live voorstellingen

Spiegeltje, spiegeltje..

Tekst: Neil van der Linden

Er is natuurlijk geen voor de hand liggende manier om Der Zwerg te ensceneren. Hoewel het verhaal uitermate dramatisch is, is het tegelijkertijd puur symbolistisch; eigenlijk vindt er geen karakterontwikkeling in plaats. Het enige voortschrijdend inzicht komt als de als lelijk omschreven dwerg zichzelf in een spiegel ziet. Je kunt proberen er iets realistisch van te maken, maar dan binnen welk tijdsbeeld? Dat van het oorspronkelijke Velasquez schilderij Las Meninas? Maar alleen al het feit dat je dan een uur en een kwartier lang volwassen zangers ziet die moeten doen alsof ze de kinderen op het schilderij zijn zou elke poging de serieuze ondertoon van het verhaal over te laten komen teniet doen. Je kunt aansluiting zoeken bij de tijd van Oscar Wilde, want Zemlinsky en zijn librettist Klaren gebruikten Wildes sprookje The Birthday of the Infanta al uitgangspunt, met een gegeven dat bijna net zo gruwelijk als dat van Wildes toneelstuk Salomé, waarop Richard Strauss zijn taboe-doorbrekende opera baseerde.

Maar Der Zwerg gaat niet over de tijd van Oscar Wilde. Een voorstelling van Der Zwerg door de Hamburgse opera die hier eind jaren tachtig in het Holland Festival te zien was zocht aansluiting bij de visuele esthetiek van de vroeg-expressionistischefilmkunst. Immers, Der Zwerg stamt uit 1921, een jaar na het verschijnen van twee keerpunten in de filmkunst, Das Kabinett des Dr Caligari en Der Golem. Dat brengt ons bij een kennelijke Zeitgeist die zich uitte in het verhaal van Der Zwerg én in die twee baanbrekende films, namelijk een confrontatie met de realiteit die via een buitenstaander een bepaalde gemeenschap binnendringt en daar een – bedompte – rust komt verstoren.

W.F. Murnau zou hier in 1922 in Nosferatu op voortborduren. Het thema zat trouwens al in 99% van de Wagner-operas, bij wijze van spreken; het expressionisme zou er zonder Wagner anders hebben uitgezien/niet zijn geweest (maar daarover een volgende keer). Zemlinsky en Klaren hadden waarschijnlijk een shockeffect voor ogen dat het gelijke zou zijn van het effect van die films en van Strauss’ Salome. Daarop wijst ook Zemlinsky’s bijna voortdurend rusteloze muziek (iets dat in deze uitvoering met het NedPho onder de nieuwe dirigent goed tot uiting kwam, maar daarover zo dadelijk meer).

Regisseur Nanouk Leopold, zelf filmer, lijkt op een andere manier aansluiting bij de expressionistische filmkunst te hebben gezocht. Het expressionisme in de toenmalige film maakte ook gebruik van extreme kaders en perspectieven, lichtvallen die nooit realistisch waren, vertrekken en huizen waarvan de wanden over geaccentueerd waren of niet rechtop stonden, en ik heb een foto voor ogen van een beroemde toneel- of operaenscenering waarbij als ik mij goed herinner Klemperer betrokken was, met een soort open-blokkendoos-achtige geometrische constructies op het toneel.

In deze enscenering bevindt het orkest zich achter op het toneel. Daarvóór staat een aantal opgestapelde open blokkendozen die lijken op wat ik mij van de historische voorstelling waarvan ik een foto meen te hebben gezien. De lijsten doen denken aan voornoemde experimentele kadrering uit de expressionistische film, maar ook aan de lijsten van schilderijen; het verhaal is immers ontleend aan Velazquez’ schilderij. Alle personages aan het hof, buiten de dwerg, zien er gelijkvormig uit, wit geblondeerd haar en gelijkvormige kleding, van voren een wit-roze halve kanten jurk en daaronder een roze glanzende broek.

Ook Ghita (Annette Dasch), de enige van de vriendinnen van de Infanta, de prinses, die een wat geprofileerder eigen personage heeft. Ook het enige mannelijke lid van de hofhouding, Don Estoban ziet er hetzelfde uit (de Australische bas Derek Welton, die ook Wotan zong bij de Deutsche Opera, Klingsor in Bayreuth, en Orest in Salzburg en Wenen); zo u wilt is het reclame voor gender-gelijkheid en -neutraliteit, maar als iedereen er zo gelijkvormig uitziet is het tegelijkertijd een uithaal naar het consumptieve gelijkheidsideaal. De opera gaat ook over de schijn van individualisme binnen de massacultuur (We are all inviduals!; Monty Python, Life of Brian). De prinses (Lenneke Ruiten) heeft een iets andere kleding aan, een iets bleker roze, maar verder ziet alleen het dwerg-personage er afwijkend uit en draagt een kleurrijke exotisch gewaad.

In een enscenering uit 2019 door de Deutsche Opera Berlin zien we de hofdames allemaal in veelkleurige kleding, maar in die enscenering verdween de individualiteit juist door de veelkleurigheid. Nanouk Leopold draait het juist om, iedereen ziet er hetzelfde uit, maar krijgt wel een eigen kader, een eigen hok dus. Geregeld toont ze op een groot achterdoek de afzonderlijke zangers in close-up gefilmd. De individuele mimiek op de gezichten is frappant, terwijl ze allemaal dezelfde afwisselende stemmingen uitdrukken, verbijstering, minachting, medelijden, en dat allemaal met de verwende gezichtsuitdrukking van verwende kinderen van het hedonisme; vergelijk de vaak uitermate knappe popclips rond inwisselbare videomuzieksterren die denken op te vallen door juist de codes van de consumptiecultuur te volgen en daardoor binnen de kortste keren tot vergetelheid zijn gedoemd (Video killed the radio stars, zoals de Buggles al zongen in de beginjaren van MTV).

Alle personages zijn vanaf het begin op het toneel. Dat zou technisch niet anders gaan, want een deel van de frames staat op de andere gestapeld en er zou geen mogelijkheid zijn om later op te komen of eerder af te gaan. Maar deze kaders en hun videoprojecties erboven drukken ook uit hoe personages dankzij de media publiek bezit zijn geworden. Hoogstens kunnen ze als een gevangene in een cel onder permanente videobewaking of als een dier in een hok in de dierentuin proberen in een hoekje op de kale grond weg te kruipen om wat privacy te krijgen, wat ze ook doen op het moment dat de prinses haar hofhouding gebiedt haar met de dwerg alleen te laten.

Het orkest stond zoals gezegd op het toneel opgesteld. Dat bood een fraai decor voor de nieuwe dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest, Lorenzo Viotti. Zijn entree in de Nederlandse muziekwereld werd omrand door een zo uitgesproken PR-storm dat men zich moest afvragen of alle tentoongespreide bravoure muzikaal zou worden waargemaakt op de plek waar het erop aan komt, namelijk voor het orkest. Wel, wat dat betreft is Viotti geslaagd. Zemlinsky’s rijk geornamenteerde partituur was een kolfje naar zijn hand. Natuurlijk kwam hij in een gespreid bed terecht, de verdienste van de vorige dirigenten Haenchen, Kreizberg en Albrecht, waarvan eerstgenoemde het orkest grootbracht met Wagner en de laatste twee geregeld hoogtepunten van de vergeten muziek van tussen de twee laatste wereldoorlogen aan de vergetelheid hielpen ontrukken. Maar overigens zit er in de muziek van Der Zwerg genoeg verismo en impressionisme, en, zonder de dirigent te willen framen, misschien hielp het feit dat hij als Zwitser tussen drie culturen is geboren hem ook de vleugen Italianita en Frans uit de partituur te etaleren. Wie niet aan de norm voldoet ligt eruit/valt af, en elke gemeenschap heeft de behoefte om te verstoten, te marginaliseren, wat Wilde en Zemlinsky in de lijn van Arthur Koestler leken te constateren.

Misschien berustte het idee ook op persoonlijke ervaring. Zemlinsky achtte zich wat betreft uiterlijk bijvoorbeeld Alma Mahler niet waardig en ook Oscar Wilde sublimeerde het gebrek aan liefdesleven dat hij zichzelf ontzegde door een minderwaardigheidscomplex wat betreft zijn uiterlijk in zijn literaire werk. Zijn Salomé ging over iemand die haar aanbedene alleen in de dood hoopte te bereiken, in The Birthday of the Infanta/Der Zwerg gaat de titelpersoon ten onder als hij meent dat hij niet de kwaliteiten heeft om zijn aanbedene te bereiken.

Bij andere ensceneringen zien we als publiek wel eens dat voor de rol van de dwerg juist een uiterlijk wordt gekozen dat lijkt te suggereren dat alleen de hofhouding niet door heeft dat hij eigenlijk charismatisch is. In de enscenering van Nanouk Leopold draagt de dwerg dan wel kleurige fantasievolle kleding, maar hij heeft ook onverzorgde haren en een onverzorgde baard, en dan niet in de stijl van Rasputin of Charles Manson. Daardoor kiest de regie ervoor de weerzin van het gezelschap tegen deze vreemdeling voorstelbaar te maken.

Overigens moeten we toegeven dat de dwerg volgens het libretto zeker niet alleen maar een miskende zuivere ziel is. De kern van het drama is daarmee niet dat de prinses en haar hovelingen vanbuiten mooi, maar van binnen lelijk zijn, terwijl dat bij de dwerg precies andersom is. Dat hij verliefd wordt zodra hij de jonge vrouwen van het hof ziet en dat hij binnen deze vrijwel identiek uitziende vrouwen meteen voor de prinses kiest rechtvaardigt ook wel enige twijfel aan zijn motieven. En dat hij monomaan door oreert over zijn eigen gevoelens. De literaire wereld was na eeuwen dominantie van de ene, absolute liefde met als een hoogtepunt Wagners Tristan, al langer wat wijzer geworden. Waartoe het crisisgevoel van het Fin de Siècle en de Eerste Wereldoorlog ook hadden bijgedragen. In de operaliteratuur stond Zemlinsky daarin niet alleen, Schreker en Weil droegen ook bij aan de cynische kijk op de Wagners ten tonele gevoerde ideeën over de menselijke ziel.

Clay Hilley in Lied von der blutenden Orange.

Uit Erwin Olafs documentaire Im Wald: Auf dem See. (Let op de zittende persoon links halverwege boven die blijkbaar even uitrust en haar winkel-rolwieltas misschien met alles wat ze nog heeft even naast zich neer heeft gezet.)

De fotograaf Erwin Olaf was in de zaal. Zijn recente Im Wald, fotografisch verslag van een verblijf in de Alpen, was van een Wagneriaans-mystieke geladenheid. Zou hij vroeger misschien ooit Madame Butterfly of La Traviata hebben moeten regisseren, misschien zou hij nu de man zijn voor Lohengrin.

Filmer Michiel van Erp was er ook. Terwijl zijn film Niemand in de Stad voor een studentenleven-romcom kon doorgaan, was het eigenlijk ook een tragedie, over outsiders, op zoek naar gemeenschapsgevoel. Vergelijk ook de dramatis personae in zijn documentaireserie De Roze Revolutie. Peter Grimes of Albert Herring zou misschien teveel framen zijn, maar Schrekers Die Gezeichneten, over misfits gesproken?

Achtergrondinformatie bij de productie van De Nederlandse Opera

https://www.operaballet.nl/en/dutch-national-opera/2021-2022/der-zwerg

Nanouk Leopold en Lorenzo Viotti over Der Zwerg

Momenteel de enige CD-uitvoering die op Spotify te vinden is, onder James Conlon:

NedPho onder Viotti doen hier absoluut niet voor onder.

Opvoering door de Opera van Lille, met een dwerg die er juist niet abject uitziet, maar, gezien zijn ud (Orientaalse luit) en trainingspak, uit een ‘andere cultuur’ komt:

Deutsche Opera Berlijn trailer, waar de dwerg een aanwaaiende politieke redenaar of manipulator is, ten kwade of ten goede, en op toneel een alter ego heeft in de persoon van een werkelijke acteur met een aangeboren groeibeperking. Ook hier bevindt het orkest zich, in relatief kleine bezetting, op het toneel.

Een toelichting van de dramaturg in Berlijn: https://www.youtube.com/watch?v=Zbn3gOTlI8U

Lied von der blutenden Orange

Een concertante uitvoering is tóch niet de oplossing.

Erwin Olafs Im Wald in de NRC

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/04/08/in-de-serie-im-wald-regisseert-erwin-olaf-zelfs-de-natuur-a4039005

https://www.erwinolaf.com/art/im_wald_2020

Der Zwerg van Alexander Zemlinsky door De Nationale Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Lorenzo Viotti.
Met: Lenneke Ruiten, Annette Dasch en Clay Hilley en Derek Welton.
Regie: Nanouk Leopold, scenografie en video-ontwerp: Daan Emmen
Gezien: 4/9 in het Muziektheater Amsterdam.

Fotomateriaal: Marco Borggreve

Lijden na het Lijden, madrigalen en motetten van de Monte en Byrd, een Wederopstanding vol tranen van Schütz en Schein en liefdesliederen en psalmen en gezangen van Des Prez.

Tekst Neil van der Linden

Graindelavoix: De Monte, Retoriek van de mislukking.
La Tempête: Schütz en Schein, Tranen van de Wederopstanding.
Dulces Exuviae: liederen van Josquin des Prez.

1 september 2021, Festival Oude Muziek, Domkerk en Pieterskerk.

Op woensdag 1 september traden in het Festival Oude Muziek twee van mijn op CD favoriete ensembles op, waarvan ik alleen van Graindelavoix eerder een optreden had gezien, het Tenebrae-concert met muziek voor de Goede Week van Gesualdo. Mijn verwachtingen waren hooggespannen, en in beide gevallen werden ze waargemaakt.

Graindelavoix wijdde een optreden aan de in Mechelen geboren Phillippe de Monte (1521-1603; geboren dus in het stervensjaar van Josquin des Prez), die in de ogen van de artistiek leider van het ensemble Björn Schmelzer als een anachronistisch mislukkeling mag worden beschouwd. De Monte beschouwde zichzelf als anachronisme, maar was uitermate productief. Je kunt hem dan net zo goed vergelijken met Bach, die in zijn tijd ook al uit de tijd was.

In de wandelgangen hoorde ik trouwens iemand die het programmablad niet had gelezen zeggen dat hij even dacht dat het ensemble er stukken van Gesualdo tussendoor zong, en ik kan mij die indruk voorstellen. Nou wordt Gesualdo soms beschouwd als iemand die zijn tijd ver vooruit was maar ook als iemand die niet meeging met zijn eigen tijd. Iets van Gesualdo’s grillige chromatische harmonische wendingen hoor je terug bij De Monte, zeker als je de muziek stilistisch aanpakt volgens het handelsmerk van Graindelavoix: slepende portamenti, ‘naar de toon toezingen’ zoals in de Oosters-Mediterrane kerk altijd werd gedaan (en die Oosters-Mediterrane invloed moet toen nog heel goed in de Westerse muziek te bespeuren zijn geweest) en zingen ‘met een korrel op de stem’, het concept waaraan het ensemble letterlijk zijn naam ontleent.

Sommigen vinden dat Graindelavoix de muziek als op een Procrustesbed behandelt, alle muziek wordt uniform Graindelavoix. Maar als je aan de aanpak bent gewend hoor je juist diversiteit, de vloeiende evolutie van de muziek gedurende twee eeuwen, en de emoties in de muziek, wat allemaal juist wel eens ontbreekt bij een aantal ensembles.

En gebruikte men bij dat Gesualdo concert de hele lengte van de Utrechtse Janskerk, met een klein ensemble dat zich telkens verplaatste, nu nam men inclusief de nu toegevoegde instrumenten het hele centrale podium in de Domkerk in beslag. Opvallend vergeleken bij andere presentaties in de Domkerk was dat het resultaat toch op de een of andere manier ‘intiem’ bleef. Dat kwam misschien door de opstelling maar ook door de manier waarop men naar het publiek toezong, en de stemtechniek; men zingt flink hard, maar zonder te tonen eruit te duwen. Bovendien heeft het ensemble in de loop der jaren een enorme sonoriteit bereikt, de stemmen, die in hun ‘rauwheid’ flink in kleur verschillen vormen met elkaar een homogeen geheel.

Voor deze gelegenheid was een aantal instrumenten toegevoegd. Ik verbaas me er nog eens over dat het er maar drie waren, ze klonken als een flink ensemble. Tegelijkertijd heb ik zelden de zink, dat mysterieuze instrument dat eruit ziet als een regulier houtblaasinstrument en de klank en volume van een trompet voortbrengt, zo zoetgevooisd gehoord.

De Monte werd voorafgegaan door een kort stuk van de in zijn tijd wel heel succesvolle Cipriano de Rore, ook een Vlaming (1515-1565), waarna eerst een deel van een in Antwerpen in 1587 gepubliceerde mis van De Monte volgde, daarna klonk een collage van Frans- en Italiaanstalige wereldlijke madrigalen, een Miserere, een Franstalig geestelijk lied, en tenslotte van De Monte het Super Flumina Babylonis.

Tot besluit was er Quomodo Cantabimus van William Byrd (c.1540-1623), een componist wiens muziek vaak te braaf, te ‘Engels’ wordt benaderd, maar die mij nu liet hopen op een hele door Graindelavoix op te nemen CD. De overeenkomst van deze laatste twee stukken, van De Monte en Byrd, was hun complexe meerlagigheid, waarbij zangers en instrumentalisten alle mogelijkheden tot kleuring uitbuitten. De twee laatste stukken hebben trouwens met elkaar te maken. Niet alleen komen de tekstfragmenten uit dezelfde psalm, psalm 137; het eerste fragment gaat over het Joodse volk in ballingschap dat aan de oevers van de rivieren in Babylon terugverlangt naar Jeruzalem, het tweede roept een vloek af over degene die Jeruzalem zal vergeten (‘dan begeve mij mijn rechterhand, dan verstomme mijn tong in mijn mond’). Maar Byrd componeerde het nadat De Monte hem zijn motet had gestuurd. Componisten kunnen ook aardig voor elkaar zijn.

Voor 9,30 Euro koopt u de partituren bij Bol.com:

 https://www.bol.com/nl/nl/p/super-flumina-babylonis-and-quomodo-cantabimus/1001004010551146/ (Maar als Bol.com er maar één in de aanbieding had: die heb ik nu besteld.)

Er is nog geen CD, maar er zijn al wel clips:

Onlangs heb ik de uitvoering door La Tempête van de Vespers van Monteverdi lovend besproken. Daarin wisselt hij de passages uit Monteverdi’s collectie af met versies van dezelfde teksten gezongen in folkloristische Mediterrane polyfone stijlen.

Een jaar eerder was een CD uitgekomen met muziek voor de Eerste Paasdag van Heinrich Schütz (1585-1672), de Historie der Auferstehung Jesu Christi uit 1623, afgewisseld met passages uit Israelis Brünnlein (ook 1623) van Johann Hermann Schein (1586-1630). Spectaculair was dat de rol van de evangelist werd gezongen door Georges Abdallah, een voorzanger uit de Libanese Grieks-Orthodoxe traditie. Zijn stemklank brengt de muziek en het verhaal dichter bij de plaats van oorsprong van de Christelijke traditie. Bovendien benadrukt deze interpretatie dat de evangelist in het verhaal ook ‘anders’ is, een alien bijna.

In de Jacobikerk zou er nog iets anders gebeuren met de rol van de evangelist. Terwijl de rest van het ensemble plaats naam in het koorgedeelte van de kerk, nam de evangelist plaats op de kansel en zong vanaf daar gedurende de eerste delen van het werk. Op zeker moment, min of meer het moment dat de personages in het verhaal beseffen dat Christus is teruggekeerd, daalt hij weer af van de kansel, loopt achter het ensemble langs naar de zijkant van de kerk en door een gangpad de kerk in tot achteraan, waar hij aankwam op het moment dat de evangelist zingt dat Christus zijn volgelingen weer had achtergelaten. De evangelistenrol valt dan even samen met die van de Christusfiguur zelf. Mooi gedaan.

Waarom overigens de naam Larmes de Résurrection, ‘Tranen van de Wederopstanding’? De muziek van Schütz staat voor het grootste deel in mineur. Wat op Eerste Paasdag plaats vond lijkt voor de argeloze gelovige een vrolijke aangelegenheid, maar eigenlijk zijn de gebeurtenissen niet per se vrolijk stemmend. Allereerst was het nog maar twee dagen na het sterven van Christus. Dan blijkt op die eerste Paasdag het graf leeg te zijn en loopt er iemand rond die zegt dat hij Christus is. Ook al was het allemaal officieel zo voorspeld, moet je het dan maar geloven? En als de volgelingen er uiteindelijk van overtuigd zijn dat het allemaal klopt, weet iedereen dat ze dan nog een keer afscheid moeten nemen. The Long Goodbye.

Ongeveer in dezelfde tijd als Schütz zagen Caravaggio en Rembrandt dat ook goed bij hun uitbeelding van het tafereel van de Emmaüsgangers, dat Rembrandt zelfs twee keer schilderde, de tweede keer met de personages in dezelfde opstelling als bij Caravaggio, een dodelijk bleke Christus die wij frontaal zien, en volgelingen die er bepaald niet blij uitzien. De jonge Rembrandt beeldde het tafereel nog veel brutaler uit. We zien Christus van de rug af gezien, in clair obscur belicht door een kaars, aangestaard door een persoon, vermoedelijk de in de Bijbel genoemde Cleopas, die de persoon die zegt dat hij Christus is doodsbang aanstaart. En doordat wij, de toeschouwers, Christus als nauwelijks meer dan een enge zwarte schaduw zien, begrijpen we die angst.

Het concert is door Radio IV opgenomen en terug te vinden in Uitzending Gemist:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/zomeravondconcert/f8642582-bfff-458e-88c5-15bee6f8a9ef/2021-09-01-zomeravondconcert

Er zijn prachtige clips van de opnamesessies van de CD:

Larmes de Résurrection op Spotify:

Na afloop van het optreden van Graindelavoix kreeg ik de nog niet uitgebrachte nieuwe CD van het ensemble, Josquin the Undead, met een hoesontwerp aan de zombie-cultus ontleend. Ik kan alvast laten weten dat de Josquin door Graindelavoix weer prachtig is; Josquin wordt te vaak klinisch en statisch uitgevoerd, vaak gewoon saai. Terwijl, als dat een ijkpunt mag zijn, de teksten van zijn wereldlijke liederen vaak Schubertiaans en Schumanniaans zijn. Dat moet toch in de muziek hebben doorgeklonken.

Dat kwam zeker ook tot uiting bij het gevoelig besluit van deze festivaldag, een intiem Josquin-concert in de Pieterskerk door het duo Dulces Exuviae, de Franse zanger Romain Bockler en de Sloveense luitist Bor Zuljan. Anders dan in een ensemble, waarin men zich achter elkaar kan verschuilen, komt in solozang met enkelvoudige instrumentale alles aan op expressie. Ik zou zeker zeggen dat Romain Bockler de Matthias Goerne van de Josquin is en Zuljan van bijpassend niveau.

Hun clips geven een goede indruk.

Adieu mes amours, https://www.youtube.com/watch?v=NRaZLnBpcB4&ab_channel=OuthereMusic

Douleur me bat

https://www.youtube.com/watch?v=v0wUvQ5Euq0&ab_channel=BorZuljan

Nimphes nappes,

Nymphes des bois, Déploration sur le mort de Jean Ockeghem,
https://www.youtube.com/watch?v=SNR5t-nKiTQ&ab_channel=FranceMusique

Uit het Requiem voor Josquin door Jean de Richafort

https://www.youtube.com/watch?v=jIOl1uX5_RQ&ab_channel=BorZuljan

Hun Josquin CD op Spotify

https://open.spotify.com/album/1meMwoYIcbgM6M39j61KF4?si=02b0Cu6wSzOapOyD2hBD4w&dl_branch=1

 Foto’s Marieke Wijntjes

 

 

 

Duitse passies vóór Bach als gevolg van een religieuze omwenteling en de moord op een Franse koning die een religieuze omwenteling teweeg bracht.

Tekst: Neil van de Linden

Vox Luminis: Baanbrekende Passies van Burck en Selle.

Bachs jaarlijkse Johannes- en Matthäus-passies domineren het terrein, maar passie-oratoria bestonden al lang voor Bach. De Middeleeuwse passiespelen, waarvan we nog restanten vinden in Oberammergau en Tegelen, stammen uit de vroegste middeleeuwen. Het Huelgas Ensemble heeft ooit Cipriano de Rores prachtige Latijnstalige Johannespassie uit 1557 opgenomen. Maar zodra het Protestantisme vaste grond onder de voeten kreeg, kwam er al een stroom Duitstalige versies op gang.

Het Franse ensemble Vox Luminis, dat een aantal Duitstalige zangers herbergt, gaf een uitvoering van Die Deutsche Passion nach dem Evangelisten Sancte Johannes uit 1568 van Joachim von Burck (1546 – 1610), gevolgd door Passion nach dem Evangelisten Johannes mit Intermedien uit 1643 van Thomas Selle (1599-1663).

Twee in vergetelheid geraakte werken, waarin de componisten evenwel op een spectaculaire manier nieuwe dingen uitprobeerden. Dit werd prachtig uitgelicht door Vox Luminis. In Von Burck’s werk wordt de tekst integraal polyfoon gezongen door het hele ensemble, dus zonder een rolverdeling, met als muzikaal voorbeeld het nieuwste op muzikaal gebied uit de Nederlandse polyfonie, het religieuze madrigaal. Wel maakten óf de componist al óf Vox Luminis in hun interpretatie onderscheid tussen verschillende passages door de passages zoals die waarin het volk om kruisiging van Christus en vrijlating van Barabas roept te laten zingen door een groep zangers die vanaf de orgelbalustrade zongen.

Het is aangrijpende, melancholische muziek, met alleen een kistorgel als begeleiding. Ideaal voor dit geheel op elkaar ingespeelde ensemble, met onder meer de Nederlandse countertenor Daniel Elgersma. Dat het evangelie van Johannes het wel erg vaak heeft over de rol van niet alleen de Farizeeërs en Hogepriesters, die benadrukken dat ze zelf niemand mogen executeren, maar dat graag overlaten aan de Romeinen, maar ook over hoe het Joodse volk met alles van harte instemt, kortom, de ‘schuld’ van het Joodse volk voor de dood van Christus, komt in deze compacte variant duidelijk tot uiting net als bij Bach.

In zijn versie van 75 jaar later introduceert Thomas Selle een rolverdeling tussen personages, zoals we die terugvinden bij Bach. De evangelist is een tenor (Philippe Froeliger in een verpletterende rol). Pilatus is bij Selle een hoge tenor, haut-contre zouden de Fransen zeggen. Christus een bariton. Naast Daniel Elgersma als counter doet de Nederlander Fred Jacobs mee, op een basluit. Selle had in Hamburg de beschikking over een uitgebreid instrumentaal ensemble en schreef een weelderig instrumentatie voor dat dit oratorium, zoals Monteverdi dat toepaste in zijn Vespers.

Tussen de passages die de evangelietekst volgen componeerde Selle ‘Intermedien’, waarin hij, net als later Bach in zijn aria’s en koralen, als tekst dichterlijke reflecties op het lijdensverhaal gebruikt. In deze Intermedien splitste Selle het ensemble in drie delen, en twee daarvan werden door Vox Luminis achter de zijpanelen van het middenschip van de Domkerk opgesteld.  Één ervan, inclusief het ensemble met de artistiek leider van het ensemble, de bas Lionel Meunier, stond pal achter mij; koude rillingen, waarbij ik natuurlijk wel hoopte dat de zangers, net als het publiek, goed op Corona waren getest.

Doulce Mémoire, Du Caurroy: Requiem voor een Koning.

De koning uit de titel is Hendrik IV, 1553-1610, koning van Frankrijk vanaf 1589, vermoord door een fundamentalistische katholiek in 1610.

De regeringsperiode van Hendrik IV, die zich bij het Protestantisme had aangesloten, is onder meer bekend van de Bloedbruiloft, waarin de Protestantse elite, die zich ter gelegenheid van het huwelijk van de koning in Parijs had verzameld, tijdens de ‘Bartholomeüsnacht’ werd vermoord. Daarna werd Hendrik weer katholiek, maar hij bleef met zijn leger tegen de katholieke Europese grootmachten vechten, en vaardigde in 1598 het Edict van Nantes uit, waarin hij algehele vrijheid van godsdienst proclameerde. Dat alles zinde radicale katholieken niet, en zo werd hij, na een reeks eerdere mislukte aanslagen, in mei 1610 toch vermoord.

Het ensemble Doulce Mémoire voerde een collage op met psalmzettingen door de Hugenoot Claude Goudimel (1510, vermoord in de Bartholomeüsnacht 27 augustus 1572) en fanfares en het Requiem van Eustache du Caurroy (1549-1609), dat werd uitgevoerd bij de begrafenis van Hendrik IV.

Het ensemble kwam in processie vanaf een zijbeuk de Domkerk in, vijf blazers en een percussionist, en vijf zangers. De muzikale fragmenten werden aaneengeregen door een verteller die authentieke dagverslagen reciteerde en de authentieke tekst van een lijkrede geschreven door de bisschop van Aires, die in retoriek misschien niet veel onderdoet voor de Shakespeares redevoering door Marcus Antonius na de moord op Caesar, in zijn toneelstuk Julius Caesar.

Du Caurroy volgde de zogenaamde Parijse versie van de requiemtekst; het Dies Irae ontbreekt en de Pie Jesu strofe wordt een aparte passage, een traditie die later Fauré zou volgen. Overigens zou Berlioz in zijn Grande Messe de Morts zich de theatrale mogelijkheden van het Dies Irae, met het Tuba Mirum en Rex Tremendae, dan weer niet laten ontzeggen.

Mede door de declamatie en de ambiance van de kerk was het toch een beetje alsof we erbij waren in een tijd van roerige gebeurtenissen, die een diepe sporen zou nalaten in de Franse en Europese geschiedenis.

Vox Luminis Baanbrekende Passies, Von Burck en Selle
Festival Oude Muziek, Domkerk Utrecht, 31 augustus 2021, 5 PM

Doulce Mémoire / Denis Raisin Dadre
Du Caurroy: Requiem voor een koning.
Festival Oude Muziek, Domkerk Utrecht, 31 augustus 2021, 8 PM.

Foto’s Anna van Kooij (Vox Luminis) en Marieke Wijntjes (Doulce Mémoire)

Opnames en YouTube clips.
Vox Luminis met de drie delen van de Johannes Passie van Von Burck:

NB de uitvoering is inmiddels gegroeid, of misschien nodigde de Domkerk uit tot dramatiek: de uitvoering in Utrecht was indringender dan wat we op CD horen.

Hopelijk volgt er ook een opname van Selles Johannes Passion. Het zou ook mooi zijn als op de radio meer kan worden gevarieerd, dan alleen maar Bach.

Hier alvast twee opnames van andere muziek van Selle door Vox Luminis
Die mit Tränen säen:

Veni sancte spiritu

Vox Luminis live op YouTube:
Schütz Musikalische Exequien

Josquin Missa L’homme armé sexti toni, vers uit het Laus Polyphoniae festival in Vlaanderen:

Doulce Mémoire in een opname uit 2008 van Du Caurroy’s Requiem.

Vergoddelijkte stervensangst en wat té aardse levenslust.

Tekst: Neil van de Linden

La Divina Armonia zong onder de noemer ‘Retoriek van het sterven’, muziek uit Milaan rond het jaar 1630, het jaar waarin een overweldigende pestepidemie de stad teisterde; een derde van de bevolking stierf. Sommige van de componisten stierven aan de pest. Een ander, Michelangelo Grancini (1605 – 1669) zag het voor zijn ogen gebeuren maar overleefde. Hij had een blijvende invloed op het muzikale leven in de stad, terwijl de aanblik van de epidemie diepe sporen achterliet in de belevingswereld van de componist.  

De tekst van zijn motet Civitatem nostra circunda Domine uit 1631 gaat vertaald als volgt: ‘Behoed onze stad, heer, en laat engelen haar bewaken, het volk dat naar u roept, naar u zucht, verhoor het barmhartig. We hebben gezondigd, en over ons is alle tegenspoed gekomen. U bent genadig, Heer, heb medelijden met ons, en geef uw volk redding.’ Ik meen dat in Ambrosiaanse liturgie zoals die werd beleden in Milaan vrouwenstemmen in de kerk toeliet, in elk geval schrijven al deze componisten virtuoos voor hoge stemmen, vertolkt door twee sopranen en twee alten, die vol overgave zongen maar die intussen met schrijnende dissonanten tussen de verschillende stemmen het leed in de stad, de doodsangst en de rouw verklankten.



Het simpele instrumentarium van twee violen, harp, zink, orgel, violone en gamba gaf rijke accenten die zich tegelijkertijd voegde de sombere en tot soberheid dwingende atmosfeer van de tekst van elk van de werken over sterven, rouw en de dag des oordeels.
 
De akoestiek en de intieme atmosfeer van de beeldschone Romaanse tien eeuwen oude Pieterskerk, behorend tot de oudste bewaard gebleven kerken van Utrecht, deden de rest.

arpegiatafso_sgeq

Daarvoor had zich in Muziekcentrum Vredenburg een massaal bezocht optreden afgespeeld door countertenor Philippe Jaroussky en L’Arpeggiata onder Christina Pluhar. In de beginjaren was ik een bewonderaar van de verrichtingen van Pluhar en haar L’Arpeggiata, toen het ensemble kwam met opwindende uitvoeringen van laat zestiende, vroeg zeventiende-eeuwse grootmeesters op het kleine als Kapsberger en Bertali.  Ook toen het ensemble Jaroussky had gevonden kwamen magnifieke opnamen uit, bijvoorbeeld toen het ensemble Jaroussky plaatste tegenover de Spaanse sopraan Nuria Rial in de opnames van madrigalen van Monteverdi. Monteverdi ‘s Maria Vespers met jonge zangers was geslaagd, zij het dat de YouTube live registratie eigenlijk beter was dan de CD.

Het repertoire bestond uit amoureuze, en soms behoorlijk erotische amusementsliederen uit het hofleven van de Franse Lodewijk XIII en diens jongere broer Gaston d’Orleans. Ruime gelegenheid om te schmieren en dat deden Jaroussky en Pluhar dan ook. Opmerkelijk is dat de boomlange en boven iedereen uit torenende Jaroussky zich niet eens op zijn gemak scheen te  voelen. Was het feit dat leuk moeten doen op dat grote kale podium in een enorme zaal, na zoveel tijd van veel minder optreden, wat onwennig aanvoelde?


Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is arpegiata-3tzlxhq.jpeg

Gelukkig waren er ook momenten waarin hij zich meer in zijn vel leek te voelen, in een paar wat droeviger liederen, én in een enkel lied dat zo scabreus was dat je je er ongemakkelijk bij moest voelen, zoals over een visser die drie maagdelijke meisjes had meegenomen naar een afgelegen eiland en ze daar aanrandde, blijkens de tekst, en dat allemaal op een vrolijke melodie?

Misschien hadden de mensen aan het hof plezier om de vermeende gedragingen van mensen uit de lagere klassen, maar aan het hof was er ook niet een sterke Me Too-beweging, weten we. En deze liederen werden indertijd ook hits in het straatleven van de gewone mensen. Hoe dacht men op straat over deze onderwerpen? Een deel van de liederen was muzikaal simpel en stelde geen hoge eisen aan de zanger. Een aantal ging veel verder en hierin kwam toch iets van de oude glorie terug.

Bij het festival geldt een streng Coronabeleid, vaccinatie- of testbewijs. Maar opeens blijk je dan binnen direct naast, voor en achter anderen te zitten. Het is even wennen. Maar het is wel een verademing om weer eens met mensen naast je in gesprek te raken. Onder meer over het feit dat je naast elkaar zit. Wat ook opvalt is dat er nauwelijks wordt gehoest. De coronamaatregelen hebben ook de verkoudheden en zomergriep buiten de deur gehouden.
La Divina Armonia, dirigent en organist Lorenzo Ghielmi – Retoriek van het sterven  zondag 29 augustus 2021 Pieterskerk   Philippe Jaroussky & L’Arpeggiata onder leiding van Christina Pluhar – Passacalle de la follie  zondag 29 augustus 2021 TivoliVredenburg / Grote Zaal

Foto’s Divina Armonia: Foppe Schut;  L’Arpeggiata: MariekeWijntjes.

La Divina Armonia in muziek van Frescobaldi uit dezelfde tijd, begin 17e eeuw:

Philippe Jaroussky, Christina Pluhar en L’ Arpeggiata met Nuria Rial in hoogtijdagen:

Zwevend de dood (bijna) in en weer uit.

Tekst: Neil van der Linden

Afgelopen vrijdag de 27e begon het Festival Oude Muziek in Utrecht. Op 29 augustus bezocht ik drie voorstellingen.

Het thema van het festival dit jaar is ‘Retorica’, de dialoog, niet om gelijk te krijgen, maar om te communiceren. Ik zal verderop in het festival nog een aantal evenementen bezoeken en naar aanleiding daarvan ook een beschouwing schrijven over het festivalthema. Vooralsnog lijkt de dood een belangrijk neventhema in het festival.

De eerste voorstelling die ik bespreek, ‘Amor’ van de Belgische danser Michèle Anne de Mey en de filmregisseur Jaco van Dormael gaat over een bijna-dood ervaring. Dezelfde avond bezocht ik het huiveringwekkende concert van La Divina Armonia met muziek rond de pest-epidemie van Milaan in 1630, recensie volgt morgen.

Verderop is er een reeks bekende en onbekende requiems en ik verheug me ook op het concert Larmes de la Résurrection, ‘Tranen van de Wederopstanding’, woensdag in de Domkerk, met muziek van Schütz en Schein (inderdaad kun je je afvragen of de gebeurtenissen op Paasdag wel zo vrolijk zijn als ze vaak worden verbeeld).

Amor is een voorstelling met deels live uitgevoerde en deels opgenomen muziek. Het ensemble Bachplus speelde muziek uit de zeventiende eeuw, van (barok-componist) Von Westhoff en Biber via Vivaldi en Alessandro Scarlatti naar Purcell’s When I am Laid in Earth, en dat laatste in vier verschillende versies. Aanleiding was een bijna-dood ervaring als gevolg van een koude-shock die De Mey winter 2016 ondervond in Toronto, na een wandeling over het strand van Lake Ontario bij een temperatuur van min 38 graden.

De voorstelling begint en eindigt met een prachtig beeld van een gewichtloos lijkende Michèle Anne de Mey die over het toneel zweeft. Tenzij hier sprake was van een perfect hologram is dit ‘live’ uitgevoerd, vermoedelijk met over het toneel gespannen plastic banen die zo onzichtbaar mogelijk zijn gemaakt. Niet te lang stilstaan bij hoe ze het doen, het beeld is indrukwekkend. Een voice-over legt een paar hypotheses over bijna-dood ervaringen. In volgende scènes bevindt de protagonist zich in mystieke berglandschappen en zeebeelden, en op den duur vaak, terugkerend op aarde, op kale bedden en stoelen in lege kamers; het ziekenhuis waar De Mey heen is gebracht, neem ik aan.

Vier keer Purcells overbekende ‘When I am laid in Earth’ is veel, maar hier correspondeert te muziek met vier levensfasen die De Mey tijdens haar bijna-dood ervaring waarschijnlijk leek door te maken; in de vierde neemt Michèle Anne de Mey de mimiek van een oude broze vrouw. Overigens zijn het verschillend geïnstrumenteerde versies van Purcell’s aria.

In veel scènes zien we De Mey bewegen met projecties van zichzelf. Heel aangrijpend is een scène waarin we haar op een bed zien liggen met boven het bed een projectie van bovenaf gefilmd waarin we tegelijkertijd haar van opzij en van boven zien bewegen waarbij de persoon in de projectie boven het bed lijkt te zweven.

De muziek is voor het merendeel live-uitgevoerd, maar hier wordt een opname van ‘Ah! non credea mirarti si presto estinto, o fiore’ uit Bellini’s La Sonnambula, ‘De slaapwandelaarster’; dat past natuurlijk ook bij het doodsthema, en de tekst gaat over een jong iemand die sterft. De in dit geval bestaande muziekopname met van Cecilia Bartoli paste naadloos in de voorstelling.

Dat geldt ook voor de video die wordt gebruikt van een aangrijpende jazz-versie van ‘Nothing Compares 2U’, de song die Prince voor Sinead O’Conner schreef, door ‘Little’ Jimmy Scott, een jazz zanger die het Kallmann syndroom had, gekenmerkt door beperkte lichaamsgroei en een stem die hoog blijft, Het is een opname die hij op 73-jarige leeftijd maakte tijdens zijn comeback periode, nadat hij na een succesvolle start in vergetelheid was geraakt. (Is het kiezen van een opname uit de comeback-periode van een zanger in het kader van het thema van deze voorstelling toeval?) Enfin, als een mannelijke Bessie Smith zien we hem geprojecteerd op een toneeldoek, in een montage door Jaco van Dormael, terwijl De Mey afwezig is op het toneel; verbeeldde dit dat ze toen in Toronto ook op zeker moment echt uit ons bestaan leek te zijn weggegaan?

Er bestaat ook een versie van deze voorstelling waarin alle muziek van bestaande opnamen komt, maar voor de gelegenheid werd de voorstelling begeleid door een barokensemble.

De uitzonderlijk mooie voorstellingsfoto’s van Julien Lambert geven een goed beeld. Ze zijn van dezelfde esthetische en tamelijk typisch Belgische perfectie als de voorstelling.

Dans en choreografie: Michèle Anne de Mey, mise-en-scène: Jaco Van Dormael, ensemble: BachPlus, dirigent Bart Naessens, sopraan: Deborah Cachet.

Foto’s: Julien Lambert

Gezien Stadsschouwburg Utrecht, 29 augustus 2021.

Trailer

Trailer voor de versie in het Festival Oude Muziek

Nog een imponerende video

https://www.astragales.be/en/nos-spectacles/amor/

Nothing Compares 2 U door Jimmy Scott:

Herinneringen aan Die Walküre in Enschede

Op 26 september 2010 is in Enschede Die Walküre in première gegaan. Het project van de Nederlandse Reisopera was niet alleen prestigieus maar ook zeer gewaagd: een eigen Ringcyclus, daar konden zich tot die tijd alleen de grootste operahuizen aan wagen.

Het resultaat was meer dan verbluffend en de bijval van het publiek kon niet groter zijn: aan het applaus, bravos’en voetstampen kwam zowat geen einde. En in tegenstelling tot wat heden ten dage normaal is, werden ook de regisseur en zijn team meer dan enthousiast ontvangen.

Hoe terecht! De Engelse regisseur en ontwerper Antony McDonald (hij was ook verantwoordelijk voor het bühnebeeld, decors en kostuums) heeft een wereld gecreëerd waarin alles op zijn plaats was, al was het een beetje in het klein. De problemen waarmee de goden te kampen hadden waren zeer menselijk en herkenbaar, waardoor ook extra ontroerend.  Daarbij volgde McDonald het libretto op de voet, wat een verademing! Voor de werkelijk fantastische videoprojecties tekende Thomas Bergmann en ook de bewegingsregie van Lucy Berge mag niet onvermeld worden.

Muzikaal bevonden we ons in een top klasse. Geen van alle stemmen was bijzonder groot, maar in Enschede (niet al te grote theater, goede akoestiek) was het absoluut geen probleem, integendeel. De prachtige zaal in het nieuwe muziekkwartier werd door hen helemaal gevuld.

Kelly God en Michael Weinius © Marco Borggreve

De Nederlandse sopraan Kelly God was een prachtige Sieglinde. Qua uitstraling deed zij mij af en toe aan Eva-Maria Westbroel denken, maar ik vond haar stem iets ronder en romiger.

© Marco Borggreve

Michael Weinius’ Siegmund was voornamelijk lyrisch. Het was niet helemaal vlekkeloos en een klein beetje saai, maar ik ben er zeker van dat hij in de rol nog gaat groeien.

© Marco Borggreve

Harry Peters was misschien een minder autoritaire Wotan dan we doorgaans gewend zijn. De regisseur heeft ook veel meer de nadruk gelegd op zijn emoties, gevoelens en zijn vaderlijkheid. Het maakte ook zijn afscheid van Brünhilde (uitstekende Judit Nèmeth, die met de rol van stem vak was gewisseld) tot het ontroerendste moment van de avond.

Het Geldersorkest onder leiding van Ed Spanjaard speelde werkelijk sterren naar beneden.
Ik was in tranen.

Van de Bayreuth-gangers hoorde ik in de wandelgangen dat het niveau (zowel qua enscenering maar ook vocaal!) in Enschede veel hoger was dan in het echte Wagners Walhalla van de laatste jaren. Het stemt tot nadenken.

Trailer van de productie:

Botticelli, amphoras en slapstick

Tekst: Neil van der Linden

Na zijn voorstellingen The Great Tamer (2017) en Seit Sie (Neues Stuck 1) (2018, met Pina Bausch’ Tanztheater Wuppertal) stond de Griekse choreograaf, striptekenaar en schilder Dimitris Papaioannou opnieuw in het Holland Festival. In Transverse Orientation wil hij levensvragen op een lichte manier aan de orde stellen. Soms iets te licht misschien.

Uitgangspunt bij Papanaioannou is het menselijk lichaam, dat hij in allerlei gedaanten en standen toont. Soms reorganiseert hij lichamen, door met twee menselijke lichamen een nieuw wezen te vormen, het onderlijf van het ene met het bovenlijf van een ander, het ene ruggelings tegen het andere. De nieuwe vormen zijn soms lieflijk maar vaak ook grotesk, als de gedrochten in de hel bij Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten. En ook Othello’s Beest met de twee ruggen? Er wordt sowieso lustig met beelden uit de kunstgeschiedenis en de mythologie gestrooid.

In het begin al zien we een man die met zijn rug naar het publiek vooraan op het toneel staat. Met zijn gesoigneerde haar lijkt hij op de man die we van de rug af zien op Magritte’s La reproduction interdite, ‘Verboden af te Beelden’. Een andere associatie bij dit beeld die later nog sterker zal terugkeren is de man op de bergtop in Caspar David Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer, ‘De Zwervende boven de Nevelzee’.

Prachtig is een haast levensechte woeste stier, met de suggestie dat hij zo groot en sterk is dat hij alleen met vereende krachten kan worden bedwongen; het is natuurlijk de groep dansers, die spelen dat ze het monster proberen te bedwingen, die intussen het mechaniek van het gevaarte bedienen om het natuurgetrouw te laten voortbewegen.

Uiteindelijk wordt het dier tot staan gebracht door een naakte man die het recht in de ogen kijkt. Belicht in oker, is het een beeld dat afkomstig zou kunnen zijn van antieke Griekse vaas.

De enige danseres van het gezelschap verschijnt, op een schelp, waaruit water omhoog spuit en uit haar haar komen ook waterstralen. Ze lijkt op Venus in Botticelli’s ‘Geboorte van Venus’. Een volgend moment is ze Botticelli’s ‘La Primavera’. Ze staat dan in een sculptuur die op een vulva lijkt. Maar tegelijkertijd draagt zelf een homp kleiachtig materiaal in haar armen, die ze begint af te pellen en daar zien we het Kindeke Jezus.

Er is nog een vrouw, een zeer omvangrijke. Op gegeven moment ploetert ze met stokken voortbewegend naakt het toneel op. Het publiek kijkt ademloos toe.

Volgens Papaioannou is zijn nieuwe stuk is een mannenuniversum, dat door de vrouwelijke aanwezigheid wordt gedefinieerd, geheroriënteerd en komt te overstromen. De fontein rond het evenbeeld van Botticelli’s Venus is nog maar het begin, zal later blijken.

“In Griekenland wordt mijn werk heel serieus genomen. Het publiek is terughoudend om op de humor te reageren. Nederland was het eerste land waar tijdens The Great Tamer werd gelachen en geapplaudisseerd”, zegt Papaioannou.

Voor mij was de humor deze keer niet het sterkste punt. Veelal in de vorm van lichtelijk flauwe slapstick-actjes tussen de grote scenes door. Terwijl Papaioannou juist heel goed scherp gemonteerde overgangen maakt. Bijvoorbeeld de flits van een seconde waarin die reuzenstier tevoorschijn kwam, nadat een danser een sterke lamp de zaal in had gericht, die je even verblindde; en daar stond hij plotseling op het toneel.

Ook ademstokkend was de scene waarin de corpulente naakte dame zich wiebelend met haar stokken drie treden ophees van een trapje naar een deur in de achterwand en door een deur achter op het podium verdween, waarna in een fractie van een seconde de Botticelli-danseres in haar plaats in de deuropening verscheen en naar beneden schreed. De Venus van Willendorf (met dank aan Peter van der Lint) op krukken. En zoals gezegd, doodse stilte, niemand in het publiek grinnikte zelfs maar om de corpulente vrouw. Het Nederlandse publiek weet blijkbaar ook wanneer het niet moet lachen.

Die deur achter op het podium speelde een centrale rol. Spectaculair was een scene waarin nadat er wordt geklopt een personage de deur opent en zich erachter een lawine van ijsblok-achtige objecten blijkt te bevinden. De blokken worden naar binnen getrokken, en met de blokken mee valt de rest van de dansers naar binnen. Gezamenlijk proberen ze de berg blokken op te ruimen, in nodeloos ingewikkelde coördinatie, maar uiteindelijk lukt het. Ik moest aan de humor van Hauser Orkater denken.

De titel Transverse Orientation is een begrip uit de biologie: motten richten zich op horizontaal licht. In Papaioannou’s meest acrobatische momenten lijkt het soms alsof de zwaartekracht horizontaal loopt. Papaioannou citeert ook Rumi’s uitspraak over de mot en de schoonheid van een kaars: de mot leert die kennen door in de vlam te vliegen. Dat de mens met al zijn technisch vernuft zich soms op dezelfde manier gedraagt en daarbij op Goethes roekeloze tovenaarsleerling lijkt wil Papaioannou wellicht uitdrukken in de magische slotscène.

De Botticelli-vrouw beweegt zich naar achter op het podium. Ze opent een kraan. Langzaam zinkt ze weg in een plas water, technisch zeer overtuigend gedaan. De plas loopt over. De overige dansers beginnen van het midden af de vloer te demonteren. Net als eerder de ijsblokken die door de deur heen kwamen, worden de vloerdelen weggedragen op een manier die nodeloze ingewikkeldheid suggereert. En nu loopt het minder goed af, want al snel staat de hele vloer blank, in wat op een zwartgeblakerd landschap lijk.

De man die zich aan het begin uitkleedde kleedt zich weer uit en neemt naakt plaats aan de rand van de waterplas, de enige overgebleven schoonheid. Een ander probeert met een zwabber de vloer droog te dweilen, maar het mag niet baten. De belichting verandert en de tafels lijken ijsschotsen. De ijsschotsen uit Caspar David Friedrichs Das Eismeer, dat schilderij met het scheepswrak in de eindeloze ijszee. Even later komt de ‘Magritte’-man uit de beginscène weer ruggelings naar de zaal vooraan het toneel staan. Slotbeeld, en nu duidelijker: de berusting van Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer.

Trailer van de productie:

Transverse Orientation van Dimitris Papaioannou
Holland Festival, Theater Carré Amsterdam, 25 juni.
Decorontwerp Tina Tzoka en Loukas Bakas
Muziek: Antonio Vivaldi, Concerto In due Cori door het Combattimento Consort Amsterdam. Licentie verleend door The Orchard Music (namens Challenge Classics).
Fotografie Julian Mommert

Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer in de Kunsthalle Hamburg.

Mendelssohn, wie is vóór en wie is tegen?

Tekst: Neil van der Linden

Dit wordt een wat langere beschrijving, omdat er veel verschillende onderwerpen aan bod komen in De Muziekmutant van Micha Hamel en regisseur Arlon Luijten, een combinatie van theatraal essay over de functie van muziek, een interactief muzikaal spel met publiek, een cursus in luisteren, een enquête over de betekenis van het muzikaal erfgoed van vorige eeuwen en een wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop klassieke muziek wordt beleefd. Micha Hamel, zelf lector ‘Performance Practice’ bij de Hogeschool Codarts, werkte hierbij samen met TU Delft, de Erasmus Universiteit en de Willem de Kooning Academie.

Vier jongeren verdedigen samen met een tiental medeleerlingen van de Jeugdtheaterschool Zuidoost verschillende stellingen over het belang van symfonische muziek, met als voorbeeld Mendelssohn. Mendelssohns muziek stamt uit de tijd dat, zoals de makers stellen, deze muziek een maatschappelijke functie had en onderdeel was van een algemeen maatschappelijk verheffingsideaal. Bovendien waren orkestmusici toen goedkoop, dus kon het symfonieorkest, gesubsidieerd door vorst of bourgeoisie, steeds groter worden.

Inmiddels is de maatschappij veranderd, het enorme orkest is relatief kostbaar, terwijl het verheffingsideaal, althans wat de symfonische muziek betreft aan belang heeft ingeboet. Of althans dat is de vraag. Misschien is de muziek nog steeds drager van een belangrijke, misschien wel tijdloze boodschap uit het verleden of een mogelijke brenger van nieuwe boodschappen, terwijl het draagvlak kan groeien als meer mensen er vertrouwd mee zouden raken. Moderne digitale middelen kunnen daarbij een rol spelen, of dat willen de betrokkenen in elk geval onderzoeken.

Mendelssohn is overigens natuurlijk een interessante keuze. Een beetje Biedermeier, maar hij belichaamt ook de volmaakte eenheid in de klassieke traditie, voordat Berlioz en daarna Wagner twijfel begonnen zaaien. Maar zowel Wagner als diens antipode Brahms waren het eens over de genialiteit van Mendelssohn. En Hamel is bewonderaar van Mendelssohn. Stefan Sanders, die Hamel voor een Holland Festival podcast interviewde, trouwens ook; zie bijgaande link.

De voorstelling begon onder de noemer ‘Hoofdluisteren’ met een overzicht van elementen die de meeste muziek, zoals die van Mendelssohn maar ook de meeste andere vormen van muziek bevatten en waarop je bij het luisteren kunt letten: melodie, ritme, harmonie, timbre. Hierbij speelde de Philharmonie Zuidnederland, onder Bas Wiegers, van elk element een voorbeeld, terwijl het achterdoek blauw kleurde, de kleur van ‘Hoofdluisteren’.

In de volgende etappe, ‘Hartluisteren’, met rood achterdoek, werd onderzocht welke gevoelens muziek kan opwekken, en of je die toch kunt benoemen. Het orkest speelde passages uit Mendelssohns Italiaanse symfonie, en werd het publiek gevraagd via de mobiele telefoon te kiezen tussen afbeeldingen op het achterdoek welke het beste bij de passage paste, bijvoorbeeld tussen een alpenweide of een vertrek uit een 18eeeuws paleis, een zonnige moderne stad of een ezel (wie zou voor de ezel hebben gestemd? ik! vanwege de associatie met Mendelssohn en Midsummer Night’s Dream) en een vrouw in wit gewaad of een autoweg maar wel een die zich mooi door een landschap kronkelde. Ik moest wél denken aan de luchtbeelden uit de opening van Haneke’s Funny Games waarin 18e en 19e-eeuwse klassieke muziek een rol speelt, voordat metal-geluid van John Zorn de idylle komt verstoren, zoals de film de romantische idylle van de intellectuele bourgeoisie-familie als veilige omgeving onderuit haalt.

‘Lijfluisteren’ gaat over hoe je muziek fysiek ervaart. Hiertoe trokken de toeschouwers een witte hansop aan en namen plaats in een groengekleurd lusthof vlak voor het orkest, met een elementen waarmee mensen ontspanning of vermaak zoeken: schommelstoelen, speeltuinmeubilair, maar ook wc-potten en een doodskist. Ik mocht plaats nemen op een massagebed met dildo en condooms binnen handbereik en op groen kunstgras dat een zonneweide verbeeldde, met groene longdrinks bij de hand.

Er is nog een vierde stap in het luisteren, namelijk ‘elastisch luisteren’, een combinatie van de zojuist genoemde luisterwijzen.  Die werd geoefend aan de hand van een fraai nieuw orkeststuk van Bram Kortekaas terwijl de genoemde corresponderende kleuren op het achterdoek werden geprojecteerd, met een cocktail van deze kleuren als aanduiding voor elastisch luisteren. Het idee was waarschijnlijk onbevooroordeeld te kunnen luisteren naar een stuk dat zowel voor regulier als debuterend concertpubliek nieuw was; zij het dat het idioom – tonaal, een beetje impressionistisch, een beetje laten we zeggen Vermeulen-achtig – al wel vertrouwd was voor de klassiek geschoolde luisteraar, maar dat kan bij een nieuw werk ook afleidend werken.

Zou het ook interessant zijn geweest om de ideeën te testen aan de hand van muziek uit de tijd waarin de scheiding tussen traditioneel en niet-elitair maar wel mondiger massa’s zich steeds duidelijker aftekende? De tijd ook waarin het idee van ‘verheffing des volks’ door cultuur gestalte kreeg, dus de eerste decennia van de vorige eeuw. En dan óf in principe toegankelijke muziek, Ravels Daphnis et Chloé of Debussy’s La Mer, óf juist werk waar ook veel klassiek publiek moeite mee heeft, Schönbergs Erwartung of een pianoconcert van Bartók, en waarvoor andere oren misschien juist open staan.

Niet alleen muziek beluisteren, maar ook luisteren in het algemeen was onderdeel van het onderzoek. Zo was er een betoog over basale regels voor een luisterend gesprek, door de – geweldige – ceremoniemeester, actrice Lidewij Mahler; de hele cursus empathische vragen stellen uit mijn medicijnenstudie passeerde voor mijn geest.

Vervolgens werd de toeschouwers gevraagd, via de eigen smartphone, een computerspel te spelen waarin luisteren naar redeneringen werd getest. In een Alice in Wonderland-achtige setting moesten we ene Eustachius (genoemd naar de buis van, onderdeel van ons oor) te bevrijden uit een onderaards gewelf tijdens een virtuele tocht langs allerlei fantasieschepselen die ieder voor zich iets wist over de verblijfplaats van Eustachius en de uitgang van het labyrint. Maar bijvoorbeeld een slak met eindeloze verhalen moest je ook netjes, maar resoluut leren afwimpelen.

Het laatste onderdeel bracht ons terug bij Mendelssohn en de klassieke muziek van de negentiende eeuw: een debatteerwedstrijd waarin vier jongeren ieder een stelling over klassieke muziek verdedigden. De eerste spreker vond dat onze aandacht voor emoties uit de tijd is en dat we aan de slag moeten om de wereld te verbeteren. “Dus nee, muziek die gemaakt is om iets bij te voelen, om navelstaarderig in jezelf te gaan zitten wroeten, daar hoeft niet zo veel tijd, geld en aandacht naar toe.” Een andere spreker wees op de helende kracht van muziek. “De meeste componisten van 1840 worden niet meer gespeeld. Mendelssohn wel. Omdat hij een universele kracht heeft. Een kracht die de tand des tijds en de waan van de dag kan doorstaan. En dat is wat we nodig hebben. Juist vandaag. Juist nu.”

Beiden werden in de eerste rondes weggestemd.  De overblijvende stellingen waren ”Geef mij Mendelssohn. Geef mij al die verschillende zoekende stemmen die zich in de 19e eeuw loszongen van de wereld zoals die was en die nog steeds klinken. Stemmen van mensen die niet langer onderworpen willen worden. Want hun zoektocht is dezelfde zoektocht van ons allemaal vandaag. De zoektocht om een vrij mens te zijn.  Stemmen die een wereld creëren waarin ik vrij rond mag lopen en mag zijn wie ik wil zijn. Mag denken wat ik wil denken en mag voelen wat ik voel.” En daartegenover: “De wereld verandert zo snel, dus moeten kunstenaars snel zijn. Stukken schrijven en weer weggooien. Nieuwe muziek maken en weer weggooien. In dialoog blijven met de tijd. Niet met vroeger. Met vandaag. Verschillende stemmen, ja, maar alsjeblieft: de stemmen van vandaag. Zit de tijd op de hielen, zodat iedereen maar dan ook echt iedereen in de zaal straks kan zeggen: ja shit man, dit gaat over mij.”

Een extra spelelement was dat als Mendelssohn zou worden weggestemd, het laatste stuk van het programma, zijn Hebriden Ouverture, voor het laatst zou klinken. Maar die middag won Mendelssohn.  Zij het met niet een grote voorsprong. Bij de generale, met veel kennissen van de acteurs van de Jeugdtheaterschool Zuidoost, was hij weggestemd. Dat gebeurde ook ’s avonds, zo vertelt Hamel. De luisteroefeningen hebben daar blijkbaar weinig verandering in kunnen brengen.

Ik weet niet of onderzoek met deze beperkte aantallen publiek statistisch significante waarden oplevert. Maar de uitkomsten zijn toch iets waarvan orkesten kunnen leren, vindt Micha Hamel. Rest de vraag hoe een én/én optie als vijfde stelling het er vanaf zou hebben gebracht, én klassiek én nieuwe vormen van muziek in de concertzaal?

Podcast gesprek tussen Stephan Sanders en Micha Hamel:

https://open.spotify.com/episode/3s9832pfoKDjAktiqCENXY?si=WsU7fhwET6Cg_QtWjBu5mg&dl_branch=1

Zoom-interview met Micha Hamel:

Mendelssohn Ouverture Die Hebriden onder Claudio Abbado, met landschapsbeelden:

Openingsscène Funny Games:

artistiek concept::
Micha Hamel, Arlon Luijten
regie:
Arlon Luijten
muziek:
Bram Kortekaas, Felix Mendelssohn 
tekst:
Daniël van Klaveren 
games:
Arlon Luijten, Annebeth Erdbrink, Rens Kortmann, Micha Hamel, Janna Michael
actrice 
Lidewij Mahler 
dirigent:
Bas Wiegers
Uitvoering:
philharmonie zuidnederland, studenten: Willem de Kooning Academie, Codarts Rotterdam, Jeugdtheaterschool Zuidoost

Foto’s: Ada Nieuwendijk.

Tijd, dood en leven in de opera Time van Ryuichi Sakamoto.

Tekst: Neil van der Linden

De opera opent met een in het zwart geklede bespeelster van de sho, een Japans mondorgel. Langzaam schrijdt ze door een zwart iets, zo langzaam dat eerst niet is te zien dat het water is. Dan komt een in een donkere sjofele mantel geklede oude man op. Hij speelt twee verhalen door elkaar heen, het ene een magisch-realistisch verhaal van de befaamde Japanse schrijver Soseki Natsume uit 1908, het andere een tekst uit een Japans klassiek No-theaterstuk uit de derde eeuw voor Christus.

Ze worden verteld in het Japans en op een meters breed videoscherm achter het waterbassin wordt de Engelse vertaling geprojecteerd in gestileerde, overvloeiende letters, een visueel kunst werk op zich. De verhalen worden met spaarzame middelen uitgebeeld. In het ene, dat van Soseki Natsume, dat zich aan de linkerkant van het toneel afspeelt, is de man aanwezig bij de dood van een vrouw. De vrouw ligt helder wit gekleed bewegingloos op de grond. Is het de sho-speelster van daarnet? (NB Het is een pop, maar de gestalte lijkt op die van de sho-speelster.) De man krijgt te horen dat hij haar moet begraven, maar als hij honderd jaar wacht bij het graf zij weer bij hem zal terugkeren.

In het andere verhaal, aan de rechterkant van het toneel, gebaseerd op de No-theatertekst, is een man, dezelfde acteur, op reis en besluit de nacht door te brengen in een herberg. Daar krijgt hij van de herbergierster een hoofdkussen met spirituele eigenschappen. Hij legt zich te ruste. Hij krijgt te horen dat de koning hem als troonopvolger heeft aangewezen. Duizend jaar koningschap en een leven van roem en vertier kondigen zich aan.

De muziek bestaat uit spaarzame elektronische klanken, een dun uitgesmeerde versie van wat bekend is van Sakamoto’s filmmuziek, al van jaren her, en gedeeltelijk ontleend aan de ijle klanken van zijn laatste CD Async. Soms gaat het alleen om het geluid als van regendruppels, terwijl op het achterdoek beelden van vallende regendruppels te zien zijn, afgewisseld met beelden van weelderige tuinen, dichtbegroeide bossen, de herberg en schuimende golven.

De twee verhalen vloeien geregeld samen. In het ‘herberg’-verhaal aan de rechterkant, het verhaal dat zich het meest in de wereldlijke realiteit afspeelt, maakt de man stenen van modder en probeert daarmee een brug door het water naar de overkant te leggen. Een aan een draad hangende rondtollende camera filmt de man van bovenaf;  op het achterdoek verschijnen draaiende beelden van zijn noest gegraaf; maar de brug komt niet af – en staat het ook het feit dat hij telkens na het aanbrengen van de volgende steen weer terug waadt door het water voor de futiliteit van ons aardse gezwoeg? (Ik moest denken aan: ‘In het zweet uws aanschijns’ zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’ – Genesis 3:19)

En kwamen hier de twee verhalen weer even bij elkaar? Het eerdere graven van het graf van man 1 en de industriële pogingen van man 2 om de aarde weer open te graven?

Man 1 in het verhaal over het honderd jaar wachten, wacht en wacht. De eerste vijftig jaar vallen hem verbazingwekkend gemakkelijk, maar geleidelijk aan bekruipt de twijfel hem en vraagt hij zich af of de vrouw zich niet had vergist, of hem zelfs had voorgelogen.

Man 2 is intussen aanbeland in het vijftigste jaar van zijn koningschap. Dan komt de herbergierster hem wekken; zijn avondmaaltijd is klaar – gekookte gierst, niet een koningsmaal. Een heel aards bestaan leek zich te hebben afgespeeld in een droom die zo lang duurde als tijd die het kost een armenmaal te bereiden. Of is, zoals de duidelijk voor de hand liggende vraag luidt, ons aards bestaan niet inderdaad weinig anders dan een kosmische vingerknip, een knipperen van het eeuwig oog, of nog minder.

Ongetwijfeld bedoelt Sakamoto, nu 69 en ernstig ziek (zo ziek dat hij niet als Holland Festival-associate artist, bij de wereldpremière van deze voorstelling hier in Amsterdam aanwezig kon zijn) hiermee ook terug te blikken op zijn eigen leven, dat zich inderdaad in een fractie van tijdseenheden lijkt te hebben afgespeeld, zoals ik mij als de dag van gisteren herinner dat ik de Japanse persing van een LP van zijn Yellow Magic Orchestra op de platenspeler legde, en hem als acteur zag in de film Merry Christmas Mr Lawrence, met wijlen David Bowie; wat is er intussen gebeurd?

Maar het verhaal van man 1, de wachtende man aan de linkerkant, was nog niet klaar. Hij had misschien de hoop opgegeven, maar op zeker moment ontdekt hij op de plek van het graf een groene knop, waaruit een witte lelie opbloeit.

De sho-speelster keert terug en speelt weer een melodie. Was zij inderdaad ook de vrouw in het wit, die nu weer tot leven is gekomen? Is zij de kunst, die overleeft?

Aan het einde waadt de man, die nu zowel het verhaal aan de rechter als de linkerkant besluit, naar het midden van de watervlakte. Een stortbui valt neer vanaf het gewelf van de gashouderruimte, de man kijkt ons aan, en dat is het einde.

Sakamoto: ‘We leven en we sterven, en daarna wordt ons lichaam onderdeel van een volgend leven. Dat is samsara, de levenscyclus van wezens op deze planeet.’

muziek, concept

Ryuichi Sakamoto

visual design, concept
Shiro Takatani

danser
Min Tanaka

shō
Mayumi Miyata

Een impressie:

Ryuichi Sakamoto Async:

Gezien 20 juni in de Gashouder, Westergas, Holland Festival, Amsterdam.

Time is nog online te zien via de website van het Holland Festival.

Foto’s Sanne Peper.

Alpine tales and metal: Kindertotenlieder by Gisèle Vienne and KTL in the Holland Festival.

Text: Neil van der Linden

“Thank you for coming to this memorial concert for my friend, and I want to thank one of this favourite bands for agreeing to play here today. He was my friend since we were 2 years old, and I knew he would have…” (voice cut). These are the words of one of the characters on stage, Jonathan, commemorating the death of his friend. Whom he supposedly killed, we are about to learn.

On stage is a group of people in a snowy landscape, some of them are children. In one corner of the scene there is a coffin, with the lid open. Slow movements, slowly evolving electronic sounds. But after a while one of the people runs to two of the children in front and makes movements as if killing them. Kindertotenlieder is the title. Killing children and snow, I had to think of Brueghel’s The Massacre of the Innocents; I will come back to that later.
The children figures turn out to be stuffed puppets; I will come back to that later too.

A guitarist starts to play growling loud slowly progressing chords, style ‘black metal’. The audience has been given earplugs.
The actors keep on moving slowly to a virtual point on the left of stage where rays of light are shining from.
The killer gets killed by another character.
After a while the former rises again and grabs another character, takes off his clothes and stammers texts about raping him, and then kills him. Spoken text suggests that that was the person who was probably murdered by Jonathan.

The group keeps moving to the light, so slow some seem like puppets. After a while we notice that some did not move at all: they are puppets.
Another actor grabs some of the other figures, the puppets, and stacks them up together.

More snow is falling. Heaps and heaps of snow. Everybody still alive now has their winter coats fully buttoned up, except for the naked rape and murder victim, still lying on stage. It turns out that the young boy who was killed by his best friend has returned as a ghost during his funeral, and the story started from there.

Kindertotenlieder is a performance from 2007 by Gisèle Vienne, who along with Japanese composer and actor Ryuichi Sakamoto is associate artist of this year’s Holland Festival.

The two musicians on stage, Stephen O’Malley on guitar and Peter Rehberg on electronic equipment, work together under the name KTL (KinderTotenLieder!, I assume) since they participated for the first performances in 2007. In the storyline the murdered boy’s favourite music was KTL. Their style,, ‘Black metal’, is often associated with satanism and ‘doom’cults.

Another cult that plays a role in the performance is the German and Austrian Alpine rite of the Perchten. Gisèle Vienne is partly Austrian. At some point in the wintery landscape on stage two tall figures appear, dressed as ‘Perchten’. Perchta (English: Bertha) was a pagan goddess in the German and Austrian Alps. She lived on since the arrival of Christianity, entering village homes during the twelve days between Christmas and Epiphany, especially on the Twelfth Night. She knows whether children and young servants have behaved well and worked hard. If not, she would slit their bellies open, and stuff them with straw and pebbles. There you have it, child murder and stuffed puppets, two of the elements we see on stage.
For centuries after paganism disappeared boys would roam villages wearing animal masks, the midwinter Perchten feasts that still exist in the region, intended to chase out winter.

Maybe the title of the performance is derived from (Austrian composer) Gustav Mahler’s Kindertotenlieder, in which the composer reflects on the death of children; to which Mahler and the poet of the texts Friedrich Rückert were no strangers, Mahler having lost eight of his siblings and later a daughter and Rückert two children.

It occurred to me that the idea of child murder in combination with midwinter also can be associated with the ‘celebration’ of Mary and Joseph bringing the newborn Jesus to safety from the troops of King Herod;  as pictured by Brueghel the Elder in his Massacre of the Innocents. When King Herod had learned from The Three Wise Men from the East that stars had taught them that the future king of Jews was born in Bethlehem, he ordered all newborn males of Bethlehem to be killed. Mary and Joseph fled in time after being warned by an angel, and fled to Egypt.  (All other babies were killed; thank You, God.) Brueghel the Elder’s painting, set in a snow-covered landscape, was in fact an allegory on the cruelty on the Spanish occupation troops fighting the Netherlands’ independence movement. Here comes another Austrian link, as what was considered to be the original version of the painting is in the Kunsthistorisches Museum, Vienna. (It is now thought to be a copy by Pieter Brueghel the Younger. But as other authorised versions have been censored for its cruelty, this one shows the original cruel details of the mass-murder as conceived by Brueghel the Elder.

Vienne and Sakomoto are the festival’s associate artists. Partly due to COVID19 and unfortunately because Sakamoto is ill, a full collaboration between the two could not materialise It is possible to envisage why the two artists might have been attracted to each other’s work, with both’ interest in atmospheric music and immersive visual art.

Meanwhile, that the Holland Festival could happen at all including complex productions like Kindertotenlieder and Sakamoto’s opera Time is yet a miracle


Concept and choreography: Gisèle Vienne, dramaturgy and texts by Dennis Cooper, music by KTL: Stephen F. O’Malley and Peter Rehberg.

Zuiveringshal West, Westergas, June 19th 2021, as part of the Holland Festival

Photos by Antoine Masure and Mathilde Darel