Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

Thaïs uit Toronto: onaards mooi orkestspel

https://www.chandos.net/artwork/CH5258.jpg

Wie kent ‘Méditation’ niet, het sentimenteel zoete maar o zo mooie stuk vioolmuziek, met een hoog tranengehalte? Er zijn echter niet veel mensen die de hele opera waarin het stuk als een soort intermezzo in de tweede akte fungeert ooit hebben gehoord. De opnamen ervan zijn nog steeds schaars dus alle nieuwe uitgaven zijn meer dan welkom. Zeker als de uitvoering goed is, en deze nieuwe opname op Chandos is het zeer zeker wel. Althans: tot op zekere hoogte.

Het orkest uit Toronto klinkt zo ontzettend mooi dat je er verliefd op wordt. Sir Andrew Davis haalt uit de musici werkelijk het onmogelijke: zo mooi heb ik de partituur nog niet eerder uitgevoerd gehoord. De pianissimi, de manier hoe ze de stille passages tot in de puntjes weten te verzorgen, de onderhuidse spanning. Petje af! Petje af ook voor de violist die de ‘Meditation’ van nieuwe lagen weet te voorzien. Zo mooi!

Helaas blijven de zangers een beetje achter. Erin Wall is een pracht van een sopraan met een kristalheldere stem, maar een ‘hoer van Babylon’? Eerder een kinderlijk naïef meisje dat zo met de lucifers gaat venten.

Joshua Hopkins heeft de juiste stem voor Athanaël maar gaat de mist in als het op ‘aardse verlangens’ aankomt. Andrew Staples is een goede Nicias maar ook hij weet mij niet volledig te overtuigen.

Jules Massenet
Thaïs
Erin Wall, Joshua Hopkins, Andrew Staples, Nathan Berg, e.a.
Toronto Mendelssohn Choir
Toronto Symphony Orchestra olv Sir Andrew Davis
Chandos CHSA 5258(2)

John Daszak excelleert als Aschenbach in Venetië

Tekst: Peter Franken

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61V5k%2B7bbVL._SL1200_.jpg

Naxos heeft de productie die Willy Decker in 2014 van Death in Venice maakte voor Teatro Real uitgebracht op dvd en BluRay. John Daszak schittert in de rol van Gustav von Aschenbach en krijgt geweldig tegenspel van Leigh Melrose als zijn nemesis.

Death in Venice uit 1973 is Brittens laatste opera. Hij baseerde dit werk op de novelle Der Tod in Venedig van Thomas Mann, naar eigen zeggen dus nadrukkelijk niet op Visconti’s film Death in Venice uit 1971. Kort geleden heb ik mij nog eens door die novelle geworsteld, Mann leest niet echt gemakkelijk weg in het Duits, en heb kunnen vaststellen dat de opera zeer dicht bij het originele verhaal blijft.

Aschenbach is in zijn leven op een dood spoor geraakt, hij kan niet meer vertrouwen op zijn talent altijd te kunnen schrijven wat hij wil en als hij dat wil. Een toevallige ontmoeting met een vreemdeling, vermoedelijk iemand op reis, brengt hem ertoe naar Venetië te gaan, daar waar hij zich in het verleden altijd zo goed voelde. In de novelle vindt die ontmoeting plaats bij een kerkhof, een duidelijke voorbode van wat komen gaat. Het zal Aschenbachs laatste reis worden.

De vreemde gondelier die hem in zijn zwarte boot tegen zijn zin over de lagune helemaal naar het Lido voert, vertegenwoordig de veerman die hem naar het dodenrijk zal brengen. De gondel als drijvende doodskist. Zo ver is het nog niet maar in de laatste scène zien we de gondelier terug als schim, waarna Aschenbach sterft.

Bariton Leigh Melrose is onnavolgbaar als steeds weer een nieuw personage dat Aschenbach zijn wil weet op te leggen. Behalve de reiziger en de gondelier zijn dat onder meer de hotel barbier, de aanvoerder van de troupe kommedianten en de god Dionysos waarvan overigens alleen de stem wordt gehoord.

Willy Deckers enscenering weet volledig recht te doen aan het libretto van Myfanwy Piper, vooral dankzij de inbreng van Wolfgang Gussmann die tekende voor de ingenieuze decors en de schitterende periode kostuums, het laatste samen met Susanna Mendoza. Het geheel roept een getrouw beeld op van een welgesteld internationaal gezelschap een paar jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De belichting van Hans Toelstede completeert het fraai ogende toneelbeeld.

Daszak is vrijwel onherkenbaar met een zwarte pruik en baard, en gaat geheel op in zijn wat stijve oudere personage dat tegen zijn wil verliefd wordt op een jongen, gewoon omdat hij zo mooi is. Na zich aanvankelijk daartegen verzet te hebben geeft hij toe, zijn Dionysische kant wint het van de Apollinische. Zodoende blijft hij in Venetië, ook al wordt hem dringend geadviseerd de door een cholera epidemie getroffen stad te verlaten voordat er een lock down in werking treedt. Het is allemaal verrassend actueel.

De partituur blinkt niet uit in lyriek en de orkestbegeleiding is sober. Daszak zingt vooral declamatorische recitatieven die zich nauwelijks onderscheiden van de stukken die aria’s genoemd kunnen worden. Dat maakt het des te belangrijker nauwlettend de tekst te volgen en de opname biedt daartoe ondertitels in verschillende talen. De Engelse tekst meelezen werkt natuurlijk het beste. Melrose put zich uit in overdreven acteerwerk en Sprechgesang, wat eenvoudiger allemaal maar sterk bepalend voor de sfeer.

De zevende scène getiteld ‘the voice of Apollo’ biedt ruim baan aan Tadzio en een danser die voor Aschenbach dubbelt terwijl deze dommelt in een leunstoel. Tadzio verschijnt zoals Aschenbach van hem droomt, volledig naakt. Decker laat er geen twijfel over bestaan hoe de vork in de steel zit. Tadzio’s vrienden vormen een grote groep, ook allemaal dansers, die nogal ruw met de teergebouwde jongen omspringen. Omdat dit aspect kennelijk al duidelijk genoeg is getoond, laat Decker ‘Prügel scène’ waarin Jaschiu zijn vriend Tadzio onnodig grof behandelt na een stoeipartijtje gewoon weg aan het einde. In plaats daarvan zien we de oude Aschenbach, bijna als een clown geschminkt door de barbier om hem jong te doen lijken, in een ligstoel naar de horizon kijken totdat de gondelier hem komt halen om de Styx over te steken.

Over de gehele linie is deze productie goed bezet, het is absoluut top wat Decker en zijn team, waaronder ook dramaturg Klaus Bertisch, van dit werk hebben weten te maken. Een absolute aanrader.

Death in Venice: een autobiografisch testament?

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

Marc Albrecht en de zeemeermin van Zemlinsky

Het tijdperk dat we interbellum noemen is aan Marc Albrecht toevertrouwd. Specifieker: Richard Strauss, daar is hij een kei in. Of het ook andere Strauss’ tijdgenoten geldt? Vaak wel. Zeker als de partituur een Duitse nuchterheid ademt. Maar nuchterheid, dat is juist iets wat je bij Zemlinsky niet tegenkomt, het is alsof hij nog nooit van dat woord heeft gehoord.

Zijn symfonische gedicht Die Seejungfrau, naar het sprookje van Hans Christian Andersen is meer dan een sprookje in notenschrift. Zemlinsky zou Zemlinsky niet zijn geweest als hij er geen extra lagen aan toe had gevoegd. Sehnzucht, om te beginnen. En de onverhulde erotiek.

De partituur was in de oorlog kwijtgeraakt. Althans: de drie delen werden van elkaar gescheiden en pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw teruggevonden en aan elkaar toegevoegd. In 1986 werd de complete partituur door het Concertgebouworkest olv Riccardo Chailly uitgevoerd (het is toen ook door Decca opgenomen) en die uitvoering is voor mij nog steeds het ijkpunt. James Conlon met zijn toenmalige Gürzenich-Orchester uit Köln staat voor mij als de goede tweede.

Om te zeggen dat Albrecht daar niet in de buurt komt is misschien kort door de bocht, maar zijn lezing, hoe goed ook, kan mij nergens raken. De uitvoering is in 2018 live opgenomen en nu op SACD uitgebracht. Alles goed en wel, maar een schijfje met maar 47 minuten muziek???

ALEXANDER VON ZEMLINSKY
Die Seejungfrau
Netherlands Philharmonisch Orchestra olv Marc Albrecht
Pentatone PTC • SACD – 47′

Ermonela Jaho blaast Eyre’s Traviata nieuw leven in

Tekst: Peter Franken

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61XGFpPpwlL._SL1200_.jpg

Opus Arte heeft recent een opname uitgebracht van La Traviata met Ermonela Jaho in de titelrol. Het betreft de productie die Richard Eyre in 1994 maakte voor de Royal Opera. Jaho overtuigt en Domingo als papa Germont maakt het allemaal extra de moeite waard.

Het voordeel van een klassiek kostuumdrama in een relatief eenvoudig decor is natuurlijk dat deze een lange levensduur gegund kan zijn zonder al teveel opslagkosten. Heel wat anders dan geldverslindende producties met high tech decors die hooguit tien voorstellingen overleven. Zelfs een reprise komt er dan vaak niet van omdat men de decors nergens kwijt kon. Nu er over de hele linie bezuinigd zal moeten worden in de nabije toekomst, is die vorm van kapitaalvernietiging zo goed als passé. Een productie als die van Eyre laat zien dat er een uitstekend alternatief bestaat.

Een salon met rood pluche, een ronde zitbank, gasten in avondkleding, Violetta in een witte jurk, eenvoudig en doeltreffend allemaal. Jaho is geknipt voor deze rol, ze oogt als een neurastenisch archetype en hoeft zodoende nauwelijks te acteren. Haar ‘è strano’ brengt ze als een levensechte monologue intérieur om vervolgens met ‘sempre libera’ soepel over te schakelen naar haar publieke personage.

In de tweede akte zitten we in een eenvoudige huiskamer, duidelijk op het platteland. Prachtig is de scène waarin Domingo als papa Germont het pleit zo goed als gewonnen heeft en Violetta op het punt staat te berusten. Zij lijkt te breken en hij pakt een zakdoek om een traan weg te pinken. Beiden doen iets dat ze niet willen, gewoon omdat ‘de buren’ dat van hen eisen. Domingo is prima op dreef tijdens de avond waarop deze opname werd gemaakt, overigens ook live te zien in de bioscoop vorig jaar. Natuurlijk heeft hij ook de juiste leeftijd voor deze rol, wat hem een prima typecast maakt.

In het tweede deel van de akte is Jaho al nauwelijks meer dan een hoopje ellende, de overstap naar haar doodstrijd in akte 3 heb ik zelden kleiner gezien. Een met bloed bevlekt kussen in haar bed laat niets aan de verbeelding over. Jaho zingt als een gewond dier tijdens haar laatste levensuren, echt belcanto is het beslist niet overal, maar het effect is zeer overtuigend. Als je bij het bekijken van je zoveelste Traviata toch weer ontroerd wordt, dan is dat een goed teken. Natuurlijk is Jaho zeer bedreven in dit soort scènes, getuige ook de keren dat ik haar meemaakte als Cio Cio San en Suor Angelica.

Hieronder Ermonela Jaho zingt ‘Addio, del passato’:

Charles Castronovo biedt uitstekend weerwerk als Alfredo. De ontwikkeling van zijn personage is lang niet zo nadrukkelijk als van Violetta maar hij weet dat goed te compenseren met naturel acteerwerk en uitstekend verzorgde zang. Niet geheel toevallig was hij in 2019 winnaar van de Opera Award ‘Singer of the year’. Ik keek er naar uit hem in september bij DNO op het toneel te zien als Faust in Mefistofele maar dat gaat helaas niet door. Misschien ooit nog eens in een later seizoen.

Hieronder: Plácido Domingo en Charles Castronovo in ‘Di Provenza il mar, il suol’

Van de reeks uit 1994 is indertijd een dvd verschenen, naar verluidt op aandringen van Georg Solti die zijn nieuwe ontdekking Angela Gheorghiu onder de aandacht van een groot publiek wilde brengen. Nu dus Ermonela Jaho, de nieuwe ster van ROH. De naam van de dirigent is ditmaal iets minder aansprekend maar Antonello Manacorda levert met zijn orkest uitstekend werk af. (Opus Arte OA1292D)

Een niet te versmaden Don Pasquale uit La Scala

https://pisces.bbystatic.com/image2/BestBuy_US/images/products/1905/19053984_so.jpg

Al bij de eerste maten van de ouverture veer ik op: het wordt genieten! Muti zet ferm in om onmiddellijk daarna de stemming in een weergaloze lyriek te laten overgaan. Zijn tempi zijn over algemeen aan de hoge kant, maar nergens ontaarden ze in een gehijg.

De regie van Stefano Vizioli is een schoolvoorbeeld hoe een opera eruit hoort te zien. Zijn conventionele, uit 1994 stammende enscenering is werkelijk sprankelend, spannend, innovatief en inspirerend. Komisch en sentimenteel tegelijk en met veel oog voor details.

De kostuums zijn oogverblindend mooi en corresponderen met de karakters van alle personages. De opkomst van de nietsnut van een Ernesto (fenomenale Gregory Kunde) is werkelijk kostelijk: op sloffen en in een zijden kamerjas, gaat hij, nippend aan zijn espresso, op de sofa liggen wachten op het geluk dat vanzelf of met de hulp van Malatesta (Lucio Gallo op zijn best) gaat komen.

Ferruccio Furlanetto is een Don Pasquale uit duizenden en Nuccia Focile een heerlijke Norina. Iedereen zingt en acteert op een allerhoogst niveau en het orkest speelt de sterren van de hemel.

Niet eerder is het me overkomen dat ik nergens een minpuntje kon vinden: voor mij is het één van de beste (zo niet de beste) opera’s op DVD die ik ooit heb gezien, mis het niet!

Gaetano Donizetti
Don Pasquale
Ferrucio Furlanetto, Nuccia Focile, Lucio Gallo, Gregory Kunde
Orchestra e coro del Teatro alla Scala olv Ricardo Muti
Arthaus Musik Musik 107 207

Over Célimène en haar veertien minnaars

Opera Rara Thomas Celimene

Ooit van La Cour de Célimène van Ambroise Thomas gehoord? Nee? Ik ook niet. Zo jammer want die opera is werkelijk niet te versmaden! Het is een verrukkelijke, erotisch getinte komedie waarin een jonge, rijke weduwe maar liefst veertien (!) van haar bewonderaars tegen elkaar uitspeelt om uiteindelijk in een verstandshuwelijk met een oude commandeur te stappen.

Tussendoor krijgen we ook nog een duel, want Célimènes laatste aanwinst, de Chevallier (schitterende Sébastien Droy) is heetgebakerd, maar het komt allemaal goed en in ruil voor een comfortabel leven in haar landhuis is de commandeur maar al te bereid alle minnaars van zijn vrouw te accepteren.

La Comtesse (een rol geschreven voor de legendarische coloratuursopraan, Marie Miolan-Carvalho) wordt prachtig gezongen door een zeer virtuoze Laura Claycomb. Joan Rodgers geeft haar tegengas als haar meer serieuze zus en Alastair Miles is werkelijk kostelijk als de Commandeur. Het is een amusement van het hoogste niveau en de sprankelende muziek is wonderschoon. Wat een feest!  (ORC 37)

 

Piotr Beczala and his new heroes

Beczala Vincero

Listening to this CD, I was reminded of La Fontaine’s fable about the ant and the cricket, the moral of which is, ‘whistling in the summer is fun, but when the winter comes you need your savings’. More or less.

Change the ‘savings’ to voice and you have the secret of Piotr Beczala.  Starting with the delicate Mozarts and the most lyrical Verdis, he climbed, via poetic Rodolfo and Massenet’s Des Grieux, to what’s generally considered heavier repertoire. First, a careful step towards Lohengrin and Gustavo (Ballo in Maschera), but then the floodgates opened and voilà!  Here is a tenor at the beginning of the third important phase in his professional life, that of the lyrico-spinto.

After Mario (Tosca) and Maurizio (Adriana Lecouvreur), it’s now the turn of Radames and Calaf and these roles are no small endeavour. And guess what? He can do it! He approaches these roles less ‘heroically’ than some, since it’s not really necessary. Listen to his illustrious predecessors whose voices most resembled his, with the sob and the tear, Tauber and Kiepura.  He approaches his heroes emotionally and does not shy away from sentiment, which doesn’t mean he robs the role of anything.

What I do regret is that he has chosen the most famous arias from the repertoire.  But on the other hand, this has given him a chance to compare himself to others in this repertoire and the comparison is in his favor, especially with regard to his contemporaries.

Radames is not on the CD, but Calaf is, which immediately explains the title. His ‘Nessun dorma’ is mainly tender and the Cor de la Generalitat Valenciana supports him well.  There is one downside: ‘Aveto torto … Firenze è come un albero fiorito’ from Puccini’s Gianni Schicchi.  Beczala has long since outgrown this role.


English translation Douglas Nasrawi

 VINCERÓ
Puccini, Cilea, Mascagni, Giordano, Leoncavallo, Verdi
Piotr Beczala (tenor)
Evgenya Khomurtova (mezzo-soprano)
Cor de la Generalitat Valenciana
Orquestra de la Comunitat Valenciana conducted by Marco Boemi
Pentatone PTC 5186 733

Salvatore Licitra als Calaf: moeilijk

Turandot Licitra

Een bijschrift invoeSalvatore Licitra courtesy of San Diego Operaren

Moeilijk.

Ik kijk en luister naar Salvatore Licitra en kan mijn tranen niet bedwingen. Hij is nooit mijn geliefde tenor geweest, maar, met de wetenschap dat je kijkt en luistert naar wat waarschijnlijk zijn allerlaatste opname is geweest (in september 2011 kreeg hij een dodelijk ongeluk op zijn geboorte-eiland, Sicilië), maakt het beoordelen, laat staan ‘genieten’ zeer lastig.

Turandot Licitra dvd

En wat moet ik over de productie zelf vertellen? Het is een goede oude Zeffirelli, met alles erop en eraan, al verandert hij her en der wat. Maar de sfeer in Verona is om jaloers op te zijn, zo mooi.

De maan is verlicht en je waant je midden in een sprookje. En zelfs al vind je zijn realistische aanpak en de larger then life decors iets te …. dan een ding kan je hem niet ontzeggen: zijn personenregie is to the point en de interactie is bij hem ook altijd perfect getimed. De beelden zijn ontegenzeggelijk prachtig en het blijft een fascinerend spektakel.

Maria Guleghina was toen de allerheersende Turandot en zij doet het zonder meer goed, maar ook zij is een dagje ouder geworden en er is een soort routine in haar stem en voordracht geslopen. Ik hoor ook een rafelig randje in haar hoogte.

Luiz-Ottavio Faria is een zeer ontroerende Timur en Tamar Iveri een mooie, maar niet een echt memorabele Liu.

Het blijft moeilijk.

Giacomo Puccini
Turandot
Maria Guleghina, Salvatore Licitra, Tamar Iveri, Luiz-Ottavio Faria e.a
Coro e Orchestra dell’Arena di Verona onder leiding van Giuliano Carella Regie: Franco Zeffirelli
BelAir BAC066

Pianowerken van Thomas Adès: niet vanzelfsprekend maar zeer de moeite waard

Ades piano solo

Deze cd moet men een paar keer beluisteren. Niet omdat de composities van Thomas Adès zo gecompliceerd zijn of zo moeilijk in het gehoor liggen, dat is beslist niet het geval, maar ze zijn zo ongelofelijk divers dat je het niet een twee drie kunt bijbenen.

De overgang van ‘Concert Paraphrase on Powder Her Face’ (goedemorgen Liszt!) naar ‘Still Sorrowing en Darknesse Visible  (goedemorgen Dowland!) naar Mazurka’s (goedemorgen Chopin!) is gewoon zo groot dat je je hersenen zowat opnieuw moet laten programmeren.’

Daar komt nog bij dat het pianospel van Han Chen je eerst op het verkeerde been brengt. Op het eerste gehoor klinkt alles mechanisch, met weinig structuur en dynamiek en dan denk je: laat maar. Dat is althans wat met mij gebeurde. Maar het liet mij niet los dus ik draaide de cd keer op keer totdat het mij te pakken kreeg. En toch…

Ik ben een enorme Adès bewonderaar, niet alleen als componist (dat voornamelijk, uiteraard) maar ook als pianist. Ik heb hem een paar keer live horen spelen en vraag mij oprecht af hoe al die werken onder zijn handen geklonken zouden hebben. Of (ik verzin nu even iets): als Kirill Gerstein zich erover had ontfermd. Pure speculatie uiteraard, want misschien zou het resultaat veel slechter zijn geweest? Vooralsnog: koop de cd en geniet.


Thomas Adès
Works for Solo Piano
Han Chen (piano)
Naxos 8574109

Hans Werner Henze: Die Bassariden

Henze Bassariden

Die Bassariden behoort tot Henze’s beste en belangrijkste composities. Het libretto, naar ‘De Bacchanten’ van Eurypides, werd geschreven door W.H.Auden (kan iemand zich nog de ‘Funeral Blues’ uit Four Weddings and a Funeral herinneren?) en Charles Kallman.

Het is een massieve, doorgecomponeerde partituur geworden, verankerd in de wagneriaanse traditie (er wordt gefluisterd dat de librettisten er op stonden, dat Henze, vóór hij zich op het componeren stortte, de ‘Götterdammerung’ ging bestuderen) en gebouwd als een vierdelige symfonie met stemmen.

Het verhaal over koning Pentheus, die door alle zinnelijkheid te willen verbannen in strijd raakt met Dionysus en zijn adepten en aan het eind door zijn eigen moeder wordt verscheurd dient als een metafoor voor het conflict tussen Eros en Ratio.

De opera is (in de Duitse vertaling) tijdens de Salzburger Festspiele in augustus 1966 in première gegaan. Het werd een enorm succes, wat één van de recensenten zelfs de kreet ontlokte dat Richard Strauss eindelijk een opvolger had gekregen. Hetgeen Henze lachend terecht van tafel veegde met een simpele “waar heeft de man zijn oren”?

Een jaar of vijftien geleden werd de live opgenomen premièrevoorstelling door Orfeo (C 605 032 1) uitgebracht. Het zeer emotioneel spelende Wiener Philharmoniker komt onder de bezielde leiding van Christoph von Dohnányi tot ongekende hoogtes.

Kostas Paskalis is zeer geloofwaardig in zijn rol van Pentheus en Kerstin Meyer ontroert als Agave.

Jammer alleen dat er geen libretto werd bijgeleverd, het is tenslotte geen alledaagse kost.

Das Urteil der Kalliope, intermezzo uit Die Bassariden :