Das_Labyrinth

Schikaneder, Mozart en von Winter: Die Zauberflöte

Tekst Peter Franken

Zeker zo populair als Don Giovanni is Mozarts (voor)laatste opera, het Singspiel Die Zauberflöte uit 1791. Of is het vooral een opera van Emanuel Schikaneder? Ter vergelijking The Mikado en The pirates of Penzance: wie is hier de componist en wie schreef de tekst? Gilbert and Sullivan is hèt voorbeeld van een team waarin nu eens niet de componist als eerste wordt genoemd, maar de librettist.

Als we ons een beetje verdiepen in de carrière van Emanuel Schikaneder, schrijver, zanger en theatermaker, dan wordt duidelijk dat we hier niet van doen hebben met iemand die snel bereid was de tweede viool te spelen. In het project Die Zauberflöte zal hij zichzelf, als door de wol geverfde professional, zeker de eerste plek op het affiche hebben toegedacht: Schikaneder en Mozart. Maar ja, Mozarts muziek bleek tijdloos en Schikaneders wijze van theater maken was volledig verankerd in zijn eigen tijd en daardoor tijdgebonden.

In mijn beleving zou Mozart echter niet een blijvende reputatie als groot operacomponist hebben kunnen genieten als latere generaties zich zouden hebben gebaseerd op uitsluitend de muziek voor Die Zauberflöte. Het zwaartepunt in zijn oeuvre ligt duidelijk bij de Da Ponte cyclus, overigens ook een serie met een gedeeld credit!

Vrijwel elke muziekliefhebber heeft ooit Amadeus gezien. Een briljant toneelstuk van Peter Shaffer uit 1979, later met groot succes verfilmd. Uiteraard is het verhaal dat hierin wordt verteld op tal van punten historisch onjuist maar er is een bepaalde scène die bij mij is blijven hangen. Het is het moment waarop Mozart zijn nieuwste stuk Die Zauberflöte omschrijft als Vaudeville. Het gaat hier niet om een serieuze opera maar om een theaterstuk ‘voor het volk’ met als voornaamste oogmerk het verdienen van zoveel mogelijk geld.

Vaudeville is een vergeten genre dat op een onverwachte wijze een zekere comeback vierde in de jaren 1970-80: De Muppetshow. Voorop staat het iedere keer weer samenstellen van een gevarieerd programma van zang, dans, komische sketches, magie etc. Twee oude heren, Statler en Waldorf, geven commentaar op het gebodene vanuit hun loge en nemen daarbij geen blad voor de mond.

Bij het zien van Simon McBurney’s versie van Die Zauberflöte bij DNO, dacht ik bij mijzelf: ‘Dit is iets dat Schikaneder zeker goed zou zijn bevallen’. En vervolgens: ‘Wat zouden Statler en Waldorf bij bepaalde scènes voor commentaar hebben geleverd?

Trailer uit Amsterdam:

Het verhaal is een pastiche van voor het publiek in 1791 herkenbare personen, beelden en situaties. Zo verwijst de figuur van Monostatos naar Angelo Soliman, een voormalige negerslaaf die zich had opgewerkt tot lid van de keizerlijke entourage. De verwijzingen naar de vrijmetselarij passen in het tijdsbeeld waarin een zekere hang naar ‘het wonderbaarlijke’ in de mode was gekomen, mede als reactie op de Verlichting en daaruit voortvloeiende secularisering. Schikaneder en Mozart behoorden beiden tot deze ‘beweging’ zodat het voor de hand lag om daaruit te putten bij het optuigen van hun verhaal.

Waar graag naar wordt verwezen in dit verband is de rol van de vrijmetselarij als voorhoede in het streven naar andere regeringsvormen, waarin niet de absolute macht van een vorst maar het belang van het volk centraal staat. In die zin wordt dan de tegenstelling geduid tussen de Koningin van de Nacht, die staat voor de tot nu toe heersende duisternis, en Sarastro die de weg wijst naar een nieuwe lichtende toekomst: ‘Die Strahlen der Sonne vertreiben die Nacht’.  

Dat moge zo zijn maar waarom wordt diezelfde Sarastro dan opgevoerd als iemand die zich gedraagt als een fascistoïde etterbuil. Zo’n Sarastro als nieuwe leidsman leidt ons van de regen in de drup. Partij kiezen is bij Die Zauberflöte overigens net zo lastig als bij een bevriend echtpaar dat in scheiding ligt. Voor de pauze sta je helemaal aan de kant van de Koningin van de Nacht die haar dochter uit de klauwen van Sarastro probeert te reden. Na de pauze draaien de rollen om en is de moeder de echte booswicht.

Eigenlijk is het verhaal gewoon een fantasy, om in hedendaagse termen te spreken, waarin een komisch duo op zoek gaat naar iets of iemand. De zoektocht betreft hier een gegijzelde prinses, de opdrachtgever is een enge dame die angstaanjagend zingt. Het wat vulgaire aspect van de verwerkte humor vinden we in het gebruik van de ‘wapens’ die het duo in staat moeten stellen hun queeste tot een goed einde te brengen: een toverfluit plus een klokkenspel. Toen was het een succes om twee redenen, het verhaal en de muziek. De muziek spreekt grotendeels nog steeds aan, dankzij de stukken waarvan je de tekst gemakkelijk kunt negeren. De tekst is echter behoorlijk achterhaald en het stilzetten van de handeling door eindeloze monologen en dialogen is dodelijk voor de vlotte voortgang. De humor is niet op het niveau van onze tijd en mist elke vaart. Statler en Waldorf zouden daar niet bij gezwegen hebben. Maar kijken we terug naar de oorsprong, dan moet gezegd dat Schikaneder meer credit verdient dan hem nu wordt gegund. Schikaneder en Mozart, de voorlopers van Gilbert en Sullivan een eeuw later.

Na Mozarts dood heeft Schikaneder getracht het succes van Die Zauberflöte te rekken door er in 1798 een vervolg aan te geven, getiteld Das Labyrinth oder Der Kampf mit den Elementen. Het verhaal begint kort na het einde van Die Zauberflöte en schildert de weer oplaaiende strijd tussen Sarastro en de Koningin van de Nacht.

Verder worden Tamino en Pamina aan nieuwe beproevingen onderworpen. Vuur en Water hadden ze doorstaan, nu zijn Aarde en Lucht aan de beurt. Als klap op de vuurpijl wordt Pamina op haar huwelijksdag door haar moeder ontvoerd en als bruid aan Tipheus, de koning van Paphos, geschonken.

Ook Papageno en Papageno krijgen het zwaar te verduren. Ze worden door Monostatos gescheiden waarbij deze Papageno aan een Moorse vrouw probeert te koppelen om zodoende Papagena voor zichzelf te winnen. Uiteraard loopt alles uiteindelijk ‘goed’ af. De beide liefdesparen worden herenigd en de Koningin van de Nacht wordt met haar gevolg aan een rots geketend.

De muziek voor deze sequel werd voor Schikaneder geschreven door zijn vriend Peter von Winter, een inmiddels vergeten componist die naar verluidt zo’n veertig opera’s op zijn naam heeft staan. Het succes van Das Labyrinth bleef echter ver achter bij dat van Die Zauberflöte en het werk raakte volledig in de vergetelheid. Voor de Salzburger Festspiele van 2012 werd het ‘opgegraven’ en door Alexandra Liedtke geënsceneerd. Er is een opname van verschenen op Arthaus.