Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Herodes en Salome in Minsk

Tekst: Peter Franken

De nieuwe productie van Salome die Ersan Mondtag heeft gemaakt voor Opera Vlaanderen moet de indruk wekken van de Belarussische hoofdstad Minsk als locatie in plaats van Tiberias. Die keuze komt voort uit de gedachte dat Herodes Antipas slechts een onbetekenende vazal vorst was in Galilea die mocht ‘regeren’ bij gratie van de Romeinen. Evenzo is Loekasjenko nauwelijks meer dan een marionet van Putin, zo zal Mondtag hebben gedacht.

In zijn eerdere productie voor Vlaanderen, Der Schmied von Gent, maakte hij gebruik van een groot draaitoneel dat in een oogwenk twee verschillende werelden kon tonen. Datzelfde draaitoneel toont nu het paleis van een decadent potentaatje in een post socialistische samenleving. De ene kant laat enorme beelden zien in socialistisch realistische stijl tegen een brutalistisch bouwwerk met een paar anachronistische middeleeuwse kantelen.

De andere kant toont het interieur, in toneelrood met gordijnen en tierlantijnen. Het socialisme heeft plaats moeten maken voor burgerlijke invloeden al zien we op de achtergrond nog wel een beeldengroep uit Stalins glorietijd. Mondtag is verantwoordelijk voor alle belangrijke aspecten: regie, decors en kostuums. Wat hij met die referte aan Minsk heeft beoogd blijft verder ongewis. Het levert een mooi beeld op, dat wel

Interessanter is wat Mondtag met het werk doet als regisseur en dan vooral waar het de interactie tussen Salome en Jochanaan betreft. Klassiek is de gedachte dat Salome zich door alle mannen aan het hof bekeken en begeerd voelt, vooral door haar stiefvader Herodes. Eigenlijk is ze al te oud om als ongetrouwde vrouw van 15 zo maar los rond te lopen gelet op de mores van twee millennia geleden. De huwelijkse status zou haar in elk geval tegen Herodes hebben kunnen beschermen. Maar goed, de page (hier gespeeld door een vrouw) is verliefd op de kapitein van de wacht Narroboth die op zijn beurt verliefd is op Salome. De page waarschuwt dat hij niet zo naar Salome moet kijken, daar komt onheil van. Zal wel maar eigenlijk is ze gewoon jaloers. Als Salome die gevangen prediker wil zien die haar moeder zo leuk beledigt stuit ze op het verbod van Herodes. Maar het is Narroboth die dat moet handhaven en hem kan ze met een natte vinger lijmen. En zo komt er een derde man in het spel.

Mondtag laat een andere Jochanaan zien dan gebruikelijk. Natuurlijk kraamt hij vreselijke teksten uit. Dat hij de wegbereider zou zijn van iemand die de wereld beter zal maken komt nooit echt uit de verf. Hij gedraagt zich als een ordinaire haatprediker. En als hij niet snel genoeg wordt gehoorzaamd spreekt hij een vloek uit. Het is alsof de paus een banvloek uitspreekt over iemand die een verkeersovertreding heeft begaan, zo gemakkelijk vloeit het uit zijn mond.

 Deze Jochanaan staat echter niet sterk in zijn schoenen waar het vrouwen betreft. Hij laat Salome dichtbij komen, ze kan zelfs wijdbeens op hem gaan zitten. Er speelt duidelijk iets tussen die twee, tot afgrijzen van Narroboth. Machinegeweren horen bij de attributen van de wachters en Salome heeft er eentje afgepakt. Jochanaan pakt dat geweer op zijn beurt van Salome terwijl die hem vast houdt. Als Narroboth tussen beiden komt wordt hij per ongeluk gedood. Ook later zien we Salome intiem samen met Jochanaan in scènes die wringen met het libretto. Hier zal het vooral de herinnering zijn aan wat voordien is gebeurd.

Het paleis wordt bevolkt door de gebruikelijke menagerie waaraan vier ‘performers’ zijn toegevoegd. Deze vrouwen in naaktpakken lopen rond met machinegeweren en zorgen voor het nodige vertier. Ook Herodias loopt vanaf het middendeel van de opera met ‘ontbloot’ bovenlijf. Hedonisme en decadentie worden alzo gesuggereerd. De dans wordt uitgevoerd door Salome en die vier dames. Aanvankelijk worden ook de mannen aan het hof er in betrokken.

Tegen het einde verdwijnen Salome en Herodes achter de coulissen. Als ze naar buiten komt is ze geheel naakt, weliswaar in zo’n pak, maar toch. Het laatste halfuur van de opera loopt Salome zo rond: iedereen wilde me graag zo zien toch? Als Herodes blijft door mekkeren over zijn robijnen en pauwen begint Salome het paleis te mollen. Als dat niet helpt richt ze een machinepistool op hem en krijst dat ze nu eindelijk dat hoofd wil hebben.

Dat wordt op de rand van de kerker voor haar klaargelegd. Na een tijdje spietst ze het op een paaltje. Later vrijt ze met het hoofd. En net als je denkt dat alles afloopt zoals gebruikelijk vindt er een paleisrevolutie plaats die op gang wordt gebracht door de vier blote dames. Wanneer Herodes uitroept dat Salome gedood moet worden schiet men hem zelf neer. Salome staat triomfantelijk met een geweer omhoog als het grote verwinningsbeeld van Moeder Rusland in Stalingrad: ze heeft alle mannen verslagen.

Al met al een redelijk librettogetrouwe weergave, in elk geval een vrijage met een hoofd en een uitgelichte incestueuze belangstelling van Herodes voor zijn stiefdochter. Voor Jochanaan is het wat ontluisterend, hij heeft zichzelf kennelijk opgelegd om niet aan vrouwen te denken omdat dit een eerste vereiste is voor een woestijnheilige. En zijn testosteron zit hem in de weg. Salome breekt gemakkelijk door dit kunstmatige pantser heen. En dat is goed beschouwd de enige specifieke inbreng van de regie.

Astrid Kessler vertolkte de titelrol met volledige inzet van alles dat ze te bieden had. Stimmlich komt ze te kort, in de hoogte klinkt het vaak schril en in de laagte valt de stem weg. Ze compenseert dit echter met haar acteren, dat doet ze werkelijk geweldig. Misschien komt deze rol net iets te vroeg, Crysothemis, Arabella, Eva, Sieglinde zijn rollen die haar ongetwijfeld beter passen.

Thomas Blondelle was een redelijke Herodes, acterend nogal sullig wat onvoldoende werd gecompenseerd door zijn zang. Eigenlijk is er ook moeilijk iets moois van die rol te maken. Strauss’ weinig behulpzame behandeling van tenoren is hier al merkbaar.

Jochanaan was in goede handen bij Kostas Smoriginas, een goed uitziende ‘jonge man’ die volledig overeenkomt met de ruige kerel waar het tienermeisje Salome op valt als een blok. Goed gezongen en prima geacteerd. Verder Angela Denoke als Herodias, Denzil Delaere als Narroboth en Linsey Coppens in de belangrijkste bijrollen.

Het orkest van Opera Vlaanderen beviel mij buitengewoon goed. Strauss’ Salome kwam in volle glorie uit de bak, mede door toedoen van dirigent Alejo Pérez. Maar het waren vooral de individuele musici die het verschil maakten.

Al met al een boeiende voorstelling van een klassieker, zeer aanbevolen. Er volgen in januari nog 5 voorstellingen in Gent.

Foto’s van de productie:© Annemie Augustijns

Meer Salome:

Salome: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

SALOME IN AMSTERDAM: waar bleef de kop?


Castellucci’s Salome op dvd en Bluray uitgebracht

Saaie Salome uit Frankfurt




Ein Sof en Soefisme, ontheemding en thuis zijn

Tekst: Neil van der Linden

Eerst is er multitimbraal stemmen: een cello, die van Maya Fridman, heeft van nature een preciezere pitch dan een ud (de Arabische luit; zelfs hetzelfde woord, al-ud werd de luit), bespeeld door Nawras al Taky.

Dan begint Nawras al Taky te zingen, begeleid door celloklanken van Maya Fridman. Hij improviseert in een mawwal (vocale improvisatie) op het woord Layali, “nachten”. Het lied, een eigen compositie van Al Taky, gaat voort, vol prachtig lang aangehouden noten.

Hierna legt hij uit dat het ging over herfstnachten, zoals hij die zich herinnert uit zijn geboortestreek, in Zuid-Syrië, een heuvelrijk gebied met verspreide zwarte rotsblokken, tekenen van de vulkaan die hier ooit actief was. Maar tijdens verkoelende herfstnachten was het er vredig. Wisten de kinderen veel dat ze ooit zouden moeten vluchten, over gevaarlijke golvende zeeën, zonder te weten waar hun toekomst zou komen te liggen.

Tree of Life is een muzikale vertelling gecomponeerd door Maya Fridman, geïnspireerd op de tien ‘sefirot’ van de Tree of Life, spirituele principes uit de Joodse Kabbala traditie. Sefirot, meervoud van het Griekse: σφαῖρα, letterlijk ‘sfeer’, de tien eigenschappen/emanaties in de Kabbala, waardoor Ein Sof (“oneindige ruimte”) zichzelf openbaart en voortdurend zowel het fysieke rijk als de seder hishtalshelut (de aaneengeschakelde afdaling van de metafysische Vier Werelden) creëert.

Fridmans compositie weerspiegelt de geleidelijke spirituele ontwikkeling volgens die tien stadia, de Levensboom. Hiervoor maakt ze gebruik van de Perzische poëzie van de dichter en filosoof Rumi, één van de denkers van de Soefi-beweging, gezongen door Al Taky, en teksten van een anonieme kabbalistische dichter en poëzie van de Amerikaanse (Amerikaans-Joodse) dichter David Caplan, vertolkt door sopraan Channa Malkin.

Het concept was een jaar geleden ontstaan tijdens een cafégesprek tussen Maya Fridman en Channa Malkin. Beiden waren aangeslagen door de toestand in de wereld, zo vertelt Maya Fridman. Hoewel ze de eigenlijk daartoe gerechtigde leeftijd van 40 nog niet hebben bereikt, zo vertelt ze ook, bestudeerden ze de Kabbala, het invloedrijkste Joodse mystieke geschrift, met daarin onder meer de Tree of life, waarin stadia staan beschreven om de hoogste spirituele staat te bereiken.

Tree of Life was al eerder te horen, tijdens het afgelopen Grachtenfestival, in een versie voor sopraan, viool, altviool, contrabas, cello, duduk, daf, santoor en ud, negen musici. In de nu ten gehore gebrachte nieuwe trio-versie werden Fridmans composities voor Tree of Life uitgebreid met composities van Nawras Altaky en een Sefardisch lied.

Hoewel het niet heel expliciet werd gezegd, zijn de beginselen van de Kabbala-mystiek, vergelijkbaar met het Soefisme, de belangrijkste mystieke stroming in de Islam. Mij schiet, zonder verder nazoekwerk, de vraag te binnen of dat begrip Ein Sof uit het Kabbalisme en het woord Soefisme met elkaar verband houden. Want ook de mystieke kant van de vroege Islam moet geïnspireerd zijn door het Judaïsme. (Ik was in elk geval ooit eens bij de zawiya, het heiligdom, van de Tijani Soefi-broederschap in Fes, Marokko, die ook werd bezocht door een rabbi uit het gezelschap waarmee ik op bezoek was, en die zei dat zijn spiritualiteit en die van het Soefisme dezelfde was.)

Fridman en Malkin zijn allebei van Joodse komaf. Eén van de uitgangspunten van dit concert moet zijn geweest om hier uitdrukkelijk de wereld van de Islam bij te betrekken, via Rumi, en de Arabische wereld die de uit Syrië afkomstige Nawras al-Taky zelf mee bracht.

De tekst van het eerste lied was ontleend aan Rumi. Dan volgt een lied op tekst van een passage uit de Kabbala, waarin inderdaad een parallel beeld van onthechting van de wereld als in Rumi’s poëzie opdoemt. Channa Malkin vervolgde met een lied op tekst van de Amerikaanse (Amerikaans-Joodse) dichter David Caplan (1969).

Nawras al Taky en Channa Malkin wisselden af met solozang, maar zongen ook in duetvorm. Fridman zong af en toe een derde stem; “Et in tre unum sunt”, om de passage over de Heilige Drie-eenheid uit de Maria Vespers te citeren, om er meteen één van de meest mystieke beginselen van het Christendom bij te halen.

Malkin durft de hoogte te nemen, en fluctueert geregeld gedurfd van laag naar heel hoog. Fridman durft ook ruig te zijn op de cello en Al Taky snerpt soms met een snaar van de ud en excelleert in nog meer lange noten die telkens eindigen in verrassende melismen.

In een ander stuk van Al Taky, Maktoub, “Lot”, refereert hij aan de lotgevallen van ontheemden. De aangrijpende tekst die Al-Taky uitsprak ging over kinderen die over de zee vluchten en niet weten waar hun toekomstige thuis zal zijn; als ze ooit een thuis zullen vinden. Daarin spraken misschien ook eigen ervaringen mee.

Het programma sloot af met een Sefardisch lied in Ladino, Hija mía mi querida, amán, aman.

“O, mijn lieve dochter,
Stort je niet in zee
Waar de storm nu raast.
Pas op, zij sleurt je mee!”

Bij de tekst moet ik denken aan de Joodse bevolking die (net als de Moslimbevolking) het Spanje en de Inquisitie moest ontvluchten, deels over de zee, met alle gevaren van dien. Waarmee het lied ook voortborduurt op de woorden uit Al Taky’s net ervoor voorgedragen gedicht over de vluchtende kinderen

Foto’s van het concert: © Neil van der Linden

© Maya Fridman

Die Lustige Witwe and The Merry Widow

© Mary Evans Picture Library

Operetta may be seen and heard again, and even in the poshest opera houses it appears in the repertoire these days.

Die Lustige Witwe is often chosen, and not without reason: this is a beautiful work, full of wonderful melodies and witty dialogue.



Helmuth Lohner, originally a film and stage actor and also an operetta singer has been concentrating on directing in recent years and he does so superbly. His 2004 production from Zurich is very traditional, rich in colour and movement, and his satirical characterisation of the characters makes perfect sense.

He does allow himself a small ˜adaptation”: after the men’s sextet ˜Wie die Weiber”, he has the women sing an equivalent of it.



Initially I had a bit of trouble with the somewhat shrill Dagmar Schellenberg (Hanna), but gradually she gets better and better and she really redeems herself with a perfectly performed Vilja song.


Rodney Gilfrey is an irresistibly charming and sexy Danilo, Ute Gferer a kitschy Valencienne, and Piotr Beczala revives the good old days of a Kiepura with his beautiful, lyrical tenor (Arthaus Music 100451)





THE MERRY WIDOW



Yes, it’s in English. So what? The ˜unvergessliche süsse Melodien” sound no less beautiful. This production of Franz Lehár’s Die Lustige Witwe by San Francisco Opera is simply wonderful.

In 2003, The Merry Widow was the last production by Lotfi Mansouri, the face of San Francisco Opera for more than forty years. A new English translation of the libretto, of its French version!, was produced for the occasion. In it, the last act does not take place at Hanna’s home, but in the real ˜Maxim’s”.

Mansouri sees Hanna as an already somewhat mature woman, who should be sung by a singer who has already been performing the Marschallin. Into this concept Yvonne Kenny fits wonderfully and she makes her role debut with it. She possesses a brilliant stage personality, her voice is creamy, velvety and enchanting.

Bo Skovhus, too, is a Danilo true to Mansouri’s vision: youthful and irresistibly attractive. His voice rings like a bell, he is a gifted actor and a superb dancer.

Angelika Kirschschlager and Gregory Turay excel as Valencienne and Camille, and the rest of the cast is also outstanding. A wonderful production (Opus Arte OA 0836 D)

BONUS



Pierrot Lunaire, maanziek tijdens de langste nacht

Tekst: Neil van der Linden

Terwijl er buiten geen maan of ster te zien was, de vanwege bewolking, vond binnen in de Uilenburgersjoel een kosmisch drama plaats. Althans zo werd Schönberg Pierrot Lunaire uitgevoerd, door Ekaterina Levental en Chris Koolmees.

In Pierrot Lunaire uit 1912 heeft Arnold Schönbergs de tonaliteit definitief achter zich gelaten, maar hij lijkt de pil te hebben willen vergulden door het schijnbaar vaudeville-achtig karakter van het muziektheaterwerk. Het is een stuk voor vrouwelijke solozang, dat veel eist van zowel de muzikale als de acteer-vermogen van de uitvoerende.

Schönberg schrijft voor dat, onlangs de verleiding misschien daartoe, de uitvoerende zich niet een bepaald personage mag inbeelden. De teksten zijn macaber, vol doodsbeelden, maar anders dan in het eerdere monodrama Erwartung zit er geen lopen verhaal in en dat mag volgens de componist dan ook niet worden gesuggereerd.

Het publiek werd indertijd blijkbaar op het verkeerde been gezet door het cabareteske klankidioom in de solopartij en instrumentale begeleiding, wat bij de  eerste uitvoeringen tot ongemak bij menigeen leidde en zelfs hier en daar tot vechtpartijen. Zulke schandalen doen zich al lang niet meer voor, maar veel staat of valt bij de overtuigingskracht van de uitvoerenden, om het dubbele waarmee Schönberg het publiek indertijd zowel wilde paaien als choqueren over het voetlicht te brengen. Dat is in het geval van mezzosopraan Ekaterina Levental, geholpen door het toneelbeeld van Chris Koolmees, geen probleem.

Een mooiere dag of eigenlijk nacht op Schönbergs Pierrot Lunaire uit te voeren is er misschien niet: 21 december, de kortste dag met de langste nacht. Tijdens deze lange nacht viel ook het doek voor de voorstelling. De makers zetten een – fraaie – punt achter deze nu twaalf jaar oude productie.

De vormgeving van Chris Koolmees zoekt aansluiting bij de expressionistische kunst uit de tijd van de première van het stuk, inclusief de vroeg-expressionistische filmkunst. De gebruikte kleuren, inclusief in de kleding van Ekaterina Levental, zijn zwart, wit en grijs, zoals in de vroege filmkunst, op hier en daar een enkele kleur na, zoals in sommige expressionistische beeldende kunst, in dit geval.

Ekaterina draagt felrood glimmende laarzen en handschoenen. De kleur dat aan bloed denken, wat past bij de sfeer van de tekst, maar ze hebben ook iets SM-achtig krachtdadigs; een mengsel van zelfbewust feminien met androgyn. Wat we ook zien bij sommige filmpersonages uit de tijd van het expressionisme. Ook de maan in de voorstelling kleurt op zeker moment ook rood.

Tussen de verschillende scènes van het stuk zien kondigen plaatjes teksten in wit op zwart met art deco-randen de titels en een soort inhoud van de volgende scènes aan, in de stijl van de tussenteksten bij ‘stomme’ films.  Niet dat we daar veel aan hebben, want de bewoordingen die de Schönberg gebruikte om de scènes te beschrijven lijken bewust bedoeld om de toeschouwer te verwarren en de indruk van een samenhangend verhaal te ontregelen.

Schönberg gebood immers uitdrukkelijk dat er wat betreft verhaallijn niet meer mocht worden uitgebeeld dan wat er uit de muziek gehaald kunnen worden, ongeacht de letterlijke tekst. “Voor zover de beeldende weergave van de gebeurtenissen en gevoelens in de tekst voor de componist van belang was, zal deze in de muziek terug te vinden zijn,” aldus de componist.

Maar ja, het stuk heet Pierrot Lunaire en de eerste vier gedichten gaan respectievelijk over de maan, Colombine (net als Pierrot een personage uit de Commedia dell’Arte), ‘Der Dandy’ en weer de maan, en dat rechtvaardigt dat je bij uitvoeringen beelden gebruikt van de maan, van vaudeville en van mode.

Dat gebeurt in deze uitvoering ook, maar dan wel heel consequent gestileerd. En wat de maan betreft: we krijgen voor het merendeel een vrij werkelijkheidsgetrouw beeld van de maan te zien, met ‘oceanen’ en bergketens, in plaats van de kinderboeken -maansikkel die we vaak te zien krijgen. Alleen gaat hij op zeker moment horizontaal om zijn as draaien zodat we ook de kant zien die wij op aarde nooit te zien krijgen. En hij kleurt op zeker moment dus rood.

Andere concrete objecten uit de tekst zijn fladderende vlinders en ‘breinaalden in het grijze haar van de werkster’, maar die evolueren tot virusachtige geometrische figuren, en als er sprake is van het schieten van ‘een gat in het hoofd van Kassander’ zien we een gat in een orgaanachtige vorm waaruit vloeistof stroomt. Maar in feite lossen al deze figuren vervolgens op in abstracte vloeistofachtige structuren, zonder dat er verder duiding mee wordt gegeven. Waarmee de uitdrukkelijke bedoeling van de componist dus geëerbiedigd blijft.

De hemelobjecten kunnen op Ekaterina’s bewegingen door middel van interactieve cameratechniek. Grappig is hoe de interactieve videotechniek van twaalf jaar geleden nu alweer ‘vintage’ aandoet, maar dat past juist goed bij mengvorm van vintage en moderniteit van de voorstelling.

Ekaterina Levental lijkt vocaal en theatraal volledig vergroeid met deze technisch zo moeilijke rol. Ze beweegt zich als een ware acrobate over het toneel, wat de rol ook de juiste vervreemde schijn-lichtheid geeft. Speels met de moed der wanhoop, conform de neuroses uit de tekst die in de muziek doorklinken. Het personage is gevangen in een helwitte lichtbundel. De vlinders blijken te evolueren naar een nachtmot die op de maan af fladdert.

Pierrot Lunaire van Arnold Schönberg
Ekaterina Levental zang
Chris Koolmees decorontwerp en techniek
Gezien 21 december
Locatie Uilenburger Sjoel, als onderdeel van het Winteravonden aan de Amstel festival.

https://www.leks.nu/pierrot-lunaire-2-01/

Pierrot Lunaire 2.01 is een productie van LEKS compagnie: www.LEKS.nu
Uitgevoerd door: Ekaterina Levental www.ekaterina.nl
Concept, regie, ontwerp en interactie: Chris Koolmees  www.koolmees.net

Foto’s: © Gita Overmaat

La Campana Sommersa van Respighi aan de vergetelheid ontrukt

Tekst: Peter Franken

Ottorino Respighi (1879-1936) schreef in totaal negen opera’s waaronder La campana sommersa (1927) en Maria Egiziaca (1932). Na de oorlog werd Respighi weggezet als ‘fascistisch componist’. Mede hierdoor beleefde zijn opera Marie Victoire uit 1913 pas in 2004 zijn première. In 2009 ging de opera in Deutsche Oper Berlin in een productie van Katharina Wagner. Eveneens in DOB werd in 2024 een nieuwe productie van zijn opera La Fiamma uit 1934 op het programma gezet.

Voor La Campana Sommersa moesten liefhebbers van bijna vergeten werken naar Sardinië waar het Teatro Lirico di Cagliari de voorbije jaren een reputatie heeft opgebouwd van operahuis dat enig risico niet schuwt bij het programmeren van rariteiten. In 2018 ging dit werk aldaar in een productie van Pier Francesco Maestrini. Het is een librettogetrouwe enscenering met bijpassende decors en kostuums. Een opname is uitgebracht op dvd door het label Naxos.

Het libretto van Respighi’s opera is van de hand van Claudio Guastalla en gebaseerd op het toneelstuk ‘Die versunkene Glocke’ van de Duitse schrijver Gerhart Hauptmann. Het verhaal speelt zich grotendeels af in een sprookjeswereld die wordt bevolkt door elfen, watergeesten en fauns (mythologische boswezens, half mens half bok). In die wereld komt de klokkengieter Enrico terecht als hij verdwaald is in het bos.

Enrico is aan wanhoop ten prooi na de ramp die zich heeft voltrokken toen zijn pas gegoten klok tijdens het vervoer heuvelop richting de kerk van de wagen is afgevallen en al rollend in het meer terecht is gekomen. Daar ligt hij nu, ‘verzonken’ en verloren. Dat ongeluk is veroorzaakt door de Faun die hierover trots in het bos komt vertellen. Hun wereld zal niet worden verstoord door dat goddeloze lawaai dat mensen plegen te maken. Ze vernietigen sowieso al de leefomgeving met hun roofbouw, laat het verder tenminste rustig blijven.

De elf Rautendelein treft Enrico in het bos, op sterven na dood. Kennelijk heeft die ramp hem alle energie ontnomen en is de drang tot leven uit hem weggevloeid. Ze heeft medelijden en trekt een magische cirkel om Enrico heen waardoor hij op het nippertje in leven blijft.

Zijn dorpsgenoten zijn naar hem op zoek en nemen Enrico mee op een draagbaar. Eenmaal thuis gaat het wat beter maar hij veert pas echt weer op als Rautendelein haar opwachting maakt in de mensenwereld en zich in zijn huishouden weet te dringen. Enrico wordt verliefd op haar en verlaat zijn vrouw en kinderen.

In het bos begint hij een nieuw bestaan als klokkengieter, met fauns als werkkrachten. Daarin gaat hij zover dat de tempel waarvoor zijn nieuwe grote klok is bestemd gewijd zal zijn aan de zon, een doorontwikkeling van het christelijk geloof. De dorpspastoor probeert hem hiervan af te brengen maar Enrico stelt dat nog eerder de verzonken klok zal klinken dan dat hij van zijn nieuwe geloof afvalt. Uiteraard gebeurt dat: Enrico’s vrouw heeft zich in wanhoop in het meer verdronken en doet de klok luiden. Enrico realiseert zich dat hij een heidens-magische wereld is binnengehaald en keert zich vol afgrijzen van Rautendelein af.

Zonder haar levenskracht is hij al gauw weer stervende en zijn laatste wens is zijn geliefde nog een keer terug te zien. Rautendelein is inmiddels ‘getrouwd’ met de watergeest Ondino, zeer tegen de zin van de Faun die haar graag voor zichzelf had gehad. Als Rautendelein aan Enrico verschijnt in de gedaante van een doodsengel kust ze hem en kan hij vredig heengaan.

In de eerste akte wordt het toneelbeeld bepaald door een bosachtige omgeving. Die maakt vervolgens plaats voor het interieur van Enrico’s woning en keert terug voor de rest van het verhaal. Wisselende projecties en lichteffecten completeren het geheel, uitgesproken naturalistisch. Dat geldt ook de kostumering van de Watergeest en de Faun: zo weggelopen uit een ‘horror zoo’. Rautendelein ziet eruit als een prinsesje in een lange blauwe jurk, elfjes gaan natuurlijk in het wit.

Addiche van de première:

Die sprookjeswereld heeft Respighi naar het schijnt geïnspireerd tot een bijna overdadige orkestratie waarin talrijke moeilijk benoembare emoties worden verklankt. In zijn klankrijkdom doet het hier en daar denken aan Strauss in diens middenperiode. Het klankbeeld van Enrico’s partij heeft veel weg van een verismo tenor. Bij vlagen hoor ik in zijn zang personages van Giordano, Mascagni en in mindere mate Puccini.

De zang van de andere rollen klinkt veeleer Duits, soms neigend naar Sprechgesang. Rautendelein is vooral het lieve elfje dat in haar kennelijke onschuld doet denken aan iemand als Mélisande. Kortom, de opera past volledig in de muzikale wereld van het eerste kwart van de 20e eeuw.

Sopraan Valentina Farcas geeft een schitterende vertolking van het elfje Rautendelein. Ogenschijnlijk met groot gemak gaat ze door de hoogste passages en alles klinkt welluidend en fris. Tenor Angelo Villari klinkt zoals gezegd vooral als een verismo held in dit verhaal. Dat is een kolfje naar zijn hand, het is een genre waarmee hij kan lezen en schrijven. Niet onverwacht is Andrea Chénier een van zijn lijfstukken.

De belangrijkste bijrollen worden prima vertolkt door Maria Luigia Birsi als Enrico’s vrouw Magda, Agostina Smimmero als de Oude Heks, Thomas Gazhelli als de watergeest Ondino, Filippo Adami als de Faun en Dario Russo als de priester. Ook de verdere bijrollen zijn naar behoren bezet.

Koor en orkest van Teatro Lirico di Cagliari staan onder leiding van Donato Renzetti. Het resultaat mag er wezen, een zeer aan te bevelen opname van een bijzonder werk.

Trailer:

Complete opera:

https://vk.com/video536128688_456242344

Productiefoto’s:  © Priamo Tolu.

nog een recensie:

Respighi La Campana Sommers

Pique Dame or the secret of the three cards


The Queen of Spades has always had something unsettling for me. I did not trust her. After all, she lacked the sweetness of Hearts, the wisdom of Diamonds and the sadness of Clubs. I experienced her as threatening

In Tchaikovsky’s opera, she symbolises the once blood-loving countess who, as legend has it, lost her entire fortune in a card game in her youth and regained it with the help of black magic.

The opera may be named after the countess’s ˜card alter ego”, but the real leading role belongs to Herman. A rather strange young man with obsessive eyes, of whom we know little to nothing. Fortunately, I would say, because this only adds to the suspense and mystery.


In Pushkin’s novel, on which the Tchaikovsky brothers based their opera, Herman is a German who at the end does not commit suicide but goes insane and is admitted to a mental institution.

Lisa (in the book not a granddaughter but companion of the countess) survives her misspent affair and marries a rich man.
Do you need to know it all before going to the opera?

No, you do not! Hence also why I always sincerely hope that the directors who take Pique Dame in hand ignore the novel and stick to what the opera is about: a musical dissection of obsessions.

 It is about an addiction carried to the utmost absurdum; to gambling, to love, to money, to power, to everything really. And about an all-pervading madness to which Lisa too falls prey, making her behave as if she were possessed by the devil. This is what the score also says.





GEGAM GRIGORIAN



This 1992 Mariinsky production is a feast for the lover of traditional staging, where there is no room for updating and searching for hidden intentions. All the sets are super realistic, extensive attention has been paid to all the details and the costumes too seem to have been pulled out from under the dust.

That the whole thing nevertheless does not come across as very corny is due not so much to the director (Yuri Temirkanov, the renowned conductor and former artistic director of the Kirov), but to the truly superior team of singers.

Armenian tenor Gegam Grigorian, who died in March 2016, makes Herman a little brother to Otello, a true achievement.

Maria Gulegina, despite minor intonation problems, is a brilliant Lisa: tearful and heartbreaking.

Sergei Leiferkus puts on a solid Tomsky and Ludmila Filatova impresses as the old countess. Only Alexander Gergalov’s understated Yeletsky is not up to par, but he is soon forgiven, after all he has only the one aria to ruin.

Gergiev conducts animatedly, though he is not the subtlest. (Philips 070434-9)





VLADIMIR GALOUZINE



We experienced Lev Dodin’s recorded in Paris production of 2005 a few years earlier in Amsterdam: DNO staged it back in 1998.

Lev Dodin is a renowned playwright and a great Pushkin enthusiast, which is why he wanted to return to the original story (here we go again!), which he felt was thoroughly botched by the Tchaikovsky brothers.

He came up with a formula that was ˜logical” in itself, in which the whole story exists only in the memories of the mentally ill Herman. I think I could probably live with it if Dodin had not subordinated the music to his concept and had not cut into the score: he deleted some 20 minutes of Tchaikovsky’s music and added a spoken text. I consider this a real crime.

The music that remains, however, is spot on. Rozhdestvensky has the score in his fingertips and there is also a lot of excellent singing, mainly by Vladimir Galouzine as Herman. He seems utterly fused with the role and commands admiration for his brilliant performance, both vocally and theatrically.

Hasmik Papian is a moving Lisa and as Polina we hear the young Christianne Stotijn (Arthouse Music 107317)






MISHA DIDYK.

This made me really go quiet
This because of the unimaginably beautiful traditional production directed by Gilbert Deflo, which faithfully follows both the libretto and the score in every detail, while also being challenging and unusually exciting (Barcelona 2010).

The conductor (Michael Boder) handles the music with velvet gloves, steering it in the right direction and creating an atmosphere where pastoral scenes, sweet songs and folk dances alternate with horror, fear and death.

I fall silent too when hearing the singers, who give everything that even the most discerning person can desire. Micha Didyk ís Herman. He looks like Herman, he acts like Herman and he sings the role as only the real Herman can: passionate, obsessed and driven to madness. Truly: I don’t think there is any singer these days who can match him in the role. Peerless.

Nor can I imagine a better countess than Ewa Podleś : impressive. Superb also are the two baritones Lado Atanelli (Tomsky) and Ludovic Tézier (Yeletsky) and the warm Russian mezzo Elena Zaremba (Polina). Add the veteran but certainly not forgotten Stefania Toczyska in the small role of the governess…. Top.

I dó have a little bit of trouble with Emily Magee: she looks and sounds a little too old for the role. When I think of Lisa, I think of Natasha (War and Peace) or Tatyana (Yevgeny Onjegin): an excited young girl and not a mature woman.

Nevertheless: an absolute must-see. (Opus Arte OA BD 7085)
an excerpt:




With the images of the production in your mind, you can sit back and listen to the recording under Mariss Jansons. In a manner of speaking, then, because even with Jansons the tension is cutting edge.
Larissa Diadkova is an outstanding countess, very moving in her great aria ‘Je crains de lui parler la nuit’. Tatiana Suryan is a firm yet fragile Lisa and in the duet with Polina (beautiful Oksana Volkova) their two voices melt into a harmonic unity, worthy of sisters. Even without vision, Mischa Didyk is the best Herman around.
The recording, recorded live in Munich in October 2014, sounds more than excellent (BR Klassik 900129)



VLADIMIR ATLANTOV



Julia Varady and Vladimir Atlantov were once a ˜match made in heaven”. In Munich in November 1984, they sang just about the most ideal Lisa and Herman in history, although I also have my reservations about Atlantov.

Atlantov has a cannon of a voice, which makes everything seem so unimaginably easy with him. Very beautiful, but his Herman sounds a bit too heroic and under-tormented for me.

Varady is a perfect Lisa in every way: vulnerable, insecure and in love. Lisa’s aria ‘Otkúda eti slyózy’ and the subsequent duet with Herman ‘Ostanovítes’ is breathtaking and of a touching beauty. Elena Obraztsova is a very impressive countess.

Algis Shuraitis conducts with little subtlety, but his reading is extremely exciting with a very cinematic ending (Orfeo D’Or C8111121).


Atlantov in ‘What is our life’
Recording from a performance at Mariinsky (not on DVD to my knowledge):




LEYLA GENCER

Version 1.0.0



You really should have this recording, of course, because of the Turkish Diva. It is in Italian and the 1961 recording sounds pretty dull, but a collector takes it all for granted.

A totally unknown for me, Antonio Annaloro, does what he can and that, unfortunately, is very little. His uninspired Herman is a real crier and sounds like a Domenico Modugno in a mini format. Soon forgotten.

But Marianna Radev’s Countess is worthy of note. And ‘Da quando il core mi donasti’ aka ‘Ya vas lyoublyu’ by Sesto Bruscantini (Yeletski) is delightful and is rewarded with a very deserved ovation.

Nino Sonzogno revives a verist heaven, though not quite rightly so here (Gala GL 100.792)




The Eternal Life or Věc Makropulos by Janáček

Eternal life, don’t we all secretly want it? Especially if you will stay young, beautiful and healthy in the process? And especially if you are an opera singer and you will be able to perfect your voice during all those hundreds of years of your life. Unfortunately, there is also a downside: you will certainly become cynical and then nothing will interest you anymore, not even sex. After all: you’ve seen it all?

Emilia Marty (or Elina Makropoulos, or Eugenia Montez, or any of the other of her former alter egos) brings turmoil to everyone’s lives, but she herself remains calm thoughout it all. Once she loved, yes, but even that was more than a hundred years ago. Now her end seems closer anyway, so she must find the elixir once invented by her father. But maybe death is the solution after all?


Janáček’s Věc Macropulos (The Makropoulos Case) is an extraordinary opera, providing much food for thought. A ˜gefundenes fressen” for a director, you might say, especially since the libretto (by Janáček himself and based on the story by Karel Čapek ) is truly genius and provided by the composer with equally genius music.

DVD



But when your name is Christoph Marthaler, you prefer to put your own stamp on the production, and he does just that. The opera begins with ˜silent” dialogue, which you can follow through subtitles. No, it’s not in the libretto, but apparently this director thought it was exciting. It took me a few hours to figure out that it wasn’t because of the DVD!

© Walter Mair



Whether it adds any value? You have to judge that for yourself. For me, it doesn’t; the opera’s message was more than clear without it. But once you get the hang of it, it is undeniably exciting, although I wonder if the audience on the left of the hall could see anything except the subtitles.




I have absolutely nothing against modern theatre, especially if it is done well and intelligently. As theatre, then, the production is certainly engaging. But Janáček it is not, also because the orchestra has too little affinity with him. Janáček is not modern, Mr Salonen! Even in this horribly inverted fairy tale, he does not lack lyricism. And the accents, the typical ‘Janáček accents’, I don’t hear them anywhere either. What a misunderstanding!



The singing is undeniably good to very good. Johan Reuter is a fantastic Prus and Raymond Very a really endearing Gregor. Angela Denoke is a fenomenal artist and although I don’t really like her voice, in her role she is more than convincing.

The reviews were almost all very complimentary. People praised the drama and the singers. Even Salonen was applauded, so the final verdict is yours.



Behind the scenes:




CDS


The 30-year-old classic conducted by Charles Mackerras still sounds great and it leaves very little room for improvement, unfortunately it is not available separately (anymore?). Decca has compiled all the Janáček operas recorded by Mackerras and put them in a 9-CD box set (4756872).

Fine in itself, especially considering the price; unfortunately you don’t get the libretto with it. But the performance is very pleasing indeed. Elisabeth Söderström  is an excellent Emilia, Peter Dvorský a fine Albert and Václáv Zítek an impressive Baron Prus.



In 2006, Mackerras conducted the opera at English National Opera, in English. The (live) recording appeared on Chandos (CHAN 3138), and it is good to have it there. Cheryl Barker sings a beautiful, cool Emilia, perhaps less lived-in than Söderström, but certainly no less sophisticated. And the English is something you just have to get used to.)


Alfano’s Sakùntala is en blijft een curiosum

Tekst: Peter Franken

Ripiano erboso in una selva, set design for La leggenda di Sakùntala act 1 (1921).

‘Sakùntala’ is Alfano’s vierde opera en is gecomponeerd in een stijl die sterk verschilt van zijn derde, Risurrezione uiit 1904. Sakùntala had première in 1921 en oogstte weinig succes. Toscanini die toch een hoge dunk had van de componist, zozeer dat hij hem in 1926 het slot van ‘Turandot’ liet componeren, heeft ‘Sakùntala’ nooit willen dirigeren en daarmee verloor Alfano direct een belangrijke pleitbezorger.

Van de opera zijn meerdere opnames op cd verschenen en in 2016 werd een opname gemaakt van een volledig geënsceneerde uitvoering in Teatro Massimo Bellini di Catania. Deze is op dvd uitgebracht door het label Bongiovanni

Shakuntala Lost In Thoughts – Raja Ravi Varma Painting

De legende van Sakùntala is afkomstig uit de Mahabharata en verhaalt over een jonge vrouw die is verlaten door haar ouders, de vereerde ‘rishi’ Vishvamitra en de apsara Menaka. Ze is als baby in een afgelegen ashram opgenomen door de kluizenaar Kanvi, een yogi die veel aanzien geniet. Ze groeit op in het bos in gezelschap van twee vriendinnen die feitelijk haar bediendes zijn in verband met Sakùntala’s hoge afkomst.

Raja Ravi Varma – Shakuntala Patra-lekhan

Op een dag komt koning Dushyanta langs, min of meer verdwaald tijdens een jachtpartij en zodoende tijdelijk zonder gevolg. Hij is direct sterk onder de indruk van Sakùntala en als de twee vriendinnen vanwege een triviale reden worden weggeroepen weet hij haar te verleiden. Haar hoge afkomst maakt deze vrouw tot een waardige bruid en ze trouwen ter plekke. Het betreft een Gandhava huwelijk, zonder rituelen en getuigen, gewoon met wederzijdse instemming.

King Dushyanta proposing marriage with a ring to Shakuntala’, chromolithograph by R. Varma.

Omdat de koning terug moet naar zijn hof blijft Sakùntala alleen achter met haar entourage. Uiteraard is ze zwanger en hoopt dat Dushyanta haar niet zal laten zitten. Als ze in gedachten is verzonken staat een nieuwe wijze man voor de deur, de asceet Durvasas. Die heeft een kort lontje en als hij meent dat Sakùntala hem niet met genoeg égards heeft verwelkomd spreekt hij een vloek uit: degene bij wie ze in haar gedachten was, zozeer dat ze hem heeft beledigd, zal haar voor altijd vergeten.

Shakuntala or Shakuntala looking for Dushyanta © Raja Ravi Varma

De vriendinnen zijn ontzet, zo had ze het niet bedoeld. Als Durvasa de situatie krijgt uitgelegd beseft hij voorbarig te zijn geweest met zijn vloek maar die kan hij niet terugnemen, alleen maar verzachten. Als Sakùntala de koning iets kan laten zien dat hem heeft toebehoord, zal de vloek worden opgeheven en zal Dushyanta zijn vrouw herkennen. Gelukkig heeft het arme kind bij zijn vertrek een ring van hem gekregen en als haar pleegvader Kanvi het hele verhaal heeft gehoord besluit hij haar mee te nemen naar het hof.

Dushyanta herkent haar niet en stuurt het gezelschap weg, heeft de indruk dat hij bedrogen wordt hoezeer hij respect heeft voor de vereerde Kanvi. Sakùntala wil de zaak redden door hem de ring te tonen maar is die onderweg verloren. Ze vertrekt, bevalt van een zoon en beleeft een hemelvaart, net als haar ouders. Een visser treft de ring in de buik van een vis en brengt hem naar het hof, hij heeft het koninklijk zegel herkend. De koning haast zich om Sakùntala te gaan zoeken maar komt te laat. Zijn zoon Bharata groeit op en wordt later een ‘grote’ koning.

In een versie van het verhaal treft Dushyanta zijn zoontje aan als baby die bij wijze van spelletje de bek van leeuwen opentrekt om hun tanden te tellen. De Indiase tekenfilmserie Bheem over een oersterke baby is daar heel losjes op gebaseerd.

Camille Claudel: Sakuntala reunited with her husband Dushyanta

Het libretto van Alfano’s opera volgt het verhaal in grot lijnen. In de eerste akte vindt de ontmoeting en bezwangering plaats. De tweede is gewijd aan de vervloeking. De derde akte begint met een ballet en daarna de ontkenning: ‘Ik ken die vrouw niet.’ De afloop blijft geheel buiten beeld.

Massimo Gasparon voert niet slechts de regie maar ontwierp ook de kostuums en het eenheidsdecor. Dat laat een leeg toneel zien met aan weerszijden de suggestie van een tropische omgeving met in duister gehulde palmbomen. De achtergrond is beurtelings rood en blauw met een bol die de zon of de maan kan verbeelden. De kostuums zijn smaakvol en doen redelijk recht aan wat westerlingen zich bij hindoestaanse kledij voorstellen.

Als oosterse legende heeft het verhaal natuurlijk een mystiek tintje en daarbij past muziek die enigszins vervreemdend werkt. In dat opzicht past het wel in een rijtje met ‘Pelléas et Mélisande’, ‘Blauwbaards Burcht’ en de delen van ‘Die Frau ohne Schatten’ die zich niet tussen de mensen afspelen.

Het tempo ligt overal laag en de zang bestaat grotendeels uit gesprekken. Het grote solostuk waarin Sakùntala een wolk aanroept om de groeten over te brengen aan een echtgenoot die in een ver land gevangen wordt gehouden is het enige lyrische intermezzo en een tour de force voor de sopraan.

Vrijwel alles wordt in een hoog register gezongen, de gehele opera door, en de zangers moeten opboksen tegen een groot orkest met instrumentatie à la Strauss. Misschien wat flauw om op te merken maar iets dergelijks doet Alfano feitelijk ook in zijn slot voor ‘Turandot’.

In een commentaar dat is geschreven door Paolo Isotta wordt het werk omschreven als een musicologisch hoogstandje dat veel meer waardering had moeten krijgen. Persoonlijk vind ik de opera weinig aansprekend, een eenvoudig verhaal dat lang wordt uitgesponnen zonder echt aansprekende muziek. Als theaterstuk lijkt het me voorbehouden aan echte Alfano fans.

Sopraan Silvia Dalla Benetta is bewonderingswaardig vast en welluidend in de titelrol. Voor haar is het een marathon vergelijkbaar met een combinatie van de rollen van Die Amme en Die Färberin, heel zwaar dus.

Tenor Enrique Ferrer geeft een uitstekende vertolking van Il re (Dushyanta) en bas Francesco Palmieri is redelijk op dreef als Kanva. Bas Alessandro Vargetto kinkt nogal grof maar dat past goed bij zijn rol van de asceet Durvasas, die voor een wijze man opvallend weinig zelfbeheersing toont. De overige rollen zijn redelijk tot goed bezet. Het ballet in de derde akte laat schaars geklede mannen en vrouwen zien in een soort slangendans, niet slecht gedaan.

Koor en orkest van Teatro Massimo staan onder leiding van Niksa Bareza. Het klink mooi wat er uit de bak komt en ook het koor verdient een pluim. Alles overwegend concludeer ik dat het vooral een goede uitvoering is van een opera die met name door musicologen erg interessant wordt gevonden. Ook heel geschikt om te bespreken en analyseren in de compositieles op het conservatorium.

Het klink mooi wat er uit de bak komt en ook het koor verdient een pluim. Alles overwegend concludeer ik dat het vooral een goede uitvoering is van een opera die met name door musicologen erg interessant wordt gevonden. Ook heel geschikt om te bespreken en analyseren in de compositieles op het conservatorium.

Twee trailers:

Sakùntala, live opgenomen op 26.10.1955 :

Two Luisa Miller’s worth watching

RENATA SCOTTO



In 1979, Renata Scotto sang her first Luisa at the Metropolitan Opera and she did so with her usual devotion. But before she could start her first big aria, a ‘joker’ caused a scandal by shouting ‘brava Maria Callas’ at the top of his lungs.

Sherrill Milnes, here in the guise of Luisa’s father, took the emotional Scotto in his arms and so saved her concentration. And the performance. And the day.

All this was broadcast live on TV and thus it ended up on the pirate videos in circulation. I had been cherishing mine for years, and now the performance has been released on DVD by Deutsche Grammophon, with the necessary cuts, including that famous incident. A pity, but after all it is not about the incidents but about the opera and the performance. And there is absolutely nothing wrong with that.

Nathaniel Merrill’s staging is a bit old-fashioned and Domingo looks like hell with his blonde hair, but you quickly forget that because the singing and acting are of absolute top quality and maestro James Levine conducts masterfully (DG 0734027



In the video below, the main actors (Scotto, Domingo, Milnes and Levine) discuss Verdi’s opera and the 1979 production:

DARINA TAKOVA



For his production of Luisa Miller (originally performed at the Nationale Reisopera in 2004, recorded for this DVD in Venice in 2006), director Arnaud Bernard was inspired by Bertolucci’s Novocento. But the influence of the Italian neorealists is also unmistakably present.

Bernard situates the action in the Italian countryside in the 1920s, giving ample coverage not only of class divisions but also of rising fascism. The stage setting is abstract and apart from a few realistic props and metre-high photographs of women, the stage is almost bare.

Luisa Miller was the third of the four operas Verdi based on a play by Schiller. Like all his operas from his ˜middle period”, the work is bursting with wonderful arias and ensembles, and it possesses perhaps the most beautiful overture ever written – a challenge for conductors.

Mauricio Bennini is on fine form with the Teatro La Fenice’s orchestra, although I find his tempi a bit on the slow side at times.


The – mostly young – cast is fine, but I think Ursula Ferri is an irritating Frederica. Her voice is flat and wobbly and her acting is completely off.

Giuseppe Sabbatini (Rodolfo) has an old-fashioned beautiful, slender tenor with good top notes and Darina Takova is a moving, highly imaginative Luisa (Naxos 2110225-26).

‘FANNY AND ALEXANDER’ IN DE MUNT

Tekst: Ger Leppers

In het voorjaar van 1987 kocht ik mijn eerste abonnement op de operavoorstellingen in de Brusselse Muntschouwburg. Sedertdien heb ik er heel wat wereldpremières gezien, want daar is men in de Belgische hoofdstad kwistig mee. Nieuwe opera’s van Boesmans, Hans Werner Henze, Jan van Vlijmen, Pierre Bartholomée, John Casken en vele anderen kwamen voorbij, en altijd haalde men daar in Brussel alles uit de kast om van zo’n allereerste voorstelling een succes te maken.

Voor ‘Fanny en Alexander’, de nieuwe opera van de Zweedse componist Mikael Karlsson, geldt dat misschien nog wel meer dan voor de meeste andere premières.

Het werk is gebaseerd op de gelijknamige, laatste film van de Zweedse regisseur Ingmar Bergman (1918-2007). Het is een werk van Wagneriaanse lengte: meer dan drie uur. In de latere televisieversie duurt ‘Fanny en Alexander” zelfs nog langer: Wikipedia klokt af op 312 minuten. En een tweede bioscoopversie, uit 2019, zelfs op 317 minuten.

Ingedikt en bewerkt tot een opera levert het een voorstelling op van iets meer dan drie uur, inclusief de pauze. Het verhaal speelt zich af in drie verschillende ruimten, die ieder gekenmerkt worden door muziek met een eigen karakter.

Het eerste tafereel speelt zich af tijdens de Kerstviering in de artistieke familie Ekdahl, ergens in de jaren twintig of dertig van de vorige eeuw. Er worden grapjes gemaakt, cadeautjes uitgepakt, het jongetje Alexander ziet hoe zijn vader een glaasje te veel drinkt en een bevlogen speech afsteekt. In een volgende scène zijn wij getuige van de dood van die vader, enkele dagen nadien, tijdens een repetitie van ‘Hamlet’.

Een goed jaar later is de moeder van Alexander en Fanny hertrouwd met de sinistere bisschop Edvard Vergerus. De muziek, die in de eerste scène warm en vaak tonaal was, en soms zelfs niet vrij van bonhomie, is in deze scènes veel harder en scherper, want de bisschop is een hardvochtige, egocentrische man die verlangt dat moeder en kinderen hun vorige leven geheel opgeven en zich naar zijn grillen voegen. Voor mishandeling van de ongezeglijke Alexander deinst deze dienaar van Gods woord niet terug.

Dankzij de koopman Isak Jacobi weten de kinderen aan de greep van de bisschop te ontkomen. In het huis van de Jacobi’s heersen fantasie en vrolijkheid. Ismael – een kleine maar zeer markant gezongen en gespeelde rol van de prachtige countertenor Aryeh Nussbaum Cohen – heeft zelfs spirituele gaven, zo ontdekt Alexander: Ismael kan zijn gedachten lezen.

De bisschop komt om wanneer hij, door een slaapmiddel verdoofd, met een ongelukkige beweging zijn huis in brand steekt. Enige tijd later viert de familie Ekdahl opnieuw Kerstmis, en verwelkomt een nieuwe baby.

Mikael Karlsson schreef hierbij een vaak stuwende, gemakkelijk in het gehoor liggende, transparant georkestreerde muziek, die mij regelmatig aan de vroege John Adams – die van ‘Nixon in China’ – deed denken, met dankbare partijen voor het slagwerk en voor de blazers. Aan het orkest waren nog een 47 verspreid in de zaal luidsprekers opgesteld, die moesten zorgen voor een ‘surround effect’. Tegen het slot van de opera leverde dat wel een paar bijzondere klankmomenten op, maar meestentijds was ik zonder dit effect niet minder gelukkig geweest. De zanglijnen volgende tekst op voet, en zijn daardoor goed te verstaan maar doorgaans nogal recitatief-achtig van karakter.

Twee absolute wereldsterren verleenden hun medewerking aan de opera – een bewijs dat de Munt de zaken grondig aanpakt. De één was de bariton Thomas Hampson, die een prachtige, sinistere, egocentrische, sadistische  bisschop speelde die virtuoos allerlei geloofsvoorschriften aanwendt om zijn wil door te zetten. De andere was Anne Sofie von Otter, die de – kleine – rol van slaafse, geïntimideerde huishoudster van de bisschop tot in de puntjes verzorgd speelde en zong.

Maar de ster van de avond, vocaal niet minder dan als acteur, was de 15-jarige Jay Weiner, in de behoorlijk grote rol van Alexander. Sinds zijn achtste zingt hij in de Kinder- en jeugdkoren van de Munt, en hopelijk zullen wij nog veel van hem horen.

Dat deze opera na afloop van de voorstelling onthaald werd op een langdurige staande ovatie is ook te danken aan de regie van Ivo Van Hove – wat mij betreft was het de meest geslaagde operaregie die ik van zijn hand gezien heb.

De diverse scènes van ‘Fanny en Alexander’ hangen, zoals u uit de samenvatting van het plot vermoedelijk al heeft kunnen opmaken, tamelijk los aan elkaar. De opera komt betrekkelijk traag op gang, en in het gedeelte voor de pauze was de dramatische ontwikkeling van het verhaal niet echt onontkoombaar.

Maar door het uiterst precieze acteren en de zeer knappe videoprojecties zat men toch vanaf de eerste maten op het puntje van de stoel. Met name de sterfscène van Alexanders vader, waarin videoprojecties een close-up van de gelaatsexpressie gaven, en zo de cinema even met het toneel deden versmelten,  was een hoogtepunt van de voorstelling. Ook het tafereel waarin de bisschop omkomt in de vlammen was adembenemend geënsceneerd. Mijn vader zei het al: in de opera gaat er niets boven een goeie sterfscène. In dat opzicht sluit ‘Fanny en Alexander’ waardig aan bij de eeuwenoude tradities van het genre.

Muziek:                                              Mikael Karlsson
Libretto:                                             Royce Vavrek

Muzikale leiding:                              Ariane Matiak
Regie:                                                Ivo Van Hove
Decor en belichting:                          Jan Versweyveld
Kostuums:                                         An D’Huys
Video:                                                Cristopher Ash
Dramaturgische voorbereiding:         Peter Van Kraaij

Helena Ekdahl:                                  Susan Bullock
Oscar Ekdahl:                                    Peter Tantsis
Emilie Ekdahl:                                   Sasha Cooke
Fanny:                                                Lucy Penninck
Alexander:                                         Jay Weiner
Bisschop Edvard Vergerus:               Thomas Hampson
Justina:                                              Anne Sofie von Otter
Isak Jacobi :                                       Loa Falkan
Ismaël :                                              Aryeh Nussbaum Cohen
Aron :                                                Alexander Sprague
Carl Ekdahl :                                      Justin Hopkins
Lydia Ekdahl :                                   Polly Leech
Gustav Adolf Ekdahl :                       Gavan Ring
Alma Ekdahl:                                    Margaux de Valensart
Paulina :                                            Marion Bauwens
Esmeralda :                                       Blandine Coulon

Symfonieorkest van de Munt

Voorstelling gezien op 8 december 2024

Productiefoto’s :  © Matthias Baus.