle Poolse zangers (waarom heeft niemand aan Piotr Beczala gedacht?) wereldwijd geëngageerd: Aleksandra Kurzak en Ryszard Kwiecien.

Het eerste wat opvalt is hun vanzelfsprekende, natuurlijke manier van zingen. De zeer irritante gewoonte van hun Poolse voorgangers om op de consonanten te drukken – voornamelijk de letter “Ł” (spreek uit as het Engelse “W”) werd altijd zeer onnatuurlijk, op zijn Russisch, uitgesproken – hebben ze achter zich gelaten. Gelukkig.

Ik heb altijd mijn twijfels gehad of Kwiecien een echte liedzanger is (hij treedt wel eens met liedrecitals op) en die twijfels blijf ik nog steeds houden. Hij is een voortreffelijke acteur en doet ook fantastische dingen met zijn stem, maar soms is het een beetje te veel. En ik mis lyriek. Hij kleurt ook te weinig en gaat soms als een hele cavalerie soldaten eroverheen.

Maar Aleksandra Kurzak is simpelweg onweerstaanbaar. Haar prachtige, lyrische sopraan heeft een glans van zilver, en daar word je blij van. Haar meisjesachtige timbre lijkt geschapen voor het zingen van de eenvoudig klinkende melodieën van Chopin en haar voordracht is voortreffelijk. En haar stem… Ach, mooier kan gewoon niet! Daar wordt een mens gelukkig van.

Maar vergeet ook de pianist niet: de Argentijnse Nelson Goerner is een uitstekende Chopin-interpreet en een voortreffelijke begeleider