Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Izabela Matula schittert als La Wally

Tekst: Peter Franken

An Avalanche in the Alps, Phillip James De Loutherbourg, 1803, Uit de collectie van: Tate Britain

Alfredo Catalani (1854-1893) schreef vijf opera’s waarvan alleen La Wally uit 1892 enige bekendheid geniet bij het grote publiek. Het werk stamt uit dezelfde periode als Mascagni’s Cavalleria Rusticana (1890) maar is minder uitgesproken veristisch. La Wally markeert als het ware de overgang van romantiek naar verisme.

Het personage Wally doet in bepaalde scènes denken aan een licht hysterische wanhopige Santuzza maar gedraagt zich op andere momenten zo onbehouwen dat een vergelijking met een hybride van Turiddu en Alfio meer op zijn plaats is. Ze is dan ook geen arm dorpsmeisje maar na de dood van haar vader een grootgrondbezitter en de rijkste vrouw van het dorp.

Het verhaal is nauwelijks relevant, een vrijgevochten meisje dat niet wil trouwen met de man uit het dorp Hochstoff die haar vader voor haar heeft bepaald, een andere man uit het naburige Sölden (Hagenbach) die haar voorkeur heeft, de afgewezen huwelijkskandidaat Gellner), een uitdagende concurrente in de liefde en verder ruzie, wraak en moord. Het einde komt als Hagenbach door een lawine een ravijn in wordt gestort waarna Wally hem volgt in de dood.

In 2021 was er in Wenen een nieuwe productie van Catalani’s beroemde opera te zien in de regie van Barbora Horákova Joly. De Poolse sopraan Izabela Matula schittert in de titelrol op de opname die zeer recent door Unitel op dvd is uitgebracht.

Eva-Maria van Acker was verantwoordelijk voor decor en kostumering. Ze laat de handeling zich afspelen op een betrekkelijk kaal toneel met wat rotsblokken om de suggestie van een berglandschap te wekken. Tijdens bepaalde scènes zijn er wat rekwisieten zoals een tafel met glazen, een paar stoelen, eenvoudige feestversiering.

De laatste twee aktes spelen zich af in een stellage van meerdere verdiepingen die grote hoogteverschillen suggereren, een berg en een ravijn. De kostuums zijn in overeenstemming met de Tiroler omgeving zonder dat sprake is van etnografische flauwekul.

Alastair Miles is voorbeeldig als de onsympathieke vader van Wally die haar ter plekke aan Gellner wil uithuwelijken nadat hij door Hagenbach is vernederd. Dat zijn dochter op diezelfde Hagenbach verliefd is, deert hem niet. Haar wel natuurlijk en ze neemt de benen. Na zijn dood keert ze terug in het dorp, nu rijk en machtig en daar maakt ze gemakkelijk misbruik van. Het is een vrouw met een sterk karakter en de nodige onprettige kanten.

Voor zo’n rol moet je geen tengere kwetsbaar ogende sopraan inzetten en in dat opzicht is Matula een ideale keuze. Ze is een betrekkelijk forse vrouw die tevens heel aantrekkelijk is. Acterend weet ze alle details in Wally’s grillige gedrag goed uit te spelen. Stimmlich is ze volstrekt ideaal voor deze partij. De bekende aria ‘Ebben? ne andrò lontana’ krijgt een prachtige vertolking en ook de monologen in de laatste twee aktes zijn van hoog niveau.

De onfortuinlijke Gellner komt voor rekening van Jacques Imbrailo, een wat ondankbare rol waar hij goed raad mee weet al vind ik hem acterend soms wat pathetisch. Zijn concurrent in de liefde Hagenbach is in goede handen bij Leonardo Capalbo, een uitstekende tenor, ik zag hem eerder al eens als Don Carlo in Antwerpen. Daarmee is de klassieke liefdesdriehoek  uitstekend bezet.

Door het stuk heen loopt het jongetje Walter dat zich welhaast fysiek aan Wally heeft gehecht. Vermoedelijk is hij een weeskind die in haar een grote zelfbewuste zus ziet. Walter is altijd vrolijk en zelfs als de wereld voor Wally lijkt in te storten nog steeds het toppunt van optimisme. Deze bijrol krijgt gestalte in de persoon van Ilona Revolskaya. De grote aria aan het begin, Wally’s lied, wordt door haar met verve gebracht. De overige rollen zijn adequaat bezet.

Het Arnold Schönberg Koor en de Wiener Symphoniker staan onder leiding van Andrés Orozco-Estrada.

Trailer:



Productie foto’s: © Herwig Prammer

Vier danshelden, maar dat is net niet genoeg voor een echt goede voorstelling

Tekst: Neil van der Linden

Ons in het publiek wordt gevraagd ieder een voorouder in gedachten te nemen. De vier dansers doen dat ook, in drie gevallen een historische geestverwant, in het geval van choreografe Amanda Piña ook een echte bloedverwant. Het zijn elk van oorsprong niet-Westerse pioniers in de dans, die echter grotendeels zijn vergeten.

Nyota Inyoka (1896-1971) werd geboren in Pondicherry, een Franse kolonie in India, en groeide op in Parijs, dochter van een Franse moeder en een Indiase vader, hoewel ze soms werd aangekondigd als ‘Egyptisch’, ‘Perzisch’ en ‘Cambodjaans’.

François “Féral” Benga (1906–1957) was het onwettige kleinkind van een rijke onroerend goed eigenaar uit Dakar, Senegal, en werd onterfd vanwege zijn homoseksualiteit. Hij werd een ster in de Folies Bergère en was lid van de Ballets Noirs met Josephine Baker. Hij speelde in Le sang d’un poète van Cocteau en nadat hij New York trok werd hij een veelgevraagd model tijdens de Harlem Renaissance Afro-Amerikaanse beweging, toen onder meer fotograaf Carl Van Vechten hem als rolmodel vastlegde.

Leyla Bedir Khan werd geboren in Istanbul als dochter van Abdürrezzak Bedir Khan uit een Koerdisch-Ottomaanse adellijke familie en Henriette Ornik, een Oostenrijks-Joodse tandarts. Haar geboortejaar was waarschijnlijk 1903, al zei ze zelf 1908, ook al zat haar vader tussen 1906 en 1910 in een gevangenis in Libië. Toen het het Ottomaanse rijk uiteen viel vestigde haar familie zich in Egypte.

Na de dood van haar vader ging ze met haar moeder naar Wenen, waar Leyla haar eerste danslessen volgde. Vervolgens trok ze naar Parijs om Indiase en Perzische cultuur onder meer Zoroastrische cultuur te bestuderen. Ze trad op in operahuizen in Europa en de Verenigde Staten. Over haar choreografieën zei ze dat ze de die eigenlijk niet echt leerde. Ze improviseerde.

In het geval Clemencia Piña ‘La Sarabia’ (1878-1988) was een oudtante van de Mexicaans-Chileense en via een grootvader ook nog Libanese Amanda Piña. ‘La Sarabia’ werd door haar moeder meegenomen naar Mexico en had een succesvolle loopbaan in Europa, in Parijs en ook ooit voor de Russische tsaar. Ze gebruikte een breed amalgaam van invloeden, Mexicaans, flamenco, Braziliaans.

Exotisme is een kernwoord, zo vertelt Amanda Piña aan het begin van de voorstelling. Danspioniers die de Westerse dans beïnvloedden met niet-Westerse danselemementen. Maar die ook in het harnas van exotisme vast kwam te zitten.

‘Feral’ in de artiestennaam van Francois ‘Feral’ Benga betekent zoiets als ‘wild’, zoals bij een zwerfkat, en dat is in veel opzichten een racistisch clichébeeld, ook al wilde Benga daar blijkens die bijnaam wel aan voldoen. En de choreografie die Benga in Parijs eind jaren dertig zelf maakte werd afgedaan als niet Afrikaans genoeg. Als fotomodel in New York was hij vooral een black queer sekssymbool.

Ook Leyla Bedir Khan kwam vast te zitten in exotisme en dat gold voor alle anderen ook. En ook Bedir Khan gold in haar tijd als exotische queer sekssymbool. In elk geval zijn al deze pioniers inderdaad grotendeels vergeten, en zeker om wat ze voor de dans hebben betekend.

De voorstelling speelt zich af in een replica van een decor van de Franse fin de siècle-opera- en musical-scenograaf Albert Dubosq (1863-1940), die vooral in Brussel maar trouwens ook in Nederland werkte. Het beeldt een tropisch landschap uit, en is daarmee een eerbetoon aan een grootheid in de stad waar deze voorstelling vrijwel meteen na de première vandaan komt, Brussel, en het is ook een verwijzing naar het geldende exotisme van indertijd. Geluiden van vogels versterken de exotistische sfeer.

Jammer is dat het allemaal toch niet echt tot leven komt. De voorstelling blijft sterk hangen op afzonderlijke scenes rond de verschillende personages, die al snel verworden tot afzonderlijke sketches. Natuurlijk moeten we eerbiedig zijn tegenover die helden. Maar dat is niet genoeg om een voorstelling te dragen, hoe sympathiek alles ook is.

Wat evenmin helpt is dat de muziek, ondanks de verschillende muzikale stijlen, West-Afrikaans, Spaans, Braziliaans, Caraïbisch, maar ook hiphop en reggaeton (moderne op reggae gebaseerde dancemuziek) en ondanks citaten uit originele vintage geluidsopnamen, grotendeels vanwege eenzelfde soort elektronische klank nogal eenvormig en ook kil klinkt.

En ook al is de Belgisch-Congolese André Bared Kabangu Bakambay een uitstekende breakdancer, breakdance staat al in alle soorten en maten op het podium en het maakt de voorstelling er niet per se actueler op.

Ook dat nadrukkelijk wordt gemeld dat twee van de vier vereerde helden queer zijn is niet voldoende, al komen we wel interessante wetenswaardigheden te weten. Bijvoorbeeld dat in de tijd van de Folies Bergère personen van Afrikaanse komaf lukraak op grond van hun exotisch uiterlijk werden aangenomen, maar dat dat zowel in het geval van François Benga  als van Josephine Baker goed uitpakte.

Maar dus o wee als je je dan niet exotisch genoeg gedroeg, wat bleek toen wat Benga’s Parijse zijn magnum opus had moeten worden volgens de publieke opinie niet Afrikaans genoeg was. (Josephine Baker lukte het zich daaraan te onttrekken, ongetwijfeld door haar enorm sterke persoonlijkheid, maar ook door haar heldenmoed in de tweede wereldoorlog en haar sociale opstelling daarna.)

Gezien Exótica van Amanda Piña, 6 juni, ITA, AmsterdamHerhaling 7 juni.

Foto’s Exotica Tammo Walter

Over lijken gaan. Simon McBurneys prachtige volksvertelling en eco-thriller als opening van het Holland Festival

Tekst: Neil van der Linden

Wat een prachtige voorstelling. Een lyrisch volksvertelling-achtig verhaal vermengd met een eco-thriller. Aanvankelijk heb je niet door waar het verhaal zich afspeelt. Ergens tussen Engeland en Schotland of tussen Ulster en de Ierse Republiek misschien? William Blake wordt voortdurend geciteerd, een katholieke priester is prominent aanwezig (en speelt een bedenkelijke rol) en op gegeven moment wordt gezegd dat Engelsen niet erg geliefd zijn in het gebied waar het verhaal zich afspeelt.

Maar dan hoor je dat degene die het grootste deel van het verhaal vertelt Janina heet, niet echt een Engelse naam, en vervolgens dat haar achternaam Duszejko is, en dat ze, oorspronkelijk afkomstig uit Warschau, lerares Engels is in een afgelegen streek van Polen aan de Tsjechische grens.

Ze vertelt dat ze ooit brugbouwkundig ingenieur was en overal ter wereld werkte, tot in Libië en Syrië  toe. Niet echt de fijnste landen zou je zeggen, maar dat waren landen waarmee communistisch Polen waarschijnlijk goede relaties had, en ze dacht daar wel iets goeds voor de bevolking te doen.

Na een ongeluk of ziekte is ze omgeschoold tot schoollerares Engels. In het dorpje waar ze nu woont heeft ze maar beperkt contact met dorpsgenoten, waarvan sommige nogal zonderling zijn, maar zij is dat niet minder.

Een teruggetrokken levende buurman met een aangeboren spraakgebrek, een entomoloog die onderzoek doet naar een zeldzame kever en zelfs min of meer een romantische relatie met haar krijgt. Dr Ali, een immigrant die vroeger arts was bij nomadische stammen in de Sahara; een voormalige schoolleerling, die van haar de passie voor Blake heeft overgenomen en nu nog veel fanatieker over hem is dan Janina, een meisje uit de buurt, enz.

Ze vinden elkaar ieder op zijn/haar manier in het verzet tegen sinistere plannen om het dorp te ontvolken en er een steengroeve van te maken. De boosdoeners zijn lid van een ‘jachtclub’ en spannen onder leiding van een paar gewetenloze zakenlieden samen met de dorpspriester, het hoofd van de politie en de directeur van de school.

Janina Duszejko komt daar achter als haar twee dierbare honden worden doodgeschoten bij een jachtpartij. Aangeslagen door de dood van haar ‘dochters’, zoals ze de honden noemt en onderhand anti-jacht en verklaard vegetariër, gaat ze op onderzoek uit. Vervolgens komen steeds meer leden van de criminele kongsi op mysterieuze wijze om het leven.

Janina, die ook overtuigd astrologe is, kan alles verklaren vanuit de sterren en wijt de moorden ook aan de dieren in het bos die wraak nemen omdat op de plek van de moorden afdrukken van hertenhoefjes worden gevonden en omdat één van de leden van het jachtgezelschap wordt gevangen in een strik die voor dieren was gezet.

Janina wordt bijgestaan door haar club van getrouwen, die steeds meer echte vrienden worden. Wat wij als publiek lange tijd niet weten, maar wel geleidelijk aan kunnen gaan vermoeden is dat (spoiler alert!) Janina zelf de moorden in touw zet; al dan niet bewust, zozeer is ze aangegrepen door de dood van haar twee honden.

En ja, als dit alles aan het licht komt zijn al haar nieuwe vrienden zo met haar begaan dat ze haar uiteindelijk over de grens in veiligheid brengen in een diep woud, waar ze misschien nog lang en gelukkig zouden leven. Daar heb je vrienden voor.

Dit alles wordt in vliegende vaart en toch in een voorstelling van inclusief pauze maar liefst drie uur en twintig minuten ijzersterk neergezet in Drive Your Plow Over the Bones of the Dead, de openingsvoorstelling van het Holland Festival van dit jaar.

Olga Tokarczuk

Het personage Janina Duszejko is gebaseerd op de hoofdpersoon in de roman van de Poolse auteur en Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, in het Nederlands vertaald als Jaag je ploeg over de botten van de doden, natuurlijk ook naar een dichtregel van Blake

De gigantische rol van Janina Duszejko, die bijna de hele tijd aan het woord is werd vertolkt door Amanda Hadingue, een prestatie van reuzenproporties, ook, omdat zij zich met schijnbaar gemak door de lappen tekst heen werkt en daarbij geheel naturel overkomt.

Samen met haar stuk voor stuk ook fenomenale medespelers van het ensemble weet ze je binnen de kortste keren mee nemen in het verhaal en je je te laten verplaatsen naar waar Drive Your Plow Over the Bones of the Dead zich afspeelt. En ja, tot en met het einde kies je voor Janina, tsja, inderdaad inclusief de moorden, want het is een ook wel erg boze wereld waartegen ze zich verzet, waarin ook de overheid en de clerus over lijken gaan, dierenlijken weliswaar, maar waarin ze uiteindelijk ook het wel en wee van de bewoners en de hele wereld aan hun laars lappen.

Simon McBurney staat bekend om zijn innovatieve gebruik van technologie op het toneel (The Encounter, ook met zijn eigen gezelschap Complicité, Holland Festival 2016) en die Zauberflöte (De Nederlandse Opera 2018, terug komende december).

Die technologie is nadrukkelijk én onnadrukkelijk aanwezig in Drive Your Plow Over the Bones of the Dead. Naast Amanda Hadingue zien we af en toe de overige acteurs en verder een groot deel van de tijd bijna zwart decor. Maar op cruciale momenten zien we lichtflitsen, filmprojecties van het dorpscafé, schaduwen van sinistere personages en de sterrenhemel inclusief de astrologische versies daarvan waarin Janina wijsheid zoekt.

De muziek en overige geluiden zijn precies zo gedoseerd. Een voorstelling die op je netvlies achterblijft, zoals de plotselinge visuele effecten maar vooral het zo moedige, maar tragische personage Janina Duszejko.

Naar de roman van Olga Tokarczuk.

Regie Simon Mc Burney

Met Amanda Hadingue, Thomas Arnold, Johannes Flaschberger, Kathryn Hunter, Kiren Kebaili-Dwyer, Weronika Maria, Tim McMullan, César Sarachu, Sophie Steer, Alexander Uzoka, Tamzin Griffin  productie Complicité  coproductie Barbican London, Belgrade Theatre Coventry, Bristol Old Vic, Comédie de Genève, Holland Festival, les Théâtres de la Ville de Luxembourg, l’Odéon-Théâtre de l’Europe, The Lowry, The National Theatre of Iceland, Oxford Playhouse, Ruhrfestspiele Recklinghausen, Theatre Royal Plymouth.

Foto’s Mark Brenner, Camilla Adams en Łukasz Giza.

Gezien 3 juni 2023 Theater Amsterdam in het Holland Festival.

Rusalka goes to Hollywood



Tekst: Peter Franken

De essentie van Dvoraks opera zit hem in de overstap die een vrouw maakt naar een andere wereld omdat ze verliefd is geworden op een droombeeld in de vorm van een man. Of het nu een waternimf is die door middel van hekserij de gedaante van een vrouw kan aannemen of een meisje dat zich een ander uiterlijk laat aanmeten om mee te kunnen komen in een wereld van ‘hype and hoopla, glitter and be gay’ is feitelijk van ondergeschikt belang. In beide gevallen zullen er de nodige ongerijmdheden op de koop toe moeten worden genomen, het gaat om het basisidee.

Vanuit die gedachte heeft het regisseursduo Philipp Stölz & Philipp M. Krenn hun Rusalka de transformatie laten ondergaan van heroïnehoertje in droomprinses in het Hollywood van begin jaren ’50 toen de Hays Code nog krachtig werd gehandhaafd. Dus vooral onschuldig vermaak, mooie kostuums, zoete verhaaltjes en veel pasteltinten.

Het decor van Heike Vollmer en Philipp Stölz en de kostumering van Anne Winckler vormen de perfecte ondersteuning van dit concept en maken de nieuwe productie van Rusalka voor De Nationale Opera visueel een groot succes. En met een uitstekende bezetting van de hoofdrollen en een prachtig spelend KCO kon de premièreavond op 2 juni niet meer stuk.

Toneelbreed is een straat in Hell’s Kitchen te zien, lower westside New York. Naast elkaar een hal met live show cabines, een bioscoop waar de film ‘The Prince and the Mermaid’ draait, een kapsalon met in de kelder een ruimte voor plastisch chirurgische ingrepen en een hotel waar de kamers per uur worden verhuurd.

De Watergeest wordt opgevoerd als pooier van een paar hoeren (Nimfen) die hij hardhandig onder de duim houdt, niet zelf: hij heeft er twee handlangers voor. Ze hebben weinig kans veel van hun verdiende geld voor zichzelf te houden en dat wringt nogal met de vaderlijke tekst die hun beschermer debiteert.

Ook is het opvallend hoe gemakkelijk hij Rusalka laat gaan, dat zijn van die ongerijmdheden waarvan in de inleiding werd gesproken. Een rustig langslopende politieagent raapt een bankbiljet op dat ‘per ongeluk’ op de grond is beland: hear no evil, see no evil.

J

Jezibaba kijkt niet echt op van Rusalka’s wens om ‘verbouwd’ te worden: daarvoor komen ze bij mij. Het meisje loopt in een korte rok met kniekousen en draagt een bril. Slecht kapsel en slordig shirt doen de rest: ze ziet er uit als iemand die van de straat leeft. Uit de bioscoopvitrine heeft ze een afbeelding van de vrouwelijke ster gescheurd en houdt die voor haar lijf. Zo moet ze worden.

Dat lukt opvallend goed dankzij een zelfde jurk, borstvergroting en een ander kapsel. Ze oogt als Marilyn, vooral door die licht verdwaasde bijna trieste blik van de vrouw die verloren is in een wereld die eigenlijk de hare niet is.

Als later de Vreemde Prinses opduikt in de rol van tegenspeler van de Prins in zo’n film die Rusalka op dit spoor heeft gezet, ogen die twee vrouwen vrijwel identiek zij het dat Rusalka een blauwe jurk draagt en haar concurrente een roze. Daarmee is alles wel gezegd. Tegen die vamp kan ze niet op en dat is niet alleen een kwestie van niet kunnen spreken.

De filmster-prinses pakt haar tegenspeler volledig in en binnen de kortste keren heeft ze haar hand in zijn broek. Het gebeurt ‘off stage’ dus de Hays Code is niet van toepassing. Als ze hem omstandig zijn broek ziet dichtknopen weet Rusalka dat ze het pleit heeft verloren. Ze heeft hier niets te zoeken, moet zo snel mogelijk terug naar New York.

Daar aangekomen wordt ze niet door haar vroegere werkomgeving geaccepteerd. Ze is haar plaats kwijt en dat zal ze weten ook. In de bioscoop draait nu toepasselijk ‘The Mermaid returns’. De Watergeest wil zich wreken op diegenen die haar zo slecht hebben behandeld, weinig zelfreflectie maar vooruit.

Als de Koksjongen en de Jachtopziener arriveren op zoek naar Jezibaba worden ze neergemaaid. Binnen het reguliere geweld dat de omgeving nu eenmaal kenmerkt is dit het enige over the top moment. De Prins arriveert en na zijn ontmoeting met Rusalka verdwijnt hij in een zich openend filmdecor, zijn dood is tenminste mooi vormgegeven.

De filmscènes laten de nodige extra’s zien in badpak met verenpluim, een verwijzing naar een film als ‘The million dollar mermaid’ uit 1952 met Esther Williams. Het bal krijgt de vorm van een dansscène met matrozen waarin de prins als marineofficier participeert. Het deed me denken aan ‘On the town’ uit 1949, een film met onder meer Gene Kelly en Frank Sinatra.

De grote liefdesscène van Prins en Mermaid speelt zich af op een verhoging met een enorme schelp die zich over het liefdespaar sluit, schitterend cliché. Een Borgward Isabella Cabrio uit 1954 speelt in beide werelden een rol. Een Amerikaanse auto was hier een betere keuze geweest, moet toch niet zo moeilijk zijn. Het decorontwerp in het programmaboek laat er in elk geval eentje zien.

Johanni van Oostrum was fenomenaal in de titelrol, een geweldige vertolking van de gekwelde waternimf annex heroïnehoer die uiteindelijk tussen wal en schip terecht komt. Als Agathe in Der Freischütz vorig seizoen kreeg ze helaas weinig gelegenheid om haar vocale en theatrale mogelijkheden te etaleren maar hier is ze de ster van de avond, brava.

Annette Dasch is maar kort op de scène aanwezig maar weet niet in de laatste plaats door haar acteertalent tijdelijk het toneel in bezit te nemen. Goed gezongen en altijd geweldig om naar te kijken. Haar Elsa in Bayreuth staat in mijn geheugen gegrift en sindsdien ben ik een groot bewonderaar van ‘Die Dasch’.

De derde grote rol kwam voor rekening van Raehann Bryce-Davis. Ik zag haar eerder al eens als Eboli, gespeeld als een prinses met ‘maniertjes’. Hier acteerde ze tamelijk naturel en liet vooral haar volle diepe mezzo het werk doen. Ze completeerde het trio vrouwelijke hoofdrollen, een cast op zeldzaam hoog niveau met uitnemende zang.

Pavel Cernoch was een aantal jaren geleden als Laca de tegenspeler van Dasch in Jenufa en het is een genoegen hem weer in Amsterdam terug te zien. Geheel in Hollywood stijl zet hij acterend een leeghoofd neer, een omhoog gevallen acteur die het volledig van zijn uiterlijk moet hebben. Het is vergelijkbaar met een prins, iemand die is geboren met een zilveren lepel in zijn mond.

Maxim Kuzmin-Karavaev was een prima Watergeest,  Erik Slik een leuke Jachtopziener en tenslotte Georgiy Derbas-Richter als een adequate Jager.

Geslaagd optreden ook van de dames in de kleinere rollen: Karin Strobos als de Koksjongen, Inna Demenkova, Elenora Hu en Maya Gour als Nimfen. Een grote groep dansende figuranten was afkomstig van het gezelschap Lucia Marthas Institute for Performing Arts. Het koor van DNO was kort te horen in de tweede akte.

Traditioneel zit het KCO in de bak tijdens het Holland Festival en soms vind ik dat een beetje overdreven, alsof je een solist in het koor laat zingen. Deze keer pakte het zeer gelukkig uit. Rusalka is bijna een symfonie met zang en daarin had een toporkest als het KCO volstrekte meerwaarde.

Dirigent Joana Mallwitz ontlokte een weelderige klank aan het orkest met veel aandacht voor dramatische accenten en crescendi. Soms liet ze het orkest fluisteren of werd veel ruimte gemaakt voor fraaie instrumentele soli, dan weer zwol het volume aan en golfde het geluid over de rand van de bak. Maar nergens was het teveel, de solisten hoefden op geen enkele ogenblik te forceren om boven het orkest uit te komen.

Nog geen week geleden zat ik in Düsseldorf me te verbazen over het gebrek aan subtiliteit: orkest, koor en solisten die permanent op orkaankracht musiceerden. Bij de première van Rusalka waande ik me in een andere wereld.. Een absolute aanrader deze seizoen afsluiting.

Trailer:

Foto’s: © Clärchen & Matthias Baus | De Nationale Opera

Lulu by Wedekind and Alban Berg. A mystery? A phantom?


Who is Lulu? What do we know about her? Does she really exist or is she nothing more than a fantasy?

Wiedekind als Dr.Schön en zijn vrouw Tilly als Lulu in’Der Erdgeist’ ©Bildarchiv EFWFrank

A portrait of her is painted in the first act, which then runs like a thread through the whole opera, much like the portrait of Dorian Gray. Whatever happens to Lulu, her portrait remains unchanged.

Alban Berg was quite obsessed with her character, taken from Wedekind’s plays Der Erdgeist and Die Büchse der Pandora.

Hanna Fuchs

This may also have had to do with his personal life. She might be the personification of Czech Hanna Fuchs, Berg’s last great love. But there are also music psychologists who want to see Berg himself in Lulu

Berg and his wife

Berg did not finish his opera: when he died in 1935, the third act consisted only of sketches.

It was the Austrian composer Friedrich Cerha who orchestrated 1979’s unfinished third act; until then, only the first two acts were being performed.

CD’S

Teresa Stratas

You simply cannot live without the very first recording of the complete opera with the third act, as it was finalized by Cerha. Deutsche Grammophon made a studio recording in 1979 immediately after the Paris premiere (DG 4154892).

All fantastic Lulu’s notwithstanding, no one can match Teresa Stratas. Even without the textbook, you will not only clearly hear but also really understand every word. Robert Tear is a delightfully naive painter and Franz Mazura an unrivalled Dr Schön. Kenneth Riegel’s Alwa is a matter of taste, but his empathy is just about perfect.

Pierre Boulez’s seemingly cool and analytical approach makes the drama sizzle even more.

You can also watch the complete recording with Stratas on YouTube:

Anneliese Rothenberger

The recording made by EMI in 1968 (91233028) should really not be missing from any collection. Anneliese Rothenberger is a very light, bouncy Lulu, truly an innocent girl.

Forget about Gerhard Unger (Alwa), but Toni Blankenheim’s surprisingly light and sarcastic Dr Schön (Schigolch with Boulez) is really irrisistable.

What makes the recording extra desirable is Benno Kusche in the small role of Tierbändiger. The recording itself also sounds surprisingly good.

Ilona Steingruber

Ilona Steingruber’s name does not ring a bell these days, but in her time she was a celebrated soprano, whose repertoire included Mahler, Korngold, Strauss and Alban Berg.

On the 1949 recording directed by Herbert Häfner (including Archipel Desert Island Collection ARPCD 0540), Steingrubber sings a very sensual Lulu: erotic and exciting in her singing and remarkably childlike in the dialogues.

Otto Wiener is a very authoritarian Dr Schön and Waldemar Kmentt a not very idiomatic but very present Maler. The confrontation between the two, ‘Du hast eine halbe Million geheiratet’, is therefore particularly exciting.

DVD’S

Evelyn Lear

With her movie-star looks and angelic voice, Evelyn Lear has been referred to in the press as ‘Elisabeth Taylor meets Elisabeth Schwarzkof’. Personally, I find the American soprano, very popular in the 1960s to 1980s, much more interesting than her German colleague.

Lear was one of the greatest and best advocates of modern music. On 9 June 1962, she sang the role of Lulu in the first Austrian production of the work, at the newly reopened Theater an der Wien.

I can imagine that the posh premiere audience may have been a bit surprised to see a prima donna dressed only in a tight-fitting corset and fishnet stockings, but if so, nobody showed it.

It was directed by the then very young Otto Schenk, who followed the libretto closely. That Paul Schöffler (Dr Schön ) reminded me of Professor Unrath from Der blaue Engel is, of course, no coincidence. Nor is his resemblance to Freud.

The last scene, beginning with Geschwitz’s plea followed by images of Jack the Ripper, could just as well have been taken from one of the best Hitchcock films. Especially since Gisela Lintz, who sings the role of the Countess, looks a lot like one of the director’s beloved actresses.

Watching Karl Böhm conducting is also extremely exciting. I have never seen him gesticulating so violently. An absolute must (Arthaus Musik 101 687).

Julia Migenes



I have never understood why Julia Migenes wasn’t allowed to sing ‘real’ operas more often. She was a big star on Broadway and she triumphed in several musical films, but to my knowledge, apart from Lulu, she has performed very few other opera roles on the stage. Both her appearance and acting are so formidable that one can readily forgive her for not always singing cleanly.

Franz Mazura is a phenomenal Dr Schön. In the scene where he writes the farewell letter to his fiancée, you can almost smell his sweat. What a performanc

As Geschwitz, the now older but still gorgeous Evelyn Lear is convincing in every way. John Dexter’s very fine production was recorded at the Metropolitan Opera in 1980 (Sony 88697910099).

The complete recording can be viewed here:

https://www.operaonvideo.com/lulu-met-1985-levine-migenes-mazura-riegel-lear/

Agneta Eichenholz

This totally unadorned production by Christof Loy was recorded at London’s Royal Opera House in June 2009. Loy has stripped the opera completely and reduced it to its pure essence, something I find very fascinating.

His minimalist approach allows all attention to be paid to the characters, their motivations and their development. Whatever you think of the direction: musically it is spot on. Antonio Pappano really works wonders with the orchestra; you will rarely hear this music so transparent and at the same time so emotionally charged.

Klaus Florian Vogt cannot really convince me as Alwa, but Jennifer Larmore is an exceptionally attractive Geschwitz. And Agneta Eichenholz (with her big eyes pretty much the reincarnation of Audrey Hepburn) is a beautiful Lulu in every way. Michael Volle is for me, after Franz Mazura, the best Dr Schön (Opus Arte OA 1034 D).

Below is an excerpt from the production:

Patrizia Petibon

I am not a fan of Patrizia Petibon: I find her posturing is rather irritating. Her voice is also on the small side, so she often has to force it. Not conducive to the very high and difficult notes Berg has his lead singer sing. I also find her physically ill-suited for the role. She is not a ‘Lolita’, but an adult whore dressed like a little girl with ditto behaviour.

I also have trouble with Geschwitz (Tanja Ariane Paumfartner, an unknown to me), but the rest of the singers are more than excellent, with the unsurpassed Michael Volle as the inimitably good Dr Schön.

Thomas Piffka is an outstanding Alwa, unmistakably a composer who is constantly working on his opera. Pavol Breslik is a horny Maler, Grundhebber a fantastic Schigolch and Cora Burggraaf a sparkling Gymnasian.

Vera Nemirova’s production (Salzburg 2010) is colourful and highly expressionistic. Marc Albrecht is a perfect conductor for the work: under his direction, the Vienna orchestra shows its very best side (Euroarts 2072564).

Below the trailer:

Mojca Erdmann

Whoever came up with the unholy idea of having an unknown and unremarkable composer (have you ever heard of David Robert Coleman?) recompose Lulu for this production in Berlin in 2012, I don’t know, but I am not at all grateful.

Only the third act was adapted, because they dared not touch the real Berg. At least… the prologue has been scrapped, which totally ruins the opera. In its place we get a man, lying down quoting Kierkegaard: “Alles Erlebte tauche ich hinab.” Well well…??

Andrea Breth, by now on my no-no list of directors shows her worst side here. The production is deadly dull. Neither the ethereally singing Mojca Erdmann, nor the scorching Deborah Polaski, nor Michael Volle or Thomas Piffka can undo this cruel murder of a masterpiece (DG 0734934).





lGevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012

Opera Zuid brengt Orphée aux enfers als geslaagd muzikaal pandemonium

Tekst: Peter Franken


Offenbach (1819-1880) schreef naar schatting ongeveer honderd werken voor het muziektheater. Orphée aux enfers uit 1858 staat te boek als de eerste operette, toen een nieuw genre binnen het muziektheater. Voor velen dankt het zijn bekendheid aan de ‘Galop infernal’, een dansnummer dat later furore maakte als de ‘cancan’.

Tussen de vele zang- en dansnummers door bieden gesproken teksten veel ruimte voor typisch Franse humor. Maar tegelijkertijd ontstaat ruimte om het geheel te actualiseren. Het bekritiseren van oppergod Jupiter kan in elk tijdsgewricht model staan voor het op de hak nemen van de ‘powers that be’. Zo ver komt het in deze productie van Benjamin Prins echter niet, de humor blijft dicht bij het origineel.

Orpheus die zijn geliefde Eurydice uit de Onderwereld probeert terug te halen is een populaire mythe en Offenbach heeft daar een goed gevonden twist aangegeven. Orpheus is blij van dat mens af te zijn, die slang die haar heeft gebeten verdient een standbeeld.

Zij op haar beurt denkt verleid te zijn door een schaapherder die in werkelijkheid de god Pluton is. Haar voorland is een verblijf in weelde en gemak in het godenrijk. Niet op de Olympus waar men weinig meer doet dan slapen, zich vervelen en elke dag weer overleven op een dieet van nectar en ambrozijn, maar aan gene zijde van de Styx waar men weet wat feesten is.

Dat dit niet goed valt bij de gevestigde maatschappelijke orde die natuurlijk graag de schijn ophoudt van gelukkige huwelijken en wat dies meer zij, biedt de boulevard pers een pakkend item. Orpheus wordt aan de schandpaal genageld, zijn carrière kan hij verder wel vergeten.

Of toch niet? Tijdig ingrijpen kan zoiets voorkomen en het personage ‘Opinion Publique’ neemt de zanger, die hier overigens violist is, onder de arm en voert hem met zachte dwang naar de Onderwereld om zijn vrouw terug te halen.

Gelukkig voor hem is er die voorwaarde dat hij niet mag omkijken op weg terug naar huis. Jupiter laat een bliksem afgaan, Orpheus schrikt en kijkt onwillekeurig om en Eurydice kan tot haar grote opluchting gewoon blijven waar ze is, al kiest ze voor een bestaan als Bacchante, niet de minnares van Jupiter of Pluto. Iedereen tevreden, ook de publieke opinie is aan haar trekken gekomen. Op naar het volgende schandaaltje.

De wat melige Franse humor die vooral de dialogen de toegevoegde waarde van een reclameblok kan geven, zijn hier sterk ingekort en gemoderniseerd. Daardoor weet Prins de vaart er behoorlijk in te houden al vond ik dat de dansnummers voor de pauze dat effect grotendeels te niet deden.

Het spektakel vindt met name in de Onderwereld plaats waar Offenbach ‘la charme discret de la bourgeoisie’ breed uitmeet in termen van seks, drugs and rock and roll al blijft het in deze productie opvallend ‘netjes’. Barrie Kosky wond er in Salzburg beslist minder doekjes om.

Behind the scenes: de choreograaf

Vijf dansers, drie mannen en twee vrouwen, zijn vrijwel voortdurend in beeld. Aanvankelijk als schapen en later in eenvormige sexy kostumering. Ook de solisten en het koor dansen zo nu en dan mee waardoor het een jolige troep wordt. Dat is vooral als men Jupiter smeekt mee te mogen op zijn uitje naar de Onderwereld om te kijken of daar inderdaad de mooie Eurydice in het geheim wordt vastgehouden door Pluton, die dat in alle toonaarden ontkent.

Eurydice and Eugène Vauthier as Jupiter, 1887

Jupiter heeft een dubbele agenda: hij moet het fatsoen vaandel hooghouden naar de mensenwereld maar heeft tegelijkertijd zijn zinnen gezet op een nieuwe verovering. Hij bezoekt haar als vlieg en Eurydice laat blijken zijn aanwezigheid plezierig te vinden door ‘zoemend’ te gaan zingen. Daarna geeft ze hem zijn marsorders: oppergod of niet, niemand vraagt haar ooit eens wat ze zelf wil.

Massaregie, vlotte teksten, ongedwongen zang, exuberante kostuums, kleurrijke decors en belichting dragen een voorstelling als deze. Het is een niemendalletje en als zodanig erg lastig er iets leuks van te maken. Daarin zijn Prins en zijn team zeer goed geslaagd. Voeg daarbij de algehele muzikale leiding van Enrico Delamboye en het feest kan beginnen.

Over het geheel werd er vrij goed gezongen en de philharmonie zuidnederland gaf het geheel een prima muzikale ondergrond. Omdat alles voortdurend ‘grappig’ moet klinken bleef echt mooie zang uit als wist Amel Brahim-Djelloui als Eurydice wel de nodige fraaie coloraturen ten beste te geven.

Anna Emelianova bezong als Diane de dood van haar geliefde en moest dat vergezeld laten gaan van veel gekrijs en woedekreten. Daar had ik toch echt liever gewoon de complete aria normaal gezongen gehoord.

Francis van Broekhuizen was op haar geheel eigen wijze leuk op dreef als Junon en kreeg ook nog een korte aria te zingen.

Behind the scenes: Francis van Broekhuizen

Orpheus is bij Offenbach feitelijk een bijrol. Als hij op de Olympus – tegen zijn zin – zijn verhaal komt doen zingt hij (opzettelijk vals) Glucks’ ‘J’ai perdu mon Eurydice’ waarop alle aanwezige godinnen onmiddellijk invallen met ‘Rien n’egale mon malheur’.

Eurydice daarentegen is nadrukkelijk aanwezig, zowel ‘op aarde’ als in de onderwereld. Alleen in de scène op de Olympus ontbreekt ze, opgesloten in Plutons harem, waar ze vooral lastig wordt gevallen door ‘butler’ John Styx, gespeeld door Olivier Hernandez. Pluto laat haar gewoon zitten, de eikel.

Mark Omvlee excelleerde als manipulerende Pluton en Mathys Lagier was een leuke Orphée die behalve zingen vooral zogenaamd viool moest spelen, tot afgrijzen van Eurydice die het een straf vond om dit te moeten aanhoren.

Thomas Morris gaf gestalte aan de Opinion Publique, zeer overdreven ‘Frans’, had wat mij betreft wel iets minder gemogen. Later transformeerde hij tot Bacchus, een personage meer in overeenstemming met zijn voordracht.

Roger Smeets was een nogal schreeuwerige Jupiter die het liefst steeds maar weer iedereen eraan herinnerde dat hemel en aarde voor hem beefden, of tenminste toch de aarde. Waar is mijn bliksem nu weer gebleven? Jeroen de Vaal was even te horen als Mercure.

Decors, kostuums, choreografie en belichting zijn in hoge mate bepalend voor het totaalbeeld van de voorstelling. Er is duidelijk veel creatieve energie aan te pas gekomen, het ziet er feestelijk uit allemaal en geeft prima ondersteuning aan de vele grapjes die de regie toelaat.

Al met al een hele leuke avond en zeker een aanrader voor de nog komende voorstellingen. De tournee duurt nog tot 22 juni. De laatste drie voorstellingen zijn semi concertant dus wie ‘the full works’ wil beleven is aangewezen op de komende vijf voorstellingen, de eerste op 1 juni in Breda

Trailer van de productie:



Fotomateriaal: © Joost Milde

Zandonai’s operas: too beautiful to ever forget

Riccardo Zandonai was once considered Puccini’s successor. He wrote about thirteen operas, of which actually only Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) and Giulietta e Romeo (1921) were ever really successful. Nowadays, they are seldom performed and the average opera lover gets no further than Francesca da Rimini. A pity, because his operas are a pure pleasure to listen to.

Francesca da Rimini

Paolo and Francesca da Rimini 1855 Dante Gabriel Rossetti 1828-1882 Purchased with assistance from Sir Arthur Du Cros Bt and Sir Otto Beit KCMG through the Art Fund 1916 http://www.tate.org.uk/art/work/N03056



Francesca da Polenta (1255 -1285), better known as Francesca da Rimini was a contemporary of Dante Alighieri, who “granted” her a place in his ‘ La Divina Commedia’, but in the fifth circle. Sad, because she did not deserve that and she must surely get a pardon.

The story: to seal the peace between the houses of da Polenta and Malatesta, Francesca must marry the eldest of the Malatesta brothers, Giovanni (Gianciotto). However, he is so hideous that the chances of her saying “no” are extremely high. To fool her, she is introduced to his younger brother, Paolo il Bello. Francesca immediately falls for the beautiful Paolo and
he too feels an all-consuming love at first sight.

The reality is gruesome: Francesca wakes up as Gianciotto’s wife. And to complicate matters further, the youngest of the Malatesta brothers, Maletestino the one-eyed, also falls in love with her.

Francesca rejects him, after which he swears revenge. He does not have  to wait long: he discovers that Francesca and Paolo are lovers, reveals this to Gianciotto, after which both lovers are killed.



Romance at its finest, no wonder it was an inspiration for many a painter and tone poet, but literature was not left behind either. Gabriele D’Annunzio (1863 – 1938) wrote a beautiful play about it (a fun fact: the leading role was played by none other than Eleonore Duse, perhaps the greatest Italian actress ever), which was adapted for an opera by Riccardo Zandonai in 1914.



Zandonai was a pupil of Mascagni and a true verismo adept, but at the same time he was also a Wagnerian. He was also a great admirer of Debussy and Strauss, and you can hear all this in his music. The opera is sultry, sensual, but also extraordinarily lyrical.



The leading role requires not only a big, dramatic voice with plenty of lyricism (I call Francesca Isolde’s little sister), but also the ability to shape the needed all-consuming passion. The greatest Francesca’s were therefore the singers who dared to go beyond “just” singing: Magda Olivero, Raina Kabaivanska, Renata Scotto and Nelly Miriciou.


On 31 January 2011 Francesca da Rimini was performed for the first time in Paris, at the Opéra Bastille. The superb cast led by Svetla Vassileva and Roberto Alagna certainly lived up to the high expectations. Director Giancarlo del Monaco, though, had to put up with a deluge of boos.

Ontmoetingscène van Francesca (Svetla Vassileva) en Paolo (Roberto Alagna). Foto: Mirco Maglioca/Opéra National de Paris



Whether Svetla Vassileva achieves real greatness only time will tell, but at the premiere she was certainly impressive. A beautiful, slender lady with a traditionally lyrical voice with which she could reach all corners even in that immense opera house.

Roberto Alagna was a near-perfect Paolo. He has an ideal timbre for the role and as his voice has grown considerably over the years, he knows how to handle the fiercest passages. In the more lyrical moments I found him less convincing and at times he sounded downright tired, especially in the high notes. Not all notes were pure either, and at times he
seemed to overhype himself. Still, he was unquestionably credible.

George Gagnidze (Gianciottto) disappointed me. His voice is undeniably big and impressive, but woolly. And I found little substance in what he sang.

William Joyner, on the other hand, was a Malatestino out of thousands. Often the role is played by a good ‘comprimiario’, well – here a would-be great was in the starting blocks!

Beautiful also was Samaritana (Louise Callinan) and the small role of Smaragdi was beautifully performed by Cornelia Onciuiu.

Giancarlo del Monaco’s direction was actually exactly what you could expect: realistic through and through, which in itself has nothing wrong with it at all. But in his attempt to recreate d’Annunzio’s world, he created a mishmash of the Middle Ages and Art Deco.

Kamer in  ‘Il Vittoriale degli Italiani’, villa van d’Annunzio. Foto courtasy Italy Magazine



The Malatesta’s palace was a literal recreation of “Il Vittoriale degli Italiani”, the poet’s last residence, and the effigy of his bald head “adorned” the front screen.

The ladies wore dresses that seemed straight out of the paintings of Klimmt or the Pre-Raphaelites and the gentlemen were wearing something of a uniform. Except Paolo, that is. In accordance with the surviving paintings, he wore a long blue robe and he went into the battles with bow and arrow.

What I also (or perhaps most?) blame the director for is that he borrowed” from his colleague Piero Faggioni; he made a weak copy really. Poor del Monaco was met with a huge “boo” shout, so that even the walls of La Bastille were shaking. He took it very well. He knelt,raised   hands to heaven and threw kissing hands to the audience. Cute.



The production is on You Tube:

And no one should miss Francesca da Rimini from the MET, with Renata Svotto and Plácido Domingo. When music says more then thousands words:



Giulietta e Romeo


The only complete recording of Giulietta e Romeo (GOP 66352) known to me was made in 1955 in Milan. The leading roles were sung by Annamaria Rovere, a fine soprano with a voice typical for the time, and Angelo Lo Forese, who I find slightly irritating. Because of the opera itself, but also because of the phenomenal Renato Capecchi as Tebaldo, an absolute must for any opera lover.





An aria from the opera is also on Jonas Kaufmann’s ‘Verismo’  CD:



IL Bacio



Il Bacio (GOP 66351) had its very first performance in 1954 in Milan (Zandonai had died in 1944, leaving the opera unfinished). Fortunately for us, the performance was recorded by RAI and put on CD. The publisher apologises for the absence of the libretto, but there is no synopsis either, so one can only guess at the opera’s content. No problem, the music is captivating enough, and it is beautifully sung by, among others, Lina Pagliughi in the role of Mirta.

Annemarie Kremer is een Violanta uit duizenden

Tekst: Peter Franken

Korngold schreef deze eenakter toen hij pas 18 jaar was en het werk werd bij de première in 1916 zeer goed ontvangen. Vier jaar later kwam het echt grote succes in de vorm van Die tote Stadt, de opera waaraan Korngolds naam voor altijd verbonden zou blijven.

De muziek van Violanta wijst nadrukkelijk vooruit naar Die tote Stadt maar er zijn beslist ook al orkestrale passages in te horen die later vooral met filmmuziek zouden worden geassocieerd. Niet een grote carrière in Wenen maar in Hollywood stond voor deze wonderboy kennelijk in de sterren geschreven.

Van de voorstellingenreeks in januari 2020 in Teatro Regio Torino werden opnamen gemaakt die door Dynamic op Blu-ray zijn uitgebracht. Kremer overtuigt als titelheldin in deze vroege Korngold.

De vocale lijnen liggen gemakkelijk in het gehoor maar zijn zo geschreven dat zelfs iemand als Annemarie Kremer die er vaak genoeg blijk van heeft gegeven de hoogte niet te duchten bij vlagen behoorlijk moet forceren. Kennelijk heeft de jonge Korngold hier iets teveel de oren laten hangen naar een werk als Elektra. In Die tote Stadt behandelt hij zijn solisten in elk geval een stuk vriendelijker.

Violanta gaat over een lover boy die vrouwen in het verderf stort in het Italië van de 17e eeuw. Deze Alfonso is de bastaardzoon van de koning van Napels die zichzelf als het ware heeft moeten opvoeden nadat zijn moeder in het kraambed stierf.

Hij heeft een ongelukkig leven geleid en is op zoek naar ware liefde maar in de tussentijd vult hij zijn bestaan met ‘lege seks’. Violanta’s zuster Nerina die als novice in een klooster zat is door Alonso verleid waarna ze zichzelf heeft verdronken.

Tijdens het carnaval in Venetië weet Violanta de daar aanwezige Alonso weg te lokken uit een zwerm vrouwen en hem incognito een afspraak voor die avond bij haar thuis te geven. Ze haat Alonso tot in het merg en wil hem door haar man Simone laten doden. Maar tegelijkertijd vreest ze een mogelijke omslag in haar gevoelens, liefde en haat zijn beiden irrationeel en zodoende inwisselbaar als intiem contact zijn intrede doet.

En dat is precies wat er gebeurt. Alfonso vertelt zijn tranentrekkende verhaal en zij gaat door de knieën, ook al omdat haar leven als oppassende nette vrouw van een hooggeplaatste officier leeg en ongelukkig is.

Annemarie Kremer en Norman Reinhardt in ‘Reine Liebe’:

Als haar man Simone op het afgesproken teken binnenkomt om Alfonso aan het zwaard te rijgen, vangt ze de klap voor hem op. Stervend bedankt ze haar echtgenoot dat hij haar weer tot zijn vrouw heeft gemaakt, keurig en net zoals het hoort, liever dood dan geschonden. Alfonso kijkt het even aan en verwijdert zich dan stilletjes.

Pier Luigi Pizzi neemt zoals gebruikelijk niet slechts de regie maar de gehele productie voor zijn rekening. De enscenering komt overeen met de ontstaansperiode van de opera, aanvang 20e eeuw. Fraaie kostuums en een decor met veel toneelrood waarin een brede rode sofa het kernpunt vormt.

De blik op Venetië wordt gegeven in de vorm van een grote ronde opening op het achtertoneel. Dat is tamelijk realistisch gedaan, zoals van Pizzi te verwachten, met de suggestie van langsvarende gondels.

De rol van de uiteindelijk toch bedrogen echtgenoot Simone komt voor rekening van de Duitse bariton Michael Kupfer-Radecky, verdienstelijk maar niet bijzonder. Het grote duet ‘Warum sagst du mir das?’ waarin Violanta haar plan ontvouwt en tegelijkertijd haar zorg uitspreekt dat het beoogde slachtoffer misschien al onder haar huid is gekropen, volbrengt hij met moeite. Ja, eigenlijk had Korngold hier misschien beter een tenor voor kunnen schrijven.

Die rol is echter gereserveerd voor de grote verleider met het treurige verhaal. Alfonso wordt bij vlagen erg mooi vertolkt door de Amerikaanse tenor Norman Reinhardt maar ook hij heeft z’n moeilijke momenten.

Overigens is dit een personage waar ik geen moment enige sympathie voor kon opbrengen en dat zegt vooral iets over Violanta.

Deze vrouw is moeilijk te duiden. In een interview wordt Pizzi de vraag gesteld of Freud hier een passende invalshoek kan leveren, waarop hij antwoordt ’laten we die maar niet wakker maken’. Pizzi ziet het niet zo gecompliceerd, Violanta is ongelukkig en daardoor ten minste tijdelijk vrij gemakkelijk van het door haar steeds verkozen rechte pad te brengen.

Kremer staat ongeveer een uur onafgebroken op het toneel en heeft veel te zingen. En dat doet ze uitstekend, ook met prachtig acteerwerk. Dat het hier en daar niet allemaal even mooi klinkt kunnen we haar niet euvel duiden, dat is te wijten aan de onervarenheid van de jonge componist.

Interview met Annemarie Kremer:

Henry VIII is een intiem spektakel

Tekst: Peter Franken

De Munt brengt dit seizoen Henry VIII van Camille Saint Saëns, een opdrachtwerk voor de Parijse Opéra dat in 1883 zijn première beleefde. Hoewel het veel weg heeft van een grand opéra, toen nog verplicht in dit instituut, kan het ook worden opgevat als een burgerlijk drama – de klassieke driehoek man, echtgenote en minnares – tegen de achtergrond van de secularisering van de maatschappij.

De Derde Republiek was nog jong en de scheiding van kerk en staat spitste zich toe op de herinvoering van het recht op echtscheiding. Die seculiere verworvenheid van de Eerste Republiek was afgeschaft tijdens de Restauratie. In deze benadering zien we een absolute vorst uit de renaissance als kampioen van de strijd tegen de macht van de katholieke kerk en meer in het algemeen tegen het primaat van religie in maatschappelijke kwesties.

Gelet op het karakter van de historische Henry VIII is dit echter een gemankeerde held, waardoor het voor de toeschouwer wat ongemakkelijk wordt voluit partij voor hem te kiezen. Dat wordt versterkt door de grote rol die Catharina van Aragon in het werk is toebedeeld. De eerste vrouw van Henry staat voor de waarden en normen van de oude wereld, de alles overheersende christelijke moraal en de absolute macht van de katholieke kerk over alle gelovigen.

Waar de nieuwe republiek zijn wil probeert op te leggen aan de gehele bevolking probeert een coalitie van monarchisten en katholieken dat te voorkomen. Zonder christelijke moraal als fundament kan de staat volgens hen niet bestaan: welke moraliteit kan de republiek er tegenover zetten, die van het ongebreidelde kapitalisme?

Voor de overtuigde atheïst Saint Saëns was er geen ruimte voor twijfel maar door de keuze voor Henry VIII als protagonist heeft hij het zichzelf onnodig moeilijk gemaakt, het verloop van de opera suggereert dat het werk hem min of meer is ontglipt. Uiteindelijk blijft vooral de morele superioriteit van Catharina hangen, zij het dat het libretto haar daarvoor alle gelegenheid biedt, ook dat is een keuze natuurlijk. Maar laten we niet op de zaken vooruit lopen.

Olivier Py regisseerde eerder in De Munt de opera’s Hamlet en Les Huguenots en wilde Henry VIII graag aan dit rijtje toevoegen bij gelegenheid van de 100e sterfdag van de componist in 2021. Door de Covid pandemie is het twee jaar later geworden.

De decors en kostuums zijn zoals altijd van Pierre-André Weitz en dat betekent overwegend zwart als ‘kleur’. Het decor is groot, bijna massaal, en de delen kunnen op veel verschillende manieren bewegen waardoor steeds andere configuraties worden getoond. De indruk is meer die van het Spaanse hof dan een Engelse omgeving, zo somber.

Om de actualiteit te benadrukken loopt iedereen er bij in kostuums uit de ontstaansperiode van het werk. De enige uitzondering hierop vormt Catharina die formeel gekleed is in zuivere renaissance stijl. Zij vertegenwoordigt de wereld en de moraal van vroeger en draagt dat uit in haar stijl van leven en kleden.

Anna Boleyn brengt Henry VIII het hoofd op hol en door haar als enige in een rode jurk rond te laten lopen wordt als het ware gesuggereerd wat hij in haar ziet. Het libretto voert de vorst op als een dolverliefde man die pas te stuiten is door hem met zijn hoofd tegen een muur aan te laten lopen. Maar als absoluut monarch zorgt men er omwille van de eigen veiligheid wel voor dat dit nooit zal gebeuren.

Henry is getrouwd met de vrouw van zijn oudere broer Arthur, zeven jaar na diens dood. Hij was toen 18 en Arthurs weduwe Catharina 24. Omdat Arthur kort na het huwelijk was gestorven zou dit nooit zijn geconsumeerd. Zodoende verleende de paus dispensatie voor dit ‘zwagerhuwelijk’.

Omdat Catharina geen mannelijke opvolger wist te baren, althans niet eentje die in leven bleef, raakte Henry in grote onzekerheid. Problemen rond de erfopvolging zouden kunnen leiden tot een burgeroorlog en wellicht was deze verbintenis wel verdoemd. Centraal hier komt Leviticus 20;21 te staan: ‘Als de man met de vrouw van zijn broer trouwt, is dat onreinheid. Hij heeft de schaamte van zijn broer ontdekt; zij zullen kinderloos blijven.’

Om die reden verzoekt hij de paus het huwelijk te annuleren, het had nooit toegestaan mogen worden, diens ambtsvoorganger heeft een fout gemaakt. Die kwestie loopt jaren aan temeer daar Catharina bezweert als maagd met Henry te zijn gehuwd. Ze zal dit altijd blijven volhouden, heel eloquent tijdens het tribunaal dat op 15 juni 1529 moet beslissen over de door Henry geëiste annulering. Een deel van haar toespraak is in het libretto terecht gekomen.

In een opera kan men weinig beginnen met een verhaallijn die over langere tijd is uitgesponnen, de zaken comprimeren bevordert de dramatiek van de handeling en houdt de toeschouwer bij de les. Zodoende wordt Anna Boleyn opgevoerd als de degene die Henry drijft tot zijn besluit, ook al moet hij daarvoor de toorn van de katholieke god, sprekend namens de paus, trotseren.

Deze wordt weggezet als koning-paus, eigenlijk gewoon een collega die zich teveel macht aanmatigt. Dat bepaalt ook de behandeling van de pauselijke legaat die ronduit wordt geschoffeerd. Als hij Henry excommuniceert wordt er nauwelijks nog notitie van hem genomen: Engeland heeft zich bevrijd van de papistische overheersing en daar gaat het om. En natuurlijk wordt dat huwelijk nu gewoon geannuleerd en trouwt de vorst met zijn geliefde Anna.

Bij aanvang zien we twee edelen op een hoge balustrade: Norfolk en Gomez, de nieuwe Spaanse ambassadeur. Dit personage is toegevoegd omwille van de romantische intrige. Hij is een oude vlam van Anna en conform de kenmerken van het genre bezit hij dus liefdesbrieven die zij hem ooit heeft geschreven. De man is een wandelende tijdbom en ook nog eens verliefd.

Als Anna hem ontwijkt om niet de schijn te wekken zijn minnares te zijn geweest, is Gomez boos en teleurgesteld. Komt bij dat Anna een brief heeft geschreven waarin ze Catharina vraagt een goed woordje te doen voor haar landgenoot. Ze wil hem graag bij zich aan het hof omdat ze van hem houdt. Zelfs als Gomez niets doet met zijn brieven, dan is er altijd nog die ene. Deze simpele opzet voorkomt dat dieper moet worden ingegaan op de achtergronden van Anna’s uiteindelijke deconfiture. Behalve de reeds genoemde driehoek hebben we nu ook een afgewezen minnaar.

De onbetrouwbaarheid van Henry inzake vriendschappen en loyaliteiten wordt getoond door middel van de veroordeling en executie van Buckingham, tot voor kort een vertrouweling. Als Catharina voor hem komt pleiten wijst haar haar terecht. Hij was altijd al haar vijand, ook al zag ze dat niet. Zij vraagt echter om genade, als christen. Het mag niet baten en de vorstin beseft dat haar tijd aan het hof ten einde loopt. De komst van Anna is hiermee volledig verweven waardoor de koning haar terzijde het hof maakt terwijl er een dodenmars wordt gespeeld die Buckinghams laatste reis begeleidt.

De titelrol werd met kracht en overtuiging vertolkt door de bariton Lionel Lhote. Hij weet zijn verschillende gemoedstoestanden prima over het voetlicht te brengen: bars en genadeloos, hopeloos verliefd, minachtend. Dat laatste geldt vooral de pauselijke legaat die hij te woord staat gezeten op een echt paard dat rondjes loopt over het toneel. Met zijn krachtige stem weet Lhote zijn dominantie vocaal extra kracht bij te zetten. Zijn Henry VIII was absoluut top.

Catharina kwam voor rekening van sopraan Marie-Adeline Henry. Haar personage is geen zielig slachtoffer maar een gewonde leeuwin. Tegen Henry is ze voorkomend en beleefd, ze weet dat dit haar enig mogelijke kans op succes biedt, maar tegenover haar rivale Anna houdt ze zich bepaald niet in. Haar zang was onberispelijk al vloog ze zo nu en dan bijna uit de bocht, vooral als ze erg kwaad was. Opzettelijk of niet: het paste bij haar.

Mezzo Nora Gubisch moest het in deze catfight, ook zo gebracht tijdens het ballet divertimento, tegen de sopraan afleggen. Als ze als enige vrouw op het toneel stond kwam ze beter uit de verf, zonder meer goed gezongen.

Tenor Ed Lyon kwam goed over het voetlicht als de Spaanse edelman die loyaal is aan zijn landgenote Catharina en om harent wille aan het hof blijft nadat hij bij Anna niets heeft weten te bereiken.

Mooie rol verder van Vincent le Texier als de pauselijke legaat, ook goed gespeeld. Norfolk kwam voor rekening van Werner van Mechelen, fraai als altijd. De overige rollen waren adequaat bezet.

Het divertimento aan het einde van de tweede akte werd gespeeld op het plein voor De Munt, begeleid door vooraf opgenomen orkestmuziek. Tijdens de derde akte was er een aanvullend ballet door een groep vrijwel naakte dansers die via een spleet uit een groot doek kwamen gekropen, voorstellend een schilderij van Tintoretto met veel door elkaar krioelende lichamen. Het ballet liet iets dergelijks zien.

Als alles op scherp staat veroorlooft Py zich een anachronisme door een locomotief door de achterwand te laten crashen. Het spel is uit, we zijn in het heden en iedereen loopt in reiskostuum met koffers, ook Anna die haar al spullen al heeft gepakt. Ze smeekt Catharina om genade maar die wil daar niets van weten. Toch kan ze het niet over zich verkrijgen Anna te verraden aan Henry, ook al dringt die daar op sluwe wijze sterk op aan. De gewraakte brief krijgt de vorst niet in handen en Catharina sterft ter plekke.

Olivier Py over de productie:

Het koor van De Munt heeft een niet heel grote rol in het geheel, in overeenstemming met wat hierboven werd gesteld: het is geen echte grand opéra. Goed gezongen, dat wel. Het orkest van De Munt daarentegen vervult bij wijlen de hoofdrol. Het is een prachtige partituur, grotendeels doorgecomponeerde en met veel variatie in de instrumentatie.

Dirigent Alain Altinoglu heeft zich er al jaren geleden in vastgebeten en ziet nu zijn droom verwezenlijkt. Dat de uitvoering zo enorm succesvol was komt in belangrijke mate voor zijn rekening.

Trailer(s) van de productie:


\
https://operavision.eu/performance/henry-viii

Foto’s:  © Baus

Hans Henkemans: opnieuw een pleidooi voor een vergeten componist door pianist Mattias Spee, met hulp van Ed Spanjaard

Tekst: Neil van der Linden

De serie Eclipse is een reeks concerten waarin pianist Mattias Spee werken van vergeten componisten speelt en er cd’s s van uitbrengt. De tweede editie, met concert en de cd-opname was gewijd aan Hans Henkemans.

Tot in de jaren zestig lag de naam Henkemans op ieders lip. Zelf denk ik wel eens dat Nederland in componistenopzicht te groot is voor het servet maar te klein voor het tafellaken. Het afzetgebied is klein en zodra er bijvoorbeeld ruzie uitbreekt wordt de componist van de podia verdreven.

Van Gilse, Vermeulen, Wagenaar, allemaal briljante componisten, die goeddeels verdwenen. Althans uit de concertpodia. En dan te bedenken dat onze eigen ‘internationale’ attitude ervoor zorgt dat we wel nieuwsgierig zijn naar de muziek die alle Finnen, Denen, Tsjechen en Britten hier brengen, maar we promoten onze eigen muziek niet graag in het buitenland. Waardoor de werkruimte voor de componisten nog kleiner wordt.

Hans Henkemans was ook een internationaal veelgevraagd pianist. Onlangs heeft Decca France een box uitgebracht met zijn indertijd voor Philips opgenomen Debussy-vertolkingen, en op verschillende buitenlandse labels zijn ook Mozart pianoconcerten met de Wiener Symphoniker onder Rudolph Moralt en John Pritchard verschenen. Je kunt je afvragen of Nikolaus Harnoncourt, die tussen 1952 en 1969 met dit orkest speelde, bij deze opnamen betrokken was en misschien geïnspireerd was door Henkemans’ lucide interpretaties.

Ook zijn composities werden veel en vaak gespeeld. Ik herinner mij dat toen ik als kind naar de radio luisterde Henkemans’ muziek als vanzelfsprekende ervaarde. Hij hoorde er bij. Al in 1938 had het Concertgebouworkest onder Eduard van Beinum zijn pianoconcert uitgevoerd met George van Renesse als solist, en in 1945, meteen na de oorlog zijn tweede met hemzelf als solist, Zijn werken werden ook door Giulini en Klemperer uitgevoerd.

Fluitconcert met Hubert Bahrwasser en het Concertgebouworkest onder Klemperer

Eclipse vol I: Joseph Wölfl

Henkemans eerste pianoconcert met Henkemans zelf en het Omroepkamerorkest / Maurits van den Berg

Henkemans : Piano Concerto No. 3 (1992) Pianist Garrick Ohlsson, dirigent Jac van Steen

Als componist is Henkemans min of meer weggevaagd als gevolg van de Notenkraker-beweging. Amsterdam en Nederland bleken opnieuw te klein voor een tweestromenland. De film ‘Weggewist:  doet hier verslag van. In de film komt onder meer Ed Spanjaard aan het woord. Zijn vader was een studiegenoot van Henkemans , beiden studeerden zij geneeskunde met als specialisatie psychiatrie.

Artikel over de documentaire Weggewist:

https://www.omroepwest.nl/nieuws/4593561/de-vergeten-muziek-van-de-grote-haagse-componist-hans-henkemans

Ed Spanjaard en Mattias Spee
Foto: © Omroep West

Spanjaard kreeg les van Henkemans die ook zijn muzikale mentor was. Hij liet hem ook een verzameling onuitgegeven werken na. Uit deze verzameling ongepubliceerd werk, plus wat er al wel uitgegeven was stelde Mattias Spee het programma voor dit concert samen.

Allereerst was daar de Sonatine uit 1932. De in december 1913 geboren Henkemans was toen een jaar of 18 of 19 jaar oud was. Een voldragen werk, vriendelijk dissonant zou je kunnen zeggen, ongeveer het soort tonaliteit als van Hindemith.

Ed Spanjaard speelde Moments Souriants, vijf korte stukken die Henkemans tijdens de oorlog schreef voor een dochter van zijn tweede echtgenote. In de muziek maakt Henkemans als het ware woordspelingen met de titel. Sourire in het Frans betekent glimlachen en souri muis. Glimlachende momenten of muizen-momenten.

Volgens Spanjaard kon de dochter toen misschien alleen het eerste stuk spelen maar toen hij haar op 80-jarige leeftijd de stukken liet horen herinnerde zij zich ze nog. Qua tonaliteit werd het kinderen echt niet gemakkelijk gemaakt, maar de stukken hebben ook een lichte toon.

Vervolgens speelden Spee en Spanjaard quatre-mains Heksendans, een jeugdstuk dat ook echt aantoonde dat de piepjonge Henkemans op de hoogte was van alle idiomen van zijn tijd. Ik vroeg mij nog af of de componist in de titel met zijn eigen naam had gespeeld, de titel verschilt maar een paar letters in het midden van zijn eigen naam.

Het volgende ongepubliceerde stuk van Henkemans gespeeld door Spee, Andante con Moto uit 1939, laat horen dat Henkemans, gezien de huidige herwaardering voor tonaliteit zoals in de muziek van Mathilde Wantenaar en Rick van Veldhuysen, toch echt een plaats terugverdient in de Nederlandse componistencanon.

 

Dat wordt ook duidelijk als Spee het stuk laat contrasteren met een jeugdwerk uit 1959 van de toen twintigjarige latere Notenkraker-voorman Louis Andriessen, ‘Prospettive e retrospettive’. Dat contrasteert op zijn manier weer met het laatste werk van Henkemans in het recital, Sonate uit 1958, een pianistisch beest van een stuk dat opperste virtuositeit vereist en dat opperste dramatiek herbergt, met gebruikmaking van al het semi-atonale en tegelijkertijd relatief toegankelijke idiomen van zijn tijd

Spee combineerde Henkemans met een suite van Louis Couperin, een prelude van Debussy, het jeugdwerk van Louis Andriessen en eigen stukken.

De reden voor Debussy is duidelijk: Henkemans was een groot Debussy vertolker. En Debussy is een favoriete componist van Spee.  Louis Couperin, oom van de beroemde François schreef ook experimentele muziek, bijvoorbeeld zonder maatstrepen.

Spees eigen stukken bewegen zich in een idioom dat vergelijking rechtvaardigt met dat van Debussy en Skrjabin, en soms lijken frasen uit hun oeuvre op de duiken. Hij gaf geen verklaringen bij de titels van zijn eigen stukken. Ik zou benieuwd zijn waarom Spees eigen Atelophobia (de angst om niet perfect te zijn, dus de obsessie met perfectie) zo heet. Maar misschien is dat juist de reden waarom hij het niet vertelde? Ook Event Horizon heeft een intrigerende benaming. In de kosmologie is het het verdwijnpunt van ruimte en tijd.

Het tijdens deze avond officieel als eerste uitgereikte exemplaar van Mattias Spees Eclipse Vol II was bestemd voor Spees labelmate celliste Maya Fridman.

Eclipse vol II: Hans Henkemans

Dit is de tweede CD-presentatie in korte tijd van het label TRPTK. Twee weken eerder was er ‘Into Eternity’ met muziek van Marion von Tilzer, op tekst van de laatste brief van de Tsjechisch-Joodse Vilma Grunwald geschreven voor haar dood in Auschwitz, van met onder meer Maya Fridman, van wiens aandeel in de uitvoering van Maxim Shalygins Severade S I M I L A R 3 ik onlangs ook al zo onder de indruk was.

Mattias Spees Eclipse vol II: Hans Henkemans is beschikbaar op www.trptk.com en werd op 20 mei 2023 gepresenteerd in de Amstelkerk.


Het concert wordt opgenomen en uitgezonden door Het Avondconcert op NPO Radio 4.

Mattias Spee – Louis Andriessen/ Prospettive e retrospettive

Gezien Amstelkerk 20 mei 2023

Foto’s: © Bor van Zeeland en Neil van der Linden