Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

A few words about Andrzej Dobber

dobber

It’s not as if a big bag of Polish singers has been emptied above the world’s opera houses, but sometimes it seems like it. More and more Polish names are appearing on the world’s biggest stages. One of them, Andrzej Dobber, has now released his first (and perhaps last) solo CD.

There have always been many high-quality Polish performers in opera. Just think of the Reszke brothers, Rosa Raisa or Jan Kiepura. The dictatorship of the proletariat and the Iron Curtain after the Second World War, however, made it difficult (if not impossible) for them to perform and record outside the country’s borders. Only a few (Teresa Żylis-Gara, Teresa Kubiak, Wiesław Ochman, Barnard Ładysz) managed to make it abroad as well. Most, however, remained unknown.

Times change. Without difficulty, we can now list the names of Ewa Podleś, Piotr Beczała, Mariusz Kwiecień, Tomasz Konieczny, Artur Rucinski, Agnes Zwierko and Aleksandra Kurzak. And in addition to these international stars, one might almost forget that there are many other great Polish singers. Andrzej Dobber for example, is one of the most popular Verdi baritones of the moment and a welcome guest in Amsterdam.

Why is Dobber less of a star than his more famous compatriots? Maybe he is not being promoted enough or the record companies don’t market him well enough. What may also play a role is that he does not come across as a charismatic ‘teddy bear’ nor does the term ‘barihunk’ apply to Dobber.

But what Dobber does have is a very solid and reliable lyrical-dramatic voice, with a warm timbre with “squillo” and carefully dosed emotional outbursts. That is no small thing, especially when you add his above average acting ability.

A few years ago, the Polish label DUX released Dobber’s very first solo CD, with no less than 10 different arias. The result is good, but it could have been better.

Dobber’s messa di voce is certainly admirable and his legato arches just couldn’t be prettier. The way he knows how to connect all the notes together is simply exemplary, so it is very pleasant to listen to him. But, is it just me, or does his voice often seem a bit tired? I find his Posa (Don Carlo) a bit flat and uninspired. All the notes are there, certainly, but I miss the nuance and certainly the drama and sometimes his accentuation in ‘Di provenza il mar’ (La Traviata) frankly sounds weird to me.

It may also be the fault of conductor Antoni Wit. His tempi are sometimes exasperatingly slow, literally pulling the music apart. Very unfortunate, because many of Dobber’s interpretations are certainly there. His ‘Cortigiani, vil razza dannata’ from Rigoletto, for instance, is touchingly beautiful despite the fact that Wit is entirely adrift causing Dobber to run out of breath. It is no wonder that Dobber is considered one of the greatest Rigoletto interpreters!

Place de l’Opera once wrote about his Antoni in Berlin:

Rigoletto is Andrzej Dobber’s role. He must be famous, because he is so good. His ‘Pari siamo’ was super and his ‘Cortigiani’ astonishing, and in the closing scenes he managed to win me over completely. A great performance”.

Veelbesproken Rigoletto valt alleszins mee

Andrzej Dobber, Olesya Golovneva and Bastiaan Everink (Monterone) in ‘Sì, vendetta, tremtremenda vendetta’ from Rigoletto from Deutsche Oper in Berlin.

His interpretation of ‘Perfidi! All’anglo’ (Macbeth) is almost perfect. Here his voice sounds threatening and compelling, worthy of a tyrant, but one not void of weakness.  Boris’s death scene, (Boris Godunov) is in good hands with him.

Dobber is at his very best in Moniuszko, which in this case may also be due to the conductor. Here Wit is completely in place and he shows himself to be a true advocate of the music of one of his most famous compatriots. So, he can do it.

In a conversation on Polish TV, Dobber talked about the laborious process of creating the recording. Because it was his first CD, he wanted it to be his calling card. That’s why he chose a range of different arias, starting with Verdi and the Slavic repertoire and ending with Wagner.

It is his first but also his last, he says, because he found the process of preparing and recording too tiring. I sincerely hope he will change his mind and treat us to a sequel. Preferably with a different conductor and with a different producer!

Andrzej Dobber with Aleksandra Kurzak in ‘Or imponete…Morro’! la mia memoria… from La Traviata :

Translation: Douglas Nasrawi

Andrzej Dobber
Arias of Verdi, Borodin, Moniuszko, Tschaikovsky, Mussorgsky and Wagner
Warsaw Philharmonic Orchestra conducted by Antoni Wit
Dux 0959

Kamermuziekwerken van Françaix en Poulenc: muziek om blij van te worden

Het gebeurt zeer zelden, maar het gebeurt echt. Dat je een cd opzet en er zo blij van wordt dat je niet alleen kiert van plezier, maar ook de hele wereld wilt omarmen. Het soort gevoel dat zeker nu, in deze verwarrende tijden (en ik druk mij voorzichtig uit) eigenlijk kostbaarder is dan goud. Het gevoel dat alles toch nog goed komt. Dat is precies wat mij overkwam toen ik deze cd in mijn speler deed. Opeens werd alles luchtig en mooi, de zon scheen en er was weer lente in mijn hart.

Nou ja. De werkelijkheid is anders, maar die werkelijkheid valt te ontvluchten. Neem alleen de fluitsonate van Poulenc, als je daar niet blij van wordt dan weet ik het niet. Zowel Poulenc (1899-1963) als Françaix (1912-1997) behoren tot de belangrijkste Franse componisten van de twintigste eeuw. Poulenc begon te componeren rond zijn achttiende zonder dat hij ooit compositielessen had gevolgd. In 1918 sloot hij zich aan bij Groupe des Six. Daar hoorde Françaix niet bij en toch vallen hun beiden composities met elkaar te vergelijken. Ze zijn origineel, lichtvoetig, melodieus, humoristisch, ritmisch en zijn vaak beïnvloed door de populaire muziek.

Op deze cd, uitgebracht door het Zwitserse label Prospero worden hun werken ongeëvenaard goed, leuk en mooi gespeeld door Sarah Rumer (solofluitiste van het Orchestre de la Suisse Romande), Joël Marosi (solocellist van het Orchestre de Chambre de Lausanne) en Ulrich Koella (kamermuziekpianiste en hoogleraar aan de Universiteit voor de Kunsten van Zürich). Dat ze ontzettend veel plezier hebben in hun spel is nogal wiedes en die plezier geven ze door aan de luisteraars. Heerlijke cd!


JEAN FRANÇAIX: Trio for Flute, Cello and Piano; Berceuse & Nocturne for Cello and Piano; Divertimento for Flute and Piano
FRANCIS POULENC: Sonata for Flute and Piano; Sonata for Cello and Piano
Sarah Rumer (fluit), Joël Marosi (cello), Ulrich Koella (piano)
Prospero

Walter Kaufmann: Bombay meets Berlin

Langzaam, veel te langzaam en eigenlijk veel te laat, maar de muziekwereld wordt wakker. De een na de andere leemte wordt eindelijk opgevuld en de (bewust of onbewust) ‘vergeten’ componisten komen ook onze cd-spelers in. Het is ook mede te danken aan het Canadese ARC Ensemble. Samen met de Engelse label Chandos hebben ze een paar jaar geleden het project ‘Music in Exile’ in het leven geroepen, waar we schitterende opnamen van onder anderen Szymon Laks, Jerzy Fittelberg en Paul Ben-Haim aan te danken hebben.

En nu is er beurt aan Walter Kaufmann (1907-1984), een van oorsprong Tsjecho-Slovaakse componist wiens naam zelfs voor mij niet meer dan een naam was. Niet dat hij totaal was vergeten: in Canada, zijn nieuwe vaderland sinds 1947 was hij een zeer gewaardeerde pianodocent aan het conservatorium in Halifax. In 1956 kreeg hij een baan aan een conservatorium in US aangeboden waar hij door zijn studenten op handen werd gedragen. Maar zo geliefd als docent zo vergeten was hij als componist. En dat is buitengewoon spijtig want Kaufmann’ zijn levensloop – en zijn werken – verschillen nogal van die van zijn exile-genoten.

Al vroeg raakte Kaufmann geobsedeerd door Indiase muziek, wat hem in 1933 deed besluiten om naar India te vluchten. Eenmaal op de plaats van zijn bestemming verdiepte Kaufmann zich in de muziek van zijn gastland. Onder andere componeerde hij er een tune voor ‘All India Radio’ en richtte de ‘Bombay Chamber Music Society’ op. Ook alle kamermuziekwerken, op deze Chandos opname werkelijk grandioos gespeeld door het ARC Ensemble, zijn in India gecomponeerd.

Nee, het is niet zo dat je meteen aan Ravi Shankar moet denken, maar de Indiase invloed is onmiskenbaar. En dat, terwijl je overduidelijk met de westerse muziek uit de jaren twintig/dertig te maken hebt. Een beetje hybride, dat wel, maar gelukkig mag dat weer.


Walter Kaufmann
Strijkkwartet nr. 7, Strijkkwartet nr. 11, Vioolsonate nr. 2 op. 44, Vioolsonatine nr. 12,  Septet (voor drie violen, altviool, twee cello’s en piano)
ARC Ensemble
Chandos CHAN 20170

Riccardo Zandonai, Ildebrando Pizzetti en Arrigo Boito in een paar liveopnamen

francesca-zandonai
Riccardo Zandonai werd ooit beschouwd als de opvolger van Puccini. Hij schreef een kleine dertiental opera’s, waarvan eigenlijk alleen Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) en Giulietta e Romeo (1921) ooit zeer succesvol waren. Heden worden ze nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni en wellicht de laatste der veristen zijn een puur genot om naar te luisteren.

Romeo Zandonai

Giulietta e Romeo (GOP 66352) werd in 1955 in Milaan opgenomen. De hoofdrollen worden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Fantastisch daarentegen is Renato Capecchi als Tebaldo.


https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/81KTzkL3PhL._SL1000_.jpg

Il Bacio (GOP 66351) beleefde in 1954 in Milaan zijn allereerste opvoering (Il Bacio (GOP 66351) beleefde in 1954 in Milaan zijn allereerste opvoering (toen Zandonai in 1944 stierf, liet hij de opera onafgemaakt achter). Gelukkig voor ons werd de voorstelling door RAI opgenomen en op cd gezet. De uitgever verontschuldigt zich voor het ontbreken van het libretto maar er is ook geen synopsis, dus naar de inhoud van de opera kan men alleen maar gissen. Niet erg, de muziek is boeiend genoeg, en er wordt prachtig in gezongen door onder andere Lina Pagliughi in de rol van Mirta.

 

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/3/37/Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg/640px-Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg

Ildebrando Pizzetti behoorde – samen met onder andere Respighi, Zandonai, Alfano en Malipiero – tot de zogenoemde ‘Generazione dell’80’, een groep Italiaanse componisten geboren rond 1880. Ooit leerling van Puccini, keerde hij zich op zijn dertigste tegen zijn leraar en ontwikkelde een ‘neoklassieke’ stijl van componeren, Zijn voornaamste inspiratiebronnen waren gregoriaanse melodieën en de Italiaanse polyfonie uit de Renaissance.

pizzetti-debora

Debora e JaelNeronee (o.a. GOP 66354), gecomponeerd in 1921 is losjes gebaseerd op het Bijbelse verhaal over de profetes Debora en de strijd van de Israëlieten tegen de Kanaänieten en hun legeraanvoerder, Sisera. Anders dan in de Bijbel wordt Jael verliefd op haar vijand, en vermoordt ze hem om hem voor het lynchen door de woedende menigte te redden. Onder leiding van Gianandrea Gavazzeni werd in 1952 in Milaan een pracht van een uitvoering van dit bijzondere werk gegeven, met Clara Petrella als Jaele, Gino Penno als Sisera en Cloe Elmo als Debora.


https://lastfm.freetls.fastly.net/i/u/770x0/38466e9191554eb1aeacf53d49345c21.jpg

Arrigo Boito heeft bijna 60 jaar aan Nerone gewerkt, maar toen hij in 1918 overleed was de opera nog niet af. Na de dood van de componist werd de manuscript door Toscanini gevonden, hij voltooide de score en in 1924 dirigeerde hij een succesvolle première van de opera.

https://d1iiivw74516uk.cloudfront.net/eyJidWNrZXQiOiJwcmVzdG8tY292ZXItaW1hZ2VzIiwia2V5IjoiNzk4OTUxMC4xLmpwZyIsImVkaXRzIjp7InJlc2l6ZSI6eyJ3aWR0aCI6OTAwfSwianBlZyI6eyJxdWFsaXR5Ijo2NX0sInRvRm9ybWF0IjoianBlZyJ9LCJ0aW1lc3RhbXAiOjE0OTM2NTYwMzR9

Nerone wordt nog maar zelden opgevoerd en er zijn maar bitter weinig opnamen ervan. Tot voor kort kende ik maar één, op Hungaroton, maar die was, ondanks twee goede vrouwenrollen (Ilona Tokody en Klára Tákacs) maar matig, dus de uitgave van Bongiovanni (GB 2388/89-2) is meer dan welkom. Het is een live opname uit Turijn 1975, en over de uitvoering ben ik zeer enthousiast. Gianandrea Gavazzeni dirigeert een werkelijk fenomenale cast met o.a. Bruno Prevedi (waar worden nog zulke tenoren gemaakt?) als Nerone en Ilva Ligabue als Asteria. Alleen al vanwege de intense bijdrage van de laatste is het een absolute must voor de operaliefhebber


De muziek, het Jodendom, het Christendom en de Islam. Een debat in Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden


van links naar rechts: Neil vand der Linden, Karima El Filali, Selim Doğru  Noam Vazana  Gilad Nezer-Blanckenburg    

Op 8 oktober debatteerden vertegenwoordigers uit verschillende tradities over de historische ontwikkeling en de enorme muzikale vormenrijkdom van muziek in Jodendom, Christendom en Islam. Deelnemers waren Selim Doğru, componist, pianist, arrangeur, Noam Vazana, zangeres gespecialiseerd in Ladino repertoire, Karima El Fillali, zangeres van Arabisch repertoire, en Gilad Nezer-Blanckenburg, voorzanger bij de Liberaal-Joodse Gemeente.

Moderator was Neil van der Linden, initiator van cultuuruitwisseling met het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het evenement sloot een reeks optredens af van een Arabisch – Turks – Hebreeuws koor gedirigeerd door Noam Vazana en Selim Doğru, georganiseerd door Gary Feingold van de stichting Kunstendialoog, in de Amsterdamse Hallen. De locatie was Café Belcampo in De Hallen.

                   

Noam Vazana zong eerst Durme Durme, een Ladino lied. Ladino is een van oud-Spaans afgeleide taal van de Iberische Joodse gemeenschap, die meereisde nadat de Joden en Moslims uit Spanje werden verdreven toen het Christelijke regime het Iberisch schiereiland vanaf 1492 definitief in bezit had genomen. Noams familie komt uit Marokko, maar de Ladino-cultuur leefde ook voort in het Ottomaanse rijk.

Hierna vertoonde Neil van der Linden een clip met muziek van twee vroeg-barokke Duitse-Lutherse componisten, Schütz en Schein, uitgevoerd door het ensemble La Tempete, met een Libanese Grieks-Orthodox recitatiefzanger, George Abdallah. Het ensemble laat horen hoe de Mediterrane zangstijlen misschien overal in Europa te horen waren.

De Berberse kerkvader Sint-Augustinus uit de vierde eeuw introduceerde in de Noord-Afrikaanse zangstijlen in de kerk van Rome compleet. Dat was zoals hij zei omdat hij de bestaande muziek in de kerk saai vond. Voorbeeld uit de oer-kerkmuziek in Rome:

Oer-kerkmuziek uit de Ambrozijnse rite in Milaan. Marcel Peres gebruikt hier de stem van Soeur Marie Keyrouz uit Libanon

Uiteindelijk evolueerde dit alles tot het Gregoriaans zoals we het nu kennen, nadat de kerk microtonen en variaties had uitgebannen; die leidden immers eigenlijk maar tot verwarring onder de gelovigen – een soort euforie die Sint-Augustinus eigenlijk wilde bereiken met zijn kerkmuziek.

Ook kwam ter sprake hoe de kerkelijke muziek werd verlevendigd met mediterrane dansritmen, zoals in Monteverdi’s fameuze Maria Vespers, een principe dat ook goed hoorbaar is in de genoemde muziek van Schütz en Schein, die ondanks dat ze Protestant waren de muzikale vernieuwingen uit de Katholieke kerk kopieerden. Uiteindelijk kwamen Bach’s cantates en Handel’s oratoria ook vol dansritmes te zitten. Verderop in het debat kwam ter sprake dat in Egypte zangeres Umm Kulthum ook dansritmes toepaste in haar religieuze zangstukken.

De leer is strenger dan de muziek. Halverwege de zestiende eeuw nog overwoog de Katholieke kerk tijdens het Concilie van Trent om polyfone kerkmuziek te verbieden omdat die door haar schoonheid en complexiteit alleen maar zou afleiden, en bovendien het verstand van de gemiddelde kerkganger te boven ging. Zodra de Reformatie inzette werden tijdens de Beeldenstorm (bij ons in 1566) kerken gestript van beelden en schilderijen en eindigden boeken en muziekmanuscripten op de brandstapel.

Gilad Nezer-Blanckenburg vertelde hierna over de ‘gemengde’ muzikale praktijk bij de Liberaal Joodse gemeenten, met zowel Sefardische als Ashkenazische elementen.

Hij voerde een liturgisch gezang uit, voor de aankondiging van een nieuwe maand, waarin hij ook improviseerde op de modi, in de Joodse religieuze muziek Steigers of Nusach geheten. Dit improviseren op modi vinden we ook de Arabische en Turkse muziek, ‘maqams’ respectievelijk ‘mugams’ geheten, en dus ook in de vroegchristelijke muziek. Maar bedenk ook hoe zangers en instrumentalisten in de barokopera konden improviseren, terwijl dat later ook het principe van veel jazz en rock zou worden.

Hier is een voorbeeld uit de gemeenschappelijk Joodse en Moslim tradities uit Marokko, met een opname van Rabbi Haim Look en Soefizanger Abderrahman Souiri:

Daarna volgde een videofragment van een muezzin uit Bursa die verschillende modaliteiten laat horen zoals de oproep tot gebed kan klinken en hij legt daarbij hoe de verschillende modaliteiten corresponderen met verschillende momenten van de dag en verschillende stemmingen:

https://www.facebook.com/zuber.karim/videos/10156686762686919

Selim Doğru brengt ter sprake dat zoiets wel in handen moet zijn van een kundige muezzin, anders kan het een rommeltje worden. Karima El Fillali noemt als voorbeeld de amateur-muezzins van sommige buurtmoskeeën in Marrakech, vaak winkeliers uit de wijk, van wie de vocale kwaliteiten te wensen overlaten. Selim licht ook andere tradities in Turkije toe. Er waren muzikaal actieve Griekse, Armeense, Syrisch-Orthodoxe, Arabische en Joodse tradities, terwijl binnen de Islamitische gemeenschap het onderscheid tussen Soennitisch en Alevitisch en tussen Turks en Koerdisch een rol speelt.

En natuurlijk is er het Soefisme. De stad Konya werd een centrum van Soefisme toen de dertiende -eeuwse wetenschapper, theoloog en dichter Jalaleddin Rumi, geboren in Balkh (in het Perzisch taalgebied, nu in Afghanistan) daar neerstreek. Het bekendste visuele symbool van de Turkse Soeficultuur zijn de ‘draaiende derwishen’. Er zijn trouwens ook mengvormen van Joodse religie en Soefisme, van Marokko tot ver in het Oosten.

Nauw verbonden met Soefisme in de Arabische wereld is het begrip tarab, dat extase of vervoering betekent. Meer dan door climaxen in volume of versnelling zijn spelen wisselwerkingen tussen muziek en tekst een rol.

De grote Egyptische zangeres Umm Kulthum is één en al tarab. Umm Kulthum werd geboren in een arm dorp in de Nijldelta, maar ze was ook dochter van de dorpsimam, en dat haar in contact met complexe vocale technieken van het reciteren van de Qur’an en met de klassiek-Arabische taal. Karima zong een fragment uit lied van Umm Kulthum op tekst van de achtste -eeuwse Soefi-mystica Rabiya al Badawiya uit Basra, het huidige Irak. Het lied komt uit een Egyptische enigszins geromantiseerde film over haar leven, waarin de de actrice die Rabiya – nogal geromantiseerd -speelt playbackt op de stem van Umm Kulthum.

Tarab is ook essentieel in seculiere muziek en in Christelijke kerkmuziek.
Sabah (Christelijke zangers uit Libanon), Abou Zelouf

Wat ook ter sprake kwam is of je de vocale traditie en zang kunt begrijpen als je de taal niet kent. Misschien is opmerkelijk dat Turkije een fraaie vocale Qur’an traditie heeft, misschien wel juist omdat de taal niet wordt verstaan. Iran idem dito. Tegelijkertijd zou dat kunnen leiden tot wat met Latijn in de Middeleeuwen gebeurde in Europa: als mensen de taal niet verstaan drijven ze langzamerhand weg.

Karima El Fillali heeft onlangs opgetreden in het Gnawa festival in Den Haag. Gnawa is een vooral in Marokko voorkomende helingsritueel bestaande uit een mengvorm van een soort Soefisme met Afrikaanse shamanistische elementen, gepraktiseerd door afstammelingen van Afrikaanse slaafgemaakten en Afrikaanse huursoldaten van de Sultan van Meknes. Karima zong een voorbeeld van een melodie uit een Gnawa ritueel. De sub-Sahara Afrikaanse achtergrond blijkt ook uit pentatoniek, een kenmerk van veel Afrikaanse muziek (en op een andere manier van muziek uit het Verre Oosten en vele andere culturen). Gnawa rituelen worden vaak geleid door vrouwen. De rol van het matriarchaat vinden we ook in de Jemenitisch-Joodse traditie, zoals Noam Vazana vertelt.

Dit soort inbedding van Afrikaanse rituelen in de dominante religieuze cultus vinden we ook in het Christendom, bijvoorbeeld in de Jamaicaanse Rastafari, de Haïtiaanse Voodoo, de Surinaamse Winti en in de gospelmuziek van de Verenigde Staten, die vroeger ‘negro-spiritual’ heette.

Noam zong hierna Puncha Puncha, op een melodie die vermoedelijk uit Basra komt. Er bestaat een Jemenitisch-Joodse versie met een religieuze tekst, maar Noam zong een Ladino versie op een seculiere tekst, over liefde die mooi kan zijn als een roos, maar met doornen; Puncha betekent prikken. Gilad zong als tweede lied Avinu Malkenu (Onze Vader, Onze Koning)

Hieronder Avinu Malkenu gezongen door Yossele Rosenblatt:

Tot besluit zong Mirjam van Dam It ain’t necessarily so, een jazz-klassieker uit de opera Porgy and Bess, waarvoor componist George Gerswhin, van Russisch-Joodse komaf, de melodie van een Hebreeuwse melodie voor de oproep tot het gebed gebruikte:

Noam Vazana zingt Landarico Nani:

Karima el Fillali zingt Mawal kurd/bayati op een gedicht van de beroemde Andalusische dichter Wallada bint al-Mustakfi (1001 – 1091)

Foto’s: © Sheila Gogol

Virginia Zeani, one of the very few sopranos Maria Callas was frightened of

zeani

Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them. She was born Virginia Zehan, on the 21st October 1925, in Solovastru, a village in central Transylvania.

Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (indented for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a costly anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?

zeani-traviata

In 1952, again at short notice she replaced Maria Callas as Elvira in i Puritani in the Teatro Communale in Florence, conducted by Tullio Serafin.

The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc.

Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:

 

pizzetti-zeani

She sang, together with her husband Nicola Rossi-Lemeni in the recording of Pizetti’s Assasinio nella Cattedrale recorded live in Turin shortly after the premiere (La Scala in Milan, March 1958). Absolutely indispensable for the ‘Generazione dell’80’ and verism lover (Stradivarius STR 10067/57).

Virginia Zeani in an aria from the recording:

I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!

Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:

 

decca zeani

‘Decca’s Most Wanted Recitals’, revealed in 2014 released her recording of Puccini arias. This recording, made in 1958 under the direction of Giuseppe Patané, have – together with a recital by Graziella Sciutti – been released earlier by Decca; but her Donizettis, Bellinis and Verdis from 1956 (conductor: Gianandrea Gavazzeni) had their CD premiere.


A nice anecdote:
Giovanni Battista Meneghini, former husband of Maria Callas, in conversation with Virginia Zeani , “Virginia, I have to tell you, you are one of the very few sopranos my wife is frightened of”

Parisina van Donizetti is niet te versmaden

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van, ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend, en voor het gemak ‘knipte en plakte’ hij de (schitterende, overigens) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde.

Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht. Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter, en met Parisina heeft hij een van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog … En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina is tegen haar wil uitgehuwelijkt aan een oude man, Azzo. Al jaren is zij (wederzijds, doch platonisch) verliefd op Ugo, die, naar later blijkt, de zoon is van Azzo en zijn eerste, door hem uit jaloezie vermoorde vrouw. Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?), Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voor voor een Donizetti (en niet alleen) verzamelaar.


Carmen Giannattasio, José Bros, Dario Solari, Nicola Uivieri, Ann Taylor
London Philharmonic Orchestra olv David Perry (ORC 40)

Spectaculaire Ercole Amante in Amsterdam

https://i0.wp.com/pers.operaballet.nl/repository/midres/3/3/14.ercoleamante0060.jpg

Pauzes: daar houdt men in Amsterdam niet van. Soms krijg je zelfs de indruk dat men ze het liefst helemaal zou willen schrappen. In het ruim vijf (!) uur durende Ercole Amante van Francesco Cavalli mochten we er maar één hebben. Dat dat toch geen lange zit werd, en dat de verveling niet toe sloeg (want laten we wel zijn: Cavalli is geen Purcell, Händel of Monteverdi) is geheel te danken aan de spectaculaire regie van David Alden.

Alden heeft een spannende wereld gecreëerd waarin het verleden met het heden werd verweven, en waarin historische personages en Griekse goden getransformeerd werden tot stripfiguren (Conan the Barberian!). Alles zat er in: horror, humor, promiscuïteit; bovendien schuwde Alden geen uitvergrotingen en persiflages, en strooide rijkelijk met filmcitaten (Don’t look now, Child’s Play).

De opera werd geactualiseerd, zonder dat ze ge-updated werd. Zeg maar: barokke tradities met een knipoog naar het heden. Knap, hoor! En alles werd letterlijk uitgebeeld, wat een collega een zucht uitlokte dat ze echt niet hoeft te zien wat ze toch in het libretto leest. Hoezo? Zeker een onbekende opera is daar alleen maar mee gediend? De kostuums en decors waren kleurig en rijk, en de gavotte ging gepaard met disco en house.

https://i1.wp.com/pers.operaballet.nl/repository/midres/3/3/27.ercoleamantegeneral0018.jpg

Luca Pisaroni zette een voortreffelijke Ercole neer. Zijn soepel gevoerde bariton met een heerlijke sexy ondertoon paste de machoheld als een handschoen. Ook als acteur was hij meer dan overtuigend. Geen wonder dat Deianira (een zeer ontroerende Anna Maria Panzarella) hem niet kwijt wilde en best raar dat Iole (een mooie, maar een maatje te klein Veronica Cangemi) zijn saaie zoon Illo (een inderdaad saaie Jeremy Ovenden) boven hem verkoos.

Zelf was ik behoorlijk onder de indruk geraakt van Anna Bonitatibus (Giunone). Haar stem was ouderwets mooi: met vibrato, met expressie en met soepele overgangen.

https://i2.wp.com/pers.operaballet.nl/repository/midres/3/3/15.ercoleamanteorchdress0002.jpg

Het orkest (Concerto Köln) onder leiding van Ivor Bolton speelde goed, maar een beetje hoekig, voor mij mocht er meer sprankeling in, maar misschien was er niet meer uit de muziek te halen.

Gezien bij De Nationale Opera in Amsterdam in januari 2009

Fotomateriaal: © Ruth Walz

Aanstekelijke uitvoering van pianowerken van Braunfels

https://i.ndcd.net/13/Item/500/530885.jpg

Ooit schreef ik dat Braunfels’ muziek twee keer is gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ bestempelden. Inmiddels zijn we een paar jaar verder en Braunfels is niet zo onbekend meer. Dat hoop ik althans want echt uitgevoerd wordt hij nog steeds zelden.

Gelukkig bestaan er nog labels zoals Capriccio die zich over zijn muziek ontfermen. Nu heeft de Duitse firma me verblijd en verrast met de opname van zijn werken voor piano solo, piano vierhandig en voor twee piano’s, die kende ik nog niet!

Er zijn maar weinig mensen die weten dat Braunfels zijn muziekcarrière als pianist is begonnen. Dat is hij in feite zijn hele leven gebleven. In 1949 speelde hij Beethovens Diabelli-variaties op een radio-uitzending. Zijn afscheid van de bühne nam hij in 1952 met o.a. Beethovens pianosonate nr. 32 op. 111. De composities op deze cd zijn eigenlijk niet meer dan, inderdaad, Bagatellen, zoals de titel van de laatste werkjes luidt, maar wat een heerlijke Bagatellen!

Het duo Tatjana Blome en Holger Groschopp speelt aanstekelijk en zeer geïnspireerd. Het plezier spat er van af!


WALTER BRAUNFELS
Piano Music
Variations on an Old French Song for 2 Pianos, Op. 46
Little Pieces for Piano 4 Hands, Op. 24
Bagatelles for Piano, Op. 5
Tatjana Blome, Holger Groschopp
Onderkant formulierCapriccio C5361

Opmerkelijke Macbeth uit Teatro Massimo

Tekst Peter Franken

https://media1.jpc.de/image/w600/front/0/0747313557851.jpg

Op Naxos is een opname verschenen van Macbeth die in januari 2017 is gemaakt in Teatro Massimo in Palermo. Het is natuurlijk de zoveelste opname van dit populaire werk maar in een bepaald opzicht een opmerkelijke productie.

Regisseur Emma Dante komt uit de toneelwereld en laat dat ook duidelijk blijken. Ze zet veel mensen op het toneel en laat ze bewegen, acteren en zingen op een wijze die de hand van een professional verraadt. Dus geen weggestopt koor waar de regie geen raad mee weet. We zien een corps de ballet bestaande uit 15 dansers, verder 7 acteurs uit Dantes eigen toneelgezelschap en ook nog eens 23 figuranten die afkomstig zijn van de toneelschool. En natuurlijk ook nog het koor van Teatro Massimo.

Die veelheid aan personen maakt het mogelijk om de decors eenvoudig te houden. Een troep heksen komt onder een enorm rood laken vandaan, er wordt een ‘siersmeedijzeren’ traliewerk neergelaten, stoelen van verschillende hoogte met hetzelfde ontwerp als dat traliewerk worden zodanig gerangschikt dat er een indrukwekkende troon lijkt te ontstaan. Het is zeer goed doordacht, creatief en natuurlijk vooral heel goedkoop. Plastic met een metaalglans is niet erg kostbaar.

Ook de kostuums zijn goed doordacht en zeer fraai uitgevoerd, leveren een wezenlijke bijdrage aan het toneelbeeld. Het bewegende Birnam Wood heb ik niet eerder zo mooi vormgegeven gezien. De decors van Carmine Maringola en de kostuums van Vanessa Sannio leveren een bepalende bijdrage aan het uiteindelijke resultaat. Iets minder ben ik te spreken over de choreografie van Manuela Lo Sicco, die vind ik wat te ‘Keersmaekeriaans’.

Waarom zo’n lang verhaal over de aankleding om mee te beginnen? Wel, dit is een prachtig voorbeeld van een productie die er heel goed uitziet, er in slaagt het libretto volledig recht te doen en de protagonisten alle ruimte geeft om hun kunnen te tonen, zowel acterend als zingend. En dat zonder kostbare installaties en andere rariteiten die het produceren van een opera zo gemakkelijk het karakter kunnen geven van regelrechte kapitaalvernietiging. Zeker nu de toekomst van deze kunstvorm de komende jaren op het spel staat is het goed lering te trekken uit de aanpak van operahuizen die gewend zijn te moeten werken met relatief beperkte middelen. Met een competent team kom je een heel eind laat Emma Dante zien.

De voorstelling is muzikaal van een zeer behoorlijk niveau. Vincenzo Costanzo vind ik als MacDuff een beetje larmoyant in zijn aria ‘o figli’ maar voor het overige zeker adequaat. Anna Pirozzi weet volledig te overtuigen als Lady Macbeth. Ze acteert gemakkelijk en klink beheerst in alle registers. In haar drie grote aria’s weet ze veel indruk te maken.

Roberto Frontali is een overtuigende Macbeth, goed bij stem en volledig in controle. Acterend laat hij een mooie ontwikkeling zien, van moordenaar in opdracht van het lot, en opgejut door zijn vrouw dat te doen voltrekken, tot heerser met bloed aan zijn handen. Verrassend detail is dat hij persoonlijk zijn vrouw komt vertellen wat de heksen hem hebben voorspeld. Er wordt dus geen brief voorgelezen. Nadat hij is weggelopen zet de Lady haar aria in.

Bepaalde accenten die Dante legt vind ik wat over de top zoals het laten afleggen van Duncan alsof hij Jezus is. En waar als ingrediënt in de toverdrank de vinger van een direct na de geboorte gewurgde zuigeling wordt genoemd, vergroot ze dat uit tot een onprettig tafereel met een berg babylijkjes. Natuurlijk zijn het poppen maar ik had er moeite mee.

Koor en orkest maken er een mooie Verdi voorstelling van. Gespeeld wordt de Parijse versie uit 1865 in het Italiaans gezongen. Dus met een ballet in de derde akte. De muzikale leiding is in de bekwame handen van Gabriele Ferro.