Gastcolumns

De Zaak Makropulos goed opgelost

Tekst: Neil van der Linden

Het Radio Filharmonisch Orkest is ongeveer een Janáček-huisorkest geworden. Onder leiding van Karina Canellakis is het helemaal ingevoerd in het klankidioom van de Tsjechische meesterinstrumentalist, die met De zaak Makropulos op hoge leeftijd nog weer eens een staaltje klanktovenarij afleverde, waaraan in het Concertgebouw volledig recht werd gedaan.

De Zaak Makropulos’ is eigenlijk geen goede vertaling van de Tsjechische titel Věc Makropulos, want Věc betekent iets tussen ‘ding’ en ‘kwestie’ in. Ook al speelt het verhaal tijdens een gerechtsprocedure, er is iets met die naam Makropulos aan de hand dat eeuwen terug reikt.

Keizer Rudolf afbeelding Arcimboldo

De opera draait om Emilia Marty alias Elina Makropulos alias nog een heleboel alterego’s van de protagoniste wier namen allemaal met E en M beginnen. Ze blijkt blijkt al ruim driehonderd oud te zijn, gedoemd om steeds in een nieuwe gedaante voort te leven. Als dochter van de lijfarts van Keizer Rudolf II in Praag was ze, nadat de Keizer haar vader had verzocht een levenselixer te fabriceren, proefkonijn geworden.

Het middel bleek te werken, en sindsdien naar verlangt ze ernaar om eindelijk te sterven. Tragisch is natuurlijk bovendien dat niemand aanvankelijk kon bewijzen dat het middel werkte, totdat ze iedereen in haar omgeving zou overleven. Ze probeert in al haar gedaanten liefdesrelaties met mannen aan te gaan, maar ondergaat die gevoelloos en een liefdesnacht met haar wordt als ijskoud ervaren. Intussen geeft de componist haar gloeiend warme muziek mee.

Misschien sprak het verhaal de componist ook aan omdat hij zelf al tegen de zeventig liep maar én zelf nog weer eens verliefd was geraakt, op een jongere vrouw. In elk geval bleek hij creatief geenszins levensmoe. De muziek bruist en klotst dat het een aard heeft, en dat in wat in wezen een rechtbankdrama in dialogen is, met een levensmoede persoon als protagonist.

De opera is misschien moeilijk scenisch uit te voeren. De dialogen gaan razendsnel terwijl als je opera naturalistisch zou opvatten weinig eer valt te behalen aan de nogal saaie locaties zijn. Natuurlijk is de persoon van Emilia Marty eigenlijk magisch-symbolistisch. Je zou kunnen aanhaken bij de stijlmiddelen van de expressionistisch film, à la Robert Wiene (Dr Caligari) en Fritz Lang (Dr Mabuse, Der Müde Tod en Metropolis). Die films dateren allemaal van de jaren twintig van de vorige eeuw.

De componist had het toneelstuk waarop de opera is gebaseerd in 1922 gezien en de opera ging in première in 1926.De protagoniste heeft ook wel iets weg van de vrouwelijke protagonisten in Der Müde Tod en Metropolis. Misschien liet Alban Berg zich vervolgens door Emilia Marty inspireren voor de protagoniste van zijn opera Lulu, ook een min of mee ongrijpbaar personage dat niet zozeer door de tijd als wel dwars door allerlei sociale kringen bewoog en geruïneerde mannen achterliet, half tegen wil en dank.  De last van het eeuwige leven komt in meer opera’s voor. Het zit in Der Fliegende Holländer en Kundry in Parsifal.

In de Matinee werd de rol van Emilia Marty/Elina Makropulos vertolkt door Sally Matthews, die vorig jaar een fantastische vos was in Janáčeks Het Sluwe Vosje. Na ruim 300 jaar is haar karakter volgens het libretto ‘ijskoud’ maar Janáček gaf haar een zangpartij mee die het tegendeel van ‘koud’ is, en Sally Matthews vertolkte deze dubbelheid fantastisch; in uitstraling ongenaakbaar, in stem en gestiek warmbloedig.

Bo Skovhus is natuurlijk een ster. Het siert hem dat hij deelnam in deze uitvoering waarin hij toch ook vooral dienstbaar is aan het ensemblewerk. Maar dat deed hij dan ook geweldig.

De grootste tenorrol is voor Magnus Vigilius als Albert Gregor, een echte Janáček-stem voor de vaak bij hem voorkomende tenorrollen die een half-macho, half-gevoelige jongeman verbeelden. Hij heeft een fraai stem en ziet er, in elk geval voor deze gelegenheid, ook uit zoals bij de rol past, jong, vitaal, maar ook niet als laten we zeggen een Verdiaanse Draufgänger. Hij heeft ook Siegmund, Cavaradossi en Lohengrin, maar dat past ook wel.

Ook de andere rollen waren uitstekend bezet. Ook de kleinere rollen doen in veeleisendheid nauwelijks onder voor de grote.



Zo keerde uit het Sluwe Vosje keerde Iris van Wijnen terug, altijd ook goed voor een sterke theatrale uitbeelding van een karakter, zoals ook heel bleek in Der Rosenkavalier afgelopen seizoen bij De Nationale Opera

Tim Kuypers had eerder in de Matinee gezongen in Janáčeks Kát’a Kabanová en Le Grand Macabre. De eveneens Nederlandse tenor Linard Vrielink mag ook apart worden genoemd, als een sterke Janek, de verloofde van de jonge zangeres Kristina, die nadat Kristina onder invloed van Emilia Marty alleen nog oog heeft voor haar carrière zich van kant maakt.

Vrielink heeft met zijn fraaie wendbare lyrische tenor al een uitgebreide loopbaan opgebouwd in Duitsland en Oostenrijk (Berliner Staatsoper, Bregenzer Festspiele) en komt dit seizoen naar De Nationale Opera als Jaquino in Fidelio.

Er stond nog een Nederlander op het podium, Arnold Bezuyen, als Graaf Hauk-Sendorf, een oude vlam van EM van een halve eeuw geleden. Het is goed hem terug te hebben in Nederland. Afgelopen zomer was hij een geweldige Mime in de Bayreuthse Ring.

Belangrijk was dat alle solisten ook moeiteloos ensembles vormden, wat in deze opera met zijn razendsnelle dialogen, zonder echt grote soli, zo van belang is.

Het is een blijk van het succes van de door de vorige artistiek Matinee-directeur Kees Vlaardingerbroek ingezette Janáček-cyclus dat de zaal vrijwel vol zat, bijna zo vol als vorige week bij de ‘authentieke’ Walküre. En dat voor een opera met een behoorlijk complex libretto en flink wat personages, zonder populaire ‘hits’ en zonder herkenbare grote solopassages.

Radio Filharmonisch Orkest
Groot Omroepmannenkoor
Karina Canellakis dirigent
Emilia Marty: Sally Matthews sopraan
Jaroslav Prus: Bo Skovhus bariton
Dr. Kolenatý: Seth Carico bas-bariton
Albert Gregor: Magnus Vigilius tenor
Vitek: Paul Curievici tenor
Hauk-Sendorf: Arnold Bezuyen tenor
Janek: Linard Vrielink tenor
Kristina: Natalia Skrycka sopraan
Komorná: Maria Warenberg mezzosopraan
Strojnik: Tim Kuypers bariton
Poklízecka: Iris van Wijnen mezzosopraan

Gezien 23 maart NTR Matinee in het Concertgebouw Amsterdam

De NTR-opname van de opera is beluisteren op :

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/bb0664f8-aca3-432a-8e27-1736378d22bb/2024-03-23-ntr-zaterdagmatinee-karina-canellakis-covert-de-zaak-makropulos

Foto’s: Lodi Lamie en Neil van der Linden

Het eeuwige leven oftewel Věc Makropulos van Janáček

De Ring al voor de helft rond

Tekst: Neil van der Linden

Deze uitvoering van Die Walküre is het vervolg op de uitvoering op authentiek instrumentarium van Das Rheingold.

Lange tijd was het onzeker of dit tweede deel van de cyclus er zou komen, vanwege de financiën, in Duitsland, waar de uitvoering werd geproduceerd, en bij ons, vanwege de kosten om het geheel hierheen te brengen. Gelukkig is het ook gelukt om dit deel van de droom, begonnen door Kees Vlaardingerbroek, hierheen te krijgen.

Dirigent Kent Nagano leidt het geheel opnieuw. Vitaler dan ooit. Ook fysiek. Al tijden kwam geen dirigent zo kwiek de grote trap aflopen. En hij is al een eind in de zeventig.

De minstens de helft jongere en eveneens energieke Canadese, in Den Haag woonachtige, bas-bariton Derek Welton keert terug als Wotan. Gekleed in een pak in de kleur blauw die momenteel bij politici, van Rutte en Paternotte tot PVV in zwang is. Wel, politiek moet hij in het verhaal van de Ring ook een balanceeract uitvoeren. Vocaal en fysiek maakt Walton er een warme Wotan van. Mede dankzij de zoetgevooisdere klank van het instrumentarium van het orkest, krijgt hij alle ruimte om ook sotto voce (ja dat kan in deze uitvoering) de karakterwisselingen van Wotan muzikaal en dramatisch uit te meten.

De ‘heldentenor met een zachtaardig kantje’ Ric Furman was een overtuigende Siegmund. Met zijn halve meter lange haar en sombere blik leek hij eerst op een Rasputin maar geleek geleidelijk aan steeds meer een Jezus zoals het Westen die eeuwenlang verbeeldde. Siegmund is in het verhaal eigenlijk ook een verlosser maar niet dé beoogde verlosser (dat wordt zijn zoon Siegfried). Dus meer een Johannes de Doper. Moeiteloos nam hij de klippen van de rol zonder zichzelf en orkest te hoeven overschreeuwen. In de pauze vertelde hij bij NPO Klassiek dat hij in principe ook Siegfried zou kunnen zingen (hij is nog jong), maar dat Siegmund hem veel sympathieker overkomt. En als grap erbij: bij Siegfried moet je nadat je bent gestorven nog een hele rest van een lange akte dood op het toneel liggen.

Allengs horen en zíen we bij hem en Sieglinde (zijn zuster), de (incestueuze) liefde opbloeien.Sieglinde was Sarah Wegener, in Das Rheingold nog Freia. Ze is geen knallende Sieglinde zoals Jeannine Altmeyer dat ooit was, of Eva-Maria Westbroek, meer een introverte, ook in haar verschijning. Maar daardoor spaart ze haar dramatische kracht voor de piekmomenten in de eerste akte als de twee hun liefde aan elkaar bekennen en in de tweede akte als zij zich na de dood op het slagveld van Siegmund bij de Walküren voegt om aan haar echtgenoot Hunding te ontkomen.

Deze Hunding, Patrick Zielke, had ik graag afgelopen zomer in de Ring in Bayreuth gezien. Enerzijds een echte oprechte telg van de Alberich-familie die het vanwege de bloedvete heeft voorzien op de nakomelingen van Wotan, anderzijds een eerlijke bedrogen echtgenote. Ook hij is relatief jong en kon het zich permitteren om deze rol uit te proberen zonder op de toppen van zijn volume-kunnen te hoeven zingen.

Tot de ontroerendste momenten in de opera behoort de scène in de tweede akte waarin Brünnhilde Siegmund vertelt dat hij zal moeten sterven, maar dat hij als troost opgenomen zal worden in de heldengemeenschap die na hun dood in het Walhalla worden verwelkomd, door haar en haar zusters, de Walküren. Hij zal daar zelfs de liefde vinden in de vorm van maagden die tot zijn beschikking zullen staan; had Wagner dit uit de beschrijving van paradijs in de Islam overgenomen? Enfin, zoals bekend wil Siegmund hier niets van weten als hij het voortaan zonder Sieglinde zal moeten stellen; dan gaat hij nog liever naar Helle.

Brünnhilde kreeg ook weer een warm menselijke vertolking in de persoon van Christiane Libor. Mooi is ook het moment als wij haar het gesprek tussen Wotan en de foeterende Fricka (Claude Eichenberger, eerder in de Matinee de kosteres in Janaceks Jenufa) zien afluisteren. Dramaturgische duiding is dat zij dus al van tevoren weet waarom Wotan schijnbaar tegen zijn wil opdraagt om Siegmund niet te sparen in de strijd tegen Hunding.

Enfin, ook al was het geen scenische enscenering, de opvoering bevatte toch vele scenische details, waartoe ook bijdroeg dat alle zangers hun rollen uit hun hoofd zongen. Het misschien wel mooiste scenische moment was in Wotans afscheid van Brünnhilde. Brünnhilde die langzaam naar links loopt en tegen de zuil vooraan bij het rechter zijpodium blijft staan, van Wotan afgewend. Wotan loopt intussen links af, af en toe nog omkijkend. Meer heb je niet nodig om de menselijke verhoudingen te laten overkomen.

Ook het Walküren-collectief was van de hoogste klasse. Als geheel was het zangersteam helemaal aan elkaar gewaagd. Zonder sterrendom.

Bij het spelen op authentieke instrumenten ben je natuurlijk ook benieuwd naar de verschillen in klank. De balans tussen strijkers en bijvoorbeeld koper wordt anders. Erg fraai was het gebruik van een dierenhoorn (rund? ram?) als Hunding op jacht naar Siegmund en Sieglinde het slagveld betreedt; en mooi uitgebeeld als hij daarbij met de hoornspeler langs de linkertrap van boven naar beneden zijn entree maakt.

Het slagwerk is ook authentiek en het volume ervan stijgt boven dat van de strijkers uit als er hard op wordt gespeeld. Wat waarschijnlijk zo is bedoeld. De zangers zingen het Duits trouwens volgens een uitspraak waarin de taal in de tijd en de regio van Wagner toen heeft geklonken.

En onthutsend was de klank van de cellosolo op darmsnaren tijdens de liefdesscène tussen Sieglinde en Siegmund in de eerste akte. Veel aarzelender, haperender bijna. Verklankt op de een of andere manier de schuchterheid van het paar tegenover elkaar.

In de derde acte doemden wat synchronisatieproblemen op, als de blazers uit Dresden zich even leken lost te maken van de strijkers uit Keulen, en daar moesten ook nog acht Walküren mee in overeenstemming worden gebracht, wat niet steeds lukte, ondanks het feit dat zij de dirigent via een apart televisiescherm konden volgen, of misschien wel juist daardoor. Maar een kniesoor die daarom geeft. In deze vol bezette passages ontstond intussen, door de helderheid van het klankbeeld, mede doordat de volumes relatief klein werden gehouden en ongetwijfeld geholpen door de akoestiek van het Concertgebouw een soort magma van klank, alsof je je temidden van een geluidsmassa bevond.

Overigens is deze opera natuurlijk voor het theater bedoeld. Maar je krijgt wel een indruk van hoe de dirigent het geheel vanuit de orkestbak moet hebben gehoord. Al werd het orkest later toen Die Walküre in Bayreuth werd opgevoerd als onderdeel van de Ring onder het podium geplaatst, waardoor ook voor de dirigent de menging met de zangers anders was dan nu tijdens deze opvoering.

Bij de eerdere Rheingold-matinee heb ik geprobeerd de oorsprong van de orkest opstelling te achterhalen. Eerste violen links, tweede rechts, celli achter de eerste violen, daar helemaal links van en achter de contrabassen, achter de tweede violen de altviolen, meeste koper rechts, harpen helemaal rechts. ‘De orkestopstelling van die we nu zagen lijkt op de orkestopstelling in Bayreuth: eerste violen links, altviolen naast de eerste violen, celli erachter, tweede violen rechts, contrabassen verspreid over links en rechts, koper allemaal bij elkaar op rechts, hoorns vooraan.’ Nu stonden alle contrabassen links, om op rechts plaats te maken voor de harpen. Sowieso was het orkest nu groter, vandaar dat Concerto Köln nu versterkt werd met het Dresdner Festspielorchester, een amalgaam van leden van andere Europese ‘authentieke’ orkesten waaronder het Orkest van de XVIIIe Eeuw.

 In Bayreuth klinkt alles ook zachter dan in de reguliere moderne operapraktijk door de unieke ‘onzichtbare’ opstelling onder het podium. Waardoor het geluid tevens omfloerster wordt. Het orkest in deze Matinee kan meer hebben geklonken als dat bij de première van Die Walküre in een ‘normaal’ operatheater, in München in 1870, zes jaar voordat Die Walküre voor het eerst in Bayreuth werd opgevoerd als onderdeel van de complete Ring.

Die omfloerste orkestklank had er misschien mede toe bijgedragen dat de Ring-opera’s relatief langzaam werden gespeeld, al joeg Pierre Boulez in zijn Ring-cyclus geregisseerd door Patrice Chéreau ter gelegenheid van het honderdste geboortejaar van de Ring in Bayreuth het tempo wel weer op, wat hij eerder ook met Parsifal had gedaan.

Nagano en Concerto Köln hielden het tempo er ook in. Er was één moment dat dat tot een teleurstelling leidde. Nadat Wotans laatste woorden in zijn Abschied aan Brünnhilde zijn verstorven, klink de Feuerzauber, in de gebruikelijke tempi een moment van laatste bezinning op wat is gebeurd en een vooruitblik op wat we weten dat aan het eind van de Götterdämmerung gebeuren gaat. Door het vluchtige tempo leken de muzikale vlammen nu echter al te doven het vuur goed en wel was aangestoken. Maar misschien wilde een muzikale dramaturg uitbeelden dat het Godenrijk uiteindelijk als de spreekwoordelijke nachtkaars zal eindigen.

Zou er een Siegfried komen? En dan een Götterdämmerung? Siegfried is in veel opzichten het moeilijkste deel van de Ring. Dramaturgisch én stilistisch een tussenopera, met een lang eerste deel met Siegfried en Mime, volgens sommigen Wagner op zijn aller-antisemitischt in zijn karakteruitbeelding, dat bovendien theatraal al gauw flauw wordt, en met in muzikale stijl een enorme cesuur tussen de tweede akte en derde akte, overeenkomstig met de periode waarin Wagner het werk aan de Ring stillegde, tot hij ervoor had zorg gedragen dat de Ring als geheel in zijn naar eigen inzicht gebouwde, door Koning Ludwig II van Beieren bekostigde theater zou worden opgevoerd.

De Götterdämmerung is een consistent geheel, en de Siegfried is vaak niet om door te komen. Maar het zou wat ver gaan die over te slaan. Overigens vond ik van de mijns inziens, en volgens vele anderen mislukte recente Ring, de tweede acte van Siegfried één van de geslaagdste actes, waarin alle slechte of op zijn minst gecompromitteerde oude mannen in de cyclus, inclusief Wotan, bij elkaar in een pension voor ouden van dagen zitten, en vandaaruit als geriatrische crimering-leaders de wereld uit pure wrok bestieren.

Gezien 16 maart NTR ZaterdagMatinee in het Concertgebouw Amsterdam

Concerto Köln Dresdner Festspielorchester
Kent Nagano dirigent
Derek Welton bas-bariton (Wotan)
Ric Furman tenor (Siegmund)
Sarah Wegener soprano (Sieglinde)
Patrick Zielke bas (Hunding)
Claude Eichenberger mezzo-soprano (Fricka)
Christiane Liebor sopraan (Brünnhilde)
En verder” Natalie Karl, Chelsea Zurflüh, Ida Aldrian, Marie-Luise Dreßen, Eva Vogel, Karola Sophia Schmid, Ulrike Malotta mezzo-soprano en Jasmin Etminan als Walküren.

Fotograaf Simon van Boxtel

Mijn recensie van de Concerto Köln/Kent Nagano Das Rheingold in de Matinee.

Klemperers legendarische maar voor een deel voltooide opname (alleen de eerste akte en Wotans Abschied en de Feurzauber waren mijn Walküre-vuurdoop. Ja, zóó langzaam. Maar zóó mooi. Langzaam spelen moet je ook kunnen.

Mission accomplished: the Shell Trial

Tekst: Neil van der Linden




Het groene dilemma. Zo groen mogelijk proberen te zijn in een organisatie die afhankelijk is van internationale deelnemers en anders misschien tot provinciaal niveau zou afzakken. Dan kun je wel een festival organiseren deels gewijd aan duurzaamheid, en Urgenda een debat laten houden (op een zijbalkon), maar toch komen er componisten, regisseurs, librettisten en zangers van over de Oceaan aanvliegen; al kwamen de Engelsen wel per Eurostar. En de programmafolder van het festival wordt verpakt in plastic – gerecycled plastic, dat wel – thuisgestuurd.

Over dit soort dilemma’s gaat de Shell opera ook. Het is gemakkelijk het over anderen te hebben, bijvoorbeeld Shell, maar wat doen wij zelf? Een paradox die zeker aan bod komt.

Shell wist van de hoogstwaarschijnlijke klimaateffecten van zijn bezigheden, maar veranderde zijn beleid niet of nauwelijks. Wel bedacht het scenario’s voor hoe het zou kunnen reageren als de voorspellingen uit zouden komen.

Maar wat is de verantwoordelijkheid van de consument, die de producten van Shell afneemt, en wel kan minderen, maar op sommige punten toch geen alternatief heeft. Wat doet de overheid, die officieel namens de burger handelt, maar ook het belang van de economie in de gaten houdt.

Intussen is er de historie. Shell begon in feite in Indonesië, dat al vanaf eind 16e eeuw door Nederland, in naam van overheid en burgers, werd gekoloniseerd, met vele slachtoffers tot gevolg. Het is daar dat de eerste bedrijven die later Shell zouden vormen hun eerste olie boorden. En de slachtoffers, mensen en natuur, van Nigeria tot California, van olierampen veroorzaakt door Shell. En hoe zit het met de andere oliemaatschappijen? Als Shell zijn beleid zou veranderen, stappen de consumenten dan over naar de concurrentie. En is het wel concurrentie, of spelen de grote energiebedrijven onder één hoedje.

Intussen vliegen solisten af en aan, ook al zal hierbij ongetwijfeld naar het budget worden gekeken, en gaat deze productie ook reizen. De vraag is of deze niet vooral de ‘converted’ gaat bereiken. Al zaten er bij de premières ook diverse medewerkers en bekenden van hoofdsponsor Houthoff in de zaal, een advocatenkantoor dat zeer actief is in het bedrijfsleven, onder meer het heel grote bedrijfsleven, en misschien ook wel van ING, sponsor van samenwerkingspartner het Concertgebouworkest.

Of de opera zonder Houthoff en het KCO zonder ING zouden kunnen is dan minder pregnant dan de vraag of Nederland en de wereld zonder Houthoff en ING zouden kunnen. Mijn antwoord: nee, zeer waarschijnlijk niet, maar kunnen we de bedrijven helpen of anders dwingen hun beleid bij te stellen? Urgenda heeft in de rechtbank bedongen dat Shell het beleid zou bijstellen. Shell heeft daar tot nu toe geen gehoor aan gegeven, in afwachting van een gerechtelijke uitspraak in hoger beroep, aangetekend door Shell, dat dezer dagen speelt.

Vandaar dat deze opera extra actueel is. In de opera waren verschillende rollen weggelegd voor betrokken partijen, in geabstraheerde vorm. De CEO, de regering, de activist, de geschiedenis, die de historische rol belicht van multinationals en betrokken naties in de koloniale wereld. De piloot en de werknemer in de olie-industrie, wiens bestaanszekerheid tot nu toe gekoppeld zijn aan de fossiele energievoorziening. De onderwijzer en wat die kan doen. De consument. Kan de publieke opinie bijdragen aan beleidsverandering? De grote bedrijven waren al decennia bezig op voorhand de publieke opinie te beïnvloeden. En de kunstenaar. Kan kunst ook bijdragen aan publieke bewustwording? Kan het muziektheaterwerk The Shell Opera hieraan bijdragen?

Aan de aanstekelijkheid van het werk en de uitvoering zal het niet liggen. De muziek van de Amerikaanse Ellen Reid, momenteel ook composer in residence van het Concertgebouworkest, past in het moderne, vooral Amerikaanse tonale idioom, post-John Adams, aan wiens documentaire-opera’s met Peter Sellars de opzet van de Shell Opera ook doet denken.

Maar bijvoorbeeld ook Blue van Jeanine Tesori en Tazewell Thompson, die in 2022 bij DNO te zien was, en Denis & Katya van Philip Venables en Ted Huffmann (een duo dat trouwens gelukkig terugkomt in volgend seizoen met een nieuwe productie als onderdeel van Opera Forward).

Tussen de vele fraaie lyrische passages door verschijnt af en toe een atonale clash, wat ook wel past bij het onderwerp, en de opera opent met een flinke clash, fraai gespeeld door het ensemble bestaande uit leden van het Concertgebouworkest en de Concertgebouworkest-academie, en fraai strak gedirigeerd door Manoj Kemps, inclusief de niet zelden gecompliceerde samenzangpersonages, inclusief een lange als ik het goed heb geteld vierstemmige, indringende en ontroerende passage met een gigantisch kinderkoor.

Een placcatieve opera, ja. Met een dramaturgie zoals in sommige late Brecht, of ‘actietheater’ uit de jaren zeventig.Maar in die hoedanigheid wel helder, met heldere personages die ieder vol mooie muziek. 

Ook de regie was knap gedaan. Personages klopten en knalden eruit. Misschien was de enscenering hier en daar wat overdadig.

De wand waarin op zeker moment rechts de CEO en de Overheid rechts als van achter een balustrade van een cruiseschip te zien zijn en links The Climate Refugee in een uitsparing. (Ik moest denken aan Ruben Østlunds film The Triangle of Sadness over de ondergang van een cruiseship, met alleen superrijken, dronken stuurlui en het lagere personeel aan boord.)

Die vierdubbele rij schijnwerpers tegen het einde bovenlangs het hele toneel, al werd de bedoeling wel duidelijk als deze zich op gegeven moment op het hele publiek richten. Dat de bejaarde figuranten soms wat houterig bewegen, ook al snap ik de reden waarom ze worden opgevoerd.

Ze komen uit delen van de wereld waar Shell heeft huisgehouden, zoals Indonesië, de Antillen en Nigeria. Op den duur werkt dat wel degelijk indringend, mede dankzij de fraaie solo-rol van hun bewegingsregisseur Nita Liem.

Op het niveau van de personages was de mise en scène zonder meer indrukwekkend. Dat gold ook voor hun zangprestaties, zonder uitzondering. Zoals voor The Law / The Artist, de Britse sopraan Lauren Michelle, The Activist, de Britse sopraan  Ella Taylor, The Government, de Britse mezzo Claire Barnett-Jones, en The Historian, de Amerikaanse alt Jasmin White, die vocaal en wat betreft het weergeven van hun personages de zaal met gemak aan hun voeten kregen. Ook The CEO, de Noorse bariton Audun Iversen, The Consumer, de Amerikaanse tenor Anthony León, en The Pilot, de Nederlandse bas Alexander de Jong staan als een huis. De laatste ook vanwege zijn luchtacrobatiek. Heel indrukwekkend. Confronterend, en tegelijkertijd theatraal fraai.

Overigens is interessant dat bijvoorbeeld The Activist Ella Taylor ook in hun overige leven ook cultureel-politieke en/of cultureel-sociaal actief is in solo-recitals, waarin hen de nadruk legt op werken van componisten die ondergerepresenteerd zijn in de klassieke muziek en werkt Taylor mee aan de creatie van nieuw werk met een focus op de LHBTIQ+ gemeenschap en regelmatig over hun operacarrière als transpersoon spreekt.

En ja dan komt vlak voor het einde dat hele kinderkoor op. In een vloeiende beweging. Niet alleen klopte hun Mahleriaanse zang helemaal, ook dramatisch was dit áf.

Ja, dus hopelijk bereikt de Shell Opera niet alleen de converted. Én zet het ook de converted aan tot verder consequent doordenken over hun eigen rol. Inclusief de organisaties zelf.

The Shell Opera.

Muziek Ellen Reid
Libretto  Roxie Perkins; gebaseerd op het toneelstuk De zaak Shell van Anoek Nuyens, Rebekka de Wit, Frascati Producties en De Nwe Tijd
Muzikale leiding en co-creatie  Manoj Kamps
Regie, concept en co-adaptatie  Gable Roelofsen en Romy Roelofsen (Het Geluid)
Decor  Davy van Gerven
Kostuums  Greta Goiris en Flora Kruppa
Licht  Jean Kalman
Video  Wies Hermans
Choreografie  Winston Ricardo Arnon
Bewegingsregie ‘Elders’  Nita Liem
Dramaturgie  Willem Bruls, Saar Vandenberghe, Jasmijn van Wijnen
The Government  Claire Barnett-Jones
The Consumer  Anthony León
The Law / The Artist  Lauren Michelle   
The CEO  Audun Iversen             
The Activist  Ella Taylor       
The Climate refugee  Carla Nahadi Babelegoto      
The Historian  Jasmin White 
The Weatherman  Erik Slik            
The Elementary School Teacher  Nikki Treurniet
The Pilot  Alexander de Jong
The Fossil Fuel Laborer  Allen Michael Jones
The Field Worker  Yannis François
Elders
Watermusic Kinderkoor (Muziekschool Waterland), Noord-Hollands selectiekoor en The Shell Trial projectkoor, geselecteerd uit verschillende scholen in Zuidoost, Noord, Nieuw-West en Almere.
Academie-deelnemers en orkestleden van het Koninklijk Concertgebouworkest.

Gezien 16 maart in het Muziektheater Amsterdam.

Fotografie Marco Borggreve

Mission accomplished: the Shell Trial wordt ook in het Financieel Dagblad besproken:

Opera Forward 2024; eerste weekeinde

Tekst: Neil van der Linden

Schilderij Lytras Nikiforos, Antigone en Polynices

Het leek wel een demonstratie van de werking van muziek op onze hersenen. Strawinsky’s opzettelijk klinische muziek in contrast de jonge componist Samy Moussa met muziek die je emotioneel meteen het drama inzuigt, allebei geschreven voor het uitbeelden van een Griekse tragedie. Strawinsky’s kalm evoluerende neoclassicistisch meanderende loopjes en Samy Moussa’s  heftig modulerende klankblokken in laatromantisch idioom.

Wanneer bekende en nieuwe muziek worden gecombineerd, wordt het nieuwe stuk meestal eerst geprogrammeerd, waarna het bekende werk volgt.Maar hier Samy Moussa’s Antigone als sluitstuk geplaats, na het bekende werk, Strawinsky’s Oedipus Rex. Een heftige climax na een veel serener begin.

Overigens is er nóg een overweging voor deze volgorde: in beide stukken gaat het om dezelfde familiegeschiedenis – het verhaal van Antigone, de dochter van Oedipus, volgt op de gebeurtenissen die in Oedipus Rex worden uitgebeeld. Creon, Oedipus’ oom en tevens zwager, wordt na de neergang van laatstgenoemde diens opvolger als koning van Thebe. Ook al heeft hij geen zingende rol in Samy Moussa’s Antigone, we zien hem wel terugkeren in deze enscenering; maar daarover later meer.

De Nationale Opera plaatst de twee stukken zonder pauze na elkaar. En er wordt fraai gebruik gemaakt van één décor en één belichting en aankleding. We zien twee halfcirkelvormige kale bleekhouten wanden die het ene moment een burgwal of wachttoren kunnen vormen, het andere moment op de toegang tot een labyrint lijken, en geregeld ook een scheidswand tussen de taferelen van de koninklijke familieleden en het volk van Thebe vormen.

Mart van Berckel regisseerde Oedipus Rex, en Nanine Linning Antigone. Zij sprongen in voor de oorspronkelijk beoogde regisseur Wayne McGregor, een Britse choreograaf, die kort voor de aanvang van de repetities de productie verliet. Mart van Berckel regisseerde vorig jaar met veel succes Ändere die Welt als onderdeel van het Opera Forward festival, Nanine Lining is momenteel artistiek leider van het Scapino Ballet.

Oedipus Rex is gebaseerd op Jean Cocteau’s bewerking van Sophocles’ klassieke drama en geschreven voor mannenkoor en zangsolisten.Strawinsky schreef doelbewust ‘anti-emotionele’ of althans ‘anti-pathos’ en ‘anti-het grote gebaar’-muziek, ook zonder grote tragische soloscenes. De voor een belangrijk deel aan het koor toebedeelde tekst moet het drama ‘intellectueel’ overbrengen en hij werpt daarbij nog een extra barrière op door de tekst in het Latijn te laten zingen, waardoor hij zich ervan verzekerde dat echt niemand zich ‘sentimenteel’ met de personages zou identificeren.

De regisseur kwam echter met een uitermate heldere groepsregie van het koor en gaf de personages de ruimte om met economische heldere gestiek de emoties uit te drukken die toch voortvloeien uit het achterliggende verhaal.

Oedipus-vertolker tenor Sean Panikkar bewonderde ik onlangs als een uitermate levendige en ingeleefde Loge in Barry Kosky’s enscenering van Das Rheingold, hier in de bioscopen te zien live vanuit Covent Garden. In deze Oedipus Rex zet hij met dezelfde beheersing van theatrale middelen en dezelfde veelzijdige vocale techniek een tegen wil en dank ontroerende Oedipus neer.

Dame Sarah Connolly als Iokaste voegde daar ook dramatisch ontroerende momenten aan toe, eerst in het uitbeelden van haar liefde voor Oidipous als haar echtgenoot en later als ze zich realiseert dat hij tevens haar zoon is. Vocaal staat dat natuurlijk allemaal als een huis.Ook de verschillende kleinere zangrollen waren dramatisch subtiel en vocaal sterk bezet.

In alle Griekse tragedies is Tiresias als de blinde ziener en brenger van de waarheid een ‘dankbare ondankbare’ rol en deze wordt hier fraai vertolkt door de bas Rafal Siwek.’ Dat kan dan na wat ik schreef over Sarah Connolly en vóór de kleinere rollen.

Een speciaal aandeel had Nazmiye Oral als spreker, die een verbinding legt tussen het drama en de belevingswereld van het publiek. Fraai drukte zij uit hoe machteloos de toeschouwer zich ook volgens de beginselen van de Griekse tragedie zich moet voelen bij het aanzien van al het gruwelijks dat zich op het toneel afspeelt.

Samy Moussa’s Antigone is geschreven als muziek voor dansers met vrouwenkoor waarvoor de Samy Moussa een collage maakte, in het oud-Grieks, van teksten van de drie grote Atheense tragedieschrijvers Aeschylus, Sophocles en Euripides en andere auteurs. 

Naast het knap gechoreografeerde koor gaf Nanine Linning fraaie solorollen aan (bij de premiere) danseres Qian Liu, eerste solist van Het Nationale Ballet, aan dansers Dingkai Bai en Fabio Rinieri als respectievelijk Polynices en Eteocles, haar twee broers die met elkaar de strijd aangaan om de erfopvolging, waarbij Polynices wordt gedood, en andere rollen.

Samy Moussa doet muzikaal het tegenovergestelde van Strawinsky. Met spectaculaire harmonische effecten en een schier oneindig scaleavan orkestrale kleuren bouwt hij voortdurend spanning op in de muziek. Stijgende motieven leiden naar toppen in emotionaliteit, die zich elke keer opnieuw ontladen in guirlandes van dalende noten, waarna het melodische proces opnieuw begint, als de dagindeling van Sisyphus, die belast was met het dagelijks een grote steen tegen een berg opduwen, die dan telkens als hij bijna bij de top was uit zijn handen glipte en weer omlaag rolde.

In dit balletoratorium is er vocaal alleen rol voor het vrouwenkoor. Dat kreeg van Nanine Linning een fraai gechoreografeerde hoofdrol. En zong weergaloos, messcherp in de fraaie harmonieën.

Het was een interessantste regievondst om de protagonisten uit het Oedipus Rex-deel, Oedipus, Iokaste Tiresias en Creon, in zwijgende rollen terug te laten keren in Antigone deel, ook al zijn de eerste twee eigenlijk al dood tegen de tijd van deze episode uit de familietragedie.

We zien ze even oplichten tussen het vrouwenkoor, misschien als spookbeelden uit het verleden, maar ook als een herinnering aan gelukkiger tijden. Creon heeft in de Antigone-verhaal wel een grote rol. Aanvankelijk koning tegen wil en dank na de val van Oedipus, is hij het die Antigone, Oedipus’ dochter, verbiedt het lichaam van haar broer Polynices te begraven. Nanine Linning laat hem vrijwel ononderbroken op het toneel staan, in een mooie zwijgende maar wel dominerende rol.

Ik heb op Spotify naar meer muziek van Samy Moussa geluisterd. Zijn vioolconcert met Andrew Wan en het Orchestre Symphonique de Montreal onder Kent Nagano staat als een huis. Een uitvoering door het KCO onder Gustavo Gimeno van zijn tweede symfonie daags voor de opvoering van Antigone heb ik moeten missen. Die is komen de zondag op NPO Klassiek te beluisteren in het Zondagmiddagconcert, in combinatie met een uitvoering van Strawinsky’s Sacre du Printemps, een mooie spiegel van de combinatie Moussa-Strawinsky bij de Nationale Opera.

Vioolconcert Samy Moussa eerste deel

Vijfde deel:

Deel drie live onder de componist zelf

In het Labs: the Carousel middagprogramma werden vier korte nieuwe opera/muziektheater-stukken opgevoerd.  Daarvan vond ik de muziek van het tweede werk eruit knallen, Alam Hernández’ ‘Need for [Sing]: The Last Ensnarlamento’:akoestische en elektronische muziek aanstekelijk vermengd, met veel geestig gebruikte popmuziek-elementen, zonder dat het geforceerd overkwam. In het vierde stuk van Jurgis Kubilius werd Bohemian Rhapsody werd geciteerd; in deze tijd waarin ‘klassieke’ muziek verwatert via John Williams tot en met Einaudi en Iris Hond herinnert Jurgis Kubilius er prettig aan dat in de in verhouding met Einaudi waarachtige popmuziek heel veel échts is gebeurd; en als je daarbij per se aan academisch niveau wil houden, dan is Bohemian Rhapsody een voorbeeld van popmuziek die de vergelijking ruim kan doorstaan.


Bij de zangers was ik met name helemaal weg van Viola Cheung, met een sprankelende  coloratuurtechniek, en met super comédienne-talent in het eerste stuk, ‘Goldilocks in Amsterdam’ van Massimiliano Vizzini. Voor de meeste stemmen bleef dat steeds nog steeds een beetje in duister gehuld, maar voor Viola Cheung leek mij een carrière op het grote podium van de Stopera zonder meer weggelegd.

De volgende dag, zondag, was er het ‘Song Project’. Vijf jonge componisten, de jongste 19, de oudste 29, bewerkten liederen van Gustav Mahler, Alphons Diepenbrock en Elisabeth Kuyper, voor even jonge zangers, begeleid door leden van het Nederlands Kamer Orkest. Ik was in bijzonder gecharmeerd van lyrische sopraan Elisa Maayeshi in bewerkingen van een lied van Elisabeth Kuyper door en een eigen lied van Mehmet İlhan Gazioğlu (de 19jarige).

Er stond, ook gezien haar uitstraling, een Marshällin in spe, ook al zouden er natuurlijk nog wat reuzensprongen moeten worden genomen. Dan hebben we meteen een Octavian erbij, want ik was ook in het bijzonder weg van mezzosopraan Sterre Decru. Die was vocaal soeverein en theatraal kwikzilverig in een hilarisch getheatraliseerde versie van Diepenbrocks ‘Es war ein alter König’ in een bewerking door componist van Bela Braack (op de fraaie semi-sprookjes-achtige tekst van Heine).

Tenor Henrik Enger Holm zong ook een lied van Diepenbrock, maar ik zou hem een lied van Diepenbrock in het Duits hebben gegund in plaats van diens ‘Mijmering’ in het Nederlands. Nederlands blijft toch een moeilijk zingbare taal waarin je weinig kunt articuleren, of Diepenbrock heeft het eigenlijk in een idioom geschreven dat zich beter leent voor het Duits. Wel, dat Holms Noors is was dan weer niet echt goed te merken, wat dat betreft zat hij met zijn Nederlandse uitspraak toch goed in de buurt. Ik denk dat hij met zijn lyrische stem mooi nog verder kan uitgroeien naar liedtenor; ik kan mij voorstellen dat iemand als Peter Schreier een held voor hem is, en dat is niet verkeerd.



Muzikale leiding Erik Nielsen
Oedipus Rex regie Mart van Berckel
Antigone regie en choreografie Nanine Linning
Oedipus Rex, ‘opera-oratorium’, libretto in het Latijn Jean Cocteau, gebaseerd op Sophocles’ Oedipus Rex
Compositie Igor Stravinsky

Zangers:
Oedipus Sean Panikkar
Jocasta  Sarah Connolly
Creon Bastiaan Everink
Tiresias Rafał Siwek
Le Berger Linard Vrielink
Le Messager Frederik Bergman
Spreker Nazmiye Oral 

Antigone, oratorium, wereldpremière, gezongen in klassiek Grieks, voor vrouwenkoor en orkest
Compositie Samy Moussa

Dansers:
Antigone Qian Liu / Nicola Jones
Polynices Dingkai Bai / Rémy Catalan
Eteocles Fabio Rinieri / Sven de Wilde
Eurydice Sandra Quintyn / Antonina Tchirpanlieva
Haemon Sander Baaij / Gabriel Rajah
Creon Bastiaan Everink
Tiresias Rafał Siwek
Libretto: Samy Moussa met Niall Potter; gebaseerd op teksten van Aeschylus, Apollodorus, Empedocles, Euripides, Philostratus van Lemnos en Sophocles
Nederlands Philharmonisch Orkest 

Koor van De Nationale Opera, instudering Edward Ananian-Cooper

Foto’s Bart Grietens

Mart_van_Berckel

Nanine_Linning

Over Salud, haar passionele liefde en haar korte leven. La vida breve van de Falla

Tekst: Peter Franken

Deze korte opera van de Falla (1876-1946) ging in 1913 in première en is een modern doorgecomponeerd muziekstuk in Spaanse stijl.

De handeling speelt zich af in Granada en draait rond de altijd moeizame verhouding tussen de zigeuners en de burgerij. De mooie zigeunerin Salud is hevig verliefd op Paco, een jongeman uit de gegoede burgerij. Zij weet niet, en hij vertelt dat haar ook niet, dat haar minnaar verloofd is met een vrouw uit zijn eigen sociale klasse.

Haar oom en grootmoeder zijn daar echter zelf achter gekomen en proberen Salud ervan te weerhouden om Paco’s bruiloft te verstoren nadat ze daar zelf ook lucht van heeft gekregen. Het komt tot een confrontatie als Salud als wedding crasher de festiviteiten ruw onderbreekt. Dit tot verbijstering van de bruid en de gasten.

Paco is zozeer van zijn stuk gebracht dat hij Saluds naam noemt. Direct herpakt hij zich en ontkent haar ooit eerder te hebben gezien. Als hij opdracht geeft haar te verwijderen stort Salud in, laat zich aan zijn voeten vallen en sterft aan een gebroken hart. Daarmee geeft de trotse zigeunerin uiting aan haar minachting voor die ontrouwe leugenachtige minnaar.

In de productie die Giancarlo del Monaco in 2012 maakte voor Palau de les Arts Reina Sofia in Valencia krijgt het werk een iets realistischer einde. Salud grijpt een mes uit de handen van haar oom en benadert daar haar ontrouwe lover mee. Ze duwt het in zijn handen en trekt zijn arm naar zich toe waardoor ze zichzelf doorsteekt.

Het is een treffend einde van een doorleefde uitvoering waarin de Chileense sopraan Christina Gallardo-Domas een zeer complete Salud neerzet. Het hele scala aan emoties passeert de revue, fascinerend om naar te kijken en plaatsvervangend te beleven.

De openingsscène toont Salud ten prooi aan twijfel. Zou Paco wel komen, is hij haar niet vergeten. Verliefde mensen kunnen erg onzeker zijn wat zich uit in hevige gevoelens. Zo ook Salud, ze sterft er bijna aan. Haar grootmoeder probeert haar gerust te stellen en inderdaad komt Paco opdagen. Hij benadert zijn zigeunerliefje zoals altijd, de hartstochtelijke minnaar die haar volledig is toegewijd.

Saluds oom weet wel beter en wil hem doden maar grootmoeder weerhoudt hem daarvan. ‘We hebben al problemen genoeg.’ Door een opening in het doosvormige decor dat rood belicht wordt komt een vrouw in bruidsjurk op. Paco stoot Salud van zich af, tilt zijn bruid op en gaat met haar af. Salud stort volledig in.

In diezelfde ruimte, nu wat neutraler belicht, vindt de bruiloft plaats. Een zigeunerin zingt een flamenco en wordt gedanst. Alles lijkt goed te gaan tot Salud arriveert. Met voor haar fatale afloop.

De voorstelling is een triomf voor Gallard-Domas maar ook in de kleinere rollen wordt er uitstekend gezongen en geacteerd. Maria Luisa Corbacho geeft gestalte aan de bezorgde grootmoeder en Felipe Bou aan Saluds oom die Paco het liefst direct een kopje kleiner wil maken en zich ook dreigend gedraagt op de bruiloft. Jorge de León heeft de ondankbare rol van Paco, te vergelijken met die schurkachtige Pinkerton die het publiek van tegenwoordig graag op boegeroep trakteert.

De Monaco staat in zijn producties garant voor authenticiteit en dat bereikt hij hier door een echte flamencozangeres op te voeren met begeleiding door een flamenco gitarist. Esperanza Fernnandez zingt met ongeschoolde schorre stem en Juan Carlos Gómez Pastor ondersteunt haar op klassieke wijze. Het is alsof ze beiden rechtstreeks uit Albaicin komen. Met tien dansers completeert del Monaco de Andalusische couleur locale.

Lorin Maazel heeft de muzikale leiding. Orkest en koor van de Opera in Valencia. Uitgebracht op BluRay door Unitel.

https://exporntoons.net/watch/397380959_456239104

Het leven is kort! Over La vida breve van Manuel de Falla

Joyce DiDonato als La donna del Lago

Tekst: Peter Franken

In 2015 stond Rossini’s La Donna del Lago op het programma van de Metropolitan Opera. Een van de voorstellingen was wereldwijd in de bioscoop te zien in de serie Live in HD. Een opname daarvan is op dvd uitgebracht. Het moet een spectaculaire avond geweest zijn met veel vocaal vuurwerk. 

De handeling van de opera is eenvoudig: drie mannen strijden om de gunst van Elena, de Donna uit de titel. Ze heeft trouw beloofd aan Malcolm maar die is al langere tijd weg, ergens aan het rebelleren tegen de koning. Haar vader heeft haar beloofd aan Rodrigo, leidend krijgsman in de opstand. En plotseling staat een vriendelijke jonge man op de stoep die zich Uberto noemt.

Voor Rossini een uitgelezen gelegenheid om een tenorenduel te schrijven waarin Rodrigo en Uberto elkaar naar het leven staan, overigens zonder echt te beseffen dat ze concurrenten in de liefde zijn.

John Osborn is geweldig op dreef als de alfa male Rodrigo, mooie vertolking met passend assertieve voordracht.

Zijn tegenstrever Uberto krijgt hem vocaal er niet onder maar buiten beeld kennelijk wel. In de apotheose waarin Uberto zich bekend maakt als de koning en iedereen vergiffenis schenkt, zien we Rodrigo niet meer terug.

Juan Diego Flórez weet het publiek op zijn hand te krijgen met een uitstekende vertolking van Uberto alias James V. Hij wordt op slag verliefd op Elena die hij aanvankelijk aanziet voor een bosnimf. Het is een licht ontvlambaar type, die Uberto. Voor de bevrediging van zijn amoureuze gevoelens is hij bereid grote risico’s te nemen.

Regisseur Paul Curran laat hem zo op het oog volledig zijn eigen gang gaan. De kleine handtastelijkheden die hij zich veroorlooft jegens Elena maken duidelijk dat hij gewend is aan een vanzelfsprekende meegaandheid waar het de vrouwen in zijn omgeving betreft. Flórez’ vertolking van Rossini’s vocale capriolen ontaardt nergens in een circusact maar blijft voortdurend geloofwaardig. Uiteraard met hoge goed getroffen noten.

Elena’s vader komt voor rekening van de bas Oren Gradus, geheel in de stijl van de oudere patriarch die geen tegenspraak duldt. Mooie bijrollen verder voor Olga Makarina als Albina en Eduardo Valdez als Serano. Verder een uitstekende bijdrage van het koor van de Met.

Malcolm is een Hosenrolle maar in deze productie draagt de zangeres een kilt, dus geen broek. De kostumering van Kevin Knight suggereert een authentiek kostuumdrama al moet eraan  worden getwijfeld of de kostuums in kwestie 16e eeuws zijn, de periode waarin de handeling zich afspeelt.

Al die mannen in kilts maken een wat onbeholpen indruk, vooral door hun gemiddelde lichaamsomvang. Daniela Barcellona vormt hierop geen uitzondering, ze oogt weinig geloofwaardig als Elena’s love interest maar haar zang maakt veel goed. Malcolm is maar weinig op het toneel maar krijgt steeds een vrij veld als hij verschijnt. Het is een zware rol, zang technisch vooral en dat wordt door het publiek ruimhartig beloond.

Als liefdesobject tussen drie mannen die om haar strijden, al moet de dood erop volgen want zonder haar heeft verder leven immers geen enkele zin meer, is Elena meestentijds onderdeel van een duet of een terzet. Ze is dan wel veel op het toneel, veelal is ze niet agerend maar reagerend waarbij een tegenspeler het voortouw neemt. Aan het begin heeft ze een solo maar pas tegen het einde, als al die mannen haar eindelijk eens met rust laten, krijgt ze de kans zich ongestoord te manifesteren.

Joyce DiDonato is absoluut top in deze voorstelling. Ze werpt zich vol in de moeilijkste passages en het resultaat is elke keer weer verbluffend. Haar coloraturen zijn wellicht niet altijd geheel vlekkeloos maar steeds zo goed als men redelijkerwijs mag verwachten in een live uitvoering.

Acterend komt ze erg overtuigend over, het meisje dat zich moet verweren tegen een overheersende vader, een koning incognito die haar vanaf het eerste moment dat hij in de buurt komt al probeert te kussen, de voor haar uitgekozen echtgenoot die geen misverstand laat bestaan over zijn argwaan en ongenoegen en dan ook nog Malcolm die vooral achter de schermen aan trekt. Didonato laat prachtige mimiek en subtiel klein spel zien, ze is geweldig.

Ondanks de verwoede pogingen van de twee tenoren om haar voor zich te winnen trekt de mezzo aan het langste eind. Refererend aan DiDonato’s stemtype merkt moderator Patricia Racette aan het begin van de avond dan ook een tikje sarcastisch op: ‘Tonight the mezzo gets the mezzo, bad luck for the tenor.’

Het orkest van de Met staat onder leiding van Michele Mariotti.

Euryanthe in Theater an der Wien

Tekst: Peter Franken

In 2018 bracht Theater an der Wien een nieuwe productie van de weinig gespeelde opera Euryanthe van Carl Maria von Weber. Christof Loy had de regie wat min of meer garant staat voor het achterwege blijven van een overdaad aan historische details in de enscenering.

Euryanthe had première in 1823 en volgde zodoende vrij kort op Webers grote succesnummer Der Freischütz uit 1821. Beide werken zijn grote romantische opera’s die het licht zagen in de periode van betrekkelijke rust na de woelige Napoleontische tijden. Dat de voorbije oorlogsperiode diepe sporen nalaat komt in Der Freischütz nadrukkelijk aan de orde maar speelt in de marge ook een rol in Euryanthe.

Waar het in het eerste werk de Dertigjarige Oorlog betreft hebben de protagonisten in Euryanthe net een onbestemde strijd uit de 13e eeuw ergens in Frankrijk achter de rug. Hierin heeft graaf Adolar van Nevers zich weten te onderscheiden en koning Lodewijk IV overlaadt hem met dank en hulde.

Voor de feestvreugde echter kan losbarsten moet Adolar eerst met zijn verloofde Euryanthe worden herenigd die als een trouwe middeleeuwse maagd al die tijd in angst heeft gezeten om haar aanstaande. Een koor prijst Euryanthe zo ongeveer de hemel in en dat wekt de irritatie van graaf Lysiart die om te stangen zijn vraagtekens zet bij de vermeende absolute trouw van Adolars geliefde.

De emoties lopen hoog op en met de koning als arbiter komt het tot een weddenschap. Beide heren zetten al hun bezittingen in waarbij Lysiart moet aantonen dat Euryanthe wel degelijk ontrouw aan Adolar kan zijn als ze in de verleiding wordt gebracht. Daartoe reist Lysiart naar het kasteel waar Euryanthe verblijft met als excuus dat hij door de koning is gezonden om Euryanthe naar het hof te brengen waar ze met Adolar zal huwen.

Onmiddellijk na aankomst worden twee dingen duidelijk. Euryanthe toont zich niet in het minst op enigerlei wijze geïnteresseerd in Lysiart die op zijn beurt als een blok voor haar valt maar zich realiseert dat zijn queeste vruchteloos is. Erger nog, door haar toedoen verliest hij alles dat hij bezit. In een plotselinge emotionele ommekeer krijgt Lysiart zozeer de pest aan die vrouw dat hij zich op haar wil wreken. En daarbij krijgt hij hulp uit onverwachte hoek. Er is nog iemand die een rekening te vereffenen denkt te hebben: Eglantine.

Deze vrouw verblijft om onduidelijke redenen bij Euryanthe en heeft haar vertrouwen kunnen winnen. Ze is eerder door Adolar van de ondergang gered en die heeft haar kennelijk bij zijn verloofde geparkeerd. Eglantine is straalverliefd op Adolar maar die ziet haar niet staan, natuurlijk omdat hij alleen maar aandacht heeft voor die verfoeide Euryanthe. Zo vinden Lysiart en Eglantine elkaar in een complot dat doet denken aan Lohengrin. Euryanthe in de rol van Elsa, een reine vrouw die vals wordt beschuldigd door een gewetenloos duo dat op wraak zint, en die twee anderen als Telramund & Ortrud.

De MacGuffin is een ring op het graf van Adolars overleden zuster Emma die zelfmoord heeft gepleegd toen haar geliefde Udo in de oorlog was gesneuveld. In de middelleeuwen was zelfmoord taboe en bracht grote schande over de nabestaanden. Adolar heeft Emma’s doodsoorzaak in absoluut vertrouwen met Euryanthe gedeeld maar Eglantine heeft haar dit geheim weten te ontfutselen. Als vervolgens Lysiart terugkeert met Euryanthe en Eglantine in zijn kielzog toont hij die van het graf geroofde ring als bewijs voor Euryanthes ontrouw.

Iedereen in alle staten maar vooral Adolar die zich beroofd ziet van zijn verloofde en al zijn bezittingen. Maar meer nog van zijn eer: nu weet iedereen wat er met Emma is gebeurd. Euryanthe heeft haar eed jegens hem gebroken, hem verraden. Emma’s enorme geheim niet hebben kunnen bewaren maakt haar ontrouw aan  Adolar op een wijze die in de middeleeuwse context bijna nog erger is dan gebrek aan seksuele standvastigheid.

Adolar verwijt Euryanthe die eedbreuk zoals Lohengrin doet bij Elsa. Het volk bemoeit zich ermee zoals in Lohengrin en Tannhäuser. Na de nodige verwikkelingen waarin Euryanthe schijndood is en Eglantine haar triomf voortijdig viert door te verklappen wat zij en Lysiart hebben gedaan, kantelt de handeling en worden de ‘goeden’ beloond en de ‘slechten’ gestraft.

Wilhelmina Christiane von Chézy

Het libretto van Helmina von Chézy is gebaseerd op de 13e eeuwse romance ‘L’histoire du très-noble et chevalereux prince Gérard, comte de Nevers et la très-virtueuse et très chaste princesse Euriant de Savoye, sa mye’. Rimski Korsakov zou dit vermoedelijk als titel voor zijn opera hebben gekozen in plaats van Euryanthe.

Chézy’s teksten zijn vaak tenenkrommend en het verhaal hangt van onwaarschijnlijke situaties en absurde wendingen aan elkaar. Naar verluidt heeft Mahler bij gelegenheid van een Euryanthe in de Wiener Staatsoper ooit opgemerkt dat Madame Chézy beschikte over een vol hart en een leeg hoofd. We kunnen ons dus maar het beste op de muziek richting van dit romantische drama.

In tegenstelling tot Der Freischütz kent Euryanthe geen dialogen. Weber zet een stap vooruit van Spieloper naar een doorgecomponeerd werk. Behalve inhoudelijk zien we ook op dit punt duidelijke overeenkomsten met Lohengrin. De stijl is puur romantiek en er zijn nauwelijks stukken die het karakter hebben van een reguliere aria. Overigens is de muziek weinig gevarieerd, verloopt vaak volgens hetzelfde patroon: nerveus met horten en stoten opklimmend tot een climax, denk aan ‘Leise leise fromme Weise’.

De handeling in Theater an der Wien speelt zich af in een witte diepe zaal met hoge wanden en een deur achterin. Er staat een eenvoudig ijzeren bed en een vleugel. Alleen dat bed heeft een functie. Daar spelen diverse scènes zich af waarin de protagonisten één op één elkaar het leven bemoeilijken.

De kostumering van Judith Weirauch is stemmig eigentijds, zoals we dat in de producties van Loy gewend zijn. Het liefst laat hij iedereen in smoking rondlopen, zo lijkt het wel eens. De reine maagd Euryanthe in gedeeltelijk wit, het serpent Eglantine dat ze aan haar boezem koesterde in een prachtige rode jurk. Lysiart begint zich zodra hij Euryanthe ziet direct uit kleden. Als de tweede akte begint ligt zij op dat bed en draait hij er geheel naakt omheen.

De titelrol wordt zeer standvastig vertolkt door Jacquelyn Wagner, geheel conform het karakter van haar personage. Weber heeft voor de sopraan een veeleisende partij geschreven maar Wagner weet daar uitstekend raad mee. Ze is een rots in de branding in de rommelige handeling.

Eglantine komt voor rekening van mezzo Theresa Kronthaler, een beauty met een stem die zeer goed zingt en acteert maar tevens een perfecte typecast is.

Bariton Andrew Foster Williams begint als een recalcitrante edelman die jaloers is op alle aandacht die Adolar indirect krijgt met dat gedoe om die fantastische verloofde van hem, en natuurlijk ook zijn doorslaggevende rol in het winnen van de oorlog. Vervolgens verkeert hij in ‘a man scorned’ die op wraak zint en eindigt als een verstotene. Hij doorloopt deze rollercoaster op herkenbare wijze en weet dat in alle stadia voortreffelijke door zijn zang te ondersteunen. Hij is de beste man van het veld.

Zijn rivaal Adolar doet eigenlijk weinig meer dan achter de feiten aanlopen. Weber geeft hem veel te zingen en Norman Reinhardt brengt zijn partij vaak handenwringend of gewoon verbijsterd met verve over het voetlicht. Stefan Cerny geeft een goede vertolking van Lodewijk IV, de pendant van Heinrich der Vogler.

Constantin Trinks geeft leiding aan het prachtige spelende ORF Radio-Symphonieorchester Wien en het Arnold Schönberg Chor.

cd:

Voortreffelijke Euryanthe uit Wenen

 Dramatisch heftige Gurrelieder door fenomenale uitvoerenden, in het Concertgebouw

Tekst: Neil van der Linden

©Ron Jacobi

Gurrelieder is eigenlijk een Schubert-Erlkönig tot de tiende macht. Of zo brachten Ricardo Chailly en de centrale zanger en wat mij aangaat ster van de avond Andreas Schager het immense stuk.Schager is dan wel een veteraan in de grote Wagner-rollen, maar, hoe volumineus de orkestpartijen geregeld zijn, en hij kwam er telkens bovenuit, hij bleef een prachtige Liedsänger.

Over zijn legendarisch opname van vier decennia geleden, met onder meer Siegfried Jerusalem, Brigitte Fassbaender en Hans Hotter, zegt Chailly nu dat hij toen accentueerde hoe het werk, waarvan Schoenberg het eerste deel voltooide in 1903, aansloot bij de eeuw van Tristan und Isolde tot en met Mahlers Tweede Symfonie. Nu zegt hij dat hij wil laten horen hoe het werk, waarvan Schoenberg de rest in 1911 voltooide, ook wil laten passen bij de tijd waarin Schoenberg al volop met de mogelijkheden van de atonaliteit experimenteerde.

In het Concertgebouw, waarvan de akoestiek enerzijds ruimte laat voor het detail maar waar het grote symfonische ook gemakkelijk tot een groter geheel versmelt, slaagde Chailly erin de dualiteit van het werk fraai uit te laten uitkomen, maar in één grote fraaie lijn.

En ja, mondt het idioom van Tristan und Isolde tot en met Gurrelieder en als je het nog wat verder doortrekt Die Tote Stad niet regelrecht uit in de twintigste-eeuwse filmcultuur, en dan heb ik het over de groten Korngold, Waxmann en Hermann (waar vervolgens John Williams e.d. lustig mee aan de haal gingen)?

De slogan dat alles mooier klinkt in het Concertgebouw kennen we, maar als dat voor iets geldt is dat voor de gigantische orkest en kooruitbarstingen in het werk. Sinds ik vijftig jaar geleden als vastgenageld aan de grond stond bij een radio-uitvoering heb ik het werk op LP en CD gekoesterd. Maar nu voor het eerst live was het alsof je eindelijk word verenigd met een oude geliefde.

Ik zou zo benieuwd zijn wat die stuntelende nieuwe cultuurwoordvoerders in de Tweede Kamer, onder meer met een pleidooi voor de moeilijke situatie waarin onze schuttersverenigingen zich bevinden, van een concert als dit zouden hebben gevonden als ze erbij zouden zijn geweest. Overigens hebben we met al dat prachtige koper dat deze avond present was heel wat te danken aan de amateur-fanfares, die vaak samen optrekken met schuttersverenigingen, dus ik bedoel niets ten nadele van die cultuurvormen.

‘Als ik kijk naar de partituur, wil ik alles laten horen. Bij een stuk dat zo vol muzikale lijnen zit, is dat ontzettend moeilijk’, zo zei Chailly in een interview voor NPO Klassiek. Toch liet hij ook in de meest complex bezette passages uit de partituur het orkest klinken alsof het één instrument was, dat nu eens klonk als een orkaan, en dan weer als een lentebries, en vervolgens ook nog eens als muziek uit de hemel en daarna weer uit de hel.

Het is misschien speculatief om te stellen dat vier decennia geleden Chailly zich het meest met een jonge krachtige Waldemar identificeerde en dat hij zich nu wel eens meer verwant zou kunnen voelen met wat de cynischer rollen van de nar en de verteller.

Overigens droeg ook Andreas Schager uit dat ook Waldemar over meer levenswijsheid beschikt dan een Siegfried-achtige wildebras; een rol waarin Schager op het operatoneel verschijnt. En ook als Schager niet zong was hij nog steeds zeer aanwezig op het podium -acteerde hij als het ware mee -, vaak met een milde, misschien melancholische glimlach, en zichtbaar meelevend met wat vocaal en instrumentaal om hem heen gebeurde. Nou ja, het gebeurt ook niet zo vaak in je leven dat je op die plek in zo’n werk zit. Schager was degene die, zingend en zwijgend, ons, het publiek, van het begin tot het eind deelgenoot maakte van het verhaal.

©Lienneke Effern

Camilla Nylund was een etherische, maar waar nodig ook warme Tove. Mede vanwege haar witte gewaad, moest ik denken aan de Brünnhilde van Gwyneth Jones in Patrice Chéreau’s Ring-enscenering in Bayreuth. Met als Jones oscilleerde Nylund mooi tussen bovennatuurlijke verschijning en vrouw van vlees en bloed.

De partij van de Woudduif is zo mooi geschreven dat die daarom eigenlijk een zelfstandige hitsong geworden. Ekaterina Semenchuk was niet helemaal mijn idealse Woudduif van mijn dromen, van de beste CD-opnamen, wegens bijvoorbeeld flink wat vibrato in de stem. Maar de laagste en hoogste passages kon ze gemakkelijk aan. En verder waren er gewoon de hele tijd Chailly en datvorkest.

Tussen het lange eerste deel en de bij elkaar veel kortere delen twee en drie zat een pauze. Daar is wat voor te zeggen, maar die spreekt niet helemaal vanzelf. Enerzijds zit er de caesuur tussen de voltooiing van deel I en de rest. In die tijd veranderde Schoenberg zoals gezegd aanzienlijk in stijl. Enerzijds was hij atonaler gaan componeren, anderzijds had hij Mahler ontmoet en was hij onder de indruk geraakt van de instrumentatie van diens (eveneens reusachtige, maar overigens nog steeds tonale) achtste symfonie.

En je kunt vinden dat er in het plot een tijdsspanne moet zitten tussen deel I en II. Nadat Tove is vermoord, gaat Waldemar eerst in de rouw. Maar vervolgens zweert hij wraak tegenover God, die hem daarop veroordeeld tot met zijn een leger van dode soldaten eeuwig ronddolen over nachtelijke jachtvelden, telkens tot de dag aanbreekt. Dat horen we allemaal in de veel kortere delen II en III. Maar je kunt Tove’s godslastering ook als een onbesuisde wanhoopsdaad voorstellen die onmiddellijk volgt op de dood van zijn geliefde. Er is dus ook veel voor te zeggen om het werk zonder onderbreking uit te voeren. Zo deed De Nederlandse Opera het ook in de scenische uitvoering in de regie van Pierre Audi.

Er is ook een pragmatisch argument, omdat de vrouwelijke stemmen alleen in het eerste deel voorkomen, en drie mannenstemmen en het koor in de muziek pas na de pauze. Dat is ook in de concertzaal praktisch op te lossen, door de wisseling van de wacht plaats te laten vinden tijdens tussen deel 1 en 2. En bij Beethoven 9 en Mahler 2 zit het hele koor er ook tot het pas aan het eind optreedt.

Ik zelf verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat ik in een naar het leek uitverkochte zaal, na de pauze van plaats kon veranderen, van een overigens prima plaats in het zijvak naar een zo te zien nog enig overgebleven plaats in het middenvak. Het was een extra kippenvel-ervaring om al het geluid opeens recht je af te horen komen.

© Lieneke effern

Klaus de Nar werd vertolkt door invaller Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, en ook al weten we niet wat we misten, dat hij inviel leek een geluk bij een ongeluk, in de rol die hij ook al had vertolkt in Pierre Audi’s enscenering bij De Nederlandse Opera. Nu zat hij direct links van de dirigent. Al voor hij begon met zingen viel hij op met zijn droogkomische mimiek, starend naar de dirigent, alsof hij op elk moment een signaal kon verwachten om te beginnen met zingen. Vanaf het moment dat zijn zangrol ging hij muzikaal én theatraal een dialoog aan met Chailly. Klaus de Nar is degene die het allemaal heeft meegemaakt, en eigenlijk de slimste van het hele stel is, maar, mede door zijn lage komaf altijd slaafs afhankelijk van anderen zal blijven, en die zich in deze opvoering, zonder zijn voormalige broodheer Waldemar, als het ware hoopt bij de dirigent een nieuwe heer en meester te vinden. Erg mooi gedaan

© Lieneke Effern

Mooi gedaan was ook de rol van verteller. Was dat in Chailly’s CD-opname de toenmalige opera-veteraan Hans Hotter, nu is dat Robert Holl. Zijn Sprechgesang leek stram en vermoeid, en het gezongen deel dat volgt kwam er bijna stamelend uit, maar dat past allemaal bij de rol. De spreker kondigt weliswaar het begin van een nieuwe dag aan, maar de laatste uren van een uitputtende nacht, waartoe de personages zijn gedoemd, alvorens de stralende zon ze als spookbeelden verjaagt, totdat de volgende nacht alles overnieuw moet beginnen.

Concertgebouworkest
Riccardo Chailly dirigent
Robert Holl bas en verteller
Camilla Nylund sopraan (Tove)
Ekaterina Semenchuk mezzosopraan (Waldtaube)
Andreas Schager tenor (Waldemar)
Wolfgang Ablinger-Sperrhacke tenor (Klaus-Narr)
Wolfgang Koch bas (Bauer)
Groot Omroepkoor
Laurens Symfonisch Koor
Chor des Bayerischen Rundfunks

Gehoord in het Concertgebouw Amsterdam 2 februari 2024.

Foto’s: © Simon van Boxtel en Neil van der Linden

Mooie Noorse opname onder Edward Gardner:

https://bergenphilive.no/en/video-concerts/2016/1/arnold-schoenberg-gurrelieder

Discografie:

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

Van socialiteit tot schandaal en van polaroid tot opera

Tekst: Sander Boonstra

Wanneer is het nog artistiek verantwoord en wanneer is het ordinair; wanneer balanceer je op de grens en wanneer ga je er (roemloos) overheen; hoelang blijf je kijken en wanneer kijk je weg; wanneer geef je toe dat het genoeg is geweest? Enkele vragen die gisteren bij mij naar boven zijn gerezen na het zien van Powder her face van Thomas Adès, de nieuwste productie van de Nederlandse Reisopera die vorige week in Enschede in première ging.

De “‘pijp-aria’

De 24-jarige veelbelovende componist Thomas Adès heeft een opdracht van het Almeida Theatre in Londen op zak en op zoek naar een onderwerp voor zijn opera, oppert zijn goede vriend en beoogd librettist Philip Hensher: “Wat dacht je van een pijp-aria?”.

      Margaret Campbell

Hij refereert daarmee naar het veelbewogen leven van de in 1993 overleden Margaret Campbell, ook wel bekend als de Duchess of Argyll of “the Dirty Duchess”: door haar eigen man beschuldigd van overspel met meer dan 88 mannen (niet dat de hertog roomser dan de paus was…) en waar tijdens de rechtszaak enkele polaroids getoond werden die het nodige stof deden opwaaien. Vooral die ene met “de man zonder hoofd”…

Openingsbeeld Powder her face ©Sander Boonstra

De première van Powder her face op 1 juli 1995 deed ook genoeg stof opwaaien. Mensen stonden in de rij om nog een kaartje te bemachtigen, terwijl de avond al lang en breed uitverkocht was. Op voorhand werd er al schande van gesproken, dat iemand van adel op een dergelijke manier in de kijker werd gezet, maar het vergrootte de aandacht voor Adès’ werk alleen maar. De twee-akter werd prima ontvangen; wat het publiek vooral onthield was de muzikale weergave van de orale bevrediging van de piccolo door de hertogin…

Of de Nederlandse première van Powder her face door de Reisopera net zoveel stof heeft doen opwaaien als dertig jaar geleden, weet ik niet. Maar ik durf wel te zeggen: ga er heen zolang het nog kan. De muziek van Adès is fantastisch en de regie van Paul Carr (samen met decor- en kostuumontwerper Dominique Wiesbauer) is treffend, sexy en geil, maar zonder zijn doel voorbij te schieten. De vierde scène in het hotel, waar de Duchess in bad een telefoongesprek voert (uhuh…) en de piccolo rijkelijk “getipt” wordt, laat niets aan de verbeelding over, maar is niet over the top. Carr prikkelt de toeschouwer, prikt subtiel waar het kan, maar blijft ethisch. Over de gehele linie is deze productie mijns inziens artistiek verantwoord en blijft hij dichtbij het libretto. Wat mij betreft had hij zelfs nog wel een stapje verder gemogen.

Phion, Orkest van Gelderland en Overijssel levert een 15-koppig ensemble dat zich onder leiding van dirigent Otto Tausk met verve door de lastige partituur van Adès speelt. Ze zijn de diverse stijlen en kleuren machtig en laten daarmee zien dat ze van alle markten thuis zijn. Vanaf de eerste tot en met de laatste noot pakken ze je en staan ze volledig in dienst van de zangers en wat er op het toneel gebeurt.

Slechts vier zangers zingen en spelen in totaal achttien rollen, ga er maar aan staan… Aangevoerd door Laura Bohn als de Duchess (in het libretto Mrs. Freeling genoemd) zetten ze de acht scènes neer en nemen ze het publiek mee in de hoogtepunten (of dieptepunten) die het roerige leven van de Duchess of Argyll schetsen.


Bohn speelt de Duchess ingetogen, laat als haar karakter niet het achterste van haar tong zien. Qua zang weet ze hoe ze de partij aan moet vliegen, maar ze had wat mij betreft wat meer mogen geven in haar spel, nu is het over de gehele linie wat mat en tam. John Savournin moet als (onder andere) de hertog en hotelmanager een groot bereik hebben. En dat heeft ie.


Maar de twee zangers die er voor mij bovenuit springen zijn Alison Scherzer en Daniel Arnaldos: Scherzer met haar soepele stem, die elke coloratuur feilloos zingt en Arnoldos die ogenschijnlijk zonder moeite elke rol zingt en speelt. Beiden overtuigen in hun rollen, maar waarbij Scherzer als Society Journalist de show steelt.

Powder her face: de muziek, het verhaal… ze pakken je, zorgen ervoor dat je elke seconde wilt meemaken. Pers en publiek likten hun vingers tijdens de rechtszaak in 1955 er bij af; in 2023 zitten we vooraan om te zien hoe Mrs. Freeling veroordeeld wordt. We zijn getuige van iemand die in haar hoofd een ander idee van zichzelf heeft dan hoe de wereld haar ziet. En Adès, Hensher, De Reisopera en Paul Carr zorgen ervoor, dat we blijven kijken.

Slotapplaus voor de cast van Powder her face in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden op 26 januari 2024. © Sander Boonstra

trailer:

Foto’s van de productie: © Marco Borggreve

Powder her face van Thomas Adès is nog te zien tot en met 18 februari. Check www.reisopera.nl voor de exacte locaties, data en tijden

dvd opname van de opera:
Powder her face van Thomas Adès is een must voor elke operaliefhebber

Prijzenfeest met aandacht voor het niet-standaard-repertoire in de opera.

Tekst: Neil van der Linden

© Neil van der Linden

Naar verluidt was dit de eerste keer dat de Oper! Awards – ondanks hun Engelstalige benaming – voor het eerst buiten Duitsland werden uitgereikt. De prijswinnaars vielen dan ook voor het grootste deel binnen het Duitse taalgebied.

In elk geval was De Nationale Opera die dit jaar tot beste operahuis was verkozen het aan haar stand verplicht om het evenement maar eens te organiseren.

Van de gekozen zangers waren drie man en één vrouw, maar dat kan gebeuren als er maar vier prijzen te verdelen zijn. En de vrouw, de Albanese sopraan Ermonela Jaho, overtroefde iedereen. Ze zong ‘Chi il bel sogno di Doretta’ uit La Rondine van Puccini. Wat een stem, en wat een présence.

De verkozen beste zanger, de Amerikaan Michael Spyres, stelde mij daarentegen teleur. Ok, ik weet niet of de winnende zangers van te voren inplaats van al in de zaal te zitten ergens konden inzingen, anders moest hij vanuit het niets ‘Mein lieber Schwann’ uit Wagners Lohengrin zingen, terwijl de anderen het wat dat betreft gemakkelijker hadden. Maar zijn stem kleurt verschillend in verschillende registers. Hij heeft ook een neiging tot wapperen in forte-passages. En ik was ook niet onder de indruk van zijn dramatische uitstraling.

De als beste nieuwkomer aangemerkte Britse bariton Huw Montague Rendall beviel mij beter. Hij heeft volgens de jury geëxcelleerd als Debussy’s Pelléas en nu zong hij ‘O vin, dissipe la tristesse’ uit Thomas’ Hamlet. Mooi. Het orkest was ook geheel op dreef.

De vierde zanger die in de prijzen viel was de Franse lyrische tenor Cyrille Dubois, in de categorie beste solo-album. Hij zong uit Théodore Dubois’ onbekende opera Xavière ‘Au clair matin’. Misschien maakt hij het zich relatief gemakkelijk door een onbekende aria te zingen, maar je kunt ook zeggen dat er dan op alles wordt gelet.

Wat Nederlands aandeel betreft kan ook worden opgemerkt dat kostuumontwerper Klaus Bruns een prijs kreeg vanwege Alexander Raskatovs ‘Animal Farm’ bij de Nationale Opera, met name vanwege de half-doorzichtige dierenmaskers

Spectaculaire wereldpremière van Animal Farm

De prijs voor de beste opvoering viel Martinú’s The Greek Passion in de Salzburger Festspiele ten deel (die unieke lijdensverhaal-komedie, die best wel eens naast ‘Jesus Christ Superstar’ zou mogen worden opgevoerd).

In de categorie Beste Complete Opera Opname won het onvermoeibare Opera Rara met de CD- (nog steeds CD!) première van Jacques Offenbachs La Princesse de Trébizonde. Dirigent Paul Daniel legde aanstekelijk uit hoe Opera Rara niet alleen toestemde in een zorgvuldige voorbereiding met de cast voordat er nog maar één noot zou worden vastgelegd, maar ook hoe Opera Rara ermee instemde zowel delen uit de oerversie bedoeld voor Baden-Baden als voor de Parijse reprise of eigenlijk hercomponering vast te leggen. Ware liefhebbers aan het werk. Gezien de locatie waar de opera blijkbaar is gesitueerde, het Ottomaanse Rijk aan de Zwarte Zee, ben ik ook qua verhaal extra benieuwd naar dit werk.

Wat de soorten producties die in de prijzen vielen is interessant te vermelden dat er ook een prijs was voor het meest storende in de operawereld, namelijk de angst voor onbekende terreinen bij veel operahuizen. Als label valt natuurlijk ook Opera Rara buiten deze categorie.

Dat de operahuizen van St Gallen en Meiningen buiten die categorie zouden vallen moge duidelijk zijn als we bezien waarvoor ze wel prijzen kregen, namelijk respectievelijk voor Tobias Pickers Lili Elbe, over en met transgender-bariton Lucia Lucas, en ‘Ivan IV’ (De Verschrikkelijke) van Bizet; de première van laatstgenoemde opera vond plaats exact een jaar na de recente tweede Russische inval in Oekraïne.

Drie van de vier winnende zangers waren man, maar bij een totaal van vier kan het gemakkelijk gebeuren dat de verdeling niet fifty-fifty is.

Bovendien corrigeerden in andere categorieën vrouwen de balans. Nathalie Stutzmann als dirigent, De Nationale Opera met Sophie de Lint aan het roer, beste regisseur Lydia Steier, Lifetime Achievement Waltraud Meier.

Mooi was dat Nathalie Stutzmann een prijs kreeg voor beste dirigent vanwege haar directie van Tannhäuser in Bayreuth.  En die had ik deze zomer gezien. Geweldig, inderdaad. Trouwens ook de hele productie was geweldig.

Recensie van Tannhaüser olv Nathalie Stiutzman:

Een Tannhäuser in Bayreuth in de kleuren van de regenboog

Opvallend was hoe mooi het orkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest, vanaf het podium klonk. De strijkers en het koper waren bijvoorbeeld subliem in het Lohengrin-fragment, en het orkest paste zich later in het programma net zo gemakkelijk aan de vereiste veel lichtere toets als het de aria uit La Rondine begeleidde.

Dirigent Andrea Battistoni, momenteel ook al zo goed op dreef in La Traviata bij DNO, leidde het geheel subtiel gedifferentieerd. Moet hij misschien niet maar wat vaker terugkomen? Er zijn momenteel diverse vacatures. En nee, we weten niet of hij aan sport doet. En hij is niet blond en niet Fins.

Naast Ermonela Jaho’s optreden was voor mij het hoogtepunt van de avond de Lifetime Achievement-prijs voor Waltraud Meier. Aan het eind werd zij geïnterviewd door jurylid Kai Luehrs-Kaiser. Op deels pijnlijk onnozele vragen, tot en met over haar kat, gaf zij intelligente antwoorden, zonder sterallure-vertoon. Zij werd gepresenteerd als de werkelijke opvolger van Birgit Nilsson, hoewel, zoals ze stelde, ze maar een paar dezelfde rollen hebben gezongen, wel Isolde en Venus, maar bijvoorbeeld niet Brünnhilde.

Ze stelde zelfs dat ze ooit voor Brünnhilde was gecontracteerd, maar op zeker moment besloot met de Sieglinde van toen de rollen om te draaien. Ze beschouwt zichzelf als mezzosopraan. Isolde kan, en Brünnhilde in Die Walküre eventueel nog ook. Maar met Brünnhilde in Siegfried en Götterdämmerung zou ze haar stem kapot hebben gezongen.

Ze had het over haar befaamde Isolde uit de Scala in Milaan met Chéreau als regisseur en Barenboim als dirigent. Chéreau beschouwde zij als een ideale regisseur, hij begrijpt alles van de muziek, alles van de tekst, als wandelende boekenkast, en alles van zangers. Als haar voorbeeld voor de aanpak van een rol roemde ze Renata Scotto: techniek onder de knie krijgen en inleven.

Verder waren er de nodige kwinkslagen, zoals dat ze de award kreeg voor het stoppen met zingen en over de snoepjes waarop ze tijdens het zingen zuigt, met als gevolg dat ze met de podiumtechniek moet afspreken dat de drie snoepjes die ze per akte van Tristan und Isolde op een onzichtbare plek klaar legt moeten blijven liggen.

O ja, haar laatste rol was (de voor Duitstalige mezzo’s befaamde rol van) Klytemnaestra in Strauss’ Elektra. Haar kat, een vondeling, heeft ze Orest genoemd, naar het klassiek-Griekse personage Orestes, dat in de mythologie zijn zuster Elektra komt bijstaan om hun moeder te vermoorden. Dit om te bewijzen dat zij zelf best goed kan opschieten met Orestes.

Op de foto’s:
Huw Montague Rendall 
Michael Spyres 
Sophie de Lint
Cyrille Dubois
Ermonela Jaho
Waltraud Meier
Solisten en koor in Libiamo uit La Traviata

Foto’s Michel Schnater

De winnaars in de solisten categorieën zongen tot besluit samen met het orkest en het Operakoor ‘Libiamo’ uit La Traviata.