achtergrondartikelen

Josqun, The Undead, forever, althans tot en met 2021

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Hoe zou ‘oude muziek’ in de tijd van de componisten hebben geklonken? Dat is dezelfde vraag als wat legitiem is bij een uitvoering van een Brahms-symfonie of een Verdi-opera: wat stond de componist voor ogen?

Een groot probleem is dat we van persoonlijke opvattingen van componisten van vóór ongeveer Bach in veel gevallen bitter weinig weten, en bij componisten van 1600 weten we soms überhaupt nauwelijks iets over hun leven, soms niet eens hun naam. Bovendien was een groot deel van de muziek van vóór 1600 aan het eind van de eeuw daarop al bijna vergeten.

Maar gelukkig is er in de uitvoeringspraktijk van muziek van voor 1600 steeds vaker een vraag bijgekomen, namelijk hoe kan die muziek klinken op een manier waarbij een hedendaags publiek misschien iets van hetzelfde ervaart als een toehoorder van toen, ook als we niet precies weten hoe die toen klonk?

De CDs die het afgelopen jaar verschenen ter herdenking van het vijfhonderdste sterfjaar van Josquin des Prez bieden een mooie gelegenheid om te zien hoe in de meest recente muziekpraktijk met dit vraagstuk wordt omgegaan.

Aanvankelijke waren het Engelsen die het voorbeeld gaven in meer authentieke benaderingen: het Hilliard Ensemble, de Clerks’ Group en de Tallis Scholars. De eerste twee bestaan niet meer en de Tallis Scholars vervallen wel eens in mooizingerij, ‘glass’ zoals een recensent van de BBC het onlangs uitdrukte. Gelukkig kwamen er Belgische ensembles bij die hun Vlaamse meesters als het ware terugvorderden: het Huelgas Ensemble, Capilla Flamenca en Graindelavoix. En Franse, Italiaanse en Spaanse ensembles (met Jordi Savall voorop) legden zich ook overtuigend toe op deze componisten, waarvan een groot deel hun geluk in het Europese zuiden hadden beproefd, zoals Josquin des Prez. Het Josquin des Prez resulteerde aldus in zes kenmerkende CDs door ensembles uit elk van deze invloedssferen.

Stile Antico is een typisch Engels gezelschap, dat mij tijdens het afgelopen Festival Oude Muziek (in een Dowland-programma) nogal tegenviel. Hun bijdrage aan het Josquin-jaar heet The Golden Renaissance: Josquin des Prez. Beslist welluidend. Ze klinken een beetje zoals de Tallis Scholars in het begin, en die begonnen hun Josquin CD reeks ook met de Missa Pange Lingua. Maar toch echt meer voor wie van de strakgestrokken Engelse vibratoloze zangstijl houdt.

Het Vlaamse Graindelavoix bracht een album uit met de intrigerende titel Josquin – The Undead, Laments, Deplorations and Dances of Death. Wil het gezelschap suggereren dat Josquin een voorloper was van ‘zombie-muziek’? De titel kan ook slaan op de onsterfelijkheid van Josquins oeuvre. Sterker nog, en dat is waarschijnlijk de reden van de titel: hij was zo onsterfelijk dat muziekuitgevers na zijn dood nog allerlei stukken uitgaven onder de naam Josquin waarvan de toeschrijving twijfelachtig is. Op deze CD staat een aantal stukken waarvan het auteurschap kan worden betwijfeld. Maar als het om namaak ging gaat het in elk geval om goede namaak. Maar misschien vandaar Undead.

Graindelavoix maakt er intussen een levendige boel van. Elk arrangement verschillend, wat een beetje het idee geeft als vroeger bij een nieuwe Beatles of Stevie Wonder-LP indertijd: elke song is anders. En eigenlijk behandelt Graindelavoix de stukken als popsongs. En daarbij bedoel ik niet het aanbrengen van jazzy basjes of blue-notes op een zinc. Je kunt je bij elk chanson of motet een gelegenheid voorstellen waarbij het werd uitgevoerd, een Bourgondisch of Toscaans banket, een kroeg waar de gasten massaal een chanson meezongen, een mis waarbij de hertogelijke of keizerlijke (Karel de Vijfde) familie aanzat, een begrafenis. Graindelavoix laat ons stylistische en emotioneel alle hoeken van de kamer zien, of liever gezegd de kathedraal, of eigenlijk de privékapel; ook mooi is hoe Graindelavoix in elk stuk laat horen hoe intiem deze muziek eigenlijk was.

Nymphes, Nappes van Josquin

Musae Jovis, epitaph for Josquin van Nicolas Gombert

Niet Spaans maar wel Argentijns zijn de musici die halverwege het jaar The Josquin Songbook uitbrachten: Maria Cristina Kiehr, sopraan, Jonathan Alvarado (tenor), Ariel Abramovich, luit en vihuela.

Een wondermooie combinatie. Kiehr, die vroeger vaak zong bij Savall als een muzikaal alterego van Montserrat Figuerras, blijkt nu wat lager en ook mannelijker te zingen. Wel kan de formule op den duur eentonig worden. Is Dulces Exuviae, met nog kleinere bezetting, namelijk Romain Bockler, zang, en Bor Zuljan, luit, dan niet nog net iets afwisselender?

Het Franse ensemble Metamorphoses bracht een CD met de missen Malheur Me Bat en L’Ami Baudichon. De authentieke intervallen worden knap gezongen, maar ik mis focus op individuele stemmen en het geheel wordt op den duur wat eenvormig.

Ik vond Rebecca Stewart bij Capella Pratensis altijd wat droog-wetenschappelijk, een beetje gekunsteld. Maar dit album, opgenomen met de piepjonge mensen van Seconda Pratica en Cantus Modalis, overtuigt wel. Ook al geloof je nog steeds niet dat de zangers indertijd altijd zo hun best deden om mooi te klinken, je zou je toch ook kunnen voorstellen dat er indertijd een hertog of aartsbisschop was die juist gecharmeerd was van deze wat gemaniëreerde manier van zingen. Maar dat maakt het vaak ook mooi. Ze laveren tussen Graindelavoix en pakweg the Hilliard Ensemble. De interpretatie is ook filmisch gedetailleerd. Choreografen en filmmakers zouden eens aan deze muziek moeten denken, in deze uitvoering.

Interview Rebecca Stewart:

https://www.nporadiReo4.nl/klassiek/vrije-geluiden/6942024d-f55d-488f-bc54-dd9ef673fab8/orgel

De laatste noten van de opname:

Om de verfijnde architectuur van Josquins muziek te beseffen ben je ook goed uit bij de Gesualdo Six, op de CD Josquin’s legacy. Ik had niet gedacht dat een op zichzelf typische representant van de serene Engelse stijl me zo bij de keel zou grijpen. Engels, maar intenser dan ooit.

Hyperion zet geen CDs op Spotify. Deze Youtubeclips geven een indruk.

Diezelfde Gesualdo Six hebben ook een CD gemaakt samen met het Italiaanse Odhecaton, Giosquino, Josquin Desprez in Italia. Allemaal werken voor Italiaanse broodheren, onder meer de Missa Hercules dux Ferrariæ, gecomponeerd voor de hertog van Ferrara Ercole I d’Este. Als het om helderheid gaat, geef ik wel de voorkeur aan de Gesualdo Six zonder Odhecaton, maar het is het verschil tussen een groot en klein bezette Matthäus.

Acht minder bekende opera’s van Donizetti

葛塔諾·多尼采蒂wiki | TheReaderWiki
Portret van Gaetano Donizetti door Giuseppe Rillosi, 1848

75 opera’s heeft hij geschreven, de belcanto reus uit Bergamo. Vijfenzeventig! Tel daarbij, ik citeer: 16 symfonieën, 19 strijkkwartetten, 193 liederen, 45 duetten, 28 cantates en nog wat soloconcerten, sonates en kamermuziek. En hoeveel van al dat moois horen we tegenwoordig? Een doorsnee muziekliefhebber komt niet verder dan Lucia di Lamermoor, L’Elisir d’amore, Don Pasquale… Wellicht nog de Tudor-drieluik (Anna Bolena, Maria Stuarda en Roberto Devereux. En, o ja, La Fille du Regiment, vanwege al die hoge C’s op een rijtje.

PIA DE TOLOMEI

Opera rara Pia

Het verhaal van Salvatore Cammarano, auteur van o.a. Maria di Rudenz en Il Trovatore over een ten onrechte van overspel beschuldigde echtgenote van een kasteelheer speelt zich af tegen de achtergrond van een oorlog tussen Florence en Siena en is door Donizetti voorzien van de mooiste aria’s en duetten.

De bezetting, met een werkelijk weergaloze Majella Cullagh als Pia en Manuela Custer als haar broer Rodrigo voorop, is zoals altijd bij Opera Rara, werkelijk subliem. (ORC 30)

ROSMONDA D’INGHILTERRA

Opera Rara Rosmonda

Het verhaal speelt zich in het Engeland van de twaalfde eeuw af. Koning Henry II is getrouwd met Leonora van Aquitanië, maar houdt ook nog een maîtresse op na. Deze minnares (Rosmonda) zit opgesloten in een toren, en de page Arturo, die op haar moet letten is zelf verliefd op haar geworden. Een – heerlijke, dat wel – draak van een verhaal, maar de muziek is goddelijk mooi: lyrische passages worden afgewisseld met heftige ensembles.

Renée Fleming is de zoetgevooisde Rosmonda, en Nelly Miricioiu de verbitterde koningin Leonora. Beide dames komen elkaar tegen in de laatste scène, wat resulteert in een van de spannendste duetten. (ORC 13)

PARISINA

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van, ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend, en voor het gemak ‘knipte en plakte’ hij de (schitterende, overigens) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde. Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht. Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter, en met Parisina heeft hij een van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog … En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina is tegen haar wil uitgehuwelijkt aan een oude man, Azzo. Al jaren is zij (wederzijds, doch platonisch) verliefd op Ugo, die, naar later blijkt, de zoon is van Azzo en zijn eerste, door hem uit jaloezie vermoorde vrouw. Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?), Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voorvoor een Donizetti (en niet alleen) verzamelaar (Opera Rara(ORC 40).

IMELDA DE’LAMBERTAZZI

Imelda

De opera speelt zich af in het door oorlogen tussen de Ghibellijnen en de Welfen verscheurde Bologna. Imelda en Bonifacio worden verliefd op elkaar, maar zij is een Ghibellijn en hij een Welf, dus op een goede afloop hoef je niet te rekenen.

Nicole Cabell zingt een mooie titelheldin, en haar stem mengt goed met James Westman’s lichte, bijna tenorale bariton.

Hun bijdrage verbleekt echter bij de formidabele prestaties van beide tenoren. Frank Lopardo’s stem is in de loop der jaren donkerder en mannelijker geworden, toch heeft hij niets aan zijn souplesse verloren. Massimo Giordano beschikt over een pracht van een lyrische tenor, waarmee hij ook overtuigend weet te acteren.

Het perfect spelende Orchestra of the Age of Enlightment wordt met verve gedirigeerd door Mark Elder (Opera Rara ORC36)

LES MARTYRS

martyrs

Les Martyrs is zijn leven als Poliuto begonnen. Het libretto van Eugène Scribe was gebaseerd op het toneelstuk Polyeucte van Pierre Corneille uit 1642 en droeg sterk de levensvisie van de schrijver uit: de wil is een bepalende factor in het leven. De première in Napels werd afgelast: het verbeelden van de Christenvervolging op toneel was toen in Napels verboden.

In Parijs heeft Donizetti bij Scribe een nieuw libretto besteld en componeerde er een nieuwe ouverture en een paar solo’s voor de hoofdrol bij. Hij veranderde de finale van de eerste acte en voegde de, in Parijs onmiskenbare balletmuziek toe. Daarbij heeft hij de romantische verwikkelingen behoorlijk afgezwakt en legde nog meer nadruk op het religieuze aspect.

Ondanks het aanvankelijk succes zijn ‘De Martelaren’ van de affiche verdwenen: daarvoor kwam weer, al is het mondjesmaat, ‘Poliuto’ voor terug. Na de 1920 werd de opera nog maar sporadisch uitgevoerd (een curiosum: in 1942 werd de opera opgevoerd ter gelegenheid van het bezoek van Hitler aan Mussolini, de hoofdrol werd toen gezongen door Benjamino Gigli).

Joyce El-Khory is een perfecte Pauline: dromerig, liefhebbend en als een leeuw (nomen omen) vechtend voor het leven van haar christen geworden echtgenoot. Een echtgenoot die zij niet eens liefheeft, want in de veronderstelling dat haar voormalige verloofde dood is, liet zij zich aan de protegé van haar vader uithuwelijken.

Michale Spyres is een zeer heroïsche Polyeucte en in  “Oui, j’irai dans leurs temples” laat hij een perfecte, voluit gezongen hoge “E” horen.

Michael Spyres in cavatina and cabaletta ” Mon seul trésor” & “Oui, j’irai dans les temples”:

Het orkest onder leiding van Sir Mark Elder speelt de sterren van hemel (Opera Rara ORC52)

LE DUC D’ALBE

duc

Het verhaal in het kort: hertog Alva, de bloederige afgezant van koning Philips, bestiert het Vlaanderen met ijzeren hand. Hij heeft de graaf van Egmond laten onthoofden en Hélène, Egmond’s dochter, zweert wraak. Haar geliefde Henri de Bruges blijkt in werkelijkheid de zoon van Alva te zijn en als Hélène de tiran wil vermoorden, werpt hij zich tussenbeide. Henri dood, Hélène verbouwereerd en de naar Lissabon vertrekkende Alva wanhopig van verdriet. Einde opera. Als het libretto u enigszins bekend voorkomt dan heeft u gelijk. Verdi gebruikte het ook in zijn Les vêpres siciliennes.

Donizetti componeerde de opera in 1839 voor Parijs, maar het werk is onafgemaakt gebleven. Al een paar jaar na de dood van de componist werden er pogingen gedaan om de opera te voltooien: men ging toen uit van de Italiaanse vertaling van het libretto. Her en der waren er opvoeringen, maar echt populair werd de opera nooit. Jammer eigenlijk, want hiermee is de weg naar Verdi en zijn Don Carlo geplaveid.

Opera Rara (Opera Rara ORC54) beperkt zich met deze opname tot het onaffe origineel, waardoor het verhaal eindigt met de arrestatie van Henri. De rest moeten wij er bij fantaseren.

Met Laurent Naouri is de rol van Alva meer dan perfect bezet. Zijn bariton klinkt autoritair en bij vlagen angstaanjagend. Maar ook smekend. Je zou medelijden met hem hebben!

Angela Meade is een zeer ferme Hélène. Haar coloraturen zijn stevig en secuur maar verwacht geen flauwvallende heldin a’la Lucia of Elvira: deze dame heeft guts!

Wat niet zegt dat zij ook niet fluisterend lief kan hebben, maar dat wraak haar prioriteit is, is nogal wiedes. Luister even naar het liefdesduet in de tweede akte: “Ah! Oui, longtemps en silence” en de daaropvolgende heldhaftige “Noble martyr de la patrie”, waarin Hélène de boventoon voert.

Michael Spyres’ Henri is, ondanks zijn heroïsche timbre, het meest softe personage. Niet in zijn zangprestaties, o nee, want met zijn rol zet hij een nieuwe maatstaf voor belcanto in het Frans; maar als karakter. In confrontatie met zijn vader laat hij zich van zijn meest gevoelige kant zien. De scéne is trouwens één van de hoogtepunten van de opera. Donizetti op zijn best, hier had Verdi zich niet voor hoeven te schamen.

ENRICO DI BORGOGNA

Donizetti Enrico

Wat de opname werkelijk onweerstaanbaar maakt is de enscenering. Nu is ‘theater in het theater’ niet echt iets nieuws, maar Silvia Paoli weet er een eigen draai aan te geven en het resultaat is niet alleen hilarisch maar ook echt goed. Tel de prachtige kostuums er bij…. Schitterend!

Waar gaat de opera over? Liefde, wraak en gerechtigheid, uiteraard. Enrico’s vader werd van de troon gestoten door zijn broer Ulrico wiens zoon Guido nu niet alleen de troon maar ook Elisa, de geliefde van Enrico voor zich wil houden. Bent u er nog? Mooi, want wees gerust: het komt allemaal goed.

Maar het is niet alleen de enscenering die de opname zo ontzettend de moeite waard maakt, ook de zangers zijn zonder meer goed. Anna Bonitatibus zingt een voortreffelijke Enrico en zijn tegenstander Guido wordt uitstekend vertolkt door Levy Sekgapane. Sonia Ganassi zingt een zeer virtuoze Elisa.

Alessandro de Marchi laat de Academia Montis Regalis spetteren. (Dynamic 37833)



Valentina Levko: Star of the Bolshoi

levko

How is it possible that I have never heard of Valentina Levko before? How could a singer of her calibre remain so unknown? Now that I have listened to the CD box set of her recordings, released by Brilliant Classics, I can only shake my head. Such beauty!

No matter who I asked, nobody had ever heard of Valentina Levko (1926). If it weren’t for the recordings, YouTube videos and reviews, you would almost doubt whether she even existed at all. Fortunately, there is now a CD box; 11 CDs packed into one simple box.

As a Russian, Levko was mainly cast in the Russian standard repertoire at the Bolshoi Theatre. But she had so much more to offer! At her ‘own’ concerts, she sang the entire ‘world literature’ of music: operas, but also songs, old music, folk music and popular songs. And all that usually in the original language.

“I prefer to sing Bach”, she is reported to have said. And Bach is certainly not lacking here: her “Erbarme dich” is accompanied by Mark Lubotsky on the violin in an unprecedented way. Old-fashioned? Yes, it is. So what?



She was an opera singer and that can really be heard, especially in a very heavy Schubert. But it has its merits, because even nostalgia is not what it used to be.

She is at her best as Dalila and Carmen, but the Spanish songs also suit her well. However, what struck me most was “O Mensch, gib acht”, from Mahler’s third symphony, in Russian. It was recorded in 1961, conducted by Kirill Kondrashin.

Levko as Dalila:


But that this mezzo was and is a Russian, is beyond dispute. Seven of the eleven CDs therefore contain the Russian repertoire: Russian opera arias, songs by Tchaikowski and twentieth-century Russian songs. You should not take the latter too literally; because, except for Prokofiev, the songs almost all sound like ordinary Russian songs. Very melodious, with a (for those who understand the lyrics) high “Soviet content”. I myself have nothing against it, I just like them.

Her way of singing is very subdued and she lacks the ugly breast tones that mar many a Slavic mezzo. Her interpretations are subdued, graceful and very moving. At times, she even reminds me of Fiorenza Cossotto.

As Mistress Quickly:


She is also irresistible in Russian folk songs. It is amazing how she  shakes off her classical training here and in all simplicity manages to move us. She sings the old romance “The Old Lemon Tree”, as the Russians say, “dusjostjipatjelno”, soul-searching – it will bring tears to your eyes.


In addition to studio recordings, there are also live recordings, e.g. from DRA (Deutsches Rundfunkarchiv). Among them is a cycle by Sviridov that I do not know, to the texts of Avetik Isaakyan, it is fascinating.


Valentina Levko sings Lyubasha’s aria from act II of “Tsar’s Bride” by Nicolai Rimsky-Korsakov

I also find the way she performs Marfa’s aria from Khovavnshchina by Mussorgsky incredibly beautiful. Very visionary and the threat is palpable. The sound is a little dull and poor, but you will soon forget that, thanks to the phenominally playing Radio-Sinfonie-Orchester Berlin, conducted by Kurt Masur. Marfa’s Prophecy’ was recorded in 1976, together with Ratmir’s aria from Ruslan and Ludmilla (Glinka).

Marfa: studio recording from 1974:



I am going to cherish this box as a great treasure.

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. In the memory of Marcello Giordani

THE CITY


https://www.sicilie.nl/wp-content/uploads/2017/03/Palermo.jpg


“And you, Palermo, oh wounded beauty,
You, still lovely as ever to my enraptured eyes!”

(from Giuseppe Verdi’s ‘Sicilian Vespers’)



Strange city, Palermo. Thanks to its long and complicated history of wars with, and conquests and influences by, different nations and religions, the city has developed into what it is right now: a unique fusion of diverse cultures. The numerous cathedrals, churches, buildings and squares bear vivid witness to this. And the language and names also show remnants of Arab, Moorish, Greek and Norman civilisations (not necessarily in that order). Beautiful city too.

Palermo is opera, or at least, theatre, all over. Everything is theatrical here – the traffic (or should one say “total chaos”, because nobody sticks to the rules here?), the honking of haphazardly and triple-parked cars and scooters manoeuvring in between all of it.

Palermo market
© Market Italy magazine


Very theatrical too are the fresh markets, also open on Sundays, which remind you of Arab souks and look nothing like the Amsterdam Albert Cuyp. Illuminated with a bare light bulb, even during the day, they create an atmosphere that seems to come straight from one of the Italian operas or films. The narrow alleyway between the stalls is no more than a metre wide, but even there the scooters squeeze themselves in between the crowds.

https://www.anni60news.com/wp-content/uploads/2018/01/nino-u-ballerino-01_1.jpg



Very theatrical is ‘Nino u’ ballerino’, the manager of Gastronomia, panineria, focacceria, where he spins, packs and sells spleen sandwiches from noon (the trattoria itself opens at six in the morning) until late at night, dancing to the very loud sounds of the TV set outside. If that is not opera!?



Palermo is a paradise for a sweet tooth! You can have your breakfast with a cinnamon roll and ice cream (brioche con gelato) and the baked goods, cakes, tarts and also the marzipan disguised as fruit (paste reale) all make your mouth water, even if, like me, you don’t even like sweet foods. No painting can beat that

Massimo ijs
https://i.etsystatic.com/17699499/r/il/837d28/1550973205/il_794xN.1550973205_5g7g.jpg




TEATRO MASSIMO

Massimo-Franco-Lannino-1



The Teatro Massimo first opened its doors in 1897 with Verdi’s Falstaff. It is said that Giovanni Battista Basite, the designer of this truly stunning opera house, was influenced by Garnier’s plans for the Paris Opera. That is quite possible, since both houses dó resemble each other, but Massimo, with its six floors of gold-coloured boxes and breathtaking ceiling paintings, surpasses everything I have seen so far.


It was ‘temporarily’ closed for renovations in 1974 and it took 23 years (Mafia!?) to reopen. This happened in 1997 with Verdi’s Nabucco, just in time to celebrate the centenary of the opera house. Nowadays, Massimo has 1250 seats and is one of the largest opera houses in Europe.

https://gdsit.cdn-immedia.net/2016/10/teatro-massimo-esterno.jpg
© Il Giornale di Sicilia



Of course, everyone wants to be photographed on the famous staircase (I assume you have seen Godfather 3, with all those Mafiosi shooting each other during the performance of Cavalleria Rusticana), which makes it extremely crowded and difficult to walk up (let alone down!).



LA SCHUOLA VA AL MASSIMO

Massimo-Franco-Lannino-2
© Franco Lannino



But what distinguishes Massimo most from all its fellow opera houses is its school project, La Schuola va al Massimo. I could be mistaken of course, but the Sicilian project to introduce children to the opera seems to me unique in the world.

The project started in 2005 and is given shape in various ways. Existing operas (Carmen, La Cenerentola) are adapted especially for children, composers are commissioned to compose an opera for the target group, children’s operas (Menotti’s Globolinks) are put on stage or performances are created around a specific idea. Fifty performances are given per year, reaching between 50 and 60 THOUSAND children!

The children are between the ages of six and sixteen, but the older ones usually take such a liking to opera that they automatically also go to the already established performances. Like Idols, as it were.  Nowadays, operas are also shown in the early afternoon, especially for them.
The latest project, for which Massimo received the prestigious award from The Italian National Association of Music Critics, is called Bianco Rosso e Verdi. It is a ‘monumento per Giuseppe Verdi, padre de la Patria’, which, in view of the Verdi Year and the 150th anniversary of Italy’s unification, is only logical. You know that the Italians consider Verdi, together with Garibaldi and Vittorio Emmanuele, to be the symbol of Unity

Massimo-Franco-Lannino-5
© Franco Lannino



Bianco Rosso e Verdi is a potpourri of excerpts from various operas by Verdi, narrated with a great deal of humour by three actors and sung excellently by five young singers, assisted by the choir and the ballet of the house.
The children listen attentively, react alertly and, where possible, sing along. Only when a fragment from Otello is a little too long, in my opinion, does their attention wane and they shift uncomfortably on their chairs. But apart from that, they are having great fun. Congratulations!


Below is a small fragment showing the enthusiasm (and active involvement!) of the children:




PALERMO – IL TROVATORE Manrico out of thousands

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-4
Amarilli Nizza (Leonora) en Marcello Giordani (Manrico) © Franco Lannino



The production that the Teatro Massimo staged in October 2011 was originally from Bologna. And to get straight to the point: the production was no good at all! The sets were not quite made of cardboard and the direction (let alone the direction of the characters!) was non-existent.

One came from the left, one came from the right, one descended the stairs, one climbed the stairs (nice for the ladies in their long, heavy dresses!), one knelt, raised one’s hands to heaven… There was no more movement unless it came from the ballet dancers who enacted the scenes for us.

The director (the Scottish Paul Curran) did not even bother to come to Palermo and left things to his assistant (?) Oscar Cecchi. Rarely do you see the singers left to their own devices, which is mainly to the detriment of the second cast (they worked with a double cast).

The conductor did not really help them, either. Renato Palumbo, quite a name in the field of opera, did not know exactly which tempi to take. Sometimes it was too fast, sometimes agonisingly slow, in a word: unbalanced.

Gustavo Porta (cast B) was a fine Manrico with a nice old-fashioned sound, but after the interval he clearly became tired and started to push. No, then Marcello Giordani is the better choice! What a sound! A Manrico out of thousands complete with all the trimmings. His beautiful high C in ‘Di quella pira’ was completely al punto and squilante, that makes one very happy.



The Uruguayan María José Siri (a protégé of Ileana Cotrubas) was a nice Leonora, but I found her height rather shrill. Amarilli Nizza did it a thousand times better. Her voice has become of almost veristic dimensions, but she knew – recovering from a severe illness that lasted for months – to let her height blossom beautifully and smoothly and then to let it pass into the most beautiful pianissimi.

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-6
© Franco Lannino


Juan Jesús Rodriguez (Luna) was no match for Roberto Frontali. What the latter demonstrated was the art of true Verdian singing, which is rarely heard nowadays.
Mariana Pentcheva (cast A) sang Azucena with an enormous tremolo and ‘wide vibrato’. The voice in itself was certainly impressive, warm, deep and low, but I could not really like what she did with it.

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-1
© Franco Lannino



Anna Malavasi sounded fresher. She had a good height and depth, although not as deep as her Bulgarian colleague. Worse, however, was that it seemed as though she were singing with two voices at the same time. Two voices that, unfortunately, never met anywhere – somewhere between the low and high there was a huge ravine. It may also be due to her young age, but something tells me that she’d better concentrate on the higher mezzo roles and leave Azucena alone.

Giovanni Battista Parodi and Francesco Palmieri (Ferrando) were a match for each other, although Parodi had more stage presence.
Below is the official trailer of the production


Trivia:

The audience always dresses up. Beautiful gowns, high heels, and even furs are taken out of the closet, despite it being 22 degrees outside. Then during the break they all run outside! Because they have to smoke. Nowhere in the world is there so much smoke in the air as in Palermo!

On the way to the lower foyer, it smells like a lot of dishwashing is being done, but the foyer itself is beautiful, spacious and well stocked with everything that can make a hungry and thirsty person happy.
A glass of excellent white wine costs 5 euros (you can take it out into the garden to enjoy the last rays of sunshine) and the delicious sandwiches are just over 2 euros.

In the foyer there are many old posters hanging on the walls. To my extreme amusement, I read on the one for La Gioconda with Leyla Gencer from 1969/70, that Alvise was sung by Anna di Stasio and La Cieca by Piero Cappuccilli. Well ….. La vita è bella!


Visited on 22 and 23 October 2011








Generazione dell’80: Riccardo Zandonai, Ildebrando Pizzetti and Arrigo Boito in a couple of live recordings

francesca-zandonai
Riccardo Zandonai


Riccardo Zandonai was once considered Puccini’s successor. He was a pupil of Mascagni and he is perhaps the last of the verists. He wrote about thirteen operas, of which actually only Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) and Giulietta e Romeo (1921) were ever really successful. Nowadays, they are seldom performed and the average opera lover gets no further than Francesca da Rimini. A pity, because his operas are a pure pleasure to listen to.

Romeo Zandonai



Giulietta e Romeo
(GOP 66352) was recorded in Milan in 1955. The main roles are sung by Annamaria Rovere, a fine soprano with a voice typical for the time, and Angelo Lo Forese, who irritates me slightly. Fantastic, however, is Renato Capecchi as Tebaldo.

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/81KTzkL3PhL._SL1000_.jpg

Il Bacio (GOP 66351) had its very first performance in 1954 in Milan (Zandonai had died in 1944, leaving the opera unfinished). Fortunately for us, the performance was recorded by RAI and put on CD. The publisher apologises for the absence of the libretto, but there is no synopsis either, so one can only guess at the opera’s content. No problem, the music is captivating enough, and it is beautifully sung by, among others, Lina Pagliughi in the role of Mirta.


https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/3/37/Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg/640px-Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg
Ildebrando Pizzetti


Ildebrando Pizzetti belonged – along with, among others, Respighi, Zandonai, Alfano and Malipiero – to the so-called ‘Generazione dell’80’, a group of Italian composers born around 1880. Once a pupil of Puccini, he turned against his teacher at the age of 30 and developed a ‘neo-classical’ style of composition. His main sources of inspiration were Gregorian chant and Italian Renaissance polyphony.

pizzetti-debora



Debora e Jaele (a.o. GOP 66354), composed in 1921, is loosely based on the biblical story about the prophetess Debora and the struggle of the Israelites against the Canaanites and their army commander, Sisera. Unlike in the Bible, Jaele falls in love with her enemy and kills him to save him from being lynched by the angry mob. Under the direction of Gianandrea Gavazzeni, a splendid performance of this special work was given in Milan in 1952, with Clara Petrella as Jaele, Gino Penno as Sisera and Cloe Elmo as Debora.

https://lastfm.freetls.fastly.net/i/u/770x0/38466e9191554eb1aeacf53d49345c21.jpg
Arrigo Boito


Arrigo Boito worked on Nerone for almost 60 years, but when he died in 1918, the opera was still unfinished. After the composer’s death, the manuscript was found by Toscanini, who completed the score and conducted a successful premiere of the opera in 1924.

https://d1iiivw74516uk.cloudfront.net/eyJidWNrZXQiOiJwcmVzdG8tY292ZXItaW1hZ2VzIiwia2V5IjoiNzk4OTUxMC4xLmpwZyIsImVkaXRzIjp7InJlc2l6ZSI6eyJ3aWR0aCI6OTAwfSwianBlZyI6eyJxdWFsaXR5Ijo2NX0sInRvRm9ybWF0IjoianBlZyJ9LCJ0aW1lc3RhbXAiOjE0OTM2NTYwMzR9



Nerone is still rarely performed and there are very few recordings. Until recently I knew of only one, on Hungaroton, but that was, despite two good female roles (Ilona Tokody and Klára Tákacs) only mediocre, so the release by Bongiovanni (GB 2388/89-2) is more than welcome. It is a live recording from Turin 1975, and I am very enthusiastic about the performance.

Gianandrea Gavazzeni conducts a truly phenomenal cast including Bruno Prevedi (where can we find more tenors like him?) as Nerone and Ilva Ligabue as Asteria. The intense contribution of the latter alone makes it an absolute must for opera lovers.

Gruberova schitterde in Roberto Devereux

Tekst: Peter Franken

Op 18 oktober kwam plotseling het bericht dat Edita Gruberova was overleden. De meeste operaliefhebbers zullen wel een bepaalde herinnering hebben aan deze fantastische belcanto sopraan en ik vorm daarop geen uitzondering.

Tegen het einde van de vorige eeuw voegde Gruberova de rol van Elisabeth I toe aan haar repertoire, aanvankelijk in concertante uitvoeringen maar in december 2000 vond in Staatsoper Wien de première plaats van een nieuwe productie van Roberto Devereux in de regie van Silviu Purcarete met de stersopraan als Elisabetta. Ik had een kaartje voor een voorstelling in de eerste week van 2001 maar moest de reis annuleren wegens ziekte. Zodoende duurde het tot najaar 2006 voor ik Gruberova alsnog in Wenen kon meemaken, de enige keer dat mij dat vergund is gebleven. Het was een gedenkwaardige avond, mede door mooi weerwerk van Joseph Calleja in de titelrol.

Inmiddels had ook München dit werk geprogrammeerd, een productie van Christof Loy en ook daar was Gruberova natuurlijk van de partij. Van een voorstelling in 2005 is een opname gemaakt die door DG is uitgebracht op dvd zodat deze glansrol uit het latere gedeelte van de carrière van de belcantoster voor het nageslacht bewaard is gebleven.

Gruberova liep toen al tegen de zestig wat haar als vanzelf een mooie typecast maakte voor de Engelse vorstin op leeftijd die in Roberto Devereux centraal staat. Het libretto maakt losjes gebruik van de historische gebeurtenissen rond het einde van de zestiende eeuw, toen Devereux, Earl of Essex, een staatsgreep ondernam nadat hij bij Elisabeth in ongenade was gevallen. Aangezien Essex een van haar jonge favorieten was geweest, ontstond ruimte voor een liefdesgeschiedenis.

De inmiddels al bijna zeventig jaar oude Elisabeth wordt in de opera neergezet als een jaloerse verliefde vrouw die onbeantwoorde liefde verwart met landverraad. Doordat Roberto niet zwicht voor haar emotionele chantage tekent hij zijn eigen doodvonnis.

De historische Elisabeth was naar verluidt een wispelturige vrouw die permanent jongleerde met de mannen om haar heen om zodoende de touwtjes in handen te houden. Ook stond ze bekend om een bijna pathologische jaloezie jegens iedereen die ze als rivale beschouwde. Met die gedachte in het achterhoofd is het gedrag van de vorstin in deze opera beter te duiden.

Loy brengt het werk als kameropera in een moderne setting. Vrouwen in mantelpak, mannen in office suits, exemplaren van tabloid The Sun met paginagroot ‘The seducer returns’. Alleen in de laatste scène verschijnt Elisabeth in een lange zwarte jurk, alsof ze al in rouw is. Hoewel Roberto zeer veel jonger is dan zijzelf, in werkelijkheid scheelden die twee meer dan 30 jaar, gedraagt Elisabeth zich als een vrouw die na jaren haar minnaar weer terug ziet.

Het komt wat ongeloofwaardig over maar wellicht had de Earl of Essex haar ook wel een beetje in de waan gelaten dat de liefde wederzijds was om zodoende in de gunst te blijven. Inmiddels is deze jongeman ziek van het feit dat zijn geliefde Sara in zijn afwezigheid is uitgehuwelijkt aan de hertog van Nottingham, nota bene zijn vriend, maar onwetend van de reeds bestaande liefde tussen Roberto en Sara die in alles de tegenpool van Elisabeth is, een jonge vrouw in de kracht van haar leven.

Gruberova maakt er een adembenemend optreden van waarbij ook de uitstapjes naar de vocale stratosfeer met volledige beheersing worden volbracht. Naar verluidt was dit in die jaren haar lievelingsrol en ze legt er heel haar ziel en zaligheid in.

Wat meewerkt is het realistische karakter van het verhaal, geen waanzinscène, tijdelijk geheugenverlies, spoken en geesten maar gewoon een eenzame verliefde vrouw die in haar leven nooit een gelijkwaardige liefdesrelatie heeft gekend. Tot op het laatst leef je met haar mee, met name in de derde akte als ze haar koninklijke waardigheid heeft afgelegd en zich realiseert dat ze haar geliefde daadwerkelijk de dood in heeft gejaagd.

Roberto Aronica overtuigt als de eigenzinnige Essex die erop rekent dat Elisabetta hem ook deze keer wel in bescherming zal nemen tegenover het parlement. Dat zijn vroegere geliefde Sara zo onhandig is hem een shawl te geven die door haar echtgenoot kan worden herkend moeten we haar maar niet aanrekenen. Dat hijzelf zo kortzichtig is om haar die levensreddende ring te geven getuigt van weinig inzicht in zijn wankele positie. Als hij beseft dat zijn poging alsnog gratie te krijgen is mislukt gaat hij op meeslepende wijze van hoop over in berusting en trekt daarbij alle registers open. Heel romantisch wordt benadrukt dat hij niet zozeer de dood vreest – die heeft hij al zo vaak in de ogen gezien – maar dat de mogelijkheid om Sara’s reputatie te redden hem ontnomen wordt.

Het tweede koppel komt voor rekening van Jeanne Piland als Sara en Albert Schagidulin als haar echtgenoot de Duke of Nottingham. Elisabetta heeft Sara tegen haar zin aan hem uitgehuwelijkt en ze heeft zich in haar lot geschikt. Maar Roberto’s terugkeer aan het hof haalt alles overhoop met alle gevolgen van dien. Hun enorme ruzie in de derde akte geeft hen de gelegenheid tijdelijk alle aandacht op zich te vestigen. Beiden halen royaal het niveau van de twee hoofdrolspelers, mooi gecast.

Behalve deze paraderol wil ik als Strauss liefhebber natuurlijk Gruberova’s Zerbinetta niet ongenoemd laten. Ik koester de opname uit 1988 van Ariadne auf Naxos  onder Kurt Masur al meer dan 30 jaar, natuurlijk ook vanwege Jessye Norman als Ariadne.  Het is een vertolking van dit vaudeville type waar ik niet snel op uitgeluisterd raak.

RIP Edita.

Bernstein’s Mass:Theatre piece for singers, players and dancers

Bernstein Mass

Did you know that the FBI shadowed Leonard Bernstein for decades? He was suspected of having communist sympathies. One of the reasons was – at least according to The New Yorker – the planned premiere in 1971 of his Mass, an eleven-part ‘Theatre piece for singers, actors and dancers’, based on the Latin mass, with English texts by Stephen Schwartz (and Bernstein himself) and dedicated to the assassinated President J.F. Kennedy.

According to the FBI, Bernstein “concocted a left-wing plot to embarrass the, then-President, Nixon, with an ‘anti-war’ composition.”

Berstein Schwartz
L) L-R Gordon Davidson, Leonard Bernstein, Stephen Schwartz (R) Leonard Bernstein, Stephen Schwartz; Opening Night; Kennedy Center for the Performing Arts – 1971
©2018 Stephen Schwartz.

It is a story – briefly put – about a boy who is forced by his friends to become a priest while he prefers to honour God with his guitar and his songs: ‘Sing God a simple song…. for God is the simplest of all’. At the end, he desecrates the altar and regains his trust in God.


To me, the work with its strong reminiscences of ‘Hair’ and ‘The Age of Aquarius’ feels quite dated, and the rock-solid performance under Yannick Nézet-Séguin can’t do anything to change that.



Yannick Nézet-Séguin on Bernstein and his Mass:


I am very surprised that the Mass has not been released on DVD. For although the composition is really strong and the purely vocal/instrumental part may be called grandiose: the whole still lacks an essential part of what Bernstein had in mind.



LEONARD BERNSTEIN
Mass
A Theatre piece for singers, players and dancers
Diverse solisten en koren
The Philadelphia Orchestra olv Yannick Nézet-Séguin
DG 4835009 (2cd’s)

Le Nozze di Figaro from Hamburg: Arlene Saunders in memoriam

Arlene Saunders, Soprano With a Dramatic Flair, Dies at 89 - The New York  Times

In 1967 Liebermann was still in charge of the Hamburg opera house. He made sure they offered a good, solid and varied repertoire with special attention to the contemporary repertoire.He built a fantastic ensemble of singers and attracted foreign stars and would-be stars ( the world career of Plácido Domingo took off in Hamburg).

Liebermann is now regarded as the founding father of Regietheater, (German for director’s theater), although his ideas were very different from today’s conceptualism, in which the boundary between the permissible and the ridiculous is sought and often crossed

Nozze Hamburg

The reconstructed production of Die Hochzeit des Figaro (yes, it is sung in German) is of great historical value. But it has more to offer; the production is magnificent, the orchestra of the Hamburg Opera under conductor Hans Schmidt-Isserstedt is excellent and the singers are all idiomatic.

The American baritone Heinz Blankeburg is a droll Figaro and as Susanna, Edith Mathis is simply wonderful. I would actually like to shout it from the rooftops: this is how Susanna is meant to be! The young Tom Krause is a more than delightful Count and Arlene Saunders as the Countess, is a real match for him (and his timbre).


We even get a bit of historical ‘maestro to the pit’ as part of the recording. Atmittedly, the tape is not completely reconstructed, there are gaps and the colours are very much “the sixties”. It doesn’t matter, I’m very happy to enjoy it al (Arthaus Musik 101263)


De hele opera:

Schikaneder, Mozart en von Winter: Die Zauberflöte

Tekst Peter Franken

Zeker zo populair als Don Giovanni is Mozarts (voor)laatste opera, het Singspiel Die Zauberflöte uit 1791. Of is het vooral een opera van Emanuel Schikaneder? Ter vergelijking The Mikado en The pirates of Penzance: wie is hier de componist en wie schreef de tekst? Gilbert and Sullivan is hèt voorbeeld van een team waarin nu eens niet de componist als eerste wordt genoemd, maar de librettist.

Als we ons een beetje verdiepen in de carrière van Emanuel Schikaneder, schrijver, zanger en theatermaker, dan wordt duidelijk dat we hier niet van doen hebben met iemand die snel bereid was de tweede viool te spelen. In het project Die Zauberflöte zal hij zichzelf, als door de wol geverfde professional, zeker de eerste plek op het affiche hebben toegedacht: Schikaneder en Mozart. Maar ja, Mozarts muziek bleek tijdloos en Schikaneders wijze van theater maken was volledig verankerd in zijn eigen tijd en daardoor tijdgebonden.

In mijn beleving zou Mozart echter niet een blijvende reputatie als groot operacomponist hebben kunnen genieten als latere generaties zich zouden hebben gebaseerd op uitsluitend de muziek voor Die Zauberflöte. Het zwaartepunt in zijn oeuvre ligt duidelijk bij de Da Ponte cyclus, overigens ook een serie met een gedeeld credit!

Vrijwel elke muziekliefhebber heeft ooit Amadeus gezien. Een briljant toneelstuk van Peter Shaffer uit 1979, later met groot succes verfilmd. Uiteraard is het verhaal dat hierin wordt verteld op tal van punten historisch onjuist maar er is een bepaalde scène die bij mij is blijven hangen. Het is het moment waarop Mozart zijn nieuwste stuk Die Zauberflöte omschrijft als Vaudeville. Het gaat hier niet om een serieuze opera maar om een theaterstuk ‘voor het volk’ met als voornaamste oogmerk het verdienen van zoveel mogelijk geld.

Vaudeville is een vergeten genre dat op een onverwachte wijze een zekere comeback vierde in de jaren 1970-80: De Muppetshow. Voorop staat het iedere keer weer samenstellen van een gevarieerd programma van zang, dans, komische sketches, magie etc. Twee oude heren, Statler en Waldorf, geven commentaar op het gebodene vanuit hun loge en nemen daarbij geen blad voor de mond.

Bij het zien van Simon McBurney’s versie van Die Zauberflöte bij DNO, dacht ik bij mijzelf: ‘Dit is iets dat Schikaneder zeker goed zou zijn bevallen’. En vervolgens: ‘Wat zouden Statler en Waldorf bij bepaalde scènes voor commentaar hebben geleverd?

Trailer uit Amsterdam:

Het verhaal is een pastiche van voor het publiek in 1791 herkenbare personen, beelden en situaties. Zo verwijst de figuur van Monostatos naar Angelo Soliman, een voormalige negerslaaf die zich had opgewerkt tot lid van de keizerlijke entourage. De verwijzingen naar de vrijmetselarij passen in het tijdsbeeld waarin een zekere hang naar ‘het wonderbaarlijke’ in de mode was gekomen, mede als reactie op de Verlichting en daaruit voortvloeiende secularisering. Schikaneder en Mozart behoorden beiden tot deze ‘beweging’ zodat het voor de hand lag om daaruit te putten bij het optuigen van hun verhaal.

Waar graag naar wordt verwezen in dit verband is de rol van de vrijmetselarij als voorhoede in het streven naar andere regeringsvormen, waarin niet de absolute macht van een vorst maar het belang van het volk centraal staat. In die zin wordt dan de tegenstelling geduid tussen de Koningin van de Nacht, die staat voor de tot nu toe heersende duisternis, en Sarastro die de weg wijst naar een nieuwe lichtende toekomst: ‘Die Strahlen der Sonne vertreiben die Nacht’.  

Dat moge zo zijn maar waarom wordt diezelfde Sarastro dan opgevoerd als iemand die zich gedraagt als een fascistoïde etterbuil. Zo’n Sarastro als nieuwe leidsman leidt ons van de regen in de drup. Partij kiezen is bij Die Zauberflöte overigens net zo lastig als bij een bevriend echtpaar dat in scheiding ligt. Voor de pauze sta je helemaal aan de kant van de Koningin van de Nacht die haar dochter uit de klauwen van Sarastro probeert te reden. Na de pauze draaien de rollen om en is de moeder de echte booswicht.

Eigenlijk is het verhaal gewoon een fantasy, om in hedendaagse termen te spreken, waarin een komisch duo op zoek gaat naar iets of iemand. De zoektocht betreft hier een gegijzelde prinses, de opdrachtgever is een enge dame die angstaanjagend zingt. Het wat vulgaire aspect van de verwerkte humor vinden we in het gebruik van de ‘wapens’ die het duo in staat moeten stellen hun queeste tot een goed einde te brengen: een toverfluit plus een klokkenspel. Toen was het een succes om twee redenen, het verhaal en de muziek. De muziek spreekt grotendeels nog steeds aan, dankzij de stukken waarvan je de tekst gemakkelijk kunt negeren. De tekst is echter behoorlijk achterhaald en het stilzetten van de handeling door eindeloze monologen en dialogen is dodelijk voor de vlotte voortgang. De humor is niet op het niveau van onze tijd en mist elke vaart. Statler en Waldorf zouden daar niet bij gezwegen hebben. Maar kijken we terug naar de oorsprong, dan moet gezegd dat Schikaneder meer credit verdient dan hem nu wordt gegund. Schikaneder en Mozart, de voorlopers van Gilbert en Sullivan een eeuw later.

\Na Mozarts dood heeft Schikaneder getracht het succes van Die Zauberflöte te rekken door er in 1798 een vervolg aan te geven, getiteld Das Labyrinth oder Der Kampf mit den Elementen. Het verhaal begint kort na het einde van Die Zauberflöte en schildert de weer oplaaiende strijd tussen Sarastro en de Koningin van de Nacht.

Verder worden Tamino en Pamina aan nieuwe beproevingen onderworpen. Vuur en Water hadden ze doorstaan, nu zijn Aarde en Lucht aan de beurt. Als klap op de vuurpijl wordt Pamina op haar huwelijksdag door haar moeder ontvoerd en als bruid aan Tipheus, de koning van Paphos, geschonken.

Ook Papageno en Papageno krijgen het zwaar te verduren. Ze worden door Monostatos gescheiden waarbij deze Papageno aan een Moorse vrouw probeert te koppelen om zodoende Papagena voor zichzelf te winnen. Uiteraard loopt alles uiteindelijk ‘goed’ af. De beide liefdesparen worden herenigd en de Koningin van de Nacht wordt met haar gevolg aan een rots geketend.

De muziek voor deze sequel werd voor Schikaneder geschreven door zijn vriend Peter von Winter, een inmiddels vergeten componist die naar verluidt zo’n veertig opera’s op zijn naam heeft staan. Het succes van Das Labyrinth bleef echter ver achter bij dat van Die Zauberflöte en het werk raakte volledig in de vergetelheid. Voor de Salzburger Festspiele van 2012 werd het ‘opgegraven’ en door Alexandra Liedtke geënsceneerd. Er is een opname van verschenen op Arthaus.

Straat-acrobatiek choreograaf Marco Gerris en mime-regisseur Jakop Ahlbom sloegen de handen, voeten en hoofden ineen.

Tekst: Neil van der Linden

Twee jaar geleden ging ik voor Basia con Fuoco naar het prachtige Elements of Freestyle, een volmaakte etalage van ISH’ handelsmerken: halsbrekende en ademstokkende breakdance, in-line-skating (acrobatisch rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen) BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’, maar dan wel vijf keer zo hoog en over gebouwen heen, trapleuningen op en balkons af), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Dat wil zeggen: eigenlijk is het handelsmerk van ISH en choreograaf Marco Gerris het telkens maar vinden van mensen die dat kunnen en met die mensen elke keer weer een samenhangende voorstelling maken.

Marco Gerris is zelf begonnen als theater-rollerskater en is in die hoedanigheid bijvoorbeeld ooit opgepikt door choreografe Krisztina de Châtel, ook al zo iemand die zonder haar basis uit het oog te verliezen van alles artistieks bij elkaar brengt/bracht. Daarna zijn Marco Gerris en zijn organisatie ISH samenwerkingen aangegaan met het Nationale Ballet en was er MonteverdISH, een majestueuze bewerking van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Nu is er Knock-out, een samenwerking met de Jakop Ahlbom Company, van de Zweeds-Nederlandse mime-regisseur Jakop Ahlbom, die absurdistisch ‘googel’-theater maakt, virtuoze verdwijntrucs en dergelijke, in scenario’s die intussen over de tragikomische kanten van het leven gaan, zoals in internationale successen als Horror en Lebensraum. Bij elkaar kon dat misschien nauwelijks in iets anders resulteren dan een parodie op film noir in combinatie met de esthetiek van de knokfilm.

In Knock-out zien we hoe de gokverslaafde Larry en zijn ontevreden vrouw Buffy worden gekidnapt. Larry’s steenrijke vader moet het losgeld brengen, maar onderweg naar de gijzelaars verschijnen er allerlei ongenode gasten. Er barst een spectaculair gevecht los waarin alle fysieke grenzen worden opgerekt: mensen hangen in de lucht, worden tegen muren geplet, uit elkaar getrokken en vechten daarna in volle vaart weer door.

En dan is er ook nog een geheimzinnige cowboy met een gitaar die alles aan elkaar zingt. Of eigenlijk niet aan elkaar zingt, want in de goede traditie van veel Country- and Western en Folk-singers tot en met de vroege Dylan kun je zijn zang een groot deel van de tijd nauwelijks verstaan en als je die wel verstaat lijkt er, in de traditie van Dylan, een groot deel van de tijd geen touw aan vast te knopen. En dat is natuurlijk bewust zo gedaan.

Intussen is deze Lonesome Cowboy een parodie op de archetypische permanente vreemdeling, de indringer tegen wil en dank, indringer uit de meest existentialistische film noir en Western-plots  – alleen is het in deze voorstelling natuurlijk een sul, die patience speelt terwijl om hem heen de goegemeente bezig is achter elkaar aan te rennen of over elkaar heen te rollen, en hoogstens de andere personages af en toe drank in schenkt, om dan weer onverstoorbaar een lied aan te heffen. Een prachtige rol van Leonard Lucieer, die gewoon ook mooi zingt en gitaar speelt.

Eerst lijkt het alsof het alleen maar slapstick wordt, maar juist als de trucs uit uit de disciplines van beide regisseurs op stoom komen ga je ook meevoelen met de personages, hoe (opzettelijk) karikaturaal ze ook zijn: de zielige echtgenoot die wordt bedrogen, de echtgenote die intussen echt weet wat ze wil, en die haar geheime minnaar op zijn nummer zet als zijn minder fraaie kanten naar boven komen.

Behalve de onverstaanbare cowboy-liedjes zijn er alleen losse flarden tekst te horen uit de geparodieerde film noir, Westerns en Amerikaanse en Aziatische knokfilms. Talloos zijn ook de verwijzingen naar het oeuvre van de regisseur die al die genres ook zo fraai parodieerde, Quentin Tarantino. Het koffertje waarin het losgeld zit en waaruit licht komt zit ook in Tarantino’s Pulp Fiction en komt oorspronkelijk uit Robert Aldrich’ Kiss Me Deadly en in vechtscènes doet de vrouw des huizes (Lisa Groothof) doet niet onder voor Umma Thurman in Tarantino’s Kill Bill.

Ook de moderne tijd is de voorstelling binnengedrongen, letterlijk, in de vorm van een pakketbezorger, die vervolgens (letterlijk) niet weg te slaan is, en als een golliwog-pop een grimas blijft opzetten, een briljante rol van Tyrone Menig, die daarmee intussen een prachtige satire op karikaturale zwarte rollen in cartoonfilms speelt. Ook blijkt Tyrone Menig een virtuoze vechtsporter blijkt te zijn, die intussen met behulp van breakdance.  freerunning en een knap staaltje zwaardvechten iedereen die hem het huis uit wil hebben van zich af weet te slaan. Als hij dan tenslotte het veld lijkt te hebben geruimd, belt hij even later aan als pizzabezorger en begint het spel overnieuw.

Er wordt vaak aangebeld in deze voorstelling. En hoewel de personages van alles te verbergen hebben doen ze elke keer keurig de deur open. Dit staat misschien voor de korte aandachtspanne van de moderne tijd, zoals we inderdaad te geneigd zijn op elke prikkel uit de buitenwereld (in de tegenwoordige tijd de aandacht opeisende sociale media) ingaan in plaats van ons te blijven concentreren op onze eigenlijke prioriteiten. Ook als die prioriteiten zoals in deze voorstelling zijn: echtgenoot of echtgenote bedriegen, geld afpersen en rivalen en concurrenten uit de weg ruimen.

Spectaculair zijn ook het decor en de techniek. Hoe groot de chaos schijnbaar ook wordt, alles is tot de in de puntjes uitgedacht. Zou trouwens niet anders kunnen, alles moet tot op de millimeter kloppen, anders gebeuren er ongelukken.

YouTube trailer:
https://www.youtube.com/watch?v=oBz

Knock-out, Jakop Ahlbom Company en ISH Dance Collective, gezien 15 september, DeLaMar theater Amsterdam.

Regie: Jakop Ahlbom
Choreografie: Marco Gerris
Fotograaf: Bart Grietens
Spel: Lisa Groothof, Patrick Karijowidjojo, Leonard Lucieer, Tyrone Menig, Freek Nieuwdorp, Arnold Put, Bodine Sutorius
Muziek live: Leonard Lucieer

Fotografie: Bart Grietens scènefotos, Leon Hendrickx publiciteitsfoto’s.

Knock-out, nog t/m 26 september in theater DeLaMar.