Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

Alfano’s Cyrano de Bergerac bekeken op dvd

Tekst: Peter Franken

In 1975 zag ik Edmond Rostands beroemde toneelstuk in de Rotterdamse Schouwburg. Het was een vrije productie met Guus Hermus in de titelrol en Jeroen Krabbé als de wat leeghoofdige Christian. Ko van Dijk speelde ook mee, ik geloof als Ko van Dijk zoals eigenlijk altijd. Ik herinner me vooral dat het een lange avond was, heel lang, met verschrikkelijk veel tekst.

Zo’n stuk omwerken tot een opera lijkt een project dat bijna tot mislukken gedoemd is. Librettist Henri Cain heeft de eindeloze monologen en dialogen flink gecoupeerd maar uiteindelijk is er toch een hoeveelheid tekst overgebleven die zeker de eerste helft van het werk een bijna declamatorisch karakter geeft. Goed beschouwd zat hij natuurlijk met een duivels dilemma. Er gebeurt eigenlijk heel weinig in Rostands toneelstuk, er wordt voornamelijk gepraat en opgeschept. Je zult daarvan een aanzienlijk deel intact moeten laten om het werk enigszins herkenbaar overeind te houden.

Franco Alfano is als componist bij velen vooral bekend als degene die een einde heeft gebreid aan Puccini’s onvoltooid gebleven Turandot. Dat is pech voor hem aangezien Toscanini maar een klein deel van zijn werk heeft benut waardoor zijn feitelijke inbreng nooit op zijn merites beoordeeld kon worden. Hoe het ook zij, Alfano componeerde een dozijn opera’s waarvan deze Cyrano degene is met de bekendste titel. Het werk ging in 1936 in première in Rome onder leiding van Tullio Serafin.

De productie van de Opéra National de Montpellier uit 2003 is een familieaangelegenheid. De enscenering en de decors komen voor rekening van David en Frédérico Alagna en Roberto zingt de titelrol. Het toneelbeeld oogt levensecht met achtereenvolgens een theater, een luxe bakkerij met prachtige taarten, een villa met balkon, een legerkamp en een kloostertuin. Ook de kostumering van Christian Gasc is tot in de puntjes verzorgd en ‘bad guy’ De Guiche verschijnt een aantal keren gezeten op een echt paard.

De proloog laat ons kennismaken met Cyrano en zijn entourage, maar vooral met zijn opschepperige gedrag. Het schermduel waarin hij ondertussen een gedicht bedenkt en declameert wordt al gauw net zo opwindend als een routine weerbericht. Alfano zet er een deuntje onder maar dat helpt niet echt en ook Alagna kan er niet meer van maken dan hem wordt geboden.

Het stuk leeft wat op als Roxane in beeld komt, het duet met Cyrano in de banketbakkerij. Maar de grote scène onder het balkon die erop volgt duurt gewoon te lang. Cyrano neemt het versieren van Roxane geheel en al van Christian over en gaat daar volledig in op. Hierin had Cain best wat meer kunnen schrappen. Overigens begin je je hier af te vragen hoe opmerkzaam die Roxane eigenlijk is. Het doet denken aan Lois Lane die er ook een eeuwigheid over leek te doen voor ze in de gaten kreeg dat Clark Kent en Superman een en dezelfde persoon waren.

Muzikaal zakt het in doordat Cyrano maar blijft declameren en Roxane daar maar niet genoeg van kan krijgen. Hetzelfde probleem kenmerkt aanvankelijk de scène in het legerkamp bij Arras. Gepraat en gepoch over Gascogne. Maar als Roxane verschijnt komt de opera muzikaal tot leven en krijgt Alfano’s werk eindelijk een niveau dat in de buurt komt van een tijdgenoot als Mascagni. Toch blijf ik me afvragen wat Puccini hiermee had kunnen doen.

Ook in de kloostertuin blijft Roxane blind voor haar omgeving. Cyrano zit stervend op een stoel op corona afstand, niet heel dichtbij maar ook niet ver weg, en zij zit een beetje te handwerken zonder hem een blik waardig te keuren. Pas al hij dood op de grond ligt durft ze hem even aan te raken.

Alagna werkt zich dapper door de score en zijn zang leeft op waar Alfano en Cain hem daartoe de mogelijkheid bieden. Toch blijft het een weinig aansprekende rol en dito uitvoering. Nathalie Manfrino als Roxane heeft de mooiste muziek, vooral in de scène in het legerkamp. Manfrino laat hier bijna een belcanto geluid horen, een verademing na al die declamaties. Richard Troxell is een aardige typecast als de lichtgewicht Christian, net zoals de jonge Jeroen Krabbé dat ooit was in Rotterdam. Hij heeft weinig te zingen en klinkt niet onaardig.

Het is een curiosum, deze opera en vooral ook deze productie. Aanbevolen voor wie eens met het werk wil kennis maken. Voor wie Alagna wil horen zingen zijn er betere mogelijkheden.

Het orkest mompelt meestentijds wat in de bak, laat zich slechts bij vlagen echt even horen. Marco Guidarini heeft de muzikale leiding (DG 47673965).

Een eeuw liedkunst als EU avant la lettre

In deel vier van een overzicht wat ‘Een eeuw Liedkunst 1810–1910’ verdeeld naar decades moet worden, komen liederen aan bod die gecomponeerd zijn tussen 1840 en 1850. Daar men er zowat de beste liedzangers voor heeft geëngageerd die we tegenwoordig rijk zijn maakt het project tot één van de beste uitgaven op dat gebied, zeker van de laatste jaren.

Het programma is zeer gevarieerd en kent grenzen noch genres, en de emoties wisselen elkaar in rap tempo af. Zweden, Rusland, Frankrijk, Duitsland en Italië staan broederlijk naast elkaar, een soort EU avant la lettre waarin elk land zijn individuele karaktereigenschappen behoudt.

De zeer spannende en verrassende ‘reis’ begint in 1840 en dat betekent dat we met Liederkreis op. 24 van Schumann beginnen. De bitterzoete cyclus naar de gedichten van Heine behoort nog steeds tot de mooiste en de beste wat op het gebied van liedkunst is gecomponeerd.

De uitvoering door Florian Boesch is precies wat ik er van verwachtte. Minder lyrisch misschien dan van veel van zijn collega zangers maar zo ontzettend ingeleefd dat het zeer doet. In zijn interpretatie hoor je dat bitterzoete: het doet pijn maar het is ook dichterlijk en daardoor zeer indrukwekkend.

Anush Hovhannisyan en Alexey Gusev betoveren in de liederen die Dargomyzsky voor zijn studenten heeft geschreven en Ida Eveline Ränzlöv overtuigt in de niemendalletjes van Lindblad.

Malcolm Martineau aan wie we het project te danken hebben behoort al jaren tot de beste zangers- pianisten ter wereld. Moeiteloos weet hij de verschillende emoties over te brengen en het is ook zonder twijfel zijn verdienste dat de uitgave van de eerste tot de laatste noot extreem boeit.

Alle teksten zijn in de oorspronkelijke taal en in de Engelse vertaling afgedrukt en de introductie door professor Susan Youens is zeer interessant om te lezen. Koop de cd en laat je verrassen!

Decades. A Century of Song volume 4
Liederen van Schumann, Dargomyzsky, Donizetti, Franck, Geijer, Josephson, Lindblad, Mendelssohn
Anush Hovhannisyan (soprano), Ida Eveline Ränzlöv (mezzo-soprano), Nick Pritchard (tenor); Oliver Johnston (tenor), Florian Boesch (baritone), Alexey Gusev (baritone), Samuel Hasselhorn (baritone); Malcolm Martineau (piano); Vivat 119

 

 

 

Coherentie in verscheidenheid: Thomas Beijer speelt Ravel, Escher en Martin

Tekst: Willem Boone

Hoe klinkt ‘music for the mourning spirit’? Ingetogen en introvert of juist dramatisch en donker? Dat vraag je je af bij de cd van de Nederlandse pianist Thomas Beijer met deze titel. Je probeert dan als luisteraar te achterhalen of dit leitmotiv voor alle drie de vertegenwoordigde componisten in gelijke mate opgaat.

Allereerst valt op dat twee van de composities tijdens een wereldoorlog geschreven zijn: Le tombeau de Couperin in 1916 en de Arcana Suite in 1944. Laatstgenoemde suite en de 8 Préludes van Martin zijn overwegend donker van karakter, voor de muziek van Ravel geldt dat juist in deze stukken helemaal niet.

De korte Prélude van Ravel vormt een subtiele opmaat voor de suite Le tombeau de Couperin, waarin de componist in tegenstelling tot wat men zou verwachten geen hommage brengt aan François Couperin le Grand, maar meer aan Franse barokcomponisten in het algemeen. Een ‘tombeau’ was in de zeventiende eeuw een populair muzikaal eerbetoon aan een bewonderd persoon. Ravel gaf dit genre aan het begin van de twintigste eeuw een eigentijdse twist mee in de vorm van een achtvoudige hommage: aan de Franse barokmuziek in het algemeen en verder droeg hij ieder deel op aan een gesneuvelde vriend (de Rigaudon droeg hij aan twee broers op).

Hoewel de componist de verschrikkingen van de oorlog van dichtbij had meegemaakt, zijn de stukken vooral elegant en lichtvoetig van karakter.  Zoals Beijer in de tekst in het cd-boekje schrijft, werd Ravel gekritiseerd voor het feit dat de muzikale grafstenen voor zijn gestorven vrienden meer ‘frivool’ dan ernstig en contemplatief klonken. Hij weersprak dit als volgt: “De doden zijn al verdrietig genoeg in hun eeuwige stilte.” Toch hebben bepaalde delen als de Fugue door de lange lijnen ook iets ‘eeuwigs’ in zich en dat geldt in nog sterkere mate voor de dromerige Rigaudon, een statige dans.

Thomas Beijer © Smon van Boxtel

Beijer schrijft in zijn toelichting dat deze suite tot de bekendste stukken uit de pianoliteratuur behoort, maar toch is het jammer dat het zo weinig gespeeld wordt. Ik kan me maar twee live uitvoeringen herinneren: Sokolov en Chamayou.  Ook Thomas Beijer gooit hoge ogen en doet met zijn subtiele uitvoering alle recht aan Ravels muziek, ook in de afsluitende, virtuoze Toccata.

Van een heel ander kaliber is de Arcana Suite van Rudolf Escher. Ik herken niet helemaal wat Beijer in zijn toelichting schrijft over genoemde suite: “De muziek is inderdaad ‘Ravelliaans’ met een heldere Franse textuur, maar met zijn geheel eigen kleuren.”  Dat die kleuren overwegend zeer donker zijn komt wel duidelijk naar voren.

Dat is al direct het geval in de Préludio, in de Toccata komt daar nog rusteloosheid bij en dezelfde drive als in de Toccata van Ravel.  De Ciaconna klinkt tegelijk dreigend en ingetogen en in de Finale is de muziek precies zoals Escher voorschrijft: ‘tumultuoso & violenza’. Het blijft eeuwig zonde dat de Serie Meesterpianisten opgeheven is, want daarin zou Beijer niet alleen in het voorjaar van 2021 zijn debuut maken, maar daarbij zou hij ook deze suite gespeeld hebben.

De laatste composities zijn de 8 Préludes van Frank Martin, die hij opdroeg aan Dinu Lipatti maar die ze helaas nooit meer heeft kunnen uitvoeren.  Genoemde préludes zijn niet tijdens de oorlog geschreven (1947/48), maar ze zijn wel donker van aard, vooral nr 7. In de nrs 2 en 3 valt meermaals het belang van de bassen op en het vluchtige, ongrijpbare karakter van nrs 4,5, 7 en 8 roepen herinneringen op aan de Visions fugitives van Prokofieff.

De muziek van Escher en Martin verdient het om vaker gespeeld te worden (en zeker zo goed als hier het geval is!) en dat maakt het programma van deze cd tot een coherent geheel!


Gutman Records CD 171

I wonder as I wander: onbeschrijfelijk mooi maar …

De Britse bariton James Newby won de Kathleen Ferrier Award in 2016. Hij was toen maar 25, best jong voor een bariton. Maar er kwam nog meer. Hij ontving de Wigmore Hall/Independent Opera Voice Fellowship, kreeg de Richard Tauber Prize en… en… en… Het houdt niet op en dat maakt een mens natuurlijk nieuwsgierig.

Onlangs heeft BIS een cd opgenomen waarop Newby liederen van Beethoven, Britten, Schubert en Mahler zingt. Alles met een zeer aansprekelijke titel ‘I wonder as I wander’, iets wat eigenlijk niet goed in het Nederlands vertaald kan worden. Wat ook niet erg is want de titel dekt de lading niet en is duidelijk door een PR-bureau bedacht.

Ik las dat de leidraad van het recital het verlangen naar het elders willen zijn is, in de buurt van de verre geliefde. Het zal wel. En eerlijk gezegd maakt het mij niets uit, want de liederen die hij zingt zijn, allemaal, onbeschrijfelijk mooi. Allemaal. Waarbij ik mijn voorkeur voor Brittens bewerkingen van volksliedjes moet bekennen.

Britten ligt de jonge bariton ook het beste. Newby beschikt over een onwaarschijnlijk mooie stem waar je waarachtig verliefd op kunt worden en zijn voordracht is onberispelijk. Het is alleen zo jammer dat het allemaal zowat hetzelfde klinkt. Om te huilen zo mooi maar op den duur gewoon saai.

Joseph Middleton blijft een beetje op de achtergrond. Jammer, want hij een meer dan voortreffelijke begeleider.


Liederen van Beethoven, Schubert, Mahler en Britten
James Newby (bariton), Joseph Middleton (piano)
BIS 2475

Moshinsky directs Grigorian in La Forza del destino

Text: Peter Franken

                                                             Gegam Grigorian as Don Alvaro

We will stay with Gegam Grigorian, who would have turned 70 on 29 January. In addition to the Russian repertoire, he also frequently sang the great Italian opera roles. One of those is Don Alvaro from Verdi’s La forza del destino. Grigorian sang this role in 1998 in a remarkable production of the Mariinsky Theatre under Valery Gergiev. The director this time was the renowned Elija Moshinsky who died on 14 January this year, six days after his 75th birthday.

                                                                Elijah Mochinsky

In this very fine production, Moshinsky limited himself to directing, nothing more, nothing less. The stage setting is a meticulously recreated copy by Andreas Roller of the original work by set designer Andrey Voitenko, who had been responsible for the stage set at the 1862 premiere of Forza in St. Petersburg. At the start of each scene, an image showing Roller’s work is briefly projected, immediately followed by the reconstructed version. It is very cleverly done and miraculously brings back to life the premiere of the very first version of the opera.

For the music the choice is also on the little-performed St. Petersburg version. In my opinion, the biggest difference with the later Milan version of 1869 lies in the much shorter overture. Here it ends very quickly, whereas the later version seems to drag on endlessly. Other changes pale into insignificance compared to the countless cuts that have plagued performances of Forza over the years.

Gergiev is presenting a complete original version and the result is astounding. The all-Russian cast, soloists, chorus and dancers, are magnificently dressed in costumes derived from the period in which the work was created. Although the story is set a 100 years earlier, (in the mid-18th century), it still  feels quite authentic to a contemporary audience.

A modern viewer will also be more alert to the racism that characterises the libretto of this opera. Don Alvaro is a half-breed, admittedly of Inka nobility, but still an indian. The furious way in which the Marquis of Calatrava and his son Don Carlo pour out their anger and indignation on Alvaro goes far beyond the classic case of ‘daughter elopes with a nobleman and we want our revenge.’ Here it is all about the alleged ‘pollution of the bloodline’; the ultimate affront to the Marquis and his hot-tempered son.

Prima donna Galina Gorchakova sings an almost spotless Donna Leonora. Her hesitations, fears, despair and agony are all perfectly dosed, and nowhere is her acting forced or overemphasised. She’s the whole package.

Marianna Tarasova is an, also outwardly, attractive Preziosilla. Her volume in the low register leaves something to be desired, but overall it is a fine performance. Tarasova’s acting is very strong; even had she not actually sung it, she would still have been able to recognisably perform the role.

Georgy Zastavny knows how to hold back as Fra Melitone; his monk is a somewhat frustrated, quick-tempered man who takes himself very seriously: Moshinsky clearly does not go for a buffo rendition. Melitone’s superior Padre Guardiano is in good hands with Sergei Alexashkin, a beautiful bass. A young Yevgeny Nikitin in the small role of the Alcalde is also quite pleasing.

Nikolai Putilin’s Don Carlo reminded me, particularly in the first two acts, of Detective Andy Sipowicz in the NYPD Blue series, a man with an extremely unreliable looking “ugly mug.” Also a matter of transference of course: Don Carlo does indeed lie about everything and anything. His make- up in the later acts is clearly different; now he is the revenge-seeking nobleman who has made the killing of his sister and her lover his life’s purpose. Putilin sings and acts a very convincing Don Carlo, someone you quickly come to dislike, and that is a compliment. His role fits perfectly in the line of ‘heroic baritones’ that Verdi has patented.

As so often with Verdi, the hero tenor does not get the girl, hardly even gets to sing a real duet with her and only meets his lost lover at the very end for a very brief moment of recognition and happiness. On the other hand, Don Alvaro does have very beautiful solos to sing, not as an intimate lover but more as a desperate romantic.

It is all made for Gegam Gregorian. It is the only recording I have of him singing in Italian and I can well imagine that in his glory years he took the international stage by storm. This Don Alvaro is absolutely top-notch; I am glad that, on the occasion of Grigorian’s seventieth birthday, I finally played that DVD again after at least 15 years.

Gergiev is the overall musical director and he turns it into a festive occasion. This recording comes six years after Pique Dame and it is clear that the overexploitation, that he subjected himself to during those few years, has aged him by 20 years. He has, of course, succeeded in his mission: to bring back the Mariinsky Theatre to the world stage.

Tribute to Gegam Grigorian.

Text: Peter Franken

 

Armenian tenor Gegam Grigorian died in 2016 shortly after his 65th birthday. Today he would have turned 70. For that reason, a memorial performance took place on 28 January in the Mariinsky Theatre where Grigorian achieved so many great successes under Gergiev in the 1990s. His now world-famous daughter Asmik sang the role of Lisa in Pique Dame, the opera in which her father so often starred as Herman.

For over 20 years, after travel restrictions were lifted due to the collapse of the Soviet Union, Grigorian had an unparalleled international career that took him to all the leading opera stages. He sang almost every major tenor role in the Russian repertoire, but also many others. His Italian repertoire included Radames, Renato, Don Carlo, Alfredo, Il Duca, Manrico, Otello, Pinkerton, Loris, Cavaradossi, Pollione, Count Almaviva, Maurizio, Canio and Turridu.

I am not sure that I have ever heard him sing live. In 1996, Gergiev came to The Hague with the Mariinsky for two performances of Prince Igor, a production that he had recorded for Philips. On this recording Grigorian sang Vladimir Igoryevich, but I cannot find out if he was actually present in The Hague. On other recordings that I possess, he sings Pierre Besuchow in War and Peace and Don Alvaro in La forza del Destino.

But in view of the choice that the Mariinsky made for the memorial concert, I thought it appropriate to take another look at the 1992 recording of Pique Dame. It is a live performance from the Mariinsky under a very young Valery Gergiev. The credits still refer to the Kirov Opera, as the performance took place shortly after the revolution.

pique-gergiev

Yuri Temirkanov’s production is extremely classical, both in terms of the costumes from the time of Catherine the Great and the manner of staging. Everything is done exactly as prescribed by the libretto, down to the smallest details. The cast is representative for the top quality that characterised the company in those days; there are the big names in all the leading roles.

There is the luxurious cast of Olga Borodina as Pauline and Sergei Leiferkus as Count Tomsky. Leiferkus is emphatically present; you can hardly ignore him because of his somewhat ‘over the top’ costume. His two arias about the three cards and the little birds that are allowed to sit on his branch are performed with humour and verve.  Ludmilla Filatova as the Countess is rather a caricature, especially when she is given a nightcap to wear. Vocally, her contribution is adequate. The same applies to Alexander Gergalov’s Prince Yeletsky who, all considered, has only one chance to make himself heard. His declaration of love is moving, but Lisa walks away without any perceptible reaction immediately after the last note.
Lisa is sung by Maria Gulegina, and she gives an excellent performance. In her big solo in the last act, she does have to force herself a bit, but that may be blamed on the composer rather than the soprano. I would have liked to hear Asmik in this role; if anyone can handle these passages well, it is she.

But the reason I am reviewing this DVD is, of course, the Herman of the company’s star tenor at the time, Gegam Grigorian. He is 42 years old and in very good shape, Hochform as they say in Germany. His simple black costume, a kind of uniform, makes him stand out from the other men, who look a bit like tropical ornamental birds in a cage. This makes him instantly recognizable as an outsider. For that matter, Lisa’s dress is also remarkably sober, so simple indeed that she also stands out from her own entourage and thus is immediately paired up visually with Herman.

 

Grigorian’s Herman gets more and more touching towards the end. First he leaves his troubled Lisa to her fate and then he enters the gaming room. His behaviour is that of someone almost haunted, he is no longer in control of himself. After his winning card, the seven, he sings ‘What is our life? A game’. He is about to make a fortune, but it does not really matter to him any more. The death scene at the end, where, with his last breath, he asks Prince Yeletsky for forgiveness, reminds me of Fedora in the opera of the same name that I saw in Stockholm with daughter Asmik in the leading role. Gegam once sang the role of Fedora’s lover Loris.

I am determined to see his Forza del Destino again, not only because Grigorian sings Don Alvaro, but also because of the director of this production: the recently deceased Elijah Moshinsky. Also someone who will be sorely missed.

William Walton zoals weinigen hem kennen

William Walton kennen we voornamelijk van zijn vocale werken, opera’s en filmmuziek. Want: wie kent zijn ‘Façade’ of de cantate ‘Belshazzar’s Feast’ niet? Ook het altviool concerto belandt vaak op de lessenaars. Dat hij ook kamermuziek componeerde is iets wat veel muziekliefhebbers is ontgaan. Wellicht omdat het niet zo vaak wordt opgenomen?

Walton was maar zestien jaar oud toen hij zijn pianokwartet in 1919 componeerde. Hij herzag het werk nog een paar keer: in 1921, 1955 en 1974-1975. Op deze Naxos -opname krijgen we de laatste versie te horen. Al is het ‘gereviseerd’: je hoort er nog het onbevangen jeugdige elan er in. Net als in de Toccata voor viool en piano uit 1923. Uiterst romantisch maar dan wel met een kwinkslag. Ik mag het wel.

Anders is het met zijn vioolsonate en de twee stukken voor viool en piano gesteld, ze zijn braver, meer gepolijst. Maar daar is ook niets mis mee. Zeker als de uitvoering goed is, en dat is nu wel het geval.

Het album is het resultaat van een onderzoeksproject ‘Walton: his voice through the violin’ van de Guildhall School, geïnspireerd door de violist Matthew Jones die een enorme liefde voor Waltons muziek heeft ontwikkeld en dat hoor je. Annabel Thwaite (piano) doet niet voor hem onder.



WILLIAM WALTON
Piano Quartet, Toccata for Violin & Piano, 2 Pieces for Violin & Piano., Violin Sonata Matthew Jones (viol), Sarah-Jane Bradley (altviool), Tim Lowe (cello), Annabel Thwaite (piano); Naxos 8.554646

Vivaldi’s Il Farnace uit Florence door Dynamic op dvd uitgebracht

Tekst: Peter Franken

 

Antonio Vivaldi schreef naar eigen zeggen meer dan 90 opera’s maar daar is minder dan de helft van bewaard gebleven. Verder is dat aantal natuurlijk wat overdreven omdat ‘nieuwe’ opera’s vaak een pastiche waren van bestaand materiaal. In 1727 ging Il Farnace in première en net als Wagner met zijn Tannhäuser bleef Vivaldi hieraan ‘sleutelen’. Voor het Carnaval van 1739 schreef hij een nieuwe versie, al de zesde, die in januari 1739 première had. Deze laatste versie is door Dynamic op dvd uitgebracht. Het betreft een live opname uit de Opera di Firenze.

Il Farnace is een koningsdrama dat past in de reeks opera’s die zijn gemaakt over Mitridates, de koning van Pontus, die lange tijd de Romeinen het hoofd wist te bieden. Pharnaces is zijn zoon en als Pompeus zijn rijk onder de voet dreigt te lopen geeft hij zijn vrouw Thamires opdracht om hun zoon te vermoorden zodat deze de Romeinen niet als trofee in handen kan vallen. Dat gedaan moet ze zelfmoord plegen, hijzelf ziet nog wel.

De plot draait verder om Berenice, koningin van Cappadocië en moeder van Thamires, Selinda, de zus van Pharnaces en twee veldheren uit de vijandelijke kampen, Aquilius en Gillades, die door Selinda tegen elkaar uit worden gespeeld. Uiteindelijk kiest Selinda voor Gillades, mits deze een zeer gevaarlijke opdracht voor haar uitvoert. Hij mag er over nadenken, Vivaldi heeft geen vervolg meer kunnen geven aan deze cliffhanger aangezien hij twee jaar later zou overlijden. Mij dunkt zou er vast nog wel een zevende versie in hebben gezeten. Wagner parafraserend: ‘Ik ben de wereld nog een Farnace verschuldigd’.

De productie van Marco Gandini is semi geënsceneerd, vermoedelijk omdat de zangers lang niet alle aria’s op hun repertoire hadden staan en de kans op een vervolg elders erg klein was. Hij heeft dat overigens heel goed opgelost door de solisten op kleine verrijdbare podia te plaatsen. Op zo’n podium staat een lessenaar en verder is het een compleet decorstuk, met tl balken en sfeerverlichting. Zodoende hoeft iemand niet voortdurend achter een immobiele lessenaar te staan maar wordt met podium en al in het centrum van de actie gereden.

Op de achtergrond staan grote stellages die verder geen functie hebben maar het toneel minder kaal maken. Verder natuurlijk de onvermijdelijke videobeelden, zeer groot geprojecteerd. Een enkele keer voegt dit wat toe, zoals wanneer Thamires zingt over de vrucht van haar baarmoeder die ze moet doden. Dan is er een baby op het scherm te zien, pregnante beelden. Uiteindelijk besluit ze dat de knop nu moet worden omgedraaid. Niet langer mag ze moeder zijn maar moet ze in de rol van echtgenote haar man gehoorzamen en hun zoontje vermoorden.

Berenice voelt ongebreidelde haat jegens Pharnaces, kwestie van oud zeer, en speelt een belangrijke rol in de verwikkelingen. Uiteindelijk leidt het allemaal tot niks, het einde is nogal onbestemd en niemand legt het loodje. Wel wordt er in eindeloos lijkende aria’s gezongen over wat er allemaal zou kunnen gebeuren en hoe vreselijk dat is.

Vrouwen in mannenrollen kunnen mij altijd moeilijk overtuigen van hun romantische gevoelen en andere emoties. Op dat punt hebben Thamires, mooi vertolkt door Sonia Prina en vooral Selinda, een prachtige Loriana Castellano het gemakkelijker.

Berenice is een glansrol van Delphine Galou die toont als een wraakzuchtige Klytemnestra maar zo mooi zingt dat je dat al snel vergeet. Het toenmalige publiek kon natuurlijk de subtiele verschillen in vertolkte emoties wel naar waarde schatten maar voor mij klinkt het toch allemaal vrijwel hetzelfde en moet ik het van de gelaatsuitdrukkingen en verdere lichaamstaal hebben.

De mannenrollen worden vertolkt door de sopraan Roberta Mameli (Gilade), de tenor Magnus Staveland (Aquilio) en de tenor Emanuele d’Aguanno (Pompeus). De titelrol is in handen van mezzo sopraan Mary-Ellen Nesi, een barokspecialist die grote delen van de rol zonder blad weet te zingen. Haar mooiste moment is de grote aria aan het slot ‘Gelido in ogni vena’ ofwel ‘ik voel mijn bloed als ijs door mijn aderen stromen’ waarin de vertwijfeld Pharnaces zichzelf de schuld geeft van de (vermeende?) dood van zijn zoontje. Het is een bekende concertaria die regelmatig te horen is. Een fraai muzikaal slot van een lang uitgevallen werk met een rommelig einde.

Frederico Maria Sardelli heeft de muzikale leiding. Het orkest is het Maggio Musicale Fiorentino.

Prokofjeff door Nicholas Angelich: een aanwinst

De in 1970 in Cincinnati (Ohio) geboren Nicholas Angelich kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder. Angelich bleek een wonderkind te zijn: op zijn zevende debuteerde hij met de uitvoering van Mozarts nr.21 en op zijn dertiende werd hij toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs, waar hij les kreeg van o.a. Aldo Ciccolini en Yvonne Loriod.

Op zijn nieuwe album speelt Angelich pianowerken van Sergei Prokofjeff, zelf ook een virtuoze pianist. Zijn grootste hit Romeo en Julia ontbreekt er uiteraard niet, ook de fascinerende Vision Fugitives doet er aan mee. Prokofjeffs pianosonates zijn minder bekend, welkom dus, al is het maar één.

Even dit: het is werkelijk fenomenaal wat Angelich doet. Zijn spel is virtuoos en het is duidelijk dat hij er goed over heeft nagedacht. Ik bewonder zijn aanslag, zijn goed gekozen tempi en nog meer zijn legato en de soepele wisselingen tussen piano, pianissimo en forte.

En toch mis ik iets, en dat iets hoor ik het duidelijkst in de pianosonate. O ja, ik weet best wel dat Prokofjeff vaak balanceerde tussen het ene en de andere (zelf in te vullen), maar Angelich is hier, voor mij althans, iets te mechanisch bezig waardoor het romantiek onderspit delft. Niettemin: een aanwinst.

Visions Fugitives, Piano Sonata No. 8, Romeo & Juliet
Warner Classics 9029526768

Plácido Domingo and Puccini: a match made in heaven

Puccini Domingo

Sometimes I think that Placido Domingo must be the reincarnation of Puccini. Not because they look so similar (although they are very much alike in the photos), but because of the music. It seems to have been created for Domingo’s timbre. It is as if Puccini composed with Domingo’s voice in mind.

 

And yet (or perhaps because of this): there is no other repertoire that shows as clearly whether a role suits him or not. He was never a memorable Rodolfo and his Pinkerton was not noteworthy. Even as Calaf, despite the great performances, he did not really identify with the role. He was too friendly, too kind, too human.

TOSCA

Afbeeldingsresultaat voor Domingo Puccini"

 

Domingo sang his very first Cavaradossi on 30 September 1961 and since then he has sung more performances of Tosca than of any other opera. This is the role he researched with the utmost care. He even added some qualities to the painter’s character that are not really there, in my opinion.

Personally, I find Cavarodossi’s flirtation with the revolution no more than a whim, but Domingo takes it dead serious and sees himself not only as the lover but also as the freedom fighter. From the start, he knows that the execution is actually going to take place, but he is playing along with the lie to spare his beloved Floria. Very humane and very moving.

tosca Nilsson

 

He sang his first Tosca at the Metropolitan Opera in 1969. It was not planned: he took over at the last minute for the sick Sándor Kónya. Birgit Nilsson was Tosca. In her memoirs, she stated that she found his acting ‘superb’ and his singing ‘gorgeous’.

It was indeed a memorable performance, not least because of Nilsson’s ‘scream’.

 

Fortunately, the performance was recorded for radio and was released on CD (Nuova Era 2286/870).

Tosca Scotto
Of the studio recordings, two are very dear to me. On Warner Classics (5665042), Renata Scotto meticulously sings all the notes prescribed by Puccini ( her colleagues are not always as scrupulous) and Renato Bruson is very ‘courteously dangerous’ as Scarpia.

Tosca Price

 

RCA (88697448122) has recorded one of the best Scarpias ever: Sherrill Milnes. I once heard him live in the role and it was a real experience! Leontyne Price is a sultry Tosca.

Tosca Kabaivanska

 

On DVD, I find the Decca film version (0434909) by far the most impressive. It was shot on location in 1976, which was not very common at the time. Well, location… The Palazzo Farnese was then home to the French Embassy, so filming was not allowed inside.

Milnes was once again present and the lead role was sung in a very tormented way by Raina Kabaivanska.

Domingo is so beautiful it makes you want to cry, but what gives the film that little bit extra is the tiny role of the little shepherd. It is sung by Placido junior, then 10 years old.

 

MANON LESCAUT

Manon Domingo

 

Another Puccini role that fits him like a glove is Des Grieux in Manon Lescaut. Of this opera with Domingo, there are many recordings, both studio and live. Not all of them are worth listening to and in most cases it is the interpreter of the title role who presents the problem. It is nothing new: when a record company had a new ‘star’, he or she just had to record everything available. With often disastrous results.

Manon Domingo Olivero

 

In 1970, Domingo sang Des Grieux in Verona, with Magda Olivero in the title role. Quite bizarre when you consider that Olivero made her professional debut eight years before Domingo was born. And yet: her portrayal of the young heroine is utterly convincing. Indeed, most of her colleagues still cannot match it! My copy was released on Foyer, but better quality editions are now available.

Manpn Domingo Scotto

 

In 1980, the opera was broadcast on TV. That recording is now available on DVD. Believe me: there is no better. Scotto sings and acts Manon like no one else has done before, and together with Domingo, she makes us cry with the beauty and the sadness of it all. Menotti’s very realistic, true to life and very exciting direction simply could not be better. A MUST (DG 073424)

IL TABARRO

Tabarro-Melodram-Crader

 

Luigi in Il Tabarro was also a role after Domingo’s own heart. His recording from 1968 with the New York City Opera, conducted by Julius Rudel (Melodram 17048) is splendid, with Jeannine Crader as Giorgietta, a wonderful singer who sadly never made it in Europe.

Il Tabarro

 

On DVD, there is a fine Zeffirelli production from New York, recorded in 1994. Giorgietta is sung by Teresa Stratas. Unfortunately, it is coupled with Pagliacci with Pavarotti and again with Stratas, in the leading roles. Not really my ‘cup of tea’ (DG0734024).

 

Below a curiosity: a duet from Il Tabarro with Domingo and Beverly Sills from 1967

 

EDGAR

Puccini Edgar
There are at least two good reasons to welcome the 2006 Edgar (DG 4776102): it is the very first studio recording of the work and it is the first time that Domingo sings the role, the only one still missing from his Puccini discography.

 

I never understood why the opera was so unloved. Musically, it is in line with Verdi, but one can already hear tentative fragments of the ‘real’ Puccini: a vague promise of Manon Lescaut, a study for La Bohème and creative exercises for Turandot.

With Adriana Damato and Marianne Cornetti, we can welcome a new generation of phenomenal singers and Domingo is, as always, very musical and committed.

LA FANCIULLA DEL WEST

La Faciulla Dominfgo Neblett cd

 

For me, the very best is a 1978 DG recording (4748402), with an underrated Carol Neblett as a very fierce Minnie. Domingo is a languorous and surprisingly lyrical Johnson, and Sherrill Milnes sounds like he’s in a real western.

La Fanciulla Domingo Zam[ieri dvd

 

Two worthwhile recordings have appeared on DVD. One with Mara Zampieri and Juan Pons (Opus Arte OA LS3004 D) from La Scala, 1991, in a beautiful, colourful direction by Jonathan Miller.

La Fanciulla Domingo Neblett dvd

 

The other is with Carol Neblett and Silvano Carroli (Kultur Video 2038) from the Royal Opera House, 1982.

 

SONGS

Dommingo Puccini

 

There were once plans to make a feature film about Puccini, in which Domingo would play the composer. It did not go ahead. In preparation for the project, Domingo recorded all Puccini’s songs in 1989, under the title Unknown Puccini (Sony 44981).

For the cover, he is made to look like Puccini and there he is: dressed in white, hat on his head and the moustache prominent on his face. Puccini to the life!

Anyway, it is all about the music and it is a must- have for anyone interested in Puccini. Most are first ever recordings and gradually you follow the composer on his path towards his Manon’s, Tosca’s and other ‘girls’. The renowned conductor Julius Rudel accompanies Domingo on piano and organ.