Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

From Tragédiennes to Visions. Véronique Gens, a mini portrait

In 1999, Véronique Gens was named singer of the year by the French ‘Victoires de la Musique’, but her career began 13 years earlier, when she was introduced to William Christie.


Her voice was not yet trained and that was exactly what he was looking for. In 1986, she made her debut as a member of his famous baroque ensemble Les Arts Florissants. Very quickly she became an established singer of baroque music and she worked with the biggest names in the circuit: Marc Minkowski, Philippe Herreweghe, René Jacobs, Christophe Rousset and Jean-Claude Malgoire.


Gens sings ´Ogni vento´ from Hàndel’s Agrippina, conducted by Malgoire




It was Malgoire who gave her her first Mozart roles: Cherubino (Le Nozze di Figaro) and Vitellia (La Clemenza di Tito), but if anyone had predicted to her 20 years ago that she would one day sing the Contessa from Le Nozze or Elvira (Don Giovanni), she would surely not have believed it.


Véronique Gens as Donna Elvira in Barcelona:




She always wanted to sing, but her family of almost exclusively doctors and pharmacists didn’t like it. No steady income, no pension… So she studied English in her hometown Orléans, and then at the Sorbonne.


Since then, she has made hundreds of recordings – many of them award-winning – and her repertoire is constantly expanding: after Mozart came Berlioz – she sang the role of Marie in L’enfance du Christ, for instance – and for her recording of Les Nuits d’été she was chosen as the ´Editor’s Choice´ by English Gramophone.

Her CD titled Nuit d’étoiles with songs by Fauré, Poulenc and Debussy was also very enthusiastically received everywhere.



Tragédiénnes



For Virgin, she had embarked on a voyage of discovery through the mostly unknown treasures of the French Baroque in 2006, and the result is quite something.

Accompanied by the Ensemble Les Talens Lyriques, conducted by Christophe Rousset, she recorded arias from the operas of Lully, Campra, Rameau, Leclair, de Mondonville, Royer and Gluck. The so-called “tragédie-lyrique” was inspired by the great classical plays, in which the tragic element was considered the most important. It also contained long dramatic scenes, which allowed the divas of the time to display the whole range of emotions.


It fits her all like a glove. She takes us on a journey of discovery, in which a lot of forgotten gems provide immense pleasure. But however wonderful they all are, she reaches the absolute climax in ‘Dieux puissants que j’atteste…’, Clytamnestra’s poignant cry of the heart for her daughter, from Gluck’s Iphigénie and Aulide.

There she soars with the speed of a rollercoaster to enormous heights, leaving the listener gasping and palpitating. Brava.



Tragédiennes
Arias from early French operas by Lully, Campra, Rameau, Mondonville, Leclair, Royer, Gluck; Les Talens Lyriques conducted by Christophe Rousset. Virgin 346.762


Néère




For her album Néère, named after the title of Reynaldo Hahn’s opening song, Veronique Gens has made a more than brilliant selection of the most beautiful songs by Reynaldo Hahn, Henri Duparc and Ernest Chausson.

They cannot be called cheerful: they all exude a very wistful and melancholic atmosphere and are – how could it be otherwise when the French talk about ‘amour’? –  all ‘tristesse’.

The beautiful mélodies fit Gens’s dark-toned and slightly-veiled voice with its sensual undertones like a velvet glove.

Trailer:




Nothing but praise too for the pianist. Susan Manoff plays more than sublime and in her accompaniment she sounds like Gens’ twin sister: the perfection with which she manages to transpose the rich colours so present in the singer’s voice (and there are many!) to the keys is truly unimaginable.


Rare beauty.



Néère; Songs by Reynaldo Hahn, Henri Duparc and Ernest Chausson, Alpha 215



Visions




No one can possibly ignore this CD. Palazetto Bru Zane is long overdue for a fame that transcends all countries and borders! Just look at their programming and all their releases! They are so very special!

Not only is their repertoire extremely rare and extraordinarily fascinating, their releases are done to perfection. Something that deserves not just kudos but the highest awards.

Their latest project, Visions, also exceeds all expectations and desires. At least mine. The CD is bursting with unknown arias from unknown operas and oratorios by largely lesser-known and/or forgotten composers. All the pieces collected here have the motto ‘religious visions’ and exude an atmosphere bordering on sanctuary and martyrdom but served up with the extremely grand gesture that only opera can offer.


Trailer of the recording:




Véronique Gens sings the arias with a great élan and an enormous empathy. Her delivery is dramatic, sometimes even a tad too much. That the arias call for a healthy dose of hysteria is rather obvious, but a little more devotion and piety would have made the result even better, even more impressive.


There is no point in speculating what a singer like Montserrat Caballé could have done with all this material: first, she has never sung it (apart from Massenet’s La Vierge) to my knowledge, and second, singers of her calibre really don’t exist anymore.


Montserrat Caballé sings ‘Rêve infini, divine ecstasy’ from Massenet’s La Vierge:




In this context, Véronique Gens is more than up to the task. Not only because of her exemplary diction and intelligibility, but also because her voice has developed into a true ‘Falcon soprano’ and has reached a level that more than lends itself to this repertoire.




Visions; Arias from the operas by Alfred Bruneau, César Franck, Louis Niedermeyer, Benjamin Godard, Félicien David, Henry Février, Camille Saint-Saëns, Jules Massenet, Frometal Halévy, Georges Bizet; Munich Radio Orchestra conducted by Hervé Niquet; Alpha 279

Twee maal minder minimaal in het Minimimal Music Festival Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden

Maxim Shalygin kwam in 2010 uit Oekraïne naar Nederland, om zijn studie compositie voor te zetten, in Den Haag, omdat hij had gelezen dat Louis Andriessen daar doceerde. Die was inmiddels met emeritaat, al stond hij nog wel als docent vermeld.  Misschien gelukkig maar, want Shalygin is helemaal zijn eigen weg gegaan. Hij is hier gebleven, en daarmee voor mij één van de beste componisten die we hier in het land hebben.

Ik zou hem niet eens zozeer bij minimal music indelen, maar ik ben blij dat het Minimal Music Festival in Amsterdam dat wel had gedaan.  Hij was met vier grote werken en een film vertegenwoordigd.

Ik kon op zondag een herneming van zijn Severade uit 2021, de film Raising Waves, een openbaar gesprek met de componist en de première van Delirium ofwel S I M I L A R 4 meemaken.

S I M I L A R slaat op een reeks composities voor ensembles met gelijke instrumenten. Severade is S I M I L A R 3, voor negen cello’s, Delirium is geschreven voor 4 pianos. Deel 1 uit 2017 was geschreven voor zeven violen, deel twee uit 2019 voor acht saxofoons.

Onlangs werd onder meer een liedcyclus van Shalygin al uitgevoerd in Splendor met Ekaterina Levental en Antonii Baryshevskyi:

Ik schreef toen dat de muziek naast heftige harde klankstapelingen ook passages bevatte die verwezen naar bijvoorbeeld Moessorgski en zelfs Tchaikofski.

Dergelijke vergelijkingen zijn opnieuw mogelijk in Delirium. Na een openingspassage met zware geleidelijk variërende als big bangs expanderende en vervolgens imploderende dreun-akkoorden ging het geheel plotseling over een lange stralende passage in majeur, waarbij er in de verschillende partijen van de vier pianisten allerlei sprankelende nootjes werden toegevoegd, waarna dit nieuwe universum als het ware weer naar een andere tonale dimensie kon verschuiven, met telkens nieuwe kosmische horizonten.

Ik gebruik graag vergelijkingen uit de sterrenkunde, ik geloof dat ik niet de enige in het publiek was die als we niet beter zouden weten zou denken dat we onder invloed van een – fantastisch – stimulerend middel.

Maar nee, dit is geen trancemuziek, Shalygin weet ook aandacht te vragen voor elke kleine wending in zijn spel met de noten, en je moet en mag op een heerlijke manier ook je verstand erbij gebruiken. Endorfinenmuziek. En ja, als zulke muziek zo wordt uitgevoerd, zoals door Tomoko, Mukaiyama, Antonii Baryshevskyi, Gerard Bouwhuis en Laura Sandee, valt daar verder niet zo veel over te zeggen. Hun perfectie ging volmaakt op in het zinderende klankgeheel.

In de film, deels – deels vóór de recentste Russische inval in Oekraïne geschoten, deels in Nederland – zien we Shalygin zijn oude muziekschool bezoeken en zijn voormalige leraren, en ook in de keuken zijn moeder helpen Oekraïens te koken, maar ook in Amsterdam, in Den Haag en in een langere interviewpassage in een boot op een Hollandse plas en ergens aan de Noordzee. (Zijn werk Severade is een ode aan de Noordzee, het is een samentrekking van ‘Sever’, Noord, en serenade.)

En we zien hem in wat hij als zijn favoriete museum beschouwt, het Haags Gemeentemuseum, nu Kunstmuseum geheten. Hij ziet er nu in het echt en anders dan in zijn boeken uit de Soviet-tijd in kleur werken van de Russische avant-garde, en een zelfportret van Van Gogh, maar ook wat zijn favoriete schilderij zou worden, Mondriaans Victory Boogiewoogie.

De film Raising Waves over Maxim Shalygin:

http://maximshalygin.com/raising-waves/

Misschien typerend, een werk waarin Mondriaan op het laatst van zijn leven sterk afweek van de formalistische kanten van De Stijl en daarmee het meest lyrische werk van De Stijl schilderde, en het naar verluidt niet voltooide.

Maar net als in Victory Boogiewoogie zit in Delirium ook humor. Misschien zijn het de momenten van schijnbare lichtheid die een delirium-leider kunnen overkomen, maar de plotselinge overgangen naar iets dat aan een Chopin-melodie of zelfs een Venetiaans gondolierslied ontleent zou kunnen zijn werkten ook komisch, schrijnend komisch misschien, maar ze brachten wel degelijk ook licht. Maar ik moest vooral geregeld ook glimlachen om de razendknappe geleidelijke of soms juist onverwachte harmonische overgangen.

Severade is inmiddels al vaker opgevoerd en staat altijd als een huis. Hoewel het stuk ook door anderen zou kunnen worden gespeeld, lijkt het op maat gemaakt voor Maya Fridman, die bij elke uitvoering tot nu toe de solopartij speelde. De cello is een uitermate lyrisch instrument en de compositie laat alle lyrische kanten van de cello horen, en zien, maar ook alle mogelijkheden met boventonen, pizzicatos en de klankkast als ritme-instrument.

Cello Octet – Maya Fridman – Maxim Shalygin – Festival Dag in de Branding 9 juni 2021:

Aan de uitvoering is nog een instrument verbonden, Octosyn, een 15 meter brede installatie van 25 gestreken grondtoonsnaren en draaiende tokkelinstrumenten, ontworpen door beeldend kunstenaar Rob van den Broek waarbinnen de acht instrumentalisten van het Cello Octet Amsterdam plaats nemen en dat zij met voetpedalen bedienen. De uitvoering van Severade is verbonden aan dit instrument, wat het nadeel heeft dat het niet zomaar overal kan worden uitgevoerd maar als voordeel dat het bestaan van dit instrument uitnodigt om het vaker uit te voeren, en dat is maar goed ook.

Severade was het eerste werk van Shalygin waarmee ik kennis maakte, en wel via RadioIV/Klassiek, in het programma van Vrije Geluiden van presentator Aad van Nieuwkerk op. En ik was meteen geëlektrificeerd.

Radio-opnames van Maxim Shalygins Delirium en Severade:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/avondconcert/ddafbe5b-c276-440e-9d24-c62bec4fcb04/2023-04-16-avondconcert-wereldpremiere-delirium-van-maxim-shalygin

© Melle Meivogel

Dat gold ook voor een andere componist, Julius Eastman, toen ik Vrije Geluiden voorstelde om vanwege Amsterdam Pride week iets te doen met queer componisten. Ik kwam met de geschiedenis van Siegfried Wagner en Clement Harris, Aad van Nieuwkerk liet een opname horen door het DoelenEnsemble met werk van Julius Eastman, een Amerikaanse ‘black queer’ componist die, miskend en depressief, in 1999 in armoede overleed.

Link naar Julius Eastman opnamen in Spotify.

Ook voor hem gold dat hij zich weinig aantrok van de hoofdstroom van minimal music en zijn eigen gang ging. Zijn lage zoetgevooisde stem was al opgevallen in de plaatopname uit 1973 Eight Songs for a Mad King van Peter Maxwell Davies waaraan hij deelnam, en vervolgens werd hij geprotegeerd door Lukas Foss die zijn werk uitvoerde Brooklyn Philharmonic.

Zijn tegelijkertijd eclectische en eigen stijl toonde verwantschappen variërend van John Cage tot Sun Ra. In zekere zin was hij muzikaal activist, onder meer door soms provocerende titels zoals Gay Guerilla, Evil Nigger en Femenine, waarin hij ook grenzen opzocht.

De Britse ‘black queer’ muziekproducer en keyboard-speler Loraine James maakte op haar CD Building Something Beautiful For Me uit 2022 bewerkingen van werk van Julius Eastman. Op zaterdagavond voerde zij als Homage to Julius Eastman delen daarvan uit met het jonge het London Contemporary Orchestra.

Loraine James Building Something Beautiful For Me:

Foto Melle Meivoge

Sowieso speelde in het Festivalcafé een deejay elektronische muziek waar een ander publiek dan tijdens de andere concerten heen trok. En dat gold ook voor de zaal. Waaronder veel ‘black queer’ en ook wit gemengd queer publiek, waarbij Loraine James een begrip is. Er was popconcertachtig applaus en gejoel na de nummers. Een welkome aanvulling in het programma.

Het zou mooi zijn als dit alles in een volgende editie leidt tot meer wisselwerking tussen de verschillende soorten publiek voor evenementen vergelijkbaar met het prachtige openingsconcert van dit jaar Reich/Richter, Homage to Julius Eastman en de muziek van Shalygin.

Gezien 17 april in het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Maxim Shalygin Severade, S I M I L A R 3, voor negen cello’s, Maya Fridman en Cello Octet Amsterdam
De film Raising Waves
Maxim Shalygin Delirium S I M I L A R 4, voor 4 pianos, Tomoko Mukaiyama, Antonii Baryshevskyi, Gerard Bouwhuis en Laura Sandee


16 april in het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Homage to Julius Eastman
Loraine James x London Contemporary Orchestra, gezien 15 april in Muziekgebouw aan ‘t IJ.

Julius Eastman in Vrije Geluiden:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/vrije-geluiden/f9b49a01-241c-419b-b02b-13c7a7e88fc9/2022-11-12-vrije-geluiden-julius-eastman-1

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/vrije-geluiden/8081abde-4844-4ddd-97c0-fd676185caa1/2022-11-13-vrije-geluiden-julius-eastman-2

 

Julius Eastman door Maarten van Veen en Vivianne Cheng in Podium Klassiek met Gay Gorilla:

Fotomateriaal Shalygin © Neil van der Linden

Ekaterina Levental is Elle in Poulencs La voix humaine

Tekst Peter Franken

La Voix Humaine: Jean Cocteau’s meesterwerk, geïllustreerd en gegraveerd door Bernard Buffet

Jean Cocteau schreef zijn eenakter La voix humaine in 1928. Vier jaar later ging het stuk in première. Ingrid Bergman is een van de vele actrices die het op het toneel hebben gespeeld. La voix humaine gaat over een vrouw die na een relatie van vijf jaar door haar minnaar is verlaten voor een andere vrouw. Zij spreekt met hem door de telefoon. We horen alleen wat zij zegt maar kunnen daaruit veel opmaken van wat er door haar ex wordt ingebracht.

Al luisterend krijgt de toehoorder een goed beeld van wat is geweest. Een koppel in een LAT relatie, zij met een hond in haar eigen huis wachtend tot hij komt. Haar paniekaanvallen als hij later komt dan verwacht. Een kennelijk gebrek aan een eigen leven: ‘Jij was altijd mijn enige bezigheid’. Verlatingsangst die door excessieve bezitsdrang leidt tot verwijdering van de geliefde. Kortom een persoon die we vandaag de dag een borderliner zouden noemen.

De nacht voor het gesprek heeft de vrouw een zelfmoordpoging ondernomen. Aanvankelijk verzwijgt zij dit en doet voorkomen alsof ze heel goed met de situatie overweg kan. Naarmate het gesprek vordert, regelmatig onderbroken door allerhande problemen met de verbinding, kan ze de schijn steeds minder goed ophouden totdat ze uiteindelijk al haar wanhoop over hem uitstort. Het mag niet baten, hij vertrekt de volgende dag naar Marseille met een andere vrouw. In een uiterste poging iets van haar verleden te redden vraagt ze hem niet naar hetzelfde hotel te gaan waar ze vaak samen verbleven.

Poulenc en Denise Duval

In 1958 bewerkte Francis Poulenc het stuk tot een opera in één akte. Op 2 juni van dat jaar was de piano versie voltooid. De orkestratie volgde twee maanden later. Op 6 februari 1959 ging het werk in première in de Opéra Comique onder George Prêtre met Denise Duval als de vrouw. Duval had eerder met veel succes de rol van Blanche gezongen in de Parijse première van Dialogues des Carmélites en was zeer ‘close’ met Poulenc die zich naar verluidt naast Cocteau’s tekst ook heeft laten inspireren door haar stormachtige liefdesleven.

We kunnen speculeren over de leeftijd van Elle, de vrouw met de menselijke stem. Leeftijd is niet alleen afhankelijk van hoe je je voelt of tegen jezelf aankijkt. Het wordt ook sterk bepaald door de heersende maatschappelijke perceptie. Zelf denk ik daarbij aan de vertolking van de hoofdpersoon in Aimez vous Brahms met Ingrid Bergman als het type veertigjarige vrouw waarop schrijfster Françoise Sagan het patent leek te hebben.

Overigens was Duval bij de première ook bijna veertig. Vandaag de dag wordt dat nog heel jong gevonden maar zelfs in 1960 nog was veertig zo’n beetje de grens tussen heuvel op en heuvel af. Het verklaart veel van de wanhoop in het stuk: alleen en verlaten, zonder maatschappelijke rol, vermoedelijk als enige uitweg op zoek gaan naar een volgende minnaar die haar kan onderhouden.

De Franse context is hier zeer bepalend. Denk in dit verband ook aan het chanson ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel, met daarin de regels ‘Laisse-moi devenir l’ombre de ton ombre, l’ombre de ta main, l’ombre de ton chien, ne me quitte pas’.

Katia Levental is een veelzijdig fenomeen: harpiste, sopraan, theaterdier, you name it. Met haar partner Chris Koolmees vormt ze de theatergroep LEKS, de letters spreken voor zich. Samen trekken ze het land door in een tempo en met een agenda waar ik plaatsvervangend moe van word. Chris regisseert en verzorgt de techniek, Katia speelt.

Voor deze productie heeft Koolmees een zeer eigentijdse vorm gekozen: geen gewoon telefoongesprek maar ‘facetime’. Elle wordt gefilmd door een klassieke webcam maar conform de tekst kan ze haar voormalige minnaar niet zien. Die functie heeft hij kennelijk uitgeschakeld op zijn telefoon. Wat hij ziet krijgt de toeschouwer mee op een groot scherm waarop tevens de ondertiteling van de Franse teksten te zien zijn. Het werkt buitengewoon goed, ik werd er meer in meegezogen dan bij eerdere ervaringen met Elle het geval was. Uiteraard komt dat toch vooral op het conto van de hoofdpersoon.

De voorstelling begint met een monoloog in het Nederlands. Dat is de tekst van Le bel indifférent, een eenakter die Cocteau in 1940 schreef voor Édith Piaf. Ook hier een monoloog waarin een vrouw een minnaar probeert te ‘bewerken’. Boos, wachtend of en wanneer hij eindelijk komt, stuitend op een muur van zwijgen als de man verschijnt. Ze dreigt met zelfmoord maar zijn enige reactie is weggaan zonder iets te zeggen. Het vormt een goed gekozen opmaat voor La voix humaine aangezien Elle daarin daadwerkelijk heeft geprobeerd zelfmoord te plegen.

Levental toonde geheel zoals ik me Elle voorstel, een nog vrij jong ogende vrouw maar niet iemand die een eerste liefdestragedie te verwerken krijgt. Haar wanhoop zal eerder veroorzaakt worden door een gevoel van déjà vu, hoe krijg ik mezelf nu weer op de rails. Prachtige vertolking van dit topstuk uit het 20e eeuwse repertoire.

Zijzelf heeft naar eigen zeggen een andere kijk op het personage. Daarbij ligt de nadruk meer op het tomeloze liefdesverdriet en minder op de context. Dat maakt het natuurlijk mogelijk het stuk te spelen als een tijdloze relatiebreuk waarin een van beide partijen een streep gehaald ziet worden door een gedroomde toekomst. Je kijkt in een afgrond waar kort daarvoor nog een pad verder liep. Dat maakt ziek en wanhopig.

De harde toon van Le bel indifférent contrasteert met die van La voix humaine. De frontale aanval is mislukt, nu zelfmoord, mislukt ook. Vervolgens empathie wekken door je groot te houden. Als laatste redmiddel gewoon smeken: ‘Laisse-moi devenir l’ombre de ton ombre’.

Ze maakt zichzelf aanvankelijk opzettelijk ‘lelijk’ door uitgelopen make up aan te brengen. Maar als ‘hij’ eindelijk belt, veegt ze dat snel weer af. Niettemin is het opvallend hoezeer het gezicht van een uitgesproken mooie vrouw kan vertekenen via zo’n webcam, zeker als ze er vlak voor zit. Alles vervormt en je denkt onwillekeurig dat ze haar minnaar beter zonder camera had kunnen bellen.

LEKS speelt deze voorstelling al langer in alle uithoeken van Nederland maar nu waren ze eens een keer redelijk bij mij in de buurt. Ik ben blij Katia eindelijk eens meegemaakt te hebben als ‘Elle’. Zoals bij alles wat ze doet kruipt ze volledig onder de huid van haar personage, mede geholpen door een feilloos taalgevoel. Cocteau en Poulenc zouden meer dan tevreden over haar zijn geweest.

De voorstelling vond plaats in de Paleiskerk in Den Haag. Een kleine zaal met publiek pal op het kleine toneel: heel intiem. Exact de setting waarin Katia’s spel het beste tot zijn recht komt.

Fotomateriaal: © LEKS en Majanka Fotografie

Geslaagde herneming door DNO van Der Rosenkavalier

Tekst: Peter Franken

De Nationale Opera herneemt dit seizoen de productie van Der Rosenkavalier die in 2015 werd gegeven bij gelegenheid van het vijftig jarig jubileum. Deze keer stond het voor velen in het teken van de chef van het NedPho Lorenzo Viotti die zijn eerste ‘Strauss’ dirigeerde.

Regisseur Jan Philipp Gloger heeft de handeling verplaatst van midden 18e eeuw naar het heden. Uiteraard leidt dat tot kleine ongerijmdheden in de tekst, maar die zijn nauwelijks van invloed op de handeling.

Resi, de Marschallin, is gewoon de vrouw van een rijke vooraanstaande man, die haar bestaan opvrolijkt met een minnaar die een generatie jonger is dan zijzelf. Faninal is ook hier de nouveau riche die toegang zoekt tot ‘de hogere kringen’. En Ochs is gewoon wat hij altijd is: de exponent van de verarmde landadel, die door een huwelijk zijn financiën weer een beetje op orde probeert te krijgen. Dat was hem zonder meer gelukt als hij niet zozeer slaaf van zijn hormonen was geweest.

De fraaie decors van Ben Baur tonen op effectieve wijze het verschil in sociale status tussen de Marschallin en Faninal. In de eerste akte is toneelbreed een goed ingerichte huiskamer met open haard te zien. Resi en Octavian liggen aan weerszijden van de kamer te slapen; zij op de grond naast een omgevallen antieke sofa, hij op een moderne leren bank.

Octavian maakt aan deze postcoïtale sluimer een einde met de verzuchting: “Wie du warst, wie du bist.” Vervolgens ontrolt zich de gebruikelijke handeling. Octavian verkleedt zich achter een gordijn en komt tevoorschijn met een roze jurk over zijn mannenkleren. Ochs verschijnt in tenniskleding, op zich niet onaardig gevonden.

Huize Faninal in de tweede akte ziet er uit als een overmaats theehuis, met groen geverfde gietijzeren spanten en veel glas. De fascinatie met het leven van ‘hoger geplaatsten’ wordt uitgebeeld in de aankleding van het personeel. Uitgerekend zij lopen erbij in 18e-eeuwse kostuums, compleet met hoge pruiken.

Sophie is gekleed in een wijd uitstaande baljurk en Octavian komt op, gezeten op een houten paard, in 18e-eeuwse dracht en voorzien van een degen. Er wordt gegoocheld met verschillende tijdsgewrichten, waardoor de harde kantjes van de algehele modernisering worden afgeslepen.

Als het gevolg van Ochs de boel op stelten zet, stapt Sophie uit haar baljurk en mengt zich, gekleed in een klein onderjurkje, samen met haar redder in nood Octavian in de strijd. Het maakt later het verwijt dat zij intiem met hem geweest zou zijn een stuk levensechter.

Ochs schampt zijn been aan de degen van Octavian en wordt in zijn ondergoed op een tafel gelegd. Tegen het einde van de akte lijkt hij een hartaanval te krijgen, maar dat is slechts schijn.

Waar ik tot dan toe wel te spreken was over de regie merkte ik dat de derde akte me vooral irriteerde. Gloger maakt voortdurende gebruik van enorme aantallen figuranten. Tijdens de levée komt hij daar mee weg doordat het gehele toneel kan worden benut.

Maar in de derde akte is die ruimte er niet. We zien een gang met een aantal deuren, bevinden ons in een hotel waar de kamers per uur worden verhuurd. Het gebruik van die deuren blijkt uiterst effectief om Ochs in verwarring te brengen met spookverschijningen. Maar doordat de rij deuren vrij vooraan op het toneel staat, is het speelveld erg klein, wat tot het nodige duw- en trekwerk leidt.

Ochs krijgt zijn (afhaal)eten in een zak op de gang geserveerd. Het is nogal ‘low life’ allemaal – iets minder had van mij wel gemogen. Ook de wijze waarop Ochs aan het einde wordt ‘geprügelt’ en in zijn onderbroek (bij gebrek aan pek en veren) het toneel af wordt gejaagd is flink over the top. Tot aan de afsluitende zang van de drie sopranen heeft Glogers derde akte de subtiliteit van een sloopkogel,

Na de nodige verwikkelingen met half Wenen op het toneel verschijnt de Marschallin, schitterend gekleed en gekapt als een Grace Kelly lookalike. Alfred Hitchcock zou als een blok voor haar zijn gevallen. Nogal uit de hoogte geeft ze Ochs te kennen dat het spel uit is. Hij dient zijn biezen te pakken en wel onmiddellijk. Daar komt ze mee weg doordat ze hoger staat in de sociale pikorde, niet vanwege enige morele superioriteit.

Ochs ziet in haar wat de onbevooroordeelde toeschouwer ook niet kan zijn ontgaan: een ‘desperate housewife’ met een ‘toyboy’, ofwel Mrs. Robinson. Wat als de Feldmarschall en Octavian elkaar een keer hadden ontmoet. Zou hij dan ook hebben gezegd: ‘I have one word for you my boy: plastic’?  

De decors en kostuums verdienen een compliment. Niet omdat iedereen er zo mooi bijloopt, maar omdat de kostumering bij de personages past, met name de figuranten. In de tweede akte speelt de fraaie belichting een grote rol en aan de personenregie is veel aandacht besteed. De georganiseerde chaos in de massascènes is dan ook echt georganiseerd.

Tijdens het conversatiestuk tot aan de levée was ik niet erg te spreken over de zang. De stemmen van Octavian en de Marschallin wisten mij op rij 9 onvoldoende te bereiken waardoor vooral de uithalen naar boven domineerden. In de latere scènes werd er meer voor op het toneel gezongen waardoor dit euvel als vanzelf verdween. Aan het orkest lag het in elk geval niet, Viotti hield het volume goed in toom.

De cast is zeer uitgebreid dus beperk ik me tot de voornaamste rollen. Eva Kroon en Marcel Reijans waren absoluut top als het duo, List en Bedrog: Annina en Valzacchi, ook leuk gekleed die twee.

Lila jurk en ‘lila gedrag’ vormden een mooie eenheid bij Iris van Wijnen als Marianne Leitmetzering. Scott Wilde was erg dominant als Polizeikommissar om vervolgens direct te knielen voor de Marchallin.

Sinds ik weet dat je met de aria van de Italiaanse zanger het Vocalistenconcours Den Bosch kan winnen, kijk ik naar diens optreden met andere ogen. Angel Romero gaf een zeer overtuigende vertolking van dit muziekstukje maar het blijven toch goed beschouwd niet meer dan een paar strofen.

De titelrol was in handen van Angela Brower die een zeer complete Octavian wist neer te zetten. Verliefd tot in alle eeuwigheid maar eenmaal met zijn neus op de feiten gedrukt – zijn Oedipale relatie met Resi kan nooit lang duren – valt hij als een blok voor een meisje van zijn eigen leeftijd. Lastig wel: van man naar vrouw (Mariandl), terug naar man, dan weer vrouw en uiteindelijk man, of liever een verlegen jongen. Brower heeft er een geschikte stem voor en komt er ook fysiek goed mee weg. Haar kostumering als jongen vond ik minder geslaagd.

Maria Bengtsson oogde en zong als een echte Marschallin. Minder melancholiek dan bijvoorbeeld Anne Schwanewilms maar ook heel geloofwaardig als ze met haar narcistische geneuzel de indruk weet te wekken van iemand die diepgaand filosofeert over het leven en de tijd. Stimmlich kwam ze hier het meeste tot haar recht en later nog in het Abgesang einde derde akte.

De lichte sopraan Nina Minasyan was ronduit verrukkelijk als Sophie. Loepzuiver in de hoogte en gezegend met een uiterlijk waarmee ze alle aandacht op zich gericht weet te houden. Nog voor Ochs ten tonele verscheen was Octavian al verkocht. Dat haar vader haar anderszins al verkocht had was een vlekje dat nog even moest worden weggepoetst.

Ik heb altijd een beetje een zwak voor Ochs, de slechterik in het stuk. Ook hier kwam hij er niet erg goed van af. Maar maakt men van Ochs een beschaafde man, dan zakt de handeling totaal in; het stuk drijft op zijn lompe gedrag.

Christof Fischesser gaf prima gestalte aan de landjonker met slechte manieren die in de grote stad moet ervaren dat hij daar slechts een kleine vis is in een heel grote vijver en zijn gedrag niet als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd. Zijn zang was zonder meer goed en ondanks kennelijke problemen met zijn rug legde hij zich in zijn acteren geen enkele zichtbare beperking op. Prima bezetting voor de rol.

Voor Viotti was het een vuurdoop: zijn eerste grote Strauss. Hij wist zijn NedPho goed bij elkaar te houden en gaf de zangers veel ruimte. Zou ik de voorstelling nogmaals bezoeken dan kon ik me permitteren zijn bijdrage wat meer aandacht te geven. Nu was het daar te druk voor op het toneel.

Er volgen nog zes voorstellingen. Vooral voor de laatste drie zijn er nog volop plaatsen beschikbaar.

Fotomateriaal: © © Clärchen & Matthias Baus | De Nationale Opera

Steve Reich overweldigt alweer met een audiovisueel werk.

Tekst: Neil van der Linden

Eerder waren er The Cave (1993), het optimistische stuk uit de jaren van de Oslo-akkoorden, over het graf van Abraham en Sarah in Hebron en de drie religies eromheen, en Three Tales (1998-2002), over de mogelijkheden en de nachtmerries van de technologie van de ramp met de Hindenburg tot het gekloonde schaap Dolly.

In beide werken maakten Reich en zijn librettist Beryl Korot gebruik van flarden uit interviews en documentaires, die in een muzikale herordening de betekenis van de oorspronkelijk teksten accentueerden en tegelijkertijd in een abstractere context plaatsten. Het waren allebei werken voor instrumentalisten, videoprojecties en zangstemmen.

Het stuk van deze avond, Reich/Richter, in première gegaan in New York in 2019 en nu voor het eerst in Nederland uitgevoerd, is een combinatie van puur instrumentaal muziek en in grotendeels abstracte beelden, die op het werk van beeldend kunstenaar Gerhard Richter zijn gebaseerd.

Het was Richter die Reich voor het eerst had benaderd, voor een concert tijdens een tentoonstelling in Keulen. Daaruit ontstond het idee voor een stuk met muziek van Reich gebaseerd op Richters kunstwerk in boekvorm Patterns uit 2011.

Dat boek was een reeks computerbewerkingen van Richters schilderij Abstraktes Bild uit 1990. Richter sneed het schilderij digitaal telkens in steeds kleinere compartimenten doormidden. Die steeds kleinere fragmenten spiegelde hij en herhaalde hij vervolgens weer. Vergelijk het met de patronen in een caleidoscoop. Samen met Corinna Belz heeft hij de patronen uit Patterns omgevormd tot bewegende beelden, variërend van haarscherpe horizontale lijnen in alle kleuren, tot complexe symmetrische en asymmetrische figuren.

Die figuren leken soms te evolueren tot een LSD-trip door onze ingewanden, oneindige reeksen roze, paarse, groene en gele boeddha’s, een bergdorp in de Himalaya vol uitbundig versierde hindoetempels, een stoffenmarkt in Jodhpur, een competitie welke kraam de mooiste suikerspinnen en zuurstokkramen heeft tijdens carnaval in Mexico, een bloemencorso in Lagos, enzovoort. En dat allemaal geconstrueerd via eindeloos in fractals opgedeelde strepen en figuren.

Reichs muziek is met behulp van een tijdcode exact op de ritmische patronen van de film afgesteld. In zich spiegelend aan het beeld maakt de muziek gebruik van abstracte elementen die tot herkenbare melodische patronen worden omgevormd met behulp van contrapuntische tegenmelodieën, herhalingen, lijnen die harmonisch een oplossing zoeken en die dan vervolgens toch weer uiteenvallen tot een volgende spanningsboog. Muziek en beeld hebben ook iets weg van een oerknal die een complex van universums genereert, die dan vervolgens weer samenballen, tot een volgende oerknal volgt.

Het Ensemble Intercontemporain zal Reichs muziek waarschijnlijk net zo mooi gespeeld hebben als het ASKO het gisteravond deed. Maar tussen de New Yorkse en deze uitvoering is er een heel belangrijk verschil, dat zowel het concept van het samengaan van beeld en muziek als vermoedelijk ook de akoestiek ten goede kwam: scenograaf Theun Mosk plaatste het projectiescherm vóór de musici op het podium van het Muziekgebouw aan ’t IJ en ontwierp een belichting waarmee de musici af en toe oplichtend door het scherm met de filmprojecties heen te zien zijn, daarmee ook de golvende bewegingen in de partituur uitlichtend.

Reich/Richter in de uitvoering door Het Ensemble Intercontemporain:

In New York waren de videoschermen om het publiek heen geplaatst. Ik zou denken dat de New Yorkse uitvoering er minder in slaagde muziek en beeld te laten versmelten en ze schijnbaar uit één bron te laten komen. Het Asko|Schönberg produceerde hierbij een warme, wervelende symfonische klank, optimaal gebruik makend van de akoestiek van het Muziekgebouw. De in 1936 geboren Reich heeft zich in 2019 weer eens opnieuw uitgevonden.

Reich/Richter klinkt jong en tegelijkertijd tijdloos. Het concert opende met een stuk met het grote doek als achtergrond, met de gastcurator en dirigent van de avond, de virtuoze Schotse percussionist Colin Currie, nu als solist ervoor, terwijl het doek werd wit gehouden. Hij speelde Tromp Miniature uit 2014 van Bryce Dessner, ook beroemd als gitarist en componist van de New Yorkse avant-garde pop-band The National.

Hoe Reich gedurende zijn nu zeer lange loopbaan voor een flink aantal ijkpunten in de muziekgeschiedenis heeft gezorgd was goed te horen in Four Organs uit 1970. Oorspronkelijk bedoeld voor vier Hammondorgels werd het nu uitgevoerd op vier (gemakkelijker verplaatsbare, gemakkelijker te stemmen én gemakkelijker verkrijgbare) synthesizers, met een vijfde partij voor een percussionist die alleen twee maracas bespeelt.

Reich maakt gebruik van het feit dat de enige niet elektronische instrumenten juist als een kwartsklok zo precies twintig minuten lang in een eentonig ritme de tijd moet wegtikken, waarbij de percussionist, voor wie de partij uitermate zwaar is, zich ook nog een houding, in lichaam en gezicht moet weten te geven, temidden van de vier andere musici die braaf achter hun instrument zitten, en alleen heel goed moeten tellen bij het spelen van simpele noten uit een dissonant akkoord.

En vanwege die noodzaak heel goed te moeten tellen was het niet zo’n wonder dat de artistiek leider van het concert Colin Currie nu achter één van de synthesizers zat en vandaaruit de uitvoering leidde. Al die precisie levert een adembenemende spanningsboog op, anders zou deze muziek op den duur ook geschikt zijn voor een geheime dienst om er bekentenissen mee af te dwingen.

In de jaren van deze compositie was Reich in lijn met de avantgarde-beweging van toen de basisprincipes van muzikale esthetiek te onderzoeken door ze onderuit te halen. Ik was blij met mijn plaats op het zijbalkon, want ik kon de op de handen van de toetsenspelers kijken en de zich langzaam ontwikkelende vingerzettingen precies volgen.

Ook bij Four Organs stonden de instrumentalisten vóór het doek waarop bij Reich/Richter de film zou worden geprojecteerd, en werd het eenvoudig rood belicht, verlopend van een bruinrode horizon naar een karmijnrode hemel, waarbij de kleur van de donkerrode toetsinstrumenten fraai aansloten. Dit alles om het contrast met het erop volgende Reich/Richter ook visueel zo groot mogelijk te maken, en dat is gelukt. En maracas-speler Joey Marijs kreeg een extra warm applaus.

Opening Minimal Music Festival
Bryce Dessner Tromp Miniature 
Steve Reich Four Organs
Steve Reich Reich/Richter
Asko|Schönberg
Colin Currie slagwerk/dirigent
Corinna Belz film
Theun Mosk podiumbeeld

Gezien 12 april 2023, Muziekgebouw aan ’t IJ, eerste van de twee uitvoeringen.
Foto’s © Melle Meivogle en Neil van der Linden

Richter werkt zowel abstract als fotorealistisch. Een van zin vele terugkerende fascinaties is herhaling en regelmaat, zoals al te zien in de Farbtafeln (‘kleurenstalen’) die hij in de jaren 60 maakte Abstraktes bild it 1990 En juist die fascinatie voor patronen heeft Richter gemeen met Reich.

Corinna Belz, Gerhard Richter Patterns 2011:
https://gerhard-richter.com/en/videos/editions/gerhard-richter-patterns-editions-cr-149-115

Montserrat  Caballé as Norma, Salome and Salome. And herself

Norma

Metropolitan Opera’s production of “Norma” starring Montserrat Caballé, John Alexander, Fiorenza Cossotto, and Giorgio Tozzi in February 1973. Photo by Jack Mitchell/Getty Images

Caballé is a kind of cross between Callas and Sutherland: wonderful top notes, incredibly beautiful legato arches, perfect trills, and moreover a pianissimo that none of her colleagues could match. She was a much better actress than Sutherland, moreover she had great charisma. She never went to extremes like Callas or (later) Scotto, but her performances were always very convincing.


In 1973 she recorded the role for RCA and the result was very decent (GD 86502). Her Pollione, a very young Plácido Domingo, was vocally crystal clear and sounded like a bell. However, he lacked dominance, making him sound far too young for the role.

Fiorenza Cossotto in her role of Adalgisa looked more like Azucena than a young girl, but her singing as such was flawless. Unfortunately, the orchestra sounds uninspired and hurried, which must surely be blamed on the conductor, Carlo Felice Cillario.




In 1974 she sang Norma in the Roman amphitheatre in Orange (Provence). It was a very windy evening, and everything blew and moved: her hair, veils and dresses. A fantastic sensation, which added an extra dimension to the already great performance. It was filmed by French television (what luck!), and has now appeared on DVD (VAIV 4229).

Caballé sings ‘Casta Diva’:



Caballé was in superb voice, very lyrical in ‘Casta Diva’, dramatic in ‘Dormono etrambi’ and moving in ‘Deh! Non volerli vittime’. Together with Josephine Veasey, she sang perhaps the most convincing ‘Mira , o Norma’ – of all, at least in a complete recording of the opera. As two feminists avant la lettre, they renounce men and transform from rivals into bosom buddies.



John Vickers (Pollione) was never my cup of tea, but Veasey is a fantastic (also optically) Adalgisa and Patané conducts with passion. Of all the recordings on DVD (and there are not many), this is definitely the best.

Herodiade



This recording may only be obtained via a pirate (or You Tube), but then it is complete and moreover with (admittedly bad) images!


Dunja Vejzovic portrays a deliciously mean Hérodiade and Juan Pons is a somewhat youthful but otherwise fine Hérode. A few years later, he will become one of the best “Hérodes” and you can already hear and see that in this recording.

Montserrat Caballé is a fantastic Salomé, the voice alone makes you believe you are in heaven and José Carreras is very moving as a charismatic Jean.



None of the protagonists is really idiomatic, but what a pleasure it is to watch a real Diva (and Divo)! They really don’t make them like that anymore

The whole opera on you tube:

Salome



Montserrat Caballé as Salome? Really? Yes, really. Caballé sang her first Salome in Basel in 1957, she was only 23 at the time.

Salome was also the first role she sang in Vienna in 1958 and I want to (and can) assure you: she was one of the very best Salome’s ever. Especially on the recording she made in 1969 under the blistering direction of Erich Leinsdorf.

Her beautiful voice, with the whisper-soft pianissimi and a velvety high even then, sounded not only childlike but also very deliberately sexually charged, a true Lolita.

The Jochanaan, sung very charismatically by Sherrill Milnes, has an aura of a fanatical sect leader, and Richard Lewis (Herod) and Regina Resnik (Herodias) complete the excellent cast (Sony 88697579112).

Caballé as Salome in 1979:



<

What’s the difference between a terrorist and a diva? ‘Caballé, beyond music’

“We all owe a great deal to music (…) It is a form of expression that originates not so much from thinking as from feeling”. These words come from one of the greatest singers of the twentieth century, Montserrat Caballé.

In his film Caballé Beyond Music, Antonio Farré portrays the diva*, her life and her career, talking to her, her family and her colleagues. The documentary also contains a lot of wonderful (archival) footage, starting with Caballé’s debut in Il Pirata in 1966 in Paris.

The film is interspersed with fun anecdotes such as how she smashed a door because she was not allowed to take time off (Caballé wanted to attend a performance of Norma with Maria Callas). How she had stopped a dress rehearsal in La Scala because she noticed that the orchestra was not tuned well. About her debut at the Metropolitan Opera in New York, the discovery of José Carreras (how beautiful he was!), her friendship with Freddy Mercury ….

About her Tosca in the ROH in London in the production that was made for Callas. She wasn’t happy with that, it didn’t feel good, but no one wanted to change it. Caballé called Callas, it was exactly eight days before her death, and complained about her fate. “But of course it doesn’t feel right”, said Callas. “I am tall and you are not, I am slim and you are not, I have long arms and you have not. Tell them to call me, I will convince them that you are not me”.

And so the production was adapted for Caballé. “Copies are never good,” Caballé says, and I agree with her. This is a fascinating portrait of a fascinating singer. Very, very worthwhile.

* London taxi driver: “What is the difference between a terrorist and a diva? You can negotiate with a terrorist”.

Caballé beyond music
With José Carreras, Plácido Domingo, Joan Sutherland, Cheryl Studer, Giuseppe di Stefano, Freddie Mercury, Claudio Abbado and others.
Directed by Antonio A. Farré, EuroArts 2053198

Jan Svatoš oftewel Hans Heiling: een griezelsprookje van Marschner

Tekst: Peter Franken

Heinrich Marschner (1795-1861) was een belangrijke Duitse componist ten tijde van de Romantiek. Hoewel hij een uitgebreid oeuvre op zijn naam heeft staan, is Marschner bij het grote publiek vrijwel in vergetelheid geraakt. Zijn naam leefde in kleine kring wel voort als schrijver van Twaalf Bagatellen voor gitaar, een jeugdwerkje, dat op muziekscholen werd gebruikt. Een soort Clementi voor beginnende gitaristen.

Van de talrijke opera’s die Marschner schreef hadden er drie veel succes: Der Vampyr (1828), Der Templer und die Jüdin (1829) en Hans Heiling (1833). Zijn werk wordt – vooral bij gebrek aan andere voorbeelden – in brede kring gezien als schakel tussen de opera’s van Weber en Wagner. Dat geldt vooral voor Der Vampyr en Hans Heiling die beiden tot het subgenre ‘Scheuerromantik’ gerekend kunnen worden. Hierin is sprake van bovennatuurlijke verschijnselen die de toeschouwer moeten doen huiveren.

Kenmerkend personage is ‘Der bleiche Mann’ die zich onder de mensen begeeft om zichzelf van een vervloeking of een pact met de duivel te verlossen. Daarbij moeten zijn menselijke slachtoffers het natuurlijk ontgelden, tenzij er tijdig door een tegenkracht een stokje voor gestoken wordt. De vampier in de gelijknamige opera behoeft op dit punt geen toelichting. Zijn collega’s vinden we bij Weber in de persoon van Kaspar (Der Freischütz) en bij Wagner in de persoon van Der Holländer. Hans Heiling is de prins van de Aardgeesten die pendelt tussen de bovenaardse en de onderaardse wereld. Hier zien een overeenkomsten met meerdere personages uit Wagners eerste opera Die Feen, meer in het bijzonder Arindal.

Hans Heiling heeft zich onder de mensen begeven en is verliefd geworden op het meisje Anna. Daarbij heeft hij de gedaante van een mens aangenomen en zich voorgedaan als een rijk, geleerd en machtig persoon. Zijn belangstelling voor de ‘bovenwereld’ is genetisch bepaald, hij is namelijk half mens. Ook zijn moeder waagde zich ooit onder de mensen met zoon Hans als tastbare herinnering.

Eenmaal terug in het onderaardse rijk besluit hij definitief zijn kans te wagen bij Anna. Op zijn tocht naar boven neemt hij juwelen mee als ‘Brautschmuck’ en een toverboek dat hem macht geeft over zijn onderdanen. Anna’s moeder zag wel wat in die chique vrijer en heeft haar dochter aangemoedigd hem te accepteren. Maar als Anna in een onbewaakt ogenblik het toverboek heeft ingezien is ze zo geschrokken van de inhoud dat ze van Heiling eist dat hij het verbrandt als voorwaarde voor haar jawoord. Vervolgens gaat hij met haar mee naar een dorpsfestival waar Konrad met Anna wil dansen.

Konrad is al lang verliefd op Anna en de achterdochtige Heiling doorziet dit en weigert Anna te laten gaan. Maar zij maakt hem duidelijk dat hij nog geen rechten heeft omdat het huwelijk nog niet is gesloten. Als Anna later wat door het bos loopt te dwalen beseft ze dat ze een probleem heeft: ze is verliefd op Konrad maar heeft Heiling een trouwbelofte gedaan.

Op dat moment verschijnt de koningin van de Aardgeesten die haar op dreigende wijze ‘verzoekt’ haar zoon los te laten (Hör auf mein Wort’). Moeder wil haar zoon gewoon weer terug waar hij hoort, zonder daarbij acht te slaan op diens wensen. De confrontatie met deze bovennatuurlijke verschijning doet Anna flauwvallen, maar gelukkig vindt Konrad haar, verklaart haar zijn liefde en brengt haar naar huis.

Heiling komt opnieuw naar Anna toe en wil het goed maken door haar meer juwelen te geven. Maar nu ze weet waar die vandaan komen – niet uit de aardse wereld, dus niet pluis – weigert ze deze aan te nemen. Woedend steekt Heiling zijn rivaal Konrad neer en vertrekt weer naar zijn eigen terrein.

Daar blijkt hij geen macht meer over zijn onderdanen te hebben aangezien zijn toverboek in vlammen is opgegaan. Maar als de dwergen zijn wanhoop zien, nadat hij heeft vernomen dat Anna de volgende dag met de slechts licht gewonde Konrad zal trouwen, krijgen ze medelijden en zweren ze hem ondanks alles opnieuw hun trouw.

Boven onderbreekt Heiling de trouwplechtigheid waarop Konrad hem probeert neer te steken, maar zijn mes breekt door Heilings toverkracht. Vervolgens roept hij zijn onderdanen op om de complete dorpsgemeenschap te doden, maar net op tijd komt de koningin tussenbeide. Ze weet haar zoon ertoe te brengen om zich met zijn tegenstrevers te verzoenen (‘Der Liebe Lust und Leid’) en daarna vertrekt het gehele korps weer naar de onderaardse wereld.

Op het label Dynamic is een live opname van Hans Heiling uitgebracht. Het betreft een voorstelling in het Teatro Lirico di Cagliari uit 2004. Regie, kostuums en decor zijn van Pier Luigi Pizzi en dat staat borg voor een goed verzorgd geheel.

Een prachtige vondst van Pizzi is het gebruik van geprojecteerde beelden in de stijl van Salvador Dali op het moment dat Anna het toverboek opent. Plotseling lijkt ze zich in een surrealistische omgeving te bevinden, een angstaanjagende overgang vanuit het Boheemse boerenland.

De titelrol is in handen van Markus Werba, prima verzorgd. Hij weet zijn personage volledig tot leven te wekken, van eenzame Prins via verliefde buitenstaander (‘An jenem Tag’) tot gedesillusioneerde op wraak beluste man. Anna_CaterinaAnna Caterina Antonacci tekent voor de rol van Anna, prachtig gezongen. Gabriela Fontana zingt de rol van de Koningin en Herbert Lippert staat op het toneel als de koene held Konrad.

Behalve een regulier koor is er een belangrijke rol weggelegd voor een uitstekend zingend kinderkoor dat de Aardgeesten vertolkt. We kunnen hen vergelijken met de Nibelungen bij Wagner, dwergen. Het treft dat de kinderen klein van postuur zijn en mooi ijl en hoog kunnen zingen. Daardoor wordt het verschil tussen de bewoners van de boven- en de benedenwereld op geloofwaardige wijze benadrukt.

Goed spelend orkest onder leiding van Renato Palumbo.

Eerste acte:

Tweede en derde acte:

Foto’s: © Priamo Tolu / Teatro Lirico di Cagliari


Hans Heiling: a (not so fairy) tale for Christmas?


HANS HEILING als mijnbouwopera in Essen

The other Cavalleria Rusticana

People say verismo and think: Mascagni and Leoncavallo. Rightly so? Mascagni’s Cavalleria Rusticana and Leoncavallo’s  Pagliacci are among the most popular and most frequently played verist opera’s ever. What many people don’t know: there are actually two (and even three if you include La Mala Pasqua by a certain Stanislao Gastaldon from 1888) Cavalleria Rusticana’s.

Domenico Monleone (1875 – 1942), a composer not unknown at the time at the time, also used the story of Giovanni Verga for his one-acter, which his brother Giovanni converted into a libretto.

Illustration Gamba Pipein. Courtesy Boston Public Library, Music Department

Sonzogno, Mascagni’s publisher, accused Monleone of plagiarism (and indeed: careful study shows that Monleone’s libretto is closer to Mascagni than to Verga’s original story), after which the opera was not performed anywhere for a long time.

Until 1907, when Maurice de Hondt brought Monleone to Amsterdam, where his opera had its belated premiere. Coupled with … yes! Cavalleria Rusticana.

Both works were directed by their composers: it apparently did not bother Mascagni that his colleague had “borrowed” his libretto from him.

Cavalleria Rusticana

Intermezzo played by Hauser:

And the whole opera:

Il Mistero



Nevertheless, Monleone had to accept the court ruling, which meant that he had to find a new libretto for his music

It was changed into Il Mistero, another story by Verga, and this time the author himself had helped Giovanni Monleone with the libretto.

Both operas with the same music but on two different libretto’s were released by Myto on CD’s (Cavalleria Rusticana: 012.H063; Il Mistero: 033.H079). In both works the leading role (Santuzza/Nella) is sung by Lisa Houben, originally from the Netherlands.

Duett (romance e scena): Santuzza & Nunzia – Il dì che andò soldato…

The whole Il Mistero:

An ‘encore’: duet Santuzza/Turiddu, sung here by Denia Mazzola-Gavazzeni and Janez Lotric. Recording was made in Montpellier, in 2001:

Les pêcheurs de perles

Tekst: Peter Franken

Alessandro Allori, La Pêche des perles (1570-72)
Palazzo Vecchio (Florence)

Het verhaal van Bizets ‘Parelvissers’ is wel zo’n beetje bekend: een driehoeksverhouding, gecompliceerd door plechtige beloftes. De jeugdvrienden Nadir en Zurga zijn beiden in vuur en vlam zijn gezet door de verschijning van de ‘living goddess’ Leila, enigszins te vergelijken met Kumari in Kathmandu. Om hun vriendschap te redden beloven ze elkaar plechtig om af te zien van elke poging om deze vrouw voor zich te winnen. Vandaag de dag zou dit een Pinky Swear worden genoemd, heel plechtig dus.

Nadir heeft zich hier echter niet aan gehouden, maar is Leila op afstand blijven volgen. Zij op haar beurt heeft hem opgemerkt en voelt zich als het ware gesteund door zijn aanwezigheid in haar omgeving. Dat Nadir terugkeert naar zijn geboortedorp is dan ook niet toevallig. Hij heeft vermoed dat ze als tijdelijke beschermengel voor de parelvissers is ‘ingehuurd’ en wordt op zijn wenken bediend.

Leila schrikt als ze hem ziet maar zweert niettemin dat ze kuis zal blijven en geen man in haar buurt zal laten komen. De dorpsgemeenschap reageert furieus als blijkt dat Leila haar eed heeft geschonden. Dat is begrijpelijk als je beseft hoe belangrijk haar rol is voor de vissers die telkens weer de dood in de ogen zien als ze naar parels duiken. Een beschermengel die niet deugt is zoiets als een kapot net onder een trapezewerker. Leila moet bidden en zingen om de boze geesten op afstand te houden maar dat heeft slechts zin als ze een kuise aardse godin is.

Ook bijgeloof kent zijn regels.

La Fenice

Pier Luigi Pizzi maakte in 2004 een fraaie productie van dit werk voor Teatro La Fenice. Van de voorstellingenreeks is een opname op dvd uitgebracht door Dynamic. Het toneelbeeld oogt zeer authentiek hindoeïstisch, conform de plaats van handeling in het noorden van Ceylon. De vrouwen zijn in elk geval gekleed in sari en het decor bestaat uit een stupavormige tempel die wordt bekroond door een overmaatse lingam.

Pizzi heeft de beschikking over een prima ballerina in de persoon van Letizia Giuliani en dat wil hij graag laten zien. In elke scène waarin over Leila wordt gesproken of gemijmerd is deze fraaie dame op de achtergrond te bewonderen.

Het houdt het mannelijke deel van het publiek in elk geval scherp, temeer daar Annick Massis duidelijk te oud oogt voor deze rol. Ze kan onmogelijk doorgaan voor een jonge maagd. Zang technisch is ze een uitstekende keuze, haar grote aria ‘O dieu Brahma’ komt goed uit de verf, zuiver en zonder te forceren in de hoogte.

Annick Massis in Me voilà seule, Comme autrefois:

En in ” Me voilà seule dans la noit”

Yasu Nakajima is klein van gestalte en nadrukkelijk Japans en oogt dus niet erg overtuigend als Nadir  Maar evenals Massis weet hij dit prima te compenseren door goed verzorgde zang. Zelfs met de hoge ligging van de aria ‘Je crois entendre encore’ heeft hij vrijwel geen moeite.

Luca Grassi is een mooie typecast als Zurga en weet in theatraal opzicht de meeste indruk te maken. Zijn grote moment komt in de eerste scène van de derde akte als hij zich vol wroeging realiseert dat zijn vriend Nadir de dood wacht als gevolg van zijn jaloezie.

Maar als Leila hem smeekt Nadir te sparen omdat zij meer om hem geeft dan om haar eigen leven, laait zijn woede weer op. Grassi maakt er een bloedstollende scène van en krijgt daarbij alle medewerking van een aanvankelijk smekende en later furieus agerende Leila. Luigi de Donato completeert het viertal protagonisten als een adequate Nourabad.

Behalve als soliste zien we Giuliani ook aan het werk in een serie balletten met een choreografie die duidelijk geënt is op Indiase dans, met veel gebruik van armen, polsen en handen. Het wordt allemaal voortreffelijk uitgevoerd en draagt in hoge mate bij aan het succes van de voorstelling.

Muzikaal is over de hele linie de uitvoering zeer goed verzorgd, zowel de solisten, het koor als het orkest maken er iets moois van. Jammer eigenlijk dat er in Nederland nog steeds een beetje denigrerend over de Parelvissers wordt gedaan, geen werk dat je als echte liefhebber serieus kan nemen. Het tegendeel is het geval, Bizet heeft een prachtig melodieus werk geschapen dat minstens zoveel aandacht verdient als zijn Carmen. Marcello Viotti heeft de muzikale leiding.

De hele opera staat op YouTube:

Foto uit de vervlogen tijden:

From left to right: Giuseppe De Luca (Zurga), Frieda Hempel (Leila) and Enrico Caruso (Nadir), in the New York Met 1916

2 x LES PÊCHEURS DE PERLES

Les Pêcheurs de perles van Bizet maar dan net even anders

Mario Castelnuovo-Tedesco: more than just a composer of guitar works

Mario Castelnuovo-Tedesco (Florence, 3 April 1895 – Beverly Hills, 16 March 1968) was born into a Jewish family of Sephardic descent (Jews expelled from Spain in 1492). He was extraordinarily creative, to his credit he worked on all sorts of things: piano works, concertos, operas…. His compositions were played by the great: Walter Gieseking, Gregor Piatigorsky, Jascha Heifetz, Casella.


Heifetz plays Mario Castelnuovo-Tedesco’s second violin concerto: ‘I Propheti’. Recording from 1954:





Today, we know him mainly for his guitar works, nearly a hundred in all, mostly written for Andres Segovia.
Segovia plays the Guitar Concerto No.1 in D major, Op. 99; live recording from 1939:



In the beginning of the 1930s the composer began to explore his “Jewish Roots”, which was intensified by the rising of fascism and the racial laws. His music was not performed anymore. Helped by Arturo Toscanini, Castelnuovo-Tedesco and his family were able to leave Italy just before the beginning of World War 2.


Like most Jewish composers who fled Europe, Castelnuovo-Tedesco ended up in Hollywood. Where, thanks to Jascha Heifetz, he was appointed composer of film music by Metro-Goldwyn-Mayer.



At Rita Hayworth’s special request, he composed music for the film The Loves of Carmen starring Hayworth and Glenn Ford. Below is the dance scene from the film:




During this time, Castelnuovo-Tedesco also composed new operas and vocal works inspired by American poetry, Jewish liturgy and the Bible: America offered him opportunities to deepen and develop his Italian musical heritage and his Jewish spirituality. He dreamed of hearing his Sacred Service “once in the synagogues of Florence”. It was premiered in 1950, at New York’s Park Avenue Synagogue.


Dating from 1956, the opera Il Mercante di Venezia after Shakespeare’s The Merchant of Venice (Castelnuovo-Tedesco was a great Shakespeare lover) was performed at Maggio Musicale in Florence in 1961. Toscanini conducted and the leading roles were sung by Renato Capecchi (Shylock) and Rosanna Carteri (Portia).




In 1966, he composed The Divan of Moses Ibn Ezra. It is a setting of nineteen poems by Rabbi Moses ben Jacob ibn Ezra, also known as Ha-SallaḠ(‘writer of penitential prayers’).



An illustration of Ibn Ezra (centre) using an astrolabe



Born in Granada around 1055 – 1060, Ibn Ezra died after 1138 and is considered one of Spain’s greatest poets. He also had a huge influence on Arabic literature. Castelnuovo-Tedesco composed the ‘Divan’ (meaning; a collection of poems) to the modern English translation.



Roberta Alexander sings The Divan of Moses Ibn Ezra




Channa Malkin and Izhar Elias in ‘Fate has blocked the way’:




The composer wrote his Cello Concerto for Gregor Piatigorsky, the premiere took place in 1935, with Arturo Toscanini conducting the New York Philharmonic. And that was it. Since then, the concerto was totally forgotten for all of eighty years. Until Raphael Wallfisch took it on.



Raphael Wallfisch plays the Allegro Moderato from Castelnuovo-Tedesco’s Cello Concerto



After World War II, Castelnuovo-Tedesco, like several Jewish composers who were forced to flee and seek refuge in Hollywood, was accused of conservatism and sentimentality. That he was inspired by Spanish folklore in many of his works, was not appreciated either.

Song of Songs



In 2022, in celebration of Castelnuovo-Tedesco’s birthday on 3 April his official website presented a long-buried treasure: a recording of the world-premiere of The Song of Songs, which took place in Los Angeles on 7 August 1963

More information:

https://mariocastelnuovotedesco.com/song-of-songs-a-hidden-treasure/?fbclid=IwAR1VjUytiv8h9TnAxMbUwlffBlgU-YeLaXRxeD-XUVJbf6bXAxVmewBhyMc




Castelnuovo-Tedesco:
“In my life I have written many melodies for voice and published 150 of them (many others remaining unpublished) on texts in all the languages I know: Italian, French, English, German, Spanish and Latin. My ambition and, indeed, my deep motivation has always been to unite my music with poetic texts that stimulated my interests and feelings, to express its lyricism.”


In 2019, his biography was filmed in the movie Maestro. Below is the trailer:






Official website of Mario Castelnuovo -Tedesco:

https://mariocastelnuovotedesco.com/

: