Le Nozze di Figaro from Hamburg: Arlene Saunders in memoriam

Arlene Saunders, Soprano With a Dramatic Flair, Dies at 89 - The New York  Times

In 1967 Liebermann was still in charge of the Hamburg opera house. He made sure they offered a good, solid and varied repertoire with special attention to the contemporary repertoire.He built a fantastic ensemble of singers and attracted foreign stars and would-be stars ( the world career of Plácido Domingo took off in Hamburg).

Liebermann is now regarded as the founding father of Regietheater, (German for director’s theater), although his ideas were very different from today’s conceptualism, in which the boundary between the permissible and the ridiculous is sought and often crossed

Nozze Hamburg

The reconstructed production of Die Hochzeit des Figaro (yes, it is sung in German) is of great historical value. But it has more to offer; the production is magnificent, the orchestra of the Hamburg Opera under conductor Hans Schmidt-Isserstedt is excellent and the singers are all idiomatic.

The American baritone Heinz Blankeburg is a droll Figaro and as Susanna, Edith Mathis is simply wonderful. I would actually like to shout it from the rooftops: this is how Susanna is meant to be! The young Tom Krause is a more than delightful Count and Arlene Saunders as the Countess, is a real match for him (and his timbre).


We even get a bit of historical ‘maestro to the pit’ as part of the recording. Atmittedly, the tape is not completely reconstructed, there are gaps and the colours are very much “the sixties”. It doesn’t matter, I’m very happy to enjoy it al (Arthaus Musik 101263)


De hele opera:

Annemarie Kremer: beroemdheid in het buitenland


buttrefly-kremer

In het najaar 2012 heeft de productie van Norma van Bellini door het Opera North in Leeds de Theatre Award voor ‘Achievement in Opera’ gewonnen. De hoofdrol in de alom geprezen productie van Christopher Alden werd gezongen door de Nederlandse sopraan, Annemarie Kremer. Gelijktijdig werd ze voor haar Norma-vertolking genomineerd voor de Opera-Oscar in Londen en voor ”Sängerin des Jahres’ in Opernwelt. Haar geweldige prestatie werd op alleen maar jubelende kritieken onthaald.

Georg Hall schreef in The Guardian: “Her ample, wide-ranging voice keeps faith with Bellini’s notes, maintaining dramatic intensity via seriousness of artistic purpose and commitment.”

Anthony Lias in ‘Opera Brittania’ ging nog een stapje verder en vroeg zich af : “Where has this Dutch soprano been hiding, why haven’t we heard of her before? Om zich daarna het meest voor de hand liggende antwoord te geven: “Well, presumably she’s been in the Netherlands honing her considerable talent”.

Wat Anthony Lias niet wist is dat er, behalve Opera Zuid, geen ander Nederlands operagezelschap iets voor Kremer heeft weten te betekenen. Maar in september 2015 was zij even in Nederland terug: bij de jarige Nederlandse Reisopera trad zij op in één van haar glansrollen: Cio Cio San in Madama Butterfly van Puccini.


Er was al een lange tijd sprake van dat ik iets bij de Reisopera ging doen. Eerst werd er van Manon Lescaut gesproken, maar dat kwam niet van de grond. Oorspronkelijk werd Billy Budd gepland, maar door omstandigheden kon het niet doorgaan. En ik had ook net een gecancelde productie en dus vrij …

”Ik kan je niet vertellen hoe blij ik ben om hier weer eens te mogen zingen. Het is werkelijk fantastisch dat al mijn vrienden, kennissen en familieleden die mij niet eerder hebben kunnen horen – niet iedereen kan zo makkelijk naar het buitenland – nu hun schade kunnen inhalen. Daar ben ik oprecht blij mee.”

De eerste keer dat wij elkaar spreken had zij net een paar dagen vrij die zij in haar huis in Zuid-Frankrijk doorbracht, in een dorpje van iets meer dan 5 km² in de Midi-Pyrenée die maar 142 inwoners telt.

”Wij wonen niet in het dorp maar erbuiten, op een berg en de dichtstbijzijnde buren wonen een paar kilometer verderop. Wij hebben 15 hectare eigen grond en ons huis is omringd door een glooiend landschap met bossen en weiden. En het licht is hier zo ontzettend mooi! Een echte idylle. Het is inmiddels 14 jaar geleden dat wij hier kwamen en er onmiddellijk op verliefd werden. Ik voel mij hier heel gelukkig, maar ik ben ook een meisje van het land.”

Kan je mij iets over de productie van Butterfly vertellen?

” Verwacht geen Japanse folklore: de omgeving is niet echt als zodanig te herkennen. In de kostuums komt het Japanse een beetje terug, maar zonder de geijkte parasolletjes en waaiers. De ontwerpster heeft zich in de Japanse kledingtraditie verdiept: zo heeft zij ontdekt dat er ooit een gewoonte bestond om je in een soort matten te omwikkelen en zo je tegen regen, wind en zon te beschermen. Het moet nog uitgewerkt worden, want ik moet mij er natuurlijk in kunnen bewegen, kunnen knielen en gebaren maken. Vooralsnog heb ik alleen plaatjes van de ontwerpen gezien, maar ik was er zeer onder de indruk.”

Allemaal hebben we een goede tijd met Laurence Dale, onze regisseur. Hij staat personenregie voor en dat willen wij als cast ook graag. En ik heb alle vertrouwen in hem en onze cast.”

Mijn Pinkerton, Eric Fennell is bijna het prototype van een Pinkerton. Hij is Amerikaans en hij ziet er goed uit, daar kan je als jong meisje zeer zeker verliefd op worden. Ook de rol van Suzuki is perfect bezet. Zij wordt gezongen door Qiu Lin Zhang, een Chinese sopraan met een zeer grote stem. Zij is wat ouder waardoor het geloofwaardig wordt dat ze niet alleen mijn vertrouwelinge is, maar ook mijn beschermer. En onze stemmen klinken prachtig samen, een ware symbiose!

” Butterfly is een rol die zeer dicht bij mij staat. Ik heb haar zo vaak gezongen dat je gerust kunt stellen dat ik mij haar volledig eigen heb gemaakt. Zij is een zeer sterk persoon met een enorm vermogen tot liefhebben. Zij blijft altijd overeind, ongeacht de productie. Haar maak je niet kapot. Hoe vaak je de rol ook zingt: de emoties blijven vanzelf ontstaan. Je moet het wel doseren want met je keel vol tranen kan je niet zingen. Een regisseur zei ooit tegen mij: je moet tegen de emoties vechten en dat gevecht mag je wel laten zien, maar het is het publiek dat uiteindelijk ontroerd moet raken en huilen, niet jij.”

Trailer van de productie:

Annemarie Kremer staat bekend om haar vertolkingen van veristische rollen. Heeft zij daar een speciale binding mee

“Ik benader een operapersonage niet vanuit het belcanto of verismo maar gewoon als mens. Al mijn rollen speel ik op een zeer persoonlijke en lijfelijke manier, er moet niets tussen mij en het personage staan. Ik houd ontzettend veel van logica. Iedere rol benader ik minitieus op hoe de emoties verdeeld zijn, dat kunnen vijf verschillende emoties zijn binnen een frase van bij voorbeeld maar twee minuten: nu voel ik dit en daarna dat. Als je de emoties na elkaar speelt worden ze duidelijker voor het publiek, ipv een brei van emoties. 

Dat had ik sterk met Norma bij Opera North. Ik had de opera al eerder heb gezongen waardoor de rol al goed in mijn strot zat en dus hoefde ik nu niet alleen, bij wijze van spreken, op de coloraturen te letten, nu kon ik het me permitteren mij nog véél méér op het acteren concentreren. Ik had het geluk gehad dat ik met Christopher Alden kon werken, een waarlijk geweldige regisseur. Aan Norma heb ik mijn mooiste herinneringen overgehouden en je kan stellen dat Opera North mijn geliefde operahuis is. Ze zijn net een familie, je wordt aan alle kanten ondersteund. Ik verheug mij dan ook enorm op een weerzien: binnenkort ga ik er Maddalena in Andrea Chénier zingen.”

“Communicatie tussen regisseur en zanger vind ik cruciaal. Ik kan heel makkelijk en meegaand zijn als ik een regisseur vertrouw, maar stel ook wel duidelijke grenzen. Trouw aan de partituur en het libretto en de logica zijn voor mij een vereiste. Bovendien weiger ikhet (expliciete) geweld, zeker als het niet noodzakelijk is. Het is al erg genoeg dat het gebeurt, je hoeft het niet nog eens op het toneel laten zien!”

Haar roldebuut in de titelrol van Salome van Richard Strauss in 2011 in de Volksoper van Wenen, een rol die zij daarna herhaaldelijk zong (en nog steeds zingt) overal in de wereld werd een ware sensatie. GB Opera.it Magazine: “Ovation for the beautiful, talented and sensual Annemarie Kremer. Singled out by critics as the young new Dutch diva. La Kremer immediately shows absolute mastery of the scene and the musical score.”

Wat heb je met Strauss?

“Al snel kwam ik erachter dat Richard Strauss helemaal mijn componist is, zo invoelend en organisch als hij voor de stem heeft gecomponeerd. Dat was al zo toen ik vroeger zijn liederen zong en nu had ik het gevoel alsof hij Salome speciaal voor mij heeft geschreven!”

Wat zijn haar toekomstplannen? Wagner wellicht?

“Isolde is mij al een paar keer aangeboden en die wil ik ook graag doen, maar zeer zeker nog niet nu, daar wil ik nog een paar jaar mee wachten. In oktober ga ik wel Senta in ‘Der Fliegende Holländer’ zingen, in Rio de Janeiro. Het betreft een educatief project waar kinderen uit achterstandswijken bij betrokken zullen zijn.”

In January 2020 was het zo ver:

” In mei 2013 wacht mij een enorme uitdaging: ik zing Ursula in ‘Mathis der Maler’ van Hindemith aan de Semper Oper in Dresden.”

En in het seizoen 2016/17 zing ik in Buenos Aires Marie/Mariette in Korngold’s ‘Die Tote Stadt’

Opname uit 2017 in Wenen:

“Eén van mijn eerste bewuste, diep emotionele, muzikale ervaringen beleefde ik op mijn negende. Ik was toen met mijn moeder in Zelazowa Wola, het geboortedorp van Frédéric Chopin en mocht daar op een stralende zondagmorgen genieten van de mooiste nocturnes, walsen en sonates live gespeeld door de open tuindeuren van zijn geboortehuis. Het was alsof hij ons persoonlijk door de tijd heen toespeelde, die passie, die melancholie, maar ook die levensvreugde ik was compleet gegrepen! Meteen na thuiskomst mocht ik pianolessen nemen en studeerde in de jaren daarna vlijtig met de bedoeling om er mijn beroep van te maken en net zo te kunnen spelen.

Het is iets anders gelopen, want toen ik, als 17 jarige mijn natuurlijke opera-stemgeluid ontdekte was het ineens overduidelijk dat ik juist daarin al mijn passie, melancholie en levensvreugde kwijt zou kunnen en ik met de piano vooral een heel solide basis had gelegd voor mijn verdere muzikale leven. Jammer dat Chopin, die naast van de piano vooral van de sopraanstem hield, zich nooit geroepen heeft gevoeld een opera te componeren, ik had graag één van zijn heldinnen gezongen!



Upload: dystopisch Gesammtkunstwerk waarin twee mensen uiteengescheurd door technologie elkaar weer vinden.

Tekst: Neil van de Linden

Upload van Michel van de Aa laat een misschien niet eens zo verre toekomst zien waarin mensen hun geest, de files in hun hersenen, kunnen uploaden in een cloud. Het brein is het laatste analoge apparaat in een digitale wereld, aldus het libretto.

In een afgelegen kliniek kunnen menselijke breinen worden ‘overgezet’ van levend lichaam naar een digitale ‘upload’. Het proces verkeert nog in de experimentele fase. Alleen zeer rijken kunnen meedoen, op een paar mensen met bijzondere intelligentie, wiens brein van groot belang is om ‘eeuwig’ te laten voortbestaan, ook al kunnen ze de transformatie zelf niet betalen. In feite fungeren deze financieel minder bedeelden ook als proefkonijn. Vergelijk wat er nu gebeurt met de ruimtevaartvluchten van Elon Musk en Jeff Bezos, die naast multimiljonairs ook wel eens een werkstudent meenemen.

De kliniek heeft iets louche, de directie bestaat uit een jonge CEO en een psychiater die financieel goede zaken te doen. Juridisch is het uploaden nog niet goed afgedekt, in verband met de rechten van de nabestaanden, en het feit dat de deelnemers feitelijk een eind aan hun leven maken. De staf zelf lijkt voorlopig niet van plan het proces zelf te ondergaan.

Het lokkertje is dat je als digitale versie niet alleen fysieke pijn van het dagelijkse leven en het ouder worden wordt bespaard, maar dat je ook je beste herinneringen mag uitkiezen om mee te nemen, en je je teleurstellingen mag achterlaten. Ook dat blijkt echter nog niet goed uitgeëxperimenteerd.

Al die ideeën over wél-gedigitaliseerden en niet-gedigitaliseerden en de experimentele fase waarin dit alles zich bevindt doen onwillekeurig ook even denken aan het nu van de Corona-vaccinatie al stamt ‘Upload’ grotendeels van vóór Corona en lag het werk een tijd op de plank. Overigens rept de tekst aan het begin van een mensheid die zich door verregaande vaccinaties kan wapenen tegen allerlei ziekten.

De vader in Upload is één van de eerste gedigitaliseerden. Hij hoopte zo zijn ongelukkige levenservaringen achter zich te kunnen laten. Zijn dochter wist niets van zijn beslissing en probeert met hem te blijven communiceren, nu van zijn aanwezigheid alleen een schim op een beeldscherm over is gebleven. Ze is niet bereid haar vaders voorbeeld te volgen, want ze geeft er de voorkeur aan zowel de geneugten van het menselijke leven van vlees en bloed als de pijnen van het leven te blijven ondergaan, en meent ook dat lichaam en geest ondeelbaar zijn. Het gaat zelfs mis met de vader, uploads blijken wel degelijk levenspijn  mee te nemen. De vader vraagt eerst zijn dochter hier een eind aan maken, door zijn upload te deleten, maar de dochter overtuigt hem ervan toch verder te leven.

In het slot van de opera vinden ze elkaar, op een bijna Wagneriaanse wijze, een soort omgekeerde Wagneriaanse Erlösung: (spoiler alert!) over het publiek deelt een gigantisch doek neer (de Heilige Geest?), waarop naast elkaar de projecties van de gezichten van vader en dochter zijn te zien, de lippen bijna bij elkaar, in een aangrijpend slotduet. Bij Wagner gingen geliefden dan dood om in een hiernamaals verder te leven, Michel Van der Aa laat zijn protagonisten elkaar hervinden in een Twilight Zone, een geestestoestand tussen realiteit en fantasie.

Het idee dat je de geest van lichaam kunt scheiden stamt natuurlijk uit het hiernamaals-concept dat ten grondslag ligt aan de ons vertrouwde religies Jodendom, Christendom en Islam, versterkt door de invloed die Plato had op Christendom en Iselma. maar het zit ook in de reïncarnatie-godsdiensten, zoals Hindoeïsme. Het experiment van de kliniek gaat hier ook van uit, maar in werkelijkheid is er geen wetenschappelijk bewijs, en de opvattingen van de dochter komen meer overeen met de stand van de wetenschap. Michel van der Aa laat deze twee opvattingen prachtig schuren.

Er is nog meer actualiteit. Digitaliseren veronderstelt dat het ‘analoge’ lichaam na de upload wordt geëlimineerd (om doublures te voorkomen). Deze ‘hulp bij zelfdoding’ raakt ook aan de actualiteit van nu, gezien de heroplevende discussie rond ‘voltooid leven’: net dezer dagen is de voorzitter van de Coöperatie Laatse Wil opgepakt, en weer vrijgelaten; de kwestie kan de hernieuwde samenwerking tussen D66 en ChristenUnie nog lelijk opbreken – de ChristenUnie al heeft aangekondigd bedreiging van LHBTQI+-leerlingen op scholen ‘vrijheid van godsdienst’ te vinden.

Ik moet ook denken aan de film I care a lot die nu, ook vertraagd door vanwege Corona, in de bioscopen draait, over een ‘voogd’ die in samenwerking met een corrupte arts en vermogende bejaarden naar dure verzorgingstehuizen stuurt en ze samen met de directie financieel uitkleedt; de film heeft toevallig dezelfde surrealistisch-overdreven kleurstellingen als de gefilmde kliniek-interieurs  van Upload. De haarscherpe beelden doen ook aan die in Christopher Nolan’s Tenet denken, een film waarvan de plot ook gaat over gesleutel aan dimensies en tijd.

En Upload is inderdaad een science-fiction voorstelling. Meer nog dan aan Tenet doet de plot van Upload aan Nolan’s Interstellar, over een vader en een dochter die zich in verschillende dimensies bevinden en elkaar proberen te bereiken. Zij het dat bij Nolan de family values altijd simpel en sentimenteel zijn. Upload is vele malen subtieler.

Er is nog iets waarin Michel van der Aa Nolan overtreft. Beiden bedienen zich van elektronische muziek, die bij vlagen in klank met elkaar vergelijkbaar is: dezelfde soorten ruisgeluiden en aan de elektronische dansmuziek ontleende loopjes. Maar in Nolans films leidt dat via componisten Hans Zimmer in Interstellar, Inception en The Dark Knight en via Ludwig Göransson in Tenet al snel tot eentonige pompeusheid is het gebruik bij Van der Aa steeds vele malen subtieler.

Waarom dan niet een film gemaakt van Upload? Film is overal in de voorstelling aanwezig. En toch voegt het feit dat de twee zangers, Roderick Williams, de vader, en Julia Bullock, de dochter, live op het toneel staan, dat alle muziek, zowel de akoestische, gespeeld door het ensemble MusikFabrik, als ook de digitaal geproduceerde elektronische soundscapes op synthesiser, live worden geproduceerd, knap gecoördineerd door dirigent Otto Tausk, en dat de filmbeelden via verschuivende panelen en het grote doek boven het toneel live worden gemanipuleerd, voegt een aantal dimensies toe die dit tot muziektheater maken, in de ideale Gesammtkunstwerk zin.

Naast het Tristan und Isolde-waardige slotduet is te midden van al die technologie de ‘aria’ van de dochter ‘This is where we are now’ een dramatisch hoogtepunt, een waar moment van absolute schoonheid; we kennen Michel van der Aa’s vermogen om ijzingwekkende coloraturen te componeren, maar hoe hier Julia Bullock alleen op dat immense toneel, midden in een elektronische muziekorkaan en verpletterend mooie filmbeelden, haar desolaatheid uitzingt is ongeëvenaard.

‘This is where we are now’ door Julia Bullock

En wat de evolutie van de vader-dochter-verhoudingen opera betreft, loopt Update in zekere zin dus beter af dan Rigoletto, de Ring en Salome.

Upload van Michel van Aa, door De Nationale Opera in het Muziektheater Amsterdam.
De vader Roderick Williams.
De dochter: Julia Bullock.
Regie: Michel van der Aa

De MusikFabrik onder leiding van Otto Tausk met de Musikfabrik.
Decor en Licht: Theun Mosk
Foto’s: Marco Borggreve

Gezien: 1 oktobe 2021.

Schikaneder, Mozart en von Winter: Die Zauberflöte

Tekst Peter Franken

Zeker zo populair als Don Giovanni is Mozarts (voor)laatste opera, het Singspiel Die Zauberflöte uit 1791. Of is het vooral een opera van Emanuel Schikaneder? Ter vergelijking The Mikado en The pirates of Penzance: wie is hier de componist en wie schreef de tekst? Gilbert and Sullivan is hèt voorbeeld van een team waarin nu eens niet de componist als eerste wordt genoemd, maar de librettist.

Als we ons een beetje verdiepen in de carrière van Emanuel Schikaneder, schrijver, zanger en theatermaker, dan wordt duidelijk dat we hier niet van doen hebben met iemand die snel bereid was de tweede viool te spelen. In het project Die Zauberflöte zal hij zichzelf, als door de wol geverfde professional, zeker de eerste plek op het affiche hebben toegedacht: Schikaneder en Mozart. Maar ja, Mozarts muziek bleek tijdloos en Schikaneders wijze van theater maken was volledig verankerd in zijn eigen tijd en daardoor tijdgebonden.

In mijn beleving zou Mozart echter niet een blijvende reputatie als groot operacomponist hebben kunnen genieten als latere generaties zich zouden hebben gebaseerd op uitsluitend de muziek voor Die Zauberflöte. Het zwaartepunt in zijn oeuvre ligt duidelijk bij de Da Ponte cyclus, overigens ook een serie met een gedeeld credit!

Vrijwel elke muziekliefhebber heeft ooit Amadeus gezien. Een briljant toneelstuk van Peter Shaffer uit 1979, later met groot succes verfilmd. Uiteraard is het verhaal dat hierin wordt verteld op tal van punten historisch onjuist maar er is een bepaalde scène die bij mij is blijven hangen. Het is het moment waarop Mozart zijn nieuwste stuk Die Zauberflöte omschrijft als Vaudeville. Het gaat hier niet om een serieuze opera maar om een theaterstuk ‘voor het volk’ met als voornaamste oogmerk het verdienen van zoveel mogelijk geld.

Vaudeville is een vergeten genre dat op een onverwachte wijze een zekere comeback vierde in de jaren 1970-80: De Muppetshow. Voorop staat het iedere keer weer samenstellen van een gevarieerd programma van zang, dans, komische sketches, magie etc. Twee oude heren, Statler en Waldorf, geven commentaar op het gebodene vanuit hun loge en nemen daarbij geen blad voor de mond.

Bij het zien van Simon McBurney’s versie van Die Zauberflöte bij DNO, dacht ik bij mijzelf: ‘Dit is iets dat Schikaneder zeker goed zou zijn bevallen’. En vervolgens: ‘Wat zouden Statler en Waldorf bij bepaalde scènes voor commentaar hebben geleverd?

Trailer uit Amsterdam:

Het verhaal is een pastiche van voor het publiek in 1791 herkenbare personen, beelden en situaties. Zo verwijst de figuur van Monostatos naar Angelo Soliman, een voormalige negerslaaf die zich had opgewerkt tot lid van de keizerlijke entourage. De verwijzingen naar de vrijmetselarij passen in het tijdsbeeld waarin een zekere hang naar ‘het wonderbaarlijke’ in de mode was gekomen, mede als reactie op de Verlichting en daaruit voortvloeiende secularisering. Schikaneder en Mozart behoorden beiden tot deze ‘beweging’ zodat het voor de hand lag om daaruit te putten bij het optuigen van hun verhaal.

Waar graag naar wordt verwezen in dit verband is de rol van de vrijmetselarij als voorhoede in het streven naar andere regeringsvormen, waarin niet de absolute macht van een vorst maar het belang van het volk centraal staat. In die zin wordt dan de tegenstelling geduid tussen de Koningin van de Nacht, die staat voor de tot nu toe heersende duisternis, en Sarastro die de weg wijst naar een nieuwe lichtende toekomst: ‘Die Strahlen der Sonne vertreiben die Nacht’.  

Dat moge zo zijn maar waarom wordt diezelfde Sarastro dan opgevoerd als iemand die zich gedraagt als een fascistoïde etterbuil. Zo’n Sarastro als nieuwe leidsman leidt ons van de regen in de drup. Partij kiezen is bij Die Zauberflöte overigens net zo lastig als bij een bevriend echtpaar dat in scheiding ligt. Voor de pauze sta je helemaal aan de kant van de Koningin van de Nacht die haar dochter uit de klauwen van Sarastro probeert te reden. Na de pauze draaien de rollen om en is de moeder de echte booswicht.

Eigenlijk is het verhaal gewoon een fantasy, om in hedendaagse termen te spreken, waarin een komisch duo op zoek gaat naar iets of iemand. De zoektocht betreft hier een gegijzelde prinses, de opdrachtgever is een enge dame die angstaanjagend zingt. Het wat vulgaire aspect van de verwerkte humor vinden we in het gebruik van de ‘wapens’ die het duo in staat moeten stellen hun queeste tot een goed einde te brengen: een toverfluit plus een klokkenspel. Toen was het een succes om twee redenen, het verhaal en de muziek. De muziek spreekt grotendeels nog steeds aan, dankzij de stukken waarvan je de tekst gemakkelijk kunt negeren. De tekst is echter behoorlijk achterhaald en het stilzetten van de handeling door eindeloze monologen en dialogen is dodelijk voor de vlotte voortgang. De humor is niet op het niveau van onze tijd en mist elke vaart. Statler en Waldorf zouden daar niet bij gezwegen hebben. Maar kijken we terug naar de oorsprong, dan moet gezegd dat Schikaneder meer credit verdient dan hem nu wordt gegund. Schikaneder en Mozart, de voorlopers van Gilbert en Sullivan een eeuw later.

\Na Mozarts dood heeft Schikaneder getracht het succes van Die Zauberflöte te rekken door er in 1798 een vervolg aan te geven, getiteld Das Labyrinth oder Der Kampf mit den Elementen. Het verhaal begint kort na het einde van Die Zauberflöte en schildert de weer oplaaiende strijd tussen Sarastro en de Koningin van de Nacht.

Verder worden Tamino en Pamina aan nieuwe beproevingen onderworpen. Vuur en Water hadden ze doorstaan, nu zijn Aarde en Lucht aan de beurt. Als klap op de vuurpijl wordt Pamina op haar huwelijksdag door haar moeder ontvoerd en als bruid aan Tipheus, de koning van Paphos, geschonken.

Ook Papageno en Papageno krijgen het zwaar te verduren. Ze worden door Monostatos gescheiden waarbij deze Papageno aan een Moorse vrouw probeert te koppelen om zodoende Papagena voor zichzelf te winnen. Uiteraard loopt alles uiteindelijk ‘goed’ af. De beide liefdesparen worden herenigd en de Koningin van de Nacht wordt met haar gevolg aan een rots geketend.

De muziek voor deze sequel werd voor Schikaneder geschreven door zijn vriend Peter von Winter, een inmiddels vergeten componist die naar verluidt zo’n veertig opera’s op zijn naam heeft staan. Het succes van Das Labyrinth bleef echter ver achter bij dat van Die Zauberflöte en het werk raakte volledig in de vergetelheid. Voor de Salzburger Festspiele van 2012 werd het ‘opgegraven’ en door Alexandra Liedtke geënsceneerd. Er is een opname van verschenen op Arthaus.

Hänsel und Gretel: Discography

hans-tekening
Das Bild ist ein Holzstich nach einer Zeichnung von Ludwig Richter von 1853.

Fairy tales! As a child I couldn’t get enough of them and I still love them. My small bookcase was well stocked with them then and my current bookcase has several shelves with every fairy tale I could lay my hands on.

The story of the children lost in a dark wood, the wicked witch and – yes! – the gingerbread house particularly appealed to me; a girl who loved sweets.

I knew that the fairy tale had once been turned into an opera. In the old German film adaptation of Kärstner’s The Parent Trap, Luise/Lottie visits the performance of Hänsel und Gretel conducted by her father. This very dramatic scene made a huge impression on me at the time, so the opera was very high on my wish list.
My first real introduction to the opera, however, was downright disappointing. And I still cannot get really excited about the work. It is not sweet or scary enough for me. However, I immediately admit that a beautiful, well sung and acted production will give me a lot of pleasure!

The two DVD recordings known by me are certainly all that, and I really wouldn’t know which of the two to choose


Royal Opera House, 2008

hans-roh



Colour! That is what is most striking about Moshe Leiser and Patrice Caurier’s London (Covent Garden 2008) production. The enchanted (and enchanting) fairy- tale forest is green, the sky blue, Gretel’s jacket red, and the biscuits, cakes, pies and puddings are all the colours of the rainbow. Or even more. And they are so very bright!

It is a true feast for the eyes, but the singing is also at the highest level. Diana Damrau is a delightful Gretel and Angelika Kirschlager a boyish Hänsel. Even in the scenes together with real children, they are not out of place.

Elisabeth Connell and Thomas Allen, here as real- life riff- raff, are good for a lot of delicious “schadenfreude”. And the fact that Anja Silja convinces more with her acting than with her singing should be forgiven, she is after all a witch (Opus Arte OA BD 7032)




Metropolitan Opera, 2008

hans-met



Richard Jones’ production, originally created for the Welsh National Opera and recorded at the Met in 2008, is just as much fun.
Chistine Schäfer (Gretel) and Alice Coote (Hänsel) are perhaps just a little more brazen, but Rosalind Plowright and Alan Held are just as deliciously caricatured as Connell and Allen.

What makes this performance an absolute must have is Philip Langridge’s witch, even Anja Silja cannot match that! And the dream pantomime at the end of the first act is simply delicious.

During the overture and the interval, we get a look behind the scenes and get to see the make-up artists in action. Very special!

Vladimir Jurowski conducts very lightly, almost belcantesque.
Warning for purists: the opera is sung in English! (Warner 5099920630898)

Below a short trailer:



von Karajan, Milan1954

hansel-karajan-italiaans



Talking about foreign languages: it is not at all surprising that an opera intended for a mainly young audience is performed in a language they can understand.

In 1954, von Karajan conducted the fairy tale in Italian in Milan, but with two German sopranos in the leading roles: Elisabeth Schwarzkopf and Sena Jurinac. Which makes the notion of “intelligibility” immediately relative.

Rolando Panerai is a delightful “Pietro”, but of course the CD’s greatest attractions are the Sand- and Taumännchen sung irresistibly by Rita Streich. The orchestral sound is very refined despite the analogue sound (Date DAT 12314).



Von Karajan, 1953

untitled



Refinement is also the best word to describe the (studio) recording of Karajan from 1953. It is fully worth it for the overture alone. Orchestrally it sounds even better than the Milan recording, but that may be due to the excellent sound quality.

Both Elisabeths: Grümmer and Schwarzkopf sound very credibly childlike. Their ‘Brüderchen , komm tanz mit mir’ is simply irresistible. It is just a pity that their voices sound so similar that you cannot really tell whether it is Hansel or his sister who is singing. (Warner 509996407162)




Eichhorn, 1971

hans-rca



There are five reasons to buy the recording Kurt Eichhorn made for RCA in 1971: Anna Moffo (Hans), Helen Donath (Gretel), Christa Ludwig (witch), Arleen Auger and Lucia Popp (the ‘males’).

Charlotte Berthold and Fischer Dieskau are not really exciting and the orchestra is no more than okay, but those five ladies! And secretly I think I may find Helen Donath’s Gretel the most beautiful of all. (BMG 74321 252812)

Below Anna Moffo and Helen Donath in `Abendsagen`:


Een nagekomen Holland Festival voorstelling

Tekst: Neil van der Linden

Je zou kunnen denken dat voormalige Vliegveld Soesterberg nog open was, maar het is het normale luchtverkeer boven Nederland. Oorspronkelijk bedoeld voor het Holland Festival van afgelopen juni, werd ‘Dans la Forêt’ van Massimo Furlan en Claire Ribaupierre alsnog opvoert.

‘Dans la Forêt’ is wandeling door een donker bos, met een groep van zo’n twintig personen, op enige afstand achter elkaar, om het evenement zowel als individu als onderdeel van een groep te ervaren. Belsignalen uit, ook geen licht van telefoons. Zeven kilometer. Dat doe ik niet zo vaak, met als gevolg dat gedurende de eerste kilometer de vraag mij bezig hield of die wandelschoenen die ik al een tijd niet had gedragen nog steeds echt goed pasten en of ik niet al snel op de blaren zou lopen. Maar dat viel mee, al snel vergat je die voeten en kwam je lichaam in een trance.

Met elkaar praten was ook niet de bedoeling. Naast onze eigen voetstappen en onder onze voeten krakende takjes mochten we alleen naar de omgeving luisteren. In principe zouden we mogen hopen uilen of spechten, het geritsel van wegsnellende eekhorens en misschien zelfs het gedraaf van een ree te horen, maar totdat het ver weg op Schiphol blijkbaar sluitingstijd is domineren overvliegende straalvliegtuigen het geluidsbeeld.

Hoever weg zijn we van de luchthaven? Toch echt wel 50 kilometer. Ook een snelweg ergens in de omgeving doet zich gelden, en een enkele keer een politiesirene; toch niet vanwege ons? Bevinden we ons op verboden terrein?

Het evenement vond plaats in het Smithuyserbos, op de grens van de provincies Noord-Holland en Utrecht, niet ver van Kasteel Drakensteyn en dat wordt vermoedelijk goed bewaak: dus doen we iets illegaals? En hopelijk is onze tocht vlakbij dit deel van de Koninklijke domeinen goed afgestemd met het jachtseizoen. Allemaal beuzelarijen, die door je heen gaan voordat je besluit je gewoon over te geven aan de loop van de dingen. Bovendien verzekert het Holland Festival: ‘De ervaring die Furlan en De Ribaupierre met ‘Dans la forêt’ creëren is heel gecontroleerd en veilig, doordat de route bekend is en de wandeling in groepsverband en met een gids plaatsvindt.’ Het grootste ‘gevaar’ is een afstapje in een greppel van 30 cm, wat toch iets anders moet zijn dan een afdeling vanaf een Alp in Zwitserland, de thuishaven van de makers Furlan en De Ribaupierre.

De gids is de acteur, Jeroen de Man, die over het bos, de bomen en de dieren (inclusief ons zelf) vertelt. Bomen staan met elkaar in contact via wortelnetwerken en geursignalen, en met die netwerken en geursignalen ‘waarschuwen’ ze elkaar bijvoorbeeld als een ree aan een takje knaagt. Dat is bekende biologische materie, maar het is mooi om ons dit te realiseren midden in een donker bos. Terwijl wij proberen de rust in ons op te nemen, zijn om eens heen de planten wild aan het communiceren en zijn alle organismen, van de grootste reeën tot de kleinste mossen en micro-organismen verwoed bezig te overleven, geregeld op leven en dood. Ook al is dit een gecultiveerd bos (het dichtstbijzijnde originele oerbos is in Polen), toch voelt de wandeling aan als een tocht over een slingerweg door ongerepte natuur in oude tijden.

Op het landgoed zijn overigens sporen van een van de hessenwegen ontdekt, historische handelsroutes tussen Utrecht en Noord-Duitsland, toen het idee van wolven, territorium-verdedigende wilde zwijnen en struikrovers niet denkbeeldig was. Ik moest ook denken aan Philips de Goede, die in zijn laatste levensjaar, zo prachtig beschreven door Bart van Loo, een keer, geestelijk aftakelend, te paard door nachtelijke wouden rond Brussel rond draafde, op de vlucht voor werkelijke of denkbeeldig vijanden, en, anoniem, onderdak vond bij bewoners van een hutje.

Een mogelijk equivalent van zo’n hutje leek nu ook op te doemen tegen het einde van de wandeling. Op een verhoging in het landschap staat een raadselachtig bakstenen bouwwerk, ‘Wolfsdreuvik’, gebouwd in 1938 in opdracht van D.P.R.A. Bouvy, eigenaar van het bos. De één denkt aan de Efteling of Anton Pieck, maar vanwege de schuine muren en niet rechthoekige raamkozijnen had ik ook associaties met Antroposofie en Rudolf Steiner-architectuur. Die waren in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog in zwang bij onze gegoede intellectuele adel en patriciërs. Als bijna-apotheose van Dans la Forêt vond hier heen klank- en lichtspel plaats dat de sfeer van sprookjes van Grimm opriep, maar inderdaad ook wel de gedachte aan de Efteling.

Hoewel eigenlijk niet duidelijk werd waarom dit evenement alleen door Zwitsers bedacht had kunnen worden, hebben de twee makers een flinke staat van dienst. Massimo Furlan (1951) regisseur en performer en Claire de Ribaupierre (1968), antropologe, toneelschrijver en docent aan de theateracademie La Manufacture in Lausanne, zijn bekend om hun beeldend theater met minimale bewegingen, aaneenschakelingen van stillevens, waarin de toeschouwer de tijd om elk beeld op zich te laten inwerken en erover te fantaseren. In dit evenement waren de beelden het nachtelijke bos en de duisternis om ons heen.

De makers zoeken de grenzen van de theatrale wetten op, en werken graag in publieke ruimtes, in dit geval het bos, en met niet-professionele acteurs en performers, en dat waren bij deze gelegenheid wij, de wandelaars, de gids/verteller, maar vooral ook de bomen, de takken, de paden, en dat ene vuurvliegje, van alle dieren in het bos het enige dat zich liet zien; ook de wolf waarover de gids vertelde liet zich niet zien.

Maar, zoals de gids ons vertelde, terwijl ze ons in de gaten houden zorgen de dieren ervoor dat ze zijn waar wij niet zijn; zelfs onze stille omgang is een inbreuk op het gebruikelijke nachtleven in het bos. Dat was misschien een reden waarom het evenement niet plaats had in juni; het is dan nog steeds broedseizoen voor menig dier.

Concept: Massimo Furlan en Claire de Ribaupierre.
Gids: Jeroen De Man.
Foto’s: Pierre Nydeggar, Wilson Le Personnic en de stichting Smithuyserbos.

 

Otello van Rossini

Tekst: Peter Franken

Bij Otello denk vrijwel iedereen aan Verdi of aan Shakespeare, niet in eerste instantie aan Rossini. Opera Zürich kwam in 2012 met een nieuwe productie van Otello die in 2014 werd overgenomen door de Vlaamse Opera, waar ik de voorstelling in Antwerpen bezocht. Evenals Verdi’s Otello is Rossini’s werk gebaseerd op Shakespeare’s Othello, the Moor of Venice. Dit toneelstuk dateert van begin 17e eeuw en is door zijn thematiek nog steeds actueel of op zijn minst te actualiseren. Racisme, liefde, jaloezie, verraad, wraak en berouw bepalen de handeling. Francesco Maria Berio di Salsa schreef het libretto en de première vond plaats op 4 december 1816 in Napels.

Het enorme succes van de Otello van Verdi (en Boito!) heeft het stuk van Shakespeare vrijwel overvleugeld, om van Rossini’s werk maar te zwijgen. Daardoor zal menig operaliefhebber de wenkbrauwen vragend fronsen bij het prominente optreden van Desdemona’s vader Elmiro en van Rodrigo, de edelman waarvoor zij door hem bestemd is. Bij Verdi is deze rol een comprimario, bij Rossini een van de hoofdrollen. Cassio daarentegen ontbreekt in deze versie.

Afgezien van de wat onwennige personenbezetting is er ook een groot verschil in plaats van handeling. Waar Boito deze geheel verplaatste naar Cyprus blijven we bij Rossini bij de bron: Venetië. De gehele handeling speelt zich in het verloop van enkele dagen af in de Dogenstad. Als ‘MacGuffin’ heeft een onderschepte brief van Desdemona aan Otello met daarin een haarlok de plaats van het verloren zakdoekje ingenomen.

De eerste akte speelt zich grotendeels af in het Dogenpaleis waar Otello in triomf zijn opwachting komt maken. Iago en Rodrigo hebben hierover gemengde gevoelens, voortkomend uit afgunst en racisme. Zij zien Otello als een omhoog gevallen ‘man van kleur’ die maar het beste terug op zijn plaats gezet kan worden. Het duo spant samen om dit te realiseren. Otello heeft een geheime verhouding met Desdemona en wil met haar trouwen. Bij wijze van beloning vraagt hij de Doge (overigens Rodrigo’s vader) om toestemming voor dit huwelijk, zeer tegen de zin van Desdemona’s vader Elmiro die haar aan om politieke redenen aan Rodrigo wil koppelen.

In de tweede akte spint Iago zijn web, vergelijkbaar met wat we gewend zijn maar aanmerkelijk minder kwaadaardig dan bij Boito. Niettemin weet hij Otello te overtuigen van Desdemona’s ontrouw. In een scène waarin de gemoederen hoog oplopen vindt een confrontatie plaats van alle hoofdrolspelers: Otello, Iago, Rodrigo, Desdemona en Elmiro. Deze eindigt met de vervloeking van Desdemona door haar vader en een aankondiging van een duel tussen Rodrigo en Otello. Iago wrijft zich in zijn handen.

De derde akte bevat het bekende Wilgenlied en de dood van Desdemona en komt zodoende het meest overeen met Boito’s versie. Doordat Otello en Desdemona hier niet getrouwd zijn maar slechts een geheime affaire hebben, is er geen mogelijkheid het koppel een moment van intimiteit te gunnen. Feitelijk zien we hen pas samen als Otello aanstalten maakt haar te doden. Dat betekent overigens niet dat Desdemona’s rol hierdoor sterk is verkleind. Ze krijgt in de tweede akte alle kans om zich te laten gelden.

Geheel in lijn met Rossini’s andere Napolitaanse opera’s zijn de hoofdrollen geschreven voor tenor. Duetten tussen Iago en Rodrigo, Otello en Iago en Otello en Rodrigo klinken daardoor wat eenvormig. Komt bij de voorliefde van de componist om de stemmen zo veel mogelijk de hoogte in te laten gaan, wat er bij het afspelen van een cd van dit werk toe leidt dat ik soms de neiging krijg om naar het raam te lopen om te kijken of er ergens brand is.

De voorstelling van Opera Zürich kwam uit de koker van het befaamde duo Moshe Leiser en Patrice Caurier. Zij verplaatsten de handeling naar begin jaren 1960 wat zich voornamelijk liet zien in de aankleding en de opstandige houding van Desdemona naar haar vader. Daarnaast werden de racistische ondertonen van het verhaal wat zwaarder aangezet, soms iets te nadrukkelijk zoals het niet toelaten van een zwarte figurerende bediende in een feestruimte. De Dogenzaal, prachtig vormgegeven door decorontwerper Christian Fenouillat, vormde het decor voor de gehele eerste akte. Een wat verlopen kroeg waar Otello zich kwam bedrinken in de tweede akte zorgde voor het nodige contrast tussen high en low life. Als vervolgens Desdemona arriveert, klimt ze op een tafel, giet een flesje bier over zich uit en confronteert haar vader als een Dolle Mina avant la lettre.

In de laatste akte speelt Desdemona een plaat af op een prachtig tijdsbeeldbepalend grammofoontje. Op zo’n zelfde apparaat speelde ik eindeloos de Bohème highlights met Tebaldi en Bergonzi. Feest der herkenning! Nu was er het voorspel van het Wilgenlied te horen, soepel overgaand in de aria ‘Assisa a’piè’d’un salice’.

De Vlaamse Opera had een mooie cast weten te verzamelen. In de titelrol was Gregory Kunde te horen, reeds jaren bekend als Rossini-tenor bij uitstek. Zijn vertolking van de rol was virtuoos en robuust, bijna neigend naar een heldentenor. Zijn eerste grote aria ‘Ah si, per voi già sento’ had wel een open doekje verdiend maar daar liet de voortgang van de muziek onvoldoende ruimte voor.

Iago werd vertolkt door de tenor Robert McPherson. Zijn zang was uitstekend verzorgd en acterend wist hij veel uit zijn relatief bescheiden rol te halen. Hij is geen sociopaat zoals bij Verdi maar wel degelijk iemand die je behoorlijk weet te irriteren en dat lukte McPherson heel aardig.

Maxim Mironov wist zonder meer te overtuigen als Rodrigo, met name in zijn verbaal gevecht met Otello in de tweede akte. De bas Josef Wagner, eerder in Antwerpen te horen als Assur in Semiramide was een verdienstelijke Elmiro.

De jonge sopraan Carmen Romeu ontpopte zich als een ware ontdekking als Desdemona. Ze heeft een grote stem die prachtig klinkt. Ook haar acteerwerk was subliem, veranderend van een onzeker wat bedeesd meisje via een furie in het middendeel naar op het einde een berustende vrouw die er bijna vrede mee heeft te zullen sterven. Zet deze vrouw in een kroeg en je zult wat beleven.

Toch wel verrassend was het aantreden van de inmiddels overleden maestro Alberto Zedda, dé Rossini-specialist bij uitstek. Gezeten op de eerste rij kon ik deze hoogbejaarde veteraan op zo’n twee meter afstand aan het werk zien. Een en al energie en overtuiging die schitterend door het orkest werd opgepakt. Prachtig om die wisselwerking te zien en te horen.

Alle fotos © Vlaamse Opera / Annemie Augustijns).

van de productie in Zürich, met John Osborn en Cecilia Bartoli is een opname op BluRay uitgebracht .

Mare Nostrum: Plácido Domingo honours the Mediterranean Sea

placido_domingo_encanto_del_mar_mediterranean_songs-portada

Plácido Domingo recorded this CD in 2016. The ‘Mar’ in this case is the Mediterranean Sea. The singer who never takes a break, as Domingo is widely known, has collected songs from numerous Mediterranean countries. A surprising selection…



The Romans called the Mediterranean Sea ‘Mare Nostrum’, our sea. And that is true: the sea belongs to all of us. Domingo states on the album: “I bow before your grandeur. I am deeply grateful for the privilege of having been born in Spain, the land that is always caressed by your waters. I honour you in the only way I can: by singing your songs.”



The countries that surround the sea are all different and you can hear that in their songs. Domingo’s choice is surprising. Besides the not very exciting ‘Torna a Surriento’ and ‘Plaisir d’Amour’ (both in a new arrangement by Robert Sadin), he sings, among others, the Spanish classic ‘Del Cabello Más Sutil’ by Fernando Obradors, one of the most beautiful songs ever.

Very exciting and surprising are the Corsican polyphonic ‘Anghjulina’, sung with Barbara Fortuna and ‘Potho Reposare’, a beautiful love song from Sardinia.

I am less happy with ‘Aranjuez’, which in my opinion has already been completely milked dry, although the arrangement here is very refreshing. In its place I would have liked to hear something from Greece, because the traditional Cypriot song ‘To Yasemi’ certainly tastes like more.

There are more things of beauty on the CD. ‘Adio Kerida’ for example, sung in Ladino, one of the best known songs of the Spanish Jews.

Natan Alterman

Or the Israeli ‘Layla Layla’ by poet Natan Alterman, sung in perfect Ivrit. Or ‘Lamma Bada Yatathana’, a ‘muwashshah’ from Arab Andalusia, from the 12th century, with a typical North African rhythm (samai thaqil).

Trailer:

Sony 8875006852

Iemand bezwaar voor nog meer Korngold?

Het Spectrum Concerts Berlin werd in 1988 opgericht door de cellist Frank Sumner Dodge met als doel om de hedendaagse, Amerikaanse kamermuziek te verbinden met werken uit de Europese traditie. Mooie woorden, dat wel. Maar kloppen ze wel?

Over Korngold kun je alles zeggen, behalve dat het hedendaags is: hij is in 1957 gestorven, nog geen zestig jaar oud en toen was zijn muziek al een beetje ‘ouderwets’. Begrijp mij goed: ik ben een enorme Korngold adept en liefhebber en ik kan eindeloos naar hem luisteren, maar bij ‘modern’ heb ik toch een andere klank in mijn hoofd. Ook dat ‘Amerikaanse’ klopt ook niet. Korngold woonde en werkte (noodgedwongen) in Hollywood, dat wel, maar zijn muziek was zo Weens als de bonbons en de Sachertarte.

Zijn pianokwintet componeerde hij rond 1921, hij was toen een jaar of 22. Het is een briljante compositie, waarin de emoties, de drama en expressie hand in hand samen gaan. De Suite stamt uit 1930 en daar hoor je de Korngold die, inderdaad, een beetje aan het experimenteren is geslagen. Dat komt ook een beetje door de keuze van de instrumenten: twee violen, cello en piano voor de linker hand. Hij componeerde het voor Paul Wittgenstein die  zijn rechterarm in 1914 verloor. De uitvoering van beide werken is zonder meer goed.


ERICH WOLFGAND KORNGOLD
Suite op. 23. Piano Quintet op. 15
Spectrum Concerts Berlin
Naxos 8574019

Straat-acrobatiek choreograaf Marco Gerris en mime-regisseur Jakop Ahlbom sloegen de handen, voeten en hoofden ineen.

Tekst: Neil van der Linden

Twee jaar geleden ging ik voor Basia con Fuoco naar het prachtige Elements of Freestyle, een volmaakte etalage van ISH’ handelsmerken: halsbrekende en ademstokkende breakdance, in-line-skating (acrobatisch rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen) BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’, maar dan wel vijf keer zo hoog en over gebouwen heen, trapleuningen op en balkons af), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Dat wil zeggen: eigenlijk is het handelsmerk van ISH en choreograaf Marco Gerris het telkens maar vinden van mensen die dat kunnen en met die mensen elke keer weer een samenhangende voorstelling maken.

Marco Gerris is zelf begonnen als theater-rollerskater en is in die hoedanigheid bijvoorbeeld ooit opgepikt door choreografe Krisztina de Châtel, ook al zo iemand die zonder haar basis uit het oog te verliezen van alles artistieks bij elkaar brengt/bracht. Daarna zijn Marco Gerris en zijn organisatie ISH samenwerkingen aangegaan met het Nationale Ballet en was er MonteverdISH, een majestueuze bewerking van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Nu is er Knock-out, een samenwerking met de Jakop Ahlbom Company, van de Zweeds-Nederlandse mime-regisseur Jakop Ahlbom, die absurdistisch ‘googel’-theater maakt, virtuoze verdwijntrucs en dergelijke, in scenario’s die intussen over de tragikomische kanten van het leven gaan, zoals in internationale successen als Horror en Lebensraum. Bij elkaar kon dat misschien nauwelijks in iets anders resulteren dan een parodie op film noir in combinatie met de esthetiek van de knokfilm.

In Knock-out zien we hoe de gokverslaafde Larry en zijn ontevreden vrouw Buffy worden gekidnapt. Larry’s steenrijke vader moet het losgeld brengen, maar onderweg naar de gijzelaars verschijnen er allerlei ongenode gasten. Er barst een spectaculair gevecht los waarin alle fysieke grenzen worden opgerekt: mensen hangen in de lucht, worden tegen muren geplet, uit elkaar getrokken en vechten daarna in volle vaart weer door.

En dan is er ook nog een geheimzinnige cowboy met een gitaar die alles aan elkaar zingt. Of eigenlijk niet aan elkaar zingt, want in de goede traditie van veel Country- and Western en Folk-singers tot en met de vroege Dylan kun je zijn zang een groot deel van de tijd nauwelijks verstaan en als je die wel verstaat lijkt er, in de traditie van Dylan, een groot deel van de tijd geen touw aan vast te knopen. En dat is natuurlijk bewust zo gedaan.

Intussen is deze Lonesome Cowboy een parodie op de archetypische permanente vreemdeling, de indringer tegen wil en dank, indringer uit de meest existentialistische film noir en Western-plots  – alleen is het in deze voorstelling natuurlijk een sul, die patience speelt terwijl om hem heen de goegemeente bezig is achter elkaar aan te rennen of over elkaar heen te rollen, en hoogstens de andere personages af en toe drank in schenkt, om dan weer onverstoorbaar een lied aan te heffen. Een prachtige rol van Leonard Lucieer, die gewoon ook mooi zingt en gitaar speelt.

Eerst lijkt het alsof het alleen maar slapstick wordt, maar juist als de trucs uit uit de disciplines van beide regisseurs op stoom komen ga je ook meevoelen met de personages, hoe (opzettelijk) karikaturaal ze ook zijn: de zielige echtgenoot die wordt bedrogen, de echtgenote die intussen echt weet wat ze wil, en die haar geheime minnaar op zijn nummer zet als zijn minder fraaie kanten naar boven komen.

Behalve de onverstaanbare cowboy-liedjes zijn er alleen losse flarden tekst te horen uit de geparodieerde film noir, Westerns en Amerikaanse en Aziatische knokfilms. Talloos zijn ook de verwijzingen naar het oeuvre van de regisseur die al die genres ook zo fraai parodieerde, Quentin Tarantino. Het koffertje waarin het losgeld zit en waaruit licht komt zit ook in Tarantino’s Pulp Fiction en komt oorspronkelijk uit Robert Aldrich’ Kiss Me Deadly en in vechtscènes doet de vrouw des huizes (Lisa Groothof) doet niet onder voor Umma Thurman in Tarantino’s Kill Bill.

Ook de moderne tijd is de voorstelling binnengedrongen, letterlijk, in de vorm van een pakketbezorger, die vervolgens (letterlijk) niet weg te slaan is, en als een golliwog-pop een grimas blijft opzetten, een briljante rol van Tyrone Menig, die daarmee intussen een prachtige satire op karikaturale zwarte rollen in cartoonfilms speelt. Ook blijkt Tyrone Menig een virtuoze vechtsporter blijkt te zijn, die intussen met behulp van breakdance.  freerunning en een knap staaltje zwaardvechten iedereen die hem het huis uit wil hebben van zich af weet te slaan. Als hij dan tenslotte het veld lijkt te hebben geruimd, belt hij even later aan als pizzabezorger en begint het spel overnieuw.

Er wordt vaak aangebeld in deze voorstelling. En hoewel de personages van alles te verbergen hebben doen ze elke keer keurig de deur open. Dit staat misschien voor de korte aandachtspanne van de moderne tijd, zoals we inderdaad te geneigd zijn op elke prikkel uit de buitenwereld (in de tegenwoordige tijd de aandacht opeisende sociale media) ingaan in plaats van ons te blijven concentreren op onze eigenlijke prioriteiten. Ook als die prioriteiten zoals in deze voorstelling zijn: echtgenoot of echtgenote bedriegen, geld afpersen en rivalen en concurrenten uit de weg ruimen.

Spectaculair zijn ook het decor en de techniek. Hoe groot de chaos schijnbaar ook wordt, alles is tot de in de puntjes uitgedacht. Zou trouwens niet anders kunnen, alles moet tot op de millimeter kloppen, anders gebeuren er ongelukken.

YouTube trailer:
https://www.youtube.com/watch?v=oBz

Knock-out, Jakop Ahlbom Company en ISH Dance Collective, gezien 15 september, DeLaMar theater Amsterdam.

Regie: Jakop Ahlbom
Choreografie: Marco Gerris
Fotograaf: Bart Grietens
Spel: Lisa Groothof, Patrick Karijowidjojo, Leonard Lucieer, Tyrone Menig, Freek Nieuwdorp, Arnold Put, Bodine Sutorius
Muziek live: Leonard Lucieer

Fotografie: Bart Grietens scènefotos, Leon Hendrickx publiciteitsfoto’s.

Knock-out, nog t/m 26 september in theater DeLaMar.