Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Do you remember Anita Cerquetti?  

She was a dramatic soprano with a powerful voice. Born 13 April 1931 in Montecosaro, near Macerata. Studied violin first, singing came later. Made her opera debut as Aida in Spoleto as early as 1951 (!).

Cerquetti as Aida in Napels 1954:



She became – typically enough – the most famous by stepping in for a sick Callas in 1958. While she was still in a production of Norma in Naples, she sang some performances of the same opera by Bellini at the opera house of Rome, instead of La Divina. Her career, like that of Callas, didn’t last long. Why?



“This “tour de force” won her great acclaim but had serious effects on her health. Shortly afterward she started withdrawing little by little from the stage until her complete retirement in 1961 at just thirty years of age” ( Wiki)

She made only two studio recordings: a recital of Italian opera arias and a complete La Gioconda with Mario del Monaco, Ettore Bastianini, Giulietta Simionato and Cesare Siepi

On the label Bongiovanni you can hear her in the famous ‘Casta diva’ from Norma. For me this is one of the most beautiful performances of this aria ever. Goosebumps.

Cerquetti sings Norma. Recording from 1956:

Anita Cerquetti sings ‘O re dei cieli’ from Agnese di Hohenstauffen by Spontini:

I

Don Carlo from Florence 1956. Cerquetti as Elisabetta, with Angelo lo Forese (Carlo), Ettore Bastianini (Rodrigo), Fedora Barbieri (Eboli) and Cesare Siepi (Filippo)


In 2008, Arthaus Musik released an extraordinary, outstanding documentary: Opera Fanatic. The eccentric Stefan Zucker travelled through Italy to visit divas of yesteryear. Quite rightly, the film won awards.

He is also a very irritating little man in search of gossip and thrills, but thanks to him we get to visit the great divas of bygone times: Anita Cerquetti, Fedora Barbieri, Giulietta Simionato, Magda Olivero, Leyla Gencer, Marcella Pobbe …

Not all ladies are keen on talking to him or answering his impertinent questions (fair’s fair: I can really enjoy those anyway), but with a few grappa’s in them, they suddenly go wild. He seduces them into the most remarkable statements and we are treated to footage and sound clips of their performances.

The whole movie:

More Cerquetti:


La Gioconda in twee niet de beste opnamen maar met veel bonussen

Maddalena Mariani Masi (1850-1916) en Gioconda au deuxième acte de l’opéra lors de la création en 1876 (Alfredo Edel, Archivio storico Ricordi)

Een vrouw verscheurd tussen de liefde voor haar moeder en haar minnaar, die haar nota bene ontrouw is en eigenlijk nooit van haar heeft gehouden. Nee, het is geen alledaags thema voor een opera.

Francesco_Hayez, La vendetta di una rivale (Le Veneziane), après 1853, avant 1860

Dat zij uiteindelijk voor haar moeder kiest (na eerst haar minnaar geholpen te hebben om samen met zijn geliefde – haar rivale – te ontsnappen) wordt haar fataal, maar heeft ons met ‘Suicidio’ wel één van de mooiste aria’s uit de operageschiedenis gegeven.

Gioconda d’Amilcare Ponchielli
Estampe Jieben [sig.]; H. Ngerer & Goschl [sig.]
Date d’édition: 1876-1899

Ondertussen krijgen we passie, bedrog, moord en zelfmoord, voor elk wat wils. Melodrama? Me dunkt, van het beste kaliber!

Angelo, tyran de Padoue, costumes et décors de la création en 1835 au Théâtre Français, Gallica / BnF



La Gioconda van Amilcare Ponchielli is gebaseerd op Angelo, tyran de Padoue van Victor Hugo en het libretto is door niemand minder dan Arrigo Boito vervaardigd. Het is een zeer gepassioneerde, bij vlagen bombastische opera en bevat een keur aan (over)bekende aria’s. En natuurlijk het ballet, want wie ken de ‘urendans’ niet?

Toch wordt ‘La Gioconda’, al staat zij zeer hoog bij opera liefhebbers aangeschreven, tegenwoordig nog maar zelden opgevoerd. Het is inderdaad buitengewoon lastig om al die zes hoofdrollen goed te bezetten, maar zou het alleen daar aan liggen?

Violetta Urmana

Ik had mijn twijfels over Violetta Urmana’s Gioconda, maar zij zet een uitstekende straatzangeres neer. Zij klinkt betrokken en doorleefd, al is zij minder dramatisch dan haar illustere voorgangsters: Callas, Cerquetti, Milanov, Tebaldi of Scotto *…  Om maar een paar te noemen.:

Violetta Urmana zingt ‘Suicidio’

Luciana D’Intino is een mooie, lyrische Laura en Lado Ataneli een goede Barnaba, al mist hij de vileine trekjes (kwestie van goed acteren?) van een Milnes of Mittelmann.

Dat Plácido Domingo de rol van Enzo altijd al wilde opnemen is evident. Hij zong hem voor het eerst in 1970 in Madrid, met Angeles Gulin als Gioconda, en vertolkte hem later ook in Berlijn, London, New York en Wenen. 

Plácido Domingo zingt ‘Cielo e mar’ in Madrid 1970:

En nu dus ook op de cd en  het resultaat is zonder meer goed. Zijn vocale kracht is niet verminderd en zijn warme tenor, wonderlijk genoeg minder baritonal van timbre klinkt nog steeds als een klok.

Hui He

De Chinese Hui He (Gioconda) maakte haar Met debuut in 2010 als Aida, een rol die haar naar de grootste en belangrijkste podia ter wereld heeft gebracht. Zij beschikt over een bijzonder sterk spinto sopraan, met een enorme draagkracht en perfecte hoge noten. Haar Italiaans is uitstekend en haar inleving in de personage werkelijk adembenemend. Haar ‘Suicidio’ is vol passie, verdriet en twijfel en wordt – uiteraard – beloond met een open doekje.

Hugh Smith (Enzo) kennen we (?) nog uit Amsterdam, waar hij in 2004 een zeer sterke debuut bij ZaterdagMatinee maakte als Des Grieux in Manon Lescaut, met in de hoofdrol Charlotte Margiono. Daarna kwam hij nog één keer terug, voor de “disaster” ‘Norma’ bij DNO.

Hij is een echte “Italiaanse” (Smith is een Amerikaan) spinto, niet de subtielste ter wereld, maar zijn geluid mag er wezen: groot en rinkelend. In ‘Cielo e mar’ wil hij wel eens zijn hoge noten knijpen, maar de aria op zich staat als een huis. Mij doet hij een beetje aan Richard Tucker denken. Die rol van Enzo heeft hij al vaker gezongen, onder andere bij de New Israeli Opera:

In het duet met Laura (Luciana d’Intino) “Stella del marinar!”, gaat het een beetje mis, niet in laatste instantie door de dirigent – zijn tempi vind ik hier te langzaam. Bovendien mengen de twee stemmen hier niet echt. Best jammer, want d’Intino is ook zo’n ouderwetse mezzo met mooie borsttonen, warme laagte en een makkelijke hoogte. Haar stem geeft ook iets van een resonans, wat mij zeer prettig klinkt in de oren.

In ‘E un anatema’, Laura’s duet met Gioconda, gaat het er veel spannender aan toe: beide dames zijn aan elkaar gewaagd en het drama spuit er vanaf. Hier neemt de dirigent een zeer geslaagde revanche: de spanning is om te snijden en houdt het aan tot de laatste noten van de tweede akte.

Aan het einde van III bereikt Steckler een echte climax (vergeet het aandeel van het koor niet!) en in IV pakt hij echt uit en sleurt alles en iedereen mee, zowel in het zeer lyrisch gehouden trio ‘Ah, il cor mi si ravviva’ als in de zeer dramatische confrontatie van Gioconda met Barnaba. OPERA!

Lado Atanelli is misschien niet de beste, maar zeker een prima Barnaba, er zijn tegenwoordig zo weinig baritons die de rol nog kunnen zingen!

  • Over Scotto gesproken: vergeet haar La Gioconda uit San Francisco 1979 niet! Voor haar interpretatie van die rol heeft Scotto Emmy award gekregen. Het betekende ook een heftige ruzie met Luciano Pavarotti, die zij in haar autobiografie “More then a diva” niet eens bij de naam noemde. Hij werd “A certain tenor” genoemd.
    Het kwam allemaal goed.

Bonus 1 : 14 jaar oude Scotto (hier nog studerend als mezzo) in 1948!

Bonus 2: mijn geliefde Gioconda’s:


Callas (een van de vele):

Rosa Poncelle:

Anita Cerquetti:

Leila Gencer:

Montserrat Caballe:

Anna Caterina Antonacci: more then a diva in just two of her roles

© Askonaz Holt

CARMEN

Francesca Zambello


It happened to me in 2011, when the BBC brightened up a dull Christmas afternoon with an opera transmission from London’s Covent Garden. Carmen.  I got hooked. Antonio Pappano is an impassioned conductor and whips up the Royal Opera House orchestra to unprecedented heights, but this time my knocked-out feeling was caused by the unusually exciting direction and the phenomenal lead performers.

Francesca Zambello does not shy away from a lot of sentiment and provides a blatantly realistic spectacle, without updates and concepts. The action actually takes place in Seville and the eye is treated to a beautiful choreography and stunning costumes.

Anna Caterina Antonacci is a very spunky and sexy Carmen, very defiant but also confident and proud. Her gorgeous black eyes spit fire, and her beautiful appearance and great acting talent do not hide the fact that she can also sing: her powerful voice has a range of emotions. All in all: a real tragédienne. A real Carmen.



Ildebrando D’Arcangelo is a fantastic, virile Escamillo. His entrance on the big black horse is truly spectacular.


Jonas Kaufmann is easily one of the best José’s  I have ever experienced in my life. His spinto tenor sounds phenomenal in all registers, nowhere exaggerated and lyrical and whispery where necessary. He cannot be outdone as an actor either, and his more-than-attractive looks we’ll take as a bonus. You surely know by now: you must have this Carmen!

Trailer:


Adrian Noble



Carmen by Bizet, conducted by Sir John Eliot Gardiner Gardiner… who would have thought it possible? And yet it makes more sense than you think. Because with the 2009 performance, Gardiner brought the opera back to the site of its world premiere and the orchestra played the work with the instruments of that time.

Adrian Noble’s (brilliant!) direction is mainly focused on the characters, the staging is highly illustrative and the libretto is closely followed. It is realistic, beautiful and exciting. The unified décor is adapted to each scene, making you feel like you are actually present in all these different locations.

The voices are on the small side, but I don’t think that was a problem at the time at the Opéra Comique in Paris, let alone on DVD.

Andrew Richards is not the best José ever, but his interpretation of the role is phenomenal. He begins as a nice and very cuddly stranger and ends up as a kind of Jesus, with delusion in his eyes.

Unfortunately, Nicolas Cavallier (Escamillo) does not have enough sex appeal for a macho toreador, but he compensates a lot with his beautiful singing.



Anna Caterina Antonacci is one of the best Carmens these days. Beautiful, sexy, challenging and nowhere vulgar. Her deep, warm voice has all the colours of the rainbow.
Gardiner clearly feels inspired. His tempi are dizzying at times.


HANS HEILING



It was some 20 years ago that I, somewhat hesitantly, started to watch Hans Heiling. Never before did I hear the opera, let alone see it. From Heinrich Marschner I only knew Les Vampyrs. And, besides, I was a bit afraid of the production. After all the hassle with the ballet in most of the opera’s Pier Luigi Pizzi directed, I feared the worst. Well, that was a surprise! I immediately recognized Pizzi: his predilection for colour (mainly red in all its shades), excesses and physicality was evident here too, but it really worked here.

Hans Heiling (Jan Svatos in Czech) was a legendary king of spirits; his name is often found in Czech and German legends. He falls in love with an earthly girl and swears off his magic power to marry her.

However, she is in love with an ordinary boy and rejects him. Disillusioned (“only a human can try his luck on earth”) Heiling returns to his underground kingdom. A male equivalent of Rusalka, but without the tragic end.

There is insanely good singing and acting, there is not a single weak role. I already knew how formidable Anna Caterina Antonacci can be, but the (also to the eye) very attractive Markus Werba was a true discovery. Very exciting and dazzling. Recommended.

Feruccio Busoni and La Nuova Commedia dell’ Arte

Umberto Boccioni: Portrait of Ferruccio Busoni, 1916


Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, I think, one of the greatest cosmopolitan composers in the history of music. His father was an Italian and his mother a German. Busoni studied in Austria, married a Russian-Swedish lady and went on to live in Berlin. Well, most of the time, as he also lived in Vienna, Zurich and Bologna. And, oh yes, he also had Jewish roots. Not to mention all of those first names!

© Kirilll Gerstein

It seems he had a book collection that could have rivaled most libraries: no wonder he knew his classics! Busoni was also a great connoisseur and admirer of Carlo Gozzi, and after composing the incidental music for Gozzi’s play Turandot, Busoni decided to turn the whole into an opera.

At the same time (1916), he also composed Arlecchino, an opera based on a character from the Commedia dell’ Arte. The (German-language) libretto with many spoken dialogues was written by the composer himself. Both operas, which Busoni called ‘La Nuova Commedia dell’ Arte’, had their world premiere on 11 May 1917 at Zurich’s Stadttheater, conducted by the composer himself.


In 1992, the operas were recorded in Berlin and they were now being marketed (for the first time?). Joseph Protschka is a warmly timbred Kalaf and Linda Plech excels as Turandot.  Gerd Albrecht conducts very involved, paying close attention to the score.


BONUS

Both opera’s were performed in Wexford in 1998

Turandot:

Arlecchino:

Turandot uit Odessa

Tekst: Neil van der Linden

Het ‘happy end’ waarmee de postuum voltooide versie van Puccini’s Turandot eindigt is natuurlijk altijd wat problematisch. Er zijn dan niet alleen vele huwelijkskandidaten voorafgaand aan prins Calaf versleten, Turandot heeft zich ook tegenover de bevolking van Beijing van haar gruwelijkste kant laten zien door te dreigen willekeurig wie dan ook maar te martelen en desnoods om te brengen als niemand achter de naam van de prins kan komen.

Intussen is dan ook Calafs eigen vader gemarteld en heeft diens ‘slavin’ Liu, die heimelijk verliefd is op de prins en zijn naam ook kent, zich uit liefde voor Calaf van het leven beroofd, om die naam niet te hoeven prijsgeven. Waarbij dus Liu, Calaf en diens vader er in feite verantwoordelijk voor zijn dat er onschuldige burgers worden gemarteld en gedood. Maar je zou je ook kunnen afvragen waarom de bevolking niet tegen de grillen van het regime in opstand komt.

Puccini voltooide zoals bekend de partituur tot en met Liu’s zelfmoord, en daarmee eindigde Toscanini de opera bij de première. Maar in volgende uitvoeringen dirigeerde Toscanini ook het slot zoals Franco Alfano het had gecomponeerd op basis van Puccini’s schetsen voor het slot.

Ook al stamt de enscenering door het operahuis van Odessa uit 2013, je kunt je afvragen of het dus eigenlijk niet echt door Puccini geautoriseerde eigenlijk not so happy end past bij de situatie waarin Oekraïne nu al een paar jaar verkeert. Iets van ongemak met dat happy end zien we aan het eind van deze enscenering, wanneer Turandot zich in een bloedrode mantel hult, met dezelfde kleur als de kleding die de bevolking, het koor inmiddels draagt. Heeft iedereen bloed aan de handen?

De rol van Turandot zelf is wat ondankbaar. Het personage is nogal statisch tot aan de omslag aan het eind als ze zich plotseling toch gewonnen geeft voor de liefde. Ook muzikaal is de rol nogal eenvormig en de zangeres moet steeds in hoge registers op de top van haar volume zingen. In deze regie was ze bovendien vaak achterin en op een hoge stellage geplaatst, wat inderdaad haar ongenaakbaarheid in beeld bracht, maar wat het er voor Natalia Pavlenko vocaal technisch niet gemakkelijker op maakte. Dat ze vanuit die positie vocaal toch over het voetlicht kwam, maar haar muzikale prestatie er wel des te indrukwekkender op.

Karakterologisch is ook Calaf nogal statisch; zijn obsessie voor Turandot biedt weinig gelegenheid tot invoeling. Vitaliy Kovalchuk is een tenor met een aangenaam hoog lyrisch timbre. Maar de regie gaf ook hem weinig andere mogelijkheden dan staan en zingen.

Ook het zangtrio dat Ping, Pang en Pong vertolkte nam weinig ruimte voor karakterontwikkeling, maar vocaal waren ze een fraai ensemble.

Over ensemblewerk gesproken, Turandot is een opera met veel koor en dat komt goed uit, want het Nationale Opera en Ballet Theater van Odessa beschikt over een sterk koor. De regie laat het geregeld frontaal op het podium staan waardoor het ondanks de op zichzelf nogal droge akoestiek van het Haagse Amare theater tot een prachtige sonoriteit komt.

Liu is de meest menselijke rol, de rol waarmee de vertolkster ook dramatisch het beste uit de voeten kan, is in deze enscenering vocaal en theatraal overtuigend bezet, in de persoon van Olena Dolgina.  Ik kon het niet goed zien, maar het kan zijn dat Liu anders dan in het verhaal zich in deze enscenering niet doodsteekt maar bezwijkt als gevolg van een soort Wagneriaanse Liefdesdood. In elk geval is dit het moment waarop ook in deze enscenering alles op zijn plaats komt.

En paar strak vormgegeven wanden verbeelden de paleismuren. Filmprojecties laten contouren van klassiek-Chinese architectuur zien. Turandot komt binnen op een torenhoge met goudkleurig doek omgeven stellage, om aan te geven hoe hoog verheven ze is boven de massa.

De ‘hooggeplaatsten’ dragen kostuums die aan de traditionele Chinese opera lijken ontleend.Het volk waaronder Liu draagt uniforme kleding die aan Mao-pakken doet denken, maar dan in zwart of wit of aan het slot rood.

Een zwartgeklede danseres trad op als een alterego van Turandot. Haar uiterlijk leek eerder Iraans dan Chinees, wat, bedoeld of niet, in zekere zin de oorsprong van het verhaal recht deed, namelijk de bundel Haft Peykar (‘De zeven lichamen’) van de Perzische mystieke dichter Nizami (1141-1209).

Vorige week hoorde ik op de radio over een voormalige balletdanser uit Oekraïne die inmiddels werkt aan het ontwerpen van militaire drones. Maar op hun manier nemen ook de zangers, dansers en overige betrokken van het operahuis van Odessa deel aan de oorlog, al was het maar via hun charmeoffensief.

Het gezelschap toert in Nederland rond met een intensief programma bestaande uit Madama Butterfly, Turandot en Carmina Burana. De voorstelling in het Haagse Amare theater was uitverkocht. De producenten die dit gezelschap hierheen brengen bedienen steden van Alphen aan de Rijn tot Zwolle, maar dus ook Den Haag is er dus grote behoefte aan repertoire-opera.

Turandot van Giacomo Puccini met het door Franco Alfano voltooide slot.
Nationale Opera en Ballettheater van Oekraïne, Odessa.
Koval Vasyl, dirigent
Christian von Götz, regie
Turandot Natalia Pavlenko
Liu Olena Dolgina
Calaf Vitaliy Kovalchuk
Pang, Ping en Pong resp. Oleksander Prokopovych, Bogdan Panchenko en Pavlo Smyrnov
Timur, vader van Calaf Segiy Uzun

Foto’s: © Dmitry Skvortsov

Gezien 30 maart Amare Den Haag

Turandot in Amsterdam:
Turandot naar de letter van de geesten.

Turandot in Madrid:
Robert Wilson ensceneerde Turandot in Madrid

Discografie:
Het laatste woord over Turandot is nog niet gezegd

Asmik Gregorian en Vladislav Sulimsky stelen de show in Warlikowski’s Macbeth

Tekst: Peter Franken

In 2023 stond er tijdens de Salzburger Festspiele een nieuwe productie van Macbeth op het programma in de regie van Krzysztof Warlikowski en decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak. Een opname van een van de voorstellingen is door Unitel uitgebracht op dvd.

De productie toont de gebruikelijke stijlkenmerken van dit roemruchte tweetal: verrijdbare doorzichtige ruimtes waarbinnen zich scènes afspelen die feitelijk elders gesitueerd moeten worden, veel kinderen als figurant, een veelheid aan acteerwerk van personen die tijdelijk buiten de directe handeling vallen; vaak ook nog aangevuld met videobeelden. Verder een mix van tijdsgewrichten om de spanning erin te houden. Je komt ogen tekort op het enorme toneel van het Großes Festspielhaus, zeker als videokijker.

Asmik Grigorian komt op als de Lady, prachtig gekleed en gekapt in de stijl van een jaren ’30 filmdiva uit Babelsberg. Ze neemt plaats op een extreem lange bank van het soort dat vroeger in stationswachtkamers stond, maar dan langer. Dan komt een man in een witte jas haar halen en verdwijnt ze achter een gordijn. Je krijgt nog net te zien dat ze in een grote stoel gaat zitten. Het betreft een gynaecologisch onderzoek en de uitslag bevalt haar in het geheel niet: infertiliteit.

Ze verscheurt het onderzoeksrapport en verbrandt de snippers in een wasbak, ondertussen het ene na het andere zang technische hoogstandje ten beste gevend. Acteren en zingen gaan voor Grigorian altijd samen. Ik had haar in deze uitmonstering graag in een film van Zarah Leander willen zien terwijl ze zingt ‘Kann denn Liebe Sünde sein?’ of ‘Eine Frau wird erst schön durch die Liebe.’

De gasten bij het banket zitten voor het merendeel op een tribune. Slechts een klein aantal mag plaatsnemen aan een eenvoudige tafel. Macbeth raakt volledig de kluts kwijt als hij het gezicht van Banco op en ballon ziet, mooi geacteerd door Vladislav Sumlinsky. Met hem gaat het hierna snel bergafwaarts, zijn Lady blijft nog wat langer overeind maar ook haar wacht de volledige onttakeling. Prachtig om te zien hoe Grigorian gaandeweg verandert van kille berekenende vrouw in een psychisch wrak, geholpen natuurlijk kostumering, kap en grime.

De heksen zijn talrijk, blind maar ziende en gemaskerd. Voor de moord op de kinderen van Macduff laat Warlikovski er een stuk of twintig aanrukken, gekleed in wit ondergoed. Hun moeder wordt getoond als een lookalike van Magda Goebbels en ze laat dan ook getrouw haar evenbeeld een beker met gifdrank rondgaan. Als laatste neemt ze zelf een paar slokken.

De titelrol wordt vertolkt door de bariton Vladislav Sulimsky die meer oogt als bureaumanager dan als krijgsman wat hem goed van pas komt in het uitbeelden van iemand die niet overloopt van blind vertrouwen in de toekomst, reden voor zijn vrouw om hem lafheid te verwijten. Ten onrechte natuurlijk en voor een deel slechts bedoeld om hem niet te veel te laten overpeinzen. Het loopt slecht met hem af: hij eindigt als castraat in een rolstoel. Vocaal is hij de evenknie van zijn Lady en met Salzburgs eigen diva Grigorian naast je wil dat wel wat zeggen.

Banco, vertolkt door Tareq Nazmi heeft betrekkelijk weinig te zingen en zijn aria ‘Come dal ciel precipita’ is dan ook de belangrijkste bijdrage van dit personage. Heel fraai gezongen, je ziet deze bas node gaan zo vroeg in de opera.

Met zijn ‘Ah, la paterna mano’ weet Jonathan Tetelman als Macduff tijdelijk de show te stelen, wat een geweldige tenor is dat.

Ster van de voorstelling is zoals verwacht Asmik Grigorian als Lady Macbeth al moet ze die eer delen met Sulimsky. ‘De weg naar de macht is geplaveid met misdaden; wee hem wiens schreden onzeker zijn of die onderweg omkeert’, aldus Lady Macbeth. Aanvankelijk is zij het die de drijvende kracht is in het streven naar macht en het behouden daarvan. Maar al die moorden beginnen haar geestelijke weerbaarheid te slopen en dat ‘maakt haar schreden onzeker’. Uiteindelijk komt ze al slaapwandelend aan haar einde.

Grigorian zet de toon in ‘Vieni, t’affretta’ en laat haar Lady onbeschaamd triomf vieren in ‘La luce langue’ en ‘Si colmi il calice’.

La luce langue:

Vanaf dat moment raakt ze de controle kwijt en verandert ageren in reageren tot het moment dat ze aan het slaapwandelen slaat, geen schim meer van zichzelf. Grigorian is schitterend in die grote scène: ‘Una macchia è qui tuttora’ waarbij ze een bureaulamp aan een lang snoer met zich mee sleept. Een aardig detail: die lamp staat immers in het libretto?

Tijdens de Festspiele van 2025 zal deze productie worden hernomen in Salzburg en dan is Asmik weer van de partij.

De Wiener Philharmoniker staan onder leiding van Philippe Jordan

Trailer:

Foto’s van de productie: © Bernd Uhlig

Songs (and a bit more) of Nicolae Bretan




The chance that you have ever heard of Nicolae Bretan (1887 – 1968) is not very high. That’s not because of his music, because this Romanian composer/conductor/music critic and singer (he was trained as a baritone) produced many wonderful works. In 1944, Bretan wife’s family, who were Jewish, were transported to the Nazi extermination camp at Auschwitz and murdered.

After World War II, he worked for a short time as the director of the National Opera in Bucharest, but because he refused to join the Communist Party he was excluded from the composers’ union, which meant that his works were no longer allowed to be performed. The turning point came in the 1980s: a   was then established (partly through the initiative of his daughter), and the English firm Nimbus started recording his compositions at a steady pace.


I own three of his four operas: ‘Horia’ (NI 5513/4) and ‘Golem and Arald’ (NI 5424), which I have always enjoyed listening to, and I can heartily recommend them to any opera lover.


Some time ago Nimbus (NI 5810) released a CD with a selection of his songs (he composed more than 200!), beautifully sung by the baritone Alexandru Agache.

They remind me a bit of songs by Puccini, but with a Romanian-Hungarian sauce. Not really masterpieces, but very pleasant to listen to. Because of their wistfulness, they also exude a certain melancholy, and before you know it, they make you a little sad. Since Agache’s voice does not have too many color nuances, it can get a bit monotonous in the long run. So listen in moderation, I would say.

Bonus

In the Jardin de Luxembourg
Ruxandra Donose – Mezzosoprano and  Julius Drake – Piano



Requiem:

Bust of Bretan in Cluj-Napoca Central Park

Canellakis’ laatste Janáček opera in de Matinee

Tekst: Neil van der Linden


Voorpremière op 12 april 1930 ©: Janusz Legoń


Dit was Canellakis’ laatste Janáček opera in de Matinee alweer, en wel met Janáčeks laatste opera, uit 1928. Zijn aller somberste, gebaseerd op Dostojevski’s beschrijvingen van diens ervaringen in een Russisch strafkamp.

In een concertante uitvoering ontgaat je in een opera als deze al snel wie wie is, vooral als alle zangers ongeveer dezelfde kleding dragen. Dat komt mede doordat in deze opera de personages er maar ten dele toe doen. Dostojevski’s tekst waarop Janáček het libretto baseerde, bestaat uit notities over ervaringen de schrijver zelf als gevangene in een strafkolonie in Siberië opdeed.

Bij deze Matinee-uitvoering kwamen de zangers op als ze iets te zingen hadden en liepen daarna weer af. Maar zelfs in deze tot het uiterste versoberde opzet schemerde de karakterologie die Janáček wél had aangebracht fraai door.

Placmajor, de commandant, werd gezongen door de bas Jan Martiník, die over een imposante stem beschikt, maar bovendien fysiek boven het grootste deel van de rest van de cast uittorende. Ook droeg misschien het feit dat hij binnen de cast de enige van geboorte Tsjech was dat zijn personage een soort natuurlijk gezag had. Dat hij bovendien dankzij zijn postuur enige goedmoedigheid uitstraalde maakte aannemelijk dat hij in de loop van het verhaal niet zo’n slechterik blijkt te zijn als aan het begin, wanneer hij de net aangekomen Gorjančikov, min of meer het centrale personages afranselt.


De kampcommandant verzoent zich met Gorjančikov, die hij eerder heeft gemarteld, in het bijzijn van Aljeja ©: Neil van der Linden

Gorjančikov, bij Dostojevski min of meer een alter ego van zichzelf, is een aristocraat en een politieke gevangene, anders dan het merendeel van de gevangenen die rovers of moordenaars zijn. Bas Joshua Bloom is gekleed in een grijs pak, wat hem onderscheidt van de rest van de cast, die egaal zwart draagt. Later verontschuldigt de kampcommandant zich tegenover Gorjančikov. Dat zijn momenten in de opera waarop er enige hoop, enig optimisme doorbreekt. En ook in deze concertante uitvoering blijven die toch mooi zichtbaar in de interactie tussen de zangers.

Aljeja tot Gorjančikov: jij bent als een vader voor mij ©: Neil van der Linden

Dat geldt ook voor de schrijnende vriendschap tussen Gorjančikov en de jonge Tatar Aljeja, vertolkt door de jonge en ook jongensachtig ogende Oezbeekse tenor Bekhzod Davronov.  Gorjančikov leert Aljeja Russisch leert lezen en schrijven. Hij  bezoekt Aljeja in het kamphospitaal nadat een medegevangene hem aanviel en per ongeluk Aljeja verwondde.


Aljeja en Gorjančikov: Vrijheid, geliefde vrijheid! ©Neil van der Linden

Gorjančikov neemt geroerd afscheid als Aljeja eerder vrijkomt. Ook in de concertante opzet blijft deze kameraadschap hartverscheurend.

©: Lodi Lamie

Alle rollen zijn trouwens geweldig bezet, tot in de kleinste rollen, tot en met Ben Heijnen, ‘bewaker’, lid van het Groot Omroepkoor. Naast één Tsjech, een Oezbeek, een Pool en een Rus, zangers die van huis uit redelijk met Slavische talen moeten kunnen omgaan, bestaat de cast voor het grootste deel uit Britten en Nederlanders.

Martina Myskohlid & Tim Kuypers ©: Lodi Lamie

Voor de piepkleine, overigens uitstekend gezongen vrouwelijke rol van de prostituee Poběhlice was blijkens een wisseling ten opzichte van de oorspronkelijke castlijst kennelijk op korte termijn de Canadese Martina Myskohlid aangetrokken, die momenteel in Nederland verkeert omdat ze binnenkort bij de Reisopera en de Nationale Opera Dido in Purcells Dido and Aeneas zingt.

Frank van Aken, Frederik Bergman, Jeremy Bines ©: Lodi Lamie

De nog immer onstuimige Wagner-heldentenor-rollen zingende Frank van Aken was blijkbaar ook een invaller en was nu een stabiele factor in de cast als de ‘oude gevangene’ Stařeček.

©: Lodi Lamie

Niet in de laatste plaats springt ook het koor eruit, in dit geval alleen de tenoren en bassen van het Groot Omroep koor, voor de gelegenheid getraind door de koordirigent van de Deutsche Oper Berlin Jeremy Bines.

©: Lodi Lamie

Maar naast Janáček en Dostojevski was de eigenlijke heldin van deze uitvoering Karina Cannelakis. Strak en tegelijk energiek. En hoe massief de partituur op sommige momenten ook wordt, alles blijft helder. Alle ruimte voor de kleuren uit het koper, het slagwerk, inclusief kettingen die op een bekken ratelen, de solovioolpartijen door Joris van Rijn, enz. enz.

Voordeel van deze concertante uitvoering is dat je helderder dan waar en wanneer ook, in het operahuis of thuis bij de stereo-installatie, hoort hoe knap en geavanceerd Janáček orkestreert en kleuren aanbrengt. De opera stamt uit 1928 en hoewel Janáček in principe volledig tonaal blijft, werkt zijn idioom met veel ‘harde’ kwinten en kwarten pentatoniek wel degelijk modern. Canellakis licht dit alles prachtig uit. Jammer dat de Janáček-operas nu op zijn.

Er staan twee bijzondere ensceneringen in Youtube:
De legendarische enscenering door Patrice Chéreau en Pierre Boulez, het eerdere droomteam van de Lulu-enscenering in Parijs en de Ring in Bayreuth, hier in Aix-en-Province, een productie die ook in het Holland Festival te zien was.

Eerste acte:

Het geheel is zo te zien alleen voor volwassenen:

Recensie van Basia Jaworski (met ingesloten act 2):

https://basiaconfuoco.com/2016/11/26/z-mrtveho-domu-from-the-house-of-the-dead/

Onder Simone Young met als regisseur Frank Castorf en een vrouwelijke Aljeja. Indachtig wellicht dat Janáček aan zijn platonische liefde Kamila Stösslová schreef dat zij in deze opera wel degelijk aanwezig was in de persoon van Aljeja, ‘zo’n tedere, innemende persoon’. Het is overigens zeker niet onmogelijk om in de omgang tussen Gorjančikov en Aljeja een – platonische – homoseksuele component te zien:



Leoš Janáček Uit een Dodenhuis

Bezetting:
Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepmannenkoor
Karina Cannelakis, dirigent
Jeremy Bines, koordirigent
Alexandr Petrovič Gorjančikov Joshua Bloom, bas
Aljeja Bekhzod Davronov, tenor
Šiškov Roland Wood, bariton
Placmajor Jan Martiník, bas
Šapkin Alexey Dolgov, tenor
Luka (Filka Morozov) Stephan Rügamer, tenor
Skuratov Julian Hubbard, tenor
Stařeček Frank van Aken, tenor
Vězeň malý Tim Kuypers, bariton
Vězeň vysoký Zbigniew Malak, teno
Čekunov Frederik Bergman, bas-bariton
Don Juan (Brahmín) Sam Carl, bas-bariton
Poběhlice Martina Myskohlid, mezzosopraan

Gezien 22 maart NTR Matinee Concertgebouw Grote Zaal

Het terugvinden van een moeder in OUM, A son’s quest for his mother

Tekst: Neil van der Linden

De tekst van de Bushra El-Turks opera OUM, A son’s quest for his mother is een bewerking van de roman Visage retrouvé uit 2002 van de Libanees-Canadese schrijver, acteur en regisseur Wajdi Mouawad.

Mouawad werd bekend door het toneelstuk Incendies (Branden) uit 2003, overal ter wereld gespeeld, in Nederland door het Ro Theater, en in 2010 de basis voor de succesvolle gelijknamige film van Dennis Villeneuve (Arrival, Blade Runner 2049, Dune I en II). Net als in het toneelstuk spelen in de roman de naweeën van oorlog en het overlijden van een moeder een centrale rol, en lijkt het ene voor het andere te staan en andersom.

Busrha El-Turks opera voert een ik-figuur ten tonele (gespeeld door actrice Nadia Amin), die we deels als een zevenjarig jongetje zien dat vertelt hoe hij net op straat aan het spelen was als er vlak bij een bus in het verkeer komt vast te zitten. Hij heeft de tijd om de inzittenden van de bus te bekijken, waaronder een jongetje van ongeveer dezelfde leeftijd als hij zelf, dat hem recht aankijkt. Even later explodeert de bus. Het lijkt op de geschiedenis van de Ain el-Rammaneh bus aanslag, één van de gruwelijke incidenten waarmee de Libanese burgeroorlog in 1975 begon. Wajdi Mouawad was toen zelf zeven jaar oud.

https://en.wikipedia.org/wiki/1975_Beirut_bus_massacre

Het jaar daarop verliet Mouawads familie Libanon en kwam uiteindelijk in Canada terecht.

We zien de ik-figuur ook als volwassene, op weg naar het ziekenhuis waar zijn moeder stervende is (het woord oum uit de titel is het Arabische woord voor moeder). Hij neemt de bus. In de wereld waar hij op dat moment leeft, ergens in een Westers land is bij het nemen van een bus het grootste probleem hoogstens zoiets als dat het tegoed op de bankpas waarmee je incheckt niet voldoende is.

De ik-figuur rijdt toch clandestien mee, intussen zijn moeder vervloekend omdat ze de familie veel te lang heeft laten wachten op haar dood door langzaam te sterven aan kanker. Was ze nou maar in één keer aan een hartaanval of een verkeersongeluk overleden, of desnoods een bomaanslag! Bijna komt hij te laat, en op haar sterfbed herkent hij haar niet eens.

Iedereen van de familie verlaat het ziekenhuis, maar de ik-figuur heeft zijn jas laten liggen en moet nog even terug. Alleen met haar terug in de kamer ziet hij zijn moeder weer in de gedaante zoals hij zich haar herinnert, visage retrouvé, en nu kan hij eindelijk wel goed afscheid van haar nemen. En net als in Incendies is dat ook het verbreken van al te knellende banden met het verleden, maar ook het terugvinden van een identiteit.

Oum KUlthum op 71-jarige leeftijd

Het is in de moederfiguur waar de verhaallijn uit Mouawads roman samenkomt met de andere verhaallijn van de opera, die rond Oum Kulthum (“moeder van Kulthum”; in de Arabische wereld geeft men kinderen soms als Oum dit of dat, ‘moeder van enz.’, en Abu dit of dat, ‘vader van enz.’) . Zij was niet alleen een grote Egyptische zangeres, die waarschijnlijk de populairste en meest invloedrijke zanger/zangeres was in welke cultuur ter wereld ooit. Elvis Presley plus Edith Piaf plus Maria Callas plus de Beatles, zeg maar.

De zangcarrière van Oum Kulthum omspande de periode vanaf de jaren twintig tot begin jaren zeventig, de periode waarin een groot deel van de Arabische wereld onafhankelijk werd en waarin zij in veel opzichten ikoon, ‘moeder’ werd het groeiende zelfbewustzijn in die wereld.

Eén van Oum Kulthums signature songs uit het laatste decennium van haar carrière was Al-Atlal (‘de ruïnes’) uit 1966.

Umm Kulthhum met Al-Atlal in Tunis, 1968.

Al-Atlal was meteen al bij het verschijnen een klassieker maar de song kreeg in de erop volgende jaren extra betekenis. De ‘ruïnes’ in Al-Atlal zijn officieel die van een mislukte liefde, maar werden al vrij snel geassocieerd met andere rampspoed, de Arabische nederlaag in 1967 tegen Israël en de neergangsjaren van de Egyptische president Nasser, ooit de architect van het pan-Arabische zelfbewustzijn.

Zoals Wajdi Mouawads roman Visage Retrouvé niet alleen over het verlies van een moeder gaat, maar ook over het verlies van cultuur en identiteit, zo werd Oum Kulthums Al-Atlal symbool van een verloren tijd.

De begrafenis van Nasser in 1970 bracht ‘maar’ één miljoen mensen op de been, die van Oum Kulthum in 1975 meer dan twee- en volgens sommigen vier miljoen.

Het tempo van Al Atlal klinkt opgewekt, maar intussen gebruikte de Egyptische componist Riad Sunbati enkele van de meest sombere, ‘zware’ de microtonale toonsoorten, maqams, uit de Arabische muziek.

Componiste Bushra El-Turk, geboren in Londen, met ouders van Libanese afkomst en opgeleid in Groot-Brittannië in de Westerse muziektradities, verweefde voor deze opera principes uit de Westerse eigentijdse muziek met passages uit Umm Kulthums Al-Atlal. We horen zelfs fragmenten uit de oorspronkelijke opname, maar de meeste worden live uitgevoerd.

Het instrumentaal ensemble in deze uitvoering is het Amsterdams Andalusisch Orkest. Dat excelleert in de Arabische passages, maar voelt zich even goed thuis in het modern-klassieke idioom van Bushra El-Turk.

Er zijn drie zangeressen. Het stemtype van de Tunesisch-Belgische zangeres Ghalia Benali ligt het dichtst bij dat van Oum Kulthum en aan het eind van de opera krijgt zij de gelegenheid om een langere passage uit Al-Atlal te zingen.

Ghalia Benali in een eerdere uitvoering van Al-Atlal samen met Nai Barghouti en Amsterdam Sinfonietta:

Naast Ghalia Benali zingen in de voorstelling ook de Syrisch-Amerikaanse mezzosopraan Dima Orsho en de Nederlands-Indonesische sopraan Bernadeta Astari.

Een muzikaal spectaculair moment is als Orsho  a capella een fraai melisma zingt en vervolgens pitchperfect op de eerste noot van ud-speler Haytham Safia in de volgende instrumentale passage uitkomt.

De gesproken rol van de ik-figuur wordt gespeeld door actrice Nadia Amin. Virtuoos, ja. Maar op dit punt is er in het concept ook iets dat ontbreekt. Uiteindelijk blijven het gesproken verhaal en de muziek twee werelden. Zou het een idee zijn geweest om de actrice ook een fragment te laten zingen? Tenslotte zingt bijna iedereen in de Arabische wereld wel iets van Oum Kulthum. En om de twee klassiek geschoolde zangeressen een deel van de tekst van de ik-figuur te laten zingen, in een gesproken recitatief en gezongen aria vorm?

Compositie Bushra El-Turk
Tekstbewerking en dramaturgie Wout van Tongeren
Muzikale leiding  Kanako Abe
Regie Kenza Koutchoukali
Decor en video Yannick Verweij
Actrice Nadia Amin
Arabische zang Ghalia Benali
Mezzosopraan Dima Orsho
Sopraan Bernadeta Astari

Amsterdams Andalusisch Orkest

Gezien 20 maart, De Nationale Opera en Ballet, grote zaal van het Muziektheater. Amsterdam.

Scènefoto’s: © Bart Grietens

Nicola Alaimo en John Osborn schitteren in Guillaume Tell

Tekst: Lieneke Effern

Nicola Alaimo en John Osborn ©: Lodi Lamie

De voorlaatste voorstelling van Guillaume Tell in Luik op dinsdag 18 maart was een muzikale belevenis van hoog niveau.

Foto: © J Berger-ORW

Een sublieme hoofdrol

Nicola Alaimo zette een formidabele Guillaume Tell neer. Zijn stem was warm en buigzaam, dwingend waar nodig. Alle facetten van de rol werden door hem overtuigend ingevuld. Een absoluut hoogtepunt was Sois immobile, de aria die Tell zingt voordat hij onder immense druk de appel van het hoofd van zijn zoon Gemmy moet schieten.

Foto: © J Berger-ORW

Toen Richard Wagner in 1860 in gesprek was met Rossini en deze aria prees, vertelde Rossini dat hij de juiste toon voor deze aria had gevonden door de liefde die hij had voor zijn moeder en vader. Dat gevoel wist Alaimo perfect over te brengen en hij ontroerde daarmee zeer.

Guillaume Tell Amsterdam 2013

John Osborn blijft overtuigen

Foto: © J Berger-ORW

Ongelofelijk hoe John Osborn, in wat inmiddels zijn 16e of 17e vertolking van Arnold moet zijn, niets aan overtuigingskracht heeft ingeboet. Zijn stem heeft iets meer staal gekregen, maar dat kan de rol van Arnold goed hebben.

Foto: © J Berger-ORW

Zoals altijd wist hij me te ontroeren in het trio in de tweede akte, dat dezelfde bezetting had als in 2013 bij De Nationale Opera: met Nicola Alaimo en Patrick Bolleire (Walter Fürst).

© Lieneke Effern

Osborn blijft een belcanto-zanger pur sang, wat vooral bleek in zijn adembenemende vertolking van Asile héréditaire. Het aansluitende Amis, amis, secondez ma vengeance werd met verve gezongen en bekroond met een lang aangehouden slotnoot. Heerlijk!

Salome Jicia schittert als Mathilde

Foto: © J Berger-ORW

Salome Jicia bracht Mathilde met veel hart en overtuiging. Haar Sombre forêt was prachtig, mede dankzij de liefdevolle begeleiding van dirigent Stefano Montanari. Mede door haar werd het trio met  Emanuela Pascu (Hedwige) en Elena Galitskaya (Gemmy) in de vierde akte een fraai hoogtepunt. Jammer dat dit trio vaak wordt gecoupeerd.

Ook Nico Darmanin verdient een vermelding: zijn openingsaria als visser Ruodi was schitterend. De overige zangers, waaronder Ugo Rabec (Melchtal), Inho Jeong (Gessler), Tomislav Lavoie (Leuthold) en Kresimir Spicer (Rodolphe), waren eveneens uitstekend en droegen bij aan de kracht van de voorstelling.

Dansende dirigent

© Lieneke Effern

En dat brengt mij bij de dirigent en het orkest. Ik zat deze avond op de eerste rij vlak achter de dirigent. Dat was een belevenis. Stefano Montanari (hij dirigeerde Il Viaggio a Reims bij DNO) danste, sprong, ging diep door de knieën en ademde heerlijk mee met de zangers. Dat leidde tot prachtige klanken uit het orkest, maar af en toe liet hij de teugels toch iets te veel vieren naar mijn smaak.

© Opera ballet van Vlaanderen

Dit was hoorbaar in de ouverture, maar helaas ook in het prachtige slot dat voor mij  toch iets van zijn werking verloor omdat de strijkers helemaal ten onder gingen. Maar het moet gezegd: hij had een hoge amusementswaarde.

Enscenering en regie

Jean-Louis Grinda’s regie maakte gebruik van een eenheidsdecor met mooie achtergrondtaferelen en fraaie belichting. . Persoonlijk vond ik het jammer dat er na de pauze een aantal scènewisselingen waren waarbij het doek dicht ging, dit haalde de vaart een beetje uit de voorstelling.

© Lieneke Effern

Al met al een prachtige avond in Luik met geweldige zang. 

Teaser: