opera/operette/liederenrecitals

Stella di Napoli: Joyce diDonato zingt belcanto.

Joyce DiDonato Stella

Men zegt belcanto, men denkt: Rossini, Donizetti, Bellini….. En dat terwijl de 19-de eeuw zo veel meer moois heeft opgeleverd!

Denk alleen maar aan Saverio Mercadante (zijn Il Giuramento is een meesterwerk!), voor mij de onmisbare link tussen Donizetti en vroege Verdi. Denk ook aan Giovanni Pacini. Aan hem, bij het operaminnend publiek voornamelijk bekend van zijn heerlijke Saffo hebben we de titel van deze fantastische cd te danken.

‘Ove l’agiri o barbaro’ uit Pacini’s Stella di Napoli is een heerlijk niemendalletje, met parelende coloraturen en aanstekelijke melodielijn. Joyce DiDonato stipt ze lichtelijk springerig aan waardoor ze zo ontzettend ongedwongen en natuurlijk klinken, zo vanzelfsprekend. In haar uitvoering lijkt de aria op een aquarelschilderij. Als een soort opstap tot het “zwaardere” werk, met wat meer diepgang, met een nog hogere “ontroeringgehalte” en nog meer virtuoze coloraturen.

De onwaarschijnlijk mooie ‘Dopo l’Oscuro nembo’ uit Bellini’s Adelson e Salvini (wie gaat zich aan de complete opname wagen? Alsjeblieft?) klinkt hier anders dan ik gewend ben: wordt hier een andere (gecorrigeerde?) partituur gebruikt?

In ‘Par che mi dica ancora’uit Elisabetta al castello di Kenilworth van Donizetti wordt zij begeleid door de klokkenspel, wat een merkwaardige gewaarwording teweeg brengt. Dit tere, breekbare geluid onderstreept DiDonato’s absolute volmaaktheid nog meer.

Helemaal stil word ik van haar Romeo uit I Capuleti e i Montecchi van Bellini. Zo mooi, zo hartverscheurend ontroerend gezongen heb ik de aria niet eerder gehoord.

Over haar Maria Stuarda hoef ik u waarschijnlijk niets meer vertellen. Ik neem aan dat u de opera met haar in de hoofdrol al gezien had. In de bioscoop of anders op dvd.

En voor een mopperaar voor wie geen belcanto bestaat zonder Lucia di Lammermoor  of La Sonnambula: die zijn er ook. Ze zijn alleen gecomponeerd door Michele Carafa  en Carlo Valentini en heten Le nozze di Lammermoor  en Il Sonnambulo. Nooit van gehoord? Ik ook niet. Het zijn dan ook, samen met Stella de Napoli, echte wereldpremières.

Mocht u zich hebben aangevraagd waarom Joyce diDonato tot de allergrootste diva’s ter wereld behoort: koop de cd en ik beloof u dat u de wereld om u heen vergeet!

Maar we mogen ook Riccardo Minassi en zijn Orchestre et Choer de l’Opera National de Lyon niet vergeten – hun aandeel in de schoonheid van de cd is van de onschatbare waarde!

Stella di Napoli
Bel Canto Opera Arias
Pacini, Bellini, Mercadante, Rossini, Donzetti, Valentini, Carafa
Joyce DiDonato (mezzosopraan)
Orchestre et Choer de l’Opera National de Lyon olv Riccardo Minasi
Erato 08256 46365623 • 72’

Meer DiDonato: JOYCE & TONY

CENDRILLON met Joyce DiDonato

DIANA DAMRAU zingt LISZT

 damraulisztcd

Moeilijk te geloven en toch is het waar: veel muziekliefhebbers weten niet eens dat Franz Liszt liederen heeft gecomponeerd.

Iedereen kent en bewondert hem – terecht – om zijn beroemde (en beruchte) pianowerken. Ook zijn orkestcomposities worden regelmatig uitgevoerd en opgenomen. Maar liederen?

En toch: Liszt heeft er ruim honderd geschreven. Je hoort ze alleen zelden op de liedrecitals en de catalogus vermeldt maar een handjevol opnames.

Het bekendst zijn, denk ik, Liszts ‘O Lieb’ en de drie wonderschone Petrarca Sonetten. Zij ontbreken ook niet op de cd die Diana Damrau vijf jaar geleden heeft opgenomen.

Na de soloalbums met onder anderen Mozart en Strauss heeft Damrau zich over de liederen van Liszt ontfermd. Er staan maar liefst negentien liederen erop, waarvan een paar echte wereldprimeurs: bij mijn weten is de tweede versie van ‘Freugdvoll und Leidvoll’ naar de tekst van Goethe nog niet eerder opgenomen.

Men kan zich afvragen of Damrau’s stem niet te licht is voor de liederen. Haar meisjesachtig timbre is zonder meer prachtig en haar hoogte is onberispelijk. Door haar lichte benadering wordt de intimiteit van de liederen onderstreept, maar soms klinkt het allemaal een beetje iel. Iets meer warmte in de stem zou de liederen laten glanzen, iets wat ze nu moeten ontberen.

Eigenlijk verdient zij maar drie sterretjes van de vijf, maar vanwege de werkelijk prachtige begeleiding van Helmut Deutsch geef ik de uitgave een ster meer.


FRANZ LISZT
Lieder
Diana Damrau (sopraan), Helmut Deutsch (piano)
Virgin Classics 07092824 • 77’

Mariusz Kwiecien en zijn Slavische helden

kwiecienheroescd

De jonge Poolse bariton Mariusz Kwiecień (moeilijk uit te spreken? Ik ga u helpen! Het is, op zijn Hollands gezegd: Marjoesj Kfjetsjenj) is hot, echt hot. Speciaal voor hem werd ooit de ‘Barihunks’- site opgericht. Toch ….. hoezeer ik de acteerprestaties en het charisma van de jonge Pool bewonderde – zijn stem liet mij meestal koud. Maar kleine jongens worden groot en de waarheid moet nu gezegd worden: ik heb mij vergist

Toen ik zijn Onjegin in de regie van Dmitri Tcherniakov (Bel Air BAC046) zag, toen al heb ik mij gewonnen moeten geven, maar nu, met zijn eerste (sic!) solo-cd, kan ik alleen maar mijn hoofd diep buigen in bewondering. Vooraleerst is het de repertoire keuze. Naast zijn grootste glansrollen: Jevgeni Onegin en Krol Roger van Szymanowski zingt hij voornamelijk onbekende schatten uit de Slavische opera’s.

Als operaliefhebber kent u wellicht de baritonaria uit Sadko van Rimski-Korsakov en misschien ook ‘Oh Mariya, Mariya’ uit Mazeppa van Tsjaikovski. Maar heeft u ooit van Čertova stěna van Smetana gehoord? Of van Verbuum Nobile van Stanislaw Moniuszko? Dat bedoel ik maar!

Buiten de repertoirekeuze hebben we nog met een stem te maken en – het moet gezegd, zijn stem klinkt als een klok! Mooi, warm en zeer aantrekkelijk.
Ook het Poolse Radio Orkest onder leiding van Łukasz Borowicz klinkt voortreffelijk.



 

Mariusz Kwiecień
Slavic Heroes
Aria’s van Tchaikovsky, Moniuszko, Szymanowski, Rachmaninov, Borodin, Dvorak en Smetana
Polish Radio Symphony Orchestra olv Łukasz Borowicz
Harmondia Mundi HMW906

 

 

Het een en ander over Andrzej Dobber

dobber

Het is niet zo dat er een zak met Poolse zangers boven de operahuizen is leeg geschud, maar soms lijkt het er wel op. Op de grootste wereldpodia kom je steeds meer Poolse namen tegen. Eén van hen, Andrzej Dobber, heeft nu zijn eerste (en laatste) solo-cd uitgebracht.

Poolse operakwaliteit is er altijd geweest. Denk alleen al aan de gebroeders Reszke, Roza Raisa of Jan Kiepura. De dictatuur van het proletariaat en het IJzeren Gordijn van na de Tweede Wereldoorlog maakten het voor hen echter moeilijk (zo niet onmogelijk) om buiten de landsgrenzen te kunnen optreden en opnamen te maken. Slechts enkelen (Teresa Żylis-Gara, Wiesław Ochman, Bernard Ładysz) lukte het om het ook in het buitenland te maken, het gros bleef onopgemerkt.

Tijden veranderen. Zonder moeite sommen we nu de namen van Ewa Podleś, Piotr Beczała, Mariusz Kwiecień, Tomasz Konieczny, Artur Rucinski, Agnes Zwierko en Aleksandra Kurzak op. En naast die internationale sterren zou je haast vergeten dat er nog veel meer grote Poolse zangers actief zijn. Andrzej Dobber bijvoorbeeld, toch één van de grootste Verdi-baritons van dit moment en ook in Amsterdam een graag geziene gast.

Hoe het komt dat Dobber minder ‘ster’ is dan zijn bekende landgenoten? Misschien wordt hij niet genoeg gepromoot of brengen de platenmaatschappijen te weinig van hem op de markt. En wat wellicht ook meespeelt, is dat hij niet overkomt als een charismatische ‘teddybeer’ en dat de term ‘barihunk’ op hem niet van toepassing is?

Maar wat Dobber wel heeft, is een zeer solide en betrouwbare lyrisch-dramatisch stem, met een warm timbre mét squillo en met zorg gedoseerde emotionele uitbarstingen. Dat is niet niets! Zeker als je zijn bovengemiddelde acteervermogen daarbij optelt.

Twee jaar geleden is er bij de Poolse label DUX zijn allereerste solo cd uitgebracht, met maar liefst 10 verschillende aria’s. Het resultaat is goed, maar het kon beter.

Dobber’s mezzavoce is zeker bewonderenswaardig en zijn legatobogen kunnen gewoon niet mooier. De manier hoe hij alle noten met elkaar weet te verbinden is ronduit voorbeeldig, het is dan ook zeer aangenaam om naar hem te luisteren. Maar: ligt het aan mij dat ik zijn stem soms zo vermoeid vind klinken? Zijn Posa (Don Carlo) vind ik een beetje vlak en niet echt geïnspireerd. Alle noten zijn er, zeker, maar ik mis de nuance en zeker het drama. Ook zijn accentuering in ‘Di provenza il mar’(La Traviata) klinkt mij soms raar in de oren.

Het kan trouwens ook de schuld van dirigent Antoni Wit zijn. Zijn tempi zijn soms tergend langzaam, waardoor de muziek letterlijk uit elkaar wordt getrokken. Erg jammer, want veel van Dobbers interpretaties mogen er zeker zijn. Zijn ‘Cortigiani, vil razza dannata’ uit Rigoletto is bijvoorbeeld ontroerend mooi (ondanks dat Wit op drift slaat en zo Dobber in ademnood brengt). Niet voor niets geldt Dobber als één van de grootste Rigoletto-vertolkers!

Place de l’Opera schreef ooit over zijn Rigoletto in Berlijn:

“Rigoletto was een rol van Andrzej Dobber. Hij moet wel beroemd zijn, want hij is zó goed. Zijn ‘Pari siamo’ was super en zijn ‘Cortigiani’ verbluffend, en in de slotscènes wist hij me helemaal voor zich te winnen. Een geweldig optreden.”

Andrzej Dobber, Olesya Golovneva en Bastiaan Everink (Monterone) in ‘Sì, vendetta, tremtremenda vendetta’ uit Rigoletto uit Deutsche Oper in Berlin

Zijn interpretatie van ‘Perfidi! All’Anglo’ (Macbeth) is zowat perfect. Hier klinkt zijn stem dreigend en dwingend, een tiran waardig, maar dan één die niet gespeend is van zwakke kanten. Ook de sterfscène van Boris (Boris Godunov) is bij hem in goede handen.

Het beste vind ik Dobber in Moniuszko, wat in dit geval ook aan de dirigent kan liggen. Hier is Wit helemaal op zijn plaats en toont hij zich een ware pleitbezorger van de muziek van één van zijn beroemdste landgenoten. Hij kan het dus wel!

In een gesprek op de Poolse tv vertelde Dobber over het moeizame proces van de totstandkoming van de cd. Omdat het zijn eersteling was, wilde hij zijn visitekaartje afgeven. Vandaar ook dat hij een waaier aan verschillende aria’s uitzocht: beginnend met Verdi en het Slavisch repertoire en eindigend met Wagner.

Het is zijn eerste maar ook zijn laatste soloalbum, zei hij, want het proces van het voorbereiden en het opnemen vond hij te vermoeiend. Ik hoop van harte dat hij zich bedenkt en dat hij ons op een vervolg gaat trakteren. Maar dan het liefste met een andere dirigent en met een andere opnameleider!

Andrzej Dobber met Aleksandra Kurzak in ‘Or imponete…Morro’! la mia memoria… ‘uit La Traviata :

Andrzej Dobber
Arias van Verdi, Borodin, Moniuszko, Tsjakovski, Mussorgski en Wagner
Warsaw Philharmonic Orchestra onder leiding van Antoni Wit
Dux 0959

The French Collection van Piotr Beczala: de perfectie nabij

the-french-connection

In februari 2015 was het zo ver: The French Collection, het langverwachte vervolg op het DG-debuut cd van Piotr Beczala was uit.

Hieronder trailer van het album:

 

Het was het wachten waard. Niet in de laatste plaats vanwege het repertoire: Franse opera is, naast de lyrische Verdi, Piotr Beczala’s sterkste kant. Ik ken waarlijk geen zanger die hem in de Massenet en Gounod kan overtreffen.

Zijn heerlijk smeuïge tenor is licht en elegant en zijn Werther, Des Grieux, Faust en (zeker!) Roméo behoren tot de beste vertolkingen die je van de huidige generatie jonge tenoren kunt verwachten. Je zou kunnen zeggen dat Beczala de belichaming van de Franse zangkunst is.

De toon wordt aangezet met een perfect gezongen “Pourquoi me réveiller” uit Werther. Beczala’s smachtende voordracht verraadt niet alleen tekstbegrip, maar ook (of misschien voornamelijk?) zijn affiniteit met de muziek. In één van zijn laatste interviews vertelde hij dat hij het liefst droevige rollen zingt, rollen waarin hij aan het eind doodgaat, want dan kan hij al zijn gevoelens kwijt. Dat hoor je.

Dat de Poolse tenor zo langzamerhand richting zwaarder repertoire gaat is nogal logisch. Zijn stem heeft in de diepte een grote ontwikkeling doorgemaakt, zonder dat zijn hoge noten eronder lijden.

Don José (Carmen) staat dan ook op zijn “to do list”, hopelijk voegt hij daar ook Don Carlos aan toe. Maar het liefst zou ik hem nu in de complete Herodiade en (waarom ook niet?) Robert le Diable  willen horen.  En zeer zeker in ‘Le Cid’: ik kan mij niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo mooi gezongen “Ô Souverain” heb gehoord.

Het enige minpunt vind ik het duet uit Manon van Massenet, waarin hij vergezeld  wordt door Diana Damrau. Haar stem kan mij persoonlijk niet bekoren en ik vind haar een weinig sexy Manon. Maar voor de rest: een cd om te hebben en te koesteren!


 

The French Collection
Aria’s van Massenet, Berlioz, Verdi, Donizetti, Boieldieu en Bizet
Piotr Beczala (tenor) mmv Diana Damrau (sopraan)
Orchestre de l’Opera National de Lyon olv Alain Altinoglu
DG 4794101

zie ook:

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

HEART’S DELIGHT. Piotr Beczała zingt operette

OPERETTE. Nieuwjaarsgala’s uit Dresden

Maarten Koningsberger, Thomas Oliemans en Dichterliebe van Schumann

schuman-koningsberger

Twee nieuwe uitgaven van Dichterliebe van Schumann, gezongen door twee Nederlandse zangers: dat schreeuwt om vergelijking. Maar makkelijker gezegd dan gedaan, want de cd’s van Maarten Koningsberger en Thomas Oliemans zijn twee totaal verschillende producten.

Waar zit ‘m het verschil in? Deels in de begeleiding: Koningsberger wordt begeleid door het Matangi Quartet, Oliemans door Paolo Giacometti op de fortepiano. Het zit hem echter ook in de zangers zelf. Daar waar de één voor een meer lyrische aanpak gaat (Oliemans), kiest de ander voor onverbloemde boosheid (Koningsberger)

Daar komt nog bij dat Koningsberger het nu meer van zijn voordracht dan van pure stemschoonheid moet hebben. Niet altijd een euvel, maar toch …. Maar ook met Oliemans ben ik niet overdreven gelukkig. Waar het aan ligt weet ik niet, maar hij klinkt minder lyrisch dan ik van hem gewend ben.

Af en toe doet Oliemans aan overacting, wat in sommige liederen weliswaar goed uitpakt (in ‘Ein Jüngling liebt ein Mädchen’ bijvoorbeeld) maar in andere weer niet. Oliemans’ versie van ‘Ich grolle nicht’, gezongen met hoorbaar ingehouden woede, komt daarentegen zeer schrijnend over. Prachtig!

Bij Koningsberger klinkt het lied vooral agressief, wat waarschijnlijk ook op het conto van de begeleiding kan worden geschreven. Maar ook in “Ein Jüngling liebt ein Mädchen” vind ik zijn woede overtrokken. Het contrast met de daaropvolgende “Am leuchtenden Sommermorgen” en “Ich hab’ im Traum geweinet” is te groot: opeens lijkt alles stil te staan. Zo langzaam gezongen heb ik de liederen nog nooit gehoord, het voelt alsof de noten uit elkaar worden getrokken. Hier kan ik niets mee. Bij Oliemans, die ook een zeer langzaam tempo neemt, slaat de ontroering wel toe.

 

schumann-r-oliemans-thomas-giacometti-paol

Het aanvullende programma van Oliemans – de Sechs Gesänge (opus 89) en de Sechs Gedichte und Requiem (opus 90) – kan me niet echt bekoren; ik vind de liederen saai. Met de ‘opvulling’ van zijn cd scoort Koningsberger beter. Liederkreis kan natuurlijk niet stuk en Koningsbergers uitvoering van Der arme Peter is zeer verrassend. Maar na ongeveer een uur Koningsbergers/Matangi’s woede te hebben gehoord, klinkt Oliemans/Giacometti’s verdriet toch als een oase van rust.

Beide baritons beschikken over een zeer herkenbaar eigen timbre en een eigen geluid. Beiden zijn ze ook echte verhalenvertellers, waarbij Oliemans zich meer op de muziek en Koninsberger meer op de tekst concentreert. Maar elke vergelijking gaat eigenlijk mank: door de andere benadering en het enorme verschil in begeleiding heb je eigenlijk met twee verschillende werken te maken.

Bij de opname met de Matangi’s merk je enorme verbondenheid tussen de bariton en het kwartet, ze voelen elkaar goed aan en vormen dan ook een absolute eenheid.

De begeleiding van Giacometti stelt mij een beetje teleur. Zou het aan het instrument kunnen liggen? Geen idee hoe de fortepiano’s in de oren van Schumann en zijn tijdgenoten klonken, maar ik ervaar het instrument als kil en onpersoonlijk.

Hieronder een kijkje achter de schermen bij de opname van Oliemans en Giacometti:

ROBERT SCHUMANN
DICHTERLIEBE op.48
Liederkreis op.24, Der arme Peter op.53 no.3
Maarten Koningsberger (bariton), Matangi Quartet
Quintone Q 15005

DICHTERLIEBE op.48
Sechs Gesänge op.89, Sechs Gedichte und Requiem op.90
Thomas Oliemans (bariton), Paolo Giacometti (fortepiano)
Channel Classics CCS 38416

 

Shakespeare songs door Ian Bostridge & Antonio Pappano: alleen al voor het repertoire zou je de cd willen hebben!

 bostridge

Deze cd met liederen naar de teksten van William Shakspeare had alles in zich om de cd van het jaar te worden. En wellicht zelfs meer, mits… mits de zanger van dienst iemand anders dan Ian Bostridge was.

Toen Bostridge nog aan het begin van zijn carrière stond vond ik zijn gemaniëreerde voordracht iets schattigs hebben. Doctorsbul in de geschiedenis verklaarde zijn neiging tot overintellectualisering en zijn neiging tot nonchalance nam ik op de koop toe. Het had iets verfrissends.

Tegenwoordig vind ik zijn manier van zingen alleen maar irritant en narcistisch. Zeker nu zijn stem nog dunner is geworden. Het is niet echt storend in de liederen van Byrd, Morley, Wilson of Johnson, maar in Korngold absoluut onaanvaardbaar.

Al in het openingsnummer ‘Come away Death’ van Gerald Finzi kan hij het niet laten om zich boven de componist te verheffen en voegt er accenten aan toe die er niet in staan.

Maar eerlijk is eerlijk: op den duur treedt er een soort gewenning op en let je minder op de zanger en meer op het repertoire. En die is niet mis, hier is goed over nagedacht. Alleen al daarvoor zou je de cd willen hebben.

De overgang van de Elizabethaanse luitsongs naar het in het Engels gezongen ‘An Sylvia’ van Schubert is niet minder dan geniaal en de luitbegeleiding van Elisabeth Kenny weergaloos. Om over de pianospel van Antonio Pappano maar te zwijgen.


SHAKESPEARE SONGS
Liederen van Finzi, Johnson, Gurney, Korngold, Schubert, Warlock, Britten, Quilter e.a.
Ian Bostridge (tenor), Antonio Pappano (piano), Elisabeth Kenny (luit), Adam Walker (fluit), Michael Collins (klarinet), Lawrence Power (altviool)
Warner 0825646106639 • 67‘

JOYCE & TONY

 joyce_and_tony_live_album_cover

Joyce & Tony, de live in Wigmore Hall opgenomen cd van Joyce DiDonato en Antonio Pappano, is wereldwijd een grote hit. Ik ben er echter niet zo blij mee.

Ik ben sinds jaren één van de grootste fans van Joyce DiDonato. Toen ik haar voor het eerst hoorde, werd ik simpelweg verliefd. Op haar stem, op haar uitstraling, op haar magnifieke présence en op de werkelijk formidabele manier waarop ze haar rollen van inhoud weet te voorzien. DiDonato stal mijn hart en elke nieuwe opname van haar hand was voor mij een feest.

Nu ben ik echter enigszins teleurgesteld. Ik begrijp dat DiDonato eens iets anders wil en dat ze als ‘Yankee diva’ (zoals haar bijnaam luidt) ook het musicalgenre ‘under her skin’ denkt te hebben, maar net als veel andere klassiek geschoolde collega’s vóór haar gaat ze op dat punt de mist in. Musicals zingen is immers iets anders dan kunstmatig je stem klein houden, waardoor het zingen in een soort croonen verandert.

‘Amor’ van William Bolcom gaat de mezzosopraan nog goed af, maar dat is ook geen echt musicalnummer. Helaas is ‘My funny valentine’ van Jerome Kern gewoon knudde. En over ‘Over the rainbow’ van Harold Arlen wil ik het niet eens hebben.

Gelukkig bestaat de box uit twee cd’s en op de eerste staan echte pareltjes, DiDonato meer dan waardig. In Arianna a Naxos van Haydn, gezongen met dat gevoel voor drama dat haar zo typeert, laat DiDonato haar stem floreren, waardoor ik de hele wereld vergeet. En het prachtige I canti della sera van Francesco Santoliquido is voor mij een ware ontdekking.

Het is jammer dat Erato het recital niet op dvd heeft uitgebracht. Ik denk namelijk dat het genot om DiDonato samen met Antonio Pappano (wat speelt die man geweldig piano zeg!) in actie te zíen de opname behoorlijk had kunnen opwaarderen.

Hieronder de trailer van de cd:


Joyce & Tony
Haydn, Santoliquido, de Curtis, Kern, Bolcom e.a.
Joyce DiDonato (mezzosopraan), Antonio Pappano (piano)
Erato 0825646107896

Du bist die Welt für mich: Jonas Kaufmann zingt operette.

 kaufmann

Operette mag weer. Sterker: het lijkt er op dat het inmiddels ook moet. De ene na de andere operazanger gaat “aan de operette”, daarbij even vergetend dat operette zingen een kunst op zich is die je niet bereikt door je stem tot “poesje-mauw” niveau te reduceren en hem rijkelijk te overgieten met een kunstmatig sausje pseudo-erotiek.

Op zijn nieuwste album Du bist die Welt für mich heeft ook Jonas Kaufmann zich aan het genre gewaagd en dat niet met onverdeeld succes. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hij zich en zijn stem forceert, maar dan in de omgekeerde richting. Hij probeert zijn stem zo klein mogelijk te houden en nonchalant te croonen, maar dat gaat hem niet altijd goed af. Zijn instrument is eigenlijk te rijk voor, niet zoetig genoeg. Zet de operette-cd van zijn collega-tenor Piotr Beczała op (om van Tauber of Wunderlich te zwijgen), dan weet u wat ik bedoel.

Op zijn best vind ik hem in “Grüss mir mein Wien’ uit Gräfin Maritza. Hierin laat hij zijn stem mooi opbloeien, wat hem de kans geeft om al de kleuren die zijn stem rijk is mooi te etaleren.

Kaufmann zegt altijd van operette te hebben gehouden en ik geloof hem. Operette is meer dan alleen maar de weelderige melodieën die verrijkt zijn met gezonde dosis sentiment. Het genre beantwoordt ook aan de primaire behoeften van een mens die behalve brood ook liefde nodig heeft.

Hieronder trailer van de opname:

Ondanks mijn (kleine) bezwaren een heerlijke cd, niet in de laatste plaats dankzij het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin, dat onder leiding van Jochen Rieder het geluid van de orkesten van weleer zeer dicht benadert en het album een echt nostalgisch aura geeft.



Du bist die Welt für mich
Jonas Kaufmann (tenor), met medewerking van Julia Kleiter (sopraan).
Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin olv Jochen Rieder.
Sony 88883757422

 

Dein ist mein ganzes Herz, Piotr Beczała!

beczala-tauber

Daar was die dan: de allereerste solo-cd van Piotr Beczała bij Deutsche Grammophon. Een album zonder de standaard tenorhits, maar mét heel veel goud uit het operetterepertoire. Geweldig!

Nu Beczala een exclusief contract met het prestigieuze label Deutsche Grammophon heeft getekend, draait ook de pr-afdeling op volle toeren. Naast trailers, making of’s, reclamefilmpjes, artikelen en interviews op de radio en in allerlei kranten en magazines mocht de gevierde tenor ook in de Yellow Lounge optreden.

Ook aan Facebook werd gedacht en er is, naast een ‘fan page’, een professionele ‘wall’ van de artiest. Beroemd worden en blijven kent zijn prijs.

Ik bedoel dat niet sarcastisch. Het is de alledaagse waarheid die al sinds mensenheugenis geldt: zonder reclame geen verkoopcijfers en zonder verkoopcijfers geen nieuwe opnamen.

Nu is Piotr Beczała geen onbekende meer. De zanger heeft al lang en breed zijn kwaliteiten bewezen, in de grootste operahuizen van de wereld en op cd’s en dvd’s, die zowel live (de meeste) als in de studio zijn opgenomen.

Zijn commerciële eersteling is anders dan andere ‘debuutrecitals’ van bekende en minder bekende sterren. Hier dus geen ‘La donna e mobile’ en geen ‘E lucevan le stelle’, hits die op geen enkele tenor-cd ontbreken. En toch: aan hits geen gebrek. Alleen gelden ze een ander genre, door velen smalend als minderwaardig bestempeld: operette.

 

Ik, een grote operetteliefhebber (ik neem aan dat er veel meer moeten zijn? Kom op! Spreek je uit!) kan dan niet anders dan hardop juichen: eindelijk! En ik moet ook eerlijk zeggen dat ik mij geen betere pleitbezorger van het genre kan voorstellen.

Beczala’s ‘Wien, du Stadt meiner Traüme’ van Sieczynski is smachtend en sappig. De gezonde dosis ‘schmalz’ maakt dat het net op het randje balanceert. Het walst, het duizelt en het laat je verliefd achter. Je doet je ogen dicht en dan komen de zoete dromen… Zo hoort dat. Althans, voor mij. Zijn hoge c aan het eind klinkt een beetje geforceerd, van mij mocht het ook een bes zijn.

‘Girls were made to love and kiss’ (uit Paganini van Lehár) weet hij met een knipoog over te brengen en ‘Ob blond ob braun’ van Robert Stolz is ouderwets lekker. Maar het allermooiste vind ik zijn Kálmán. Het lijkt alsof hij er de meeste binding mee heeft; de melodieën vloeien als honing uit zijn keel.

Van ‘Wenn es Abend wird’ uit Gräfin Mariza werd uw recensente een beetje week en de muziek echode nog na toen ze naar bed ging. En nog steeds kan ze het niet uit haar hoofd krijgen…

De cd is bedoeld als tribuut aan Richard Tauber, de operettezanger uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Al was Tauber, uiteraard, meer dan een operettester. Hij was ook gevierd operazanger (zijn Mozart is ongeëvenaard!) en componist.

In zijn ‘Du bist die Welt für mich’ (Der Singende Traum) uit 1934 wordt Beczała bijgestaan door de maestro zelf. Grappig en leuk, maar voor mij had het niet gehoeven. Beczała is Tauber niet, gelukkig niet. Hij heeft zijn eigen timbre, iets wat hem zo uniek en zo herkenbaar maakt. Nu ga je ongewild vergelijken en dat is gewoon niet eerlijk. Zeker ook omdat Tauber de pre heeft van de vooroorlogse opname techniek, waardoor het veel authentieker klinkt.

Over opnametechniek gesproken: de cd is in dezelfde Londense studio opgenomen waar ook Tauber werd geregistreerd en men gebruikte ook de microfoons uit die tijd.

Het Royal Philharmonic Orchestra onder leiding van Lukasz Borowicz begeleidt met schwung. Je merkt dat iedereen er met veel plezier aan heeft gewerkt.

Het is jammer dat in het boekje geen woord wordt gerept over de andere artiesten die mee hebben gewerkt aan de cd. Goed, Anna Netrebko kennen we wel, maar Avi Avital was toen nog niet echt een naam die een belletje deed rinkelen. Hij is een virtuoos op de mandoline en zijn begeleiding van ‘O mia bella Napoli’ smaakt naar meer.

Van de Berlin Commedian Harmonists (fantastisch, maar geef mij maar ‘onze’ Frommermann) heb ik zelf ook nooit eerder gehoord. Natuurlijk: Google helpt, maar het was fijn als het allemaal in het tekstboekje was opgenomen.

Het boekje zelf is, althans mijn exemplaar, hoe zou ik het zeggen… mismaakt? Er ontbreken een paar nummers.

Dein ist mein ganzes Herz, Piotr Beczała!


Heart’s Delight
The songs of Richard Tauber
Piotr Beczała (tenor),  Anna Netrebko (sopraan), Avi Avital (mandoline), Berlin Comedian Harmonists
Royal Philharmonic Orchestra olv Lukasz Borowicz
DG 4790838

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

PIOTR BECZALA: The French Collection

Kerst Operette-Gala’s uit Dresden

Manon-Premiere Oper Zürich 7.4.2019: Man hat schon Schlimmeres gesehen

Gedenkwaardige Adriana Lecouvreur uit de Met