Month: augustus 2018

“THEY COULD HAVE BEEN BIRDS” *

Burkhardt Söll:  Kinderdinge. A requiem for an old doctor and his orphans

Korczak met de kinderen

Korczak with the children

Korczak’s real name was Henryk Goldszmit. He first used his pen name Janusz Korczak in 1898 when he participated in a literary contest organised by Ignacy Paderewski, the famous pianist and future Prime Minister of Poland.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak was born in Warsaw into an assimilated Jewish family.  After studying medicine he briefly practiced pediatrics until 1912 when he became director of Dom Sierot, an orphanage for Jewish children.  He carried out his utopian vision of a children’s republic there:  a community of children, with its own parliament, court and newspaper, all run by the children themselves. After World War I Korczak founded a second orphanage: Nasz Dom (Our House).

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

As well as being a doctor and director of an orphanage,  Korczak was also a pedagogue, teacher, writer and Bible scholar. He worked for the Polish radio and gave lectures. His fame was immense, and not confined to Poland. He was published abroad too, to great critical acclaim, and his pedagogical methods were used all over Europe.

Korczak en kinderen

Korczak and children.

In November 1940 the orphanage was forced to relocate to the Warsaw Ghetto. At the beginning of August 1942 the children, together with Korczak and his deputy Stefania Wilczynska, were put on a transport to Treblinka. Even the Nazis respected the famous pedagogue and offered Korczak the opportunity to save his own life. He refused and chose to die with his children instead of compromising his principles. They were all murdered in the gas chambers of Treblinka shortly after arriving there on August 7, 1942.

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak and the children” in Yad Vashem

About Korczak:

In 1972 Korczak was posthumously awarded the prestigious Peace Prize of the German Book Trade. Books have been written about him, and his life story has been the subject of several biographical movies. In the 1990s the German-Dutch composer Burkhardt Söll composed a piece in memory of Korczak and his children: Kinderdinge. Manuela du Bois-Reymond, a sociologist and pedagogue who is also married to the composer, wrote the lyrics to the songs.

Burkhardt Söll: Kinderdinge

KOrczak KInderdinge

This stunningly beautiful composition consists of short pieces (children’s scenes) flowing into each other. The first scene Canto d’amore  is followed by the sound of clappers (The Only Instruments). There are quotes from Klezmer music and Yiddish songs. We hear train sounds, a grim March of Suitcase, shoes and coats and several songs.

Song I is about fear. Song II about children’s furniture that no longer inspires trust, and Song III about being locked in a dark closet. A closet so small there is only room for one leg. All three songs are filled with immense fear and darkness and death (“bei den Toten ist mein Haus und in der Finsternis is mein Bett gemacht”).

The fourth and final song (The End. What really happened) is based on the eyewitness report by Marek Rudnicki, which was published in the Polish Tygodnik Powszechny in 1988.

Kinderdinge is a concert version of Söll’s earlier piece of musical theatre Ach und Requiem from 1994/1995, which in turn was preceded by Little Requiem composed in 1991.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

What interested me was why Söll wrote a piece of musical theatre on Korczak? Where did his interest in the fate of the old doctor and his children come from? Is it at all possible to tell his story in music? These questions were enough reason to visit the composer in Leiden where he has lived since 1977.

Burkhardt Söll was born in Marienberg in 1944. His mother was Jewish. During his first violin lessons, which he took from his aunts, he was allowed to play klezmer music by the one, but not by the other!

Söll studied viola with the famous Rudolf Kolisch. Already in school he composed for the school orchestra. He continued his training at the Hochschule der Künste in Berlin where he studied composition with Boris Blacher and Paul Dessau and painting with Horst Antes. Afterwards, he was the assistant of Bruno Maderna and later of Otmar Suitner at the Berlin Staatsoper Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll self portrait

In the seventies Söll took part in a research project on children’s aesthetics. He developed a teaching strategy combining music composition with painting. In 1985 he was appointed as a teacher at the Utrecht School of the Arts. His paintings were exhibited in Berlin, Frankfurt, Paris, The Hague, and other places.

korczak king Matt

Söll has known Janusz Korczak and his books since his early childhood. Krol Macius I (King Matt the First) is still his favourite book. The life of the old doctor has always fascinated him: someone who put his life at the service of (orphan) children and remained faithful to his own ideals until death.

Reinhart Büttner’s designs for black and misshapen children furniture inspired Söll to write his piece of musical theatre. Ach und Requiem was performed only once in 1995, but luckily a recording exists. It is a shame the textbook, with a Jewish child playing the violin on its cover, is almost illegible. The letters are too small, and the colour combination (dark brown and light blue) makes it even harder to read.

Fragments can be listened to here:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Taken from the Dutch novella by Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn,  inspired by a song Dos Kelbl. The song became a global hit in the sixties under the tile Donna, donna.

English translation: Remko Jas

Original Dutch: “ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (soprano),
Mary Oliver (viola), Alison McRae (cello), Huub van de Velde (double-bass), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (percussion), Dil Engelhard (flute), Jan Jansen (clarinet), Henri Bok (saxophone)
Conductor: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703

La Reine de Chypre van Halévy herontdekt

Halevy La Reine du Chypre

Jacques Fromental Halévy heeft meer dan veertig opera’s gecomponeerd maar mocht men hem überhaupt kennen dan komt het door ‘Rachel! quand du Seigneur la grâce tutélaire’, de tenorale hit uit La Juive, de enige van zijn opera’s die tot voor kort sporadisch werd uitgevoerd. Maar zie: de tijden veranderen en na de overal – behalve Nederland – gaande Meyerbeer-revival is men nu bezig om Halévy te herontdekken.

Richard Tucker zingt ‘Rachel! quand du Seigneur’ uit La Juive:

La Reine de Chypre is in 1841 in première gegaan en de daarbij aanwezige Richard Wagner die de opera voor de Dresden Abend-Zeitung recenseerde, prees de score de hemel in als zijnde “nobel, hartstochtelijk en vernieuwend”.

Het verhaal doet een beetje aan Don Carlos denken en al verloopt de actie behoorlijk dramatisch, het loopt allemaal goed af. Catarina Cornaro is de enige vrouwelijke rol in de verder louter mannelijke cast. Het zit zo: Rosine Stolz, de primadonna die de rol creëerde was beroemd en berucht om haar diva gedrag, ze duldde geen andere vrouwen naast zich. Zo eiste ze ook dat het thema van ‘haar’ aria niet al in de ouverture verklapt zou worden.

Begin juni 2017 werd de opera op het Vijfde Festival Palazzetto Bru Zane concertante uitgevoerd en door Ediciones Singulares live opgenomen. Zonder problemen gebeurde het niet.

Zo werd Marc Laho, die de rol van Gérard de Cousy oorspronkelijk zou zingen, ziek. Hij werd vervangen door Cyrille Dubois die het ook moest laten afweten en de rol werd overgenomen door de tenor nummer drie die de score amper kende. Op de opname horen we Dubois en hij doet het uitstekend.

Étienne Dupuis laat als Jacques de Lusignan een gespierd geluid horen maar het is de diva, Véronique Gens die de show steelt met haar zeer stijlvolle vertolking van de hoofdrol.

Hervé Niquet dirigeert het Orchestre de Chambre de Paris met veel elan en gevoel voor dramatiek en het Vlaamse Radiokoor is absoluut onweerstaanbaar. Een must.


JACQUES FROMENTAL HALÉVY
La Reine de Chypre
Véronique Gens, Cyrille Dubois, Étienne Dupuis, Éric Huchet, Christophoros Stamboglis e.a.
Orchestre de chambre de Paris; Flemish Radio Choir olv Hervé Niquet
Palazzetto Bru Zane series (Ediciones Singulares) Volume 17

Meer Halévy:
LA JUIVE: discografie
LA JUIVE Tel Aviv 2010
CLARI

Tomas Bretón: La Dolores

La Dolores

Tomas Bretón ken ik als één van de beste zarzuela-componisten en zijn La Verbena de la Paloma belandt regelmatig in mijn cd-speler. Van La Dolores kende ik – tot voor niet zo lang geleden -alleen een aria en een duet die zich in mijn Domingo verzameling bevinden.

Plácido Domingo zingt ‘Jota’ uit La Dolores:

Het werd dus een zeer spannende en zeer aangename kennismaking want bij de eerste inzet al ging ik rechtop zitten. De prachtige kleuren die aan het orkest ontlokt werden konden alleen maar het werk zijn van een maestro van formaat.

 

TOMAS BRETON

Tomas Bretón

Het voorspel deed mij sterk aan Cavalleria Rusticana denken wat alleen maar versterkt werd door de daaropvolgende koorpartij. Maar juist toen ik al dacht het allemaal eerder gehoord te hebben (behalve het al eerder genoemde ‘Cavalleria’ meende ik ook ‘Carmen’ te herkennen), nam het een totaal andere wending aan.

Ja, het is onmiskenbaar Spaans en vaak moest ik ook aan El Gato Montés van Manuel Penella Moreno denken, zeker in de schitterende scènes voorafgaand aan het stierengevecht. Maar waar ik eigenlijk het meest verbaasd over was: waarom werd La Dolores niet eerder opgenomen? De eerste opvoering in 1895 kende een enorm succes en de opera werd zelfs verfilmd.

Manuel Lanza (geen familie van) beschikt over een fraaie baritonstem die mij sterk aan Carlos Álvarez deed denken.

Tito Beltrán heeft sinds 1993, toen hij het concours van Cardiff won, een paar solo-cd’s opgenomen en het voelde goed om hem in een complete operaregistratie tegen te komen.

En Plácido Domingo is, zoals (bijna) altijd, superieur.

Het grootste belang echter ligt in de muziek zelf en het is te hopen dat de Decca opname uit 1999 nog te koop is want de hoop om het ooit eens live te kunnen horen heb ik al lang geleden opgegeven.


Tomas Bretón
La Dolores
Elisabete Matos, Raquel Pierotti, Plácido Domingo, Tito Beltrán, Manuel Lanza, Stefano Palatchi
Cor del Gran Teatre del Liceu, Orquestra Simfònica de Barcelona i National de Catalunya olv Antoni Ros Marbà
Decca 4660612

Juliane Banse zorgt voor de zowat volmaakte interpretatie van Das Marienleben van Hindemith

Hindemith Marienleben

Paul Hindemith is in juni 1922 begonnen met het componeren van Das Marienleben , een liederencyclus naar de gedichten van Rainer Maria Rilke. Makkelijk ging het niet. In 1923, toen hij er eenmaal mee klaar was verzuchtte hij: “Das war nicht leicht zu machen”.

Hij was dan ook alles behalve tevreden en reviseerde het werk maar liefst drie keer: in 1936/37, 1941/42 en in 1945. De derde versie werd in 1948 gepubliceerd, maar daarmee kwam nog geen einde aan bewerkingen: vier van de liederen heeft hij al in 1939 georkestreerd en in 1959 heeft hij er nog twee aan toegevoegd.

De georkestreerde versie hoor ik persoonlijk het liefst (kent u de opname door Karita Mattila op Finlandia?)


maar er valt ontegenzeggelijk niet te ontkennen dat de allereerste versie, zo moeizaam tot stand gekomen in 1923 de voorkeur verdient. Die is ongepolijst en klinkt alles behalve volmaakt waardoor de teksten van Rilke meer recht wordt gedaan. Denk ik. Het is ook de eerste versie die het vaakst wordt uitgevoerd. Als, überhaupt, want Hindemiths partituur stelt enorm hoge eisen aan de uitvoerenden.

Het is ook de 1923-versie die de sopraan Juliane Banse en de pianist Martin Helmchen in september 2017 voor Alpha classics hebben opgenomen. En het moet gezegd worden: zowel de sopraan als de pianist maken een onvergetelijke indruk op de luisteraar.

Juliane Banse met haar stralende, lyrische sopraan, een enorm tekstbegrip en een zowat volmaakte interpretatie. Martin Helmchen heeft de ‘taal’ van Hindemith in zijn vingers waardoor zelfs de dissonanten hier behoorlijk klassiek klinken.


PAUL HINDEMITH
Das Marienleben op. 27 (versie 1923)
Juliane Banse (sopraan), Martin Helmchen (piano)
Alpha 398

Sacrale werken van Domenico Scarlatti

Scarlatti Stabat Mater

Domenico Scarlatti kennen we voornamelijk als de componist van de klaviersonates. Hij heeft er 555 geschreven, ze worden ook met grote regelmaat uitgevoerd. Tegenwoordig meestal op de klavecimbel maar gelukkig bestaan er ook veel opnamen op de piano. Meesterwerkjes zijn dat die ook nog eens van grote invloed waren op de ontwikkeling van de klaviermuziek.

Anders is het gesteld met zijn geestelijke werken; op Stabat Mater na krijg je ze zelden te horen. Echt verwonderlijk is het niet. Zo vooruitstrevend zoals hij met zijn sonates was, zo ouderwets toont hij zich als de componist van de liturgische muziek.

‘Miserere’, ‘Te Deum’ en ‘Salve Regina’ borduren voort op de uit de renaissance stammende polyphonie. De zevendelige ‘Stabat Mater’ is dan iets ambitieuzer. Scarlatti componeerde het tienstemmig werk tussen 1713 en 1720, toen hij maestro di capella was aan de Basilica Giulia in Rome.

Het Belgische vocaal ensemble Vox Luminis werd in 2004 door Lionel Meunier opgericht, het bestaat uit vier sopranen, twee countertenoren, twee tenoren en twee bassen. Deze opname dateert al uit 2007 en is al eerder op de markt geweest. Ik was er toen niet kapot van en dat ben ik nu nog minder. Er wordt niet altijd zuiver geïntoneerd en het geheel klinkt gewoon monotoon.

Maar ook de uitvoering van de twee sonates door Anne Nissinen kan mij maar matig boeien. Het kan ook aan het instrument liggen: een orgel klinkt eenmaal zwaarder en gewichtiger dan een klavier.


DOMENICO SCARLATTI
Te Deum Laudamus, Salve Regina, Stabat Mater, Miserere; Sonates K.87 & K417
Vox Luminis olv Lionel Meunier
Ricercar RIC 258

Luc Bondy regisseert The Turn of the Screw

Turn of the screw

Het is niet makkelijk om een operaproductie goed over te laten komen op de televisie. Vaak heb je de indruk dat je iets mist want er is te ver weg gefilmd, te veel aandacht gaat naar de (overbodige) details, om van de eigenzinnigheden die de tv-regisseurs zich de laatste tijd veroorloven niet te spreken. Dat het ook goed kan bewijst Vincent Bataillon met de in 2001 in Aix-en-Provence opgenomen voorstelling van The Turn of the Screw.

De recensies waren niet echt enthousiast en dat kan ik mij goed voorstellen. Op de grote bühne kan het spaarzame decor van Richard Peduzzi: een enkele stoel, een hobbelpaard, een maquette van het slot een nogal kale indruk maken.

Op het kleine scherm echter wordt alles uitvergroot en als in een griezelfilm tot de juiste proporties gebracht. Ook de mimiek en de kleine gebaren van de hoofdpersonen komen zeer filmisch over en men kan de personenregie en mise-en-scène van Luc Bondy alleen maar bewonderen.

Er wordt goed tot zeer goed gezongen. Mireille Delunsch is een zeer indrukwekkende gouvernante en Marlin Miller is zeer overtuigend als een beetje karikaturaal neergezette Quint.

Daniel Harding doet wonderen met het orkest waardoor het ‘aandraaien van de schroef’  niet alleen in de intermezzi duidelijk voelbaar is.

BenjaminBritten
The Turn of the Screw
Mireille Delunsch, Marlin Miller, Olivier Dumait, Gregory Monk, Marie McLaughlin, Hanna Schaer, Nazan Fikret
Mahler Chamber Orchestra olv Daniel Harding
Regie: Luc Bondy
Bel Air Classiques BAC008

Altus: from castrato to countertenor

Altus

Drie cd’s gevuld met alleen maar countertenoren (en één castraat), is dat niet iets te veel van het goede? Niet dus. Het is een prachtige bloemlezing, die laat zien hoezeer de techniek van falsetto zingen is veranderd.

Sommige van de zangers klinken erg gedateerd (James Bowman), sommige nog steeds verrassend fris (René Jacobs, Paul Esswood), maar met de hedendaagse sterren (David Daniels, Philippe Jaroussky of Lawrence Zazzo)  kunnen ze niet concurreren.

Ook de begeleiding heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Van het valse, amateuristisch aandoende doorzagen, zuchten en steunen zijn ze tot sprankelende, muzikale en professioneel volmaakt spelende ensembles geworden.

Het gezongen repertoire is zeer verrassend, want naast de geijkte countertenorstof (oude muziek, Britten) valt ook een riedeltje van o.a. Schubert, Bellini en Berlioz te horen. Vooral ‘Sur les lagunes’ (Les nuits d’été) van de laatste, zeer sensitief gezongen door David Daniels, is een juweeltje.

Alfred Deller, de oudgediende en pionier in het stemvak ontroert met de gevoelig gezongen ‘Greenleaves’. Maar ook de ‘Silent Night’ ontbreekt er niet, prachtig vertolkt door de in de jaren negentig immens populaire (en door mij zeer geliefde) Derek Lee Ragin.

De volgorde van de zangers en gezongen werken is volstrekt willekeurig, en met het voorkantje wordt duidelijk op een bepaalde bevolkingsgroep gemikt.


Altus. From castrato to countertenor
Brian Asawa, James Bowman, Max Emanuel Cencic, Michael Chance, David Daniels, Alfred Deller, René Jacobs, Philippe Jarousky, Andreas Scholl, Lawrence Zazzo e.a.
Erato 23547629 (3 cd’s)

Jiří Belohlávek wervelt in Smetana’s Prodaná Nevěsta

Smetana Verkochte bruid

Mařenka en Janík houden van elkaar, maar haar vader wilt haar aan de zoon van een rijke landeigenaar uithuwelijken. Met behulp van een slimme list komt uiteindelijk alles goed, want het blijkt dat Janík de oudste zoon van de rijkaard is.

Prodaná Nevěsta, de eerste nationale Tsjechische opera, was vanaf het begin een enorme hit. De heerlijke melodieën, de aanstekelijke volksdansjes, het feelgoodverhaal… zeg daar maar eens nee tegen!

De populariteit van de opera beperkte zich niet tot de Tsjechische landsgrenzen, al lijkt het bij de grens van Nederland wel op te houden. Want voor zover ik weet werd de opera hier de laatste 30 jaar nergens uitgevoerd.

Er bestaan een paar goede opnamen van, maar de meeste zijn oud en veelal in het Duits, een nieuwe is dus meer dan welkom.

Ik ben een enorme fan van dirigent Jiří Belohlávek en mijn bewondering voor hem stijgt met de dag. Zelden heb ik de muziek van De verkochte bruid zo aanstekelijk horen spelen. Zo wervelend, zo uitnodigend tot glimlachen.

De mij onbekende zangers zijn allemaal goed. Dana Burešova (Mařenka) doet mij Lucia Popp niet vergeten (wie wel?), maar haar timbre is heerlijk licht, net van een mokkend kind.

Thomáš Juhás lijkt een beetje op de jonge Peter Dvorský en Aleš Voráček is een voortreffelijke Vašek.


Bedřich Smetana
Prodaná Nevěsta
Dana Burešova, Thomáš Juhás, Aleš Voráček, Jozef Benci e.a.
BBC Symphony Orchestra olv Jiří Belohlávek
Harmondia Mundi HMC 902119.20

Vitězslav Novák: een romanticus pur sang

Novak

Stelt u zich voor: het is een mooie zomerdag en u dobbert in een bootje langs de mooiste oevers. Af en toe waait het, al stelt het niet veel voor. Uw gedachten dwalen af, uw ogen vallen dicht. U slaapt niet, maar toch bent u een andere wereld in gevaren, de wereld van poëzie, de wereld van Vítězslav Novák.

Novák (1870 –1949), leerling van Dvořak, is zijn leraar en meester altijd trouw gebleven. Zijn stijl werd voornamelijk gekenmerkt door de pure klankschoonheid. Hij was geen vernieuwer en zijn werken waren alles behalve baanbrekend, wellicht de reden voor de vergetelheid die hij zeker niet verdient. Novák was een romanticus pur sang. Hij hield van de natuur en de Tsjechische folklore, dat alles inspireerde hem tot het componeren van wat je een programmatische muziek zou kunnen noemen. Of, simpel gezegd: symfonische gedichten.

Der Korsar is gebaseerd op het gedicht van Lord Byron dat ook Verdi gebruikte in zijn Il Corsaro. Voor de ouverture Marysa werd Novák geïnspireerd door een toneelstuk van de gebroeders Alois en Wilhelm Mrstik, een tragisch verhaal over liefde en bedrog.

Serenade, wellicht Novák’s bekendste compositie, is precies dat, wat men onder de serenade verstaat: een ongecompliceerd, makkelijk in het gehoor liggend muziekwerkje dat in de zomeravonden buiten werd uitgevoerd.

Het Bergische Symphoniker onder leiding van Romely Pfund speelt heel erg mooi al had ik wat meer betrokkenheid, meer schwung willen horen.

Vitězslav Novák
Serenade, Der Korsar, Marysa
Bergische Symphoniker olv Romely Pfund
MDG 601 1159-2

Midsummer Night met Kate Royal

Kate Royal

Als een nachtegaal in de zwoele zomernacht, zo klinkt Kate Royal op haar tweede recital-cd voor EMI (tegenwoordig Warner) uit 2009. Al bij de eerste maten van de openingsaria (‘Midsummer Night’ uit Miss Julie van William Alwyn, tevens de titel van dit album) veer ik op en krijg tranen in mijn ogen, want wat we hier te horen krijgen, is niet alleen onalledaags, maar ook bloedmooi.

Royal heeft voor een repertoire gekozen dat, op een paar uitzonderingen na, zelden of nooit gespeeld wordt. Alles gecomponeerd in de twintigste eeuw, en voor het merendeel afkomstig uit Engeland (behalve Alwin veel Britten en Walton) en Amerika (Barber, Floyd en Herrmann).

De aria’s zijn verhalen op zich, vol liefde, verwachtingen en verlangens. Hun heldinnen zijn onschuldig naïef, zich niet bewust van hun aantrekkingskracht (Susannah). Maar ze zijn niet gespeend van ontluikende seksuele gevoelens (Miss Julie) of het van alles verterende vuur na het lange wachten (Vanessa). Ze lijken te berusten, maar ze blijven dromen (Wuthering Heights). En soms zijn ze wanhopig en teleurgesteld (Peter Grimes). Maar, zoals het ook in de zomerse nachten gaat – er zingen ook nachtegalen, en aan de hemel schitteren maan en sterren.

Niet dat ik geen kanttekeningen heb. Af en toe zingt Royal met vreemde maniertjes, een beetje à la Renée Fleming, wat voornamelijk storend werkt in ‘Vilja-Lied’ (Die Lustige Witwe). Wat niet wil helpen, zijn de tergend langzame tempi, en van haar Duits ben ik ook niet gecharmeerd

Ze mist ook de nodige sensualiteit in de (alweer!) veel te langzaam uitgesponnen ‘Mariettas Lied’ (Die Tote Stadt). En – hoe prachtig ze ook de aria aan de maan uit Rusalka zingt – je kan moeilijk beweren dat het een twintigste-eeuwse opera is. Toegegeven, de première heeft in 1901 plaatsgevonden, maar dat is toch op het randje.

Daarvoor in de plaats had ze voor ‘I want Magic!’ uit Previn’s Streetcar named Desire kunnen kiezen. Of – nog beter – voor Roxana’s Aria uit Krol Roger van Szymanowski, daar leent haar stem zich bijzonder goed voor: hoog, etherisch en engelachtig mooi.

Maar dat mag de pret beslist niet drukken. Deze cd is er één om verliefd op te worden.


MIDSOMMER NIGHT
Kate Royal (sopraan),
Orchestra of English National Opera olv Edward Gardner
Warner Classics 5099926819228