Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

Lady Rattle in 2004, when she was called Magdalena Kožená…


It all starts rather unfortunately. First of all, I forget about the time difference with England and call too early. One hour later I am told that she is not at home, and that I should try her on her mobile. The time is not right, she says, she’s in a museum, and besides, she didn’t know anything about the interview. So we make a new appointment right away.

Three times is a charm. This time she is at home and extremely friendly. First of all she wants to apologize, something must have gone wrong. It doesn’t matter, I say. These things happen. Her speaking voice resembles her singing voice: silvery, warm and quiet. Dark too, which sounds very attractive with that touch of a Czech accent.

First of all I would like to talk about her latest CD.

– Who chose the program?

“I did. DG wanted to make a CD with more instruments than just a piano. They proposed Il Tramonto by Respighi, the rest I have chosen. Yes, it sounds a bit melancholic, but I think it also has to do with the period, most of those compositions were written between the two world wars. The saddest music is that of Schulhoff, but he was also a tragic figure. A Jew, who died in a concentration camp. For me, his songs also have something of the Slavic melancholy.”

– On that CD you sing songs in five different languages, do you also speak them?

“More or less, yes. I learned Russian at school, I speak English and French fluently. My Italian is also good and I learned German when I lived in Vienna for a few years”.

– On your recordings, and there are quite a few of them, you sing music from Bach to Martinů, and from Gluck to Verdi. Also on stage?

Laughing: “Well, no. Certainly not Verdi. But it’s completely different when you put together a recital with opera arias. It is extremely difficult to bring so many different characters to life within 5 minutes, you need an entire opera to do that. That’s why, or so I think, you have to make it as varied as possible, otherwise it will be boring. The idea of Verdi came from Marc Minkowski. At first we even argued about it, but in the end he managed to convince me. He explained that this aria (by Eboli from Don Carlos) sounds like a Spanish folk song, and I think he was right.”

“Minkowski was the first great conductor I met, about seven years ago. He means a lot to me, he’s my music buddy. Nowadays we don’t see each other very often anymore, but in the beginning, we did 4 to 5 projects a year together. I learned a lot from him. When you are a beginner you try to sing as beautifully as possible. He taught me that music is so much more than just beauty.”

For a long time we talk about her Zerlina in Salzburg, two years ago, in 2002. I was there and say that I loved her but hated that production. And again she has to laugh: “I loved that production! When I was offered that role, I only accepted it because it was Salzburg. And Harnoncourt. Zerlina was always synonymous with a stupid blonde for me, but here she got a little more character.”

– Actually, I think your voice is very suitable for the French repertoire, especially Massenet. Do you ever intend to sing it on stage?

“I would love to, especially Cendrillon, but it is so rarely performed, even in France. Most people still like to see me in operas by Mozart and Händel.”

She lives in Paris, but is very rarely at home, the last year only 40 days. She usually meets her husband, a French baritone, somewhere on the road.

Does she think about children?

“I like the idea, but then I have to give up a lot of my life, especially when the children have to go to school”.

For the time being, she is full of plans.


Kozena Schulhoff

This is an extremely interesting CD with an unusual program. Uncommon, because apart from Ravel’s Chansons Madécasses and, perhaps also Respighi’s Il Tramonto, the rest is unknown to most listeners. All songs were composed in the first half of the last century in five different European countries, and radiate a strong melancholy and nostalgia.

The accompagnement is also exceptional, the songs are not only accompanied by the piano, but also by violin, string quartet, flute, cello and piano. Each and every one of them special compositions, sung by Kožena with great understanding of the text. I myself have a bit of trouble with her Russian, for me it is a bit over-articulated, but this is actually nit-picking.

In Il Tramonto I prefer to hear a darker and slightly more dramatic voice, but as she performs it is also possible. In her interpretation the piece gets something girly, with a different colour of sadness.

I consider the three songs by Schulhoff to be the undisputed highlight, they are three small masterpieces and it is to be hoped that Kožena will keep them in her repertoire.

Ravel, Shostakovich, Respighi, Schulhoff, Britten
Magdalena Kožená (mezzo-soprano),
Malcolm Martineau (piano), Paul Edmund-Davies (flute), Christoph Henschel (violin), Jiří Bárta (cello), Henschel Quartet (DG 4715812)

Kozena Martinu

This made me silent. The melancholy of Dvořák, the typical rhythm of Janáček’s language, the idiosyncrasy of Martinů, all of which makes it impossible to disengage from all this.

What I find most interesting is the cycle Songs for a friend of my country from Martinů, which is having its album premiere here. Martinů composed it in 1940 in Aix-en-Provence, during his flight from the Nazis that would bring him to America, and it is dedicated to Edmond Charles-Roux. The cycle was only discovered in 1996. It is an immense asset to the song repertoire, but: who else sings it? Very moving.

Dvořák, Janáček, Martinů
Love songs
Magdalena Kožená mezzo-soprano, Graham Johnson piano (DG 4634722)

Translated with


Franz Xaver was ook een Mozart!

Mozart Bonney

Wat een leuke verrassing! Heeft u ooit de liederen van Franz Xaver,  Mozarts jongste zoon gehoord? Sterker nog: wist u überhaupt, dat hij iets meer dan een pianoconcert had gecomponeerd? Ik zeker niet, wat me heel nieuwsgierig naar deze cd deed grijpen.

Het werd een zeer aangename kennismaking. De liederen halen het niveau van de grote Mozart niet wat helemaal niet erg is. Ik vind ze leuker dan leuk en wat mij betreft horen ze in het standaardrepertoire thuis.

Franz Xaver was nog maar een baby toen zijn vader stierf. Zijn moeder was vastbesloten om een beroemde musicus van hem te gaan maken, zodoende kreeg hij zijn eerste muzieklessen toen hij nog maar twee jaar oud was. Een curiositeit: onder zijn leraren bevond zich ook … Salieri.

De ontdekking van Franz Xavers liederen is aan Barbara Bonney te danken. Haar intuïtie volgend, is ze in de archieven en op het internet op zoek gegaan naar nog meer getalenteerde Mozarts.

In de  jaren 1990 – 2000 werd Bonney beschouwd als één van de mooiste lyrische sopranen van haar generatie, en daar was – en ben ik –  het mee ens. Haar timbre is zeer aangenaam en haar vertolking van de liederen van Mozart junior buitengewoon fraai. En al is haar uitspraak van het Duits een beetje vreemd, ach … Ik heb enorm genoten.

Franz Xaver Mozart
The other Mozart
Barbara Bonney (sopraan), Malcolm Martineau (piano)
Decca 4756936

De strijd om Lucia di Lammermoor is nog niet gestreden



Lucia di Lammermoor is altijd, misschien meer nog dan Norma, een strijdpunt geweest tussen de aanhangers van Maria Callas en Joan Sutherland. De prestaties van beide dames zijn inderdaad fantastisch en bovendien totaal verschillend. Welke van de twee moet u hebben? Niet makkelijk. Kwestie van smaak, zal ik zeggen?

Joan Sutherland is ongekend virtuoos en haar coloraturen zo perfect dat het pijn doet. En toch blijf ik er onaangeroerd bij. Waarom? Wellicht omdat het te perfect is? Ik weet het niet. Het kan ook aan mij liggen.


Lucia Callas

Waar u ook voor kiest: u kunt echt niet zonder minstens één Callas. Probeer Naxos (8110131-32) met Giuseppe di Stefano en Titto Gobbi, onder Tulio Serafin, want al is Francesco Tagliavini (Warner Classics 2564634081) een veel mooiere Edgar, de rest van de cast (inclusief Callas zelf!) is hier veel sterker.


Lucia Sills

Zelf kies ik voor Beverly Sills (Westminster 4712502), zeker als we het over studio-opnames hebben. Haar portrettering verenigt het beste van beide diva’s: de virtuositeit, stemschoonheid en zuivere intonatie van la Stupenda en het grote acteren van la Divina. Niet echt een grote tragédienne (maar dat is Lucia ook niet), meer een passief kindmeisje dat het allemaal over zich heen laat komen. Ook de rest van de cast (Carlo Bergonzi, Piero Cappuccilli, Justino Diaz) is van zeer hoog niveau en Thomas Schippers dirigeert zeer ferm. Maar wat die opname werkelijk bijzonder maakt, is het gebruik van een glasharmonica in de waanzinscène, precies zoals Donizetti het oorspronkelijk had voorgeschreven.


Lucia Scotto

Mijn geliefde Lucia, Renata Scotto, heeft de rol nooit in de studio opgenomen. Er zijn wel verschillende piratenopnames met haar in omloop, met als Edgardo onder andere Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en Gianni Raimondi.

Van die vier is de opname met Raimondi me het dierbaarst, niet in de laatste plaats vanwege de zeer energieke en dramatisch evenwichtige directie van Claudio Abbado. Het werd opgenomen in La Scala in december 1967 en is ooit op Nuova Era (013.6320/21) verschenen. Helaas is die opname zeer moeilijk verkrijgbaar, maar wie zoekt….

Hieronder Gianni Raimondi en Giangiacomo Guelfi (Enrico) in Orrida è questa notte..

Scotto’s interpretatie van de gekwelde heldin is wel op dvd beschikbaar (VAI 4418). De productie is in 1967 in Tokio opgenomen. Het circuleerde jarenlang op piratenvideo, maar aangezien de geluids- en beeldkwaliteit bijzonder matig was, zijn er met de commerciële uitgave heel veel operaliefhebbers bijzonder blij gemaakt. Het geluid is een beetje scherp, waardoor Scotto’s hoge noten nog metaliger klinken dan normaal, maar: who cares?

Haar interpretatie is zowel zangtechnisch als scenisch van een ongekend hoog niveau. Met een kinderlijk verbaasde uitdrukking (mijn broer doet het mij aan?) op haar gezicht stemt ze in, al is het niet zonder morren, met het gedwongen huwelijk met Arturo (een in alle opzichten afgrijselijke Angelo Marchiandi).

Hieronder Scotto zingt ‘Il dolce suono’. Doe het haar na!

Na haar waanzinaria krijg je de neiging de stekker eruit te trekken, want alles wat erna gaat komen, kan niet anders dan als een koude douche werken. Maar daar vergis je je in. De twee aria’s van Edgardo, gezongen door Carlo Bergonzi, brengen je regelrecht de (zangers)hemel in.

Na afloop kan je niet anders dan huilen, want: waar zijn ze gebleven, de zangers van toen? Klein, lang, dik, mager, met of zonder het acteertalent… Geen van hen was een ballerina, maar zingen konden ze! En enkel door middel van hun stem konden ze alle gevoelens overbrengen waar je nu een heel ‘artistiek team’ voor nodig hebt. Ondanks de toen gebruikelijke coupures een absolute must.

Hieronder zingt Bergonzi ‘Fra poco a me ricovero’


Lucia Ciofi

In 1839 bewerkte Donizetti zijn opera voor Parijs en Lucia werd Lucie. Het is niet de alleen de taal die de beide versies onderscheidt, want Donizetti heeft zowel aan het libretto als aan de muziek behoorlijk gesleuteld. Zo werd Alisa (Lucia’s hofdame) uit de opera geknipt en is onze heldin als enige vrouw in een verder louter mannengezelschap gebleven, wat haar nog eenzamer en nog kwetsbaarder maakt.

Normanno heet nu Gilbert en zijn rol werd behoorlijk uitgebreid. Zijn valse spel en manipulaties maken van hem zowat een sleutelfiguur en hij groeit uit tot bijna Iago-achtige proporties. Ook Arturo is als Henri driedimensionaler geworden. En al mis ik ‘Regnava nel silenzio’ en scènes tussen Lucia en Raimondo, ik moet toegeven dat de Franse versie dramatisch veel beter in elkaar steekt.

In deze opname (ooit TDK, hopelijk nog te bestellen) is Patrizia Ciofi niet minder dan fenomenaal als een behoorlijk neurotische Lucie, Ludovic Tézier prachtig als een vileine Henri en Roberto Alagna helemaal in zijn element als Edgar. Het was (toen) één van zijn beste rollen.

Het regisseursduo Patrick Courier/Moshe Leiser stelt zelden teleur. Hun producties zijn altijd realistisch, ingebed in historische perspectief, maar met genoeg ‘knipoog’ naar het heden. Bovendien doen ze wat regisseurs voornamelijk horen te doen: zorgen voor een goede mise-en-scène en zangers in hun spel goed begeleiden om ze overtuigend te laten overkomen.



Lucia Netrebko
Deutsche Grammophon bracht de Live in HD-uitzending van Lucia di Lammermoor die in 2009 door de Metropolitan Opera in New York werd uitgezonden uit op dvd en Blu-Ray (DG 0734545). Anna Netrebko zong de hoofdrol. Lucia vond ik nooit echt bij haar passen. Bovendien was ze in die tijd meer bezig zichzelf te etaleren dan dat ze zich om de zielenroerselen van de door haar gespeelde tragische heldin bekommerde.

Piotr Beczala, toen nog geen grote ster, was de lastminutevervanger voor de ziek geworden Rolando Villazón en het moet gezegd worden: samen met zijn landgenoot Mariusz Kwiecien (Enrico) stal hij de show. De regie van Mary Zimmermann is mooi om te zien, maar voegt eigenlijk niet veel toe. Voer voor de vele Netrebko-fans, maar voor de rest?


Lucia Dessay

Het Mariinski Theater van Valery Gergiev heeft een Lucia di Lammermoor uit eigen huis op cd gezet (MARO 512). Natalie Dessay is een begenadigd artieste. Ze beschikt over een pracht van een stem met een ongekende hoogte, waarmee ze de moeilijkste coloraturen en fiorituren zingt alsof het niets is. Mooi is zij ook en ze kan waanzinnig goed acteren; het is altijd een plezier om haar in actie zien.

Maar niet al te grote stem kent echter ook zijn beperkingen. Scenisch weet ze die achter haar acteren te verbergen, maar zonder beeld wil er weleens iets misgaan. Dat hoor je ook op deze live-opname uit 2010. Haar coloraturen zijn perfect maar leeg; het heeft geen inhoud. Deze Lucia wordt gek zonder dat je weet waarom. Maar als ze eenmaal gek is, doet ze je duizelen.

Piotr Beczala is, zoals altijd, een fantastische Edgardo, maar ook alle andere zangers zijn prima. Allemaal beschikken ze over een individueel timbre, waardoor je in het zeer homogeen gezongen sextet ook afzonderlijke stemmen kan herkennen.

Valery Gergiev dirigeert energiek en zwiept het orkest op, wat soms resulteert in halsbrekende tempi. De ‘waanzinscène’ (met glasharmonica, bravo!) rekt hij juist uit



Diana Damrau, één van ’s werelds beste en beroemdste sopranen, lijkt geknipt voor de rol van Lucia in Lucia di Lammermoor. Zij zong de partij al in 2008 in de New Yorkse Metropolitan Opera. Vijf jaar later verblijdde ze het duidelijk aan haar voeten liggende publiek in haar geboortestad München met haar vertolking. De concertante uitvoeringen werden live door Erato opgenomen en het resultaat valt mij tegen.

Niet dat er iets mis is met de coloraturen van Damrau. Die zijn nog steeds onberispelijk, maar in mijn oren zijn ze leeg, zonder inhoud. In haar waanzinscène lijkt ze meer op de mechanische pop Olympia uit Les contes d’Hoffmann dan op een gek geworden vrouw van vlees en bloed.

De mannenrollen zijn allemaal prima ingevuld. Joseph Calleja (Edgardo) zingt zijn rol soepel en met zo’n gemak dat ik aan de jonge Pavarotti moet denken. Ludovic Tézier en Nicolas Testé zijn misschien niet helemaal idiomatisch, maar op hun onberispelijke zang valt niet veel op te merken. Zelfs de kleine rol van Normanno wordt door een voortreffelijk zingende Andrew Lepri Meyer ingevuld.

De tempi van Jesús López-Cobos vind ik op zijn minst opmerkelijk. Dan wordt er gerend, dan staat de boel weer stil. Af en toe herken ik de muziek niet. Het lijkt alsof er nieuwe versieringen zijn aangebracht.

De opname zelf is eveneens onevenwichtig. Dat de opera niet in één keer op één avond is opgenomen is vanzelfsprekend, maar er werd ook het één en ander in de studio ‘verbeterd’ en dat is helaas hoorbaar.

Na al die jaren is mijn top drie nog steeds ongewijzigd:

1. Renata Scotto met Carlo Bergonzi, VAI 4418.

2. Beverly Sills met Bergonzi Westminster 4712502

3. Maria Callas. Ongeacht welke, eigenlijk


Peter Gijsbertsen en Liesbeth Devos laten de liederen van Duparc opbloeien als nooit tevoren


Soms kun je je niet aan het soort ‘wat als’ spelletje te onttrekken. Stel je voor, dat Henri Duparc niet geestesziek was geworden? Stel je voor dat hij niet bijna al zijn werken had vernietigd? Naar de niet meer dan veertigtal stukken na die het hebben overleefd is de wereld heel wat moois armer geworden. Onder de stukken dat hij vernietigde was ook Roussalka, een (incomplete) opera naar het gedicht van Poesjkin.

In een brief aan zijn goede vriend, de componist Jean Cras schreef hij: (ik citeer de Wikipedia):
Na 25 jaar in een prachtige droom te hebben geleefd, komt het hele idee van muzikale conceptie me – ik herhaal het voor je – walgelijk voor. De andere reden van deze vernietiging, die ik niet betreur, is de gehele morele transformatie welke God op me heeft uitgeoefend sinds mijn 20ste en die in een enkele minuut mijn hele afgelopen leven verlaten heeft. Vandaar, dat Roussalka (de opera) geen enkele verbinding met mijn nieuwe leven meer heeft en derhalve niet dient te bestaan.

Op zijn 36te was het gedaan met de muziek: Duparc hield op met het componeren en werd vrijwel vergeten. Het was pas in de jaren zestig dat zijn liederen werden ‘herontdekt’, maar het heeft nog langer geduurd eer ze gemeengoed werden.

Drie jaar geleden werden al zijn liederen door de Italiaans bas, Andrea Mastroni opgenomen. De cd droeg de titel Lamento en lamento was het. Zwaar, zwaarmoedig en om te huilen. Wat een verschil met de prachtige, met een echte Franse zwier gezongen interpretatie van Peter Gijsbertsen! Deze cd heeft als titel Extase gekregen en dat dekt de lading veel beter.

De liederen van de hypersensitieve Duparc kun je het beste met lichte penseel geschilderde watertekeningen vergelijken. Niet eens zo gek als je bedenkt dat zijn laatste levensjaren in het teken stonden van het schilderen van aquarellen. Zo zingt Gijsbertsen ze ook.

Wat ik ook zo mooi in de interpretatie van Gijsbertsen vind is zijn voortreffelijke maar nergens overheersende dictie. Je verstaat alles wat hij zingt maar de woorden, die heb je niet eens nodig om te weten waar het over gaat.

Een van mijn geliefde liederen van Duparc is het ‘Romance de Mignon’ en die neemt Liesbeth Devos voor haar rekening. Haar lichte, meisjesachtige timbre voelt buitengewoon prettig en past het lied als de handschoen. Ontroerend.

In ‘La Fuite’, een zeer sensueel lied naar de tekst van Théophile Gautier worden de beide zangers met elkaar verenigd, hun beider stemmen met elkaar verstrengeld. Zoals het bij geliefden gaat. Jozef de Beenhouwer maakt de ménage à trois compleet.

Henri Duparc
Extase – Complete Songs
Peter Gijsbertsen (tenor), Liesbeth Devos (sopraan), Jozef de Beenhouwer (piano)
Phaedra PH 292040

Duparc en de ondraagelijke zwaarheid van het bestaan

Met de zee valt net zo min te spotten als met het noodloot: De kinderen der Zee van Lodewijk Mortelmans

Peter Gijsbertsen zingt liederen van RICHARD STRAUSS

Lady Rattle, toen zij nog Magdalena Kožená heette

Het begint ongelukkig. Allereerst vergeet ik het tijdsverschil met Engeland en bel ik te vroeg op. Één uur later krijg ik te horen dat ze niet thuis is, en dat ik het maar op haar mobiel moet proberen. Het komt niet gelegen zegt ze, ze is in een museum, bovendien wist ze niets van het interview af. Dan maar meteen een nieuwe afspraak maken.

Driemaal is scheepsrecht. Nu is zij thuis en buitengewoon lief. Vooraleerst wil ze zich verontschuldigen, er moest iets mis zijn gegaan. Het geeft niet, zeg ik. Die dingen gebeuren nu eenmaal. Haar spreekstem lijkt op haar zangstem: zilverkleurig, warm en zacht. Donker ook, wat met dat vleugje Tsjechische accent heel aantrekkelijk klinkt.

Allereerst wil ik het over haar laatst uitgekomen cd hebben

– Wie koos het programma?
“Ik. DG wilde een cd maken met meer instrumenten dan alleen maar een piano. Ze stelden Il Tramonto van Respighi voor, de rest heb ik uitgezocht. Ja, het klinkt ietwat melancholisch, maar ik denk dat het ook met de tijd te maken heeft, de meeste van die composities ontstonden tussen de twee wereldoorlogen. De droevigste muziek is die van Schulhoff, maar hij was ook een tragische figuur. Een Jood, overleden in een concentratiekamp. Voor mij hebben zijn liederen ook iets van de Slavische melancholie.”

– Op die cd zing je liederen in vijf verschillende talen, spreek je ze ook?
“Min of meer, ja. Russisch leerde ik nog op school, mijn Engels en Frans spreek ik vloeiend. Ook mijn Italiaans is goed en het Duits leerde ik toen ik een paar jaar in Wenen woonde”.

– Op je opnamen, en het zijn er behoorlijk veel, zing je muziek van Bach tot Martinů, en van Gluck tot Verdi. Ook op de bühne?
Lachend: “Nou, nee. Zeker geen Verdi. Maar het is helemaal anders als je een recital met opera-aria’s samenstelt. Het is ontzettend moeilijk om zoveel verschillende karakters binnen 5 minuten tot leven te wekken, daar heb je een hele opera voor nodig. Daarom, dat denk ik althans, moet je er zoveel mogelijk verscheidenheid in aanbrengen, anders wordt het saai. Het idee van Verdi kwam overigens van Marc Minkowski. In het begin hadden we zelfs ruzie daarover, maar uiteindelijk wist hij me te overtuigen. Hij zei dat die aria (van Eboli uit Don Carlos) klinkt als een Spaans volksliedje, en ik denk dat hij gelijk had.”

“Minkowski was de eerste grote dirigent die ik tegenkwam, zo’n zeven jaar geleden. Hij betekent heel erg veel voor mij, hij is mijn muzikaal maatje. Tegenwoordig zien we elkaar niet zo vaak meer, maar in het begin deden wij 4 à 5 projecten per jaar samen. Ik heb heel erg veel van hem geleerd. Als je een beginneling bent probeer je zo mooi mogelijk te zingen. Hij leerde me, dat muziek zoveel meer is dan alleen maar schoonheid.

Heel lang praten we over haar Zerlina in Salzburg, twee jaar geleden,  in 2002. Ik was er bij en zeg dat ik haar prachtig vond maar die productie haatte. En weer moet ze lachen: “Ik hield van die productie! Toen me die rol werd aangeboden nam ik het alleen maar aan omdat het Salzburg was. En Harnoncourt. Zerlina was voor mij altijd het synoniem van een dom blondje, maar hier heeft ze wat meer karakter gekregen.”

– Eigenlijk vind ik je stem bijzonder geschikt voor het Frans repertoire, voornamelijk Massenet. Ben je van plan het ooit op de planken te zingen?
“Ik zou het graag willen, voornamelijk Cendrillon, maar het wordt zo weinig gespeeld, zelfs in Frankrijk niet. Daarbij zien de meesten me nog steeds het liefst in opera’s van Mozart en Händel.

Ze woont in Parijs, maar is zeer zelden thuis, het laatste jaar maar 40 dagen. Haar man, een Franse bariton, ontmoet ze meestal ergens onderweg.

Denk ze aan kinderen?
“Het lijkt me leuk, maar dan zal ik veel van mijn leven moeten opgeven, zeker als de kinderen naar school moeten”.

Vooralsnog zit ze vol met plannen.

Kozena Schulhoff

Dit is een werkelijk buitengewoon interessante cd met een onalledaags programma. Onalledaags, want op de Chansons Madécasses van Ravel na en, wellicht ook Il Tramonto van Respighi, is de rest voor de meeste luisteraars onbekend. Alle liederen werden in de eerste helft van de vorige eeuw in vijf verschillende Europese landen gecomponeerd, en stralen een zware melancholie en nostalgie uit.

Ook het accompagnement is exceptioneel, de liederen worden niet alleen door de piano, maar ook door viool, strijkkwartet, fluit, cello en piano begeleid. Stuk voor stuk bijzondere composities, door Kožena met veel tekstbegrip gezongen. Zelf heb ik een klein beetje moeite met haar Russisch, voor mij is het een tikje overgearticuleerd, maar dit is eigenlijk muggenzifterij.

In Il Tramonto hoor ik liever een donkerdere en iets meer dramatische stem, maar zoals zij het doet kan het ook. In haar interpretatie krijgt het geheel iets meisjesachtigs, met een andere kleur van verdriet.

Als onbetwist hoogtepunt beschouw ik de drie liederen van Schulhoff, het zijn drie kleine meesterwerkjes en het is te hopen, dat Kožena ze in haar repertoire houdt.

Ravel, Shostakovich, Respighi, Schulhoff, Britten
Magdalena Kožená (mezzosopraan), Malcolm Martineau (piano), Paul Edmund-Davies (fluit), Christoph Henschel (viool), Jiří Bárta (cello), Henschel Quartett (DG 4715812)


Kozena Martinu

Hier werd ik stil van. De melancholie van Dvořák, de typische ritmiek van de taal van Janáček, de eigenzinnigheid van Martinu, dat alles maakt, dat je je er niet meer los van kunt maken.

Het meest interessant vind ik de cyclus Liederen voor een vriend van mijn land van Martinů, die hier zijn plaatpremière beleeft. Martinu componeerde het in 1940 in Aix-en-Provence, tijdens zijn vlucht voor de nazi’s die hem naar Amerika zou brengen, en is opgedragen aan Edmond Charles-Roux. De cyclus werd pas in 1996 gevonden. Het is een enorme aanwinst voor het liedrepertoire maar: wie zingt het nog? Zeer ontroerend.

Dvořák, Janáček, Martinů
Love songs
Magdalena Kozená mezzosopraan, Graham Johnson piano (DG 4634722)

Sterven met Dame Janet Baker

Janet Baker

Ik geef het toe, ik háát Händel. En nu wil ik u een cd aanbevelen die voor bijna de helft gevuld is met zijn aria’s. Kan dat? Ja, dat kan, want ware schoonheid ontstijgt alle vooroordelen en preferenties.

De korte ‘O had I Jubal’s Lyre’(Joshua) is gauw vergeten bij de eerste noten van ‘C’. Zo mooi en zo smachtend gezongen dat je niet eens op de daaropvolgende ‘Care selve’ (Atalanta) let. En bij ‘Plaisir d’amour’ weet je al, dat je die cd nooit meer kwijt wilt, en je geeft je gewonnen.

Je valt in zwijm bij ‘Amarilli mia bella’, want niemand op aarde heeft het mooier gezongen. Bij ‘Che puro Ciel’ vullen je ogen zich met tranen en je bent er zeker van dat dit het hoogtepunt van de cd is. Want nog meer ontroering, nog meer schoonheid… nee, dat kan niet. En dan komt het: de klaagzang van Dido uit Dido & Aeneas van Purcell.

Janet Baker als Dido (opname uit 1966):

De jonge Baker (de opname is uit 1962) maakt van jou haar Belinda, haar vertrouwelinge. Je ziet hoe haar lippen trillen en wilt haar troosten en zeggen dat het allemaal goed komt, maar het komt niet meer goed en je sterft met haar samen.

The legendary dame Janet Baker
Händel, Gluck, Mozart, Purcell. Martini, Giordani

Isata Kanneh-Mason eert Clara Schumann

Schumann Isata

Voor mij is ‘diversiteit’ gewoon een modewoord dat niets met de werkelijkheid te maken heeft. Omdat het moet en omdat de quota gehaald moeten worden, moet nu ook de klassieke muziek business er aan geloven. En dan bedoel ik niet de operafiguren zoals Aida of Otello, want die moeten nu juist ontkleurd worden. Vandaar ook dat de orkesten en platenmaatschappijen bijna krampachtig op zoek zijn naar mensen van kleur.

Nu moet u mij niet verkeerd begrijpen: ook ik denk dat het heel erg goed is en juich het van harte toe, maar dan wel met één voorwaarde: kwaliteit. En de kwaliteit is bij de Engelse pianiste Isata Kanneh-Mason hoog, zeer erg hoog. Zij is de oudste van de zeven Kanneh-Mason kinderen die allemaal muziek maken: vier van haar broers en zussen studeren aan The Royal Academy of Music, waar de 22-jarige Isata zelf nog steeds les heeft. Haar broer Sheku die cellist is, is haar in roem al vóór gegaan.

Clara Wieck-Schumann was een wonderkind dat uitgroeide tot een pianovirtuoos. Dat zij ook componeerde werd lange tijd genegeerd: als moeder van acht kinderen werd zij geacht voor haar beroemde man te zorgen.

Op haar eerste cd-opname speelt Isata Kanneh-Mason werken die zowat het hele leven van Clara beheersen. Zo begint zij met het pianoconcert dat Clara componeerde toen zij dertien jaar oud was en waar zij de première van speelde toen zij zestien was. Mendelssohn dirigeerde.

Isata Kanneh-Mason speelt het zeer virtuoos en haalt er alles van wat er uit te halen is: niet veel eigenlijk. Wat niet erg is, want zo gespeeld wordt het concerto naar hogere regionen opgetild en dat mag. Daarbij wordt zij uitstekend begeleid door het orkest van Liverpool. Het mooist vind ik echter de vioolromances, gecomponeerd voor Joseph Joachim. Samen met de violiste Elena Urioste zorgt Kanneh-Mason voor een onvergetelijk ervaring. Top!

Pianoconcert; 3 Romances voor piano op. 11; Scherzo no.2 in c, op. 14; 3 Romances voor viool en piano, op. 22; Pianosonate in G minor, e.a.
Isatha Kanneh-Mason (piano), Elena Urioste (viool, op. 22), Royal Liverpool Philharmonic Orchestra o.l.v. Holly Mathieson
Decca 4850020