Mislukte Tosca door Opera Zuid: samenloop van ‘omstandigheden’?

Omstandigheden, daar heb je geen invloed op. Denk je een opera-avond te kunnen beleven zoals een ‘gewone toeschouwer’ het doet: zonder pen bij de hand en zonder extreem gespitste oren, krijg je opeens te horen dat de ingeplande collega de voorstelling wegens omstandigheden niet kan bezoeken dus ….

Opera Zuid draag ik een warm hart toe. Met weinig middelen hebben ze de meest fantastische producties uitgebracht: Faust, Kát’a Kabanová, Madama Butterfly om maar n paar te noemen. Helaas valt de nieuwe Tosca van het gezelschap niet in die categorie. En, hoe graag ik het ook zou willen, voor deze Tosca kan ik niet warm lopen. Bezuinigen moet, dat snap ik wel, maar bezuinigen betekent niet dat je ook op het niveau moet beknibbelen?

Het inzetten van de plaatselijke amateurkoren is natuurlijk leuk, zeker voor de koorleden en hun familie en vrienden, maar het is niet voldoende voor een professioneel operagezelschap.

Daniel Henriks (Il Barone Scarpia),
met links Philips’ Philharmonisch Koor met Tjitte de Vries (Il Sacerdote, tevens koordirigent) en Marjolein Bonnema (La marchesa Attavanti)

In de scène voorafgaand aan de binnenkomst van Scarpia schrijft Puccini kinderen voor: dat doet hij niet voor niets! De overgang van de lachende hoge kinderstemmen naar de onheilspellende akkoorden en de beangstigende eerste noten van de barone boezemen je angst in. Niet bij Opera Zuid, want in plaats van de kinderen kregen wij vier volwassen kerels. Weg beklemming. Dag Puccini! Een klein kinderkoortje kost heus niet zo veel?

De regie is vrijwel traditioneel, met de min of meer herkenbare (al een zeer summiere) decor en kostuums en de obligate gebaartjes die we al ettelijke keren hebben gezien.

Helaas: zonder concepten hebben we tegenwoordig geen opera. Dat vindt Nicola Glück blijkbaar ook: haar Tosca gaat niet over de zangeres en superster Tosca, maar over het lijden van de Marchesa Attavanti. Floria en haar minnaar zijn maar bijzaak.

Over het zingen kan ik kort zijn: het was weinig soeps, al speelden de omstandigheden daar wel een rol bij. De oorspronkelijke Tosca, Rossana Potenza, moest één week voor de première plaatsmaken voor Capucine Chiaudani. Op haar cv staat dat zij de rol al eerder heeft gezongen, maar er wordt niet vermeld waar

Capucine Chiaudani (Floria Tosca), Adriano Graziani (Mario Cavaradossi)

Haar Tosca steeg niet boven een gemiddeld provinciaals niveau uit, maar ik wil haar nog het voordeel van de twijfel geven. Het kan ook aan de omstandigheden liggen. Zeker omdat het artistieke team het haar niet makkelijk maakte. Ze moest alle akten volbrengen in dezelfde gifgroene jurk (groen is jaloezie?), die ook nog eens slecht zat. Een diva die bij een feestelijk gala in dezelfde jurk komt opdagen als ’s morgens in de kerk? Of moet ik dat ook op het conto van de bezuinigingen schrijven?

Adriano Graziani (Cavaradossi) was duidelijk verkouden. Toch lukte het hem om zijn rol iets van een ‘Cavaradossi-gloed’ te geven. Nog niet zo lang geleden was hij als een fantastische Pinkerton te bewonderen, dus ik twijfel er niet aan dat hij, zodra hij zijn verkoudheid te boven komt, een gloedvolle Mario gaat neerzetten.

De Duitse bariton Daniel Henriks was niet meer dan een fatsoenlijke Scarpia, mar dan zonder enige uitstraling. Nee, voor hem zou ik niet bang zijn, laat staan dat ik mij erotisch tot hem aangetrokken zou voelen.

De enige die ik echt goed vond, was Elmar Gilbertsson als Spoletta. En Marjolein Bonnema als de Marchesa Attavanti. Nee, Puccini heeft voor haar geen noten geschreven, maar Nicola Glück wist beter. De arme zus van Angelotti was alle drie de akten op de bühne aanwezig. In de eerste bad ze in de kerk, legde de verkleedkleren voor haar broer neer en deed mee aan Te Deum. In de tweede was ze de bediende van Scarpia (sic!) en in de derde mocht ze nog een mopje meezingen: nadat ze verkracht, geschopt en geslagen was, hief ze liggend het herdersliedje aan…

Oh ja, er waren ook nog vluchtelingen (afgekeken van Herheims Onjegin?) Geen idee wat zij op de Engelenburcht deden en hoe ze daar überhaupt terechtkwamen…

Het orkest begeleidde onder Stefan Veselka ordentelijk, maar zonder passie.

Trailer van de productie:

Fotomateriaal © Morten de Boer

Giacomo Puccini
Tosca
Capucine Chiaudani, Adriano Graziani, Daniel Henriks, Marcel van Dieren, Martijn Sanders, Elmar Gilbertsson, Rubèn Plantinga, Marjolein Bonnema, Tjitte de Vries
Het Brabants Orkest en de plaatselijke opera- of oratoriumkoor olv Stefan Veselka

Bezocht op 24 mei 2013 in het Parktheater Eindhoven

Discovering Walter Kaufmann: when Bombay meets Berlin

Slow, way too slow and actually way too late, but the music world is waking up. One gap after another is finally being filled and the (consciously or unconsciously) ‘forgotten’ composers are also entering our CD players. It’s also partly thanks to the Canadian ARC Ensemble. A few years ago, together with the English label Chandos, they set up the project ‘Music in Exile’, to which we owe splendid recordings of works by, among others, Szymon Laks, Jerzy Fittelberg and Paul Ben-Haim.

And now it is Walter Kaufmann’s (1907-1984) turn, an originally Czechoslovakian composer whose name, even to me, was nothing more than a name. Not that he had been completely forgotten: in Canada, his new homeland since 1947, he was a highly regarded piano teacher at the Halifax Conservatory. In 1956 he was offered a job at a conservatory in US where he was adored by his students. But as much as he was loved as a teacher, as forgotten he was as a composer. And that is extremely unfortunate because Kaufmann’s life course – and his works – are quite different from those of his exile fellows.

Early on, Kaufmann became obsessed with Indian music, which made him decide to flee to India in 1933. Once at his destination, Kaufmann immersed himself in the music of his host country. Among other things, he composed a tune for ‘All India Radio’ and founded the ‘Bombay Chamber Music Society’. All the chamber music works, on this Chandos recording really magnificently played by the ARC Ensemble, are also composed in India.

No, it’s not that you should immediately think of Ravi Shankar, but the Indian influence is undeniable. And that, while you are clearly dealing with western music from the twenties / thirties. A bit hybrid, yes, but luckily that is allowed again.

Translation: Frans Wentholt


Walter Kaufmann
String Quartet No. 7, String Quartet No. 11, Violin Sonata No. 2 op. 44, Violin Sonatin No. 12, Septet (for three violins, viola, two cellos and piano)
ARC Ensemble, Chandos CHAN 20170

Glyndebourne’s Rusalka is een fraai schouwspel

Tekst: Peter Franken

 

Van de herneming van Glyndebourne’s productie van Rusalka in 2019 heeft Opus Arte een opname uitgebracht op Blu Ray. Het sprookje wordt inventief verbeeld en muzikaal is alles uitstekend verzorgd. Sally Matthews vertolkt de titelrol en krijgt overtuigend weerwerk van Evan Leroy Johnson als de Prins.

In een begeleidend schrijven vraagt Jan Smaczny zich af wat een reden kan zijn geweest om in een tijd dat Verismo de nieuwe trend was met een sprookje te komen over een waternimf. Het loopt natuurlijk niet goed af zoals in een echt sprookje behoort, maar toch. Librettist Jaroslav Kvapil zou wellicht geïnspireerd kunnen zijn door het lot van vele Moravische plattelandsmeisjes die dienst namen in Wenen. Omdat ze de taal niet spraken werd hen als het ware hun stem ontnomen, ze konden zich niet uiten. Eenmaal verleid door iemand uit de familie van hun werkgever werden ze dan zwanger terug naar huis gestuurd, het begin van een uitzichtloos bestaan. In die zin kan Rusalka worden begrepen als iemand die bezwijkt voor de verlokkingen van een leven onder beter gesitueerden en van een koude kermis thuis komt. Een sociaal drama verpakt als sprookje, herkenbaar voor het toenmalige publiek.

Regisseur Melly Still wil hier niets van weten, haar Rusalka is gewoon een sprookje met waternimfen, bosgeesten en een heks. En omdat waternimfen in het water rondzwemmen moet dat op het toneel worden getoond, geen concessies op dit punt.

Een stel van top tot teen in het zwart gestoken dansers creëert de suggestie van een vrij bewegende Rusalka door als het ware met haar te jongleren. Het toneel is hier bewust donker gehouden zodat deze bewegingsassistenten nauwelijks zichtbaar zijn. Aanvankelijk hebben Rusalka en haar zusters meterslange groene staarten waarbij die van de op de grond zittende Rusalka leuk kan zwiepen, dankzij zo’n onzichtbare helper. Overigens is hiervoor een double ingezet, Sally Matthews neemt de feitelijke vertolking voor haar rekening. Behalve een decorontwerper (Rae Smith) moest er natuurlijk ook een bewegingsregisseur aan te pas komen (Rick Nodine). De belichting van Paul Constable zorgt voor de kers op de taart.

In de tweede akte wordt het wat lichter, we zijn in het kasteel. De jachtopziener en de koksjongen roddelen wat over die vreemde vrouw die de prins heeft meegebracht. Overigens wordt hier als koksjongen gewoon een keukenmeisje opgevoerd, het nichtje van de jachtopziener. Rusalka draagt een eenvoudige jurk en probeert met haar ogen de Prins naar zich toe te trekken. Hij zingt hoezeer hij naar haar verlangt en zij geeft de enige respons die de zaak in haar voordeel kan beslissen: ze trekt haar slipje uit en laat hem de daad bij het woord voegen. Maar net op tijd verschijnt de Vreemde Prinses en direct gaat al zijn aandacht naar haar uit, als gastheer maar ook als vroegere lover in spé. Rusalka wordt weggestuurd om haar baljurk aan te trekken.

De gasten tijdens de balscène zijn exuberant gekleed, uitzinnige creaties in alle kleuren van de regenboog. Rusalka staat er tussen, onwennig in een asymmetrische jurk en op rode pumps. Ze weet zich niet te gedragen en evenmin kan ze zich gemakkelijk bewegen door die lastige jurk en die hoge hakken. In paniek vlucht ze weg nadat haar vader, onzichtbaar voor de mensen, haar heeft toegesproken. Het voorgenomen huwelijk is op het nippertje verijdeld door subtiele manipulatie van de kant van de Vreemde Prinses, de Prins blijft met lege handen achter.

De figuur van Jezibaba, zeer goed tot leven gebracht door Patricia Bardon, is minder venijnig dan te doen gebruikelijk. Rusalka wist waar ze aan begon, Jezibaba had haar voldoende gewaarschuwd, nu was er niets meer aan te doen. In de marge kan men denken aan die Moravische meisjes die zwanger terug naar huis werden gestuurd, ook dat was onomkeerbaar.

Colin Judson als de jachtopziener en Alix le Saux als keukenmeisje zorgen voor een komische noot als ze bibberend van angst op zoek zijn naar Jezibaba. Leuke vertolkingen van beiden.

De bosgeesten krijgen versterking van een stel figuranten die vrolijk mee hupsen als Dvorak er even de vaart inzet. Vuvu Mfopu zag ik in februari in Antwerpen als de zwarte duivelin Astarte in Der Schmied von Gent, overigens de laatste live voorstelling die ik dit kalenderjaar mocht meemaken. Ze krijgt hier gezelschap van Anna Pennisi en Alyona Abramova, een prima bezetting van dit drietal.

Alexander Roslavets maakt indruk als Vodnik, Rusalka’s vader die moet toezien hoe zijn dochter haar eigen ondergang over zich afroept en Zoya Tsererina haalt met gemak alle aandacht naar zich toe op de momenten dat ze op het toneel staat. Haar vertolking van de vreemde prinses, minder manipulatief dan ik gewend ben, is van grote klasse.

Sally Matthews is een geweldige Rusalka, haar zang is ontroerend mooi en haar acteren maakt het personage Rusalka zeer goed invoelbaar. De regie geeft haar alle mogelijkheden om te excelleren en Matthews grijpt die met beide handen aan. Evan Leroy Johnson is de mooiste Prins die ik tot op heden heb gezien, met name zijn zang in de slotscène zou een hart van steen kunnen doen smelten.

Het London Philharmonic Orchestra doet Dvoraks orkestpartij alle eer aan. De muzikale leiding is in handen van Robin Ticciati.

Uitgebracht door Opus Arte  2020

3 x RUSALKA: Kristine Opolais, Gabriela Beňačková en Ana María Martinéz

A few words about Andrzej Dobber

Andrzej Dobber in  “Król Roger”, 2008, Mariinsky Opera, Edinburgh Festival Theatre, 2008, fot. Clive Barda / ArenaPAL / Forum

It’s not as if a big bag of Polish singers has been emptied above the world’s opera houses, but sometimes it seems like it. More and more Polish names are appearing on the world’s biggest stages. One of them, Andrzej Dobber, has now released his first (and perhaps last) solo CD.

There have always been many high-quality Polish performers in opera. Just think of the Reszke brothers, Rosa Raisa or Jan Kiepura. The dictatorship of the proletariat and the Iron Curtain after the Second World War, however, made it difficult (if not impossible) for them to perform and record outside the country’s borders. Only a few (Teresa Żylis-Gara, Teresa Kubiak, Wiesław Ochman, Barnard Ładysz) managed to make it abroad as well. Most, however, remained unknown.

Times change. Without difficulty, we can now list the names of Ewa Podleś, Piotr Beczała, Mariusz Kwiecień, Tomasz Konieczny, Artur Rucinski, Agnes Zwierko and Aleksandra Kurzak. And in addition to these international stars, one might almost forget that there are many other great Polish singers. Andrzej Dobber for example, is one of the most popular Verdi baritones of the moment and a welcome guest in Amsterdam.

Why is Dobber less of a star than his more famous compatriots? Maybe he is not being promoted enough or the record companies don’t market him well enough. What may also play a role is that he does not come across as a charismatic ‘teddy bear’ nor does the term ‘barihunk’ apply to Dobber.

But what Dobber does have is a very solid and reliable lyrical-dramatic voice, with a warm timbre with “squillo” and carefully dosed emotional outbursts. That is no small thing, especially when you add his above average acting ability.

 

dobber

 

A few years ago, the Polish label DUX released Dobber’s very first solo CD, with no less than 10 different arias. The result is good, but it could have been better.

Dobber’s messa di voce is certainly admirable and his legato arches just couldn’t be prettier. The way he knows how to connect all the notes together is simply exemplary, so it is very pleasant to listen to him. But, is it just me, or does his voice often seem a bit tired? I find his Posa (Don Carlo) a bit flat and uninspired. All the notes are there, certainly, but I miss the nuance and certainly the drama and sometimes his accentuation in ‘Di provenza il mar’ (La Traviata) frankly sounds weird to me.

Roberto Alagna (Carlo) & Andrzej Dobber (Rodrigo) • Fragment of the performance captured on March 19, 2021 in Łodz:

 

It may also be the fault of conductor Antoni Wit. His tempi are sometimes exasperatingly slow, literally pulling the music apart. Very unfortunate, because many of Dobber’s interpretations are certainly there. His ‘Cortigiani, vil razza dannata’ from Rigoletto, for instance, is touchingly beautiful despite the fact that Wit is entirely adrift causing Dobber to run out of breath. It is no wonder that Dobber is considered one of the greatest Rigoletto interpreters!

 

File:Andrzej Dobber jako Rigoletto, Teatr Wielki-Opera Narodowa, Warszawa, 1999 (fot. J. Multarzyński).jpg

 
                                         Andrzej Dobber as Rigoletto, Warszawa, 1999 (fot. J. Multarzyński)

 

Place de l’Opera once wrote about his Rigoletto in Berlin:

Rigoletto is Andrzej Dobber’s role. He must be famous, because he is so good. His ‘Pari siamo’ was super and his ‘Cortigiani’ astonishing, and in the closing scenes he managed to win me over completely. A great performance”.

Andrzej Dobber, Olesya Golovneva and Bastiaan Everink (Monterone) in ‘Sì, vendetta, tremtremenda vendetta’ from Rigoletto from Deutsche Oper in Berlin:

 

 

His interpretation of ‘Perfidi! All’anglo’ (Macbeth) is almost perfect. Here his voice sounds threatening and compelling, worthy of a tyrant, but one not void of weakness.  Boris’s death scene, (Boris Godunov) is in good hands with him.

Dobber is at his very best in Moniuszko, which in this case may also be due to the conductor. Here Wit is completely in place and he shows himself to be a true advocate of the music of one of his most famous compatriots. So, he can do it.

In a conversation on Polish TV, Dobber talked about the laborious process of creating the recording. Because it was his first CD, he wanted it to be his calling card. That’s why he chose a range of different arias, starting with Verdi and the Slavic repertoire and ending with Wagner.

It is his first but also his last, he says, because he found the process of preparing and recording too tiring. I sincerely hope he will change his mind and treat us to a sequel. Preferably with a different conductor and with a different producer!

Andrzej Dobber with Aleksandra Kurzak in ‘Or imponete…Morro’! la mia memoria… from La Traviata :

Translation: Douglas Nasrawi

Andrzej Dobber
Arias of Verdi, Borodin, Moniuszko, Tschaikovsky, Mussorgsky and Wagner
Warsaw Philharmonic Orchestra conducted by Antoni Wit
Dux 0959

Kamermuziekwerken van Françaix en Poulenc: muziek om blij van te worden

Het gebeurt zeer zelden, maar het gebeurt echt. Dat je een cd opzet en er zo blij van wordt dat je niet alleen kiert van plezier, maar ook de hele wereld wilt omarmen. Het soort gevoel dat zeker nu, in deze verwarrende tijden (en ik druk mij voorzichtig uit) eigenlijk kostbaarder is dan goud. Het gevoel dat alles toch nog goed komt. Dat is precies wat mij overkwam toen ik deze cd in mijn speler deed. Opeens werd alles luchtig en mooi, de zon scheen en er was weer lente in mijn hart.

Nou ja. De werkelijkheid is anders, maar die werkelijkheid valt te ontvluchten. Neem alleen de fluitsonate van Poulenc, als je daar niet blij van wordt dan weet ik het niet. Zowel Poulenc (1899-1963) als Françaix (1912-1997) behoren tot de belangrijkste Franse componisten van de twintigste eeuw. Poulenc begon te componeren rond zijn achttiende zonder dat hij ooit compositielessen had gevolgd. In 1918 sloot hij zich aan bij Groupe des Six. Daar hoorde Françaix niet bij en toch vallen hun beiden composities met elkaar te vergelijken. Ze zijn origineel, lichtvoetig, melodieus, humoristisch, ritmisch en zijn vaak beïnvloed door de populaire muziek.

Op deze cd, uitgebracht door het Zwitserse label Prospero worden hun werken ongeëvenaard goed, leuk en mooi gespeeld door Sarah Rumer (solofluitiste van het Orchestre de la Suisse Romande), Joël Marosi (solocellist van het Orchestre de Chambre de Lausanne) en Ulrich Koella (kamermuziekpianiste en hoogleraar aan de Universiteit voor de Kunsten van Zürich). Dat ze ontzettend veel plezier hebben in hun spel is nogal wiedes en die plezier geven ze door aan de luisteraars. Heerlijke cd!

 

 

JEAN FRANÇAIX: Trio for Flute, Cello and Piano; Berceuse & Nocturne for Cello and Piano; Divertimento for Flute and Piano
FRANCIS POULENC: Sonata for Flute and Piano; Sonata for Cello and Piano
Sarah Rumer (fluit), Joël Marosi (cello), Ulrich Koella (piano)
Prospero

Walter Kaufmann: Bombay meets Berlin

Langzaam, veel te langzaam en eigenlijk veel te laat, maar de muziekwereld wordt wakker. De een na de andere leemte wordt eindelijk opgevuld en de (bewust of onbewust) ‘vergeten’ componisten komen ook onze cd-spelers in. Het is ook mede te danken aan het Canadese ARC Ensemble. Samen met de Engelse label Chandos hebben ze een paar jaar geleden het project ‘Music in Exile’ in het leven geroepen, waar we schitterende opnamen van onder anderen Szymon Laks, Jerzy Fittelberg en Paul Ben-Haim aan te danken hebben.

En nu is er beurt aan Walter Kaufmann (1907-1984), een van oorsprong Tsjecho-Slovaakse componist wiens naam zelfs voor mij niet meer dan een naam was. Niet dat hij totaal was vergeten: in Canada, zijn nieuwe vaderland sinds 1947 was hij een zeer gewaardeerde pianodocent aan het conservatorium in Halifax. In 1956 kreeg hij een baan aan een conservatorium in US aangeboden waar hij door zijn studenten op handen werd gedragen. Maar zo geliefd als docent zo vergeten was hij als componist. En dat is buitengewoon spijtig want Kaufmann’ zijn levensloop – en zijn werken – verschillen nogal van die van zijn exile-genoten.

Al vroeg raakte Kaufmann geobsedeerd door Indiase muziek, wat hem in 1933 deed besluiten om naar India te vluchten. Eenmaal op de plaats van zijn bestemming verdiepte Kaufmann zich in de muziek van zijn gastland. Onder andere componeerde hij er een tune voor ‘All India Radio’ en richtte de ‘Bombay Chamber Music Society’ op. Ook alle kamermuziekwerken, op deze Chandos opname werkelijk grandioos gespeeld door het ARC Ensemble, zijn in India gecomponeerd.

Nee, het is niet zo dat je meteen aan Ravi Shankar moet denken, maar de Indiase invloed is onmiskenbaar. En dat, terwijl je overduidelijk met de westerse muziek uit de jaren twintig/dertig te maken hebt. Een beetje hybride, dat wel, maar gelukkig mag dat weer.


Walter Kaufmann
Strijkkwartet nr. 7, Strijkkwartet nr. 11, Vioolsonate nr. 2 op. 44, Vioolsonatine nr. 12,  Septet (voor drie violen, altviool, twee cello’s en piano)
ARC Ensemble
Chandos CHAN 20170

Riccardo Zandonai, Ildebrando Pizzetti en Arrigo Boito in een paar liveopnamen

francesca-zandonai
Riccardo Zandonai werd ooit beschouwd als de opvolger van Puccini. Hij schreef een kleine dertiental opera’s, waarvan eigenlijk alleen Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) en Giulietta e Romeo (1921) ooit zeer succesvol waren. Heden worden ze nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni en wellicht de laatste der veristen zijn een puur genot om naar te luisteren.

Romeo Zandonai

Giulietta e Romeo (GOP 66352) werd in 1955 in Milaan opgenomen. De hoofdrollen worden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Fantastisch daarentegen is Renato Capecchi als Tebaldo.


https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/81KTzkL3PhL._SL1000_.jpg

Il Bacio (GOP 66351) beleefde in 1954 in Milaan zijn allereerste opvoering (Il Bacio (GOP 66351) beleefde in 1954 in Milaan zijn allereerste opvoering (toen Zandonai in 1944 stierf, liet hij de opera onafgemaakt achter). Gelukkig voor ons werd de voorstelling door RAI opgenomen en op cd gezet. De uitgever verontschuldigt zich voor het ontbreken van het libretto maar er is ook geen synopsis, dus naar de inhoud van de opera kan men alleen maar gissen. Niet erg, de muziek is boeiend genoeg, en er wordt prachtig in gezongen door onder andere Lina Pagliughi in de rol van Mirta.

 

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/3/37/Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg/640px-Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg

Ildebrando Pizzetti behoorde – samen met onder andere Respighi, Zandonai, Alfano en Malipiero – tot de zogenoemde ‘Generazione dell’80’, een groep Italiaanse componisten geboren rond 1880. Ooit leerling van Puccini, keerde hij zich op zijn dertigste tegen zijn leraar en ontwikkelde een ‘neoklassieke’ stijl van componeren, Zijn voornaamste inspiratiebronnen waren gregoriaanse melodieën en de Italiaanse polyfonie uit de Renaissance.

pizzetti-debora

Debora e Jaele (o.a. GOP 66354), gecomponeerd in 1921 is losjes gebaseerd op het Bijbelse verhaal over de profetes Debora en de strijd van de Israëlieten tegen de Kanaänieten en hun legeraanvoerder, Sisera. Anders dan in de Bijbel wordt Jael verliefd op haar vijand, en vermoordt ze hem om hem voor het lynchen door de woedende menigte te redden. Onder leiding van Gianandrea Gavazzeni werd in 1952 in Milaan een pracht van een uitvoering van dit bijzondere werk gegeven, met Clara Petrella als Jaele, Gino Penno als Sisera en Cloe Elmo als Debora.


https://lastfm.freetls.fastly.net/i/u/770x0/38466e9191554eb1aeacf53d49345c21.jpg

Arrigo Boito heeft bijna 60 jaar aan Nerone gewerkt, maar toen hij in 1918 overleed was de opera nog niet af. Na de dood van de componist werd de manuscript door Toscanini gevonden, hij voltooide de score en in 1924 dirigeerde hij een succesvolle première van de opera.

https://d1iiivw74516uk.cloudfront.net/eyJidWNrZXQiOiJwcmVzdG8tY292ZXItaW1hZ2VzIiwia2V5IjoiNzk4OTUxMC4xLmpwZyIsImVkaXRzIjp7InJlc2l6ZSI6eyJ3aWR0aCI6OTAwfSwianBlZyI6eyJxdWFsaXR5Ijo2NX0sInRvRm9ybWF0IjoianBlZyJ9LCJ0aW1lc3RhbXAiOjE0OTM2NTYwMzR9

Nerone wordt nog maar zelden opgevoerd en er zijn maar bitter weinig opnamen ervan. Tot voor kort kende ik maar één, op Hungaroton, maar die was, ondanks twee goede vrouwenrollen (Ilona Tokody en Klára Tákacs) maar matig, dus de uitgave van Bongiovanni (GB 2388/89-2) is meer dan welkom. Het is een live opname uit Turijn 1975, en over de uitvoering ben ik zeer enthousiast. Gianandrea Gavazzeni dirigeert een werkelijk fenomenale cast met o.a. Bruno Prevedi (waar worden nog zulke tenoren gemaakt?) als Nerone en Ilva Ligabue als Asteria. Alleen al vanwege de intense bijdrage van de laatste is het een absolute must voor de operaliefhebber


De muziek, het Jodendom, het Christendom en de Islam. Een debat in Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden


van links naar rechts: Neil vand der Linden, Karima El Filali, Selim Doğru  Noam Vazana  Gilad Nezer-Blanckenburg    

Op 8 oktober debatteerden vertegenwoordigers uit verschillende tradities over de historische ontwikkeling en de enorme muzikale vormenrijkdom van muziek in Jodendom, Christendom en Islam. Deelnemers waren Selim Doğru, componist, pianist, arrangeur, Noam Vazana, zangeres gespecialiseerd in Ladino repertoire, Karima El Fillali, zangeres van Arabisch repertoire, en Gilad Nezer-Blanckenburg, voorzanger bij de Liberaal-Joodse Gemeente.

Moderator was Neil van der Linden, initiator van cultuuruitwisseling met het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het evenement sloot een reeks optredens af van een Arabisch – Turks – Hebreeuws koor gedirigeerd door Noam Vazana en Selim Doğru, georganiseerd door Gary Feingold van de stichting Kunstendialoog, in de Amsterdamse Hallen. De locatie was Café Belcampo in De Hallen.

                   

Noam Vazana zong eerst Durme Durme, een Ladino lied. Ladino is een van oud-Spaans afgeleide taal van de Iberische Joodse gemeenschap, die meereisde nadat de Joden en Moslims uit Spanje werden verdreven toen het Christelijke regime het Iberisch schiereiland vanaf 1492 definitief in bezit had genomen. Noams familie komt uit Marokko, maar de Ladino-cultuur leefde ook voort in het Ottomaanse rijk.

Hierna vertoonde Neil van der Linden een clip met muziek van twee vroeg-barokke Duitse-Lutherse componisten, Schütz en Schein, uitgevoerd door het ensemble La Tempete, met een Libanese Grieks-Orthodox recitatiefzanger, George Abdallah. Het ensemble laat horen hoe de Mediterrane zangstijlen misschien overal in Europa te horen waren.

De Berberse kerkvader Sint-Augustinus uit de vierde eeuw introduceerde in de Noord-Afrikaanse zangstijlen in de kerk van Rome compleet. Dat was zoals hij zei omdat hij de bestaande muziek in de kerk saai vond. Voorbeeld uit de oer-kerkmuziek in Rome:

Oer-kerkmuziek uit de Ambrozijnse rite in Milaan. Marcel Peres gebruikt hier de stem van Soeur Marie Keyrouz uit Libanon

Uiteindelijk evolueerde dit alles tot het Gregoriaans zoals we het nu kennen, nadat de kerk microtonen en variaties had uitgebannen; die leidden immers eigenlijk maar tot verwarring onder de gelovigen – een soort euforie die Sint-Augustinus eigenlijk wilde bereiken met zijn kerkmuziek.

Ook kwam ter sprake hoe de kerkelijke muziek werd verlevendigd met mediterrane dansritmen, zoals in Monteverdi’s fameuze Maria Vespers, een principe dat ook goed hoorbaar is in de genoemde muziek van Schütz en Schein, die ondanks dat ze Protestant waren de muzikale vernieuwingen uit de Katholieke kerk kopieerden. Uiteindelijk kwamen Bach’s cantates en Handel’s oratoria ook vol dansritmes te zitten. Verderop in het debat kwam ter sprake dat in Egypte zangeres Umm Kulthum ook dansritmes toepaste in haar religieuze zangstukken.

De leer is strenger dan de muziek. Halverwege de zestiende eeuw nog overwoog de Katholieke kerk tijdens het Concilie van Trent om polyfone kerkmuziek te verbieden omdat die door haar schoonheid en complexiteit alleen maar zou afleiden, en bovendien het verstand van de gemiddelde kerkganger te boven ging. Zodra de Reformatie inzette werden tijdens de Beeldenstorm (bij ons in 1566) kerken gestript van beelden en schilderijen en eindigden boeken en muziekmanuscripten op de brandstapel.

Gilad Nezer-Blanckenburg vertelde hierna over de ‘gemengde’ muzikale praktijk bij de Liberaal Joodse gemeenten, met zowel Sefardische als Ashkenazische elementen.

Hij voerde een liturgisch gezang uit, voor de aankondiging van een nieuwe maand, waarin hij ook improviseerde op de modi, in de Joodse religieuze muziek Steigers of Nusach geheten. Dit improviseren op modi vinden we ook de Arabische en Turkse muziek, ‘maqams’ respectievelijk ‘mugams’ geheten, en dus ook in de vroegchristelijke muziek. Maar bedenk ook hoe zangers en instrumentalisten in de barokopera konden improviseren, terwijl dat later ook het principe van veel jazz en rock zou worden.

Hier is een voorbeeld uit de gemeenschappelijk Joodse en Moslim tradities uit Marokko, met een opname van Rabbi Haim Look en Soefizanger Abderrahman Souiri:

Daarna volgde een videofragment van een muezzin uit Bursa die verschillende modaliteiten laat horen zoals de oproep tot gebed kan klinken en hij legt daarbij hoe de verschillende modaliteiten corresponderen met verschillende momenten van de dag en verschillende stemmingen:

https://www.facebook.com/zuber.karim/videos/10156686762686919

Selim Doğru brengt ter sprake dat zoiets wel in handen moet zijn van een kundige muezzin, anders kan het een rommeltje worden. Karima El Fillali noemt als voorbeeld de amateur-muezzins van sommige buurtmoskeeën in Marrakech, vaak winkeliers uit de wijk, van wie de vocale kwaliteiten te wensen overlaten. Selim licht ook andere tradities in Turkije toe. Er waren muzikaal actieve Griekse, Armeense, Syrisch-Orthodoxe, Arabische en Joodse tradities, terwijl binnen de Islamitische gemeenschap het onderscheid tussen Soennitisch en Alevitisch en tussen Turks en Koerdisch een rol speelt.

En natuurlijk is er het Soefisme. De stad Konya werd een centrum van Soefisme toen de dertiende -eeuwse wetenschapper, theoloog en dichter Jalaleddin Rumi, geboren in Balkh (in het Perzisch taalgebied, nu in Afghanistan) daar neerstreek. Het bekendste visuele symbool van de Turkse Soeficultuur zijn de ‘draaiende derwishen’. Er zijn trouwens ook mengvormen van Joodse religie en Soefisme, van Marokko tot ver in het Oosten.

Nauw verbonden met Soefisme in de Arabische wereld is het begrip tarab, dat extase of vervoering betekent. Meer dan door climaxen in volume of versnelling zijn spelen wisselwerkingen tussen muziek en tekst een rol.

De grote Egyptische zangeres Umm Kulthum is één en al tarab. Umm Kulthum werd geboren in een arm dorp in de Nijldelta, maar ze was ook dochter van de dorpsimam, en dat haar in contact met complexe vocale technieken van het reciteren van de Qur’an en met de klassiek-Arabische taal. Karima zong een fragment uit lied van Umm Kulthum op tekst van de achtste -eeuwse Soefi-mystica Rabiya al Badawiya uit Basra, het huidige Irak. Het lied komt uit een Egyptische enigszins geromantiseerde film over haar leven, waarin de de actrice die Rabiya – nogal geromantiseerd -speelt playbackt op de stem van Umm Kulthum.

Tarab is ook essentieel in seculiere muziek en in Christelijke kerkmuziek.
Sabah (Christelijke zangers uit Libanon), Abou Zelouf

Wat ook ter sprake kwam is of je de vocale traditie en zang kunt begrijpen als je de taal niet kent. Misschien is opmerkelijk dat Turkije een fraaie vocale Qur’an traditie heeft, misschien wel juist omdat de taal niet wordt verstaan. Iran idem dito. Tegelijkertijd zou dat kunnen leiden tot wat met Latijn in de Middeleeuwen gebeurde in Europa: als mensen de taal niet verstaan drijven ze langzamerhand weg.

Karima El Fillali heeft onlangs opgetreden in het Gnawa festival in Den Haag. Gnawa is een vooral in Marokko voorkomende helingsritueel bestaande uit een mengvorm van een soort Soefisme met Afrikaanse shamanistische elementen, gepraktiseerd door afstammelingen van Afrikaanse slaafgemaakten en Afrikaanse huursoldaten van de Sultan van Meknes. Karima zong een voorbeeld van een melodie uit een Gnawa ritueel. De sub-Sahara Afrikaanse achtergrond blijkt ook uit pentatoniek, een kenmerk van veel Afrikaanse muziek (en op een andere manier van muziek uit het Verre Oosten en vele andere culturen). Gnawa rituelen worden vaak geleid door vrouwen. De rol van het matriarchaat vinden we ook in de Jemenitisch-Joodse traditie, zoals Noam Vazana vertelt.

Dit soort inbedding van Afrikaanse rituelen in de dominante religieuze cultus vinden we ook in het Christendom, bijvoorbeeld in de Jamaicaanse Rastafari, de Haïtiaanse Voodoo, de Surinaamse Winti en in de gospelmuziek van de Verenigde Staten, die vroeger ‘negro-spiritual’ heette.

Noam zong hierna Puncha Puncha, op een melodie die vermoedelijk uit Basra komt. Er bestaat een Jemenitisch-Joodse versie met een religieuze tekst, maar Noam zong een Ladino versie op een seculiere tekst, over liefde die mooi kan zijn als een roos, maar met doornen; Puncha betekent prikken. Gilad zong als tweede lied Avinu Malkenu (Onze Vader, Onze Koning)

Hieronder Avinu Malkenu gezongen door Yossele Rosenblatt:

Tot besluit zong Mirjam van Dam It ain’t necessarily so, een jazz-klassieker uit de opera Porgy and Bess, waarvoor componist George Gerswhin, van Russisch-Joodse komaf, de melodie van een Hebreeuwse melodie voor de oproep tot het gebed gebruikte:

Noam Vazana zingt Landarico Nani:

Karima el Fillali zingt Mawal kurd/bayati op een gedicht van de beroemde Andalusische dichter Wallada bint al-Mustakfi (1001 – 1091)

Foto’s: © Sheila Gogol

Virginia Zeani, one of the very few sopranos Maria Callas was frightened of

zeani

Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them. She was born Virginia Zehan, on the 21st October 1925, in Solovastru, a village in central Transylvania.

Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (intended for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a precious anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?

zeani-traviata

In 1952, again at short notice she replaced Maria Callas as Elvira in i Puritani in the Teatro Communale in Florence, conducted by Tullio Serafin.

 

The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc.

Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:

 

pizzetti-zeani

She sang, together with her husband Nicola Rossi-Lemeni in the recording of Pizetti’s Assasinio nella Cattedrale recorded live in Turin shortly after the premiere (La Scala in Milan, March 1958). Absolutely indispensable for the ‘Generazione dell’80’ and verism lover (Stradivarius STR 10067/57).

Virginia Zeani in an aria from the recording:

I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!

 

 

Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:

 

decca zeani

‘Decca’s Most Wanted Recitals’, revealed in 2014 released her recording of Puccini arias. This recording, made in 1958 under the direction of Giuseppe Patané, have – together with a recital by Graziella Sciutti – been released earlier by Decca; but her Donizettis, Bellinis and Verdis from 1956 (conductor: Gianandrea Gavazzeni) had their CD premiere.

A nice anecdote:
Giovanni Battista Meneghini, former husband of Maria Callas, in conversation with Virginia Zeani , “Virginia, I have to tell you, you are one of the very few sopranos my wife is frightened of”

Parisina van Donizetti is niet te versmaden

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van, ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend, en voor het gemak ‘knipte en plakte’ hij de (schitterende, overigens) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde.

Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht. Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter, en met Parisina heeft hij een van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog … En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina is tegen haar wil uitgehuwelijkt aan een oude man, Azzo. Al jaren is zij (wederzijds, doch platonisch) verliefd op Ugo, die, naar later blijkt, de zoon is van Azzo en zijn eerste, door hem uit jaloezie vermoorde vrouw. Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?), Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voor voor een Donizetti (en niet alleen) verzamelaar.


Carmen Giannattasio, José Bros, Dario Solari, Nicola Uivieri, Ann Taylor
London Philharmonic Orchestra olv David Perry (ORC 40)