Gastcolumns

Mascagni op zijn lyrisch: L’amico Fritz in Firenze

Tekst: Peter Franken

De handeling van deze korte toch wel gemoedelijke opera uit 1891 gaat ongeveer als volgt. Fritz is een rijke landeigenaar ergens in de Elzas die een regelrechte minachting koestert voor het fenomeen huwelijk. Niettemin is hij wel bereid om een bruidsschat op te hoesten voor een jong koppel dat gaat trouwen. Als Fritz zijn verjaardag viert krijgt hij een boeketje van Suzel, de dochter van een van zijn pachters. Als ze weg is raakt Fritz in gesprek met David, de plaatselijke rabbijn, die stelt dat Suzel een geschikte bruid is en hij voor haar een man zal zoeken.

Daarop volgt een discussie tussen Fritz en David waarin eerstgenoemde zijn mening over het huwelijk te berde brengt en het einde van het liedje is een weddenschap met als inzet een van Fritz’ wijngaarden. Die verliest hij aan David als hij alsnog in het huwelijksbootje stapt.

In een volgende scène ontmoeten Fritz en Suzel elkaar in een boomgaard. Fritz helpt haar bij het kersen plukken en ze zingen een duet over de lente en de bloemen, het ‘kersenduet’.

Als Fritz weg is komt David aan en praat met Suzel. Hij suggereert dat ze bruid zou kunnen worden en zij holt verlegen weg. Als David later Fritz vertelt dat hij denkt een goede man voor Suzel te hebben gevonden, raakt deze in verwarring. Hij realiseert zich als snel, dat hij verliefd is geworden op het jonge meisje. Als David kort daarna komt melden dat hij Suzel heeft gekoppeld aan een leuke rijke jonge man en dat haar vader hem om toestemming komt vragen, ontsteekt Fritz in woede en zegt dat te zullen weigeren.

Intussen is Suzel op Fritz verliefd en niet op haar onbekende aanstaande en na een paar verwikkelingen komt alles natuurlijk goed.  David heeft zijn weddenschap gewonnen en geeft de daarmee verkregen wijngaard als huwelijkscadeau aan Suzel. Let wel, er vallen geen slachtoffers in deze ‘romantic feel good opera’.

Het verhaal heeft een hoog ‘Bouquet reeks’ gehalte, denk aan oudere uitgaven van zo’n veertig jaar geleden. Maar daar trekt Mascagni zich helemaal niets van aan. Als Suzel het lot bezingt van de bloemen die ze heeft geplukt voor Fritz – gestorven in de hoop dat het iemand blij en gelukkig zal maken – is er zoveel hartstocht te bespeuren dat je zonder de tekst te kennen zou denken in een veristisch liefdesdrama te zijn beland.

En zo zijn er voortdurend briljante passages waarin de sub tekst de muziek volgt als een schaduw en wat er gezegd wordt nauwelijks nog van belang lijkt te zijn. Ja, de handeling moet voortgang hebben maar iedereen weet al direct hoe het gaat aflopen. Het is nauwelijks mogelijk om niet zo nu en dan flarden Cavalleria en Iris in de muziek te ontwaren maar het is toch vooral Mascagni die aan het woord is. Al kreeg ik tijdens de prelude tot de derde akte even het gevoel dat we op het punt stonden de Tweede Hongaarse Rapsodie van Liszt te zullen horen.

Opvallend is hoezeer Mascagni de geluiden die samenhangen met de handeling muzikaal weet uit te beelden. Met name het aankomende rijtuig in de tweede akte: geklak van een zweep en een duidelijke galop. De overgang van het meeslepende romantische Kersenduet naar de koets met vrienden had niet groter kunnen zijn: die twee worden duidelijk ruw gestoord in hun tête à tête.

In maart 2022 was er in Teatro del Maggio Musicale Fiorentina een door Rosetta Cucchi geënsceneerde voorstellingenreeks te zien. Op het label Dynamic is daarvan een opname op Blu-ray uitgebracht. Cucchi heeft de handeling verplaatst van ergens in de 19e eeuw naar (vermoedelijk) het San Francisco van einde jaren ’80. Dat Suzel rondloopt met een Walkman is een prima aanwijzing. Fritz is de uitbater van een wijnbar en tevens natuurlijk eigenaar van een aantal wijngaarden in Napa Valley. Voor zover mogelijk wordt het libretto verder vrij keurig gevolgd.

Decor en kostuums zijn van Gary MacCann en bevestigen het jaren ’80 beeld. In plaats van een rijtuig komen Fritz’ vrienden op in een golfkarretje. De handeling in de eerste en derde akte speelt zich af in een café met grote ramen waardoor ook het buitengebeuren in beeld kan worden gebracht. Het is een ‘half open doos’ die nogal laag en diep is wat minder goed werkt. Een doos is prima, een kijkdoos een stuk minder. In de tweede akte is deze ruimte gedeeltelijk ingericht als kantoor waar Suzel achter een bureau wat zit te typen met een Walkman op haar hoofd. Op de achtergrond zien we wijnvaten.

Suzel wordt vertolkt door de zeer charmante uit Georgië afkomstige sopraan Salome Jicia, heel goed gezongen en leuk ‘spontaan’ geacteerd. Het Kersenduet met Fritz gaat haar prima af. Tenor Charles Castronovo vervult de titelrol met verve al moet hij zo nu en dan een beetje forceren.

De rol van Beppe is geschreven voor een mezzo. Hij komt Fritz feliciteren met zijn verjaardag en kondigt zijn komst aan door op zijn viool te spelen. Die rol komt voor rekening van Teresa Iervolino, nogal mannelijk uiterlijk met een zeer vrouwelijke stem.

David laat Suzel het verhaal van Rebeccca navertellen om haar zodoende in de bruidsmodus te krijgen. Van beide kanten wordt dat leuk geacteerd waarbij Suzel bijna kinderlijk trots is op zichzelf.

Prima invulling van zijn rol door Massimo Cavaletti die later dat jaar als David zou inspringen in de Matinee voorstelling van Fritz in het Concertgebouw. Op zich wel een merkwaardig detail, die rabbijn als huwelijksmakelaar die erop gebrand is koppels naar ‘het altaar’ te brengen.

Riccardo Frizza heeft de muzikale leiding. Het levert een pakkende verklanking op van Mascagni’s bij vlagen exuberante partituur.

Foto’s van de productie © Michele Monasta/Maggio musicale fiorentino

Trailer van de productie:

Mimi Pinson oftewel La bohème van Leoncavallo

Tekst: Peter Franken

Henry Murger Illustration for the fiftieth anniversary of his death in: Le Petit Journal, France, Jan., 29, 1911

Zowel Puccini als Leoncavallo werkten eind jaren 1890 aan een opera gebaseerd op de roman Scènes de la vie de bohème uit 1849 van Henri Murger. Puccini maakte gebruik van een libretto dat was geschreven door Luigi Illica en Giuseppe Giacosa.

Leoncavallo schreef zijn eigen libretto en maakte daarbij heel andere keuzes voor zijn werk in vier aktes. Murger schreef min of meer op zichzelf staande korte verhalen, schetsen van het leven van bohemiens. In Puccini’s versie is daar wat samenhang in gebracht waardoor een doorlopende verhaallijn is ontstaan. Die is bij Leonvacallo duidelijk minder prominent.

De wereldpremière vond plaats op 6 mei 1897 in het Teatro La Fenice in Venetië, een half jaar na Puccini’s première en Leoncavallo’s Bohème is nadien altijd in de schaduw van het werk van zijn concurrent blijven staan, ook nadat de componist de titel ter onderscheid had veranderd in Mimi Pinson.

Opvoeringen zijn zeldzaam en in het reguliere circuit is er geen enkele opname op dvd van beschikbaar. De bekendste opname op cd is die onder Heinz Wallberg uit 1970 met Franco Bonisolli als Marcello, Alan Titus als Schaunard, Bernd Weikl als Rodolfo, Alexandra Milcheva als Musette en Lucia Popp als Mimi.

The Cafe Momus scene from an 1899 production of Leoncavallo’s La Bohème.

Uitbater Gaudenzio van cafe Momus probeert tevergeefs de bohemiens buiten te houden, aangezien ze nooit betalen en altijd de boel op stelten zetten. Marcello heeft een keer een naaktmodel meegebracht om daar te schilderen en Schaunard zingt te luidruchtig. De musicus belooft dat ze het deze keer, kerstavond, rustig zullen houden. Ze hebben geld en er komen chique dames mee.

Costume sketch

Mimi arriveert met Musette in haar kielzog, die heeft haar bankier die avond vrij gegeven. De meisjes zingen bij wijze van introductie over elkaar. Mimi hemelt Musette op die alleen maar voor de liefde leeft in ‘Ed ora, conoscetela’ en Musette bezingt de lieve blonde Mimi in ‘Mimi Pinson, biondinetta’.

Montserrat Caballé zingt ‘Ed ora, conoscetela’:

Uiteraard loopt alles uit de hand als men de aangerukte champagne, kreeft en andere luxe gerechten niet kan betalen uit een gezamenlijk vermogen van 2 francs maar de wat geheimzinnige rijkere heer Barbemuche die kennelijk uit is op enig contact met de ‘bohème’ biedt aan de rekening te betalen. Schaunard wijst dit van de hand maar om Gaudenzio toch aan zijn geld te helpen speelt hij met Barbemuche een partijtje biljart wat bij winst het benodigde bedrag moet opleveren. Barbemuche gaat in dit toneelstukje mee en verliest ‘eervol’. Iedereen tevreden.

Mimi en Rodolfo hebben bij aanvang al een relatie en in tegenstelling tot bij Puccini is zij hier nog normaal gezond. Marcello is gelijk helemaal weg van Musette en probeert haar te versieren. Later blijkt ze omwille van hem haar rijke geliefde te hebben verlaten.

Duet uit de eerste acte ‘Signorina Musette’.
Marcello: Mario Malagnini Musette: Martha Senn

Vanwege die ontrouw zet Musette’s minnaar haar aan de dijk en weigert nog langer haar te onderhouden. Met als gevolg dat Musettes meubilair is geconfisqueerd en direct door de conciërge naar de binnenplaats is gedragen. Maar die avond had ze net al haar vrienden uitgenodigd voor een feestje.

Schaunard, duidelijk het alter ego van Leoncavallo, weet daar wel raad op. Musettes piano staat inmiddels ook op de binnenplaats, zij het inmiddels een beetje ontstemd, en drank kan uit de waterput worden verkregen. Zo wordt het toch een gezellige boel, vooral dankzij de muziek natuurlijk. Een aardig detail is dat ergens een C en D tegelijkertijd worden aangeslagen om de indruk te wekken dat de D daadwerkelijk niet goed klinkt.

De buren, die uit hun slaap gehaald zijn, protesteren tevergeefs en het wordt een heel pandemonium. Barbemuche is ook aanwezig en heeft graaf Paul meegebracht. Die weet onopvallend Mimi over te halen met hem mee gaan, een luxe leven wacht haar, waarom hier blijven in armoede?

Ook Musette, die inmiddels bij Marcello is ingetrokken, houdt de armoe en vooral de honger en kou na een tijdje niet meer uit en wil bij hem weg. Mimi komt juist weer terug omdat ze nog steeds van Rodolfo houdt maar die vertrouwt haar niet meer. Zowel Marcello als Rodolfo reageren hun boosheid en frustratie op de beide meisjes af, ze kunnen maar beter vertrekken en nooit meer terugkomen. Het valt ook niet mee om als randfiguur je staande te houden, het bohemien bestaan berust grotendeels op bravoure, in werkelijkheid is het afzien.

José Cura zingt ‘Musetta! Testa adorata’ (live uit Budapest):

Dezelfde aria door Mario del Monaco:

Aan het eind staat Mimi plotseling bij Rodolfo en Marcello op de stoep. Ze was door graaf Paul verlaten en had geprobeerd haar bestaan als bloemenverkoopster weer op te pakken maar dat was niet gelukt, teveel concurrentie. Door kou en ondervoeding was ze ziek geworden en in het ziekenhuis opgenomen, maar vanwege gebrek aan geld daaruit voortijdig ontslagen.

Original set design sketch for the fourth act

Musette die op deze kerstavond, een jaar na het begin van het verhaal, even langs komt ‘for old times sake’ laat direct al haar juwelen verpanden om een dokter en medicatie voor Mimi te kunnen betalen. Het mag niet baten, Mimi sterft te midden van het groepje bohemiens.

In de orkestratie en regelmatig terugkerende muzikale wendingen herken je al snel Il Pagliacci., zonder dat dit overheersend is, meer het visitekaartje van de componist. Musette heeft hier de belangrijkste rol bij de vrouwen, Mimi horen we vooral in de eerste en de vierde akte. De derde akte draait voornamelijk om het mislukken van de relatie tussen Marcello en Musette, gewoon omdat je van liefde alleen nu eenmaal niet kunt leven. Musettes ariaatje ‘Mimi Pinson, biondinetta’ klinkt als een vrolijk nummer uit een operette.

Ermonela Jaho over ‘Mimi Pinson, biondinetta’:

en hier luistert zij naar  de opname van Rosina Storchio (1911):

In de derde akte klinkt Musette zelfs als een personage dat sterk doet denken aan Franz Léhar. Dat is echter niet bepalend voor de opera als geheel die als zeer degelijk overkomt en beslist minder steunt op effectbejag dan Puccini’s gelijknamige werk. Hoewel de mezzo feitelijk de show steelt is ook de partij van sopraan Mimi heerlijk om naar te luisteren, vooral natuurlijk in de lyrische vertolking door Lucia Popp.

Ik blijf uitkijken naar een live voorstelling of op zijn minst een opname op dvd. Echter met het beluisteren van een cd kom je natuurlijk ook al een heel eind. Gewoon een klassieke productie van Puccini’s Bohème voor de geest halen geeft zonder meer een goede indruk hoe Leoncavallo’s versie er in het theater uit zou kunnen zien.

Opname uit 1963 met Angelo Lo Forese:

En hier de opname uit 1958 onder Mollinari Pradelli met o.a. Bastianini als Rodolfo:

Dansen op de bom. Dr Atomic in Utrecht

Tekst: Neil van der Linden

Op het podium in de Utrechtse Werkspoorkathedraal is het juni 1945. We bevinden ons in de montagehal waar de eerste kernbom in elkaar wordt gezet, in de woestijn van Los Alamos, New Mexico. Duitsland heeft kort tevoren gecapituleerd, maar Japan nog niet. Het gevaar van een Duitse kernbom is geweken. Duitsland was sowieso minder ver met de ontwikkeling van een kernwapen dan gedacht.

Maar wat om de Duitse overgave af te dwingen werkte, massale bombardementen van steden, zou in Japan misschien niet doeltreffend genoeg kunnen zijn. Bovendien waren er vermoedelijk hooggeplaatste militairen die de kans niet zouden willen mislopen de bom op een slagveld uit te testen; voordat ook de oorlog met Japan al op een andere manier tot een einde zou zijn gekomen. Dus gaat de ontwikkeling van de eerst kernbom in hoog tempo door.

De Dr Atomic in de opera van componist John Adams en librettist Peter Sellars is J. Robbert Oppenheimer, de in 1904 geboren briljante kernfysicus, die de leiding heeft over het ontwikkelen van de bom. De opera speelt zich af in de uren en minuten voordat een testversie van de bom tot ontploffing wordt gebracht in een afgelegen deel van de woestijn, terwijl het stormt, regent en bliksemt, zodat alles goed fout zou kunnen gaan.

Anders dan in zijn voorgaande operas Nixon in China en Death of Klinghofer zit er in Dr Atomic weinig actie, afgezien van de grote knal zelf, die we overigens niet te zien krijgen, want het libretto stopt een paar seconden ervoor.

Alice Goodman, librettist van Nixon in China en Death of Klinghofer, hield van snelle plotwendingen. Dr Atomic is in zekere zin één grote plot, rond de vraag of het ontwikkelen van een atoombom politiek en moreel gerechtvaardigd is, en wat er allemaal fout zou kunnen gaan tijdens de test, maar wat we daarvan zien is voornamelijk personages die in lange frasen daarover van gedachten wisselen.

Het libretto is voor een belangrijk deel een collage van teksten uit overheidsdocumenten en opinieartikelen van indertijd, met daarnaast citaten uit het werk van de Oppenheimers favoriete dichters John Donne en Charles Baudelaire en uit het Hindoe-epos de Bhagavad Gita, die Oppenheimer ook tot zijn favoriete lectuur rekende. En van een tijdgenote, de Amerikaans-Joodse dichteres en politieke activiste Muriel Rukeyser, uit wier werk de twee vrouwelijke personages in Dr Atomic te zingen krijgen.

Voor de opvoering ter gelegenheid van hun 200-jarig bestaan kreeg het Utrechts Studenten Concert de beschikking over de Werkspoorkathedraal, een vrijwel intacte, in zijn industriële lelijkheid overweldigend mooie hal van de voormalige Werkspoor treinenfabriek in Utrecht. Tegenover de tribune waar het publiek zit is een gigantisch podium opgebouwd die de assemblagehal van de bom voorstelt en waar de productie zich afspeelt. Het orkest zit tussen publiekstribune en speelpodium. Een ambiance die in een operahuis moet worden nagebouwd en die hier al staat. Het door de hoge zijramen rondom binnenvallende ‘natuurlijke’ grijzige avondlicht zou in een theater ook alleen met moeite kunnen worden nagebootst.

De ‘documentaire-theater’-opzet van de opera’s van John Adams en Peter Sellars vraagt eigenlijk elke keer weer om een vorm van hyperrealisme. Sommigen zullen zich herinneren hoe bijna absurd-realistisch de personages en ook het vliegtuig, de Airforce 1 waarmee het echtpaar Nixon en Henry Kissinger in Bejing landden, er in Sellars’ eigen enscenering van Nixon in China uitzagen. De voorstelling was indertijd in het Holland Festival te zien en op Youtube staat een herneming van die enscenering.

Het Dr Atomic/Oppenheimer-personage in Utrecht, vertolkt door Quirijn de Lang, kan qua uiterlijk zo van een historische foto zijn weggelopen. Agris Hartmanis alias General Leslie Groves en Jeroen de Vaal alias Captain James Nolan lijken op personages uit Dr Strangelove, Stanley Kubrick’s satire over de eerste atoombom. Wel kreeg één van de mannelijke personages een wat andere benadering: de ‘dissident’ Robert Wilson, de meest gewetensbezwaarde van het ontwerpteam, vertolkt door Lucas van Lierop. Het personage draagt een lichter grijs pak en heeft lange blonde krullen. Hij wordt in de enscenering ook telkens wat helderder belicht, lijkt het. In combinatie met zijn fraaie, ook in de hoogte overtuigende tenorstem krijgt Van Lierops personage in deze productie iets van een Wagneriaanse protagonist.

De rolbezetting is sowieso zang- en acteer-technisch voorbeeldig. Quirijn de Lang verbeeldt met zijn warme bariton en ook in het acteren Oppenheimers sympathieke kanten. Hartmanis en Groves zijn met hun bas-baritons Wagneriaanse slechteriken als  koud berekenende, cynische vertegenwoordigers van het militair-politieke apparaat. In de tekst wordt gedelibereerd welke Japanse stad het eerst aan de beurt moet komen en of er meteen ook een tweede stad moet worden gebombardeerd.

Oppenheimer zelf heeft inmiddels bedenkingen tegens het project, wetenschappelijk en morele: het is nog niet duidelijk of een eenmaal ingezette nucleaire reactie plaatselijk blijft, in niet een oncontroleerbare keten van reacties in gang zet waarvan niemand weet waar die eindigt, of niet eindigt. Zelf was hij een ijverige lezer van de Hindoe-mythologie, onder meer de Bhagavad Gita, waarin een totale vernietiging van de aarde wordt beschreven; ‘Now I am become Death, the destroyer of world’, zou hij hebben gezegd op het moment dat onder dwang hij het ontstekingsmechanisme voor de kernproef toch in werking zette.

De vrouwelijke personages hebben een abstracter karakter. De tekst van echtgenote Kitty Oppenheimer (sopraan Jeannette van Schaik) bestaat uit citaten uit de poëzie van Muriel Rukeyser, onder meer haar gedicht Easter Eve over de slag om Okinawa en de talloze slachtoffers die daarbij vielen.

Huishoudster’ Pasqualita, van native New Mexico- ‘Indiaanse’ komaf, (alt Maria Koshiishi) zingt ook dichtregels van Rukeyser en verder apocalyptische strofen uit de Bhagavad Gita.

In zijn eigen regie visualiseerde Sellars ook deze twee vrouwenrollen als hyperrealistisch, herkenbaar als personages gekleed in de stijl van de jaren veertig. In de regie van Wim Trompert zijn ze mythischer, Kitty als een soort Brünnhilde en Pasqualita á la Erda, zoals ze in deze enscenering telkens oprijst uit en weer verdwijnt in de tunnel waarin de bom tot explosie zal worden gebracht.

In zulke passages is Adams’ partituur op haar meest lyrisch, en tegelijk haar meest Wagneriaans, waarbij de beide zangeressen ook zangtechnisch weergaloze respectievelijk Brünnhilde- en Erda-kwaliteiten mogen ontplooien.

Het koor van de Utrechtse Cantorij kreeg ook alle ruimte om zangtechnisch te excelleren en in fraaie groepschoreografieën te acteren. De akoestische balans tussen solisten, koor en orkest viel bovendien bewonderenswaardig goed uit. De akoestiek van de hal zorgde in combinatie met enkele elektronische aanpassingen ervoor dat de klank van orkest, koor en solisten optimaal tot haar recht kwam. Adams briljante orkestraties, met onder meer uitgebreide slagwerk- en kopersecties, maar ook een contrabasklarinet, worden breed uitgemeten.

Complimenten voor de geluidsregie, die er bovendien voor zorgde dat de door Adams voorgeschreven elektronische geluidseffecten spectaculair tot hun recht kwamen. Ik zou niet goed kunnen aangeven waarin de prestaties van het Utrechts Studenten Concert, formidabel gedirigeerd door Bas Pollard zouden onderdoen voor die van een professioneel orkest. In deze opstelling met vol zicht op de orkestbak was ook het speelplezier van het orkest fraai zichtbaar.  

De Engelse tekst van Dr Atomic eindigt een paar seconden voor de explosie plaats vindt. Na het versterven van de laatste orkestklanken volgt nog een passage in de elektronische soundtrack waarin teksten in het Japans worden uitgesproken. Het zijn flarden tekst over ouders die hun kinderen kwijt zijn of water zoeken voor hun kinderen.

Het zou om ouders uit Hiroshima en Nagasaki kunnen gaan. Het toneelbeeld eindigt met (de Japanse) Maria Koshiishi/Pasqualita die achteraan op het toneel met haar rug naar ons toe staat, waarbij de suggestie wordt gewekt dat zij de teksten uitspreekt. Oppenheimer/Kitty/Adams/Sellars pleidooi om ook bij de Japanse slachtoffers van de oorlog stil te staan krijgt zo extra versterking.

Het is misschien ook vanwege natuurkundige wetten geen toeval dat deze productie wordt opgevoerd juist nu nucleaire dreiging weer de kop op steekt vanwege de oorlog in Oekraïne. En dat toevallig dezer dagen ook Christopher Nolans film Oppenheimer uitkomt. En daar kan Wes Andersons film Asteroid City nog aan worden toegevoegd, die in een soort absurdistische ‘retro-futuristische’ replica van de wereld van Los Alamos speelt.

Tijdens de voorstellingen vindt ook een populair-wetenschappelijk congres over kernfysica en J. Robbert Oppenheimer plaats, waarin ook de interessante banden tussen Oppenheimer en Nederland ter sprake komen. Jammer voor de Utrechtse studenten is dat die banden vooral de universiteit van Leiden betreffen, maar ach.

Gezien 13 juli, Werkspoorkathedraal, Utrecht.

Quirijn de Lang J. Robert Oppenheimer (bariton)
Jeannette van Schaik Kitty Oppenheimer (sopraan)
Bart Driessen Edward Teller (bas)
Agris Hartmanis General Leslie Groves (bariton)
Lucas van Lierop Robert Wilson (tenor)
Jeroen de Vaal Captain James Nolan (tenor)
Maria Koshiishi Pasqualita (mezzosopraan/contralto)

Utrechts Studenten Concert olv Bas Pollard
Regie: Wim Trompert

Foto’s Ben van Duin en Neil van der Linden.

Voor meer informatie en kaarten:

Home

Dr Atomic op Spotify:

De Nederlandse Opera scene met Robert Oppenheimer, Kitty Oppenheimer, Pasqualita en koor:

Voorstelling in de New York Metropolitan Opera in de regie van Penny Woolcock:

Muriel Rukeyser:

https://en.wikipedia.org/wiki/Muriel_Rukeyser

.

Andrea Chénier: de ultieme Franse revolutie opera 

Tekst : Peter Franken

Andrea Chénier, Tosca en Les dialogues des Carmélites zijn voor elke liefhebber herkenbaar als revolutie opera’s. Maar hoe zit het met bijvoorbeeld Marie Victoire en Germania? En wat maakt het thema revolutie eigenlijk zo aantrekkelijk voor gebruik in een opera? Als we de genoemde werken analyseren dan valt op dat ze allemaal zich afspelen in een politiestaat, een voor burgers manifest onveilige omgeving.

Louis XVI: execution by guillotine

In Chénier, Marie Victoire en Dialogues gaat dit nog een stap verder: daarin heerst de Terreur. In Tosca en Germania is sprake van vreemde overheersing. Tegen zo’n ontoegeeflijke achtergrond worden emoties sterk uitvergroot en problemen aangescherpt. Het gaat al gauw om leven en dood, zelfs in situaties die in normale tijden nauwelijks enige aandacht zouden krijgen. Relatieproblemen, (vermeende) ontrouw en jaloezie spelen een grote rol in alle genoemde werken, met uitzondering van Dialogues.

In die laatste opera gaat het om het onvermogen van een groep nonnen om zich aan te passen aan nieuwe leefomstandigheden. Daar waar in reguliere libretti vooral een beroep wordt gedaan op duellerende edellieden, in hun eigen gelijk verstarde vaders en jonge vrouwen die – soms maar tijdelijk – spontaan waanzinnig worden als men om emoties verlegen zit, liggen die in de revolutie opera’s voor het oprapen. De protagonisten lopen al dan niet bewust in een ‘mijnenveld’ en de kleinste stap in de verkeerde richting kan alles direct mis laten gaan.

In Andrea Chénier sterven de titelheld en zijn geliefde Maddalena op het schavot, zij gaat vrijwillig met hem de dood in. Hij is het slachtoffer van de jaloezie van Gérard, die hem ervan heeft beschuldigd een contrarevolutionair te zijn. Als Gérard zijn beschuldiging herroept, wordt hij door zijn collega’s genegeerd. Een revolutionair tribunaal komt nooit op een veroordeling terug, dat zou het geloof in het absolute karakter van de Terreur teniet doen. Door een opera te situeren in deze periode is het prijsschieten voor librettisten. Je kunt gewoon niet missen, de emoties lopen als vanzelf hoog op.

In Tosca is er een executie, een moord en een zelfmoord, voornamelijk voortkomend uit liefdesperikelen of wat daar voor door moet gaan. En de Carmélitessen moeten hun onvermogen het verstilde religieuze leven achter zich te laten met de valbijl bekopen.

Maar zo extreem hoeft het niet altijd te verlopen. In die zin zijn Respighi’s Marie Victoire en Franchetti’s Germania de buitenbeentjes in dit gezelschap. Daar lijkt alles nog op zijn pootjes terecht te komen maar ook hier heeft de politiek het laatste woord.

Andrea Chénier

Tegen de achtergrond van de Franse Revolutie laat dit werk een driehoeksverhouding zien tussen Maddalena de Coigny, Carlo Gérard en Andrea Chenier. Gérard is een lakei in het kasteel van de Comte de Coigny. Als het kleine zoontje van de majordomo mocht hij wel met zijn leeftijdgenootje Maddalena spelen maar toen hij een livrei kreeg aangemeten was hij plotsklaps een lakei die voor zijn jeugdvriendin nog slechts de deur mocht openhouden.

Aan de vooravond van de revolutie houdt hij het slaafse bestaan niet langer vol en zet tijdens een ontvangst de boel op stelten. Uiteraard wordt hij op staande voet ontslagen. De dichter Andrea Chénier was een van de gasten op die ontvangst en zijn ontmoeting met Maddalena was niet erg succesvol. Feitelijk had hij haar de les gelezen maar daarbij zoveel indruk gemaakt dat ze hem nooit is vergeten. 

Het vervolg van de opera speelt zich een jaar of zes later af, tijdens de Terreur. Gérard is een vooraanstaand revolutionair, type Danton. Hij misbruikt zijn macht om Maddalena op te laten sporen. Nu hij sociaal boven haar staat is alles anders, hij moet en zal haar krijgen na al die jaren.

Maddalena heeft Chénier benaderd in de hoop door hem in veiligheid te worden gebracht. Ze verklaren elkaar hun liefde maar raken vervolgens verstrikt in de val die Gérard voor hen heeft gezet. Chénier wordt op basis van een valse aanklacht door Gérard voor het revolutionaire tribunaal gebracht. Maddalena ruilt in de gevangenis van plaats met een andere vrouw zodat zij samen met haar geliefde de dood in gaat.

Door DG is een dvd uitgebracht van Otto Schenks productie voor de Wiener Staatsoper uit 1981. Schenk toont in zijn enscenering een toneelbeeld dat niets aan de verbeelding over laat, librettogetrouw tot in de kleinste details. Wat de dvd vooral de moeite waard maakt is de zangersbezetting met Plácido Domingo als een fenomenale Chénier.  Hij krijgt uitstekend tegenspel van Gabiela Beňačková als Maddalena en Piero Cappucilli als Gérard. Een cast om van te dromen. De productie staat nog steeds op het tableau van de Wiener Staatsoper maar recente bezettingen blijven duidelijk in de schaduw van hun beroemde voorgangers. 

Kaufmann en Westbroek in de Royal Opera op dvd

David McVicar maakte in 2015 voor ROH een productie van dit werk die tot in de kleinste details het beeld oproept van de Franse revolutie zoals dat in extenso is overgeleverd. Daar waar ik een paar kleine onjuistheden waarneem komt dat op het conto van librettist Luigi Illica. Zo verwart hij een politiespion met een Incroyable, een anti-Jacobijns personage dat pas na de Terreur zijn intrede deed in het straatbeeld.

Ach, dat is maar een klein detail. Het is een compleet kostuumdrama met schitterende decors die in elke scène volledig recht doen aan de getoonde handeling. Op een bepaald moment zien we zelfs op de achtergrond een boerenkar langsrijden met veroordeelden op weg naar de guillotine. De decors van Robert Jones en de kostuums van Jenny Tiramani maken er bijna een gedramatiseerde documentaire van die op school kan worden gebruikt tijdens de geschiedenisles.

Bariton Željko Lučić mag als Carlo Gérard het spits afbijten met een grote monoloog direct aan het begin. Zijn mooi voorgedragen ‘Compiacente a’colloqui del cicisbeo’ zet de toon voor de op handen zijnde omwenteling, eerst in huize de Coigny en later in het gehele land.

Uitgedaagd door Maddalena zingt Chénier tegen het einde van de akte zijn grote aria ‘Un di all’ azzuro spazio’ waarin hij ‘liefde’ koppelt aan scherpe maatschappijkritiek. Jonas Kaufmann maakt er een waar kunststuk van, geweldige vertolking van deze tophit.

In de tweede akte krijgt de plot snel vorm en na hun herkenningsscène zingt Maddalena haar monoloog ‘Eravate possente’ waarin ze haar lot in Chéniers handen legt. Eva-Maria Westbroek maakt hier na haar frivole gekwetter in de eerste akte duidelijk haar opwachting als de prima donna van het werk.

In de derde akte treden twee bijfiguren nadrukkelijk op de voorgrond, de ‘incroyable’ en de oude blinde Madelon. Tenor Carlo Bosi is een lichtvoetig acterende maar zeer vileine spion die zijn zang daar uitstekend mee in overeenstemming weet te brengen.

Elena Zilio: © : Catherine Ashmore 

Mezzo Elena Zilio weet zoals verwacht korte tijd de show te stelen met haar klaagzang over een dode zoon en kleinzoon, gestorven voor de Revolutie. En nu brengt ze haar jongste kleinzoon mee, niet te jong om de strijden en sterven voor het vaderland. Gérard accepteert hem en zodra hij weg is vraagt ze zich af wie haar nu zal begeleiden. Gelukkig zijn een paar vrouwen bereid de blinde vrouw bij de arm te nemen.

Lučić krijgt vervolgens de gelegenheid de aandacht te bepalen, eerst met zijn bedachte aanklacht en vervolgens de ontmoeting met zijn prooi Maddalena. Zijn personage Gérard heeft zich door de ‘incroyable’ laten overhalen om Chénier vals te beschuldigen van contra revolutionaire gedrag. Hij aarzelt, z’n gemoed speelt op, wat is er van hem geworden?

Vroeger was hij een slaaf maar nu nog steeds, van de liefde. Hij wordt erdoor verscheurd, moet en zal zijn jeugdliefde eindelijk bezitten. Als Maddalena binnenkomt maakt hij dat onomwonden duidelijk in een hartstochtelijk ‘Perché ti volli qui?’ Zij repliceert met haar topstuk ‘La mamma morta’, indrukwekkend mooi gezongen.

Lučić en Westbroek grijpen hier de gelegenheid om zich aan alle aandacht voor Kaufmanns Chénier te ontworstelen met beide handen aan. Het is van korte duur want direct volgt diens markante optreden tijdens de rechtszitting waarin hij stelt dat men hem kan doden maar zijn eer niet kan afnemen: ‘Si, fui soldato’.

Kaufmann kan in de laatste akte nog excelleren in ‘Come un bel di di maggio’ en met een mooi duet in de laatste akte neemt het onfortuinlijke liefdespaar afscheid van het leven onder de uitroep ‘Viva la morte insiem’. Een prachtig einde van een fenomenale voorstelling.

Het orkest van de Royal Opera onder leiding van Antonio Pappano heeft een groot aandeel in het welslagen van het geheel.

André ’Chénier:  “Quand Au Mouton Bêlant”

Quand au mouton bêlant la sombre boucherie
Ouvre ses cavernes de mort,
Pâtres, chiens et moutons, toute la bergerie
Ne s’informe plus de son sort.
Les enfants qui suivaient ses ébats dans la plaine,
Les vierges aux belles couleurs
Qui le baisaient en foule, et sur sa blanche laine
Entrelaçaient rubans et fleurs,
Sans plus penser à lui, le mangent s’il est tendre.
Dans cet abîme enseveli
J’ai le même destin. Je m’y devais attendre.
Accoutumons-nous à l’oubli.
Oubliés comme moi dans cet affreux repaire,
Mille autres moutons, comme moi,
Pendus aux crocs sanglants du charnier populaire,
Seront servis au peuple-roi.
Que pouvaient mes amis? Oui, de leur main chérie
Un mot à travers ces barreaux
Eût versé quelque baume en mon âme flétrie;
De l’or peut-être à mes bourreaux…
Mais tout est précipice. Ils ont eu droit de vivre.
Vivez, amis; vivez contents.
En dépit de Bavus soyez lents à me suivre.
Peut-être en de plus heureux temps
J’ai moi-même, à l’aspect des pleurs de l’infortune,
Détourné mes regards distraits;
A mon tour, aujourd’hui; mon malheur importune:
Vivez, amis, vivez en pai

Requiem for Krzysztof Kieśłowski

What does a composer do when a dear friend dies? Naturally, he writes a Requiem.

Zbigniew Preisner is among the one of the best film composers of our time. His music is much loved, even in the Netherlands. In particular, his collaboration with director Krzysztof Kieśłowski (La Double Vie de Veronique, Trois Couleurs, Decalogue) has led to great success and it is sometimes difficult to separate the film images from the music.

On his 50th birthday, Kieśłowski decided to stop filming, a decision that many film fans deeply regretted. However, he still had very many plans for the future, including a creation of a mystery play/opera about ‘life’, obviously in collaboration with Preisner and his regular screenwriter Krzysztof Piesiewicz.

It was due to premiere at the Acropolis. Sadly, in March 1996, Kieśłowski died of a heart attack, aged just 55. Whether the plans had progressed very far, the (otherwise very brief) liner notes do not mention.

Krzysztof Kieśłowski

The music is very wistful and evocative. The ‘Ascende huc’ in the Apocalypse section would not have been out of place in a Theodorakis score (it also contains literal quotes from ‘Z’). The lyrics are in Latin (in the Life section also in Greek) and in Polish.

Zbigniew Preisner

Fans of Preisner’s music will definitely not be disappointed. The Sinfonia Varsovia conducted by Jacek Kaspszyk plays very well and there is beautiful singing. The whole thing has a great deal of potential and I don’t mean that in a condescending way. I personally love it. However, I do warn against the high ‘Górecki 3’ content.

Il Re: Giordano’s laatste opera

Tekst: Peter Franken

In 1929 had Il Re première in La Scala onder leiding van Arturo Toscanini. Na aanvankelijk succes raakte het werk in de vergetelheid.


Toscanini dirigeert ‘Danza del moro’ uit Il Re:

Op het label Bongiovanni is een opname verschenen van een voorstelling uit 2006 in het Teatro Giordano in Foggia, de geboorteplaats van de componist.

Met Il Re neemt Giordano afscheid van zijn veristische periode: geen herkenbare dramatische situaties en levensechte personages met hoog oplopende emoties, vaak tegen een historische achtergrond. Il Re is feitelijk een middeleeuws sprookje met een nieuw muzikaal idioom waarin de jaren ’20 zo nu en dan waarneembaar doorklinken. Om dan weer plaats te maken voor zang die je eerder associeert met een minstreel of andere hofmuziek.

Rosaline is een molenaarsdochter die op het punt staat te trouwen met de smid Colombello. Maar zes dagen voor hun huwelijk wil ze plotseling niets meer van hem weten. Ouders en verloofde ten einde raad. Ze halen er een astroloog en een priester bij maar het wicht geeft geen krimp. Pas na lang aandringen is ze bereid te vertellen wat er aan de hand is.

Wandelend in het bos hoorde ze een zwartkop zangvogel en die vertelde haar dat er een grote toekomst voor haar in het verschiet lag. En even later passeerde toevallig de stoet van de koning en werd ze spontaan verliefd op de vorst. Nu wil ze alleen nog maar met hem trouwen, dat was toch wat die vogel haar had voorspeld?

Haar ouders en Colombello krijgen een audiëntie bij de koning en leggen hem het probleem voor. Hij is bereid te helpen. Maar Rosalina moet daarvoor een nacht met hem doorbrengen. Het drietal reageert ontgoocheld en verontwaardigd, zozeer dat ze worden gearresteerd.

Rosalina wordt naar het paleis gehaald en krijgt in de koninklijke slaapkamer een bruidsjurk aangereikt. Draag die maar vast, de koning komt zo. Als de vorst verschijnt bezingt ze haar grote liefde voor hem. Hij bedankt haar dat ze al die herinneringen in hem heeft gewekt en verdwijnt achter een scherm. Zijn bedienden komen tevoorschijn met zijn kledingstukken en daarna verschijnt de vorst zonder make up: een kale oude man in een nachtgewaad. Rosalina is gelijk genezen en na wat kleine verwikkelingen komt alles weer goed tussen haar en de arme Colombello.

Naar verluidt was de rol van Rosalina speciaal bedoeld als stervehikel voor Toti Dal Monte die uiteraard ook tijdens de première zong. Omdat haar personage een zangvogel kan verstaan en navertelt wat die heeft gezegd, staat de rol garant voor het nodige gekwinkeleer en een aaneenschakeling van hoge noten. Het doet wat denken aan de lange monoloog van de Tsaritsa van Shemakha in De gouden haan.

De zeer meisjesachtig ogende Patrizia Cigna leeft zich er helemaal in uit, prachtig gedaan. Il Re wordt gezongen door de bas Giuseppe Altomare, zeer welluidend en aardig geacteerd. Verder horen en zien we onder meer Fabio Andreotti als Colombello, Francesco Facini als de molenaar en Maria Scogna als diens vrouw.

Patrzia Cigna zingt Rosalina:

De enscenering is van Nucci Ladogana, eenvoudig maar effectief.

Gianna Fratta geeft leiding aan het Orchestra Sinfonica di Capitanata. Zij is een knappe verschijning die opvallend genoeg gekleed gaat in een klassiek rokkostuum, een outfit die je eerder associeert met mannelijke dirigenten. Moet gezegd: het staat haar goed. Leuke opname van een absolute rariteit.

Complete opera is hier te bekijken:



https://www.operaonvideo.com/il-re-foggia-2006/

Groet uit Makhanda/Grahamstown, Zuid-Afrika.

Tekst: Neil van der Linden

Temidden van tot voor een paar dragen kurkdroog maar sinds drie dagen regenachtig en kil weer (het is winter op het Zuidelijk halfrond) vindt hier in Makhanda/Grahamstown het jaarlijkse National Arts Festival plaats, het grootste podiumkunstenfestival van Zuid-Afrika en één van de grootste van heel Afrika.

Men zegt dat sinds Corona (dat in Zuid-Afrika tot een zeer strenge spertijd leidde, bij de handhaving waarvan zelfs doden tot gevolg) het grote publiek nog steeds de weg niet terug heeft weten te vinden naar het theater- en muziekleven. Dat heeft misschien ook te maken met relatief sterk gestegen kosten van levensonderhoud. De prijzen van de grote supermarktketens Pick and Pay en (onze Nederlandse) Spar zijn vergelijkbaar met die van de Lidl en de AH, maar de gemiddelde salarissen zijn een kwart van die in Nederland.

Grahamstown is een relatief slaperig provinciestadje, dat door het jaar heen leeft van een paar grote universiteiten en kostscholen voor de gegoede middenklasse. Het was ooit een bastion van de koloniale Engelsen, vandaar dat boven de heuvels waarop het stadje ligt een vrij bruut maar helaas niet puur brutalistisch gebouw is oprijst, ‘The Monument’, voluit het ‘1820 Settlers National Monument’, gebouwd in 1974, ter ere van de door Engeland uitgezonden eerste boeren die het land moesten bevolken, ten koste van de oorspronkelijke Afrikaanse bevolking en de Nederlandse kolonisten, de Boers. In 1994 brandde het gebouw af, maar het werd in 1996 heropend door Nelson Mandela persoonlijk. Zo kon het koloniale gebouw misschien ook schoon schip maken, maar Grahamstown is altijd een enclave gebleven van de Britse invloedssferen in het land.

Tijdens de eerste ochtend die ik van het festival meemaakte vond in The Monument een concert plaats door het jeugdorkest van het Boston Philharmonic Orchestra, onder leiding van Benjamin Zander. Zander betrok het deels jeugdige publiek op voorbeeldige wijze bij de uitgevoerde muziek, om te beginnen het openingsdeel van Beethovens Vijfde Symfonie, waarin hij het publiek vroeg om na afloop zo snel mogelijk te klappen. Het gaf natuurlijk niet dat sommige mensen het werk nog niet kenden en dus zodra er een stilte viel tussen de verschillende secties werd er hard geklapt. Waarop Zander speels het publiek duidelijk maakte dat het stuk nog niet was afgelopen.

Zander hield over het algemeen een hoog tempo aan, waardoor zich wreekte dat in de nogal droge akoestiek van de zaal de musici achterin niet altijd spat-synchroon liepen met hun collega’s voorin. Maar dat mocht de pret niet drukken. En toen het stuk was afgelopen mocht het publiek, aangemoedigd door de dirigent losgaan. Tussen ieder stuk vertelde hij iets over de muziek, de totstandkoming en de componisten. Over Beethoven dat hij door componeerde ondanks toenemende doofheid.

Bij het volgende stuk, het Alegretto Scherzando uit het Concert voor Orkest van Bartók, lichtte hij toe hoe verschillende instrumentengroepen in tweeën zijn gesplitst en op een vaste toonafstand van elkaar spelen, inclusief septiem en hoe dat toch welluidend wordt, en hoe Bartók deze muziek op zijn sterfbed schreef op verzoek van Koussevitzky, die hem wist te bewegen tot het schrijven van één werk, en hoe energiek dit werk werd.

En ja, bij Tsjaikovkski deel 2 en 4 uit diens Vijfde Symfonie ging het ook over de structuur, en hoe dit soort muziek behoort tot het summum van de muziek voor al die jonge orkestmusici die nu op het podium zaten, maar ook hoe de symfonie in al haar turbulentie misschien een uiting was van Tsjaikovkski’s worsteling met zijn seksuele geaardheid

Vervolgens soleerde de Zuid-Afrikaanse sopraan Andiswa Makana in Het Lied van de Maan uit Dvoráks Rusalka. Een fraaie stem. Ze studeert momenteel door in Keulen. Ze voegde er nog een versie van Mariam Makeba’s Pata Pata aan toe. Een paar dagen geleden heeft zij, samen met een Zuid-Afrikaanse mezzo en koor in Soweto en Johannesburg de sopraanpartij gezongen in Mahlers Tweede Symfonie. Zander vertelde ook, dat bij het optreden in Soweto de stroom uitviel, in de laatste vijf minuten (elektriciteitsonderbrekingen zijn niet ongebruikelijk in het land.) Maar de uitvoerenden speelden in het donker door, tot het einde. Ik wou dat ik erbij was geweest.

Wat de opmerking over Tsjaikovski’s geaardheid betreft: Zuid-Afrika kent algemene grondwettelijke gelijkheid inclusief geslacht en geaardheid. De eerste Pride vond plaats in 1991 in Johannesburg, officieel nog ten tijde van de Apartheid, die in 1994 werd afgeschaft. Eén van de leuzen die bij de Pride werden rondgedragen was verbond de strijd voor gelijke LGBTQIA+-rechten aan de strijd tegen apartheid.

In flink wat festivalvoorstellingen kwam LBTQIA+-thematiek aan bod. In The Run for Life speelden leerlingen van tussen ik schat 14 en 17 jaar van een middelbare school uit Johannesburg een professionele voorstelling over xenofobie, racisme, discriminatie, migratie, huiselijk geweld, queer-fobie en onderwijs. Dat klinkt heel zwaar, maar het is ongelooflijk hoe mede dankzij aanstekelijke spel, humor en muziek allemaal zo licht wordt gehouden. De kinderen excelleerden ook in a capella meerstemmig koorzang, begeleid door percussie bespeeld door de groep zelf.

Ze  speelden de personages en leken die tegelijkertijd te zijn. Het zwangere dienstmeisje zonder identiteitspapieren dat daarom geen zwangerschapszorg kan krijgen. De jongen, ook niet ouder dan veertien, vijftien jaar, die ervoor uitkomt dat hij gay is, zowel thuis als in de klas en terwijl zijn moeder voor hem opkomt beweert zijn vader tegenover de moeder dat zijn zoon zijn zoon niet kan zijn. Maar hoe zullen zijn ouders dan aan kleinkinderen komen? Het zoontje zal twee kinderen adopteren. Dochters. Hij heeft al namen voor ze. De kinderen die de ouders speelden waren eveneens veertien, vijftien, maar je geloofde ook hen in hun rollen.

Huiselijk geweld kwam ook aan bod. Een lerares, de langste van de acteurs en misschien de oudste, maximaal zeventien laat weten in de klas dat het meisje uit Zimbabwe eigenlijk niet in de klas thuishoort. South-Africa for the South-Africans. Maar zegt het meisje, hoe kunnen we Africans zijn als we er niet voor alle Africans zijn. En, zo zegt ze, in Europa is Europa er voor alle Europeanen. Was het maar zo, maar de boodschap is duidelijk. Later bedenkt de lerares zich en leerling en lerares vallen elkaar in de armen.

Een andere voorstelling, Legendary Queer Sisters, was een aangrijpend vertoon van queer zelfbewustzijn in een land waar, ondanks de grondwet, verkrachtingen van enhaatmoorden op LGBTQIA+-personen verre van zeldzaam zijn (maar waar LGBTQIA+-personen ook in het openbaar kussen). Ook hier weer perfecte ensemblezang, messcherpe ritmes, en met name een aantal zangeressen die behoren tot de beste soul- en gospelstemmen die ik in jaren heb gehoord.

Asinamali was ook zo’n indrukwekkende voorstelling, gespeeld door zes jonge vrouwen. De oudste speelde, in het Afrikaans, de taal van de apartheid de rol van rechter en politiecommissaris. De andere vijf vrouwen speelden zwarte gevangenen, jonge mannen. Ze vertelden van hun pogingen om ten tijde van de Apartheid te voorzien in hun levensonderhoud en over de procedures die ze moesten doorlopen om aan werk te komen in de ‘Blanke’ delen van het land, met alle vernederingen rond het verkrijgen van werkvergunningen en toegangspassen. Het stuk werd geïnspireerd door gebeurtenissen rond een huurdersstaking in 1983 in de zwarte wijken van de gemeente Lamontville, waar geen werk was maar waar de door het regime opgeëiste huren exorbitant waren. Asinamali was de strijdkreet van het protest dat zich na dodelijk slachtoffers over een groot deel van het land uitbreidde, Zulu voor “We hebben geen geld!”.

En net als bij The Run for Life werd dit alles niet of in elk geval niet alleen maar boodschapperig gebracht. Vorm en inhoud gingen volmaakt samen. En gezongen volgens de Zuid-Afrikaanse polyfone zangtraditie. Wat nou, Bartók zo knap met componeren in parallelle intervallen, deze jongeren schudden dat bij wijze van spreken zo uit hun mouw!

Ik was in het festival samen met de programmeur van het Amsterdamse Afrovibes festival. Een aantal producties zou ook zeer geschikt zijn voor het O Festival of voor Opera Forward. Bij voorstellingen als The Run for Life en Asinamali zouden die festivals ook moeten proberen scholieren naar de voorstellingen te halen, met name misschien uit bijvoorbeeld De Bijlmer en Amsterdam Nieuw-West. Het zou waanzinnig spannend zijn te zien hoe de jonge acteurs klikken met generatiegenoten. Maar de voorstellingen moeten dan ook niet worden ‘weggestopt’ als schoolvoorstelling. In Amsterdam zouden het Bijlmerparktheater, Podium Mozaiek en De Meervaart en in Rotterdam Theater Zuidplein ideale plaatsen zijn.

Er volgde nog veel meer, zoals een prachtige drie-vrouwenshow, Text me when you arrive, Seventeen ways to prevent getting raped and killed as a woman in South Africa, ondanks het thema een hilarische energieke voorstelling. Seksueel geweld komt veel voor, en toch ging deze ook weer in razende vaart voortdenderende voorstelling niet alleen over Zuid-Afrika en niet alleen over geweld, maar ook over relaties, de vrijheid om te kiezen. Tranen van het lachen en af en toe een traan om weg te pinken, bij drie enorm krachtige actrices/zangers, die vrijuit over seksualiteit spreken op een manier waarbij Nederland preuts lijkt. Waardoor is het juist prachtig geëmancipeerd en gaat eigenlijk niet alleen over die seksualiteit maar over waarden. Drie ongelooflijk energieke jonge vrouwen die  ook weer perfect messcherp meerstemmig zingen.

En er was het ontroerende Dear Tata, What Makes a Man a Man, een torch song solovoorstelling over en met een jongen die moeite heeft om de enige leerling van kleur te zijn in een voornamelijk blanke school, en om tegenover zijn familie  uit te komen voor zijn ontluikende biseksualiteit als er in de media alleen Amerikaanse, witte rolmodellen zijn.

Zanger/acteur Mava Gqeba is 25 jaar oud en heeft al opgetreden in musicals, Hello Dolly, Life is but a Cabaret, Joseph and The Amazing Technicolor Dream Coat en de Motown musical.  Ook hij kan interessant voor het O Festival en Opera Forward. Nee, die voorstellingen gingen niet alleen over dit ene land, de thema’s en uitwerking zijn universeel.

Gezien: verschillende voorstellingen in het Grahamstown/Makhanda National Arts Festival, Zuid-Afrika. Vanaf 23 juni 2023.

Foto’s: deels eigen foto’s van © Neil van der Linden, deels foto’s van de ensembles en van het festival.

From the 2013 Tour of Possibility – Amsterdam, The Netherlands

Wereldpremière duurzaam Requiem van Tan Dun

Tekst: Lennaert van Anken

©Decca Classics

De Chinese componist Tan Dun is in Nederland geen onbekende. Ik kwam voor het eerst in aanraking met zijn muziek tijdens het Internationaal Filmfestival te Rotterdam van 2001 door de prachtige muziek in de film Crouching Tiger, Hidden Dragon. Daags na het zien van deze intrigerende film, rende ik naar de cd winkel om de soundtrack mij eigen te maken. Deze muziek intrigeerde, want het was een effectieve mix van Chinese klanken met de Hollywood-achtige filmmuziek gespeeld door een symfonieorkest met solistische bijdragen van de cellist Yo-Yo Ma. De filmmuziek werd dat jaar terecht bekroond met een Oscar.

Niet lang daarna presenteerde Pierre Audi in 2003 bij De Nederlandse Opera (tegenwoordig De Nationale Opera) de Europese première van de opera Tea van de Chinese componist. Deze opera fascineerde op een vergelijkbare manier als de soundtrack van de eerder aangehaalde film. Hierin speelde de componist al uitvoerig met alternatieve vormen van geluid, zoals knisperend papier en druppelend water. Dat laatste heeft hij ook tot in het extreme verwerkt in zijn bijdrage aan het Bach-jaar, waarin een viertal componisten een nieuwe passie schreven (Water Passion after St. Matthew). De opera in een regie van Pierre Audi was een eclatant succes met een reprise als vervolg, waarna Audi in 2008 eveneens zijn opera Marco Polo bracht.

In de tussentijd ging zijn vooralsnog laatste opera The first Emperor in de Metropolitan Opera van New York in 2006 in première met niemand minder dan Plácido Domingo in de hoofdrol. Deze opera had minder succes met name doordat de opera te lang was, maar mogelijk ook omdat de torenhoge verwachtingen niet waargemaakt werden.

Sindsdien lijkt de componist wat minder actief op gebied van grote vocale werken, maar dat beeld werd gisteren doorbroken met de wereldpremière van zijn Requiem for Nature (deels gebaseerd op zijn eerder geschreven Buddha Passion) die het Koninklijk Concertgebouworkest gaf onder de leiding van de componist zelf. De uitvoering, die dienst deed als slotvoorstelling van het Holland Festival, vond plaats in de Westergasfabriek, dat een schril contrast vormt met de content van het nieuwe Requiem. Pierre Audi was ook weer van de partij als creatief partner.

De anderhalf uur durende dodenmis in zes delen, in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest geschreven, staat namelijk in het teken van de verstoorde relatie tussen de mens en Moeder Aarde. De teksten, bestaande uit vier talen (Engels, Kantonees, Mongools en Tibetaans) en geschreven door Tan Dun zelf, geven een somber beeld over de mens, die de Aarde aan het uitputten is. De muziek is allesbehalve somber. Over het algemeen is de muziek zeer toegankelijk, filmisch van aard. Veelvuldig doet de muziek mij dan ook denken aan zowel die van Crouching Tiger, Hidden Dragon en die van Tea. Wat dat betreft is het Requiem een lang duurzaam leven beschoren, op enkele momenten daargelaten.

Het eerste deel “Confession” begint a-capella met het uitstekend zingende Laurens Symfonisch (koor uit Rotterdam). Zacht, zoetgevooisd zet het koor op knappe wijze de toon voor het werk, dat over het overgrote deel bestaat uit langzame passages. Met imposante donkere akkoorden gespeeld door het koper zet Tan Dun de toon. En door de Chinees klinkende glissandi van de strijkers van het sterk spelende Concertgebouworkest wordt je in een klankbeeld getrokken dat geheel het eigen geluid is van Tan Dun.

In het tweede deel wordt een Mongoolse bas geïntroduceerd die een Monnik verpersoonlijkt. De Mongoolse zangkunst heb ik ooit leren kennen via Yo-Yo Ma die samen met Mongoolse bassen concerten verzorgde in 1999. Deze zeer laag zingende bassen beheersen veelal de techniek om boventonen te produceren die rondzingen. Ook hier, met name in het tweede deel, produceert de bas Hasibagen indrukwekkende boventonen.

Het tweede deel werd kort onderbroken, omdat het licht boven het orkest (die peertjes van Pierre Audi die we nog wel kennen uit eerder werk van hem, zoals de Ring) opeens uit stond, wat op dat moment niet de bedoeling bleek. Tan Dun slaat af en vangt nadat het licht er weer was aan bij “2 maten voor F”. De musici gaan door op dat moment alsof de muziek niet onderbroken was. Een mooi staaltje van hoe professioneel iedereen is in het orkest.

Het derde deel was een hartverscheurende monoloog van een “het hert van de negen kleuren”. De Kantonese sopraan Candice Chung vertolkte het hert dat in eerste instantie de mensen weet te ontvluchten, maar uiteindelijk haar leven moet bekopen met de dood. Zeer indrukwekkende muziek en zeer indrukwekkend gezongen.

Langzaam wordt de muziek wel grimmiger en pessimistischer vanaf het vierde deel (“Black Air”). In dit vierde deel bespeelt de Chinese Han Yan de Pipa, een Chinees snaarinstrument tezamen met de Mongoolse Hasibagen die de Paardenkopviool bespeelt. In het vijfde deel, Fire Sea, wordt de muziek dramatischer, met een ongekend hoog zingende Tibetaanse sopraan Jiangfan Yong, die met een goede “belt”-techniek de partij ten gehore brengt. Het orkest mag vervolgens in dit deel ook echt helemaal uitpakken. Het slotdeel, Tears of Nature, is naar het einde toe uiteindelijk ingetogener, maar daarvoor pakte de componist nog één keer groots uit.

Het publiek was getuige van een historische gebeurtenis. Onder toeziend oog van onze voormalige Koningin was er terecht veel bijval voor de uitvoerenden. Het werk is zeer de moeite en erg toegankelijk voor de luisteraar. De context is uiteraard zeer actueel en daarmee verdient het zeer zeker een grote zegentocht in de muziekwereld. Los van de sterke muziek en daarmee het potentieel, maak ik mij wel zorgen om de duurzaamheid van het werk, aangezien hij veel vraagt van met name zijn solisten, wat toekomstige uitvoeringen extreem lastig zal maken. Vindt maar eens een Mongoolse bas die de techniek beheerst van het produceren van boventonen!

Foto’s van de voorstelling: © Marcel Molle

‘DE NEUS’ VAN SJOSTAKOVITSJ IN DE MUNT



Tekst: Ger Leppers

Illustration for ‘The Nose’ by Nikolai Gogol | by Leon Bakst

In januari 1975 organiseerde de goeie ouwe (en regelmatig avontuurlijke) Nederlandse Operastichting, geleid door de onvolprezen Hans de Roo, een korte reeks gastoptredens van het Staatstheater am Gärtnerplatz uit München. Op het programma stond de opera ‘De Neus’ van Dimitri Sjostakovitsj, en dat was in die dagen om meerdere redenen opmerkelijk.

Om te beginnen liep een groot deel van de Westerse muziekkritiek destijds nog met een grote boog om het werk van de Rus heen. Ook in Nederland. Bij de in de jaren zestig gezaghebbende criticus Ben van der Kleij, die grammofoonplaten recenseerde voor het toentertijd gezaghebbende tijdschrift Disk, stond het schuim op de lippen zodra hij beroepshalve een opname van een werk van de gelauwerde Sovjetcomponist op de draaitafel moest leggen. Het eerste pianoconcert bevatte ‘barpianistenmuziek’, de zevende symfonie was een slap aftreksel van Ravels ‘Bolero’ en de minder geslaagde symfonische gedichten van Sibelius.

Wat we toen nog het beste, maar toch spaarzaam, kenden – mede dankzij de inspanningen van Leonard Bernstein, die een onvergetelijk ‘Young People’s Concert’ wijdde aan de negende symfonie – waren de meer conformistische of in elke geval toegankelijker partituren. Maar de ongebreidelde, vaak baldadige experimenten uit de vroege jaren van de componist genoten hier amper bekendheid.

Voor mij was dat reden genoeg om die voorstelling van ‘De Neus’, in Duitse vertaling, te bezoeken. Ik koesterde de vaste overtuiging dat dit hoogst waarschijnlijk de enige kans in mijn leven zou zijn om dit exuberante buitenbeentje uit het repertoire in het theater te zien. Het was, herinner ik me na al die jaren nog steeds, een overdadige voorstelling die stond als een huis, vol tomeloze vaart, met indrukwekkende, vervaarlijke staketsels die op het vaak rijkgevulde toneel ronddraaiden, en met overgave gebracht door een uitstekend op elkaar ingespeelde cast die het beste van zichzelf gaf. Onder meer Hedi Klug, Alexander Malta en Ferry Gruber waren van de partij. De lastige hoofdrol werd met grote inzet gezongen en geacteerd door Heinz Friedrich.

Vanaf de fabuleuze ontwaakscène kort na het begin van de opera, met op het operatoneel niet vaak eerder gehoorde intieme en niet altijd even welvoeglijke geluiden zoals luidruchtig neusophalen, gesnurk, gegaap en gegeeuw, tot aan de laatste klap op de grote trom zat ik aan mijn stoel genageld.

Toen ik enkele maanden later in Frankrijk de LP-uitgave vond van de uitvoering van het Moskous Kamertheater onder leiding van Gennadi Rozjdestvenski, die slechts kort daarvoor het werk in de Sovjet Unie uit het purgatorium verloste waarin het wegens verregaand modernisme sedert 1930 had vertoefd, aarzelde ik dan ook geen moment. Ik offerde er een flink stuk van het bescheiden vakantiebudget aan op.

Een paar jaar later keerde hier in het Westen voor de muziek van Sjostakovitsj het tij met de publicatie van Salomon Volkovs boek ‘Getuigenis’. Nog steeds staat niet vast of, en zo ja, in welke mate, dat werk een vervalsing is. Hoe dan ook, de gekwelde inhoud ervan bleek precies wat nodig was om de muziek van Sjostakovitsj voor het westers publiek aanvaardbaar te maken. Binnen enkele jaren werden de concertprogramma’s ermee overspoeld, en die situatie houdt, zoals u ongetwijfeld bekend is, tot op de dag van vandaag aan.

Geen wonder dus dat wat inmiddels De Nederlandse Opera was geworden in 1996 een eigen productie van ‘De Neus’ op het programma zette. Een met inzet en liefde gemaakte voorstelling, dat straalde van de muziek af, maar de ijzig ontvangen regie van David Pountney was te realistisch en platvloers om ook maar enigszins recht te doen aan het meesterlijke, vervreemdende en verontrustende verhaal van Gogol dat aan de opera ten grondslag ligt: iemand ontwaakt, stelt vast dat zijn neus verdwenen is en ontdekt vervolgens dat zijn inmiddels mansgrote reukorgaan overal in de stad opduikt en zich tegen hem richt. De onwerkelijke sfeer van het oorspronkelijke verhaal had nergens een equivalent op het toneel. De reprise in 2002, die werd gedirigeerd door Gennadi Rozjdestvenski himself, was muzikaal een nog spetterender feest, maar de hernieuwde kennismaking met de regie was geen aanleiding tot een milder oordeel.

Hoe het wèl kan, of misschien zelfs wel moet, had ik een paar jaar eerder, in 1991, gezien in Brussel. Daar presenteerde het Paleis van Schone Kunsten een gastvoorstelling van de door Boris Pokrovski geregisseerde en inmiddels legendarisch geworden enscenering van het Moskous Kamertheater uit 1974. Opzij van een sober ingericht toneel hingen aan een kabel de kostuums voor de ongeveer tachtig rollen die de opera telt. Voor een rolwisseling hoefden de zangers alleen maar, voor de ogen van het publiek, een andere jas aan te trekken. Het decor bestond voornamelijk uit enkele zetstukken, een prachtige belichting suggereerde het interieur van de kathedraal van Kazan en suggereerde een unheimische sfeer.  In het voormalige Oostblok bleven ensceneringen vaak tientallen jaren op het repertoire, en daar was ik, zoveel jaren na de première van deze voorstelling, diep dankbaar voor.

En dan is er nu de nieuwe enscenering door Alex Ollé van de Fura dels Baus, door het Brusselse Munttheater in een coproductie met de opera van Kopenhagen Ik verwachtte dat het een uitbundige boel zou worden, dichter bij de ensceneringen van München en Amsterdam dan bij die uit Moskou. Hoe zou de confrontatie met mijn herinneringen uitvallen?

De Munt had een uitstekende en voelbaar gemotiveerde, uitgebreide zangerscast bijeen gebracht, waarvoor alle satirische buitenissigheden van de partituur gesneden koek leken. Dat verdient gesignaleerd te worden, want allen maakten in deze productie hun roldebuut.

Scott Hendricks, in de veeleisende hoofdrol van Kovaljov, de ambtenaar die zijn neus kwijtraakte en de enige echt dragende rol in de opera, zong en acteerde alsof dat zijn gewone manier van uitdrukken was. De panische angst van iemand die van het ene moment op het andere zijn greep op de wereld kwijt is, maakte hij uitstekend voelbaar.

Ook Nicky Spence, in de rol van Kovaljovs verzelfstandigde neus, had geen moeite met de door de componist voorgeschreven stemacrobatiek en acteerde met een dwingende concentratie. Van de enorme verdere zangersbezetting die deze opera met zijn tientallen grotere en vooral kleinere rollen vergt, kan ik eigenlijk alleen maar zeggen dat ik er geen zwakke plek tussen heb kunnen ontdekken.

Nicky Spence verandert in ‘De Neus”:

Als er toch een speciale vermelding nodig is dan gaat die naar de zangers die de welhaast neurotische zangpartijen van het politiepersoneel voor hun rekening namen: Anton Rositsky en Alexander Kravets. Maar bij een zo geweldige ensembleprestatie heeft dat toch al iets oneerlijks.

Ook nu weer was er, net als de voorstelling van David Pountney, op het toneel de nodige portie seks te zien. Misschien was dat in 1996, toen Pountney zijn voorstelling ensceneerde, nog een heel klein beetje schokkend (al kan ik mij dat amper voorstellen), maar in de uitvoering van het geslachtsverkeer hebben zich sedertdien eigenlijk geen nieuwe ontwikkelingen van betekenis voorgedaan, dus het verrassingseffect, zo dat al aanwezig was, is er inmiddels wel af. Misschien dat de vele extreme passages in de muziek uitnodigen tot excessen, maar daar staat tegenover dat Gogol, die toch de oorspronkelijke novelle schreef, nu juist een nogal kuise auteur is. Nergens maakt hij het thema van de castratie expliciet, en dat draagt sterk bij tot de mysterieuze kracht van zijn meesterlijke novelle.

Lof verdient ook het decor, een soort plooibare wolk van ijzerdraad, een draadsculptuur die steeds andere vormen aanneemt, en aldus prachtig de mist suggereerde die zoveel aan de onwezenlijke nachtmerriesfeer van het verhaal bijdraagt. Voor de voorstelling waren niet minder dan 750 decor- en zetstukken voorzien, achter de schermen moet het er hebben uitgezien als een stapelpakhuis. Het knappe was dat het toneelbeeld niettemin, door een terughoudend gebruik van al dat materiaal, steeds heel sober bleef, en dat is ongetwijfeld wat bij deze opera – zoals denk ik bij elke opera die zich op of over de rand van het realistische afspeelt – het meest overtuigende resultaat afwerpt en de mysterieuze sfeer het best invoelbaar maakt.

Ook het orkest van De Munt weerde zich uitstekend en doorgaans met precisie in de stroom van de alsmaar de voortrazende, kolkende klankenbrij van Sjostakovitsj. De Hongaarse dirigent Gergely Madarsas, die sinds 2019 muziekdirecteur is van het orkest van Luik, maakte wat in het Vlaams heet “een felgesmaakt Muntdebuut”.

Een bijzondere vermelding verdienen de (enkel bezette en dus vaak zeer geëxposeerde) blazers en de elf slagwerkers. Zij lieten er geen twijfel over bestaan dat ‘De Neus’ een belangrijke opera is.

Maar om het werk te laten klinken als een onaantastbaar meesterwerk, daarvoor moesten we dan toch zijn bij de spitse en uiterst precieze Rozjdestvenski – daar helpt geen lieve moeder aan.

De Neus onder Rozjdestvenski uit 1979:

Trailer van de productie:

Dmitri Sjostakovitsj: De Neus cccc
Regie: Alex Ollé
Decor: Alfons Flores
Kostuums: LLuc Castells
Belichting: Urs Schönbaum
Koorleider: Jori Klomp

Met solistische rollen van:Scott Hendricks, Nicky Spence, Alexander Roslavets, Giselle Allen,  Anton Rositsky, Alexander Kravets, Natascha Petrinsky, Eir Inderhaug, Lucas Cortoos, Kris Belligh, Yves Saelens, Maxime Melnik, Leander Carlier, Byoungjin Lee, Andrzej Janulek, Bernard Giovani, Joris Stroobants, Arman Isleker, Bartosz Szulc, Pascal Macou, Kurt Gysen, Alain-Pierre Wingelinckx, René Laryea, John Manning, Hwanjoo Chung, Taeksung Kwon, Geoffrey Degives,  Luis Aguilar, Bruno Floriduz, Carlos Martinez, Tiemin Wang, Juan Tello Soto, Tristan Faes, Anton Kouzemin, Beata Morawska, Alessia Thais Berardi, Annelies Kerstens, Manon Poskin, Marioara Pop Rousselet,, Hélène Faux.

Symfonieorkest en koor van De Munt onder leiding van Gergely Madaras.

Voorstelling gezien op 27 juni 2023.



Foto’s van de productie: Foto: Bernd Uhlig

Marcella, een onbekend werk van Umberto Giordano

Tekst: Peter Franken

Vier jaar na zijn opera Siberia kwam Giordano met een kort werk waarin het populaire thema van een onmogelijke liefde waarbij een van de twee wordt verlaten als gevolg van externe omstandigheden is getoonzet op muziek die volledig herkenbaar Giordano is. Maar het verhaal is flinterdun en erg voorspelbaar en met een opera die slechts een uurtje duurt bleek het moeilijk te zijn eerdere successen te herhalen.

Bij gelegenheid van de honderdste verjaardag van de première werd Marcella volledig geënsceneerd uitgevoerd tijdens het 33e Festival Valle d’Itria in 2007. Door Dynamic is een opname op dvd uitgebracht

.

Het verhaal doet denken aan Puccini’s La Rondine en ook een beetje aan Giordano’s eigen Fedora. De troonopvolger van een koninkrijkje op de Balkan leeft incognito in Parijs onder de naam Giorgio, als student en kunstschilder. Op een feest wordt hij herkend door Drasco, een afgezant van zijn vaderland maar hij gebiedt hem te zwijgen. Na de nodige verwikkelingen gebeurt het dat Giorgio het berooide meisje Marcella onder zijn arm neemt.

Na het hedonistische feesttafereel uit de eerste akte verandert het toneelbeeld en zien we een terras met uitzicht op een berglandschap: het liefdesnestje van Giorgio en Marcella. Hij heeft zijn vader te kennen gegeven niet terug te zullen keren maar als Drasco hem komt vertellen dat het land in rep en roer is – moord en doodslag, anarchie – en het volk smeekt om de terugkeer van de kroonprins, beseft Giorgio dat hij geen keus heeft maar tegelijkertijd wil en kan hij geen afscheid nemen van Marcella.

Uiteindelijk is zij het die hem het extra zetje geeft omdat ze de hopeloosheid van de situatie inziet. Hij moet haar vergeten, anders blijft hun liefde voor altijd een open wond in zijn leven. De opera eindigt met Marcella die als een hoopje ellende op de grond ligt. Maar, er gaat niemand dood, net als in La Rondine.

In de eerste akte is er het nodige overdreven jolige feestgedruis en in een monologue intérieur bezingt Giorgio zijn vrije leven, incognito in een ver land. Daarna draait het vrijwel geheel om de twee geliefden die in bijna elke scène voorkomen en al dan niet in duet hun grote liefde voor elkaar bezingen. Tot het treurige einde aan toe.

Fraaie melodieën die zeker niet onderdoen voor hetgeen de componist tot dan toe had geschreven. Ook de orkestpartij kent zeer welluidende en pakkende momenten. Probleem is dat je er een ander werk mee moet combineren om een avondvullend programma te krijgen. Giordano’s laatste opera Il Re biedt een mogelijkheid maar dat werk is pas echt een rariteit. Dus typisch iets voor dat festival in Martina Franca, Puglia.

Sopraan Serena Daolio is een mooie Marcella, uitstekend gezongen. Met tenor Danilo Formaggia vormt ze een goed koppel, sterk optreden van beiden. Bijrollen en koor zijn goed bezet. De enscenering is van Alessio Pizzech. Manlio Benzi heeft de muzikale leiding.

De uitvoering is op Spotify te beluisteren:

Er bestaat ook een complete opname van de opera, maar op de sopraan na met een andere bezetting: