Joodse muziek

JASCHA NEMTSOV en de Joodse muziek

Jascha Nemtsov - Pianist

Jascha Nemtsov © Susanne Krauss

Het was Nikolaj Rimski-Korsakoff, die in St. Petersburg aan het begin van de vorige eeuw zijn Joodse leerlingen aanspoorde om wat meer interesse te tonen voor hun nationale cultuur. Het was niet tegen dovemansoren gezegd: men begon met het verzamelen van synagogale- en volksmuziek, en algauw verwerkten zij het in hun eigen composities. Zo ontstond het Gezelschap  voor de Joodse Muziek, dat in 1929 door Stalin werd verboden. Sommige van de componisten werden naar de kampen verbannen, enkelen is het gelukt om te emigreren, maar allen werden vergeten.

De hernieuwde belangstelling voor hun muziek is voornamelijk te danken aan de pianist Jascha Nemtsov, één van de grootste ambassadeurs van de Joodse muziek.

Jewish

Op de cd getiteld Jewish Chamber Music treffen wij werken aan van componisten, die tot deze Joodse School behoorden, aangevuld met één van de beste composities van Ernest Bloch: de ‘Suite voor altviool en piano’ uit 1919.

Niet alle composities zijn van hetzelfde hoge niveau. Een echte uitschieter is voor mij  de ‘Totenlieder’ van Alexander Weprik, maar de hele cd is zeer de moeite waard, niet in de laatste plaats vanwege de voortreffelijke uitvoering.

De altvioliste Tabea Zimmerman weet een prachtige toon aan haar instrument te ontlokken: laag, warm en zangerig maar het is de pianist die duidelijk aan het roer staat.

Hieronder: Tabea Zimmermann en Jascha Nemtsov spelen ‘Ornaments – 3 Songs without Words, op. 42 van Alexander Krein:

 


Alexander Weprik, Alexander Krejn, Michail Gnesin,  Grigorij Gamburg, Ernest Bloch
Jewish Chamber Music
Tabea Zimmermann (altviool), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler CD93008

 

Jewish songs

Kent u Abraham Krejn, een klezmer-muzikant en zijn zeven kinderen? De Joodse Bachs werden ze genoemd en daar zit iets in, al klinkt de vergelijking u vreemd in de oren. Zeker, omdat de kans groot is dat u de naam nooit eerder hebt gehoord. Daar bent u trouwens niet alleen in.

Alle zeven kinderen Krejn zijn de muziek ingegaan. Het beroemdst werden broers Alexander en Grigori, beiden actieve leden van het Gezelschap voor de Joodse Muziek.

De meest originele composities op Jewish Songs Without Words zijn van de hand van Grigori Krejn. Op basis van synagogale gezangen schiep hij een eigen wereld, vol weemoedige verlangens.

De ‘Three Hebrew songs without words’ van Grigori’s dertienjarige zoon Julian verraden niet alleen een bijzonder talent, maar ook de invloeden van Berg en Debussy.

Simeon Bellinson, één van de beroemdste klarinettisten van zijn tijd, werkte ook als componist en arrangeur. Voor zijn Suite bewerkte hij de oorspronkelijke composities van Grzegorz Fitelberg, Jacob Weinberg en Boris Levenson.

De klarinettist Wolfgang Meyer is een voortreffelijke musicus, maar zijn toon had voor mij wat warmer mogen klinken.

Bijna alle composities op deze cd beleven hier hun wereldpremière. Het zijn fascinerende werken, een reminiscentie van de wereld die onherroepelijk verloren is gegaan. Jewish Songs Without Words is de vierde cd in een reeks, die Jascha Nemtsov voor Hånssler maakte en zoals altijd is zijn vertolking niet alleen onberispelijk maar ook hartverwarmend.


Grigori Krejn, Julian Krejn, Israel Brandman, Simeon Bellinson
Jewish Songs Without Words
Wolfgang Meyer (klarinet), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler Classic CD 93.094

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

JOSEPH ACHRON. Muziek om verliefd op te worden

 

 

D’OR ET LUMIÈRE / אור וזהב

D'or et de Lumière

 “Op hun concerten nodigt Le Baroque Nomade het publiek uit om samen mee te reizen door de tijd en de ruimte. In de traditie van de rondtrekkende muzikanten herstelt het ensemble de culturele en historische verbanden tussen het Europese repertoire en muzikale tradities van elders: Chinees, Indisch, Ethiopisch en Turks  […]”

Aan het woord is Jean-Christophe Frisch, fluitist en oprichter van de Franse groep Le Baroque Nomade. De groep bestaat al meer dan twintig jaar en heeft in die tijd evenzoveel cd’s uitgebracht, maar op de een of andere manier zijn ze niet alleen aan mijn, maar ook aan de Joodse mainstreammedia’s aandacht ontsnapt.

Op hun nieuwste cd Or vezahav (Licht en goud) verzamelden ze verschillende volksliedjes en gezangen die betrekking hebben op de Joodse Feestdagen, vanaf  Rosh Hashana (Joods Nieuwjaar) tot en met Pesach.

De cd opent – vanzelfsprekend eigenlijk – met ‘Avinu Malkenu’, oftewel Onze Vader. Het gebed maakt deel van de synagogale liturgie en wordt traditioneel gezongen op Rosh Hashana en Yom Kipur (Grote Verzoendag).

Naast de, voornamelijk in het Ladino gezongen volksliedjes heeft Le Baroque Nomade ook stukken opgenomen van componisten uit het begin van de achttiende eeuw. De meeste fragmenten komen uit Dio, Clemenza e Rigore, een verloren gewaand oratorium uit 1733 van een onbekende componist, in wie Fritsch Giuseppe Lidarti meent te herkennen.

Het oratorium werd besteld door de Joodse gemeenschap van het plaatsje Casale Monferrato en werd pas in de twintigste eeuw in Moskou teruggevonden. Of wij veel hebben gemist is moeilijk te zeggen, daarvoor zijn de stukken te fragmentarisch.

De uitvoering vind ik niet meer dan matig. Er wordt wel met veel passie gemusiceerd, maar alles klinkt behoorlijk amateuristisch en niet altijd zuiver. Alsof de revolutie in en de ontwikkeling van het op authentieke instrumenten musiceren nooit had plaats gevonden.

Daar de groep opgericht werd door de fluitist Jean-Christophe Frisch, concentreert het zich vanzelfsprekend rond het instrument (de instrumenten?) van de oprichter en dat vind ik jammer. Een niet helemaal zuiver klinkende blokfluit is niet bepaald prettig om naar te luisteren.

Ook de sopraan Cyrille Gerstenhaber vind ik niet altijd aangenaam klinken. Voornamelijk in de volksliedjes vind ik haar zang behoorlijk gekunsteld en niet “losjes” genoeg. In de klassieke stukken is zij beter op haar plaats.

Het tekstboekje klopt ook niet helemaal: niet alle data’s en namen worden correct weergegeven. Onder andere lezen we dat alle arrangementen werden gemaakt door Josef Mijnapfel, die zou leven van 1553 tot 1821. Iets wat volgens mij fysiek onmogelijk is.


Or Zahav
D’Or de Lumiére
XVIII-21
La Baroque Nomade
Music for celebrations

Cyrille Gerstenhaber
Jean-Christophe Frisch
Harmondia Mundi EVCD029 • 68’

SEIN LIED WIRD NICHT VERSTUMMEN *

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum Utrecht, Holland

Eine Gewissensfrage: Gibt es so etwas wie – Jüdische Musik -?
Wenn ja: Was ist das? Ist es Klezmer? Chassidischer Nigunim? Spanische Romanceros, jiddische Lieder, die synagogalen Gesänge, die Psalmen?
Und: Kann klassische Musik jüdisch sein? Liegt es am Komponisten? Ist die Musik jüdisch, wenn der Komponist jüdisch ist? Oder liegt es an den von ihm/ihr verwendeten Themen?

Eine kleine Spurensuche:

Musik spielte eine wichtige Rolle im Leben der alten Hebräer. Genau wie die meisten östlichen Völker waren sie sehr musikalisch. Musik, Tanz und Gesang waren für sie sehr wichtig: sowohl im täglichen Leben als auch in den synagogalen Diensten. Man bespielte auch verschiedene Instrumente: So nahm eine der Frauen von Salomon mehr als tausend verschiedene Musikinstrumente aus Ägypten mit.

Nach der Zerstörung des Tempels verschwanden – bis auf die Schofar – alle Instrumente aus den Synagogen und kehrten erst im XIX Jh. zurück.

Es existiert leider wenig geschriebene Musik von vor 1700. Jedoch wird 1917 das bis heute älteste, bekannte Musikmanuskript gefunden – es datiert aus ± 1100.

                                               KOL NIDRE

 

631d9-kol2bnidrei

 

Das bekannteste Gebet aus der jüdischen Lithurgie ist unzweifelhaft Kol Nidre: Bitte um Vergebung und um Nichtigkeitserklärung aller Gelöbnisse gegenüber Gott und sich selbst, die man während des abgelaufenen Jahres auf sich genommen hat.

Das Gebet soll noch vor der Verwüstung des Tempels entstanden sein, aber es bestehen auch Legenden, die den Ursprung des Gebets in die Hände der Marranen legen (spanische Juden, die sich unter dem Zwang der Inquisition zum katholischen Glauben bekehrten, aber im Herzen Juden blieben). So wurde um Vergebung gebeten für die unter Zwang gemachten Gelöbnisse.

Sicher ist, dass Rabbi Jehuda Gaon schon in 720 das Kol Nidre in seiner Synagoge in Sura einführte. Es ist auch ein Fakt, dass die Melodie, wie wir sie kennen, einige Verwandtschaft zeigt mit einem bekannten katalanischen Lied. Im Laufe der Jahre wird es durch verschiedene Vorsänger bearbeitet, die bekannteste Version stammt aus 1871 und ist von Abraham Baer.

Die Melodie wurde eine Inspirationsquelle für viele Komponisten: Das bekannteste ist das Werk für Cello und Orchester von Max Bruch.

 

 

Die Motive von Kol Nidre finden wir auch in der Symphonie von Paul Dessau und im fünften Teil des Streichquartetts op. 131 von Ludwig van Beethoven. Und dann dürfen wir auch das „Kol Nidre“ von Arnold Schönberg für Sprechstimme, Chor und Orchester nicht vergessen. Er komponierte es im Jahr 1939, im Auftrag einer jüdischen Organisation.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-1938

 

                                                     EINFLÜSSE


Jüdische Volksmusik ist nicht unter einen Nenner zu bringen und kennt eine Vielzahl von Traditionen: Nach ihrer Zerstreuung landeten die Juden in verschiedenen Teilen Europas, Asien und Afrika.

Die größte Entwicklung der eigenen Kultur manifestierte sich, merkwürdig genug, in den Zentren, wo Juden die wenigsten Freiheiten hatten. Jüdische Volksmusik war daher eigentlich Musik des Ghettos. Dort wo Juden einigermaßen in Freiheit lebten, „verwischte“ sich ihr eigenes „Ich“.

In den Ländern rundum das Mittelmeer wohnten die sogenannten Sephardim (von Sfarad, hebräisch für Spanien). Ihre Romanceros sangen sie in Ladino, eine Art geschundenes Spanisch. Nach ihrer Vertreibung aus Spanien und später aus Portugal wurden sie beeinflusst durch die Musik ihres neuen Gastlandes.

“Por Que Llorax Blanca Nina”(Sephardisches Lied aus Sarajevo) Jordi Savall, Montserrat Figueras:

In Ländern wie Polen und Russland lebten Juden in fortwährender Angst vor Verfolgungen, die nicht selten in Pogromen ausarteten. Als eine Art „Gegenreaktion“ entstand der Chassidismus, eine Bewegung, die auf Mystizismus, Spiritualität und magischen Doktrinen basierte. Er verkündete die Lebensfreude, eine Art Glückseligkeit, die durch Mittel von Musik, Tanz und Gesang erreicht werden konnte. Alleine so konnte der direkte Kontakt mit Gott erreicht werden. Chassidische Musik wurde stark beeinflusst durch polnische, russische und ukrainische Folklore. Später auch die Musik von Vaudevilles und Walzer von Strauss. Der Charakter dieser Werke blieb jedoch jüdisch.

 Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

Auf ihre Weise haben die chassidischen Melodien enormen Einfluss auf klassische Komponisten gehabt: Denken Sie nur alle an Baal Shem von Ernest Bloch oder Trois Chansons Hebraiques von Ravel.

                                               JOSEPH ACHRON

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schönberg sagte einmal über ihn, dass er der meist unterschätzte, unter den zeitgenössischen Komponisten war. Er rühmte seine Originalität und war sich sicher, dass seine Musik einen absoluten Ewigkeitswert hat.

Der bewanderte Violinenliebhaber kennt unzweifelhaft seine Hebrew Melody: eine sehr beliebte Zugabe aus dem Repertoire von so manchem Violinisten, beginnend mit Heifetz. Das Werk ist inspiriert von einem Thema, das Achron einst in einer Synagoge in Warschau hörte, als er noch ein kleiner Junge war. Er schrieb es 1911, es war eine seiner ersten Kompositionen und zugleich seine Form von „Farbe zu bekennen“: Er wurde Mitglied der Vereinigung für jüdische Musik.

Seine Laufbahn als Komponist begann jedoch erst spät in den 20er Jahren. In St. Petersburg schloss er sich den Komponisten, die vereinigt waren in der „Neuen Jüdischen Schule“, an.

1924 reiste er einige Monate nach Palästina, wo er nicht nur auftrat, sondern auch alle Volksmusik sammelte, die er antraf. Die Notizen, die er sich machte, wurden später in seinen Kompositionen verarbeitet. So findet man in seinem Violinenkonzert op. 30 einzelne jemenitische Themen. In den 30er Jahren flüchtete er, genau wie Schönberg, Korngold und viele andere jüdische Komponisten aus Europa nach Hollywood, wo er 1943 verstarb.

Josef Hassid spielt Jewish Melody von Achron:

 

                                               EIN EIGENER JÜDISCHER SOUND

Schon gegen Ende des 19. Jh. entstand in Petersburg (und später auch in Moskau) eine „Jüdische nationale Schule für Musik“. Die darin vereinigten Komponisten waren bestrebt Musik zu komponieren, getreu ihren jüdischen Wurzeln.

Außer Joseph Achron waren die wichtigsten Vertreter davon Michail Gnessin und Alexandr Krein. Ihre Musik war verankert in den jüdischen Traditionen von vorwiegend einer chassidischen „Nigun“ (Melodie).

Die Bewegung blieb nicht beschränkt auf Russland, denken Sie an den Schweizer Ernest Bloch und den Italiener Mario Castelnuovo-Tedesco, die auf der Suche nach ihren „Wurzeln“ einen vollkommen eigenen „jüdischen Stil des Komponierens“ entwickelt haben.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogale Gesänge formten die Inspirationsquelle für u. a. Sacred Service von Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve von Castelnuovo-Tedesco Service Sacré pour le samedi matin von Darius Milhaud und The Song of Songs von Lucas Foss.

Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


 

Mario Castelnuovo-Tedesco griff auch nach der alten hebräischen Poesie des Dichters Moses-Ibn-Ezra, die er für seinen Liederzyklus The Divan of Moses Ibn Ezra verwendete:


 

In den USA war es Leonard Bernstein, der sehr bewusst jüdische Themen in seiner Musik anwendete. (Symphonie Nr. 3, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy):

 

Weniger bekannt sind Paul Schoenfield und sein prächtiges Altviolinenkonzert King David dancing before the ark. Und Marvin David Levy, der in seiner Kantate ’Canto de los Marranos’ sephardische Motive verwendete:

 

Der Argentinier Osvaldo Golijov (1960, La Plata) weiß in seinen sowohl klassischen als auch in Filmkompositionen, jüdische lithurgische Musik und Klezmer mit den Tangos von Astor Piazzolla zu kombinieren. Er arbeitet oft mit dem Klarinettisten David Krakauer und für das Kronos Quartett hat er ein sehr intrigierendes Werk ‘The Dreams and Prayers of Isaac the Blind’ komponiert:


 

                                               DMITRI SCHOSTAKOWITSCH

shosty

Was für Gründe der nicht jüdische Sjostakowitsj hatte, um jüdische Elemente in seiner Musik zu verwenden, ist nicht komplett deutlich, aber es brachte in jedem Fall prächtige Musik hervor. Sein Piano trio op. 67 schrieb er schon 1944. Bei der ersten Aufführung davon, musste der letzte, der “Jüdische Teil” wiederholt werden. Es war zugleich das letze Mal, dass es während des Stalinismus gespielt wurde.

1pT28

1948 komponierte er einen Liederzyklus für Sopran, Mezzosopran und Tenor „Aus der jüdischen Volkspoesie“ – inzwischen schon viele Male aufgenommen und (zurecht!) sehr geliebt.

Alte Melodia Aufnahme des Zyklus:

1962 komponierte er die 13. Symphonie die Babi Jar, auf der Grundlage eines Gedichts von Jewgeni Alexandrowitsch Jewtuschenko. Babi Jar ist der Name einer Schlucht in Kiew. 1941 wurden dort durch die Nazis mehr als 100.000 Juden ermordet:


 

1990 wurde die Stiftung The Milken Archive of American Jewish Music gegründet, um alle Schätze der jüdischen Musik, entstanden im Laufe der amerikanischen Geschichte, aufzunehmen. Das Archiv besteht inzwischen aus (unter anderem) mehr als 700 aufgenommenen Musikwerken, verteilt auf 20 Themen. Die CDs werden weltweit vertrieben durch ein Budgetlabel Naxos. Niemand, der an jüdischer Musik interessiert ist (und an deren Geschichte), kommt daran vorbei.

* Dieser Satz steht auf dem Erinnerungsstein, der auf dem Friedhof Muiderberg aufgestellt wurde, zum Gedenken an den durch die Nazis ermordeten Dirigenten Sam Englander und seinen Amsterdamer jüdischen Chor der großen Synagoge.

Deutsche übersetzung: Beate Heithausen

Originele artikel in het Nederlands:
ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 

 

 

 

 

 

ANNELIES

annelies

Hebben wij behoefte aan nog meer Anne Frank? Het is een moeilijke en pijnlijke vraag. Want: wanneer mag men ophouden met herdenken?Mag het, überhaupt?

Anne Frank is een symbool. Zij mocht niet volwassen worden, haar dood heeft van haar een eeuwig kind gemaakt. Maar hoe herdenk je een symbool? Welke muziektaal is passend? En nog iets: kun je en mag je tegen een symbool vechten? Ik geef toe. Ik weet het niet.

De muziek van James Whitbourn (jaargang 1963) heeft een hoge Schindler’s List gehalte vermengd met de polyfonie van Allegri’s Miserere. Met natuurlijk her en der wat Joodse thema’s. Kurt Weill komt ook om de hoek kijken.

Het geheel doet een beetje rommelig aan. Te veel stijlen, te veel mixen, wellicht te veel willen zeggen? Zou het anders moeten? Kunnen? En alweer weet ik het niet.

De cd vermeldt dat het om een kamermuziekversie gaat, dus er is blijkbaar ook een versie voor een orkest.

Het Lincoln Trio speelt echt mooi (de pianiste, Marta Aznavoorian is een echte ontdekking!), de klarinettist is goed en ook het koor is goed.

De partij van Anne ligt in de stembanden van de sopraan Arianna Zukerman. Mooi en ontroerend weet zij de gestalte van een jong meisje weer te geven.


 

JAMES WHITBOURN
Annelies
Arianna Zukerman (sopraan), Westminster Williamson Voices, The Lincoln Trio, Bharat Chandra (klarinet) olv James Jordan
Naxos 8573070 • 70’

La Juive in Tel Aviv 2010

juive-opera

Israeli Opera in Tel Aviv

Geen tijd gehad om te eten vóór de opera? Geen nood, althans niet als je een voorstelling bezoekt bij de Israeli Opera in Tel Aviv. In de enorme foyer beneden zijn er minstens vijftig stands met voedsel en elke verdieping telt er ook nog eens tientallen. Men kan zich laven aan werkelijk alles wat de goede aarde (en de kok) te bieden heeft: sushi, sashimi, pasta’s, pizza’s, gegrilde zalm, sandwiches, salades, fruit, taarten, cakes, chocolade …. Zoals een Joods spreekwoord zegt: “They tried to killed us, we survived, let’s eat”.

Het voor elke prijs overleven, ook (of misschien voornamelijk?) om zich daarna op je belagers te kunnen wreken – daar gaat het, onder andere, in La Juive van Halévy over. Zeker in de productie van David Pountney, twee jaar eerder in Zürich voor het eerst uitgevoerd.

juive-halevy

Jacques Fromental Halevy

Eleazar is geen aimabele man. Gelijk Shakespeare’s Shylock is hij weerzin- en meelijwekkend tegelijk. Hij is vervuld met wrok en zint op vergelding waarvoor hij bereid is alles op te offeren, ook datgene wat hij het meeste liefheeft. Maar is hij altijd zo geweest, of zijn het omstandigheden die hem zo hebben gemaakt? Bovendien kent ook hij zijn twijfels – in zijn grote aria vraagt hij zich (en God) oprecht af of hij goed heeft gehandeld.

Poutney heeft de actie naar de negentiende-eeuwse Frankrijk verhuisd, ten tijden van het Dreyfuss-affaire, en daar is hij zeer consequent in. De productie is zeer realistisch, met overweldigende decors en kostuums. Op de bühne staat een soort draaiende poppenkast, met daarin de kathedraal, de werkplaats van Eleazar, slaapvertrekken van Eudoxie, de gevangenis en de straat met het gepeupel. Zo nodig worden de scènes uitvergroot, waardoor er meer nadruk op details kan worden gelegd.

juive-scene

foto: Yossi Zwecker

Iedere scène begint achter een doorzichtig gordijn, dat als een soort sluier het beeld wazig en daardoor een beetje onwezenlijk maakt. Na een paar minuten wordt het gordijntje opgehesen en het beeld wordt niet alleen helder, maar het doet ook pijn aan je ogen.  Goed bedacht.

Het ballet (choreografie Renato Zanella) maakt een wezenlijk deel van het verhaal. Op een zeer realistische (en zeer logische) manier wordt een verhaal verteld van vervolgingen en intolerantie en er wordt een link gelegd tussen de duivel en de Jood. Duivel is Joods, duivel uitdrijven betekent Joden vernietigen. Het is slikken voor het Israëlische publiek, men heeft hier tenslotte het nodige aan den lijve ondervonden.

Dat de première plaats vond een dag na Yom Hashoa (Holocaust Day), maakt het allemaal nog ingewikkelder. De emoties zijn dan niet alleen voelbaar maar ook zichtbaar. Laten we zeggen: het is een belevenis om de opera juist hier te zien.

Er waren maar liefst 10 voorstellingen, men werkte met een dubbele bezetting en voor de rol van Eleazar werden zelfs drie tenoren geëngageerd.

De première op 13 april 2010 werd gezongen door een cast waar men eigenlijk alleen maar van kan dromen.

juive

foto: Yossi Zwecker

Neil Shicoff is op dit moment waarschijnlijk de beste Eleazar ter wereld. Hij lijkt patent op die rol te hebben en is er zo mee vergroeid dat je soms vergeet dat hij Eleazar niet is. Zijn stem – licht nasaal en met een kantoraal timbre – is misschien niet de mooiste meer, maar wat hij ermee doet is buitengewoon indrukwekkend. Na zijn grote aria kreeg hij (terecht!) een kwartier durend applaus en er werd menig zakdoekje te voorschijn gehaald.

Annick Massis is geboren om Eudoxie te zingen. Moeiteloos sprankelde zij haar coloraturen alsof het niets was en haar hoogte was zuiver en beangstigend mooi.

Roberto Scandiuzzi (kardinaal Brogni) imponeerde niet alleen met zijn diepe, donkere bas, zijn hele verschijning was imposant en zijn handelen diep menselijk.

Robert McPherson beschikt over een prachtige, lichte tenor met een ‘Flórez-timbre’. Daar deed hij mooie dingen mee, maar voor de rol van Leopold was hij toch een maatje te klein.

De ster van de avond was de vertolkster van de titelrol, Marina Poplavskaya. Haar stem is behoorlijk gegroeid, ook wat donkerder geworden. De manier waarop ze de rol gestalte gaf grenst aan het onmogelijke, ook haar hele verschijning en acteervermogen zijn van een ongekende kwaliteit. Haar Rachel was bros maar ook vastberaden. Verdrietig en trots tegelijk. Niet alleen het slachtoffer maar ook een echte heldin. BRAVA!

juive-yossi-zwecker

foto: Yossi Zwecker

Het, althans in het begin, licht rommelige orkest werd kundig geleid door Daniel Oren. Dat hij een echte zangers dirigent is was duidelijk zichtbaar (en hoorbaar), hij ademde (en zong) met ze mee.

Bij de voorstelling van 16 april werd Oren verontschuldigd: hij was plotseling ziek geworden en zijn plaats werd door zijn assistent, tevens koordirigent, Yishai Steckler overgenomen. Hij was zonder meer prima maar ik miste de spanning. Het was allemaal nogal braafjes.

Ook de tweede, overigens wel zeer goede cast haalde het waanzinnig hoge niveau van de première niet. Op Leopold na, dan – Mario Zeffiri had een grotere en sterkere stem, zeer wendbaar ook. Maar als acteur moest hij in McPherson zijn meerdere erkennen.

John Uhlenhopp beschikt over een mooie, dramatische tenor, maar Eleazar was voor hem nog te vroeg, daar moet hij nog in groeien. Hetzelfde geldt Dmitry Ulyanov (kardinaal). Hij heeft een stem uit duizenden, maar is voor die rol simpelweg nog te jong. Bovendien was er tussen hem en Rachel (een werkelijk schitterende Karina Babajanyan, zij kan er ook niets aan doen dat Poplavskaya de lat zo hoog heeft gezet!) totaal geen chemie, waardoor één van de meest ontroerende scènes weinig indruk maakte.

Neil Shicoff als Eleazar in Wenen 2013 (productie van Günter Krämer):

JACQUES FROMENTAL HALÉVY
LA JUIVE
Neil Shicoff /Francisco Casanova/John Uhlenhopp, Marina Poplavskaya/Karina Babajanyan, Robert McPherson/Mario Zeffiri, Roberto Scandiuzzi/Dmitri Ulyanov, Annick Massis/Jessica Pratt e.a.
The Israeli Opera Chorus en The Israel Symphony Orchestra Rishon LeZion olv Daniel Oren/Yishai Steckler
Regie: David Pountney

Bezocht in Tel Aviv op 13 en 16 april 2010

Zie ook:  LA JUIVE: discografie

Anathema over en weer in grootse La Juive

REDSTU MAMALOSHEN?

mamaloshen

‘Redstdu Mamaloshen’? Wordt aan u deze vraag gesteld, dan wil men weten of u Jiddisch spreekt. Jiddisch, de taal van Oosteuropese en Duitse Joden dreigde uit te sterven, samen met de ghetto’s en shtetls. De integratie, assimilatie, emigratie en (in)tolerantie zorgden voor het bouwen aan de toekomst zonder vooroordelen en zonder de ballast van het verleden.

Is het gelukt? Uiteraard niet. De tweede, derde en inmiddels ook al de vierde generatie van de Sjoah-overlevenden heeft op zoek naar roots ook het Jiddisch herontdekt. Die zoektocht is ook aan Mandy Patinkin niet voorbij gegaan

Patinkin, één van de grootste Broadway sterren van het moment, is niet over één nacht ijs gegaan. Met hulp en steun van de specialisten leerde hij de taal en zocht naar het repertoire. Wat hem het meest bezighield was de vraag waarom hebben de Amerikaans–Joodse componisten als Oscar Hammerstein, Stephen Sondheim en Irving Berlin geen Joodse muziek gemaakt. Zijn conclusie: de muziek was wel Joods, alleen de taal Engels. Zodoende werden de teksten van de bekende songs in het Jiddisch vertaald.

 

Het resultaat mag er zijn, al is het een beetje onwennig om Ikh khulem fun a vaysn Nitl  te horen in plaats van I’m  dreaming of a white Christmas.

Maria van Bernstein is veranderd in  Mayn Mirl en  Got bentsh Amerike betekent niets anders dan God bless America.

Uiteraard zingt Patinkin ook de bekende en minder bekende Jiddische liedjes en doet het op zijn ‘Patinkins’. Zijn stem en manier van zingen zijn direct herkenbaar. Van ieder liedje maakt hij een complete show met lach en traan en schuwt de overdrijving, Joodse eigenschap bij uitstek niet.

In het met een gezonde dosis schmalz gezongen Belz en de prachtige Song of the Titanic wordt hij bijgestaan door Judy Blazer en in Der Alter Tzigajner/White Christmas zorgt Nadja Salerno-Sonnenberg voor de viool solo.

 

Kleine waarschuwing: iedereen, die vindt dat klezmermuziek gespeeld moet worden op authentieke instrumenten en het Jiddisch gezongen door honderdjarigen die de taal nog voor de oorlog in een shtetl dagelijks spraken, moet van die cd afblijven. Voor de genieters onder ons: ‘hob fargenigen’ (veel plezier)


 

 

MAMALOSHEN
Mandy Patinkin
Nonesuch 7559-79459-2

Tehilim: psalmen tussen Jodendom en Christendom

Tehilim

Mooi, mooier, mooist. Dat heb ik ooit op een cursus Nederlands geleerd. Inmiddels ben ik er achter dat er veel meer woorden in het Nederlands bestaan om ‘mooier dan mooist’ te verwoorden. ‘Goddelijk’ is er één van. Een zeer toepasselijke variant voor de nieuwe cd van het Nederlands Kamerkoor. U kunt het ook letterlijk opvatten.

Tussen hemel en aarde bestond er altijd zoiets als een ‘gesprek’, al was het meestal eenrichtingsverkeer. Geen idee wat de hemel de aarde heeft gegeven behalve het onvoorwaardelijke geloof, maar de aarde heeft de hemel behoorlijk wat geschonken. Onder meer poëzie en muziek. En als de twee in een perfecte harmonie samensmelten, dan is het resultaat gewoon hemels.

Koning David was, behalve een brave man en een stoute echtgenoot, ook een geniale dichter. Zijn psalmen behoren nog steeds tot het mooiste dat de dichtkunst ooit heeft opgeleverd. Zij waren – en nog steeds zijn –  de inspiratiebron voor alle kunsten en zijn dan ook door verschillende componisten op muziek gezet, o.a. Bach, Allegri, Schütz, Strawinski, Kodaly.

Die namen ontbreken op Tehilim (Hebreeuws voor psalmen), maar wat we wel krijgen is een waaier van de bekende en minder bekende componisten die verankerd zijn in de zowel christelijke als Joodse traditie. Met de laatste worden niet alleen synagogale gezangen bedoeld, men heeft ook voor de wereldlijke composities gekozen.

Impressie van de cd-opname:

 

Van Sweelinck en Rossi tot Schönberg en Avni wordt er een tijdspanne van ruim 600 jaar overbrugd, waarin de meer dan 4000 jaar oude traditie van het psalmzingen wordt behandeld. Nou ja behandeld… Het is een cadeau aan hemel en aarde, want zo mooi, zo ‘goddelijk’, wordt er zelden gemusiceerd.

Als solist brillieert de Israëlische bas Gilad Nezer – behalve lid van het koor ook de voorzanger bij de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam.


ROSSI, MENDELSSOHN, SWEELINCK, LEWANDOWSKI, SULZER, GOKKES, SCHÖNBERG, ROSENBLATT, AVNI
Tehilim: Psalms between Judaism and Christianity
Nederlands Kamerkoor onder leiding van Klaas Stok
Gilad Nezer, bas
GLOBE GLO 5247