Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

De Ring toch gevonden? De Ring-enscering in Bayreuth deel 2


Tekst: Neil van der Linden

Naar verluidt zijn er dit jaar kaarten over voor de Bayreuther Festspiele omdat de Ring vorig jaar bij een groot deel van pers en publiek flopte. De zaal is dit jaar goed gevuld, maar er zijn inderdaad lege plaatsen. Het publiek klapt, trappelt en joelt enthousiast na de voorstelling. Maar dit is ‘uitgefilterd’ publiek dat besloten heeft toch te komen.

Toen het regieteam na afloop van de laatste voorstelling uit de Ring-cyclus, de Götterdämmerung, op het toneel verscheen waren er toch flink wat boeroepers. Je kunt je wel afvragen wie na flink betaald te hebben voor toegangskaarten en na recensies van vorig jaar te hebben gelezen toch naar Bayreuth komen om hun ongenoegen te uiten.

De regisseur van de Ring heeft wijzigingen aangebracht. Maar het resultaat valt ook mij niet mee. Flets, bedoelerig, geen gevoel voor de verhoudingen op het immense Festspielhaus-toneel, en in de schildering van de vrouwelijke personages niet erg genuanceerd, op zijn zachtst gezegd.

In de Walküre zagen we in de tweede akte een doodskist op het toneel. Erop een foto. Van wie is niet echt duidelijk, maar bij navraag blijkt het om Freia te gaan, die na haar terugkeer uit de in Das Rheingold getoonde gijzeling zelfmoord zou hebben gepleegd. De godin van de eeuwige jeugd had zelf niet het eeuwige leven. Maar in principe zouden de goden toch onsterfelijk moeten zijn.

In het slotbeeld van de Götterdämmerung zien we een wand behangen met TL-buizen (het gestripte Walhalla van binnen?), waarin Wotan zich heeft verhangen. Kunnen goden zelfmoord plegen? Dat Freia en Wotan dat in deze enscenering doen, is een poging om het verhaal te ontmythologiseren en de personages ‘menselijker’ te maken, en ach, ook Gods eigen zoon Jezus is op aarde gestorven. Maar in het geval van Freia werkt de scenische uitwerking van het idee eerder verwarrend dan verduidelijkend.

Fricka is trouwens ook een rare. Ze ziet eruit als een verwende miljardairsvrouw uit een Robert Altman-film (denk The Wedding, Gosford Park), met grote bontstola’s, zware gouden kettingen en een zonnebril. Als karakterisering misschien even leuk, maar als je haar de hele tijd zo te zien krijgt ontstaat er niets invoelbaars.

De regie doet nog een poging haar te revancheren aan het eind van de derde akte van Die Walküre, als Wotan Brünnhilde naar de Walkürenrots verbant, als straf voor haar hulp bij de buitenechtelijke relatie van Siegmund en Sieglinde. In plaats van de gebruikelijke Feuerzauber, de muur van vuur waardoorheen alleen een onversaagde held kan binnendringen, namelijk Siegfried in Siegfried, en waarbij regisseurs en decorbouwers gewoonlijk flink uitpakken, zien we Fricka triomfantelijk opkomen met een kaarsje. En daarmee sputtert Die Walküre letterlijk als een nachtkaars uit. Leuk gevonden, en het publiek kan thuis op YouTube alle andere spectaculaire ensceneringen bekijken. Maar je voelt je ook wat bekocht, en je maakt je ook een beetje zorgen om de mensen in het publiek die misschien niet weten dat hier normaliter een enorm spektakel plaats vindt.

Sowieso heeft de regie moeite met de karakterisering van vrouwen. Ik ergerde mij in het bijzonder tijdens de grote Walküren-scene aan het begin van de derde acte van Die Walküre. Het Walhalla waar ze de omgekomen aardse helden heen brengen houdt het midden tussen een kliniek voor plastische chirurgie en een boordeel. Ze dragen verband om hun hoofd en vergrijpen zich aan de mannelijke helden. Het moeten ‘influencers’ voorstellen die zich omwille van hun publiek uiterlijk telkens moeten bijwerken. Maar het resultaat is flauw, lelijk, en het clichématige beeld van de vrouwen vrouwonvriendelijk.

Op de van dichtbij genomen foto’s kan alles er fraai uitzien, maar dat geeft precies het probleem van de productie weer. Moderniseringen via pistolen, maar Siegfried heeft wel een zwaard. En toch ook een pistool. Bijna iedereen heeft een pistool. Maar op dat immense toneel ziet elk volgende pistool er steeds lulliger uit. Is dat dan de bedoeling? Moeten we de goden allemaal lullig vinden? Maar Tomasz Konieczny als Wotan/Der Wanderer zingt en speelt toch een getormenteerd personage dat uitnodigt om mee te leven?

Als je deze Ring positief wilt karakteriseren, dan kun je vaststellen dat een poging is gedaan om de familieverbanden tussen de personages verder uit te werken. Dat gebeurt via de kinderen die we zien opgroeien en de plaats zien innemen van vorige generaties. Verder wordt aangegeven dat de verschillende clans, die van Wotan en Alberich, eigenlijk één pot nat zijn.

Een werkelijk mooie scene is als in de tweede akte van Siegfried Wotan en Alberich, nadat ze ieder om eigen redenen Mime onder druk hebben gezet (Mime is de pleegvader van Siegfried, en Siegfried is de enige die volgens het verhaal de draak de ring kan ontfutselen) samen aan de open haard gaan zitten; terwijl het Alberich blijkbaar koud laat dat Siegfried intussen eerst zijn neef, de draak Fafner en vervolgens zijn broer Mime om zeep helpt.

Interessant is misschien ook dat Siegfried Brünnhilde in de eerste akte van Gotterdämmerung verlaat na een echtelijke ruzie, al ontneemt het ons wel een mooie scène met een roerend afscheid als alles officieel nog koek en ei is.

In plaats van op een rots zoals in het libretto staat verblijft Brünnhilde tijdens haar verbanning door Wotan in een fraai van alle moderne gemakken voorzien appartement. En we zien daar zowaar een kind rondwaren, in dit geval een dochtertje, vermoedelijk van Brünnhilde en Siegfried. Dus van de kuisheidsgelofte tussen de twee die in het oorspronkelijke verhaal zo’n grote rol speelt is weinig terecht gekomen.

Sowieso wordt er veel seks bedreven in deze enscenering. Als Siegfried Gutrune ontwaart in de Gotterdämmerung bespringt hij haar ongeveer meteen. En dit al voordat hij officieel de vergetelheidsdrank toegediend heeft gekregen van Hagen, waardoor hij officieel zijn huwelijksgelofte aan Brünnhilde vergeet.

Wat voor die vergetelijkheidsdrank moet doorgaan wordt in deze enscenering sowieso door Siegfrieds geconsumeerd maar eindigt als een groene smurrie op het hoofd van een figurant die haar persoon Grane verbeeldt. Er wordt trouwens hoe dan ook erg veel gedronken door de verschillende personages. Vermoedelijk om de decadentie en genotszucht van het hele stel uit te drukken. Maar al gesjouw met flessen en glazen op toneel wordt al snel eentonig.

Dat Grane in de gedaante van een figurant sowieso een grote rol speelt doorheen de cyclus wilt u wel van me geloven maar het voert te ver om die hier ook nog te beschrijven. Grane is eigenlijk meer een bewaker van Brünnhilde. En in deze enscenering doodt Hagen Grane al lang voordat Brünnhilde officieel met Grane en al op Siegfrieds brandstapel springt.)

Dan naar het slot van de Gotterdämmerung, al bijna een opera op zichzelf, waarin Brünnhilde officieel voor het lijk van Siegfried een brandstapel opricht en daar zelf, met paard Grane en al, ook inspringt (conform de Hindoeïstische Sati-weduwen-zelfverbranding, waarvan Wagner misschien via Schopenhauer had gehoord).

Hagen probeert dan nog naar de Ring te grijpen, waarop de Rijn buiten haar oevers treedt en het hele zootje op de oever meesleurt, waarbij een enkele regisseur wel eens de mogelijkheid openlaat dat Hagen toch nog met Ring en al weet te ontsnappen.

Bij regisseur Valentin Schwarz is de Rijn het inmiddels drooggevallen zwembad uit de openingsscène van Das Rheingold, waar Siegfried met zijn dochtertje (de jeugd, het goud dus) in een overgebleven plas water aan het vissen zijn. Siegfried staat, conform het libretto, het goud i.c. zijn dochter niet af aan de Rheinmädchen. Hij wordt ook netjes door Hagen vermoord.

Günther probeert het dochtertje te kidnappen, maar Hagen steekt ook zijn broer Günther neer, waarna Hagen zich over het kind ontfermt. Gutrune rouwt nog even om haar verloren echtgenoot, maar wordt bruut terzijde geduwd door Brünnhilde, die daarop Hagen neersabelt.

Vervolgens daalt Brünnhilde af naar de bodem van het zwembad, waar het lijk van Siegfried nog ligt, en giet wat jerrycans leeg over Siegfried en zichzelf. Hagen zingt nog even zijn ‘Zurück vom Ring’, maar zijgt dan dood neer. Op de achterwand worden wat vlammengloed geprojecteerd, waarna we boven het zwembad de een wand met TL-buizen zien (de gestripte binnenkant van het Walhalla of misschien het Rijnwater zoals Pierre Audi dat liet zien in zijn Ring-enscenering in Amsterdam), en hoog bovenin aan een touw het lijk van Wotan, die zich heeft verhangen.

Muzikaal klopt alles intussen wel. Het blijft natuurlijk een belevenis om de Ring te zien en te horen in het theater met zijn bijzonder akoestiek en zichtlijnen dat voor de Ring was ontworpen en waarvoor Wagner een deel van de Ring speciaal componeerde.

Al liet dirigent Pietari Inkinen wel wat haperingen plaats vinden. Hier en daar een ongelijke inzet, binnen het orkest of tussen orkest en zangers. Maar ja het was ook zijn Ring-vuurdoop, nadat hij vorig jaar wegens ziekte had moeten afzeggen.

Ik vind behalve, nogmaals Mime van Arnold Bezuyen, Alberich van Olafur Sigurdarson en Hagen van Tobias Kehrer weinig van de zangers tot de besten behoren die ik ooit in hun rollen heb gehoord, zowel zangtechnisch als karakterologisch. Maar dat laatste ligt ten dele ook aan de regie die ze hier en daar in de weg zit. Brünnhilde en Sieglinde vibreren me hier en daar wat te veel. Wotan lijkt mooi, maar eigenlijk lijkt het ook een beetje alsof hij heel erg goed naar zijn illustere voorgangers heeft geluisterd en van iedereen iets kopieert.

Misschien komt er een nieuwe Ring in 2026 vanwege het 150 jarige bestaan van de eerste complete opvoering. Zou het na het succes van Nathalie Stutzmann als eerste vrouwelijke dirigent met de Tannhäuser een idee zijn om een vrouwelijke regisseur aan te trekken?

Jane Campion en Claire Denis hebben bewezen exact met muziek rond te gaan in hun films, maar er is ook een jongere generatie. Maria Schrader kan prachtig met de Duitse cultuurtraditie omgaan en heeft besef van nieuwe media. Julia Ducournau die in Titane aangaf om te kunnen gaan met het grote gebaar en met familierelaties. Dea Kulumbegashvili uit Georgië die in Beginnings aangaf over een geweldig gehoor te beschikken.

In Moby Dick; or The Whale gaven Wu Tsang en Caroline Shaw een geweldig makers duo te zijn, waarbij het interessant kan zijn een componiste bij de uitvoering te betrekken. De Oekraïense Alina Gorlova ging geweldig om met beeld en geluid in This Rain Never Stops.

Maar er zijn ook interessante mannen met diepgang, muzikaal inzicht en met gevoel voor het grote beeld, Tom Tykwer, Isaac Julien, Michel van der Aa, om er maar een paar te noemen. In het jubileumjaar 2026 wordt, tegen het oorspronkelijke idee van Wagner in, ook Rienzi uitgevoerd.

Er zitten best mooie gedachtenlijntjes in. Maar die werken vaak niet, of werken zelfs contraproductief.

Musikalische Leitung      Pietari Inkinen
Regie Valentin Schwarz
Bühne          Andrea Cozzi
Siegfried      Andreas Schager
Brünnhilde  Catherine Foster
Alberich      Olafur Sigurdarson
Hagen          Mika Kares
Günther       Michael Kupfer-Radecky
Gutrune       Aile Asszonyi

Foto’s Enrico Nawrath

De Feuerzauber-scene in Harry Kupfers enscenering van der Ring:

Götterdämmerung in de Centenary-Ring door Patrice Chereau en Pierre Boulez met Gwyneth Jones:

Bij lessen in Wagner laat ik graag ook de enscenering van Pierre Audi bij DNO zien, maar die staat niet op YouTube. Hier is een fragment van de Walkürenrit, met vuur:

De Ring, de Ring, waar is de Ring? Nog steeds in de problemen. Deel 1

Tekst: Neil van der Linden

Om met de cast te beginnen: de bezetting kende vele geweldenaren, met name de Alberich door Olafur Sigurdarson, de Siegmund van Klaus Florian Vogt, de Sieglinde van Elisabeth Teige (hoewel beiden eigenlijk nog beter presteerden in Tannäuser) en de Brünnhilde door Daniela Köhler. Maar, een hoogtepunt vond ik de Mime gezongen door Arnold Bezuyen.

Bezuyen houdt zich in de rol waarin je moet fluctueren tussen venijnig en naiëf stand tussen al die anderen die de held of heldin mogen uithangen. Eigenlijk is Bezuyen, die naar eigen zeggen zelf veel in zijn rol heeft mogen leggen, een lieve Mime, die door de minstens net zo corrupte Wotan en door zijn eigen broer Alberich en zijn branieachtige pleegzoon Siegfried bij de neus wordt genomen. Bezuyen beeldt dit acteer- en zangtechnisch geweldig uit. Mime werd meteen een publiekslieveling.

Maar een als geheel overtuigende Ring is dit niet geworden. Vorig jaar werd de eerste editie naar verluidt met veel boegeroep ontvangen. De Oostenrijkse regisseur Valentin Schwartz heeft zoals het programmaboek vermeldt wat wijzigingen aangebracht. Maar al is het boegeroep verstomd, overtuigend is het geheel nog steeds niet. De voorstelling hinkt nog steeds van vondst naar vondst.

Schwartz (geb. 1989) was tijdens zijn studie muziekregie in Wenen opgevallen met een productie van Debussy’s Le Martyre de Saint Sébastien en afstudeerde met een fraaie Giuditta van Lehar. Het siert de huidige artistiek directie van het festival onder leiding van Katharina Wagner, achterkleindochter van Richard, dat ze, in de lijn van Bayreuths zogeheten Werkstatt-(werkplaats-)idee, er vroeg bij wil zijn met opkomend regietalent. Maar was de Ring voor deze regisseur niet te hoog gegrepen?

Schwartz probeerde de Ring kennelijk zoveel mogelijk te ontmythologiseren en de personages zoveel mogelijk te vermenselijken. Dat deed op deze plek Patrice Chéreau in 1976 ook, met de baanbrekende enscenering ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Ring. Dat was de legendarische productie samen met dirigent Pierre Boulez. Die productie werd toen ook eerst met boegeroep ontvangen, maar is nu normgevend geworden.

Ik zag die Ring-enscenering in haar laatste jaar, in 1980. Chéreaus goden waren mannen en vrouwen van vlees en bloed, met menselijke zwakheden en menselijke aandoenlijkheden. Zoals Wagner geïnspireerd door Homerus en Ovidius met zijn goden menselijke eigenschappen portretteerde.

Middels realistisch vormgegeven decors zakten we in de loop van de vier delen van de Ring de Rijn af, van de waterkrachtcentrale bij Schaffhausen in Das Rheingold tot aan havencomplexen in de laagvlakten van de Hollandse Rijndelta in de Götterdämmerung. Daarmee ging die Ring over de geschiedenis van de Westerse beschaving, over Wagners tijd, de opkomst van het industrialisme en de groeiende macht van de grootindustriëlen en havenbaronnen van de bourgeoisie, zaken waarover Wagner zelf zich ook geregeld uitliet in zijn geschriften.

Intussen liet Chéreau het toneel intussen half leeg, wat temidden van al het bijna fotorealisme van de monumentale decors een mystieke ruimte open liet, een letterlijke open plek in het bos, of de plateaus van de op Arnold Böcklins Toteninsel geënte Walkürenrots, waarin hij de mythische interacties tussen de personages kon laten plaats vinden. De grote scene in de tweede akte van Götterdämmerung tussen Alberich en Hagen in die Ring gesitueerd aan een duistere kade bij een in nevel gehulde rivier die ergens in Nederland zou kunnen liggen staat me op het netvlies gegrift (en is heel mooi op de complete registratie op YouTube te zien).

De aanvankelijke niet onverdeelde ontvangst van de Chéreau-Boulez-Ring leert dat we onze kritiek soms moeten opschorten. Maar toch betwijfel ik of deze nieuwe Ring-productie de tand des tijds zal doorstaan. Het ziet er niet mooi uit, grauw, te druk, te vol. En er zijn te veel losse eindjes. Schwarz brengt een aantal extra verhaallijnen aan die blijkbaar bepaalde duidingen hadden moeten geven en die best interessant zijn maar die ook verwarrend en geforceerd werken.

Het begint al in de eerste scène van Das Rheingold. De Rijndochters bewaken een kinderzwembad en Alberich gaat er met de kinderen vandoor. De jeugd als het goud. In zekere zin klopt ook wel een beetje, want zoals we weten willen een paar scenes later de reuzen Fasolt en Fafner de door hen (overigens terecht, want Wotan wil ze niet betalen voor het bouwen van het Walhalla) in gijzeling genomen godin van de jeugd Freia alleen teruggeven in ruil voor al het goud van de goden, inclusief de ring.

Dat is in deze enscering dan één van de kinderen, een in okerkleurig kleding gestoken jongetje. Dat jongetje wordt in deze enscenering een dramaturgisch Leidmotiv, want in de volgende delen van de enscenering wordt steeds duidelijker gesuggereerd dat dit jongetje dit de jonge Hagen was, de ‘hoofd-slechterik’ in de Götterdämmerung.

De Götterdämmerung heb ik nog niet gezien, dus hoe deze verhaallijn afloopt weet ik nog niet. Maar in elk onderdeel van de Ring tot nu toe zagen we een figurant in okerkleurige kleding terug, tot en met een pop waarmee de jonge Siegfried in de eerste acte van de Siegfried speelt en in de tweede acte van de Siegfried een figurant die met Siegfried meereist, maar die merkwaardigerwijs ook de Ring draagt nadat Siegfried die aan de draak Fafner heeft ontfutseld. Ik moet zeggen, ik ben benieuwd hoe dit afloopt. Immers als de jonge Hagen de Ring al in bezit heeft, waarom is de hele Götterdämmerung dan nog nodig? Maar het idee is waarschijnlijk dat Hagen vanaf zijn vroegste jeugd al tussen de wereld van volwassen slechteriken verkeert, zowel de Nibelungen als Wotan en zijn entourage, en dat hij door de invloeden van die omgeving pas het idee krijgt om de macht over de wereld te willen krijgen.

Deze figuur draagt geregeld ook een okerkleurige baseballpet, waarschijnlijk de Tarnhelm. En de pet verwisselt op allerlei momenten van drager.

Toch is het idee om het goud zolang dat niet in handen raakt van de Alberich of de Wotan-clan en dus op de bodem van de Rijn ligt te verbeelden met spelende kinderen interessant. En het is flauw aan te nemen dat er wordt verwezen naar de sinistere complotideeën over een pedofielen-ring.

Dirigent Pietari Inkinen heeft een goed overzicht over het geheel van de partituren en leidt het orkest keurig van lyrische passage naar lyrische passage en van uitbarsting naar uitbarsting. Toch zijn er mitsen en maren, maar dat kan ook aan het decor liggen.

Elisabeth Teige’s Sieglinde bijvoorbeeld klinkt soms scheller dan haar Elisabeth in de dag ervoor Tannhäuser. Misschien staat ze akoestisch minder gunstig op het toneel.

 Met name mijn favoriete moment aan het einde van ‘Nicht sehre dich Sorge um mich’ in de derde akte van Die Walküre, als Sieglinde bescherming vindt bij de Walküren en ze in een triomfantelijke lyrische passage uitbarst als ze begrijpt dat niet zij en Siegmund, maar in elk geval wel haar kind Siegfried de schermutselingen zullen overleven gingen een beetje verloren.

Op de Siegfried van Andreas Schager kom ik morgen terug en dan bespreek ik nog meer aspecten van de eerste drie delen en ook de Götterdämmerung.

Musikalische Leitung Pietari Inkinen
Regie Valentin Schwarz
Bühne  Andrea Cozzi
Siegfried      Andreas Schager
Mime Arnold Bezuyen
Wotan/Der Wanderer       Tomasz Konieczny
Alberich      Olafur Sigurdarson
Fafner          Tobias Kehrer
Erda   Okka von der Damerau
Hunding      Georg Zeppenfeld
Brünnhilde  Daniela Köhler
Siegmund Klaus Florian Vogt
Sieglinde Elisabeth Teige
Fricka    Christa Mayer
Loge  Daniel Kirch

Clip van deze enscenering

Interview met regisseur Valentin Schwarz:

https://www.br-klassik.de/aktuell/news-kritik/interview-valentin-schwarz-rueckkehr-ring-bayreuth-100.html

Siegfried in de enscenering van Patrice Chéreau:

Een Tannhäuser in Bayreuth in de kleuren van de regenboog

Tekst: Neil van der Linden

Tannhäuser, om te schaterlachen en ontroerd te raken. De tweede akte eindigt met een Brits-Nigeriaanse travestie-artiest die een regenboogvlag ophangt in de grote zaal van het Wartburgkasteel, en daarmee in het door Wagner zelf ontworpen Festspielhaus. In de regie van Tobias Kretzer (die in Amsterdam Offenbachs Contes d’Hoffmann regisseerde), en onder directie van Nathalie Stutzman klopt het allemaal.

Dit is het vierde opvoeringsjaar van deze productie, die mogelijk in de loop van de tijd gerijpt is, maar temidden van het Bayreuthse publiek viel alles op zijn plaats. Het vrat het allemaal.

Aan het begin zien we een vrolijk gezelschapje in een oude Citroën-bus (het model van golfplaat) op reis door een zonovergoten glooiend landschap. Door een combinatie van decor en video lijkt het alsof het busje echt rijdt. Het gezelschap is een reizend komediantengroepje, bestaande uit een vrolijke sensuele vrouw aan het stuur, die Venus zal blijken te zijn; een clownsfiguur, die Tannhäuser blijkt te zijn;

een persoon in de speellijst Oskar geheten die gestalte en de kleding heeft van de dwerg-jongen Oskar Metzerath in de film Die Blechtrommel

en een travestiet, de Brits-Nigeriaanse travestiester Le Gateau Chocolat.

Dit gezelschap zal gedurende de hele opera min of meer bij elkaar blijven. Maar eerst vakantie! Vrolijk rijdt het gezelschap naar de bestemming, we zien de bus ook van boven zoals Michael Haneke de auto van het gedoemde gezin van boven filmde in de magistrale door operamuziek begeleide openingsscène van zijn Funny Games. Met citaten uit twee ijkpunten uit de Duitstalige filmgeschiedenis is de toon al gezet.

In de bus en in het landschap is het één en al vrolijkheid en zonnigheid. Wagners devies ‘Frei im Wollen, Frei im Thun, Frei im Geniessen’, dat hij uitsprak toen hij uitgebreid in het revolutiejaar 1848 participeerde, wordt gedurende de hele uitvoering geregeld in beeld gebracht in de vorm van teksten op affiches voor de optredens van Tannhäusers komediantenclubje.

Toch houdt het zorgeloze leven van het groepje natuurlijk geen stand, zoals ook in Wagners libretto aan het zoete leven met Venus een einde komt. Er volgt een Godard-A bout de souffle/Bonnie & Clyde/David Lynch-Wild at Heart/Tarantino-achtig zwartgallig roadmovie-ontwikkeling.

I

n de film zien we hoe tijdens de ouverture al moet worden getankt, en deze van dag levende kunstenaars hebben geen geld. Dus tapt men benzine af uit andere auto’s en rijdt men zonder te betalen weg bij een tankstation, allemaal te zien in de film die we geprojecteerd krijgen op het voordoek. Maar de politie zit ze op de hielen en in de haast rijdt Venus daarbij over een politieagent heen. Weg is de jolige sfeer. Wagners devies uit 1848 blijkt niet vol te houden.

Gezien het door Wagner geschetste verdere verloop van de opera – Tannhäuser twijfelt tussen Venus en een leven gewijd aan devotie verzinnebeeld door  Elisabeth, en hoe hij aan het eind van de opera van eeuwige verdoemenis wordt ‘gered’ door de inmiddels gestorven Elisabeth aan te roepen – geloofde Wagner al  in 1845, het jaar waarin de eerste versie van Tannhäuser in première ging, al niet helemaal in zijn slogan uit 1848.

Ook zang technisch zat deze Tannhäuser uitgekiend in zijn vel. Klaus Florian Vogt had Stephen Gould uit de eerdere cast vervangen, die kennelijk oververmoeid is/lees: zijn stem heeft oververmoeid, de bekende zangers ziekte.

Elisabeth Teige in plaats van Lise Davidsen was ook prachtig. Bijzonder is dat beiden de dag ervoor in Die Walküre optraden als Siegmund en Sieglinde. Vogt is helemaal op zijn plek, in Tannhäuser nog meer dan in Die Walküre, en in elk van de twee werken kan hij ondanks zijn inmiddels al gevorderde leeftijd nog steeds voor relatief jonge, blonde god doorgaan.

Een mooi moment in deze enscenering is als we hem in closeup in de film als Tannhäuser het lied van Wolfram zien goedkeuren, terwijl Tannhäuser hem even later toch van repliek dient door diens kuise lied te beantwoorden met een heftig erotisch lied.

De Venus van Ekaterina Gubanova is zingend en als personage een genot. Regisseur Tobias Kratzer laat haar in de tweede akte op zoek gaan naar Tannhäuser. Ja, ze houdt echt van hem. En samen met Le Gateau Chocolat en Oskar dringen ze met een ladder het Festspielhaus binnen tijdens de tweede akte.

Met de camera volgen we hen in projecties tijdens hun tocht door het gebouw heen op zoek naar Tannhäuser. Venus dringt zelfs tijdens de zangerswedstrijd de grote hal van de Wartburg binnen en schaart zich tussen de burgerij, waarbij ze zich natuurlijk voortdurend verraadt doordat ze het protocol niet kent, met bulderend gelach vanuit ons, het publiek tot gevolg. Maar aandoenlijk is het ook. Vervolgens betreden met veel tumult haar mede-performers Le Gateau Chocolat en Oskar het zangerspodium, tot grote schrik van de Wartburg-burgerij.

Uiteindelijk zien we in de filmprojecties de technici van het theater de politie te bellen en worden  Tannhauser, Venus en de twee metgezellen, na de veroordeling van Tannhäuser door de Landgraaf tot een pelgrimage naar Rome, gevankelijk weggevoerd. Maar niet zonder dat Le Gateau Chocolat een regenboogvlag heeft gedrapeerd over een stellage met zwaarden en speren, dit tot groot enthousiasme bij het publiek in de zaal van het Festspielhaus.

Het klinkt allemaal misschien gezocht, maar toch is het sterke van de voorstelling dat het verhaal dat de regie vertelt consistent is en consequent uitgaat van gegevens in Wagners verhaal.

Vogt, Gubenova en Teige zijn dus sterk. Markus Eiche, Wolfram von Eschenbach, overtuigt eveneens in stem en op het toneel. Het zal sommigen een gruwel zijn dat Wolfram von Eschenbach met het clownspak en de clowns pruik van Tannhäuser op het toneel seks heeft met Elisabeth, met de dood tot gevolg.

Je gelooft het niet, en je gelooft het wel, want zomaar doodgaan van liefdesverdriet bestaat eigenlijk niet en in onbevlekt als heilige ten hemel opstijgen ook niet. Elisabeth had de hoop op Tannhäusers terugkeer opgegeven en de zin voor het leven verloren.

Niet zonder aan zijn eigen gerief te denken, begaat deze Wolfram in zekere zin een daad van zelfopoffering en probeert haar vermomd als Tannhäuser ‘verlossing’ te brengen. Een daad, die net als eerder Venus’ escapades in het busje uit de hand loopt. Deze identiteitsverwisseling is misschien een vooruitblik op de Tarnhelm-scène tussen Siegfried en Brünnhilde in de Ring die Tobias Kratzer in München gaat regisseren.

Walther von der Vogelweide werd met fraaie lyrische hoogten gezongen door de Zuid-Afrikaanse tenor Siyabonga Maqungo en Julia Grüter is een fraaie Ein junger Hirt, die, wanneer Tannhäuser in de eerste akte van de Venusberg is afgedaald en versuft in de tuin van het Festspielhaus is neergekomen van haar fiets stapt, haar lunchpakket met hem deelt en hem onder haar hoede neemt.

Naast de grote gebaren en verdoemde passies van de protagonisten zit de enscenering vol met dit soort momenten van menselijke warmte en sympathie van de kant van de gewone mensen in het verhaal, zoals ook de scène in de derde akte als Oskar met de inmiddels aan lager wal geraakte Elisabeth met een lepel van zijn net – in zijn Blechtrommel-blikken trommel – bereide schamele soep deelt. Ja, je gelooft het in deze regie wel.

En dan is er Natalie Stutzman die dit alles wonderschoon dirigeert, het orkest strak in de hand houdt en de zangers op de juiste momenten vocale ruimte geeft.

Het is een Tannhäuser die Bayreuth terecht heeft omarmd. En ik zou zeggen, op naar München voor de Ring binnenkort!

Orkestdirectie Nathalie Stutzmann
Regie Tobias Kratze
Decor Rainer Sellmaier
Video Manuel Braun
Landgraf Hermann  Günther Groissböck
Tannhäuser Klaus Florian Vogt
Wolfram von Eschenbach Markus Eiche
Walther von der Vogelweide Siyabonga Maqungo
Elisabeth Elisabeth Teige
Venus Ekaterina Gubanova
Ein junger Hirt Julia Grüter
Le Gateau Chocolat als zichzelf en Manni Laudenbach als Oskar
Gezien 28 juli 2023 Festspielhaus Bayreuth

De foto’s bij dit artikel komen uit diverse recensie van eerdere voorstellingen en nieuwe van het persbureau van Bayreuth, fotograaf Enrico Nawrath.

Recensie van de nieuwe versie in BR-Klassik:

https://www.br-klassik.de/aktuell/news-kritik/kritik-tannhaeuser-tobias-kratzer-nathalie-stutzmann-bayreuth-festspiele-2023-100.html

Stern:

https://www.stern.de/gesellschaft/regional/bayern/bayreuther-festspiele–standing-ovations-fuer–tannhaeuser–inszinierung-33693424.html

Discografie van Tannhäuser:

Over Tannhäuser in de niet voor de hand liggende opnamen



Perfume: songs with sex appeal

That the album bears the very inviting title ‘Perfum’e I can well understand. The songs collected on this CD are set to French poems from the second half of the nineteenth century and they have a special sexual appeal to the listener.

Everything about this CD is beautiful. Whether it is Maurice Ravel’s mysterious cycle ‘Sheherezade’ or Benjamin Britten’s unknown work which he wrote as a fifteen-year-old youth; they leave you stunned and feeling a bit intoxicated. Even Henri Duparc’s over-familiar ‘L’Invitation au voyage’ sounds like never before. Mysterious and unearthly beautiful.

But I was most moved and touched by Charles Koechlin’s ‘Épiphanie’. The song itself is already a beautiful gem, but in Christiane Karg’s rendition (and don’t forget about the orchestra!) it becomes like a painting overshadowed by a golden sheen.

Karg has a very suitable voice for the songs she performs: light, pure and silvery. Her interpretation is graceful and elegant, oscillating between the pastel tones of impressionism and the dark colours of symbolism. Just like the poems she sings. That it also sounds stylised at the same time adds to the mystery of ‘ womanhood’. She could be Melisande. Or even Sheherezade.

The young German conductor David Akham is a graceful partner to her, conducting as if he has an entire poetry album stored in his baton. What a great CD!

Mascagni op zijn lyrisch: L’amico Fritz in Firenze

Tekst: Peter Franken

De handeling van deze korte toch wel gemoedelijke opera uit 1891 gaat ongeveer als volgt. Fritz is een rijke landeigenaar ergens in de Elzas die een regelrechte minachting koestert voor het fenomeen huwelijk. Niettemin is hij wel bereid om een bruidsschat op te hoesten voor een jong koppel dat gaat trouwen. Als Fritz zijn verjaardag viert krijgt hij een boeketje van Suzel, de dochter van een van zijn pachters. Als ze weg is raakt Fritz in gesprek met David, de plaatselijke rabbijn, die stelt dat Suzel een geschikte bruid is en hij voor haar een man zal zoeken.

Daarop volgt een discussie tussen Fritz en David waarin eerstgenoemde zijn mening over het huwelijk te berde brengt en het einde van het liedje is een weddenschap met als inzet een van Fritz’ wijngaarden. Die verliest hij aan David als hij alsnog in het huwelijksbootje stapt.

In een volgende scène ontmoeten Fritz en Suzel elkaar in een boomgaard. Fritz helpt haar bij het kersen plukken en ze zingen een duet over de lente en de bloemen, het ‘kersenduet’.

Als Fritz weg is komt David aan en praat met Suzel. Hij suggereert dat ze bruid zou kunnen worden en zij holt verlegen weg. Als David later Fritz vertelt dat hij denkt een goede man voor Suzel te hebben gevonden, raakt deze in verwarring. Hij realiseert zich als snel, dat hij verliefd is geworden op het jonge meisje. Als David kort daarna komt melden dat hij Suzel heeft gekoppeld aan een leuke rijke jonge man en dat haar vader hem om toestemming komt vragen, ontsteekt Fritz in woede en zegt dat te zullen weigeren.

Intussen is Suzel op Fritz verliefd en niet op haar onbekende aanstaande en na een paar verwikkelingen komt alles natuurlijk goed.  David heeft zijn weddenschap gewonnen en geeft de daarmee verkregen wijngaard als huwelijkscadeau aan Suzel. Let wel, er vallen geen slachtoffers in deze ‘romantic feel good opera’.

Het verhaal heeft een hoog ‘Bouquet reeks’ gehalte, denk aan oudere uitgaven van zo’n veertig jaar geleden. Maar daar trekt Mascagni zich helemaal niets van aan. Als Suzel het lot bezingt van de bloemen die ze heeft geplukt voor Fritz – gestorven in de hoop dat het iemand blij en gelukkig zal maken – is er zoveel hartstocht te bespeuren dat je zonder de tekst te kennen zou denken in een veristisch liefdesdrama te zijn beland.

En zo zijn er voortdurend briljante passages waarin de sub tekst de muziek volgt als een schaduw en wat er gezegd wordt nauwelijks nog van belang lijkt te zijn. Ja, de handeling moet voortgang hebben maar iedereen weet al direct hoe het gaat aflopen. Het is nauwelijks mogelijk om niet zo nu en dan flarden Cavalleria en Iris in de muziek te ontwaren maar het is toch vooral Mascagni die aan het woord is. Al kreeg ik tijdens de prelude tot de derde akte even het gevoel dat we op het punt stonden de Tweede Hongaarse Rapsodie van Liszt te zullen horen.

Opvallend is hoezeer Mascagni de geluiden die samenhangen met de handeling muzikaal weet uit te beelden. Met name het aankomende rijtuig in de tweede akte: geklak van een zweep en een duidelijke galop. De overgang van het meeslepende romantische Kersenduet naar de koets met vrienden had niet groter kunnen zijn: die twee worden duidelijk ruw gestoord in hun tête à tête.

In maart 2022 was er in Teatro del Maggio Musicale Fiorentina een door Rosetta Cucchi geënsceneerde voorstellingenreeks te zien. Op het label Dynamic is daarvan een opname op Blu-ray uitgebracht. Cucchi heeft de handeling verplaatst van ergens in de 19e eeuw naar (vermoedelijk) het San Francisco van einde jaren ’80. Dat Suzel rondloopt met een Walkman is een prima aanwijzing. Fritz is de uitbater van een wijnbar en tevens natuurlijk eigenaar van een aantal wijngaarden in Napa Valley. Voor zover mogelijk wordt het libretto verder vrij keurig gevolgd.

Decor en kostuums zijn van Gary MacCann en bevestigen het jaren ’80 beeld. In plaats van een rijtuig komen Fritz’ vrienden op in een golfkarretje. De handeling in de eerste en derde akte speelt zich af in een café met grote ramen waardoor ook het buitengebeuren in beeld kan worden gebracht. Het is een ‘half open doos’ die nogal laag en diep is wat minder goed werkt. Een doos is prima, een kijkdoos een stuk minder. In de tweede akte is deze ruimte gedeeltelijk ingericht als kantoor waar Suzel achter een bureau wat zit te typen met een Walkman op haar hoofd. Op de achtergrond zien we wijnvaten.

Suzel wordt vertolkt door de zeer charmante uit Georgië afkomstige sopraan Salome Jicia, heel goed gezongen en leuk ‘spontaan’ geacteerd. Het Kersenduet met Fritz gaat haar prima af. Tenor Charles Castronovo vervult de titelrol met verve al moet hij zo nu en dan een beetje forceren.

De rol van Beppe is geschreven voor een mezzo. Hij komt Fritz feliciteren met zijn verjaardag en kondigt zijn komst aan door op zijn viool te spelen. Die rol komt voor rekening van Teresa Iervolino, nogal mannelijk uiterlijk met een zeer vrouwelijke stem.

David laat Suzel het verhaal van Rebeccca navertellen om haar zodoende in de bruidsmodus te krijgen. Van beide kanten wordt dat leuk geacteerd waarbij Suzel bijna kinderlijk trots is op zichzelf.

Prima invulling van zijn rol door Massimo Cavaletti die later dat jaar als David zou inspringen in de Matinee voorstelling van Fritz in het Concertgebouw. Op zich wel een merkwaardig detail, die rabbijn als huwelijksmakelaar die erop gebrand is koppels naar ‘het altaar’ te brengen.

Riccardo Frizza heeft de muzikale leiding. Het levert een pakkende verklanking op van Mascagni’s bij vlagen exuberante partituur.

Foto’s van de productie © Michele Monasta/Maggio musicale fiorentino

Trailer van de productie:

For Francesco Cilea on his birthday

Adriana Lecouvreur

Aleardo_Villa

Daniela Dessì



‘Poveri fiori’ (poor flowers), Adriana sings in one of the most moving arias in the history of opera, smelling the bunch of wilted violets. If only we could warn her, because those violets are poisoned, you can smell the contamination even from your armchair in front of the TV. And indeed they prove fatal. She launches into a big monologue, and that was it! Tutto e finito.

The orchestra plays a few more bars, and then there is the final chord. Pian-pianissimo, and so movingly beautiful that my tears, which had already begun to flow at the beginning of the last act, turn into a veritable flood.

Portrait of Lecouvreur (ca. 1725), by anonymous artist, based on her first appearance at the Comédie-Française, and located in the Musée des Beaux-Arts, Châlons-en-Champagne



The real Adriana, a star of the Comédie Française, died in Voltaire’s arms in 1730. Eugene Scribe made her immortal by creating a play about her life and her role was played by the greatest actresses of the time: Sarah Bernhardt, Eleonora Duse, Helena Modjeska.



The opera, which Francesco Cilea based on the play, thus requires a singer with the greatest acting skills, such as a Mafalda Favero, Magda Olivero or Renata Scotto.



Daniela Dessi, by the way, can do both the singing and the acting. 21 years ago (the recording was made at La Scala in January 2000), her sound was still lyrical, but already well developed dramatically. A true lirico-spinto, even if it was still a bit ‘in spe’ then.


Maurizio was one of Sergei Larin’s favourite roles, he also sang it in 2006 in Amsterdam (Saturday Matinee) alongside Nelly Miricioiu. The much-lamented Latvian tenor (he died in January 2008 at the age of 51) presents a beautiful and elegant sound, not devoid of passion, but still without the ‘roar’ that marred his last performances.


Olga Borodina is a deliciously mean Principessa di Bouillon and Carlo Guelfi a sonorous Michonnet, although his voice lacks ‘that certain something’, that made Sherrill Milnes one of the best interpreters of the role.


Roberto Rizzi Brignoli elicits from the orchestra all the colours of the rainbow and then some more. Here he is at the very beginning of his career (I once wrote: remember that name, we will be hearing more from him). Now he has become one of the greatest.

For those who appreciate it: the direction and the stage setting are traditional.



Dessì and Borodina in the finale of the third act:

EuroArts 2050098

Mafalda Favero:

Magda Olivero:

Renata Scotto:

L’Arlesiana (rediscovered!)



There are more operas that derive their fame from just one aria: just think of La Wally. Or even Andrea Chenier or La Gioconda. But there can only be one winner and that is undoubtedly Cilea’s L’Arlesiana.


The aria “E’ la solita storia del pastore”, better known as Lamento di Federico is among the most beautiful and best-loved tenor arias in all opera history. Just about every tenor sings it; it is also very often found on compilation CDs or opera recitals. No wonder: who among us can keep dry eyes listening its languorous tones? And: who among us actually knows what it is about? And who has ever heard the opera in its entirety?

L’Arlesiana is still performed only sparsely, even its recordings are scarce. Strange really, but the intendants of most opera houses don’t like verism. Is there too little honour to be gained for directors?

Not that L’Arlesiana is a masterpiece. That the opera is unbalanced, Cilea himself knew that very well. He also continued to tinker with it from its premiere in 1897 until his death in 1950. He went from four acts to three, and his finest and best move was undoubtedly adding the famous interlude “La notte di Sant’Egilio”, in 1937.


Curiously, the heroine, the girl from Arles, is not even present in the opera. Well, not fysically. She is being talked about, gossiped about also and she is the cause of the ensuing drama, of which she is probably not even aware, we will never know it.


Clearly present, though, is Rosa Mamai, Federico’s mother. I read somewhere that if Santuzza (Cavalleria rusticana) had ever left Sicily and started a family of her own, she would surely have become Rosa Mamai. I was reminded of this when listening to Iano Tamar’s fantastic, highly dramatic Rosa Mamai.

arlesiana-tamar

Iano Tamar. Foto: Picus online



In her own “lamento” (‘Esser madre è un inferno’), she defies the limits of beautiful singing, but nowhere crosses them and she really makes us share her grief.  In doing so, she proves what we actually already knew: the opera is not about silly shepherd Federico and his desperate love for the adulterous Arlesienne. No, it is about the boundless love of a mother who wants to save her son from a fatal fate at any cost and who even goes so far as to give her consent to the marriage with “the bitch”. To no avail: in a moment of madness, Frederico plunges himself from the hayloft

arlesiana-filianotti

Foto: Arielle Doneson



Giuseppe Filianotti has the ideal timbre for Federico: beautifully lyrical, but with enough power to meet the heavy demands of the complex role, with its many changes of mood. I truly would not know who else, perhaps apart from Beczala or Fabiano, could sing the role with as much feeling and languor. It is a real “Caruso role”; lyricism alone would not be enough.

Mirella Buonoaica’s light and agile soprano is sometimes like quicksilver: bouncy and fascinatingly beautiful. But her Vivetta also possesses enough power: should the need arise, the girl is ready to fight. It is not her fault that her lover has gone mad, remember Micaela!

Francesco Landolfi is a beautiful Baldassare, authoritarian but also very fatherly. His ‘Come due tozzi accesi’ moves me greatly. He phrases with a perfection you don’t often come across anymore and his messa di voce is astounding..

All the minor roles are also more than adequately cast and the orchestra under Fabrice Bollon plays very animatedly.

But this recording has even more to offer. It contains a lost aria by Federico: a “Una mattina m’apriron nella stanza”. We owe the discovery to Giuseppe Filianotti, who found the piece at the Museo Francesco Cilea, in a manuscript belonging to the composer. “Una mattina” was heard for the first time during this performance in Freiburg.

The original 1897 version of Lamento di Federico (note the end):




The rediscovered aria “Una mattina m’apriron nella stanza”:


CPO 7778052; recorded live juli 2012 in Freiburg



Bonus: Tito Schipa sings Il Lamento di Federico



A pleasant introduction to Cilea’s piano works

Francesco Cileais today particularly known for his opera’s Adriana Lecouvreur and L’Arlesiana, but did you know that he, himself a great pianist also composed for the piano?

I didn’t. Not that I think I missed much. It’s all very pleasant, no more. Wonderful to have in the background but the music has too little going for it. It does not sink in.

And yet I am glad someone took the trouble to record the music. It sheds a totally different light on the composer and takes him out of the shadows in which (music) history has cast him. No, Puccini he was not, and in his day piano music was already much more than just an entertaining ‘salon music’, but fair is fair: I must confess that I found it an extremely  enjoyable introduction. Not least because of pianist Sandro De Palma’s very strong advocacy of his music.

In the very Schubertian-looking sonata for cello and piano, De Palma is assisted by the not particularly virtuoso Ferdinando Calcaviello.






Mimi Pinson oftewel La bohème van Leoncavallo

Tekst: Peter Franken

Henry Murger Illustration for the fiftieth anniversary of his death in: Le Petit Journal, France, Jan., 29, 1911

Zowel Puccini als Leoncavallo werkten eind jaren 1890 aan een opera gebaseerd op de roman Scènes de la vie de bohème uit 1849 van Henri Murger. Puccini maakte gebruik van een libretto dat was geschreven door Luigi Illica en Giuseppe Giacosa.

Leoncavallo schreef zijn eigen libretto en maakte daarbij heel andere keuzes voor zijn werk in vier aktes. Murger schreef min of meer op zichzelf staande korte verhalen, schetsen van het leven van bohemiens. In Puccini’s versie is daar wat samenhang in gebracht waardoor een doorlopende verhaallijn is ontstaan. Die is bij Leonvacallo duidelijk minder prominent.

De wereldpremière vond plaats op 6 mei 1897 in het Teatro La Fenice in Venetië, een half jaar na Puccini’s première en Leoncavallo’s Bohème is nadien altijd in de schaduw van het werk van zijn concurrent blijven staan, ook nadat de componist de titel ter onderscheid had veranderd in Mimi Pinson.

Opvoeringen zijn zeldzaam en in het reguliere circuit is er geen enkele opname op dvd van beschikbaar. De bekendste opname op cd is die onder Heinz Wallberg uit 1970 met Franco Bonisolli als Marcello, Alan Titus als Schaunard, Bernd Weikl als Rodolfo, Alexandra Milcheva als Musette en Lucia Popp als Mimi.

The Cafe Momus scene from an 1899 production of Leoncavallo’s La Bohème.

Uitbater Gaudenzio van cafe Momus probeert tevergeefs de bohemiens buiten te houden, aangezien ze nooit betalen en altijd de boel op stelten zetten. Marcello heeft een keer een naaktmodel meegebracht om daar te schilderen en Schaunard zingt te luidruchtig. De musicus belooft dat ze het deze keer, kerstavond, rustig zullen houden. Ze hebben geld en er komen chique dames mee.

Costume sketch

Mimi arriveert met Musette in haar kielzog, die heeft haar bankier die avond vrij gegeven. De meisjes zingen bij wijze van introductie over elkaar. Mimi hemelt Musette op die alleen maar voor de liefde leeft in ‘Ed ora, conoscetela’ en Musette bezingt de lieve blonde Mimi in ‘Mimi Pinson, biondinetta’.

Montserrat Caballé zingt ‘Ed ora, conoscetela’:

Uiteraard loopt alles uit de hand als men de aangerukte champagne, kreeft en andere luxe gerechten niet kan betalen uit een gezamenlijk vermogen van 2 francs maar de wat geheimzinnige rijkere heer Barbemuche die kennelijk uit is op enig contact met de ‘bohème’ biedt aan de rekening te betalen. Schaunard wijst dit van de hand maar om Gaudenzio toch aan zijn geld te helpen speelt hij met Barbemuche een partijtje biljart wat bij winst het benodigde bedrag moet opleveren. Barbemuche gaat in dit toneelstukje mee en verliest ‘eervol’. Iedereen tevreden.

Mimi en Rodolfo hebben bij aanvang al een relatie en in tegenstelling tot bij Puccini is zij hier nog normaal gezond. Marcello is gelijk helemaal weg van Musette en probeert haar te versieren. Later blijkt ze omwille van hem haar rijke geliefde te hebben verlaten.

Duet uit de eerste acte ‘Signorina Musette’.
Marcello: Mario Malagnini Musette: Martha Senn

Vanwege die ontrouw zet Musette’s minnaar haar aan de dijk en weigert nog langer haar te onderhouden. Met als gevolg dat Musettes meubilair is geconfisqueerd en direct door de conciërge naar de binnenplaats is gedragen. Maar die avond had ze net al haar vrienden uitgenodigd voor een feestje.

Schaunard, duidelijk het alter ego van Leoncavallo, weet daar wel raad op. Musettes piano staat inmiddels ook op de binnenplaats, zij het inmiddels een beetje ontstemd, en drank kan uit de waterput worden verkregen. Zo wordt het toch een gezellige boel, vooral dankzij de muziek natuurlijk. Een aardig detail is dat ergens een C en D tegelijkertijd worden aangeslagen om de indruk te wekken dat de D daadwerkelijk niet goed klinkt.

De buren, die uit hun slaap gehaald zijn, protesteren tevergeefs en het wordt een heel pandemonium. Barbemuche is ook aanwezig en heeft graaf Paul meegebracht. Die weet onopvallend Mimi over te halen met hem mee gaan, een luxe leven wacht haar, waarom hier blijven in armoede?

Ook Musette, die inmiddels bij Marcello is ingetrokken, houdt de armoe en vooral de honger en kou na een tijdje niet meer uit en wil bij hem weg. Mimi komt juist weer terug omdat ze nog steeds van Rodolfo houdt maar die vertrouwt haar niet meer. Zowel Marcello als Rodolfo reageren hun boosheid en frustratie op de beide meisjes af, ze kunnen maar beter vertrekken en nooit meer terugkomen. Het valt ook niet mee om als randfiguur je staande te houden, het bohemien bestaan berust grotendeels op bravoure, in werkelijkheid is het afzien.

José Cura zingt ‘Musetta! Testa adorata’ (live uit Budapest):

Dezelfde aria door Mario del Monaco:

Aan het eind staat Mimi plotseling bij Rodolfo en Marcello op de stoep. Ze was door graaf Paul verlaten en had geprobeerd haar bestaan als bloemenverkoopster weer op te pakken maar dat was niet gelukt, teveel concurrentie. Door kou en ondervoeding was ze ziek geworden en in het ziekenhuis opgenomen, maar vanwege gebrek aan geld daaruit voortijdig ontslagen.

Original set design sketch for the fourth act

Musette die op deze kerstavond, een jaar na het begin van het verhaal, even langs komt ‘for old times sake’ laat direct al haar juwelen verpanden om een dokter en medicatie voor Mimi te kunnen betalen. Het mag niet baten, Mimi sterft te midden van het groepje bohemiens.

In de orkestratie en regelmatig terugkerende muzikale wendingen herken je al snel Il Pagliacci., zonder dat dit overheersend is, meer het visitekaartje van de componist. Musette heeft hier de belangrijkste rol bij de vrouwen, Mimi horen we vooral in de eerste en de vierde akte. De derde akte draait voornamelijk om het mislukken van de relatie tussen Marcello en Musette, gewoon omdat je van liefde alleen nu eenmaal niet kunt leven. Musettes ariaatje ‘Mimi Pinson, biondinetta’ klinkt als een vrolijk nummer uit een operette.

Ermonela Jaho over ‘Mimi Pinson, biondinetta’:

en hier luistert zij naar  de opname van Rosina Storchio (1911):

In de derde akte klinkt Musette zelfs als een personage dat sterk doet denken aan Franz Léhar. Dat is echter niet bepalend voor de opera als geheel die als zeer degelijk overkomt en beslist minder steunt op effectbejag dan Puccini’s gelijknamige werk. Hoewel de mezzo feitelijk de show steelt is ook de partij van sopraan Mimi heerlijk om naar te luisteren, vooral natuurlijk in de lyrische vertolking door Lucia Popp.

Ik blijf uitkijken naar een live voorstelling of op zijn minst een opname op dvd. Echter met het beluisteren van een cd kom je natuurlijk ook al een heel eind. Gewoon een klassieke productie van Puccini’s Bohème voor de geest halen geeft zonder meer een goede indruk hoe Leoncavallo’s versie er in het theater uit zou kunnen zien.

Opname uit 1963 met Angelo Lo Forese:

En hier de opname uit 1958 onder Mollinari Pradelli met o.a. Bastianini als Rodolfo:

Verismo in German: Der Golem

Eugen d’Albert (1864 – 1932), the German pianist and composer of English/French/Italian origin, was born in Glasgow and died in Riga (can it get any more multiculti?). He is still  “terra incognita” for most opera-goers.

Of the 20 operas he composed, only one has kept repertoire: ‘Tiefland’, a very verist work from 1903. Occasionally you will still hear some part of ‘Die Tote Augen’, but ‘Der Golem’?



It is listed in reference works, yes, but, to my knowledge, after its 1926 premiere in Frankfurt it was never performed again.

Image by Mitchellnolte

The story is based on an old Jewish legend from Prague..In a few words; Rabbi Löw  creates an artificial man (Golem) from clay, which then takes on a life of its own. Death and destruction ensue and it eventually costs the life of Lea, Löw’s daughter. Too late, the rabbi comes to the realisation that he was never allowed to play God, however good and noble his intentions.

Rabbi Löw’s grave in Prague © Basia Jaworski

Recording(s)



The opera house in Bonn, always up for the unknown repertoire, put it on stage in January 2010 and it was also recorded there live. Bravo



The performance is more than outstanding.
Ingeborg Greiner is a very moving Lea. With her very light, girlish soprano, she manages to evoke our pity. Adolescents, after all! Always in love with the wrong one!


American baritone Mark Morouse (Golem) possesses a very attractive (may I say erotic?) voice, which makes Lea’s passion only logical.

Trailer of the production:

The whole opera (audio)



The music is very recognisable and melodic. Think Mascagni, but in German. Then also add a touch of Richard Strauss and a droplet of Wagner.
Eclectic? Yes, but so very delightful!

The movie, made in 1920:




Eugen D’Albert
Der Golem
Mark Morouse (baritone), Alfred Reiter (bass), Tansel Akzeybek (tenor), Ingeborg Greiner(soprano) and others.
Chor des Theater Bonn (conductor: Sybille Wagner); Beethoven Orchester Bonn conducted by Stefan Blunier
MDG 937 1637-6

Dansen op de bom. Dr Atomic in Utrecht

Tekst: Neil van der Linden

Op het podium in de Utrechtse Werkspoorkathedraal is het juni 1945. We bevinden ons in de montagehal waar de eerste kernbom in elkaar wordt gezet, in de woestijn van Los Alamos, New Mexico. Duitsland heeft kort tevoren gecapituleerd, maar Japan nog niet. Het gevaar van een Duitse kernbom is geweken. Duitsland was sowieso minder ver met de ontwikkeling van een kernwapen dan gedacht.

Maar wat om de Duitse overgave af te dwingen werkte, massale bombardementen van steden, zou in Japan misschien niet doeltreffend genoeg kunnen zijn. Bovendien waren er vermoedelijk hooggeplaatste militairen die de kans niet zouden willen mislopen de bom op een slagveld uit te testen; voordat ook de oorlog met Japan al op een andere manier tot een einde zou zijn gekomen. Dus gaat de ontwikkeling van de eerst kernbom in hoog tempo door.

De Dr Atomic in de opera van componist John Adams en librettist Peter Sellars is J. Robbert Oppenheimer, de in 1904 geboren briljante kernfysicus, die de leiding heeft over het ontwikkelen van de bom. De opera speelt zich af in de uren en minuten voordat een testversie van de bom tot ontploffing wordt gebracht in een afgelegen deel van de woestijn, terwijl het stormt, regent en bliksemt, zodat alles goed fout zou kunnen gaan.

Anders dan in zijn voorgaande operas Nixon in China en Death of Klinghofer zit er in Dr Atomic weinig actie, afgezien van de grote knal zelf, die we overigens niet te zien krijgen, want het libretto stopt een paar seconden ervoor.

Alice Goodman, librettist van Nixon in China en Death of Klinghofer, hield van snelle plotwendingen. Dr Atomic is in zekere zin één grote plot, rond de vraag of het ontwikkelen van een atoombom politiek en moreel gerechtvaardigd is, en wat er allemaal fout zou kunnen gaan tijdens de test, maar wat we daarvan zien is voornamelijk personages die in lange frasen daarover van gedachten wisselen.

Het libretto is voor een belangrijk deel een collage van teksten uit overheidsdocumenten en opinieartikelen van indertijd, met daarnaast citaten uit het werk van de Oppenheimers favoriete dichters John Donne en Charles Baudelaire en uit het Hindoe-epos de Bhagavad Gita, die Oppenheimer ook tot zijn favoriete lectuur rekende. En van een tijdgenote, de Amerikaans-Joodse dichteres en politieke activiste Muriel Rukeyser, uit wier werk de twee vrouwelijke personages in Dr Atomic te zingen krijgen.

Voor de opvoering ter gelegenheid van hun 200-jarig bestaan kreeg het Utrechts Studenten Concert de beschikking over de Werkspoorkathedraal, een vrijwel intacte, in zijn industriële lelijkheid overweldigend mooie hal van de voormalige Werkspoor treinenfabriek in Utrecht. Tegenover de tribune waar het publiek zit is een gigantisch podium opgebouwd die de assemblagehal van de bom voorstelt en waar de productie zich afspeelt. Het orkest zit tussen publiekstribune en speelpodium. Een ambiance die in een operahuis moet worden nagebouwd en die hier al staat. Het door de hoge zijramen rondom binnenvallende ‘natuurlijke’ grijzige avondlicht zou in een theater ook alleen met moeite kunnen worden nagebootst.

De ‘documentaire-theater’-opzet van de opera’s van John Adams en Peter Sellars vraagt eigenlijk elke keer weer om een vorm van hyperrealisme. Sommigen zullen zich herinneren hoe bijna absurd-realistisch de personages en ook het vliegtuig, de Airforce 1 waarmee het echtpaar Nixon en Henry Kissinger in Bejing landden, er in Sellars’ eigen enscenering van Nixon in China uitzagen. De voorstelling was indertijd in het Holland Festival te zien en op Youtube staat een herneming van die enscenering.

Het Dr Atomic/Oppenheimer-personage in Utrecht, vertolkt door Quirijn de Lang, kan qua uiterlijk zo van een historische foto zijn weggelopen. Agris Hartmanis alias General Leslie Groves en Jeroen de Vaal alias Captain James Nolan lijken op personages uit Dr Strangelove, Stanley Kubrick’s satire over de eerste atoombom. Wel kreeg één van de mannelijke personages een wat andere benadering: de ‘dissident’ Robert Wilson, de meest gewetensbezwaarde van het ontwerpteam, vertolkt door Lucas van Lierop. Het personage draagt een lichter grijs pak en heeft lange blonde krullen. Hij wordt in de enscenering ook telkens wat helderder belicht, lijkt het. In combinatie met zijn fraaie, ook in de hoogte overtuigende tenorstem krijgt Van Lierops personage in deze productie iets van een Wagneriaanse protagonist.

De rolbezetting is sowieso zang- en acteer-technisch voorbeeldig. Quirijn de Lang verbeeldt met zijn warme bariton en ook in het acteren Oppenheimers sympathieke kanten. Hartmanis en Groves zijn met hun bas-baritons Wagneriaanse slechteriken als  koud berekenende, cynische vertegenwoordigers van het militair-politieke apparaat. In de tekst wordt gedelibereerd welke Japanse stad het eerst aan de beurt moet komen en of er meteen ook een tweede stad moet worden gebombardeerd.

Oppenheimer zelf heeft inmiddels bedenkingen tegens het project, wetenschappelijk en morele: het is nog niet duidelijk of een eenmaal ingezette nucleaire reactie plaatselijk blijft, in niet een oncontroleerbare keten van reacties in gang zet waarvan niemand weet waar die eindigt, of niet eindigt. Zelf was hij een ijverige lezer van de Hindoe-mythologie, onder meer de Bhagavad Gita, waarin een totale vernietiging van de aarde wordt beschreven; ‘Now I am become Death, the destroyer of world’, zou hij hebben gezegd op het moment dat onder dwang hij het ontstekingsmechanisme voor de kernproef toch in werking zette.

De vrouwelijke personages hebben een abstracter karakter. De tekst van echtgenote Kitty Oppenheimer (sopraan Jeannette van Schaik) bestaat uit citaten uit de poëzie van Muriel Rukeyser, onder meer haar gedicht Easter Eve over de slag om Okinawa en de talloze slachtoffers die daarbij vielen.

Huishoudster’ Pasqualita, van native New Mexico- ‘Indiaanse’ komaf, (alt Maria Koshiishi) zingt ook dichtregels van Rukeyser en verder apocalyptische strofen uit de Bhagavad Gita.

In zijn eigen regie visualiseerde Sellars ook deze twee vrouwenrollen als hyperrealistisch, herkenbaar als personages gekleed in de stijl van de jaren veertig. In de regie van Wim Trompert zijn ze mythischer, Kitty als een soort Brünnhilde en Pasqualita á la Erda, zoals ze in deze enscenering telkens oprijst uit en weer verdwijnt in de tunnel waarin de bom tot explosie zal worden gebracht.

In zulke passages is Adams’ partituur op haar meest lyrisch, en tegelijk haar meest Wagneriaans, waarbij de beide zangeressen ook zangtechnisch weergaloze respectievelijk Brünnhilde- en Erda-kwaliteiten mogen ontplooien.

Het koor van de Utrechtse Cantorij kreeg ook alle ruimte om zangtechnisch te excelleren en in fraaie groepschoreografieën te acteren. De akoestische balans tussen solisten, koor en orkest viel bovendien bewonderenswaardig goed uit. De akoestiek van de hal zorgde in combinatie met enkele elektronische aanpassingen ervoor dat de klank van orkest, koor en solisten optimaal tot haar recht kwam. Adams briljante orkestraties, met onder meer uitgebreide slagwerk- en kopersecties, maar ook een contrabasklarinet, worden breed uitgemeten.

Complimenten voor de geluidsregie, die er bovendien voor zorgde dat de door Adams voorgeschreven elektronische geluidseffecten spectaculair tot hun recht kwamen. Ik zou niet goed kunnen aangeven waarin de prestaties van het Utrechts Studenten Concert, formidabel gedirigeerd door Bas Pollard zouden onderdoen voor die van een professioneel orkest. In deze opstelling met vol zicht op de orkestbak was ook het speelplezier van het orkest fraai zichtbaar.  

De Engelse tekst van Dr Atomic eindigt een paar seconden voor de explosie plaats vindt. Na het versterven van de laatste orkestklanken volgt nog een passage in de elektronische soundtrack waarin teksten in het Japans worden uitgesproken. Het zijn flarden tekst over ouders die hun kinderen kwijt zijn of water zoeken voor hun kinderen.

Het zou om ouders uit Hiroshima en Nagasaki kunnen gaan. Het toneelbeeld eindigt met (de Japanse) Maria Koshiishi/Pasqualita die achteraan op het toneel met haar rug naar ons toe staat, waarbij de suggestie wordt gewekt dat zij de teksten uitspreekt. Oppenheimer/Kitty/Adams/Sellars pleidooi om ook bij de Japanse slachtoffers van de oorlog stil te staan krijgt zo extra versterking.

Het is misschien ook vanwege natuurkundige wetten geen toeval dat deze productie wordt opgevoerd juist nu nucleaire dreiging weer de kop op steekt vanwege de oorlog in Oekraïne. En dat toevallig dezer dagen ook Christopher Nolans film Oppenheimer uitkomt. En daar kan Wes Andersons film Asteroid City nog aan worden toegevoegd, die in een soort absurdistische ‘retro-futuristische’ replica van de wereld van Los Alamos speelt.

Tijdens de voorstellingen vindt ook een populair-wetenschappelijk congres over kernfysica en J. Robbert Oppenheimer plaats, waarin ook de interessante banden tussen Oppenheimer en Nederland ter sprake komen. Jammer voor de Utrechtse studenten is dat die banden vooral de universiteit van Leiden betreffen, maar ach.

Gezien 13 juli, Werkspoorkathedraal, Utrecht.

Quirijn de Lang J. Robert Oppenheimer (bariton)
Jeannette van Schaik Kitty Oppenheimer (sopraan)
Bart Driessen Edward Teller (bas)
Agris Hartmanis General Leslie Groves (bariton)
Lucas van Lierop Robert Wilson (tenor)
Jeroen de Vaal Captain James Nolan (tenor)
Maria Koshiishi Pasqualita (mezzosopraan/contralto)

Utrechts Studenten Concert olv Bas Pollard
Regie: Wim Trompert

Foto’s Ben van Duin en Neil van der Linden.

Voor meer informatie en kaarten:

Home

Dr Atomic op Spotify:

De Nederlandse Opera scene met Robert Oppenheimer, Kitty Oppenheimer, Pasqualita en koor:

Voorstelling in de New York Metropolitan Opera in de regie van Penny Woolcock:

Muriel Rukeyser:

https://en.wikipedia.org/wiki/Muriel_Rukeyser

.

Andrea Chénier: de ultieme Franse revolutie opera 

Tekst : Peter Franken

Andrea Chénier, Tosca en Les dialogues des Carmélites zijn voor elke liefhebber herkenbaar als revolutie opera’s. Maar hoe zit het met bijvoorbeeld Marie Victoire en Germania? En wat maakt het thema revolutie eigenlijk zo aantrekkelijk voor gebruik in een opera? Als we de genoemde werken analyseren dan valt op dat ze allemaal zich afspelen in een politiestaat, een voor burgers manifest onveilige omgeving.

Louis XVI: execution by guillotine

In Chénier, Marie Victoire en Dialogues gaat dit nog een stap verder: daarin heerst de Terreur. In Tosca en Germania is sprake van vreemde overheersing. Tegen zo’n ontoegeeflijke achtergrond worden emoties sterk uitvergroot en problemen aangescherpt. Het gaat al gauw om leven en dood, zelfs in situaties die in normale tijden nauwelijks enige aandacht zouden krijgen. Relatieproblemen, (vermeende) ontrouw en jaloezie spelen een grote rol in alle genoemde werken, met uitzondering van Dialogues.

In die laatste opera gaat het om het onvermogen van een groep nonnen om zich aan te passen aan nieuwe leefomstandigheden. Daar waar in reguliere libretti vooral een beroep wordt gedaan op duellerende edellieden, in hun eigen gelijk verstarde vaders en jonge vrouwen die – soms maar tijdelijk – spontaan waanzinnig worden als men om emoties verlegen zit, liggen die in de revolutie opera’s voor het oprapen. De protagonisten lopen al dan niet bewust in een ‘mijnenveld’ en de kleinste stap in de verkeerde richting kan alles direct mis laten gaan.

In Andrea Chénier sterven de titelheld en zijn geliefde Maddalena op het schavot, zij gaat vrijwillig met hem de dood in. Hij is het slachtoffer van de jaloezie van Gérard, die hem ervan heeft beschuldigd een contrarevolutionair te zijn. Als Gérard zijn beschuldiging herroept, wordt hij door zijn collega’s genegeerd. Een revolutionair tribunaal komt nooit op een veroordeling terug, dat zou het geloof in het absolute karakter van de Terreur teniet doen. Door een opera te situeren in deze periode is het prijsschieten voor librettisten. Je kunt gewoon niet missen, de emoties lopen als vanzelf hoog op.

In Tosca is er een executie, een moord en een zelfmoord, voornamelijk voortkomend uit liefdesperikelen of wat daar voor door moet gaan. En de Carmélitessen moeten hun onvermogen het verstilde religieuze leven achter zich te laten met de valbijl bekopen.

Maar zo extreem hoeft het niet altijd te verlopen. In die zin zijn Respighi’s Marie Victoire en Franchetti’s Germania de buitenbeentjes in dit gezelschap. Daar lijkt alles nog op zijn pootjes terecht te komen maar ook hier heeft de politiek het laatste woord.

Andrea Chénier

Tegen de achtergrond van de Franse Revolutie laat dit werk een driehoeksverhouding zien tussen Maddalena de Coigny, Carlo Gérard en Andrea Chenier. Gérard is een lakei in het kasteel van de Comte de Coigny. Als het kleine zoontje van de majordomo mocht hij wel met zijn leeftijdgenootje Maddalena spelen maar toen hij een livrei kreeg aangemeten was hij plotsklaps een lakei die voor zijn jeugdvriendin nog slechts de deur mocht openhouden.

Aan de vooravond van de revolutie houdt hij het slaafse bestaan niet langer vol en zet tijdens een ontvangst de boel op stelten. Uiteraard wordt hij op staande voet ontslagen. De dichter Andrea Chénier was een van de gasten op die ontvangst en zijn ontmoeting met Maddalena was niet erg succesvol. Feitelijk had hij haar de les gelezen maar daarbij zoveel indruk gemaakt dat ze hem nooit is vergeten. 

Het vervolg van de opera speelt zich een jaar of zes later af, tijdens de Terreur. Gérard is een vooraanstaand revolutionair, type Danton. Hij misbruikt zijn macht om Maddalena op te laten sporen. Nu hij sociaal boven haar staat is alles anders, hij moet en zal haar krijgen na al die jaren.

Maddalena heeft Chénier benaderd in de hoop door hem in veiligheid te worden gebracht. Ze verklaren elkaar hun liefde maar raken vervolgens verstrikt in de val die Gérard voor hen heeft gezet. Chénier wordt op basis van een valse aanklacht door Gérard voor het revolutionaire tribunaal gebracht. Maddalena ruilt in de gevangenis van plaats met een andere vrouw zodat zij samen met haar geliefde de dood in gaat.

Door DG is een dvd uitgebracht van Otto Schenks productie voor de Wiener Staatsoper uit 1981. Schenk toont in zijn enscenering een toneelbeeld dat niets aan de verbeelding over laat, librettogetrouw tot in de kleinste details. Wat de dvd vooral de moeite waard maakt is de zangersbezetting met Plácido Domingo als een fenomenale Chénier.  Hij krijgt uitstekend tegenspel van Gabiela Beňačková als Maddalena en Piero Cappucilli als Gérard. Een cast om van te dromen. De productie staat nog steeds op het tableau van de Wiener Staatsoper maar recente bezettingen blijven duidelijk in de schaduw van hun beroemde voorgangers. 

Kaufmann en Westbroek in de Royal Opera op dvd

David McVicar maakte in 2015 voor ROH een productie van dit werk die tot in de kleinste details het beeld oproept van de Franse revolutie zoals dat in extenso is overgeleverd. Daar waar ik een paar kleine onjuistheden waarneem komt dat op het conto van librettist Luigi Illica. Zo verwart hij een politiespion met een Incroyable, een anti-Jacobijns personage dat pas na de Terreur zijn intrede deed in het straatbeeld.

Ach, dat is maar een klein detail. Het is een compleet kostuumdrama met schitterende decors die in elke scène volledig recht doen aan de getoonde handeling. Op een bepaald moment zien we zelfs op de achtergrond een boerenkar langsrijden met veroordeelden op weg naar de guillotine. De decors van Robert Jones en de kostuums van Jenny Tiramani maken er bijna een gedramatiseerde documentaire van die op school kan worden gebruikt tijdens de geschiedenisles.

Bariton Željko Lučić mag als Carlo Gérard het spits afbijten met een grote monoloog direct aan het begin. Zijn mooi voorgedragen ‘Compiacente a’colloqui del cicisbeo’ zet de toon voor de op handen zijnde omwenteling, eerst in huize de Coigny en later in het gehele land.

Uitgedaagd door Maddalena zingt Chénier tegen het einde van de akte zijn grote aria ‘Un di all’ azzuro spazio’ waarin hij ‘liefde’ koppelt aan scherpe maatschappijkritiek. Jonas Kaufmann maakt er een waar kunststuk van, geweldige vertolking van deze tophit.

In de tweede akte krijgt de plot snel vorm en na hun herkenningsscène zingt Maddalena haar monoloog ‘Eravate possente’ waarin ze haar lot in Chéniers handen legt. Eva-Maria Westbroek maakt hier na haar frivole gekwetter in de eerste akte duidelijk haar opwachting als de prima donna van het werk.

In de derde akte treden twee bijfiguren nadrukkelijk op de voorgrond, de ‘incroyable’ en de oude blinde Madelon. Tenor Carlo Bosi is een lichtvoetig acterende maar zeer vileine spion die zijn zang daar uitstekend mee in overeenstemming weet te brengen.

Elena Zilio: © : Catherine Ashmore 

Mezzo Elena Zilio weet zoals verwacht korte tijd de show te stelen met haar klaagzang over een dode zoon en kleinzoon, gestorven voor de Revolutie. En nu brengt ze haar jongste kleinzoon mee, niet te jong om de strijden en sterven voor het vaderland. Gérard accepteert hem en zodra hij weg is vraagt ze zich af wie haar nu zal begeleiden. Gelukkig zijn een paar vrouwen bereid de blinde vrouw bij de arm te nemen.

Lučić krijgt vervolgens de gelegenheid de aandacht te bepalen, eerst met zijn bedachte aanklacht en vervolgens de ontmoeting met zijn prooi Maddalena. Zijn personage Gérard heeft zich door de ‘incroyable’ laten overhalen om Chénier vals te beschuldigen van contra revolutionaire gedrag. Hij aarzelt, z’n gemoed speelt op, wat is er van hem geworden?

Vroeger was hij een slaaf maar nu nog steeds, van de liefde. Hij wordt erdoor verscheurd, moet en zal zijn jeugdliefde eindelijk bezitten. Als Maddalena binnenkomt maakt hij dat onomwonden duidelijk in een hartstochtelijk ‘Perché ti volli qui?’ Zij repliceert met haar topstuk ‘La mamma morta’, indrukwekkend mooi gezongen.

Lučić en Westbroek grijpen hier de gelegenheid om zich aan alle aandacht voor Kaufmanns Chénier te ontworstelen met beide handen aan. Het is van korte duur want direct volgt diens markante optreden tijdens de rechtszitting waarin hij stelt dat men hem kan doden maar zijn eer niet kan afnemen: ‘Si, fui soldato’.

Kaufmann kan in de laatste akte nog excelleren in ‘Come un bel di di maggio’ en met een mooi duet in de laatste akte neemt het onfortuinlijke liefdespaar afscheid van het leven onder de uitroep ‘Viva la morte insiem’. Een prachtig einde van een fenomenale voorstelling.

Het orkest van de Royal Opera onder leiding van Antonio Pappano heeft een groot aandeel in het welslagen van het geheel.

André ’Chénier:  “Quand Au Mouton Bêlant”

Quand au mouton bêlant la sombre boucherie
Ouvre ses cavernes de mort,
Pâtres, chiens et moutons, toute la bergerie
Ne s’informe plus de son sort.
Les enfants qui suivaient ses ébats dans la plaine,
Les vierges aux belles couleurs
Qui le baisaient en foule, et sur sa blanche laine
Entrelaçaient rubans et fleurs,
Sans plus penser à lui, le mangent s’il est tendre.
Dans cet abîme enseveli
J’ai le même destin. Je m’y devais attendre.
Accoutumons-nous à l’oubli.
Oubliés comme moi dans cet affreux repaire,
Mille autres moutons, comme moi,
Pendus aux crocs sanglants du charnier populaire,
Seront servis au peuple-roi.
Que pouvaient mes amis? Oui, de leur main chérie
Un mot à travers ces barreaux
Eût versé quelque baume en mon âme flétrie;
De l’or peut-être à mes bourreaux…
Mais tout est précipice. Ils ont eu droit de vivre.
Vivez, amis; vivez contents.
En dépit de Bavus soyez lents à me suivre.
Peut-être en de plus heureux temps
J’ai moi-même, à l’aspect des pleurs de l’infortune,
Détourné mes regards distraits;
A mon tour, aujourd’hui; mon malheur importune:
Vivez, amis, vivez en pai