Het begrip ‘traumpaar’ heeft sterk aan betekenis ingeboet. Want, zeg maar zelf: hoeveel van de ‘traumparen’ zag u komen en gaan zonder dat er iets van overbleef? Gheorghiu/Alagna gingen vechtscheidend uit elkaar, Netrebko/Villazon bestonden eigenlijk alleen op papier en – wie weet? – in de tenors dromen….
Maar het hoeft geen fabel te zijn want ooit bestond zo’n droompaar ook in het echt. De Poolse tenor Jan Kiepura en de Hongaarse sopraan Martha Eggerth wisten hun sprookjesachtige status van voor elkaar geschapen te zijn niet alleen te bereiken maar ook te behouden. En dat zowel op de bühne, op de filmdoek als in het echte leven.
In de film Zauber der Bohème van Géza Von Bolváry uit 1937 maken we kennis met twee verliefde jonge zangers in spe wiens leven zich parallel afspeelt zowel in het echt als op de bühne. Hun lotgevallen lijken sterk op het leven van de fictieve personages die zij ook op de bühne vertolken, maar de dood is hier echt en onoverkomelijk: na haar laatste noten sterft Denise/Mimi (Eggerth) in de armen van René/Rodolfo (Kiepura). Doek!
Naast aria’s uit La Bohème van Giacomo Puccini zijn er ook twee liederen die speciaal voor de film zijn geschreven door Robert Stolz en Ernst Marischka: ‘Ich liebe Dich!’ en ‘Weine nicht, bricht eine schöne Frau Dir das Herz.’
‘Ich liebe Dich’:
Jan Kiepura zingt ‘Weine nicht, bricht eine schöne Frau Dir das Herz.’
De laatste scéne uit de film:
Hier redt u het niet met één zakdoek, maar u moet wel tegen een zeer slechte beeld en geluidskwaliteit kunnen. Maar eerlijk gezegd: who cares?
En de hele film, helaas zonder ondertitels:
Naschrift: in 1938 zijn Martha Eggerth en Jan Kiepura, die beiden Joods waren Ostenrijk en Europa op tijd ontvlucht. Het ‘verdwenen’ Oostenrijk en de Weense flair namen ze mee naar New York.
How many female composers do you know? Clara Schumann, Fanny Mendelssohn… and then? We have to jump more than a hundred years to finally come across Bacewicz, Gubaidulina and Ustvolskaya. And because it has recently become quite a hip subject, Hanriette Bosmans has also been rediscovered.
The Hague String Trio, an ensemble that had previously more than pleasantly surprised me with a plea for (mostly forgotten) works by ‘Entartete componisten’, has now recorded a CD that puts female composers at the center. Kudos to them! On their CD, titled Celebrating Women, they have recorded previously unrecorded string trios by female composers from the second half of the nineteenth and the first half of the twentieth century. All four composers are as different as can be. Not only do they come from four different countries (and three continents), but their cultural and social backgrounds could not be more diverse.
‘Not recorded before’ is a euphemism because actually none of the composers recorded are (well) known.
Dame Ethel Smyth
The only exception (I hope?) is Dame Ethel Smyth (1858-1944), whose name we still come across here and there. But the remaining three? Miriam Hyde? Emmy Frensel Wegener? Irene Britton Smith? Who were they?
Bertha Frensel Wegener-Koopman
Bertha Frensel Wegener-Koopman (1874 – 1953) was born in Bloemendaal. She studied piano and composition at the Amsterdam Conservatory. She often performed, as a pianist, until her marriage with John Frensel Wegener. But she continued to compose. Songs in particular, which were performed by Julia Culp and Jo Vincent, among others. Her Suite for violin, alto and cello from 1925 is wonderfully light-hearted and cheerful. Something that makes you happy. But don’t forget the serious undertone in the Andante. Something that really gives the composition more cachet.
Miriam Hyde
Australian Miriam Hyde (1913 -2005) was not only a composer, but also a pianist, music teacher and poet. She composed more than 150 works for various instruments (mainly piano) and orchestra, 50 songs, and she performed as a concert pianist with the greatest conductors of the time. She also published several books of poetry. Her string trio from 1932 is very melodious and at times very exciting. High-flyer? Not really, but wonderful to listen to.
Irene Britton Smith
And then we come to Irene Britton Smith (1907-1999). For me, she is a real discovery. This student of Nadia Boulanger and others was not only a composer, she was also a teacher. Britton Smith came from Chicago and had Afro-American, Crow and Cherokee roots.
About Irene Briton Smith
Miriam Hyde, Emmy Frensel-Wegener, Ethel Smyth and Irene Britton-Smith could not have wished for better ambassadors of their music than The Hague String Trio. I so hope that this CD will be emulated and that female composers will be performed and recorded more often. Many of their compositions are real gems that do not deserve to be forgotten.
The Israel Philharmonic Orchestra turned 75 years old on december 26, 2011 The anniversary was celebrated abundantly with a concert that was enough to make anyone’s mouth water. The festivities took place in Hangar 11 in Tel Aviv, an exceptionally beautiful location situated in the old port of the city.
First of all, there was Zubin Mehta. The conductor of Indian origin has devoted heart and soul to the orchestra, for which he was rewarded by being named Music Director for Life in 1981. His performance of Beethoven’s Eighth was rock solid, but the contributions of the soloists surpassed the orchestral virtuosity.
Evgeny Kissin was brilliant in Chopin’s First Piano Concerto. The sound, unmistakably Polish and highly romantic brought the audience to tears. As for me, on my comfortable couch in Amsterdam, my TV screen got suspiciously hazy.
Both violinists, Julian Rachlin and Vadim Repin were genial in their own way, and a match for each other. In contrast to Rachlin’s slightly emphatic, full-blooded, romantic sound, Repin’s tone was more transparent. I need to add that Chausson’s Poème played by Repin is in a different league than Saint-Saëns‘ Introduction et Rondo Capriccioso, but the Sarabande from Bach’s second Partita was as wax in Rachlin’s hands.
Bronislam Huberman
In addition there is a documentary on the early years of the orchestra. What we get to see here is invaluable. Bronisław Huberman and his idealistic plan, with which he not only created one of the greatest orchestras in the world but saved hundreds of lives as well.
Arturo Toscanini in action:
Bernstein and the orchestra
A young Bernstein performing for the young army. Moving family histories….
On 20.11.48, a few days after its liberation, the IPO performed a moving concert on Beer Sheba’s dunes and senior orchestra members remember the young Leonard Bernsten playing and conducting the orchestra before 5,000 soldiers within earshot of the retreating Egyptian forces.”
I doubt this documentary will ever be shown on TV. So go to the store and buy the dvd. Put your feet up, take the time for it, enjoy, and be moved.
Trailer:
SAINT-SAËNS, BACH, CHOPIN, CHAUSSON, BEETHOVEN Julian Rachlin, Vadim Repin (viool), Evgeny Kissin (piano) Israel Philharmonic Orchestra olv van Zubin Mehta Euroarts 2059094 • 95’(concert) + 52’(documentaire)
One of the finest performances of Mozart’s Sinfonia Concertante, with Itzhak Perlman and Pinchas Zukerman, made at the 1982 Huberman Festival. The Israel Philharmonic is conducted by Zubin Mehta:
In 2005 stond dit werk van Karl Amadeus Hartmann op het programma in Stuttgart. Een opname is op dvd uitgebracht door Arthaus.
Hartmann (1905-1963) was vóór 1933 nog maar weinig succesvol geweest. Hij probeerde zijn carrière onopvallend voort te zetten en daarbij zo min mogelijk contacten met de nieuwe muziekwereld te maken. Later verklaarde hij in ‘innere Emigration’ te zijn gegaan. Opvallend genoeg kreeg Hartmann betrekkelijk veel vrijheid om naar het buitenland te reizen om festivals te bezoeken en contact te maken met collega’s.
Herman scherchen
Ook de relatie met dirigent Hermann Scherchen werd nooit verbroken, de socialistische avant garde musicus die zich in Zwitserland had gevestigd. Via Scherchen probeerde de componist zijn bestaande werken in het buitenland uitgevoerd te krijgen maar die liet het vooral bij beloftes. Door een hartafwijking voor te wenden kon Hartmann zich aan militaire dienst onttrekken en na de oorlog maakte hij carrière als iemand die zich had verzet tegen het regime.
von Grimmelshausen
In 1934/35 componeerde Hartmann Simplicius Simplissimus, een operadrama met veel gesproken teksten op een libretto van Hermann Scherchen, Wolfgang Petzet en de componist naar de gelijknamige roman van Jakob von Grimmelhausen. Het betreft de jeugdjaren van Simplicius, aanvankelijk een onbenul, en speelt zich af tijdens de Dertigjarige Oorlog. Die lag al ver in het verleden dus dat was wel een geschikt onderwerp om impliciet de nodige kritiek op de actuele situatie in Duitsland te leveren.
Of Scherchen die veilig in Zwitserland zat de bedoeling had het werk buiten Duitsland uit te voeren, is niet bekend. Het bleef in elk geval in een la liggen en ging pas in 1948 in première. De muziek is niet opvallend modern en met de duidelijke anti oorlogsboodschap was de componist tot begin 1939 waarschijnlijk wel weggekomen bij Goebbels. Maar Hartmann gaf kennelijk de voorkeur aan zijn leven in de luwte.
Een spreker geeft bij aanvang uitleg over de context van het verhaal. In 1618 woonden er 12 miljoen mensen in Duitsland, in 1648 waren er nog maar 4 miljoen over. In die setting groeit de reine Tor Simplicius als eenzaam weeskind op. Hij moet bij een boer schapen hoeden en daarbij vooral blijven zingen om ‘de wolf’ af te schrikken. Vervolgens wordt hij door een huursoldaat (Landsknecht) meegenomen, nadat natuurlijk eerst de boer is omgebracht. De jongen wordt achtergelaten bij een kluizenaar (Einsiedel) die hem twee jaar onder zijn hoede neemt en wat kennis van het leven bijbrengt waaronder de christelijke grondbeginselen.
Maar dan besluit deze man dat hij geroepen is te sterven, hij graaft zijn eigen graf en draagt Simplicius op zijn lichaam te bedekken met de uitgeschepte aarde. De ‘wolf’ en deze grafscène kunnen worden opgevat als allegorie voor Hitler en de innere Emigration. Maar het komt natuurlijk wel gewoon uit de roman van Grimmelhausen.
De wijzer geworden jongen belandt daarna aan het hertogelijk hof waar hij iedereen belerend toespreekt en daarmee wegkomt doordat de machthebber hem tot hofnar benoemt. Als de oorlog ook het hof bereikt komt iedereen om het leven behalve Simplicius. In de roman staat hij nog maar aan het begin van zijn carrière als ronddolende avonturier maar daar hebben Scherchen en Hartmann geen boodschap aan. Zij hebben hun punt genoegzaam gemaakt, het nieuwe regime deugt niet en als er oorlog uitbreekt zijn we allemaal ten dode opgeschreven.
Het werk is een operadrama, toneel en opera ineen. Ook de leden van het orkest krijgen zinnen te declameren. Aan het einde van de eerste akte klinkt een orkestraal intermezzo waarin Bachs koraal ‘Nun ruhen alle Wälder’ te horen is, aangevuld met verwijzingen naar onder meer Stravinsky en Prokofjev. Een tweede intermezzo, de ‘Drei Tänze der Dame’ begin derde akte klinkt bijna ‘Heimatachtig’, opgewekte dansmuziek. Alles bijeen komt het weinig consistent over en op enig succes bij het publiek zou Hartmann in 1935 zeker niet hebben kunnen rekenen. Waarschijnlijk is dat de belangrijkste reden geweest om het ‘voor de bureaula’ te maken, niet de mogelijke afkeuring door de censuur.
De enscenering die Christof Nel voor Stuttgart verzorgde oogt tamelijk basaal, vooral ook door het simpele decor van Karl Kneidl. De kostumering van Silke Willrett is eenvoudig eigentijds.
De titelrol wordt zeer overtuigend vertolkt door mezzo Claudia Mahnke, zowel vocaal als fysiek een inspannende ervaring die ze uitstekend weet te doorstaan. Michael Ebbecke is een prima Landsknecht die helaas in de derde akte met een machinegeweer loopt te zeulen.
Mijn aandacht ging primair uit naar de bijdrage van Frank van Aken. De tweede akte draait vrijwel volledig om hem en zijn omgang met Simplicius. Zijn Einsiedel wordt getoond als een literator, hij zit voortdurend achter een typemachine als hij even niet hoeft te zingen. Vocaal is van Aken hier op zijn best, goede keuze om de rol hier met zo’n schitterende tenor te bezetten in plaats van een bariton wat soms ook gebeurt.
De overige rollen zijn adequaat bezet. We horen het Staatsorchester en het Staatsopernchor Stuttgart. Kwamé Ryan heeft de muzikale leiding.
It is not easy to put into words a five-hour long, important documentary. So let’s make it very short,
By means of interviews, music fragments and archive films, Christopher Nuppen sketches a picture of the role that Jews have played in German culture: art, literature and music. Their urge for assimilation, inspired among others by Lessing, could only end in tragedy, because “that symbiosis had taken place inside our minds but not in the minds of the Germans”.
Wagner’s role in bringing about the Holocaust is also being examined. Norman Lebrecht says that “he is the one most to blame”, but the mayor of Rishon L’tzion (where, in October 2000, the first performance of Wagner’s music by an Israeli orchestra took place) denies this: “we will not let them take away the music from us, it has nothing to do with it”.
The survivors talk about the great significance that music has had in their lives: “if you could play you felt happy and healthy, the music gave us strength” says the then 98-year old Alice Summer.
The title of Christopher Nupen’s film, We want the light, is taken from a poem written in Theresienstadt by a 12-year-old girl, Eva Pickova.
Vladimir Ashkenazy:
Producer Christopher Nupen talks about the characteristics of his films, the power of music and introduces his film “We Want The Light”.
We want the light film by Christopher Nupen Vladimir Ashkenazy, Daniel Barenboim, Evgeni Kissin, Zubin Mehta, Itzhak Perlman, Pinchas Zukerman, Alice Summer and others. Opus Arte OA CN0909 D (3 DVDs)
(Titel vrij naar Jacob van Eycks Der Fluyten Lusthof.)
Tekst: Neil van der Linden
Er zijn een paar perioden uit de geschiedenis van muziek waarvan iedereen weet dat die van cruciaal belang zijn geweest voor de evolutie van de muziek, maar waarvan de muziek zelf in de vergetelheid is geraakt. Bijvoorbeeld de Mannheimer school, met Johann Stamitz en volgelingen. Waar zou Haydn zijn geweest zonder hen, zou er een Haydn zijn geweest?
Verder de tweede helft van de zeventiende eeuw meteen na Monteverdi, de ‘tussenjaren’ van de barok. En zo ook de periode waarover deze CD gaat, de overgang van Renaissance naar Barok, tweede helft zestiende eeuw. We kennen een paar componisten: Lassus, Victoria, Palestrina, Byrd, Sweelinck, en misschien Caccini en Peri. Maar in werkelijkheid golfde er een stortvloed van nieuwe muziek over Europa. Vanwege de opkomst van de burgerij en de afnemende macht van de adel werd de muziekbeoefening tegelijk breder en kleinschaliger, ze werd ‘gedemocratiseerd’.
Titian: ‘Venus and the Lute Player’, c1565-1570. From the Metropolitan Museum of Art, New York, USA.
De uitvoeringspraktijk verplaatste zich naar kleinschalige concerten, soms door slechts één instrumentalist, en burgers hadden geld en tijd om zich als amateur-muziekbeoefenaar te bekwamen. De luit en de gitaar waren daarbij ideaal vertolkingsmiddelen, want gemakkelijk mee te nemen en veel goedkoper dan klavecimbels, en nodigden toch uit om meerstemmige muziek te spelen, in tegenstelling tot strijk- en blaasinstrumenten. Er ontstond daardoor ook een enorme vraag naar speelbaar materiaal: nieuw geschreven muziek en bewerkingen van bestaande muziek.
Pierre Attaingnant
Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst en nieuwe drukprocédés voor muziek was ook de beschikbaarheid van bladmuziek ‘gedemocratiseerd’. De Parijzenaar Pierre Attaingnant (ca. 1494-1552) ontwikkelde een methode om de notaties in één drukgang te printen en verkreeg daarmee ongeveer het monopolie op muziekdrukken in Frankrijk. Vandaar dat sommige componisten uitweken naar Pierre Phalèse (ca.1510-1573) in Leuven. Op deze CD put de Nederlands-Israëlische luitist en gitarist Israel Golani onder meer uit hun beider baanbrekende uitgaven.
Tussen 1529 en 1578 werden aldus in Parijs, Leuven en later ook Lyon zo’n 44 luitboeken uitgegeven. Ze bevatten bewerkingen van chansons, dansstukken en werken waarin de componist meer academisch zijn gang kon gaan, vaak genaamd fantasieën.
Titel pagina Phalèse ‘Des chansons reduictz en tabulature de lut a deux, trois et quatre parties’, uitgegeven bij Phalèse, Leuven 1547
De chansons zijn bewerkingen van meerstemmige chansons uit de Frans-Vlaamse Renaissance-scholen en zijn vaak melancholisch van toon, met titels als ‘Pleurez mes yeux’ (Albert de Rippe), het openingsstuk van de CD, dat aan het eind in een versie van Guillaume Morlaye terugkeert, en verder ‘Il ne se trouve en amytié’ (Simon Gorlier), ‘De trop penser’ (Jean-Paul Paladin) en ‘Est il douleur cruelle’ (Morlaye). De ‘dansen’ (vermoedelijk net zomin als de dansen in Bachs cellosuiten bedoeld om daadwerkelijk op te dansen) zijn vrolijker van karakter. Net als Sweelincks gelijknamige stukken zijn de fantasieën bedoeld om te experimenteren met theoretisch vernuft.
Frans van Mieris Vrouw die een theorbe bespeelt
Al deze muziek was hoogstwaarschijnlijk vooral bedoeld voor concerten binnen kleine kring of zelfs om in je eentje te spelen, stelt een artikel in het prachtig verzorgde tekstboekje. Denk aan de luitspeelsters, altijd zo te zien uit de gegoede burgerij, op schilderijen van Vermeer en Van Mieris, ook al dateren die van een eeuw later.
Vermeer Vrouw met luit bij een raam.
We mogen deze gegoede burgers in elk geval complimenteren met hun goede smaak. Het is allemaal ragfijne subtiele muziek, vernieuwend tot op de millimeter. Maar doordat de muziek relatief kleinschalig is, én technisch veeleisend, én omdat de luit niet een erg luid instrument is om mee te imponeren en de gitaar als gevolg van de opkomst van klavierinstrumenten, is deze muziek toch in de vergetelheid geraakt.
Vermeer Jonge vrouw met gitaar.
Sommige componisten op de CD zijn nog steeds bekend van hun vocale muziek: Janequin, Crecquillon en Sermisy. Maar namen als Morlaye, Gorlier en Paladin vinden we alleen nog maar op CDs van collega-luitisten.
Golani had al eerder een CD opgenomen met 17e-eeuwse Franse gitaarmuziek. Vier jaar geleden echter stuitte hij op een werk van voornoemde Albert de Rippe, een in Frankrijk populaire vroeg 16e-eeuwse luit-virtuoos van Italiaanse komaf. Het was een arrangement van het anonieme Franse vierstemmige chanson “Un jour le temps”, ook te vinden op deze CD.
Hij raakte geïntrigeerd door de bijzondere harmonische progressies, ongebruikelijke dissonanten en de eisen die worden gespeeld aan speeltechniek in deze muziek. En door het feit dat de muziek bij de juiste aanpak zo mooi laat horen dat ze van de zangkunst afstamt. Golani bestudeerde dan ook de gezongen originelen van de chansons. In het boekje bij de CD staat een aantal teksten van de oorspronkelijke vocale versies afgedrukt.
Sommige stukken worden nu al onspeelbaar beschouwd vanwege de razend moeilijke vingerzettingen. En toch moeten zelfs goede amateurs dit repertoire indertijd hebben kunnen spelen. Het kan zijn dat de instrumenten toen iets anders waren gebouwd, stelt Golani. Of dat je de snaren op andere manieren moet afdempen dan tegenwoordig gebruikelijk is. Ik kan me bovendien voorstellen dat het is zoals met de Sequenza’s van Berio: die zijn vaak als ‘bijna onspeelbaar’ gecomponeerd, maar sommige uitvoerders van het eerste uur vertellen dat hun studenten nu veelal kunnen spelen waar hun docenten nog moesten smokkelen met noten. Golani haalt een vergelijking aan met de scene waarin Umma Thurmans personage in Quentin Tarentino’s ‘Kill Bill’, na verlamd te zijn geraakt, door wilskracht en concentratie voor het eerst een teen leert te bewegen.
In zijn tekst bij de CD vermeldt Golani nog een parallel tussen deze muziek en recente popcultuur, namelijk tussen de muziek van Guillaume Morlaye en een kenmerk van verschillende songs van zijn jeugdhelden het ‘progressive pop’ duo Eurythmics (Dave Stewart en Annie Lennox), namelijk het veelvuldig gebruik van de myxolodische toonreeks met zijn kenmerkende wisselingen tussen majeur en mineur. Golani schrijft toen al aangetrokken te zijn door de ambivalente die dat genereert, een ambivalentie die we terugvinden in Annie Lennox’ uiterlijk. (Over dat van Morlaye en überhaupt zijn leven weten we helaas niets tot vrijwel niets.)
Graindelavoix met een chanson van Guillaume Morlaye:
Het was aan het einde van de Tweede Wereldoorlog dat Richard Strauss zijn Metamorphosen voor drieëntwintig strijkers componeerde. Het stuk, één van zijn laatste werken, is gebaseerd op mythologische verhalen van de Ovidius, waarin schepping en geschiedenis van de wereld gebaseerd zijn op de Griekse en Romeinse mythologie.
Het wordt algemeen aangenomen dat Strauss het werk componeerde als reactie op de verschrikkingen van de oorlog en rouw om de vernietiging van Duitsland. Dat het een soort van elegie was voor de verwoestende bombardementen op München, met name de Münchener Opera.
Het slotdeel getiteld ‘In Memoriam’ zou erop kunnen wijzen dat het stuk bedoeld was als een muzikaal monument voor cultuur in het algemeen, Duitse cultuur in het bijzonder, waardoor sommigen, o.a. Matthijs Vermeulen zagen de compositie als een klaagzang voor Hitler en de teloorgang van het naziregime (bron: Wikipedia). Ik kan het mij niet voorstellen, maar: wie ben ik?
Volgens Richard Straus (en Beethoven) specialist dr. Jürgen May was het Strauss’ manier om zijn treurnis voor “meer dan drieduizend jaar van de culturele ontwikkeling van de mensheid” te uiten
In de compositie zijn ook citaten uit Beethovens Eroica en diens vijfde symfonie waarneembaar, alsook uit Siegfried Idyll van Wagner. Dat het werk nogal somber en zeer ontroerend is, is nogal wiedes. Voornamelijk de ‘In memoriam’ laat je niet onberoerd.
Richard Wilson: The Destruction of the Children of Niobe (1760)
“Kinderloos ging ze moedeloos neerzitten […] Toch huilt zij en […] is zij meegesleurd naar haar vaderland; daar, vastgehecht op de top van een berg, smelt zij weg, en ook nu nog laat het marmer tranen vloeien” (bron Latijn en Grieks, anonieme vertaling)
Met de daarop volgende werken van zowel Schreker en Korngold houd je het gevoel van troosteloosheid en verlatenheid aan.
Franz Schreker componeerde het Intermezzo, het oudste stuk (en ook de kortste) op de schijf, in 1900. Het was nog lang voor hij zijn grootste werken schreef en zijn opera’s, met enorme succes uitgevoerd werden in de grootste operahuizen van, met name, Oostenrijk en Duitsland. Toch hoor je er al in de narcotiserende ‘Ferne Klang’, Schrekers muziek zo eigen.
Zijn Symphonische Serenade schreef Korngold kort na de Tweede Wereldoorlog toen hij even Hollywood verliet en naar Wenen kwam. Hij werkte er aan vanaf 1947 en in dezelfde tijd begon hij ook aan wat hij dacht dat zijn grootste werk zou worden Symfonie in Fis. John Wilson met zijn Sinfonietta London heeft zich al eerder over de Symfonie ontfermd met een verbluffend resultaat. Deze cd doet daar niet voor onder.
Richard Strauss, Metamorphosen Franz Schreker, Intermezzo op.8 Erich Wolfgand Korngold, Symphonic Serenade for Strings op.39 Sinfonia of London olv John Wilson Chandos CHSA5292 (SACD)
De Tsjechische componist Smetana (1824-1884) schreef naast muziek voor orkest, waarvan ‘Má Vlast’ de meeste bekendheid geniet, een achttal opera’s. De eerste versie van zijn Prodaná nevěsta ging op 30 mei 1866 in première. De uiteindelijke versie in drie aktes dateert van 25 september 1870. Het werk is vooral bekend geworden onder de Duitse titel Der verkaufte Braut en is Smetana’s enige opera die repertoire heeft weten te krijgen en behouden.
Het verhaal is eenvoudig. Marshenka is verliefd op een jongeman die zomaar is aan komen lopen in het dorp, niemand kent hem. Haar vader heeft graag dat ze trouwt met de zoon van de rijke boer Micha en die wens is wederzijds. Maar de zoon is kwestie is een beetje dom of op zijn minst erg naïef en hij stottert waardoor hij erg verlegen is en zich liever niet vertoont voordat het huwelijk is geregeld.
Marshenka’s lover Jenik is in werkelijkheid Micha’s oudste zoon die met onmin het ouderlijk huis heeft verlaten en dood wordt gewaand. Hij verkoopt Marshenka mits de huwelijksmakelaar Kezal in het contract de eis opneemt dat ze uitsluitend met Micha’s zoon mag trouwen. Dankzij die voorwaarde kan hij na de nodige verwikkelingen zijn bruid opeisen.
Repetitie:
Een artistiek team bestaande uit dirigent Ed Spanjaard, regisseur John Yost en ‘hertaalster’ Anne Lichthart heeft dit wat oubollige werk uit de sfeer van het 19e-eeuwse Tsjechische platteland gehaald en gesitueerd in een provinciestad ergens in Roemenië (?) met overal flatgebouwen Sovjet stijl jaren ’60.
Tijdens de ouverture ziet het er authentiek grauw uit allemaal maar daarna worden de voorhangende doeken weggetrokken en oogt alles aardig opgefleurd, met een fris verfje kom je een eind. We blijven zodoende in Centraal Europa waardoor de paternalistische houding ten aanzien van het uithuwelijken van dochters niet geheel en al iets van lang geleden is.
Mooi decor van Gary McCann, een vaste waarde bij de Reisopera, die ook verantwoordelijk is voor de soms wat uitzinnige kostumering, vooral in de scène met het Rariteitenkabinet dat hier de plaats inneemt van het reizende circus.
Van een vertaling in het Nederlands is nauwelijks sprake. Het genoemde drietal is er eens gezellig voor gaan zitten en heeft in een jaar tijd ongetwijfeld onder het nodige gegniffel een nieuwe tekst gecomponeerd die het verhaal draagt. De ouverture, een sprankelend kunststukje, is het enige deel waar men niets aan heeft veranderd. Naar verluidt was Spanjaard niet genegen dit toch wel lange stuk wat in te korten.
Nu die tekst: als je de Duitse vertaling leest wordt duidelijk dat het koor met weinig anders bezig is dan seks. Het is lente dus er moet dringend wat gebeuren. Anne Lichthart heeft dit goed begrepen en laat niet na dat op geheel Nederlandse wijze uit te spellen. Na een opgewonden dansscène wordt er gezongen: ‘nu vlug mee naar de WC’. Op de achterbank is natuurlijk wel zo comfortabel maar niemand heeft hier een auto. Geen mogelijkheid wordt onbenut gelaten het ‘stark seksualisierte’ karakter van deze bewerking te benadrukken. Dialogen worden hier minder door bepaald maar ook daar wordt vaak lekker overdreven, zoals wanneer Marshenka haar Jenik duidelijk maakt dat hij zal eindigen als een leren handtasje in geval hij vreemd gaat.
Dat benadrukken van ‘wij zijn er alleen voor elkaar, für immer’ tussen die twee staat in een vreemd contrast met het vrijgevochten gedrag van de rest van de dorpsjeugd. Ook Marshenka weet van wanten. Als ze de verlegen Vasek aan het bewerken is door hem voor te spiegelen dat een ander meisje helemaal gaga van hem is en bijna sterft van liefdesverdriet trekt ze alle registers open. Het arme kind stond deze week al voor een trein, ze drinkt liters chloor. Neem haar mee voor picknick, gezellig samen op een kleed en voor je het weet zit je hand in haar broekje. Kortom, de tekst schuurt wat met de brave 19e-eeuwse muziek maar dat mag niet deren.
Het is een leuke bewerking die uitstekend geschikt is voor een breed publiek. En de aanwezigheid van Laetitia Gerards in de titelrol trekt ook onder een wat jonger publiek de aandacht. Eenmaal een BN’er, immers uitgebreid op tv geweest, ben je echt iemand, nietwaar. Natuurlijk wisten de operaliefhebbers dat allang, ze is een geweldige sopraan die heel leuk kan acteren en zodoende geknipt voor deze rol.
Wat de doorslag geeft in deze productie en voorkomt dat het ondanks alles een wat gezapig heel blijft, is het optreden van een tiental fantastische dansers die de rol van het koor op het punt van beweging vrijwel volledig overnemen. De koorleden doen zo nu en dan al zingend een walsje en vervolgens maken ze plaats op het voortoneel voor vijf dansparen die een spetterende show ten beste geven op een choreografie van André de Jong.
De Vlaamse tenor Denzil Delaere vertolkt de rol van Jenik, goed maar niet echt opvallend en in een Nederlandse productie valt zijn accent een beetje uit de toon.. Door zijn houding en kostuum maakt Jenik tussen die opgewonden dorpelingen een wat statische indruk. Dat hij de meiden achter zich aan heeft lopen komt niet overtuigend over. Feitelijk maakt zijn broer Vasek een betere indruk en die heeft dan ook succes met die blonde fee Esmeralda van het Rariteitenkabinet, al zal dat wel van tijdelijke aard zijn. Mark Omvlee wist mij volledig te overtuigen in zijn lastige rol, wat mij betreft hadden hij en Delaere beter van plaats kunnen wisselen.
Huub Claessens leeft zich aardig uit in de wat anachronistische rol van koppelaar Kezal. Hij biedt Jenik driehonderd gulden in het origineel wat hier gemakshalve wordt omgezet in drie ton, euro’s. Dit lijkt me wel wat overdreven. Alsof iemand dat zo maar eventjes kan ophoesten.
De overige rollen zijn adequaat bezet, er wordt ook niet heel veel van hen gevergd. Feitelijk vind ik hun inbreng in zoverre nauwelijks relevant dat in mijn beleving er in deze bewerking ook wel gewoon een Spieloper van gemaakt had kunnen worden, dus met gesproken teksten. Dat had als vanzelf nog wat extra vaart in het geheel kunnen brengen.
Ed Spanjaard stond voor het orkest Phion en dat leidde tot gave klanken uit de bak, een mooie Smetana. Andrew Wise was erin geslaagd 28 Nederlanders en Vlamingen met dezelfde intonatie in hun moedertaal te laten zingen. Desgevraagd liet hij weten dat dit een stuk lastiger was gebleken dan iedereen in een vreemde taal op één lijn te krijgen. Gelukkig is zijn eigen Nederlandse uitspraak en intonatie onberispelijk dus kon hij altijd het goede voorbeeld geven. Mooi gelukt, compliment.
Er volgen nog 7 voorstellingen, de eerstvolgende op 28 april in Utrecht. Ga erheen, is leuk.
On 20 April 2001 Giuseppe Sinopoli died of a heart attack while conducting Aida in Berlin. He had just started the third act when he lost consciousness…… Sinopoli was 54 years old.
ATTILA
There are those performances where everything is just in perfect harmony and you get the feeling that it could not be any better. People keep talking about them and they become legends.
Verdi’s Attila was such a performance, at the Vienna State Opera on 21 December 1980. It was Giuseppe Sinopoli’s debut in the house, his name was still virtually unknown, but the initial reluctance of the audience turned into frenzied enthusiasm from the very first bars. Verdi’s score – not the strongest – has never been heard before with such warmth, fervour and tenderness.
Nicolai Ghiaurov was a great Attila. With his sonorous bass, he gave the character not only the allure of a general but also the gentleness of a loving man.
In her role as Odabella, Mara Zampieri proved that she is not only a fantastic singer with a radiant height and a dramatic attack, but also a great actress.
The stretta ‘E gettata la mia sorte’ in the second act requires the baritone to sing the high b flat. Piero Cappuccilli hit it with ease and suppleness, and then was forced to encore by the frenzied audience, something one seldom experiences in opera. A rare occurrence.
TANNHÄUSER
I have never been a ‘Wagnerian’. I could never muster the patience to sit through hours of his operas. I found them bombastic. Pathetic. And even though I had to admit that there were some beautiful melodies, I felt that I really needed a pair of scissors and radically shorten them
That this feeling has totally changed, I owe to Domingo. In my collector’s mania (I had to have everything he had done), I bought the recently released Tannhäuser (DG 4276252) in 1989. And then it happened: I became addicted.
At first, it was mainly Domingo who was to ‘blame’, whose deeply human interpretation of the title role gave me the goose bumps. His words: “Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?” (sung with emphasis on ‘mein’ and ‘Feind’ and with a childish question mark at the end of the phrase) caused me to burst into tears.
Later, I learned to appreciate the music for itself and to this day, Tannhäuser is not only a very beloved Wagner opera, but also one of my absolute favourites.
I still consider this recording, conducted very sensually by Giueseppe Sinopoli, to be one of the best ever. Also because all the roles (Cheryl Studer as Elisabeth and Agnes Baltsa as Venus, such wealth!) are excellently cast. At the time, in the eighties and early nineties, this was not necessarily a given.
DER FLIEGENDE HOLLÄNDER
This CD recording from 1998 (DG 4377782) is particularly dear to me. First of all because of Cheryl Studer, at the time probably the most beautiful Senta one could imagine. Her wonderfully lyrical soprano with its easy and sensual height seemed made for the role.
The Holländer is sung here by Bernd Weikl. Not really the youngest anymore and you can really tell, but still very suitable for the role. Peter Seiffert is a splendid Steuerman, and in the role of Erik we hear none other than Plácido Domingo, a luxury!
But best of all is the orchestra: under the truly inspired leadership of Giuseppe Sinopoli, the Orchester der Deutsche Oper Berlin performs in a really magnificent way.
SALOME
I realise that many of you will not agree with me, but for me Cheryl Studer is the very best Salome of the last fifty years. At least on CD, because she has never sung the complete role on stage (DG 4318102). Like few others, she knows how to portray the complex character of Salome’s psyche. Just listen to her question ‘Von wer spricht er?’ after which she realises that the prophet is talking about her mother and then she sings in a surprised, childishly naive way: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Masterly.
Bryn Terfel is a very virile young Jochanaan (it was, I think, the first time he sang the role), but most beautiful of all is Giuseppe Sinopoli’s very sensual, wide- sounding conducting.
“Die Zeit, die ist ein sonderbar Ding […] sie ist um uns herum, sie ist auch in uns drinnen. (Hugo von Hoffmanstal)
Yes, time is really something special, it goes by whether you want it to or not, and resigning yourself to it is an art in itself. But sometimes time returns, often too late and usually in a dream. Or as a memory.
Think of Erich Wolfgang Korngold, a child prodigy who at the age of 20 was already world-famous and established as a composer. In 1934, he left for Hollywood to compose music for A Midsummer Night’s Dream. The film was a huge success and the management of Warner Bros. offered Korngold a really fantastic contract. Who thought at the time that it would save his life?
Korngold with his wife and children
In early 1938, he received a telegram asking if he could be back in Hollywood in ten days. Korngold considered it an omen: on the very last ship, on 29 January of that year, he left his beloved Vienna. And Europe.
(Original Caption) Erich Wolfgang Korngold, his son and his wife, pictured as they arrived in New York City, aboard the S.S. Normandie.
He was doing well in America and was very successful there, but he did not feel at home. His heart and soul remained in Vienna. In 1949 he travelled back to the city of his dreams, but nobody there knew him anymore. Forgotten. In just over ten years, he had become a nobody. Disillusioned, he returned to Hollywood, where he literally died of a broken heart seven years later.
Until the 1980s, he went from being a celebrated composer of countless operas, songs, concertos, symphonies, quartets and whatnot to a reviled ‘film composer’ of kitsch music.
Time… And suddenly people found out – or remembered – what a great composer he had been. Korngold was rediscovered. Today, his violin concerto is one of the most played (and recorded) violin concertos and his operas are on the bill in every opera house in the world. Rightly so, but too late for him.
Time… Just look at his string quartets. Korngold composed his second string quartet in 1933, when nothing was supposedly happening as yet, although you could already hear (and not even very far away) lightning and thunder and there were already some signs on the wall.
Korngold wrote his third string quartet twelve years later. Not only did a lot of time pass between the second and third string quartets, but a lot of things had also happened. Well, a few things…… Fascism, anti-Semitism, Kristallnacht, Anschluss, pogroms, the Second World War and the Shoah.
Time…. The second string quartet still has the schwung of the old Viennese tradition. A bit like a ‘Mozart-kugel’, or a ‘Sachertarte’. Delicious and irresistible. What a difference with the third! Korngold composed it in 1945 and you feel nostalgia and bitterness. And resignation.
Alma String Quartet
We have long known that the Alma Quartet has a great affinity with ‘Entartete composers’. Their recording of the quartets by Schulhoff is simply the best I have ever heard.
\
And now there is Korngold. Just as I expected: fascinating, breathtaking and speaking to your heart and soul. Virtuoso, perfect and emotional. Phenomenal, in other words. That is how I prefer to hear my Korngold.
But there is more to it. Again; time… The Almas recorded the string quartets ‘direct-to-disc’. Live and without edits. No modifications: directly onto the record (CD).
In the announcement: “Because in this old recording technique, there is no digital track between the microphone and the record, there can be no editing. What you get is studio quality, but the sensation of a live performance. To reinforce that feeling, the quartet decided to play two pieces by Erich Wolfgang Korngold in concert attire”.
The first quartet is still to come: I can hardly wait!