Alastair_Miles

Meyerbeer’s Robert le Diable from Salerno is unimaginably good!

A little longer and Brilliant Classsics will become a true rival to Opera Rara. They snatch one unknown/unloved/forgotten opera after another from oblivion and their catalogue makes a sincere opera lover’s mouth water. Add to this many recordings of better, or well-known titles that have become classics but have long since disappeared from the market, and it should become clear: Brilliant Classics is a publisher to take seriously. Especially because its price tag is particularly friendly to consumers.

The difference with Opera Rara lies mainly in the very brief presentation at BC. And you don’t have to expect the first and/or complete score of a work with them either.

Meyerbeer’s Robert le Diable, recorded live in Salerno in March 2012, has therefore been updated. Some things have been cut, but what remains is three hours of unadulterated fun, in which you can take turns to horror, grief and love.

The very first performance after World War II – abridged and in Italian – was only in 1968, during Maggio Musicale Fiorentino. The magnificent cast (Merighi, Christoff, Scotto and Malagù) was under the direction of Nino Sanzogno and the live recording was released on a “bootleg”.

Bryan Hymel has pretty much become the face of French Grand Opera by now. After Berlioz’s Le Troyens, he has also included Robert in his repertoire, a role he also recently performed in London.

His firm but supple tenor, with its slightly nasal timbre, also sounds a bit French. Occasionally he reminds one a little of the young Domingo, but for now he lacks his power and, especially in the high part, he is sometimes inclined to ‘bleat’

About Patricia Ciofi I can be brief: phenomenal and breathtaking. With her “Robert, toi que j’aime”, she gives listeners goosebumps and tears in their eyes. Carmen Giannatasio (Alice) is not inferior to her. With a very sublime and movingly sung “Va, dit-elle”, she provides another highlight of the opera.

Alastair Miles is a good Bertram, though one can hear his best years are perhaps behind him; and Martial Defontaine is a very idiomatic Raimbout.

Daniel Oren clearly has “feeling” for the repertoire and is unconditionally committed to it.

Izabela Matula schittert als La Wally

Tekst: Peter Franken

An Avalanche in the Alps, Phillip James De Loutherbourg, 1803, Uit de collectie van: Tate Britain

Alfredo Catalani (1854-1893) schreef vijf opera’s waarvan alleen La Wally uit 1892 enige bekendheid geniet bij het grote publiek. Het werk stamt uit dezelfde periode als Mascagni’s Cavalleria Rusticana (1890) maar is minder uitgesproken veristisch. La Wally markeert als het ware de overgang van romantiek naar verisme.

Het personage Wally doet in bepaalde scènes denken aan een licht hysterische wanhopige Santuzza maar gedraagt zich op andere momenten zo onbehouwen dat een vergelijking met een hybride van Turiddu en Alfio meer op zijn plaats is. Ze is dan ook geen arm dorpsmeisje maar na de dood van haar vader een grootgrondbezitter en de rijkste vrouw van het dorp.

Het verhaal is nauwelijks relevant, een vrijgevochten meisje dat niet wil trouwen met de man uit het dorp Hochstoff die haar vader voor haar heeft bepaald, een andere man uit het naburige Sölden (Hagenbach) die haar voorkeur heeft, de afgewezen huwelijkskandidaat Gellner), een uitdagende concurrente in de liefde en verder ruzie, wraak en moord. Het einde komt als Hagenbach door een lawine een ravijn in wordt gestort waarna Wally hem volgt in de dood.

In 2021 was er in Wenen een nieuwe productie van Catalani’s beroemde opera te zien in de regie van Barbora Horákova Joly. De Poolse sopraan Izabela Matula schittert in de titelrol op de opname die zeer recent door Unitel op dvd is uitgebracht.

Eva-Maria van Acker was verantwoordelijk voor decor en kostumering. Ze laat de handeling zich afspelen op een betrekkelijk kaal toneel met wat rotsblokken om de suggestie van een berglandschap te wekken. Tijdens bepaalde scènes zijn er wat rekwisieten zoals een tafel met glazen, een paar stoelen, eenvoudige feestversiering.

De laatste twee aktes spelen zich af in een stellage van meerdere verdiepingen die grote hoogteverschillen suggereren, een berg en een ravijn. De kostuums zijn in overeenstemming met de Tiroler omgeving zonder dat sprake is van etnografische flauwekul.

Alastair Miles is voorbeeldig als de onsympathieke vader van Wally die haar ter plekke aan Gellner wil uithuwelijken nadat hij door Hagenbach is vernederd. Dat zijn dochter op diezelfde Hagenbach verliefd is, deert hem niet. Haar wel natuurlijk en ze neemt de benen. Na zijn dood keert ze terug in het dorp, nu rijk en machtig en daar maakt ze gemakkelijk misbruik van. Het is een vrouw met een sterk karakter en de nodige onprettige kanten.

Voor zo’n rol moet je geen tengere kwetsbaar ogende sopraan inzetten en in dat opzicht is Matula een ideale keuze. Ze is een betrekkelijk forse vrouw die tevens heel aantrekkelijk is. Acterend weet ze alle details in Wally’s grillige gedrag goed uit te spelen. Stimmlich is ze volstrekt ideaal voor deze partij. De bekende aria ‘Ebben? ne andrò lontana’ krijgt een prachtige vertolking en ook de monologen in de laatste twee aktes zijn van hoog niveau.

De onfortuinlijke Gellner komt voor rekening van Jacques Imbrailo, een wat ondankbare rol waar hij goed raad mee weet al vind ik hem acterend soms wat pathetisch. Zijn concurrent in de liefde Hagenbach is in goede handen bij Leonardo Capalbo, een uitstekende tenor, ik zag hem eerder al eens als Don Carlo in Antwerpen. Daarmee is de klassieke liefdesdriehoek  uitstekend bezet.

Door het stuk heen loopt het jongetje Walter dat zich welhaast fysiek aan Wally heeft gehecht. Vermoedelijk is hij een weeskind die in haar een grote zelfbewuste zus ziet. Walter is altijd vrolijk en zelfs als de wereld voor Wally lijkt in te storten nog steeds het toppunt van optimisme. Deze bijrol krijgt gestalte in de persoon van Ilona Revolskaya. De grote aria aan het begin, Wally’s lied, wordt door haar met verve gebracht. De overige rollen zijn adequaat bezet.

Het Arnold Schönberg Koor en de Wiener Symphoniker staan onder leiding van Andrés Orozco-Estrada.

Trailer:



Productie foto’s: © Herwig Prammer

Over Célimène en haar veertien minnaars

Opera Rara Thomas Celimene

Ooit van La Cour de Célimène van Ambroise Thomas gehoord? Nee? Ik ook niet. Zo jammer want die opera is werkelijk niet te versmaden! Het is een verrukkelijke, erotisch getinte komedie waarin een jonge, rijke weduwe maar liefst veertien (!) van haar bewonderaars tegen elkaar uitspeelt om uiteindelijk in een verstandshuwelijk met een oude commandeur te stappen.

Tussendoor krijgen we ook nog een duel, want Célimènes laatste aanwinst, de Chevallier (schitterende Sébastien Droy) is heetgebakerd, maar het komt allemaal goed en in ruil voor een comfortabel leven in haar landhuis is de commandeur maar al te bereid alle minnaars van zijn vrouw te accepteren.

La Comtesse (een rol geschreven voor de legendarische coloratuursopraan, Marie Miolan-Carvalho) wordt prachtig gezongen door een zeer virtuoze Laura Claycomb. Joan Rodgers geeft haar tegengas als haar meer serieuze zus en Alastair Miles is werkelijk kostelijk als de Commandeur. Het is een amusement van het hoogste niveau en de sprankelende muziek is wonderschoon. Wat een feest!  (ORC 37)

 

Manon-Premiere Oper Zürich 7.4.2019: Man hat schon Schlimmeres gesehen

Manon Zurich

Text Mordechai Aranowicz

 

Die Premiere von Jules Massenets Oper Manon am Opernhaus Zürich geriet zu einer etwas zwiespältigen Angelegenheit, bei der der Funke nicht so recht überspringen wollte. Das lag zum einen sicherlich am Dirigat von Marco Armiliato, der Massenets Musik wenig französisch, weitgehend spannungsarm, sowie farb- und leidenschaftslos abspulte. Im Mittelpunkt der Aufführung stand dagegen Piotr Beczala als des Grieux, dessen Auftritte an seinem einstigen Züricher Stammhaus selten geworden sind.

Beczala, der die Rolle 2011 bereits an der Met an der Seite von Anna Netrebko gesungen hatte, überzeugte rundum mit seinem in allen Lagen perfekt geführtem Tenor und charmantem Spiel, besonders in der Kirchenszene des dritten Aktes. Er versuchte, dem insgesamt sehr trägen Bühnengeschehen etwas Leben einzuhauchen. Dass Beczala dem des Grieux stimmlich  eigentlich bereits entwachsen ist, war bei einem Sänger, der demnächst den Radames in sein Repertoire aufnehmen wird, nicht anders zu erwarten.

Elsa Dreisig brauchte in der Titelrolle einige Zeit um stimmlich warm zu werden, überzeugte dann allerdings im Cours de la Reine-Bild mit glockenhellen Koloraturen, Darstellerisch blieb die Sängerin allerdings leider über weite Strecken blass.

Blass und stimmlich wenig präsent waren auch Yuriy Yurchuk als Lescaut, Eric Huchet als Guillot de Morfontaine und Alastair Miles als Comte des Grieux. Letzterer sang seinen Part  mit den Resten, seines einst so imposanten Basses.  Die übrigen Rollen waren insgesamt solide bis sehr gut besetzt.

Das am Premierenabend so wenig Stimmung aufkam lag auch an der Inszenierung von Floris Visser. Anders als bei zahlreichen Neuinszenierungen tat Visser dem Werk keine Gewalt an und überliess der Musik den Vorrang. Warum man jedoch, das Werk aus dem 18. Jahundert in die Enstehungszeit der Oper verlegen musste blieb unklar und erschien insgesamt ein eher willkürlicher Einfall, der nichts zum tieferen Verständnis der Oper beitrug.

Manon Zurich 1

Das Bühnenbild von Dieuweke van Reij war insgesamt funktional und machte es Dank Deckelung den Sängern akustisch einfach. Leider blieb dieser Rahmen jedoch insgesamt ziemlich stimmungslos, wozu auch die eintönige Lichtregie von Alex Brook verantwortlich war. Die auch von der Bühnenbildnerin entworfenen Kostüme waren zwar ästhetisch, grenzten die einzelnen Charaktere aber untereinander zu wenig ab, sodass gerade die Nebenrollen in den Massenszenen teilweise untergingen und man in diesen Momenten die Sänger in der Masse kaum wahrnahm. Hier wäre eine geschicktere Personenregie von Chor und Statisten wünschenswert gewesen.

Am Ende gab es für alle Beteiligten freundlichen Applaus, der nur für Elsa Dreisig und Piotr Beczala deutlich zunahm, beim Erscheinen des Regieteams dagegen deutlich abnahm. Buhrufe gab es jedoch keine.

Fazit: Diese Inszenierung ist zwar kein Ärgernis, aber auch nicht wirklich gut. Immerhin erhalten die Sänger der Hauptrollen genug Freiraum ihre Rollen zu gestalten, wobei sich das ganze Ensemble noch einspielen muss.

Trailer:

https://www.facebook.com/opernhauszuerich/videos/1773444599422066/

Herinneringen aan La Juive in Amsterdam

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Het seizoen 2009-2010 van De Nationale Opera (toen nog de Nederlandse Opera) in Amsterdam begon zeer sterk met La Juive van Jacques Fromental Halévy. Deze productie was al eerder te zien geweest in Parijs, waar het, ondanks de mislukte première (het operapersoneel ging weer eens staken en er was geen belichting) hoge ogen gooide.

De regie van Pierre Audi was bijzonder mooi en doeltreffend. Zoals het (bijna) altijd bij hem het geval is waren de beelden gestileerd, esthetisch en prachtig om te zien. De onderkoelde esthetiek werkte perfect bij de zeer emotionele muziek, om van het onderwerp niet te spreken.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

© Ruth Walz

De grandioze belichting van Jean Kalman vormde een belangrijk onderdeel van het regieconcept, waardoor de eindscène waarin Eléazar en Rachel hun dood rustig tegenmoet lopen tot de meest ontroerende momenten in de operageschiedenis maakte. Ik kon het niet droog houden en ik was niet alleen. Ook het decor van George Tsypin: een stalen kathedraal die ook dienst deed as de gevangenis was zeer indrukwekkend.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

John Osborn (Léopold) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Muzikaal was het gewoon een droomvoorstelling. Dennis O’Neill was gewoon Eléazar. Niet zo jong meer, getormenteerd, vol wraakgevoelens, maar ook twijfelend – een waarlijk perfecte bezetting. Zijn grote aria zong hij vol gloed en passie, en met de nodige snik. En al was het her en der niet helemaal perfect, ontroerend was het wel.

De stem van Angeles Blancas Gulin (Rachel), met haar zeer herkenbaar timbre is niet echt alledaags. Bij vlagen metaalachtig en scherp en toch warm en rond. Haar portrettering van een jong meisje verscheurd tussen plicht en liefde was zeer geloofwaardig en haar angst fysiek voelbaar.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Angeles Blancas Gulin (Rachel) en Annick Massis (Eudocxie) © Ruth Walz

John Osborn (Léopold) en Annick Massis (Eudoxie) waren ook in Parijs van de partij. Beide zangers beschikken over een werkelijk fenomenale belcanto techniek en duizelingwekkende, soepele hoge noten.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Alastair Miles (Brogni), Dennils O’Neill (Eléazar) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Alastair Miles (Brogni) had misschien niet de beste lage noten, maar zijn uitstraling was zeer imposant.

Carlo Rizzi dirigeerde het voortreffelijk spelende Nederlands Filharmonisch Orkest met de nodige vaart en het Nederlands Operakoor (instudering: Martin Wright) was zoals altijd onweerstaanbaar goed. Een grote BRAVO voor allemaal.

trailer van de productie:

LA JUIVE: discografie

LA JUIVE Tel Aviv 2010

LA REINE DE CHYPRE

CLARI

SCENEN AUS GOETHES FAUST

faust

Wellicht is het verfilmbaar, maar om nou de compléte Faust van Johann Wolfgang von Goethe op muziek te zetten… Eigenlijk is het onbegonnen werk. Daarvoor is het literaire meesterwerk te ingewikkeld en te symbolisch, iets wat zich niet makkelijk in de taal van muzieknoten laat vangen. Zeker als er ook nog gezongen moet worden.

Het ‘Gretchen verhaal’ is een makkie, met Helena wil het ook nog wel eens lukken, maar het transcendente en psychedelische laatste deel, daar moet je eigenlijk van afblijven, vind ik. Daar was Schumann wellicht op bedacht en – wie weet – was dat de reden dat hij juist met het laatste deel begon?

Szenen aus Goethes Faust houdt het midden tussen opera, cantate, oratorium en een symfonisch gedicht met zang, waardoor het geen eigen smoel heeft en nogal onevenwichtig overkomt. Het luisteren wordt bemoeilijkt door het opzoeken van uitersten. De ene keer klinkt het ontroerend lyrisch, de andere keer irritant bombastisch.

In de loop der jaren zijn er veel goede opnames van het werk gemaakt. Dat de nieuwe, onder leiding van Daniel Harding tot de top gaat behoren is evident, alleen al vanwege het aandeel van het fenomenale Chor des Bayerischen Rundfunks. Petje af!

De tenor Andre Staples werkt een beetje op mijn zenuwen, maar de andere zangers zijn zonder meer voortreffelijk, met als absolute uitschieters de bas Alastair Miles en de sopraan Christiane Karg.

Christiaan Gerhaher is een zeer idiomatische Faust, al haalt hij naar mijn mening het niveau van Bryn Terfel bij Abbado niet

Op digitalconcerthall.com staat een interessant gesprek tussen Daniel Harding en Matthew Hunter over Hardings liefde voor Schumann en diens Szenen aus Goethes Faust.


Robert Schumann
Szenen aus Goethes Faust
Christian Gerhaher, Christiane Karg, Alastair Miles, Mari Eriksmoen, Bernarda Fink, Andrew Staples, Kurt Rydl, Tareq Nazmi
Chor und Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks olv Daniel Harding
BR Klassik 900122