Geen categorie

De maagd van Tsjakovski

Tekst: Neil van der Linden

Tchaikovsky voltooide De Maagd van Orleans in 1879, hetzelfde jaar waarin zijn vorige opera Eugen Onegi, in première ging. Maar De Maagd van Orleans heeft het succes van Eugen Onegin nooit geëvenaard.

Agnes Sorel (1422-1450), Maitresse of Charles VII of France, portrayed as Madonna by Jean Fouquet (1420-1481) copy.png

Theater voorstelling- ‘Jeanne d’Arc’, lyrisch drama door Jules Barbier (1825-1901), muziek door Charles Gounod (1818-1893). Parijs, Théâtre de la Gaîté. Gravure in ‘Le Monde Illustré’ nr. 868 van 29 november 1873..jpg

Tchaikovsky schreef het libretto zelf, deels naar Friedrich Schillers toneelstuk Die Jungfrau von Orleans uit 1801, dat onder meer Verdi en Gounod had geïnspireerd, laatstgenoemde voor balletmuziek bij een toneelstuk, Jeanne d’Arc van Jules Barbier uit 1873 dat Tchaikovsky ook kende.



Om een psychologisch conflict in te kunnen bouwen had Schiller een personage toegevoegd, Lionel, bij Schiller een Engelse officier tegenover wie Jeanne op het slagveld had gestaan, waarna de twee verliefd op elkaar werden.

Opmerkelijk: Tchaikovsky liet de Engelsen helemaal weg, maar handhaafde Lionel en maakte van hem een Bourgondische officier; de Bourgondiërs kozen in de Honderjarige Oorlog de kant van de Engelsen, en Lionel werd daarmee naast vijand tevens landverrader. (Bourgondië-expert Bart van Loo: “Het is 1430. Karel VII, erfgenaam van de Franse troon, moet het opnemen tegen de Engelse koning Hendrik V die gesteund wordt door de Bourgondische hertog Filips de Goede. Dat kamp is aan de winnende hand. Parijs en grote delen van Noord-Frankrijk zijn bezet. Maar dan krijgt Karel VII hulp uit onverwachte hoek: Jeanne d’Arc verschijnt op het toneel!”)

Ik ben kwijt hoe het bij Schiller zat maar bij Tchaikovsky gaat het niet zozeer om de romance, maar om Jeannes psychologisch strijd. Haar mystiek-patriottische zelfbeeld wordt aan het wankelen gebracht door de aantrekkingskracht van een man, een vijand en landverrader nota bene. Vervolgens wil het volk, dat haar eerst adoreerde, bloed zien. NB Tchaikovsky begon aan deze opera net niet lang nadat zijn huwelijk met Antonina Miliukova was afgebroken, toen zijn – homoseksuele – gevoelens niet in overeenstemming bleken met wat zijn omgeving, en hij zelf, van hem verwachtten.

Jeannes liefdesperikelen en de erop volgende scènes waarin het Franse volk zich tegen haar keert zijn muzikaal én dramatisch toch erg sterk, en dat zijn ook in de regie van Dmitri Tcherniakov de overtuigendste passages. Tcherniakov construeert de opera als een reeks
flashbackswaarin Jeanne, in de rechtszaal, haar leven aan zich voorbij ziet trekken. Dat wringt soms, bijvoorbeeld als in het begin het vrouwenkoor zingt dat het bloemen komt brengen en we alleen het interieur van de rechtbank zien. Dat het Jeanne’s hallucinaties zijn, zoals de boven het podium geprojecteerde teksten aangeven, werkt aanvankelijk toch niet overtuigend.

Er is al veel geschreven over het decor, dat een jaar kostte om te bouwen. Het kan de rechtszaal verbeelden, maar ook een kerkinterieur, en het koninklijk paleis, maar blijkbaar vooral Jeannes innerlijke belevingswereld. We zien haar dan ook de hele opera lang op het toneel.

Storend in dat concept zijn realistische details die de regisseur toevoegt, zoals de gevangenisbewakers en Lionel die sigaretten opsteken, een boodschapper die met een verfrommeld briefje opkomt en daar maar naar blijft staren, de minnares van de koning, Agnès Sorel, die met een potsierlijke handtas rondloopt en daaruit een zakdoek tevoorschijn haalt om het voorhoofd van de koning af te deppen.

Nog potsierlijker wordt het als ze, terwijl het bericht binnenkomt dat de Fransen aan de winnende hand zijn, demonstratief een makeup-spiegel uit haar handtas pakt en zich gaat opmaken. En waarom is Sorel uitgebeeld als een cliché-Russische platinablonde matrone in een tuttig mantelpak? De echte Sorel werd in haar tijd Dame de Beauté genoemd en was een wijze adviseur van de koning. Het is bekend dat de koning op zeker moment alle hoop had laten varen en de staatszaken verwaarloosde, totdat Jeanne redding kwam brengen.

Maar waarom krijgt de koning het uiterlijk van een slonzige dronkenlap (hij lijkt op Moessorgski)?
En ook al weten we dat Jeanne dochter van een schaapherder was, waarom heeft ze het hele eerste deel een slecht zittende bodywarmer aan, ook weten we dat Jeanne zich altijd als onaangepaste buitenstaander gedroeg. Of zijn deze zaken bedoeld om de zangers een houding te geven op het toneel? Wat ze geen van allen nodig hebben.

De grotere en kleinere andere rollen zijn zonder uitzondering meesterlijk bezet. Jeanne wordt fabuleus gezongen door Elena Stikhina. Nog intenser dan haar MadamaButterfly zes jaar geleden en vorig jaar
Suor Angelica alhier.

Allan Clayton als de koning en Nadezhda Pavlova als Agnès Sorel, ook geweldig. En Lionel met Andrey Zhilikhovsky, Jeanne’s vader Thibaut d’Arc en Een Engelenstem met Eva Rae Martinez, om er maar een paar te noemen.

Muzikaal staat deze voorstelling als een huis. Opvallend is de enorme klankrijkdom van koor en orkest, vanaf de verfijnde passages met fluiten in de ouverture (met een mooie rol van een solofluitist op het toneel) en adembenemende a capella passages tot overdonderen massa-scènes, die toch helder blijven klinken.

In het tweede deel gebruikt Tcherniakov veel minder tierelantijnen en vanaf het grote liefdesduet tot en met het slot ontstaat een coherent geheel. Je gaat zowaar meevoelen met het gedoemde liefdespaar.


Indrukwekkend is ook de uitbeelding van de brandstapelscène aan het slot. Lionel is dan al neergestoken door de Fransen. Jeanne steekt vervolgens zelf een fakkel aan waarmee ze de rechtbank/ kerk/paleiszaal in lichterlaaie zet. (Een referentie aan Brünnhilde die aan het slot van Wagners
Götterdämmerungook zelf de brandstapel aansteekt? Wat Wagner misschien via Schopenhauer ontleende aan het Hindoe-Sati-ritueel, de historische praktijk van de weduwe-zelfverbranding op de brandstapel van de overleden echtgenoot; en ja, Tchaikovsky had in 1876 in Bayreuth de eerste complete Ring gezien.)



Muzikale leiding  Valentin Uryupin
Regie en decor  Dmitri Tcherniakov
Jeanne d’Arc  Elena Stikhina
Koning Charles VII  Allan Clayton
Agnès Sorel  Nadezhda Pavlova
Dunois  Vladislav Sulimsky
Lionel  Andrey Zhilikhovsky
De Aartsbisschop  John Relyea
Raimond  Oleksiy Palchykov
Thibaut d’Arc  Gábor Bretz
Bertrand / Lauret  Patrick Guetti
Een Engelenstem  Eva Rae Martinez
Minstreel  Tigran Matinyan
Nederlands Philharmonisch
Koor van De Nationale Opera
Instudering Koor  Edward Ananian-Cooper
Coproductie met Metropolitan Opera New York
Foto’s Marco Borggreve.


Gezien 15 november De Nationale Opera en Ballet Amsterdam


Elena Stikhina vorig seizoen in Suor Angelica

https://www.youtube.com/watch?v=7PMs8HSkEs0




Zes jaar geleden in Madame Butterfly

https://www.youtube.com/watch?v=5vjUhlctJhc



Promotieclip voor deze productie

https://www.youtube.com/watch?v=vhcQ5Uz1WWE



Historische opname

https://open.spotify.com/album/1qFp8LBLx8bTDIa5hehob6?si=aT7mswZQSk-wST46kV7jug



Muzikale leiding Valentin Uryupin
Regie en decor Dmitri Tcherniakov
Kostuums Elena Zaitseva
Licht Gleb Filshtinsky
Gevechtschoreografie Ran Arthur Braun
Dramaturgie Tatiana Werestchagina

Jeanne d’Arc Elena Stikhina
Koning Charles VII Allan Clayton
Agnès Sorel Nadezhda Pavlova
Dunois Vladislav Sulimsky
Lionel Andrey Zhilikhovsky
De Aartsbisschop John Relyea
Raimond Oleksiy Palchykov
Thibaut d’Arc Gábor Bretz
Bertrand / Lauret Patrick Guetti
Een Engelenstem Eva Rae Martinez*
Minstreel Tigran Matinyan

* De Nationale Opera Studio

Nederlands Philharmonisch

Koor van De Nationale Opera
Instudering Koor Edward Ananian-Cooper

Coproductie met Metropolitan Opera New York

Muziek en libretto Pjotr Iljitsj Tsjaikovski Nederlandse Opera Persfotografie: Marco Borggreve Muzikale leiding Valentin Uryupin Regie en decor Dmitri Tcherniakov Kostuums Elena Zaitseva Licht Gleb Filshtinsky Gevechtschoreografie Ran Arthur Braun Dramaturgie Tatiana Werestchagina Jeanne d’Arc Elena Stikhina Koning Charles VII Allan Clayton Agnès Sorel Nadezhda Pavlova Dunois Vladislav Sulimsky Lionel Andrey Zhilikhovsky De Aartsbisschop John Relyea Raimond Oleksiy Palchykov Thibaut d’Arc Gábor Bretz Bertrand / Lauret Patrick Guetti Een Engelenstem Eva Rae Martinez* Minstreel Tigran Matinyan * De Nationale Opera Studio Nederlands Philharmonisch Koor van De Nationale Opera Instudering Koor Edward Ananian-Cooper Coproductie met Metropolitan Opera New York

toneelstuk, Jeanne d’Arc van Jules Barbier uit 1873 dat Tchaikovsky ook kende.










Gezien 15 november De Nationale Opera en Ballet Amsterdam

Elena Stikhina vorig seizoen in Suor Angelica:

Zes jaar geleden in Madame Butterfly

Promotieclip voor deze productie

Historische opname

Capriccio by Richard Strauss: leave it to Carsen and everything will be fine

Richard Strauss and his fellow librettist Clemens Kraus gave Capriccio the subtitle “Konversationsstück für Musik”, which is exactly what it is: a long conversation. The subject of the endless conversations and discussions between the main characters is as old as the world itself:
which is more important, music or words? And it goes on and on, and on and on…

I have never been able to muster the patience to listen to it all the way through; for me, there was far too much chatter and too little action. Even the lovely sextet at the beginning of the opera felt too
long-winded to me. Anyway, you’ve probably realised by now that Capriccio is not one of my
favourite operas. And yet, even I had to give in! Although I must admit this was not wholly due to the music – which vies for the palm of honour with the libretto – but much more to the excellent singers.

And the direction: Carsen is very much like a magician: he would be able to transform even the dullest phonebook into a breathtaking thriller!

He moved the action to Nazi-occupied Paris in 1942, the time when the opera was first written. The entire Palais Garnier serves as the backdrop, including the majestic staircase, the long corridors and the boxes in the auditorium. I assume that video technology was used, but I don’t really understand it.

So I watch with bated breath as the Countess looks admiringly from her box at her alter ego singing on stage. A truly ingenious idea for the final scene, in which she originally had to sing her long final monologue in front of the mirror.

The final scene of the opera:




At the beginning of the opera, it is mentioned that the text and the music are like brother and sister, and likewise, the two rivals, the composer Flamand and the poet Olivier, end up sitting peacefully and brotherly together in the opera box, looking fondly at their joint creation: a symbiosis of words and notes: an opera!

The Count (Dietrich Henschel) and Countess (Renée Fleming) in their Garnier box. DVD screenshot © 2004 Opéra National de Paris



It is hard to imagine a better Madeleine than Renée Fleming. With her endless legato, her round, creamy soprano and (not least) her stage presence, she portrays the Countess with narcissistic traits: beautiful, self-aware, aloof and highly admirable. Her brother, played by Dietrich Henschel, is her equal, and although he does not physically resemble her, his little traits betray the family ties.

It is difficult, if not impossible, to choose between the two gentlemen in love, because both Gerald Finley (Olivier) and Rainer Trost (Flamand) look very attractive in their smart suits, and there is nothing to criticise in either their voices or their acting.

Franz Hawlata is a phenomenal La Roche, and the delightful Robert Tear plays an entertaining Monsieur Taupe.



Anne Sofie von Otter is unrecognisable as the “diva” Clairon – whose big entrance, accompanied by a Nazi officer and with great fanfare, evokes memories of the great actresses of the 1940s.

Anne Sofie von Otter as Clairon with her companion. DVD screenshot © 2004 Opéra National de Paris



The direction is so brilliant that you simply forget that this is an opera and not the real world. Everyone moves and acts very naturally, and the costumes are dazzlingly beautiful. Were it not for the occasional prominent appearance of Nazis, one could imagine oneself in a utopian world of serene tranquillity.


Did Richard Strauss’s world look like this back then? Perhaps that was the message? I’ll leave the conclusion up to you.

Margaretha van Oostenrijk, politiek genie en maecenas van de kunsten.

Tekst: Neil van der Linden

Cappella Mariana en Capriccio Stravagante met Cipriano de Ro

Een tijd geleden had ik geschreven over de kopieën die werden gemaakt van werken uit de verzameling geestelijke muziek verzameld door Margaretha van Oostenrijk (voor gebruik als koorboek in de Mirakelkapel tussen de Amsterdamse Kalverstraat en het Rokin (rond 1900 op last van de Hervormden om plaats te maken voor… een winkelcentrum, met tegenwoordig ook het Martelmuseum).

Margaretha (1480-1530) was de tante van Karel V die nadat zijn vader Filips de Schone in 1506 was overleden optrad als landvoogdes van de Nederlanden tot Karel (geboren 1500) oud genoeg zou zijn. (Zijn moeder Johanna van Castilië alias Johanna de Waanzinnige, officieel de troonpretendent, was zowel door haar vader Ferdinand II van Spanje, haar echtgenoot Filips en door haar zoon Karel in een klooster opgesloten, hoewel ze volgens sommige bronnen helemaal niet zo waanzinnig was; ze zat politiek in de weg, want anders was misschien de unie tussen de Habsburgse landen Oostenrijk, de Bourgondische zij het nu formeel ook Habsburgse Nederlanden enerzijds en Spanje anders weer uiteengevallen.)

Margaretha was een uitmuntend bestuurder. Zonder haar zouden Nederland en België misschien niet meer als zodanig hebben bestaan. En ze wist dat mede te bereiken door vrede te bewaren. Én ze was een grootse beschermvrouw van de kunsten, met smaak. Zo verzamelde ze muziek van vooraanstaande componisten, zoals zes missen van Pierre de la Rue en één van Matthaeus Pipelare. Die zijn te vinden in het fraai uitgegeven Mechels Koorboek, vervaardigd in het atelier van meesterkopiist Petrus Alamire. 

Het Festival Oude Muziek liet de zeven missen uitvoeren door zeven ensembles. Ik was drie keer aanwezig, in de Pieterskerk. (Die kerk waar ik als scholier bijna dagelijks langskwam is nog eens vijfhonderd jaar ouder is dan Margaretha’s koorboek, toen Spanje nog grotendeels Arabisch was en niemand nog van de Habsburgers had gehoord.)

Enfin, in het koorboek zitten ook Nederlandstalige liederen zoals Het is volbracht van Gaspar van Weerbeke, een tegenwoordig minder bekende componist die, voor de verandering, zijn naam niet verfranste, en wiens carrière wel degelijk een hoge vlucht nam in Milaan en Rome.

Ik was bij Cappella Pratensis, Cappella Mariana en het Huelgas Ensemble.Cappella Pratensis zingt met het hele ensemble staande rond één partituur, in dit geval een kopie van bladzijden uit het oorspronkelijke koorboek. Dit is gebruikelijk bij dit ensemble en komt overeen met de uitvoeringspraktijk geregeld op afbeeldingen uit die tijd wordt afgebeeld.

De la Rues Missa de Feria was geschreven voor de ‘gewone’ doordeweekse dagen in het jaar, dus niet een dag vernoemd naar een heilige. Toch is deze mis geen routineklus geweest, integendeel. Er zit een knappe consequent doorgewerkte dubbele canon in, die je dankzij het lijnenspel in de zang goed kunt volgen. Intussen zong het ensemble tussendoor delen in het Gregoriaans uit de liturgie, waarbij het ensemble koos voor iets toch niet alledaags, het ‘feest’ van de onthoofding van Johannes de Doper, 29 augustus, vier dagen voor dit concert.

Het Huelgas Ensemble met Matthaeus Pipelare

Na afloop liet artistiek leider Tim Braithwaite de passage uit een oorspronkelijk koorboek zien waarop bij het begin van een Gotische ‘notenbalk’ een plaatje was getekend van die onthoofding. Interessant was ook dat delen van de Gregoriaanse liturgie met geïmproviseerd contrapunt werden uitgevoerd, waarbij de zangers reageren op handgebaren van de tenor volgens authentiek-vijftiende-eeuwse gebarentaal, zo legde Tim Braithwaite uit.

Cappella Mariana uit Praag koester ik sinds ik kennis maakte met hun CD Praga Rosa Bohemiae, Music in Renaissance Prague uit 2019, met onder meer een erg fraaie uitvoering van de Missa Presulem Ephebeatum van Heinrich Isaac. Het ensemble heeft een prachtige klankkleur door een uitermaate geslaagde vermenging van de timbres vrouwen- en mannenstemmen. Nu voerden ze De la Rues Missa de Sancta Cruce, gecombineerd met een chanson van Josquin en een motet van Alexander Agricola, beiden tijdgenoten van De la Rue. Zeer fraai, het timbre van het ensemble komt ook live tot zijn recht.

Het laatste concert uit de reeks was met het Huelgas Ensemble. Nog net onder oprichter Paul van Nevel, die binnenkort afscheid neemt. Uit Margaretha’s koorboek klonk de Missa Fors Seulement van Matthaeus Pipelare (ca. 1450-ca. 1515), een componist die bij wijze van uitzondering niet naar het zuiden afreisde, en gewerkt heeft in Dordrecht en Den Bosch (en misschien via een Maria genootschap met ongeveer leeftijdgenoot Jeroen Bosch in contact was). De mis is gebaseerd op Pipelares eigen zetting van het chanson “Fors Seulement”, een populaire melodie uit die tijd, ook gebruikt door onder meer De la Rue, Brumel en Ockeghem. De uitvoering was zoals we gewend zijn van het Huelgas Ensemble. Al was het wat betreft geïnspireerdheid niet het beste concert dat ik van het ensemble meemaakte.

De Cappella Mariana trad daags na hun Margaretha programma nogmaals aan, met een mis van nog een andere Vlaamse componist, Cipriano de Rore (1516 –1565), 63 jaar geboren na Pierre de la Rue en twee jaar oud toen De la Rue stierf. 63 jaar is ongeveer het verschil in geboortejaren tussen Mahler en Boulez. En ook al noemen wij dit allemaal ‘Oude Muziek’, in die tijd gebeurde er misschien wel evenveel in de muziek, en in de wereld, als tussen de jaren van Mahler en Boulez.

Cappella Mariana trad nu samen op met het instrumentale ensemble van Capriccio Stravagante. Hetzelfde ensemble als waarbij ik me de dag ervoor wezenloos had verveeld tijdens een instrumentaal concert met delen uit Michael Praetorius’ Terpsichore, omdat ‘dansmuziek’ (ook al was die geschreven als concertmuziek) zo stijfjes werd uitgevoerd. Maar nu vulden een zink, blokfluit en vier gambas en kistorgel harmonieus de polyfone zangstemmen van Cappella Mariana aan.

Al deze missen zijn nog niet op CD uitgebracht door de desbetreffende ensembles, al zijn er wel opnamen door andere ensembles, zoals die van Pipelares Missa Fors Seulement door The Sound and the Fury. In elk geval is er voor elk van de ensembles in dit festival werk aan de winkel.

Recentste CD van Cappella Pratensis, in de voorlaatste bezetting:

Feast of the Swan: A Renaissance Brotherhood at Table

Cappella Mariana: Praga Rosa Bohemiae, Music in Renaissance Prague

Huelgas Ensemble: Matthaeus Pipelare: Missa “L’homme armé”; Chansons; Motets Niet op Spotify

https://www.gramophone.co.uk/review/pipelare-missa-lhomme-arm%C3%A9-etc

The Sound And The Fury: Matthaeus Pipelare 1 met de Missa Fors Seulement

Over het Mirakel van Amsterdam en de Codex Occo aan de Kalverstraat.

Foto’s: © Neil van der Linden

Opera Zuid brengt Puccini’s debuut Le Villi met een proloog

Tekst: Peter Franken

Zondag 18 mei was een bewogen dag in Eindhoven waar veler ogen gericht waren op het spannende slot van het voetbalseizoen. Voor operaliefhebbers lag het centrum van aandacht echter in een buitenwijk van de stad waar het fraaie Parktheater is gelegen. Daar vond de première plaats van een nieuwe productie van Le Villi, voorafgegaan door de wereldpremière van Silenzio, speciaal gecomponeerd als introductie op Puccini’s eersteling. En hoewel de tenor ziek was werd het toch een zeer geslaagde middag.

Voor wie bekend is met de Puccini canon zal Le Villi ook bij eerste kennismaking bekend in de oren klinken. Het is een embryonale Puccini, vooruitwijzend naar wat uiteindelijk komen gaat. En dat veel meer dan zijn tweede opera Edgar. De draad wordt weer opgepakt met Manon Lescaut ‘and the rest is history.’

Het verhaal draait om de legende van de Villi, bosnimfen die ontrouwe mannen opwachten en meenemen in een dans tot de dood erop volgt. Zijn dood wel te verstaan, het zijn een soort wraakgodinnen.

De hoofdpersoon Roberto staat op het punt te trouwen met Anna, beiden kennen elkaar al sinds hun jeugd in hetzelfde dorp. Voor het zover is moet hij naar Mainz om een erfenis te incasseren die zijn kortelings overleden tante hem heeft nagelaten. Anna heeft hem met goedvinden van haar vader al geaccepteerd als arme jongen maar nu zal hij over een paar dagen in het dorp terugkeren als de rijkste van allemaal. Dat boeit haar niet echt, Anna ziet hem node gaan. Liefst zou ze met hem mee naar Mainz maar in plaats daarvan legt ze een paar bloemblaadjes in zijn koffer. Robert bezweert haar dat hij snel weer terugkomt maar zij wordt op voorhand wanhopig bij de gedachte dat dit niet zo zal zijn. En als hij wegblijft sterft ze aan een gebroken hart.

In een tussenspel wordt uitgebeeld wat er met Roberto in Mainz is gebeurd. Hij is in de klauwen gevallen van een courtisane die hem pas heeft laten gaan toen ze hem zijn hele vermogen afhandig had gemaakt. Nu keert Roberto terug, niet wetend dat zijn Anna inmiddels in overleden en haar vader Guglielmo Wulf de Villi heeft aangeroepen om haar te wreken.

En zo geschiedt, de nimfen laten hem zich dood dansen. Maar niet voor de schim van Anna is verschenen om het uit te leggen. Haar liefde is verkeerd in haat, het is om haar te wreken dat de Villi hem opwachten in het bos.

Voor de pauze ging alle aandacht uit naar de wereldpremière van Silenzio, een korte eenakter gecomponeerd door Karmit Fadael die samen met Rick van Veldhuizen ook verantwoordelijk was voor het libretto. Hierin komen we wat meer aan de weet over de gedachten van Anna. In Le Villi wordt ze kort na aanvang in de steek gelaten en verderop vernemen we dat ze is gestorven aan een gebroken hart.

Silenzio is bedoeld om dit ongelukkige personage wat dichter bij het publiek te brengen. De tekst is grotendeels in het Engels, hier en daar onderbroken door Italiaans. Vermoedelijk vanwege die Engelse tekst kreeg ik wat ‘Britten associaties’ bij de muziek. Het kabbelt voort met plotseling emotionele uithalen, zowel in de orkestpartij als door de sopraan. De choreografie in dit deel van de avond beperkte zich tot heen en weer lopen, daar was wellicht wat meer mee te doen geweest bijvoorbeeld door ondersteunende dansers in te zetten.

Want die waren er genoeg en in de ‘dansopera’ Le Villi zeer nadrukkelijk aanwezig. Het toneelbeeld was volledig op hen afgestemd: afhangende bijna witte dunne gordijnen rondom en in het centrum 12 afhangende cilinders van eveneens dunne stof in pasteltinten. Die waren groot genoeg om een persoon te omvatten en stevig genoeg om aan te hangen en acrobatische toeren mee uit te halen. Het resultaat was een zeer levendige uitbeelding van de kernscènes van de opera met als hoogtepunt natuurlijk die waarin Roberto zich dood moet dansen.

Het is niet ongebruikelijk om een verteller op te voeren die de twee delen aan elkaar praat door samen te vatten wat Roberto in Mainz is overkomen. Dat is een keuze en in deze productie werd geopteerd voor stil spel waarin we zien dat Roberto omringd wordt door mannen in stadse kledij en vervolgens in een hoerenkast terecht komt, zeer suggestief met veel rode belichting.

Vooraf werd aangekondigd dat tenor Denzil Delaere weliswaar ziek was maar beslist wilde zingen om zodoende de voorstelling te kunnen redden. Voor die rol haal je immers niet zomaar een vervanger in huis, daarvoor wordt Le Villi veel te weinig gespeeld. Delaere werd duidelijk gehinderd door zijn malheur maar wist door regelmatig een octaaf lager te zingen en zijn volume terug te brengen op één been het einde te halen.

Daar waar hij probeerde voluit te zingen kon ik horen dat hij een fraai timbre heeft en dan neem je al gauw genoegen met het feit dat zo’n man zich speciaal voor jou enorm staat te forceren. Compliment. Hopelijk is hij dinsdag weer bij stem, de tweede voorstelling in de reeks van 13 die over een maand eindigt in Den Bosch.

Anna’s vader Guglielmo werd vertolkt door bariton Ivan Thirion, vorige maand nog te horen als Albert in Werther in de Opéra de Wallonie. Zijn Guglielmo was van een heel behoorlijk niveau al had ik iets meer van hem verwacht.

De Portugese sopraan Silvia Sequiera is inmiddels in Nederland geen onbekende na haar televisieoptreden in het programma Aria. Voor operaliefhebbers is het Koningin Elisabethconcours natuurlijk relevanter waar ze in de laatste editie de finale wist te halen, ook uitgebreid op de telvisie te zien.

Sequiera heeft een grote stem en kan een orkest met gemak aan. Hoewel ik haar al veel verschillend repertoire heb horen vertolken waarin ze er blijk van gaf heel ingehouden te kunnen zingen vind ik haar op zijn mooist als ze de emoties van haar personage de vrije loop laat en daar was in Le Villi duidelijk ruimte voor, veel meer dan in Silenzio.

Sequiera heeft als Anna een fantastische binnenkomer met ‘Se come voi piccina io fossi’ waarmee ze de rij van Puccini heldinnen opent die het einde van de avond niet zullen halen. Met deze aria geeft de componist zijn visitekaartje af, het is de stijl waar we geheel en al mee vertrouwd zullen raken, met Liu als laatste exponent. Sequiera gaf een fraaie vertolking van dit topstuk en was ook later zeer goed op dreef al moet ik stellen dat ze in de ‘Elisabeth finale’ een betere indruk wist achter te laten.

Dreya Weber voerde de regie en was verantwoordelijk voor de choreografie. Weber zag ik eerder in de productie bij Opera Zuid van Midsummernight’s Dream als luchtacrobate. Daar staat ze om bekend en dat is duidelijk bepalend geweest voor de opzet van deze voorstelling. Haar aanpak heeft echter zijn beperkingen zoals bleek uit het statische concept voor Silenzio waarin ze haar grote troef niet kon uitspelen.

Kostuums, kap&grime kwamen voor rekening van Marrit van der Burgt, decor- en lichtontwerp van Bretta Gerecke.

Karel Deseure had de muzikale leiding en wist met Philzuid een mooie uitvoering te geven van de eerste uitvoering van Silenzio. In Le Villi liet hij het orkest met een onvervalste Pucciniklank spelen, heerlijk om naar te luisteren. Het theaterkoor van Opera Zuid leverde eveneens een bijdrage aan het muzikale succes van de voorstelling.

Foto’s van de productie: ©Joost Milde

IPHIGÉNIE EN AULIDE




Ik ben geen echte Gluck-fan – zijn opera’s zijn me vaak te statisch en te ‘klassiek’ van vorm. Soms bekruipt mij het idee dat bij hem de tijd even stil heeft gestaan. We hebben immers al Monteverdi en een beetje Mozart gehad?

Maar ik kan niet ontkennen dat hij een meester was in het scheppen van sfeer – meestal verstild, dat wel – die tot de diepste roerselen van je ziel kon reiken. Veel van zijn melodieën kunnen je ook niet onberoerd laten: denk alleen maar aan de twee overbekende aria’s uit Orfeo ed Euridice, daar komt een beetje gevoelsmens niet droog doorheen.

Glucks grootste verdienste was echter het wakker schudden van de ingeslapen Franse opera. Men kwam toen niet verder dan Lully en Rameau; voor de Fransen betekenden de opera’s van Gluck hun eerste revolutie.

Het ging natuurlijk niet van harte, maar ja, zo gaat dat met revoluties. Zelfs (of misschien juist?) de culturele. En de Fransen waren strijdvaardig en fel: was de oorlog tussen de Lully- en Rameau-aanhangers eindelijk geluwd, nu kwam het tot de uitbarsting tussen de aanhangers van Gluck en Niccola Piccinni.

Beide componisten hadden net een opera over Iphigeneia gecomponeerd en dat heeft de massa’s de straat op laten gaan (hier een zucht: ik zou er heel wat voor over hebben om dat soort straatrellen en demonstraties nog mee te kunnen maken, maar dit terzijde).

Iphigeneia en haar lotgevallen zijn de hoofdthema’s van twee opera’s van Gluck. Ik weet eigenlijk niet of ze inderdaad bedoeld waren als een tweeluik, maar logisch is het wel. Het ‘Aulide’-deel vertelt hoe ze bijna geofferd wordt aan Diana in de aanloop naar de Trojaanse oorlog. In deel twee leren we hoe het haar verder verging in het barbaarse Tauris

De première van Iphigénie en Aulide in 1774 schijnt een fiasco te zijn geweest. Men schreef het op het conto van de bovengenoemde componistenstrijd, maar of het waar is?

Ik heb de opera maar één keer live gehoord en ik bezit er maar twee opnames van. Niet echt veel, nee. Maar ik moet ook eerlijk bekennen dat de muziek, afgezien van een paar aria’s (het lamento van Clytamnestra!), mij weinig bekoort.

JOHN ELLIOT GARDINER

Veel keuze is er niet, maar is het eigenlijk erg? Met de lezing van John Eliot Gardiner haalt u alles in huis wat u nodig hebt. Zijn tempi zijn om te zoenen. Met een rustig begin van de ouverture (windstilte!) gaat Gardiner over tot een kleine woede uitbarsting. Met het begin van de monoloog van de gekwelde Agamemnon (een fenomenale José van Dam, daar komt niemand in de buurt!) gaat hij over naar meer bedaardheid, maar je voelt de onderhuidse spanning.

Anne Sophie von Otter is een mooie Clytemnestre, maar ik mis de woede. Toch klopt het in de opvatting van Gardiner, waar alles ingetogen en klein wordt gehouden. Daar is de zeer kleine, heel erg meisjesachtige stem van Lynne Watson (Iphigénie) helemaal op zijn plaats. En daar past een lieve, weinig macho Achille van John Aller perfect bij.

De opera werd een tijd geleden heruitgebracht in een doosje met 4 cd’s, waar u behalve Iphigénie en Aulide ook Glucks onbekende werken La Rencontre imprévue ou Les Pèlerins de la Mecque en Don Juan ou Le Festin de pierre kon vinden (Erato 2564 69562-0). Helaas is het doosje ook al uit de handel…

KARL BÖHM

Karl Böhm dirigeert precies zoals we het van hem verwachten: breedvoetig, maar met flinke tempi. Het Wiener Philhamonieker klinkt zoals een groot orkest hoort te klinken. Met veel volume, maar ook met een scala aan nuancen.

Ik denk dat de opname een gruwel kan zijn voor de puristen, want er is niets, maar dan ook niets idiomatisch aan. Om te beginnen wordt er in het Duits gezongen. De stemmen zijn groot, soms best zwaar. Christa Ludwig (Iphigenie) is allang geen meisje meer en Achille is met een stem als een kanon (James King op zijn best) een krijger zonder weerga.

Walter Berry is een zeer ontroerende Agamemnon, maar wat de opname echt bijzonder maakt, is Inge Borkh’s Klytämnestra. Als je daar onberoerd onder blijft, heb je geen hart.

De opera is in 1962 live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Orfeo d’Or 428962).

Hieronder zingt Inge Borkh ‘Du zum Tode bestimmt’:

Iphigenie in Amsterdam:

Bevenuto Cellini by Berlioz

Bust of Benvenuto Cellini, by Raffaello Romanelli (1901), at the centre of the Ponte Vecchio, Firenze, Italy. Photo by Thermos.

Benvenuto Cellini was a 16th-century Italian artist considered the representative of Mannerism. He was a sculptor, silversmith, writer and musician, clearly an example of the ˜uomo universale.”

We know from his memoirs that he was no sweetheart: he is portrayed as a self-assured, egotistical man who was not averse to sexual excesses and who had lots of affairs, both with women and with men. That he also did not treat his fellow man with the utmost decency was forgiven from higher up: after all, he was a gifted artist.



Why exactly did Berlioz choose Cellini for his first opera? Perhaps he thought he had found a new Don Giovanni and thus created a new masterpiece?



The premiere of the opera in Paris in September 1838 was a flop. For the revival a year later, Berlioz made some changes, but to no avail. Later, for a performance in Weimar in 1852, he made another shorter version of his work, on the advice and in collaboration with Liszt and Von Bülow.


CD’S



Colin Davis, one of the greatest advocates of Berlioz’s music, recorded the opera in 1972. For years, the recording (Philips 4169552) was regarded as the example of how it should be done. It took more than 30 years before it met a formidable opponent in John Nelson’s registration (once Virgin Classics 54570629).



Whichever of the two you choose: the orchestra is fine and both conductors are a match for each other. Nelson is perhaps a bit brighter while Davis is more into lyricism.

Can you imagine a better Cellini than Nicolai Gedda (Davis)? One would say not. I thought so too. Until recently, at least, because Gregory Kunde comes pretty close.

I love Kunde’s slim, agile yet firm tenor. His high notes are produced so easily that you’d almost think he was rehearsing a shopping list. And then his power… What a voice, what a singer! Incredible that the record companies ignored him for so long. He almost didn’t participate in this recording either: he replaced Roberto Alagna.

Jules Bastin (Balducci with Davis) was matched by Laurent Naouri. I personally prefer the second, but that’s personal.

The choice for my favourite Ascanio is quickly made: even Jane Berbié (Davis) has to concede superiority to Joyce DiDonato (Nelson). Just listen to her ˜Mais quai-je donc”. No, not everything was always better in the olden days!


But Nelson has more to offer, should you feel the need: the score is more than complete, as he combines both Paris versions and adds another appendix with a whopping 15 minutes of additional music.


Below is the trio ‘Ô Teresa’, sung by Gedda, Eda-Pierre and Massard under Colin Davis:




And by Kunde, Ciofi and Lapointe under John Nelson:



Nelson’s recording is officially off the market, but you can find it on Spotify:


And then there is Colin Davis II. In 2007, he once again ˜dusted off” the opera, resulting in several cuts in the dialogues. Cellini and Teresa’s duet from the second act also had to go. The live performance from Barbican Hall was released on two SACDs on London Symphony Orchestra’s own label (LSO Live 0623).

I find the result satisfactory, but a little too polished for me. Gregory Kunde once again shows what a great singer he is: for him alone, the recording is more than worthwhile. I am less pleased with Laura Claycomb (Teresa) and the other singers do not really appeal to me either.





DVD’S


Salzburg 2007



Presented in Salzburg in 2007, Benvenuto Cellini was subsequently recorded for DVD (Naxos 2110271). The production is great fun. It contains all sorts of things that makes one laugh: commedia dell’arte, comedy theatre, a pope accompanied by dancing blonde drag queens, a helicopter, robots as house servants, a madonna as a naked angel with wings… You name it and it’s there.
It starts off in quite a nice way: Rome, carnival, fireworks… Almost Fellini-like. The whole thing is set in a ˜world of once upon a time”. The Wizard of Oz is not far away. Yes, director Philipp Stölzl knows his film classics! Beautiful, yes. Funny? Yes. Logical? No. The audience is overenthusiastic, I am not.

There is good singing without any question, though I don’t really get excited. Burkhard Fritz (also a substitute, this time for Shicoff) at the time still had both feet firmly in the heavier belcanto repertoire, but he lacks charisma.

You can leave the latter to Maija Kovalevska. She is beautiful and slender (an indispensable requirement these days, it seems) and has a ditto voice. She is a good actress too. What she lacks is the ˜typical characterization” needed for this role. Without it she sounds like just one of many beautiful slender sopranos from Eastern Europe.
Terr
Whether Valery Gergiev is the appropriate conductor for this work I doubt. He makes a lot of noise, like heavy fireworks. At the start of the overture, I thought for a moment I was in the middle of one of the Bruckners.

Below is the trailer of the Salzburg production:



Amsterdam 2015



It’s still not really my kind of opera but I enjoyed Terry Gilliams’ 2015 Amsterdam production so immensely that I visited the show several times.

I can sum up the lavish, rich production in one word: whirlwind. Cellini is one hell of a role, but leave it to John Osborn! Just listen to his ˜La gloire était ma seule idole”, wow!

Mariangela Sicilia is a fantastic Teresa. Her light soprano seems created for the role but it is mainly thanks to the fantastic persona direction and the unimaginably good orchestral accompaniment by Sir Mark Elder that she is able to make the role her very own.

Laurent Naouri (Fieramosca) is a delicious schemer. What a voice and what an actor! Michèle Losier is a superb Ascanio, Maurizio Muraro an excellent Balducci and Orlin Anastasov a fine Pope.

In the innkeeper scene, it is Marcel Beekman who steals the show with his irresistible performance as Le Cabaretier, but the smaller roles of Bernardino (Scott Conner), Francesco (Nicky Spence) and Pompeo (André Morsch) are also more than excellently cast.

François Roussillon’s video direction is excellent. He highlights all the important details without losing sight of the whole. As a result, you can perfectly see what really good direction does for an opera. Also note the more than excellent chorus: each chorus member is an individual character.



Those who were not there can now catch up on a missed opportunity. For those who did attend: this DVD is a lasting memory of one of the finest DNO productions ever.










 

Powder her face van Thomas Adès is een must voor elke operaliefhebber

Tekst: Peter Franken

Georges Seurat, 1889-90, Jeune femme se poudrant (Young Woman Powdering Herself), oil on canvas, 95.5 x 79.5 cm, Courtauld Institute of Art.jpg

Deze kameropera had première in 1995 en maakte van componist Adès op 24 jarige leeftijd op slag een beroemdheid in de muziekwereld. Het libretto is gebaseerd op het onstuimige leven van Margaret Campbell die in de jaren ’30 en ’40 met haar scabreuze levenswandel een centrale figuur was in de Londense High Society.

Dankzij haar grote geërfde vermogen kon ze zich vrijwel alles permitteren en toen haar eerste huwelijk op de klippen was gelopen werd ze een aantrekkelijke partij voor de libertijnse Duke of Argil die in haar een mogelijkheid zag om zijn in verval rakende familiekasteel te restaureren. Voor de verandering hier eens de man als golddigger.

Doordat ze nu officieel in adellijke kringen figureert wordt er enerzijds meer op haar gelet maar is ze anderzijds nog meer de lieveling van de boulevardpers dan voorheen. Geruchten gaan over haar talloze minnaars waaronder veel homofiele mannen.

Begin jaren ’60 duiken er foto’s op die zijn gemaakt met een Polaroid camera waarop ze, slechts gekleed in haar onafscheidelijke parelsnoer, een man oraal bevredigt. Zijn hoofd is niet te zien en er komt een geruchtenstroom op gang over zijn identiteit. De minister van defensie is een van de kandidaten.

Nadat een hotelbediende met het verhaal kwam dat ze door hem was verleid was er geen houden meer aan voor Margaret. Dit komt in de opera terug als nagespeelde scène waarin ze roomservice laat komen. Terwijl ze die man voor de deur laat wachten krijgt ze al masturberend een orgasme en zegt vervolgens heel laconiek: ‘Come in’. Maar de opwinding is nog niet geweken en ze zet net zo lang door tot ze de hotelbediende in de badkamer kan pijpen.

Al die onthullingen zouden het kantelpunt blijken in de society carrière van de Duchess. In plaats van haar stiekem te bewonderen vanwege haar rijkdom en vrije manier van leven werd ze het slachtoffer van een juridische lynchpartij. Gaandeweg verliest ze haar vermogen en moet zelfs haar huis verkopen.

Ze neemt haar intrek in een suite van het Dorchester Hotel en moet daar na een tijdje vertrekken omdat ze haar rekening niet wenst te voldoen. Net als Jim Mahoney in Mahagonny begaat ze de ultieme misdaad: ze kan niet betalen. De Duchess slijt haar laatste levensjaren in een verzorgingshuis.

MargHet libretto van Philip Hensher laat de Duchess ruimschoots aan het woord waardoor we als toeschouwer een goed beeld krijgen van hoe ze zichzelf altijd heeft gezien, tot op hoge leeftijd. Ze spreekt over haar enorme rijkdom en hoe men haar op een voetstuk plaatste. En er vervolgens enthousiast vanaf hamerde. Maar: no regrets.

De handeling speelt zich af in de suite van het Dorchester Hotel waar ze verblijft met haar enig overgebleven kamermeisje. Bij aanvang van de opera zien we deze bediende in de weer met een hotel elektricien die direct al de toon zet door gekleed als de hertogin een ‘pijparia’ ten beste te geven. Mevrouw komt binnen en kijkt er nauwelijks van op dat ze door het personeel wordt bespot. Zo ver is het al gekomen, maar vroeger……

Er volgen flashback scènes die haar leven volgen over een periode van een halve eeuw waarin de Duchess voortdurend zichzelf speelt en drie andere zangers in verschillende hoedanigheden optreden. Zo zien we het kamermeisje terug als confidante, maîtresse van de hertog, societyverslaggever en tv interviewer. De elektricien is een ‘lounge lizard’, hotelbediende die de was ophaalt en roomservice verzorgt en society fotograaf. De hotelmanager is tevens de hertog en de rechter.

In 1999 is de opera verfilmd, deel op locatie, door de Birmingham Contemporary Music Group onder leiding van Adès, en uitgebracht op dvd.

De muziek is zeer gevarieerd en sluit veelal aan bij de periode waarin bepaalde scènes zich afspelen of geacht worden plaats te vinden. Zo is er bij aanvang typisch vooroorlogse dansmuziek te horen als de elektricien het favoriete tijdverdrijf van de Duchess naspeelt.

Op andere momenten klinkt het atonaal als in Wozzeck en dan weer uitgesproken laatromantisch. Het 15 koppige orkest bestaat uit klarinet, saxofoon, koper, strijkers, slagwerk en accordeon, geheel in overeenstemming met de ballroom orkesten van yesteryear.

Mary Plazas in Almeida Opera’s 1999 production of Powder Her Face. Photograph: Tristram Kenton

Sopraan Mary Plazas zingt en acteert met veel verve. Wel nodig om je door deze toch wel atypische rol te kunnen slaan. Het lukt haar wonderwel en je ervaart afwisselend bewondering, medelijden en afkeer van haar personage. Hilarisch is haar vertolking van de ‘roomservice scène’ waar ze zich volledig instort. Daarmee geeft ze perfect invulling aan het libretto.

Tenor Dan Norman is een uitstekende elektricien en vertolkt ook zijn andere personages met overtuiging. Bas bariton Graeme Broadbent speelt zijn hertog en hotelmanager alsof het een en dezelfde persoon is, verder dan een lage stem en irritante grijns komt hij niet. Als hypocriete fatsoenrakker in de rol van rechter die onder zijn formele outfit met pruik een rok blijkt te dragen is hij echter leuk op dreef.

Muzikaal wordt het meeste gevergd van coloratuursopraan Heather Buck als kamermeisje die zich helemaal uitleeft in alle andere typetjes en een fantastische vertolking van haar moeilijke partij te beste geeft.

De opera is een rariteit maar zeer binnenkort in ons land op de planken te zien. De Reisopera gaat er mee op tournee met niemand minder dan Laura Bohn als de Duchess. Ze vertolkte die rol ook al in Oakland tijdens het West Edge Bay Area Summer Festival. Afgaande op de videoclips is ze een zeer goede keuze voor deze rol.

Roomservice fragment:

Laura Bohn: The Duchess of Argyll highlights

Thomas Adès door Thomas Adès: beter krijgt u het niet

Pianowerken van Thomas Adès: niet vanzelfsprekend maar zeer de moeite waard

Isabel Leonard geeft visitekaartje af in The Tempest van Thomas Adès

Les Troyens zonder de ster?

Tekst: Lennaert van Anken

Het Orchestre Révolutionaire et Romantique is al enige tijd bezig met een immens Berlioz project, waarin alle orkestrale werken van de componist worden uitgevoerd door de Brit Sir John Eliot Gardiner (80 jaar). Dit jaar toert het door hem opgerichte orkest en koor met het magnum opus van de Fransman: Les Troyens. Geen evidente onderneming, want naast de lengte van ruim vier uur, heb je een batterij eersteklas solisten nodig en ook de nodige aanvulling in de bezetting van dit orkest en koor. De tour ving aan op 22 augustus bij het Festival Berlioz in het kasteel van Lodewijk de 11de en sluit aanstaande zaterdag 3 september af in de Proms in Londen.

Maar niet met de dirigent, waar alles om draaide bij deze productie. De bas William Thomas vergiste zich namelijk bij het verlaten van het podium in de eerste voorstelling; hij had de verkeerde kant genomen voor zijn afgang (hoe erg kan het zijn). Na afloop verloor Mister Gardiner namelijk zijn decorum en sloeg Thomas in de coulissen op het gezicht (zo is in de overlevering medegedeeld), een intimiderende actie van de beroemde dirigent. Hij wijdde de oorzaak van zijn gedrag aan zijn nieuwe medicijnen, waardoor hij zijn agressiviteit niet kon bedwingen. Het is een treurig voorval, want als gevolg hiervan heeft hij (uiteraard) moeten besluiten zich terug te trekken uit zijn project.

Enigszins gehavend deed het gezelschap afgelopen zaterdag Salzburg aan, waar ik de bewuste voorstelling heb bij mogen wonen. De assistent-dirigent, Dinis Sousa, maakte hierdoor geheel onverwacht zijn internationale vuurdoop mee. Door het hele incident niet echt een prettige binnenkomer op de grootste concertpodia van Europa. Mogelijk dat ze kort hebben bedacht om een wat ervarenere vervanger te regelen, maar de vraag is dan wie die positie had kunnen vullen. Het treurige nieuws dat John Nelson – dé Berlioz specialist van dit moment – ongeneeslijk ziek blijkt te zijn, kwam deze week eveneens naar buiten.

Les Troyens gebaseerd op Vergilius’ Aeneas, ontstond aan het eind van het leven van Hector Berlioz. Maar als kind was hij al gefascineerd geraakt door het opus van de Latijnse dichter. Uiteraard schreef Berlioz ook het libretto van deze opera zelf. Toen de opera gereed was voor uitvoering, bleek het een hele onderneming om de opera op de planken in Parijs te krijgen. Het onderwerp was onvoldoende in de mode en daarnaast was Berlioz niet populair als componist. Zo zou het dus zelfs tot 1969 – ter ere van de 100-jarige sterfjaar van de componist – duren voordat de opera voor het eerst op één avond compleet uitgevoerd werd. Overigens, nog steeds niet in Parijs, maar wel in Covent Garden te Londen onder de leiding van Sir Colin Davis, dé grote Berlioz specialist in de tweede helft van de vorige eeuw. Met bijna geheel dezelfde cast werd in datzelfde jaar ook de eerste opname van het werk uitgebracht op LP bij het Nederlandse label Philips.

Sindsdien verovert de opera de podia van de grote operahuizen. Ook Salzburg produceerde de opera in de tijden dat Gerard Mortier daar de scepter zwaaide voor het eerst. En nu dus terug op de planken van het Grosses Festspielhaus in deze toerende productie van een gezelschap dat Berlioz’ muziek laat klinken op instrumenten uit zijn tijd en met het Monteverdi Choir. Hoewel de zaal van het Grosses Festspielhaus enkele plaatsen nog onbemand had gelaten, keek het aanwezige publiek gespannen uit naar een bijzondere avond, ondanks de afwezigheid van de Britse vedette.

De ietwat nerveuze Dinis Sousa kwam, zag en overwon. Na een korte buiging draaide hij zich snel en ongemakkelijk om, maar wat er daarna vanaf de eerste maten gebeurde was magisch. De hobo’s moesten blijven staan om in het openingsdeel al snerpend de muziek de zaal in te laten schallen. Het koor vervoegde zich snel hierbij, dat vanuit de coulissen binnenstormde. Wat meteen opviel was dat deze uitvoering uit en ten treure gerepeteerd was met koor en orkest, want zo’n goed spatgelijk zingend koor heb ik in Romantisch repertoire nog nooit eerder gehoord. Het niveau van het eerste deel was een voorbode voor een fantastische avond, uniek in het opera-aanbod in de gehele wereld.

Wat volgde was een opera traktatie van ruim vier uur prachtig gespeelde muziek, uitstekende zang en enerverende opera momenten. Met zeer minimale middelen (een canapé en wat dozen als enige rekwisiet) en inventieve op- en afgangen, had Tess Gibbs de avond voorzien van een scenische aankleding. Zeer effectief was het moment dat de vrouwen hun collectieve zelfmoord vocaal aankondigden (eind tweede akte, als de Grieken uit het Paard gekropen waren en de Trojaanse mannen aan het uitmoorden zijn): bijna het gehele vrouwenkoor zong op de plek waar normaal de solist staat, vóór het orkest. De power die dan de zaal in geslingerd werd, was weergaloos. Met dit soort simpele ingrepen trok het koor eigenlijk de hoofdrol naar zich toe van de gehele avond. Het welluidendste applaus was dan ook terecht voor het koor.

Niet dat de solisten niet goed presteerden uiteraard. Voor de eerste akte zong Alice Coote een fantastische Cassandra. Coote heeft een kloeke mezzo, dus met gemak hoogte en laagte combineert in haar zingen. Het meest indrukwekkende moment in haar rol was dan ook wel het moment dat het koor haar terzijde stond in de eerder genoemde zelfmoordscène. Haar geliefde, Chorèbe, werd door de eveneens fantastische Lionel Lhote gezongen. De Belgische bariton, die laatstelijk nog excelleerde in Henry VIII te Brussel, heeft een mooie krachtige bariton. Voor zijn extreem lyrische rol in Les Troyens dreigde hij wat ondergesneeuwd te worden door zijn geliefde, maar hij hield voldoende stand.

De derde solist met een noemenswaardig aandeel in het eerste deel was Michael Spyres, die de rol van Énée voor zijn rekening nam. Deze rol is één van de meest ondankbare rollen in het opera repertoire. Ten eerste is het in beide delen (Troyens is op te delen in een deel dat zich in Troje en een deel dat zich in Carthago afspeelt) een minder prominente rol dat dat van de vrouwelijke hoofdrollen. Ten tweede bevat de rol enkele nagenoeg on-zingbare passages. De entrée aria (“Du peuple et des soldats”) is te vergelijken met de entrée van Otello (van Verdi), maar dan minder berucht. Tevens bestaat de rol uit een duet in de vierde akte dat in zijn geheel sotto voce (met zachte stem) gezongen moet worden. Voor een Franse lichte tenor misschien gemakkelijk te doen, maar Berlioz had dus voor die eerste passage een heldentenor gevraagd en daarmee is zo’n duet feitelijk on-zingbaar. En dan tot slot de slotaria (waarin hij afscheid neemt van Carthago, omdat hij Rome moet gaan stichten), die wederom vraagt om een heldentenorstem, met nog eens een passage die tot ongekende hoogte reikt (hoge C, voor een heldentenor vrij hoog). Bijna onmogelijk om hier een goede zanger voor te vinden. Michael Spyres is nagenoeg de enige zanger die deze rol op dit moment kan zingen. Ook hij zingt wel op het randje van zijn kunnen, maar liet zich gelukkig niet van de wijs brengen. Beheerst loodste hij zichzelf door de moeilijke passages en zang op glorieuze wijze deze moeilijke partij.

In het tweede deel maakt na het prachtige openingskoor (“Gloire a Didon”) de koningin van Carthago haar entrée in een indrukwekkende aria (“Chers Tyriens”). De Ierse Paula Murrihy (bij DNO in 2015 Octavian in Der Rosenkavalier en Sesto in La Clemenza di Tito in 2018) heeft een wat lichtere mezzosopraanstem, ideaal geschikt voor de Hosenrollen. De rol van Didon vraagt naar mijn idee echter meer om een donkere mezzo, tegen de altstem aanliggend, maar wel met een volle klank in de hoogte. Voor mij past de stem van Murrihy dan ook niet goed bij de rol van Didon, maar ze heeft haar rol tot in de puntjes voorbereid, wat tot gevolg heeft dat ze met haar techniek en door slim en effectief haar stem in te zetten, slaat zij zich heel goed door de rol. Uiteindelijk weet ze hiermee terecht voldoende snaren te raken in het publiek, maar voor mij kwam ze net iets te kort.

De zangeres die de rol van haar zuster Anna voor haar rekening nam, Beth Taylor, had wel de stem voor de rol van Didon. Zij pakte het publiek in met haar innemende spel en zang en liet ons verlangen naar een geslaagde zusterruil, maar de vraag is of zij de zware rol van Didon wel tot een geslaagd einde zou hebben gebracht, want per saldo bevatte haar stem iets minder de nodige draagkracht voor die rol. Maar potentie heeft Beth Taylor zeer zeker wel.

De twee prachtige lyrische aria’s tijdens de derde (Iopas) en vierde akte (Hylas) voor lichte tenorstem werden vakkundig mooi gezongen door de Britse tenor Laurence Kilsby.

Tot slot uiteraard nog een woord over de bas William Thomas, het slachtoffer van het incident waardoor Gardiner voortijdig zijn aftocht moest blazen. Deze jonge lange zanger heeft een diepe bas die terecht was ingehuurd en terecht niet het toneel heeft moeten verlaten. Hij zong prachtig! Dat hij in de eerste akte ergens verkeerd afgelopen zou kunnen zijn, bevreemdde mij wel (hij kwam slechts één keer op in mijn herinnering), maar de tijd terugdraaien kan niemand. Het was gebeurd. Het incident leverde in ieder geval een prachtig Salzburg debuut op voor de jonge dirigent Dinis Sousa, die dan ook beloond werd met een zeer royaal ontvangst aan het einde. Een welverdiende staande ovatie, hetgeen niet vaak voorkomt in een plaats als Salzburg.

Les Troyens – Hector Berlioz – Grosses Festspielhaus te Salzburg dd 26 augustus 2023

De opera werd ook live op de Proms uitgevoerd en door BBC uitgezonden:

https://www.bbc.co.uk/sounds/play/m001q12k

Foto’s Marco Borrelli

Alma Quartet records all of Schulhoff’s string quartets. And how!



Woodcut by Conrad Felixmüller of the composer Erwin Schulhoff, Prague 1924. Lindenau-Museum, Altenburg, VG Bild-Kunst

Of all the composers covered by the term ‘Entarte music’, Erwin Schulhoff is the most complex.

Contrary to what various anthologies tell us, Schulhoff was never in Theresienstadt. Nor was he murdered in Auschwitz. The hybrid Czech composer who did not fit into any pigeonhole had simply been unlucky. The Russian citizenship he applied for came two days too late, so instead of being in the Soviet Union, he ended up in the Wülzburg concentration camp, where he died of tuberculosis in 1942.

From his early childhood, Schulhoff was fascinated by everything new. Heartily embracing dada and jazz, he also had a particular liking for the grotesque. His music crossed borders and genres – sometimes even those of a “good decency”.



No wonder his music cannot be labelled: within the oeuvre for string quartet alone, one will discover a huge variety of styles.

Except for his Divertimento op.14 and string quartet op.25, all the works played by the Alma Quartet were composed between 1923 and 1925. Both, highly rhythmic string quartets betray Schulhoff’s affinity with jazz – the second a little more than the first – and also with Czech folklore.


The 1923 ‘5 Pieces for String’ dedicated to Milhaud sound quite neo-classical. Each refers to a dance or a country. In ‘Alla Valse Viennese’, the “waltzes of Ochs” are shining through and in ‘Alla Tango Milonga’ one can only think of Argentina.



Of all the existing recordings of Schulhoff’s quartets so far, the one by the Petersen Quartet (Cappricio) was always dearest to my heart. I still love their performance, but now they have to acknowledge the superiority of their Amsterdam colleagues. Grandiose.



Huge kudos also to Vruchtvlees.com for the cover and box cover design. Not only very bright and cheerful, but also perfectly suited to Schulhoff’s music.



More Schulhoff:

Erwin Schulhoff: genres and music crossing borders

Music as ecstasy: Kathryn Stott plays Erwin Schulhoff

OPERA’S UIT ENGELAND: LES CONTES