In mei 2014 zou Giuseppe Valdengo 100 jaar zijn geworden. Een feit dat iedereen is ontgaan, want de in in Turijn geboren bariton is tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten. Hoe triest! En dan te bedenken dat hij één van de geliefde zangers van Arturo Toscanini was! Hij is nog te bewonderen op live-radio-opnamen van Aida, Otello en Falstaff, onder leiding van de grote maestro.
Opera News schreef over Valdengo: “Although his timbre lacked the innate beauty of some of his baritone contemporaries, Valdengo’s performances were invariably satisfying — bold and assured in attack but scrupulously musical.” Hoe waar!
Hieronder een hommage aan de bariton, gemaakt naar aanleiding van zijn honderdste verjaardag:
Ik kende hem van zijn optreden in de film Great Caruso met Mario Lanza, maar hij viel mij pas echt op in zijn rol van Alfio in de door RAI gefilmde Cavalleria rusticana, met de onnavolgbare Carla Gavazzi als Santuzza.
Alfio ontbreekt op de in 1949 voor London opgenomen cd, maar zijn Tonio uit Pagliacci, een rol waarmee hij ongekende triomfen vierde, staat er wel op. Verder klinken twee zeer ontroerend gezongen aria’s uit Rigoletto, plus de in het Italiaans gezongen Hamlet en Valentin.
Het grootste gedeelte van zijn recital wordt echter in beslag genomen door Italiaanse liedjes van Tosti, Brogi, Denza en Leoncavallo. Repertoire dat hem past als een handschoen.
MADO ROBIN
De Franse coloratuursopraan zou je eigenlijk als het achtste wereldwonder kunnen beschouwen. Haar stem was van het type soubrette met een zeer aangenaam meisjesachtig timbre en haar coloratuur techniek meer dan subliem, maar er was meer: haar hoge noten waren extreem hoog. Met haar stem bereikte zij zonder problemen niet alleen de f’’’, maar zelfs de c’’’’ – de allerhoogste noot ooit door een menselijke stem bereikt – had zij binnen haar bereik.
Al haar hoge noten op een rij, voorzien van de beschrijving:
In de jaren vijftig was zij een zeer gevierde radio- en TV ster in Frankrijk, maar haar roem reikte ver over haar landsgrenzen. Haar grootste triomfen vierde zij als Lakmé en Leïla (Parelvissers), maar ook haar Lucia en Olympia waren spreekwoordelijk.
Mireille van Gounod is niet echt een rol die wij van haar zouden verwachten, maar het past wonderwel bij haar kinderlijk naïeve timbre. Van die fragmenten heb ik dan ook het meest genoten, veel meer dan van haar Lucia en Bellini’s.
GERARD SOUZAY
De in alle opzichten mooie bariton Gérard Souzay heeft de grote fout begaan om veel te lang door te zingen. Zijn laatste Philips-opnamen zijn niet om aan te horen en zijn pikzwart geverfd haar maakte hem nogal zielig en pathetisch. Doodzonde, want als je zijn vroegere opnamen beluistert, dan kun je niet anders dan verliefd op hem en zijn stem worden.
Souzay was zonder meer één van de grootste vertolkers van het Franse lied en zijn Fauré’s en Ravels zijn om van te smullen. Maar onderschat ook zijn Duitse lieder niet! Luisterend naar zijn opname van Liederkreis van Schumann uit 1965 ontkom je niet aan de gedachte dat het zo moet, zo en niet anders. Zet alleen maar zijn ‘In der Fremde’ op; ik wil met u wedden dat u niet kunt ontkomen aan het gevoel ontheemd te zijn.
Hieronder Liederkreis:
Net zo prachtig is zijn Dichterliebe: met zijn lichte bariton en zijn lieve, zoete klank doet hij je daadwerkelijk verliefd worden. De opname stamt uit 1953 en behalve de cyclus staan er nog drie losse liederen van Schumann op, waaronder de tot tranen toe roerende interpretatie van ‘Nussbaum’:
In deze opnamen begeleidt Souzays toenmalige vaste begeleidster Jacqueline Bonneau hem. Na 1954 maakte zij plaats voor Dalton Baldwin (Bonneau reisde niet graag). Met Baldwin had Souzay een soort muzikaal huwelijk. Hun samenwerking staat garant voor ultieme schoonheid.
Hieronder Dichterliebe:
VIRGINIA ZEANI
De in 1925 geboren Zeani heeft op haar 23ste debuut gemaakt als Violetta in Bologna, een rol die haar handelsmerk zou worden. Zij had maar liefst 69 rollen op haar repertoire, waarvan veel premières – zo creëerde zij in 1957 de rol van Blanche in “Dialogues van les Carmélites’ van Poulenc. Haar repertoire reikte van Haendel via Bellini, Donizetti, Massenet en Gounod tot Wagner . En uiteraard de nodige Verdi’s en Puccini’s.
Haar in 1958 onder leiding van Giuseppe Patané opgenomen Puccini aria’s zijn – gekoppeld aan een recital door Graziella Sciutti – al eerder door Decca uitgebracht geweest; maar haar Donizetti’s, Bellini’s en Verdi’s uit 1956 (dirigent: Gianandrea Gavazzeni) beleven hun cd – première.
INGVAR WIXELL
De Zweed Ingvar Wixell was en blijft een meer dan fenomenale Verdi bariton, en zijn Rigoletto behoort tot de beste creaties van de rol.
Hieronder zingt Ingvar Wixell ‘Cortigiani, vil razza dannata’ in de Rigoletto-film van Jean-Pierre Ponnelle uit 1982:
Hij beschikte over een sonore geluid die het meeste aan een stevige eik deed denken, op het eerste gezicht onwankelbaar en toch gevoelig voor wind en regen. Het mooist hoor je het in ‘Tregua è cogi’ uit Attila:
HILDE GUEDEN
Hilde Gueden was naast Lisa Della Casa één van de beste vertolksters van de liederen van Richard Strauss. Op deze cd doet zij mijn hart kraaien van plezier, geflankeerd door niemand minder dan pianist Friedrich Gulda. De mono-opname is in 1956 gemaakt in de beroemde Sofiensaal in Wenen, onder supervisie van de legendarische John Culshaw.
Als bonus horen we één van Guedens heerlijke Zdenka’s, in duet met Lisa Della Casa als Arabella, afkomstig uit een minder bekende opname van de Strauss-opera onder Rudolf Moralt (1953). Ook klinken er twee scènes uit één van de mooiste Rosenkavalier-opnames die ik ken, die onder Silvio Varviso uit 1964.
Hieronder de laatste scène uit die opname. Naast Gueden klinken Régine Crespin en Elisabeth Söderström.
In april 2014 werd de serie ‘Decca’s Most Wanted Recitals’ gelanceerd: vijftig vaak niet eerder op cd uitgebrachte albums van legendarische zangers. Het is een ware schatkist en het is te hopen dat het allemaal nog op de markt is!
Het was allemaal de ‘schuld’ van Victor Suzan. De medewerker van Universal Mexico heeft de oude Decca-archieven omgespit en maar liefst vijftig nooit eerder op cd uitgebrachte albums liefdevol geremasterd, gedigitaliseerd en waar mogelijk van bonussen voorzien, inclusief kopieën van de vroegere voor- en achterkantjes. Het is nostalgie ten voeten uit, en bovendien van de allerbeste kwaliteit..
Gelukkig reageerden alle Universal-filialen meer dan enthousiast op het initiatief. EDC/Hannover pikte het op en zo werd de serie ‘Decca’s Most Wanted Recitals’ geboren. De eerste ‘worp’, met twintig titels, is begin april 2014 op de markt verschenen. In juni volgden nog vijftien titels en in september dat jaar de laatste vijftien.
Schatten zijn dat. Echte schatten. Voor veel, zeker jongere stemliefhebbers zit er genoeg in om te (her)ontdekken. Genoeg ook om hun wereldbeeld aan het wankelen te brengen, want in de jaren vijftig en zestig bestond het woord “crossover” nog niet en musicals werden net zo gewaardeerd als Wagner en Verdi.
Van de collectie heb ik tien titels uitgepikt en in een willekeurige volgorde over twee delen verdeeld
GEORGE LONDON (4808163)
Neem George London maar. Hij was de allereerste Amerikaan die Boris Godunov (in het Russisch!) in het Bolshoi in Moskou heeft gezongen en werd beschouwd als één van de beste Wotans/Wanderers van zijn tijd. Ook zijn Scarpia was al bij zijn leven legendarisch.
Hieronder George London (in een perfecte Russisch!) als Boris, opname uit een concert uit 1962
Zijn carrière begon hij begin jaren veertig als lid van het ‘Bel-Canto Trio’, met als de andere twee leden de sopraan Frances Yeend en … Mario Lanza.
Op de cd On Broadway geeft hij ons een les in hoe je de muziek van musicalcomponisten Rogers, Kern en Loewe moet zingen.
Hieronder zingt London ‘f I loved you’ van Rogers and Hammerstein’s
Wagner krijgt u als bonus.
CESARE SIEPI: Easy to love (4808177)
Het waren niet alleen de Amerikanen die Broadway beschouwden als iets wat erbij hoorde. De Don Giovanni en één van de grootste Verdi-bassen van de tweede helft van de vorige eeuw, Cesare Siepi, haalde evenmin zijn neus op voor het populaire.
Easy to love heet zijn cd, waarop hij zijn visie geeft op de songs van Cole Porter. Het klinkt inderdaad ‘easy’, maar dat is het allerminst. Porters muziek is gebaat bij ongekunsteldheid, gepaard met de beste stembanden ter wereld, en dat heeft Siepi allemaal paraat.
Zijn interpretatie van ‘Night and Day’ behoort tot één van de mooiste die ik in mijn leven heb gehoord. Om over ‘So in love’ of het overheerlijke ‘Blow, Gabriel blow’ uit Anything Goes nog maar te zwijgen.
Als bonus krijgen we een paar van zijn beste Verdi’s te horen: Nabucco, Filips II en een Boccanegra zoals je hem niet meer hoort.
CESARE SIEPI: The romantic voice of Cesare Siepi (4808178)
Deze cd draagt als titel The romantic voice of Cesare Siepi en dat is precies wat u kunt verwachten: een pracht van een stem, die alle romantische gevoelens in u wakker maakt!
Hier geen Broadway meer, maar populaire Italiaanse liedjes, iets wat Siepi zowat op zijn lijf is gecomponeerd, gewoon heerlijk.
Wat de cd écht bijzonder maakt, zijn de bonustracks, met aria’s uit Meyerbeers Robert le Diable en Les Huguenots, La Juive van Halévy en – voor de meeste mensen een echte rariteit – een aria uit Salvator Rosa van Antônio Carlos Gomes. Mensen, mensen: wat is het mooi!Wat mij (alweer) een kreet doet slaken: wanneer krijgen we weer eens een opera van Gomes te zien? Na de voorstellingen van zijn Il Guarany in 1994 in Bonn is het onfatsoenlijk stil rond de Braziliaanse Verdi.
Hieronder ‘Di Sposo Di Padre Le Gioie Serene’ uit Salvator Rosa van Gomes, 1954:
De opnamen van het album dateren uit 1961 (liedjes) en 1954 (aria’s) en het geluid is absoluut goed. In de aria’s wordt Siepi fenomenaal begeleid door Orchestra dell’Accademia di Santa Cecilia onder leiding van Alberto Erede. In die tijd werd Erede als een ‘fatsoenlijke’ dirigent beschouwd, maar nu zou hij tot één van de allergrootste operadirigenten worden gerekend. Hij gunt zijn solist alle ruimte en laat het orkest mee-ademen.
ARNOLD VAN MILL (4808167)
De Nederlandse bas Arnold van Mill is tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten. Hoe onterecht! Zijn stem doet een beetje aan de jonge Kurt Moll denken, wat natuurlijk ook aan het repertoire ligt. Prachtig!
Hieronder het duet uit Der Fliegende Holländer. Arnold Van Mill zingt Daland en George London Der Holländer:
Van Mill was voornamelijk beroemd van zijn Wagner-rollen. Jammer genoeg staan die niet op deze cd. Maar zijn soepele bas was ook uitermate geschikt voor het Singspiel en de operette. Zijn Lortzing, Cornelius, Nicolai en Weber (wel op deze cd) zijn een puur genot voor het oor. Allemaal echte verzamelaarsitems. Dank u wel, Decca!
De cd wordt aangevuld met Russische liederen, gezongen door de Bulgaarse bas Raphael Arié.
De combinatie vind ik niet echt gelukkig: niet alleen verschilt het repertoire als dag en nacht, ook de stemmen zijn onvergelijkbaar; wat niet belemmert dat ik er enorm van geniet! Hopelijk heeft Decca meer van Arié op de plank staan, want mijn wenslijstje met zijn opnamen is best lang!
Hieronder zingt Arié ‘Ella giammai m’amo’uit Don Carlo
Je hebt liedzangers en liedzangers. Er zijn er die beroemd werden voornamelijk vanwege hun tekstinterpretatie, soms zo ver doorgevoerd dat je denkt naar een openbare spraakles te luisteren. Anderen zijn één en al muziek: zij interpreteren niet maar geven gewoon door. Tenslotte heeft de componist al voor de interpretatie gezorgd door bij de tekst muziek te schrijven.
Gérard Souzay behoort tot zulke zangers. Zijn lichte bariton is warm en zacht en zijn dictie ietwat geparfumeerd. Hij blinkt uit door zijn muzikaliteit en een zeldzame vorm van oprechtheid, en als geen ander schittert hij in de kunst van diminuendo.
Op de cd Songs of Many Lands zingt hij – in de oorspronkelijke taal – liederen uit verschillende landen, veelal in klassieke arrangementen. De meesten zijn niet of weinig bekend wat de cd nog interessanter maakt. Luister alleen al naar zulke pareltjes, als de intrieste ‘Karjalan Kunnailla’ uit Finland of ‘La barcheta’ van Pietro Burati: een zeldzaam mooi Venetiaans liefdeslied.
Driekwart van de liederen werd eind jaren vijftig opgenomen toen Souzay’s stem op zijn mooist was en het is best jammer dat er nog een achttal liederen van twintig jaar later aan toe werd gevoegd.
Dalton Baldwin toont zich een congeniale partner op de piano en het geheel roept de sfeer van nostalgie op.
De kans dat u ooit van Nicolae Bretan (1887 – 1968) hebt gehoord is niet zo groot. Dat ligt niet aan zijn muziek, want deze Roemeense componist/zanger (hij werd opgeleid als een bariton) heeft heel wat prachtige werken gecomponeerd.
Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij een korte tijd als de directeur van de Nationale Opera in Boekarest maar omdat hij weigerde lid te worden van de Communistische Partij werd hij uitgesloten van de componistenbond, wat betekende dat zijn werken niet meer uitgevoerd mochten worden. De kentering kwam in de jaren tachtig van de vorige eeuw: er werd toen (mede door het initiatief van zijn dochter) een Nicolae Bretan Muziekstichting opgericht, en de Engelse firma Nimbus nam gestaag zijn composities op.
Ik bezit drie van zijn vier opera’s: Horia (NI 5513/4),‘Golem’ en ‘Arald’ (NI 5424), daar heb ik altijd met veel plezier naar geluisterd, en die kan ik iedere operaliefhebber van harte aanbevelen.
Een paar jaar geleden is bij Nimbus (NI 5810) een cd met selectie van zijn liederen (hij heeft er meer dan 200 gecomponeerd!) uitgekomen, mooi gezongen door de bariton Alexandru Agache. Ze doen me een beetje aan liederen van Puccini denken, maar dan wel met een Roemeens-Hongaars sausje. Niet echt meesterwerken, maar zeer prettig om naar te luisteren.
Door hun weemoed stralen ze ook een zekere melancholie uit, en voor je het weet word je er een beetje droevig van. Daar Agache niet over al te veel kleurnuancen beschikt, kan het op den duur een beetje eentonig worden. Doseren met mate, zou ik zeggen.
Ik denk niet dat het verstandig was om ‘Ekkehard’, een jeugdwerkje van Franz Schreker op te nemen. Überhaupt. En al zeker niet om het aan het begin van de cd te plaatsen. De symfonische ouverture heeft weinig om het lijf, klinkt onsamenhangend, is saai en werkt eerder afschrikwekkend dan uitnodigend tot luisteren. ‘Phantastische Ouvertüre’ op 15 is nauwelijks beter en zelfs ik, een keiharde Schreker-fan heb echt moeten doorzetten om het af te luisteren.
Gelukkig vind je op die cd ook twee op de gedichten van Hans Reisiger (naar Walt Whitman) gecomponeerde liederen met de titel ‘Vom Ewigen Leben’ en hier hoor je de echte Schreker. Sensueel en smachtend. Dat mijn eindoordeel niet negatief uitpakt ligt dan ook aan de liederen die prachtig, met veel sehnsucht gezongen worden door de Australische sopraan Valda Wilson.
Maar het kan ook een beetje aan de jonge Engelse dirigent Christopher Ward liggen. Hij dirigeert zeer kundig maar het ontbreekt hem aan een echte drive. Ik kan mij ook niet aan de indruk onttrekken dat hij het ‘Schrekiaanse idioom’ niet helemaal begrijpt, want ergens tussen de alle zeer keurig gespeelde noten is hij de erotiek kwijtgeraakt. Het best hoor je het in het bekendste stuk van Schreker, zijn ‘Vorspiel zu einer grossen Oper’.
FRANZ SCHREKER Ekkehard; Vom Ewigen Leben; Phantastische Ouvertüre; Vier kleine Stücke fürgrosses orchester; Vorspiel zu einer grossen Oper Valda Wilson (sopraan) Deutsche Staatsphilharmonie Reihnland-Pfalz olv Christopher Ward Capriccio C5348
Ernest Bloch werd in 1880 in Genève geboren in een geassimileerd Joods gezin. Vóór de oorlog behoorde hij tot de meest gespeelde en gewaardeerde componisten. Men noemde hem zelfs de vierde grote ‘B’ na Bach, Beethoven en Brahms. Het is niet zo dat men zijn naam niet meer kent, maar verder dan zijn celloconcerto komt men meestal niet.
De symfonische gedichten Hiver-Printemps zijn zeer beeldend. Samen met de prachtige liederencyclus Poèmes d’Automne, gecomponeerd voor de teksten van Béatrix Rodès, Bloch’s toenmalige geliefde en zeer onroerend gezongen door Sophie Koch (Kleenex bij de hand?) vormen ze als het ware één geheel, een soort ‘Jaargetijden’, waaraan alleen de zomer ontbreekt.
De suite voor altviool behoort tot de beste composities van Bloch en men kan zich geen betere uitvoering voorstellen dan die van Tabea Zimmermann.
De titel van de cd, ‘20th Century Portraits’ is enigszins misleidend want de meeste werken zijn tussen 1905 en 1919 gecomponeerd en hun idioom is sterk in de late romantiek en de fin de Siècle verankerd. Alleen het overweldigende Proclamation voor trompet en orkest stamt uit 1950.
Het Deutches Symphonie-Orchester Berlin speelt onder leiding van Steven Sloane zeer bezield.
Ernest Bloch
Hiver-Printemps; Proclamation; Poèmes d’automne; Suite
Tabea Zimmermann (altviool), Reinhold Friedrich (trompet), Sophie Koch (mezzosopraan);
Deutches Symphonie-Orchester Berlin olv Steven Sloane
Capriccio 67076
Burkhardt Söll: Kinderdinge. A requiem for an old doctor and his orphans
Korczak with the children
Korczak’s real name was Henryk Goldszmit. He first used his pen name Janusz Korczak in 1898 when he participated in a literary contest organised by Ignacy Paderewski, the famous pianist and future Prime Minister of Poland.
Janusz Korczak
Korczak was born in Warsaw into an assimilated Jewish family. After studying medicine he briefly practiced pediatrics until 1912 when he became director of Dom Sierot, an orphanage for Jewish children. He carried out his utopian vision of a children’s republic there: a community of children, with its own parliament, court and newspaper, all run by the children themselves. After World War I Korczak founded a second orphanage: Nasz Dom (Our House).
Korczak Krochmalna_Street_orphanage
As well as being a doctor and director of an orphanage, Korczak was also a pedagogue, teacher, writer and Bible scholar. He worked for the Polish radio and gave lectures. His fame was immense, and not confined to Poland. He was published abroad too, to great critical acclaim, and his pedagogical methods were used all over Europe.
Korczak and children.
In November 1940 the orphanage was forced to relocate to the Warsaw Ghetto. At the beginning of August 1942 the children, together with Korczak and his deputy Stefania Wilczynska, were put on a transport to Treblinka. Even the Nazis respected the famous pedagogue and offered Korczak the opportunity to save his own life. He refused and chose to die with his children instead of compromising his principles. They were all murdered in the gas chambers of Treblinka shortly after arriving there on August 7, 1942.
Monument “Janusz Korczak and the children” in Yad Vashem
About Korczak:
In 1972 Korczak was posthumously awarded the prestigious Peace Prize of the German Book Trade. Books have been written about him, and his life story has been the subject of several biographical movies. In the 1990s the German-Dutch composer Burkhardt Söll composed a piece in memory of Korczak and his children: Kinderdinge. Manuela du Bois-Reymond, a sociologist and pedagogue who is also married to the composer, wrote the lyrics to the songs.
Burkhardt Söll: Kinderdinge
This stunningly beautiful composition consists of short pieces (children’s scenes) flowing into each other. The first scene Canto d’amore is followed by the sound of clappers (The Only Instruments). There are quotes from Klezmer music and Yiddish songs. We hear train sounds, a grim March of Suitcase, shoes and coats and several songs.
Song I is about fear. Song II about children’s furniture that no longer inspires trust, and Song III about being locked in a dark closet. A closet so small there is only room for one leg. All three songs are filled with immense fear and darkness and death (“bei den Toten ist mein Haus und in der Finsternis is mein Bett gemacht”).
The fourth and final song (The End. What really happened) is based on the eyewitness report by Marek Rudnicki, which was published in the Polish Tygodnik Powszechny in 1988.
Kinderdinge is a concert version of Söll’s earlier piece of musical theatre Ach und Requiem from 1994/1995, which in turn was preceded by Little Requiem composed in 1991.
Burkhardt Söll
What interested me was why Söll wrote a piece of musical theatre on Korczak? Where did his interest in the fate of the old doctor and his children come from? Is it at all possible to tell his story in music? These questions were enough reason to visit the composer in Leiden where he has lived since 1977.
Burkhardt Söll was born in Marienberg in 1944. His mother was Jewish. During his first violin lessons, which he took from his aunts, he was allowed to play klezmer music by the one, but not by the other!
Söll studied viola with the famous Rudolf Kolisch. Already in school he composed for the school orchestra. He continued his training at the Hochschule der Künste in Berlin where he studied composition with Boris Blacher and Paul Dessau and painting with Horst Antes. Afterwards, he was the assistant of Bruno Maderna and later of Otmar Suitner at the Berlin Staatsoper Unter den Linden.
Burhardt Söll self portrait
In the seventies Söll took part in a research project on children’s aesthetics. He developed a teaching strategy combining music composition with painting. In 1985 he was appointed as a teacher at the Utrecht School of the Arts. His paintings were exhibited in Berlin, Frankfurt, Paris, The Hague, and other places.
Söll has known Janusz Korczak and his books since his early childhood. Krol Macius I (King Matt the First) is still his favourite book. The life of the old doctor has always fascinated him: someone who put his life at the service of (orphan) children and remained faithful to his own ideals until death.
Reinhart Büttner’s designs for black and misshapen children furniture inspired Söll to write his piece of musical theatre. Ach und Requiem was performed only once in 1995, but luckily a recording exists. It is a shame the textbook, with a Jewish child playing the violin on its cover, is almost illegible. The letters are too small, and the colour combination (dark brown and light blue) makes it even harder to read.
*Taken from the Dutch novella by Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn, inspired by a song Dos Kelbl. The song became a global hit in the sixties under the tile Donna, donna.
Burkhardt Söll Kinderdinge Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (soprano),
Mary Oliver (viola), Alison McRae (cello), Huub van de Velde (double-bass), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (percussion), Dil Engelhard (flute), Jan Jansen (clarinet), Henri Bok (saxophone)
Conductor: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703
Paul Hindemith is in juni 1922 begonnen met het componeren van Das Marienleben , een liederencyclus naar de gedichten van Rainer Maria Rilke. Makkelijk ging het niet. In 1923, toen hij er eenmaal mee klaar was verzuchtte hij: “Das war nicht leicht zu machen”.
Hij was dan ook alles behalve tevreden en reviseerde het werk maar liefst drie keer: in 1936/37, 1941/42 en in 1945. De derde versie werd in 1948 gepubliceerd, maar daarmee kwam nog geen einde aan bewerkingen: vier van de liederen heeft hij al in 1939 georkestreerd en in 1959 heeft hij er nog twee aan toegevoegd.
De georkestreerde versie hoor ik persoonlijk het liefst (kent u de opname door Karita Mattila op Finlandia?)
maar er valt ontegenzeggelijk niet te ontkennen dat de allereerste versie, zo moeizaam tot stand gekomen in 1923 de voorkeur verdient. Die is ongepolijst en klinkt alles behalve volmaakt waardoor de teksten van Rilke meer recht wordt gedaan. Denk ik. Het is ook de eerste versie die het vaakst wordt uitgevoerd. Als, überhaupt, want Hindemiths partituur stelt enorm hoge eisen aan de uitvoerenden.
Het is ook de 1923-versie die de sopraan Juliane Banse en de pianist Martin Helmchen in september 2017 voor Alpha classics hebben opgenomen. En het moet gezegd worden: zowel de sopraan als de pianist maken een onvergetelijke indruk op de luisteraar.
Juliane Banse met haar stralende, lyrische sopraan, een enorm tekstbegrip en een zowat volmaakte interpretatie. Martin Helmchen heeft de ‘taal’ van Hindemith in zijn vingers waardoor zelfs de dissonanten hier behoorlijk klassiek klinken.
PAUL HINDEMITH
Das Marienleben op. 27 (versie 1923)
Juliane Banse (sopraan), Martin Helmchen (piano)
Alpha 398
Het is niet makkelijk om een operaproductie goed over te laten komen op de televisie. Vaak heb je de indruk dat je iets mist want er is te ver weg gefilmd, te veel aandacht gaat naar de (overbodige) details, om van de eigenzinnigheden die de tv-regisseurs zich de laatste tijd veroorloven niet te spreken. Dat het ook goed kan bewijst Vincent Bataillon met de in 2001 in Aix-en-Provence opgenomen voorstelling van The Turn of the Screw.
De recensies waren niet echt enthousiast en dat kan ik mij goed voorstellen. Op de grote bühne kan het spaarzame decor van Richard Peduzzi: een enkele stoel, een hobbelpaard, een maquette van het slot een nogal kale indruk maken.
Op het kleine scherm echter wordt alles uitvergroot en als in een griezelfilm tot de juiste proporties gebracht. Ook de mimiek en de kleine gebaren van de hoofdpersonen komen zeer filmisch over en men kan de personenregie en mise-en-scène van Luc Bondy alleen maar bewonderen.
Er wordt goed tot zeer goed gezongen. Mireille Delunsch is een zeer indrukwekkende gouvernante en Marlin Miller is zeer overtuigend als een beetje karikaturaal neergezette Quint.
Daniel Harding doet wonderen met het orkest waardoor het ‘aandraaien van de schroef’ niet alleen in de intermezzi duidelijk voelbaar is.
BenjaminBritten
The Turn of the Screw
Mireille Delunsch, Marlin Miller, Olivier Dumait, Gregory Monk, Marie McLaughlin, Hanna Schaer, Nazan Fikret
Mahler Chamber Orchestra olv Daniel Harding
Regie: Luc Bondy
Bel Air Classiques BAC008
Drie cd’s gevuld met alleen maar countertenoren (en één castraat), is dat niet iets te veel van het goede? Niet dus. Het is een prachtige bloemlezing, die laat zien hoezeer de techniek van falsetto zingen is veranderd.
Sommige van de zangers klinken erg gedateerd (James Bowman), sommige nog steeds verrassend fris (René Jacobs, Paul Esswood), maar met de hedendaagse sterren (David Daniels, Philippe Jaroussky of Lawrence Zazzo) kunnen ze niet concurreren.
Ook de begeleiding heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Van het valse, amateuristisch aandoende doorzagen, zuchten en steunen zijn ze tot sprankelende, muzikale en professioneel volmaakt spelende ensembles geworden.
Het gezongen repertoire is zeer verrassend, want naast de geijkte countertenorstof (oude muziek, Britten) valt ook een riedeltje van o.a. Schubert, Bellini en Berlioz te horen. Vooral ‘Sur les lagunes’ (Les nuits d’été) van de laatste, zeer sensitief gezongen door David Daniels, is een juweeltje.
Alfred Deller, de oudgediende en pionier in het stemvak ontroert met de gevoelig gezongen ‘Greenleaves’. Maar ook de ‘Silent Night’ ontbreekt er niet, prachtig vertolkt door de in de jaren negentig immens populaire (en door mij zeer geliefde) Derek Lee Ragin.
De volgorde van de zangers en gezongen werken is volstrekt willekeurig, en met het voorkantje wordt duidelijk op een bepaalde bevolkingsgroep gemikt.
Altus. From castrato to countertenor
Brian Asawa, James Bowman, Max Emanuel Cencic, Michael Chance, David Daniels, Alfred Deller, René Jacobs, Philippe Jarousky, Andreas Scholl, Lawrence Zazzo e.a.
Erato 23547629 (3 cd’s)