Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

In memoriam Christa Ludwig, Old Lady in Candide

Tekst: Peter Franken

Vrijwel iedereen in de operawereld heeft zo zijn favoriete herinneringen aan Christa Ludwig die vorige week overleed. In mijn geval zijn dat Aldagisa en Fricka. Maar een geheel andere kant van deze sympathieke mezzo krijgen we te zien in haar vertolking van Old Lady in Bernsteins Candide. In de opname die op dvd verscheen van de concertante uitvoering op 13 december 1989 geeft ze de gehele cast als comédienne het nakijken, met inbegrip van Lenny himself.

Van Candide kende ik tot voor kort eigenlijk alleen maar Cunegondes coloratuuraria ‘Glitter and be gay’ maar recent bekeek ik de gehele dvd. Iedereen heeft het geweldig naar de zin tijdens de voorstelling, dirigent Bernstein nog het meest. Hij zal opgelucht geweest zijn dat na 35 jaar zijn levenswerk nu eindelijk voltooid was. Hij overleed tien maanden later en gelet op de aard van zijn ziekte zal hem tijdens de opname al wel duidelijk zijn geweest dat zijn leven op een einde liep.

Profile in courage | The Economist

Lilian Hellman pikte Voltaires verhaal op naar aanleiding van het McCarthyism dat de US in de jaren ’50 teisterde en het nummer ‘What a day, what a day, for an Auto-da-fé’ over de Spaanse Inquisitie herinnert nog daaraan. In 1956 ging Candide op Broadway met Hellmans libretto. Hierna volgden versies in 1973, 1982 en uiteindelijk 1988 en toen zag de maestro dat het eindelijk goed was.

Voltaires idee dat deze wereld de beste was van alle mogelijke werelden kwam voort uit de gedacht dat indien er sprake was een schepper, dat de beste van alle mogelijke scheppers moest zijn. Zodoende is er voor alles een goede reden te geven, kwestie van het grote geheel voor ogen houden. Zelfs de slang heeft een positieve inbreng gehad, zonder welke de zondeval niet had kunnen plaatsvinden. En dan zou de mensheid ook niet van zonden verlost kunnen worden en dan waren we nog veel verder van huis geweest.

De verwoestende aardbeving die in 1755 Lissabon trof was voor Voltaire ‘the last straw’. De wereld en zijn bewoners vormden slechts een rampzalige vertoning. En om dat in te wrijven laat Voltaire in zijn schelmenroman Candide de meest vreselijke dingen gebeuren. Die worden echter zeer achteloos verteld. In Bernsteins Candide komt die achteloosheid vaak over als baldadige meligheid, zeg maar sophomoric humour. Maar het wordt gebracht als onderdeel van een flitsende komedie en ondersteund door onweerstaanbare muziek.

Moord en doodslag, verkrachting en geseling, verdrinking en wederopstanding, het volgt elkaar in hoog tempo op. Daarnaast kleinere steekjes zoals Cundegonde die in Parijstegelijkertijd de minnares is van een rijke Jood en de aartsbisschop, op dinsdag, donderdag en zaterdag respectievelijk woensdag, vrijdag en zondag.  Op maandag is ze vrij en beseft ze gedoemd te zijn tot sprankelen en blijheid. Na June Andersons vertolking van dit bravoure stuk gaat het dak eraf.

Zij krijgt al snel hierna gezelschap (en concurrentie) van Christa Ludwig in the Old Lady’s tango ‘I am easily assimilated’, een hilarisch nummer waarin Ludwig zich geheel en al uitleeft. An het begin van de tweede akte zingen beide dames het kostelijke duet ‘We are women’. Samen met de ouverture zijn dit in muzikaal opzicht de nummers die eruit springen.

Waarmee niet gezegd is dat Nicolai Gedda tekortschiet in zijn serenade ‘My love’ maar zijn muziek is gewoon minder interessant dan die van de beide dames.

Dat kan ook gezegd worden van Jerry Hadley die de titelrol vertolkt, uitstekend gezongen maar hij blijft een beetje een bijfiguur in een verhaal dat met al zijn krankzinnige wendingen vooral de aandacht doet uitgaan naar steeds weer nieuwe personages en situaties waardoor je de constante factor Candide bijna over het hoofd ziet.

Uiteindelijk komt Candide tot de conclusie dat de wereld niet helemaal goed of slecht is maar dat je er maar het beste van moet maken. En hij besluit met zijn Cunegonde ergens een boerderijtje te beginnen. Geen Hof van Eden, want daarin hoefden Adam en Eva niets te doen, maar een aards paradijsje waarin gewerkt moet worden om in leven te blijven.

Leornard Bernstein dirigeert zelf het London Symphony Orchestra & Chorus en staat daarnaast vooral te genieten van het optreden van zijn solisten, soms zelfs met de armen over elkaar of een beetje meeswingend. Uiteindelijk is het toch vooral zijn triomf.

Als een feniks uit de as herrijzen: het vioolconcerto van Różycki

Ludomir Różycki: wie kent de componist nog wel? Ik vrees dat hij zelfs in Polen niet meer dan een naam is, al kan ik er geen eed op doen. En als hij nog ergens in de muziekgeschiedenisboeken wordt gememoreerd dan is het vanwege zijn ballet Pan Twardowski. En dat terwijl hij zo veel meer heeft gecomponeerd!

Samen met (o.a.) Mieczyslaw Karlowicz, Karol Szymanowski en Grzegorz Fitelberg maakte Różycki deel van de groep ‘Młoda Polska’ (Jong Polen). De beweging die ruwweg dertig jaar lang duurde (1890 – 1920) en die decadentie, neoromantiek, symbolisme, impressionisme en art nouveau in zijn vaandel had was geen Pools fenomeen. Denk alleen maar aan de Italiaanse Novecento. Parabellum. Zeitgeist

Aan zijn vioolconcert is Różycki in de zomer van 1944 begonnen, de zomer van de Opstand van Warschau. Toen de situatie te gevaarlijk werd is Różycki samen met zijn familieleden Warschau ontvlucht. Zijn onaffe manuscript heeft hij in een koffer verstopt en in zijn tuin begraven. Różycki’s huis overleefde de opstand niet en de componist is na de oorlog in Katowice aan het werk gegaan. Aan zijn vioolconcert dacht hij niet meer. Het was weg. Verloren. Het was pas jaren, echt jaren later dat de bouwvakkers in de ruïnes van zijn huis de partituur hadden gevonden. Poolse Nationale Bibliotheek heeft het in zijn archief opgenomen en … en er gebeurde verder niets.

Maar de wonderen zijn de wereld nog niet uit. In 2018 heeft de violist Janusz Wawrowski de partituur ontdekt en werd zowat knock-out geslagen. Hij wist meteen dat hij goud in zijn handen had, een wereldwonder. Niet dat het volmaakt was. Als je van onder de as tevoorschijn wordt gehaald dan ben je een beetje gehavend. Aan de partituur ontbraken 87 openingsmaten, maar in samenwerking met pianist en componist Ryszard Bryła is het Wawrowski gelukt om het concert te reconstrueren.

Het concert werd door Warner Classics (0190295191702) opgenomen en toen ik de cd heb opgezet werd nu ik knock-out geslagen. Zo waanzinnig mooi, zo vol onvervalste emoties. Onvoorstelbaar gewoon dat deze schat jarenlang onder de grond (en in de bibliotheek) verborgen is geweest.

Het concert van Różycki is gekoppeld aan die van Tsjaikovski. Zo gek nog niet, beide concerten hebben veel gemeen. De uitvoering door Janusz Wawrowski en het Royal Philharmonic Orchestra olv Grzegorz Nowak is net als de concerten zelf: goddelijk mooi


VAImusic, or: Open Sesame!

VAImusic

VAI (Video Artist International) was founded in 1988 by Ernie Gilbert. It was born out of pure idealism and enthusiasm and Gilbert’s intention was to release interesting concerts as well as opera and ballet performances on video.

First of all, ballet films from Russia, featuring Maya Plisetskaya, one of the greatest ballerinas of all time, were brought out.

VAI Promo Image bnd

Below, Maya Plisetskaya in an excerpt from the second act of Swan Lake:


The catalogue was soon further supplemented with performances by Rudolf Nureyev and Margot Fonteyn, mouthwatering names for many ballet lovers

VAI Lucia

The first operas to be released were Lucia di Lammermoor (with Anna Moffo and Lajos Kozma) and The Medium by Giancarlo Menotti, followed by Tosca with Tebaldi and three titles with Beverly Sills, the uncrowned American queen of bel canto.

Below, Beverly Sills in the last scene of Roberto Devereux by Donizetti:

For the many fans of opera stars, VAI is a real Sesame, full of unsurpassed treasures, because where else do you get the complete operas of Corelli, Kraus, Caballé, Bergonzi or Tagliavini? Or recitals by Scotto, Eleanor Steber, John Vickers or Leontyne Price, to name but a few?

VAI L. Price

About ten years ago, a very attractive DVD was released with Leontyne Price singing the complete third act from Aida, recorded by Canadian television in 1958, plus a recital from 1982 with arias from Cosi fan tutte and Madama Butterfly, among others. With the added bonus of three arias from Il Trovatore, Aida and La Forza del Destino, taken from her performances in the legendary ‘Bell Telephone Hour’ from 1963-67 (VAI 4268).

Leontyne Price sings ‘O patria mia’:


However, VAI’s catalogue is not limited to opera and ballet; it also gives us recitals and concerts by many famous instrumentalists and conductors, including Oistrach, Menuhin, Barbirolli, Munch, Martha Argerich, Arturo Benedetti Michalengeli, William Kapell, Joseph Hoffman… An Arthur Rubinstein DVD was brought out with his recitals from 1950 and 1956, together with a selection of works by Chopin, and the (abbreviated) Rhapsody on a Theme of Paganini by Rachmaninoff (VAI 4275).

Vaimusic trailer:

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/JyZl0RGrsNg&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay; encrypted-media; gyroscope; picture-in-picture” allowfullscreen></iframe>

ARAM KHACHATOURIAN

VAI Khachatourian

Peter Rosen’s film about the Armenian composer Aram Khachatourian, which was awarded the prize for best documentary at the Hollywood Film Festival, is exceptionally fascinating. It begins with his funeral and then, in chronological order and in the first person, sketches the life of a man whose history ran parallel to that of the Soviet Union. It contains unique archive images in black and white, breathtaking film images of the Armenian landscapes, interesting interviews, fragments of his ballets and, as a bonus, the complete performance of his cello concerto by Mstislav Rostropovich (VAI 4298).

Below: Mstislav Rostropovich playing Khachatourian’s cello concerto



PLEA FOR GIANCARLO MENOTTI AND HIS THE CONSUL

VAI Consul

Giancarlo Menotti. For most Dutch opera lovers, he is no more than a vaguely familiar name. His operas have never been very popular here and performances can be counted on one hand.

A pity, really, because not only is his music exceptionally beautiful (think of a combination of Mascagni and Britten), but the subjects he deals with in his (self-written) libretti are  socially engaged and they address current topics.

A newspaper article of February 12, 1947 on the suicide of a Polish emigrant whose visa for the USA had been rejected, was seen by Menotti, who sadly remembered the fate of his Jewish friends in Austria and Germany (his own partner, the composer Samuel Barber, was also Jewish). He took this sorry tale and used it as a basis for his first full-length opera. The subject has – unfortunately – lost none of its actuality and The Consul is and remains an opera that cuts right through your soul.


In 1960, it was produced for television, and that registration has been released on DVD by VAI (4266 ). In black and white, without subtitles (don’t be alarmed, there is very clear singing) and extremely dramatically portrayed by Jean Dalrymple.

Patricia Neway sings ‘To This We’ve Come’:

Boris Godoenov met Gergiev in het Mariinsky

Tekst: Peter Fanken

Boris Tarkovski

Een productie van de Royal Opera met Robert Lloyd in de titelrol werd in 1990 in het Mariinsky uitgevoerd onder leiding van Gergiev. Ik bekeek een dvd van de opname van deze in alle opzichten zeer geslaagde voorstelling.

Regisseur Andrei Tarkovsky heeft in deze productie gekozen voor de complete versie in vier akten. Dat voegt beslist veel toe aan het werk. In de oorspronkelijke versie heeft Moessorgski een aantal scènes ingevoegd die de kennelijke bedoeling hebben het geheel wat op te fleuren. Zo is er het volksliedje dat wordt gezongen door de voedster van Boris’ dochter Xenia in de derde akte. De tweede akte laat hij beginnen met een vergelijkbaar liedje dat wordt gezongen door de herbergierster, voordat Varlaam, Missail en Grigori binnen komen vallen. Varlaam is het cliché van de sjacherende losbandige monnik en hij heft direct een dronkemanslied aan over de verovering van Kazan.

Die tweede akte had als enig doel de link te leggen tussen de jonge monnik Grigori en de pretendent Dmitri die tegen het einde zijn opwachting maakt. En verder natuurlijk het opfleuren van het werk door die liedjes. Maar met het toevoegen van een forse akte die zich afspeelt in Polen, verliest die tweede akte zijn betekenis. De toeschouwer wordt nu immers al uitvoerig meegenomen in de metamorfose van Grigori in Dmitri. Tegelijkertijd krijgt de rol van de pretendent meer inhoud. In plaats van een bordkartonnen personage in een bijrol, treedt hij nu meer op de voorgrond en krijgt ook meer te zingen. Marina vertolkt een grote rol voor mezzosopraan en maakt daarmee die liedjes zingende herbergierster en voedster volledig overbodig.

Het ware beter geweest als Moessorgski de gehele tweede akte had laten vervallen en ook de rol van de voedster en van Xenia had geschrapt. Dat gebral van Varlaam is sowieso een van de momenten die mij altijd storen in Russische opera’s.

Het toneelbeeld is tamelijk eenvoudig gehouden. Een licht oplopend breed plankier dat reliëf krijgt door een geaccentueerde verdeling in vierkanten. Zo nu en dan worden er rekwisieten bijgeplaatst of neergelegd zoals in geval van het grote kleed dat Boris’ rijk voorstelt en waar Fjodor met hem over spreekt. De kostumering is ronduit overweldigend, absoluut top en dat maakt het gebruik van zetstukken om een omgeving te definiëren bijna overbodig.

De Poolse akte spreekt me het meeste aan, het operahart in een zich voortslepend historisch drama. Sergei Leiferkus is geweldig op dreef als de manipulerende Jezuïet Rangoni. Hij vraagt Marina zonder veel omhalen om te hoereren voor het Rooms Katholieke geloof en als ze botweg weigert en hem wegstuurt, gooit hij het over een andere boeg. Haar gezicht is reeds vervormd door de komst van de duivel die op het punt staat in haar te varen of dreigementen van gelijke strekking. Dat werkt en ze stemt toe in het bewerken van Dmitri zodat hij zijn verliefdheid op het tweede plan zal plaatsen en zich zal richten op hogere doelen: de kroning van Marina tot tsarina en de vestiging van het rooms-katholicisme in een Pools-Litouwse vazalstaat zoals gepropageerd door Rangoni.

Marina bespeelt Dmitri in die scène werkelijk als een piano en krijgt de voormalige monnik geheel waar ze hem hebben wil. Olga Borodina haalt deze akte geheel naar zich toe, eerst in het verbale duel met Rangoni, vervolgens hetzelfde nog eens met Dmitri, een mooie rol van Alexei Steblianko. Dit vormt het hart van de opera en is in deze voorstelling een hoogtepunt dat slechts wordt geëvenaard door de scène waarin Boris sterft, een meesterstuk van Robert Lloyd.

Hoewel al een oude opname is deze productie zeker het aankijken en beluisteren waard. Als ik dat nog eens doe zal ik mijn eigen adviezen volgen en de tweede akte en het begin van de derde gewoon overslaan.

Giuseppe Sinopoli in memoriam

Op 20 april 2001 is Giuseppe Sinopoli tijdens het dirigeren van Aida in Berlijn overleden. Hij was net met de derde akte begonnen….. Sinopoli was 54 jaar oud.

Attila

Attila

Er zijn van die voorstellingen waar alles perfect op elkaar afgestemd is en waarbij je het gevoel krijgt dat het niet beter kan. Er wordt nog lang over nagepraat en ze verworden tot een legende.

Zo’n voorstelling was Verdi’s Attila in de Weense Staatsoper op 21 december 1980. Het was Giuseppe Sinopoli’s debuut in het huis, zijn naam was nog vrijwel onbekend, maar de aanvankelijke terughoudendheid bij het publiek veranderde in een uitzinnig enthousiasme al bij de eerste maten. Zo warmbloedig, vurig en teder tegelijk heeft men de – toch niet sterkste – score van Verdi niet eerder gehoord.

Nicolai Ghiaurov was een grootse Attila. Met zijn sonore bas gaf hij zijn personage niet alleen de allure van een veldheer maar ook de zachtheid van een liefhebbend man.

In haar rol als Odabella bewees Mara Zampieri dat ze niet alleen een fantastische zangeres is met een stralende hoogte en een dramatisch attaque, maar ook een actrice van formaat.

De stretta ‘E gettata la mia sorte’ in de tweede acte verlangt van de bariton de hoge bes. Piero Cappuccilli haalde die met gemak en souplesse, en werd door het uitzinnige publiek gedwongen tot bisseren, iets wat je maar zelden meemaakt in de opera. Een zeldzame ervaring.


Fliegende Holländer

Fliegende Hollander Sinopoli

Deze cd-opname uit 1998 (DG 4377782) is mij bijzonder dierbaar. Allereerst vanwege Cheryl Studer, toen wellicht de mooiste Senta die men zich kon voorstellen. Haar heerlijk lyrische sopraan met makkelijke en sensuele hoogte leek geschapen voor die rol.

De Holländer wordt hier gezongen door Bernd Weikl. Niet echt de jongste meer en dat hoor je, maar voor die rol zeer passend. Peter Seiffert is een pracht van Der Steuerman, en in de rol van Erik hoor je niemand minder dan Plácido Domingo, een luxe!

Maar het allermooist is het orkest: onder de werkelijk bezielde leiding van Giuseppe Sinopoli speelt het Orchester der Deutsche Oper Berlin sterren van de hemel.


Salome

Salome Studer

Ik realiseer mij wel dat velen van u het niet met mij eens zullen zijn, maar voor mij is Cheryl Studer één van de allerbeste Salome’s van de laatste vijftig jaar. Althans op cd, want zij heeft de rol nooit compleet op de bühne gezongen (DG 4318102). Als weinig anderen weet zij het complexe karakter van Salome’s psyche weer te geven. Luister alleen maar naar haar vraag ‘Von wer spricht er?’ waarna zij zich realiseert dat de profeet het over haar moeder heeft en op een verbaasde, kinderlijk naïeve manier zingt: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Meesterlijk.

Bryn Terfel is een zeer viriele, jonge Jochanaan (het was, denk ik, de eerste keer dat hij de rol zong), maar het allermooiste is de zeer sensuele, breedklankige directie van Giuseppe Sinopoli.

Dmitri Hvorostovsky in two live recitals


Songs and Dances of Death (VAI 4330)

Hvorostovsky Dutoit


After Hvorostovsky won the Cardiff Competition in 1989, record companies were queuing up to sign a contract with him. Philips was chosen and promptly a small number of recitals and a few complete operas were recorded with him.

Hvorostovsky in Cardiff:



It was all too premature, Hvorostovsky was not ready: he did not speak any languages but his own, and his repertoire was much too limited. His contract was not renewed, and things went downhill for him.

But he redeemed himself in a big way! On 18 July 1998, he gave a recital for thousands of enthusiastic listeners at the Festival de Lanaudière. He sang the Songs and Dances of Death by Mussorgsky, followed by a number of arias.



I have to confess that I had been planning to read a book to help me pass the time, but I never did. Instead I listened breathlessly to his velvety voice, his matchless legato and his flawless interpretation, which moved me to tears. As Hvorostovsky is such a very charismatic singer, it is a pure unadulterated pleasure to be watching him.

Hvorostovsky and Charles Dutoit in Rossini’s ‘Largo al Factotum’ (Barbiere di Seviglia by Rossini):



Russian Songs from the war years (VAI 4318)

Hvorostovsky War years


Patriotism has become an old-fashioned word. Everything has to be international, global, multicultural and cosmopolitan, and maybe that’s for the best. The Second World War ended seventy-five years ago, and it seems so long gone….

Yet there are still people alive who experienced ‘The Great Patriotic War’. There are still (personal) stories. And then there are the songs. I grew up with them; the Russian songs from that time. My mother, who had fought in the Red Army throughout the war, sang them instead of lullabies, and they made me dream about the lonely accordionist looking for his beloved.

None other than Dmitri Hvorostovsky brought them back to the concert hall, and on 8 April 2003 he performed them for no less than 6,500 spectators in the Kremlin Palace.

Below, Hvorostovsky sings  “Журавли” (Cranes) from the film “When the cranes fly over”, by Mikhail Kalatozov:



The arrangements have been slightly altered; they sound less over the top, they have been loosened up a little and they are foremost nostalgic. There is no ‘hurrah patriotism’.

Hvorostovsky sings in a clearly relaxed way, with a mild smile around his mouth, without any vocal exaggeration or obvious articulation. A bit like a crooner, a Sinatra or a Bing Crosby.

The audience sniffles softly and mouthes the words, soundlessly singing along. I too become fascinated and feel a tingling sensation in my eyes. Nostalgia? My Dutch friend, born on Curaçao, was just as moved. Very touching.

Chants Juifs, dertig jaar later


Toen deze cd op mijn ‘te doen’ stapel belandde, moest ik even mijn wenkbrauwen fronzen. Want: hè, hoezo nieuw? Deze cd heb ik al meer dan dertig jaar in mijn bezit? Toen het uitkwam was de opname echt iets uitzonderlijks, men werd er zich toen pas een beetje bewust van wat de fascisten en antisemieten hadden aangericht.

Dertig jaar oud dus. Maakt het uit? Ja en nee. Er zijn in die tijd meer opnamen uitgekomen met Joodse traditionele en liturgische muziek, maar de hernieuwde kennismaking met de celliste Sonia Wieder-Atherton en de pianiste Daria Hovora beviel mij zeer. Hun beider spel is emotioneel geladen, poëtisch en zeer aansprekend.

Aan de opname in 1989 is een bijzondere gebeurtenis voorafgegaan. De cineaste Chantal Akerman heeft een bijzonder document gefilmd, waar alle Joodse inwoners van Brooklyn aan mee mochten doen. Daar was de celliste ook bij betrokken en haar werd gevraagd om muziek bij de film te maken.

Aan het oorspronkelijke album zijn nu drie stukken van Ravel toegevoegd, in 2006 door het Sinfonia Varsovia olv János Fürst opgenomen en dat vind ik best jammer. De arrangementen van Maurice Delage doen afbreuk aan de poëtische en emotionele sfeer van de eerste 14 nummers. Het voelt alsof je na het nadromen wakker wordt geschud door keiharde heavy metal. Nou ja, niet echt want Delage stierf al in 1961, maar… moest het? Ook het geluid (of moet ik zeggen: de kleur?) van Athertons cello is veranderd, minder warm, afstandelijker.

De illustraties van Colette Brunschwig zijn zonder meer indrukwekkend maar ook angstaanjagend. Mijn advies: skip de laatste drie nummers en blijf dromen, daar zult u geen spijt van krijgen. Vandaar ook mijn hoge waardering.

CHANTS JUIFS
Sonia Wieder-Atherton (cello), Daria Hovora (piano)
Sinfonia Varsovia olv János Fürst
Alpha-Classics 666

La Sonnambula uit de Met, een terugblik

Tekst: Peter Franken

Een jaar geleden stond La Sonnambula op het programma bij de Opéra de Wallonie in Luik. De Georgische sopraan Nino Machaidze zou de rol van Amina zingen, de Amerikaanse tenor  René Barbera die van Elvino. Uiteraard is dat hele belcantofeest niet doorgegaan en het is maar afwachten of dit werk in een van de komende seizoenen op het programma zal komen te staan.

Maar gelukkig kunnen we ons in de tussentijd troosten met een alleraardigste opname uit de Met, in 2009 live uitgezonden en op dvd uitgegeven door Decca. Het betreft een productie van Mary Zimmerman met Natalie Dessay in de titelrol. De Peruaanse tenor Juan Diego Florez zorgt als Elvino voor de stratosferische noten bij de mannen en de Italiaanse bas Michel Pertusi voor de lage.

Er gebeurt niet zo heel veel in deze opera, echt belcanto zullen sommigen wellicht denken. Een flinterdun verhaaltje en vooral heel veel vocale acrobatiek. Dat klopt wel, in dat opzicht wijkt La Sonnambula sterk af van Norma met zijn dramatische handeling. Ook het orkest heeft hier weinig in te brengen. Hun bijdrage blijft grotendeels beperkt tot voortkabbelende huppelmuziek. Alles staat of valt met de zangers en het is aan de regie om ze niet helemaal aan hun lot over te laten.

La Sonnambula gaat over de vondeling Amina die het lieverdje van een Zwitsers dorp is. De jonge landeigenaar Elvino heeft zich niet laten afschrikken door Amina’s onbekende afkomst en haar ten huwelijk gevraagd. Dit tot chagrijn van zijn vroegere verloofde Lisa, de waardin van de herberg. Opkomst een onbekende man, de jaren eerder verdwenen graaf die al snel herkend wordt. Hij is aanvankelijk incognito en besluit een nachtje in Lisa’s herberg door te brengen, in afwachting van verdere ontwikkelingen. Zodra Lisa echter te horen krijgt dat ze de graaf in huis heeft, komt ze hem op zijn kamer bezoeken.

De graaf is nogal een charmeur, perfect geacteerd door Michele Pertusi, en dat heeft Amina ook al ondervonden toen hij zijn intrede deed. Elvino werd direct erg jaloers en ze kregen er zowaar een beetje ruzie over. Nu is de beurt aan Lisa die in haar tête à tête met de graaf wordt gestoord door een slaapwandelende Amina die zich in het bed van de graaf neervlijt en pas de volgende ochtend wakker wordt.

Drama alom, Elvino maakt het uit en staat op het punt met Lisa te trouwen als de graaf komt vertellen dat Amina onschuldig is en aan het slaapwandelen was. Niemand gelooft hem tot het arme kind in nachthemd over het besneeuwde dak aan komt schuifelen. En dan komt alles toch weer goed met Elvino.

Als je deze opera librettogetrouw wilt brengen, kom je bij een bergdorp terecht met spelers in klederdracht. Tijdens de eindeloze solo’s van Amina en in mindere mate Elvino hebben die lui niets te doen. Zimmerman heeft geprobeerd dit probleem te omzeilen door de handeling zich te laten afspelen in een grote repetitieruimte die op het toneel is nagebouwd, compleet met koffiehoek en watercooler. Iedereen draagt gewone dagelijkse kleren waarbij natuurlijk wel gezorgd is voor voldoende variatie. Elk koorlid is in dat opzicht uniek en herkenbaar.

Nu kan men ergens mee bezig zijn terwijl de solisten zingen: kleren en schoenen passen, een pruik uitkiezen. Ondertussen zijn de koorleden onderling met elkaar in gesprek, uiteraard onhoorbaar maar het is duidelijk dat er interacties plaatsvinden. Ook wordt er veel rondgelopen, bijvoorbeeld om even een bezem te gaan halen.

Pas tegen het einde blijkt dat het een gezelschap betreft dat wel degelijk een oer Zwitserse productie aan het voorbereiden was. Tijden hun verzoening worden Amina en Elvino even alleen gelaten en plotseling komen de anderen tevoorschijn in klederdracht en worden er zogenaamd folkloristische dansjes uitgevoerd. De toeschouwer ziet wat hij al die tijd heeft gemist en ik was Zimmerman er dankbaar voor.  

De bijrol van de afgewezen verloofde Lisa wordt heel aardig vertolkt door Jennifer Black. Afgezien van de aria ‘Lasciami de lieti auguri a voi son grata’ is haar rol vooral acterend van belang en dat doet ze heel subtiel en doeltreffend. Dat geldt ook het optreden van Michel Pertusi als Il conte. Fraai gezongen maar vooral leuk geacteerd, een echte charmeur in de 1e akte en de redder in nood in de 2e waarbij hij zich laat gelden als de autoriteit in het dorp. De regie pakt zijn mimiek goed op, zo nu en dan krijg je Pertusi in een heel korte close up te zien en dat werkt hilarisch.

Juan Diego Florez valt me een beetje tegen. Alle noten zijn er, hij beheerst zijn partij volledig. Maar hij is me te luid en in combinatie met de ‘metalen resonans’ in zijn stem vind ik dat onprettig. Met name als hij met een sprong de hoogte in moet, verdubbelt zijn stemvolume.  Verder acteert hij met te veel pathos, steeds ook met beide armen vooruit.

Natalie Dessay draagt zoals verwacht de voorstelling, niet alleen omdat ze het meeste zingen heeft maar vooral ook doordat ze bijna perfecte zang combineert met volstrekt natuurlijk ogend spel. Je leeft met het meisje mee dat voor een productie repeteert waarin ze Amina is en vergeet bijna dat je naar een actrice zit te kijken. Amina is een van Dessay’s paraderollen en deze dvd maakt eens te meer duidelijk waar dat door komt. Een mooiere Amina is nauwelijks denkbaar.

De overige rollen zijn heel behoorlijk bezet, het koor acteert overtuigend schijnbaar nonchalant en zingt prachtig.

De muzikale leiding is in handen van Evelino Pidó.

Die Opferung des Gefangenen by Egon Wellesz: an extremely interesting hybrid.


“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).

Die Opferung des Gefangenen; what exactly is it supposed to be?: it is both opera and ballet and at the same time it is neither an opera nor a ballet. It’s a hybrid, and an extremely interesting one indeed! Wellesz was always deeply invested in developing his own style, so that almost all his compositions speak a different ‘language’. He was trained by Schönberg who, in addition to the twelve-tone technique, also taught him to use a large dose of expressionism.

Die Opferung des Gefangenen has the subtitle ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ and it was composed on a libretto by Eduard Stücken after the Mayan play ‘Rabinal Achi’. It is about a conflict between the Quiché and the Rabinal Indian tribes, at the beginning of the fifteenth century. The premiere took place on 2 April 1926 in Cologne, and it was conducted by Eugen Szenkar.

After the Anschluss in 1938, Wellesz (Jewish and author of ‘Entartete Musik’) fled to Oxford where he died in 1974. Nowadays we rarely hear his music.

The recording that Capriccio has now (re?) released on CD is from 1995 and it is an absolutely good one, for which I am very grateful. But how I would love to experience this work live, because on CD you miss half of it, namely the ballet!
You can listen to the composition on the site of Naxos:

https://www.naxos.com/catalogue/item.asp?item_code=C5423

Weinberg en Kremer: match made in heaven?

Gidon Kremer behoort niet tot de violisten die beroemd zijn geworden om hun zoete vioolklank, zoals Itzhak Perlman. Of Michael Rabin. Hij klinkt vaak krasserig en zijn spel is vaak feller dan fel. Het pakt niet altijd goed uit, maar in geval van Weinberg kun je je, denk ik, geen betere vertolker bedenken.

Kremer was één van de eersten die de muziek van Weinberg op de kaart heft gebracht en sindsdien is hij de grootste pleitbezorger van de componist. Aan hem danken we o.a. de onvergetelijke opname van Weinbergs kamersymfonieën en diens pianokwintet (nog niet in huis? Meteen bestellen! ECM 2538/39 4814604).

Zijn enige vioolconcert componeerde Weinberg in 1959 voor Leonid Kogan, maar de eerste uitvoering vond pas twee jaar later plaats. Kogan speelde en Rozjdestvenski dirigeerde. Er zijn maar bar weinig opnamen van het concert (die van Kogan is uit de catalogus) en ik zou hier graag een 10 voor hebben gegeven als ik de opname met Ilya Gringolts onder Jacek Kaspszyk niet kende (Warner 0825646224838). Die is net zo onstuimig, maar hij heeft meer aandacht voor het Joodse sentiment in deel twee.

Madara Pëtersone vergezelt Kremer in de uit 1960 stammende sonate voor twee violen. Het was opgedragen aan de zus van Emil Gilels. Pedersone’s vioolklank is meer dan symbiotisch met die van Kremer waardoor je op bepaald moment naar meer rust verlangt. Maar wie echt fenomenaal is, is de dirigent. Daniele Gatti snapt de muziek wel.

MIECZYSŁAW WEINBERG
Vioolconcert op. 67; Sonate voor twee violen op. 69
Gidon Kremer, Madara Petersone (viool), Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Daniele Gatti
Accentus ACC30518