Benjamin Frankel: from watchmaker’s apprentice to the sound wizard

Benjamin Frankel, by Lida Moser, 1953 - NPG x45316 - © National Portrait Gallery, London

 

In 1957 Benjamin Frankel moved to Switzerland. In England, his homeland, he was mainly known as a film composer. No wonder, because to his name is music for more than 100 films, including classics such as The Seventh Veil,

 

 

 

The Night of the Iguana :

 

 

and  Curse of the Werewolf:

 

 

In Switzerland he finally found the peace to engage in serious(er) music. In 15 years (Frankel died in 1973) he composed eight symphonies and one opera.

Benjamin Frankel was born in London in 1906 into a Polish-Jewish family. At the age of fourteen he was apprenticed to a watchmaker. Luckily for him, his talent was soon discovered. For a while he played with the idea of becoming a Jewish composer alla Bloch. He considered himself an ‘English Jew’ or a ‘Jewish Englishman’, which did not prevent him from marrying a non-Jewish woman. An act that caused a break with his family.

His musical language is not easy to describe. In the fifties he studied serialism and regularly applied it in his own compositions, yet his works do not sound atonal anywhere. Perhaps the best example of this is the viola concerto, which is very melodic, romantic and yet uses the twelve-tone technique.

 

 

 

Frankel composed his violin concerto – at his request – for his friend Max Rostal. The premiere took place in 1951 at the Festival of Britain. The concert is entitled In Memory of Six Million and embodies Frankel’s personal commitment to the fate of the European Jews.

The beginning reminds me of Korngold’s violin concerto and in the fourth movement I encounter Mahlerian ‘tunes’: there is also a quote from ‘Verlorne Müh’ from his Wunderhorn songs.

 

Live recording by Max Rostal:

 

 

 

Ulf Hoelscher, who rehearsed the concerto with Max Rostal, plays it virtuoso and with an intense involvement.

 

frankel-front

 

Benjamin Frankel
Concerto for Violin and Orchestra op.24 (In memory of the six milion)
Viola concerto op.45
Serenata Concertante for Piano Trio and Orchestra op.37
Ulf Hoelscher (violin), Brett Dean (viola), David Lale (cello)
Queensland Symphony Orchestra conducted by Werner Andreas Albert
CPO 9994222

 

 

 

frankel-kw

 

 

Frankel’s first three string quartets were first performed by the Blech Quartet in 1947 and 1949 respectively, and the fourth was premiered in 1949 by the very young Amadeus Quartet (where were the recording engineers then?).

Frankel’s gift for a light-hearted approach to serialism can be heard in his fifth string quartet. The work, which dates from 1965, is an example of the composer’s unique ability to transform the atonal into a melody.

The unsurpassed company CPO, which revealed Frankel’s music to the world, deserves all praise; also for the splendid explanations with music examples written by Buxton Orr, Frankel’s pupil and friend.

 

 

Benjamin Frankel
Complete String Quartets
Nomos Quartett
CPO 999420

In Dutch:
Benjamin Frankel: van horlogemakersleerling tot de klanktovenaar

Il trovatore van Dmitri Tcherniakov, naar de opera van Verdi

https://exlibris.azureedge.net/covers/3760/1153/0408/6/3760115304086xxl.jpg

Een gewaarschuwd mens telt voor twee, dus ik ben in juni 2012 niet naar Brussel gegaan om daar de in álle opzichten nieuwe Il trovatore – naar de opera van Verdi – te gaan aanschouwen. De waarschuwing kwam van Marina Poplavskaya, de sopraan die Leonora zong. Op haar Facebook-pagina schreef ze: “Je wilt niet zien wat wij het publiek hier gaan voorschotelen.”

Nu ligt de opera in mijn dvd-speler en nog voordat ik eraan begin, krijg ik een tweede waarschuwing. Deze keer van het operahuis zelf. “Om te beantwoorden aan het dramaturgische concept van de regisseur zijn de rollen van Ines en Ruiz, alsook bepaalde tussenkomsten van het koor toegewezen aan andere zangers van de productie.”

Het nieuwe verhaal: er is ooit iets gebeurd, jaren geleden. Om het verhaal erachter te ontrafelen en de ware toedracht te leren kennen, brengt Azucena alle betrokkenen bij elkaar en sluit ze op in een flat. Zo beginnen we aan een nachtmerrieachtige reis, waarin het verleden en het heden door elkaar lopen.

Trovatore Brussel scenefoto


© Bernd Uhlig 2012

Regisseur Dmitri Tcherniakov is een meester in het creëren van spanning en zijn personenregie is weergaloos. Ik zit ademloos te kijken. Alleen: het heeft helemaal niets maar dan ook niets met Il trovatore van Verdi te maken.

Er wordt ontegenzeggelijk goed gezongen in de voorstelling. Misha Didyk is een perfecte Manrico. Groots en stralend en gezegend met een perfecte hoogte. Ook Marina Poplavskaya kan mij bekoren, al gaat er iets duidelijk mis in ‘D’amor sull’ali rosee’ (aanwijzingen van de regisseur?).

Scott Hendricks is een zeer betrouwbare bariton, die je in alle mogelijke rollen kunt inzetten. Zeker ook omdat hij zo’n voortreffelijke acteur is. Ook als Luna stelt hij niet teleur en op zijn ‘Il balen del suo sorriso’ valt weinig aan te merken, al had ik er meer ‘morbidezza’ in willen horen.

Sylvie Brunet-Grupposo is een zeer indrukwekkende Azucena. Ze heeft een grote, diepe stem en een sterke présence. Een beetje moeite heb ik met haar registerovergangen, in mijn oren klinkt het alsof ze met twee stemmen tegelijk zingt.

Ook Giovanni Furlanetto levert goed werk af in de rol van Ferrando (hier onherkenbaar toegetakeld als een boekhouder op leeftijd). Met zijn mooie, diepe bas en dito voordracht completeert hij het vijftal protagonisten.

Het orkest speelt onder leiding van Marc Minkowski zonder meer goed. Ik zou alleen wat meer passie willen horen. Het uitmuntend zingende koor is naar de orkestbak gedelegeerd, dus eigenlijk bestaan ze niet. Of alleen in de verbeelding, of zo.

Mijn meeste collega’s waren zeer enthousiast over de productie. Ze roemden de spanning en de deconstructie, en daar ben ik het met ze eens. Alleen: waarom werd de opera niet omgedoopt tot Vijf slachtoffers van misverstanden van Tscherniakov, in plaats van door te gaan als Il trovatore van Giuseppe Verdi?

Hieronder de eerste tien minuten van de opera:

Giuseppe Verdi
Il Trovatore
Misha Didyk, Marina Poplavskaya, Scott Hendricks, Sylvie Brunet-Grupposo, Giovanni Furlanetto
Choirs de la Monnaie (Chorus master Martino Faggiani) en Orchestre symphonique de la Monnaie onder leiding van Marc Minkowski
Regie: Dmitri Tcherniakov
BelAir Classiques BAC 108

IL TROVATORE. Discografie

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

Brigitte Fassbaender: ‘zangerig’ is het toverwoord

Fassbaender

In de oorspronkelijk EMI-uitgave (74767972) waren de teksten niet bijgeleverd. Een euvel, maar echt nodig waren ze niet: Fassbaender articuleert zo goed dat ieder woord duidelijk verstaanbaar is, zonder dat het afbreuk doet aan de muziek.

Haar Mahler is zeer gevoelig, gezongen met compassie. Soms worden haar emoties haar de baas (Lieder eines fahrenden Gesellen), maar ik vind het niet erg. Mahler kan het hebben.

Arnold Schönberg is andere koek. Zijn cyclus Das Buch der hangenden Garten componeerde hij in 1908, en al is het niet gespeend van emoties, toch is het strikt atonaal. In een interview met Thomas Vogt bekent Fassbaender dat het niet makkelijk was om de liederen te leren zingen, toch vindt zij ze ‘zangerig’ geschreven. En zo vertolkt zij ze ook, zangerig, alsof zij Schumann staat te zingen.

De liederen van Milhaud zijn een hoofdstuk apart: was Mahler een voorgerecht en Schoenberg een (zwaar) hoofdgerecht, zo zijn de Chansons de la négresse net een luchtig dessert. Ondanks de verre van vrolijke teksten zijn ze licht en dansant, en ze liggen prettig in het gehoor.


Gustav Mahler, Arnold Schönberg, Darius Milhaud
Brigitte Fassbaender (mezzosopraan)
Irwin Gage & Aribert Reimann (piano)

Rosa Raisa: from the Bialystok ghetto to La Scala in Milan

rosa-raisa-francesca-da-rimini-copy

Rosa Raisa as Francesca da Rimini

It is now quite some time ago that I visited a very dear (and very sick) friend, who was once a celebrated opera singer. When she asked me what I was working on at the moment, I started to hum ‘L’altra notte’ from Boito’s Mefistofele. She joined me and sang the whole aria out loud, with her – still intact, beautiful, voice. She said: “Yes, that is a great aria to sing. You can put all your emotions into it”.

It is indeed a very emotional aria, so it is no wonder that almost every soprano has it in her repertoire. Callas, Tebaldi, Price, Miricioiu, Gheorghiu …… all of them have sung or recorded it at some point.

But I would like to dwell for a moment on the singer who was once world-famous but who is now almost forgotten and whose interpretation of that aria always reminds me of my – now deceased – friend: Rosa Raisa.

Raisa recorded the aria in 1923 and it has been released on several labels in the meantime. Her singing is intense, according to the best veristic traditions, but still light. Her coloratura and high notes are exemplary, and yet they do not degenerate into ‘beautiful singing’ in itself. No wonder she was the best Norma of her generation.

Raisa sings ‘Casta Diva’ in a 1920 recording:

TURANDOT

Rosa_Raisa_as_Turandot,_1926

I think even the biggest opera novice knows Puccini’s Turandot. If not the entire opera then at least ‘Nessun Dorma’ one of the best known tenor arias ever. The premiere took place on 25 April 1926 at La Scala in Milan and the demanding role of the ice-cold Chinese princess whose heart thaws after a warm kiss from an unknown prince was created by the famous Italian soprano Rosa Raisa.

Raisa Turandot poster

Below: Rosa Raisa teaches the announcer how to pronounce the name ‘Turandot’:

Well, Italian…  Raisa (Raitza Burchstein), daughter of Herschel and Frieda Leia Krasnatawska) was born on 30 May 1893 in Bialystok. After the great pogrom in 1906 (when Raisa was not yet fourteen) she managed to escape from Poland with her cousin and his family and ended up on the island of Capri. There she met Dario Ascarelli and his wife Esther, who not only discovered her talent but also paid for her studies at the Conservatory of Naples.

At the age of twenty she was hired by the opera house in Parma where she had great successes in Verdi’s Oberto and Ballo in Maschera, among others. The same year she was engaged by the Chicago-Philadelphia Opera Company and with them she made her North American debut as Mimi (La Bohème) in Baltimore. Her partner was Giovanni Martinelli of the Metropolitan Opera.

Rosa_Raisa_as_Aida_(1914)

Rosa Raisa as Aida

In 1914 she made her debut as Aida at the Royal Opera House in London, with Enrico Caruso at her side. Her next role there was Helen of Troy  (Boito’s Mefistofele), with Claudia Muzio, John McCormack and Adamo Didur.

REPERTOIRE

Rosa Raisa Rachel

Rosa Raisa as Rachel (La Juive)

Her repertoire was immense, just think of such diverse operas (I will only mention a few) as Il Trovatore, La Juive, La Fanciulla del West, Suor Angelica, La Battaglia di Legnano, Francesca da Rimini, Falstaff, Don Giovanni, Lohengrin, Tannhäuser, Les Huguenots, Isabeau, Die Fledermaus and La Fiamma. She also sang art songs.

Below Raisa sings ‘None but the Lonely Heart’ by Tchaikovsky in a recording from 1920:

In 1915 she met the Italian baritone of Sephardic Jewish descent Giacomo Rimini, whom she married five years later. Together they sang hundreds of concerts, mainly in the USA. They always concluded their performance with ‘La ci darem la mano’ (Don Giovanni). She invariably ended her solo concerts with the Yiddish ‘Eili, Eili’.

Below ‘Eili Eili’ and ‘Oyfn pripetshik’. Both recordings were made in 1918:

In 1936 in Detroit she sang the role of Leah in Il Dibuk by Lodovico Rocca. It was one of her last performances. Raisa died of bone cancer in 1963. It is difficult to judge her voice purely from her recordings: one misses the visuals and the magic of her charisma. Her contemporaries described her stage presence as nothing less than thrilling.

Anyone who wants to know more about her should read ‘Rosa Raisa. A Biography of a Diva’ written by Charles Mintzer.

Raisa boek

Below is Rosa Raisa in an interview with her biographer:

Rosa Raisa on Spotify:


interview met

Thomas Hampson breekt lans voor de Amerikaanse muziek en dichtkunst

Hampson America

Thomas Hampson is al decennialang een onvermoeibare ambassadeur van art songs van Amerikaanse componisten, alsook van de Amerikaanse dichtkunst. In 1991 nam hij voor Teldec cd op met ‘Duitse’ liederen van Charles Ives, Charles Tomlinson Griffes en Edward MacDowell

Griffes ‘Mein Herz ist wie die dunkle Nacht’:

In 1997 kwam bij EMI To the Soul uit, met liederen op teksten van Walt Whitman.

Die namen ontbraken dan ook niet op de recitals die hij in 2001 in Salzburg gaf, en die een onderdeel waren van wat een ‘Hampson Project’ heette. Het thema van dit minifestival (er was ook een symposium) was de Amerikaanse poëzie, door verschillende, dus niet alleen Amerikaanse componisten getoonzet. Hampson deed meer dan zingen alleen. Hij leidde de liederen in, gaf er commentaar op en vertelde over de componisten, dichters, schrijvers en tradities.

Thomas Hampson over ‘American Songbook’

Tot grote vreugde van een ieder die de Amerikaanse muziek en poëzie een warm hart toedraagt zijn er een paar jaar geleden drie van die recitals, van resp.12 (en niet 15), 17 en 22 augustus 2001 op twee cd’s uitgebracht. Hampson zingt zoals we het van hem gewend zijn: gecultiveerd en mooi, en zijn dictie en tekstbehandeling zijn voorbeeldig.

Als bonus krijgen we drie liederen van Korngold, afkomstig van het project Verboden en verbannen, uit Salzburg 2005.

Deze clip is niet afkomstig van de cd’s (noch op You Tube noch op Spotify te vinden), maar het illustreert de betrokkenheid van Hampson met de muziek en dichtkunst uit zijn vaderland:

I hear America singing
Liederen van MacDowell, Bacon, Rorem, Bernstein, Rorem, Bridge, Bacon, Griffes, Hindemith, Korngold e.a.
Thomas Hampson (bariton), Wolfram Rieger, Malcolm Martineau (piano)
Orfeo C 707 0621 (2 cd’s)

Ruzanna Nahapetjan zingt droevige liefdesverhalen

Armeens

Een paar jaar geleden deed ik een poging om een lans te breken voor Armeense componisten. Dat is wat ik toen schreef:

“Wat weten we van de Armeense klassieke muziek? Hoeveel Armeense componisten kent een doorsnee liefhebber? Weinig, vrees ik. Op Aram Khachatourian en zijn Gayaneh na, dan. Maar ook deze componist dankt zijn betrekkelijke bekendheid aan de ‘sabeldans’ en de openingstune van de ooit zo populaire TV-serie Onedinline.

Droevig. Des te meer als je bedenkt dat de Armeense cultuur met haar eigen alfabet en haar eigen muzieknotatie tot de oudste in Europa behoort. Gelukkig wordt er de laatste tijd wat meer aandacht aan besteed”

Dat laatste is misschien waar, maar niet heus. Zo hebben we Komitas leren kennen, een beetje dan, want nog steeds wordt zijn muziek veel te weinig gespeeld. Voor mensen die hem nog niet kennen: “Komitas Vardapet (Kudina 1869 – Parijs 1935) was een Armeens priester, componist, koordirigent, zanger, muzieketheoloog, muziekpedagoog en musicoloog. In 1915 was hij getuige en slachtoffer van de Armeense genocide, als gevolg waarvan hij krankzinnig werd. Hij wordt daarom gezien als een martelaar van de Armeense volkerenmoord.” (bron: Wikipedia).

https://andrewjsiebert.files.wordpress.com/2015/06/komitas.jpg?w=816&h=9999

De liederen van Komitas ontbreken dan ook niet op de niet zo lang geleden uitgebrachte solo-recital van de van oorsprong Armeense en in Nederland woonachtige sopraan Ruzanna Nahapetjan. Na haar studie in Yerevan, Tallinn en de Verenigde Staten vervolgde zij haar opleiding aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam.

Voor haar eerste cd, getiteld None but you heeft zij verschillende liederen van verschillende componisten uit verschillende landen verzameld, met maar één motto: allemaal gaan ze over de liefde. Nahapetjan: “Liefde kent veel verhalen, die allemaal anders zijn. Vaak zijn ze vervuld van pijn, melancholie en heftige gevoelens”.

Het is een prachtige cd geworden, niet alleen vanwege het veelal weinig bekend repertoire (mijn favoriet: ‘Only once’ van Boris Fomin), maar ook omdat de stem van Nahapetjan van een wonderlijke schoonheid is. Soms klinkt het alsof zij de melancholie zelf heeft uitgevonden.

Van al die prachtige liederen die Nahapetjan op haar recital heeft verzameld het meest onder indruk ben ik van de drie liederen van Komitas. Neem alleen maar zijn ‘Antuni – Homeless’, daar krijg ik het koud van en de rillingen lopen over mijn rug.

Zowel de beide pianisten als de gitarist zorgen voor de uitstekende begeleidingen, maar er zijn ook minpunten. Op den duur gaat die droefheid ook overslaan op je eigen gemoedstoestand. Je moet de cd dan ook niet gaan beluisteren als je liefdesverdriet hebt of gewoon niet goed in je vel zit want de kans is groot dat je er nog somberder van gaat worden en op zijn Russisch een fles wodka naast je cd -speler plant en heel erg gaat janken.

Deze cd is te bestellen bij de zangeres zelf:

http://nahapetjan.com/bestel-cd.html

None but you
Liederen van Komitas, Fomin, Rybasov, Guastavino, Braga, Granados, Mompou, Bridge e.a.
Ruzanna Nahapetjan (sopraan)
Roderigo Robles de Medina en Jochem Geene (piano)
Martin van Hees (gitaar)

Pianotrio’s uit Armenië: balsem voor de ziel

Rosa Raisa: van het getto in Bialystok naar La Scala in Milaan

rosa-raisa-francesca-da-rimini-copy

Rosa Raisa als Francesca da Rimini

Het is inmiddels best lang geleden dat ik een bezoek bracht aan een zeer dierbare (en zeer zieke) vriendin, die ooit een gevierde operazangeres is geweest. Op haar vraag waar ik nu aan werk, begon ik ‘L’altra notte’ uit Mefistofele van Boito te neuriën. Zij viel mij bij en zong de hele aria voluit, met haar – nog steeds intacte, prachtige, stem. Zij zei: “ja, dat is een fijne aria om te zingen. Je kunt er al je emoties in kwijt”.

Het is inderdaad een zeer emotionele aria, geen wonder dus dat zowat iedere sopraan het op haar repertoire had en heeft staan. Callas, Tebaldi, Price, Miricioiu, Gheorghiu ….. allemaal hebben ze het ooit gezongen en of opgenomen. Maar nu wil ik even stilstaan bij de zangeres die ooit wereldvermaard was en nu vrijwel vergeten en wier interpretatie van die aria mij altijd aan mijn – inmiddels overleden – vriendin doet denken: Rosa Raisa.

Raisa nam de aria in 1923 op en het is inmiddels op verschillende labels op de markt verschenen. Haar zingen is intens, volgens de beste veristische tradities, en toch licht. Haar coloraturen en hoge noten zijn voorbeeldig, en toch ontaarden ze nergens in het ‘mooie zingen’ an sich. Geen wonder, dat ze de beste Norma was van haar generatie.

Raisa zingt ‘Casta Diva’  in een opname uit 1920:

TURANDOT

Rosa_Raisa_as_Turandot,_1926

Ik denk dat zelfs de grootste opera-leek Puccini’s Turandot kent. Zo niet de hele opera dan minstens de tenorale wereldhit ‘Nessun Dorma’. De première vond plaats op 25 april 1926 in La Scala in Milaan en de veeleisende rol van de ijskoude Chinese prinses die ontdooit na een warme kus van een onbekende prins werd gecreëerd door de beroemde Italiaanse sopraan Rosa Raisa.

Raisa Turandot poster

Hieronder: Rosa Raisa leert de omroeper hoe je de naam ‘Turandot’ moet uitspreken

Nou ja, Italiaanse …..  Raisa (Raitza Burchstein), dochter van Herschel en Frieda Leia Krasnatawska) werd geboren op 30 mei 1893 in Bialystok. Na de grote pogrom in 1906 (Raisa was toen nog geen veertien jaar oud) lukte het haar om samen met haar neef en zijn familie Polen te ontvluchten en kwam op het eiland Capri terecht. Daar ontmoette zij Dario Ascarelli en zijn vrouw Esther, die niet alleen haar talent hadden ontdekt maar ook haar studie aan het Conservatorium van Napels betaalden.

Op haar twintigste werd zij aangenomen in het operahuis in Parma, waar zij grote successen vierde in o.a. Verdi’s Oberto en Ballo in Maschera. Datzelfde jaar werd zij geëngageerd in Chicago-Philadelphia Opera en met dat gezelschap maakte zij haar debuut als Mimi (La Bohéme) in Philadelphia. Haar partner was de startenor van de Metropolitan Opera in New York, Giovanni Martinelli.

Rosa_Raisa_as_Aida_(1914)

Rosa Raisa als Aida

In 1914 debuteerde zij als Aida in het Royal Opera House in Londen, met aan haar zijde Enrico Caruso. Haar volgende rol daar was Helena van Troje (Boito’s Mefistofele), met Claudia Muzio, John McCormack en Adam Didur.

REPERTOIRE

Rosa Raisa Rachel

Rosa Raisa als Rachel (La Juive)

Haar repertoire was immens, denk alleen maar aan zulke uiteenlopende opera’s (ik noem maar een paar) als Il Trovatore, La Juive, La Fanciulla del West, Suor Angelica, La Battaglia di Legnano, Francesca da Rimini, Falstaff, Don Giovanni, Lohengrin, Tannhäuser, Les Huguenots, Isabeau, Die Fledermaus en La Fiamma. En zij zong liederen.

Hieronder zingt Raisa ‘None by the only heart’ van Tsjaikovsky in een opname uit 1920:

In 1915 ontmoette zij de van oorsprong Joods-Sefardische Italiaanse bariton Giacomo Rimini, met wie zij vijf jaar later trouwde. Samen zongen ze honderden concerten, voornamelijk in de USA. Hun optreden sloten ze altijd af met ‘La ci darem la mano’ (Don Giovanni). Haar soloconcerten eindigde ze steevast met het Jiddische ‘Eili, Eili’.

Hieronder ‘Eili Eili’ en ‘Oyfn pripetshik. Beide opnamen zijn gemaakt in 1918:

 In 1936 zong zij in Detroit de rol van Leah in Il Dibuk van Lodovico Rocca, het was één van haar laatste optredens. Raisa stierf in 1963 aan botkanker. Het is moeilijk om haar stem te beoordelen louter van haar opnamen: men mist het visuele en de magie van haar charisma. Haar tijdgenoten beschreven haar podiumprésence als niet minder dan opwindend.

Raisa boek

Wie meer over haar wil weten kan terecht bij ‘Rosa Raisa. A biography of a Diva’ geschreven door Charles Mintzer.

Hieronder Rosa Raisa in een interview met haar biografer:

Rosa Raisa op Spotify:


Entführung aus dem Serail in Antwerpen: Islamitische Staat avant la lettre?

Serail vlaamse-entfuhrung

De weg naar de hel is geplaveid met de goede bedoelingen. De Duitse regisseur Eike Gramss wilde ons laten voelen hoe het is om gegijzeld te worden en in een vreemde cultuur, waarvan je de taal niet spreekt, te belanden. De dreiging om afgemaakt te worden is continu aanwezig, je vrijheid en je vastigheden ben je kwijt. Niets nieuws onder de zon en zo oud als de weg naar Rome. Helaas..

SSerail 548a033cb9501

Maar hij wilde ons ook een lesje leren: je moest verder kijken dan je neus lang is, want niet alles is zoals het lijkt te zijn. Helaas: ook dat pakte verkeerd uit. Voornamelijk omdat hij geen duidelijk keuzes durfde te maken, niet consequent was, geen logica gebruikte en ons op een schommel van verwarrende emoties zette.

Het begon met een spotje op de Belgische tv (helaas, niet meer beschikbaar). Gewaagd, dat wel, maar ook zeer uitnodigend. Ook de trailer zag er veelbelovend en spannend uit. Er werd ons een confrontatie voorgeschoteld die voor heftige reacties kon leiden. En daar ben ik nooit zo vies van. Nieuwsgierig zoals ik toen nog was, wilde ik er bij zijn.

Nou… De heftige reacties bleven beperkt tot de verontwaardigde stemmen over het spotje, want wat wij in Antwerpen voorgeschoteld kregen was voornamelijk braaf en bij vlagen slaapverwekkend.

serail548a035481597

Er was geen lijn in te ontdekken. Waar wilde Gramss naartoe? Hij plaatste het verhaal in een niet nader te bepalen woestijn, anno nu. Het eenheidsdecor bestond uit een autoband en een kraantje, waar af en toe water uitkwam. Twee keer kwam er ook een heuse jeep voorbij: bij de aankomst van Bassa Selim, met in zijn kielzog de gesluierde Konstanze, en bij de vluchtpoging van de vier geliefden.

serail 548a03526d29d

Er liepen ‘Tanja Niemeijer’-lookalikes rond, maar er waren ook vrouwen in boerka’s, mannen met Arafat-sjaals om, mannen met tulbanden op, mannen met of zonder pet… Waren ze moslim? Waren ze Zuid-Amerikaans? Waren ze terroristen? Waar vochten ze voor

Om een inmiddels beroemde (of moet ik zeggen: beruchte?) rechter te citeren: het publiek leest ook kranten en kijkt tv, weet wat er in de wereld gebeurt en kan zijn eigen conclusies trekken.

De woestijn mocht ook één keer opbloeien – na het liefdeskwartet kleurde het zand groen en er kwamen klaprozen tevoorschijn, die dan meteen ook verdwenen. Geen idee waar het op sloeg. Liefde zegeviert ook in de woestijn? Cliché, die dan ook nog eens nergens op sloeg.

serail

De regisseur wilde ons fysiek de culturele vervreemding, het onbegrip en de onmogelijkheid om met elkaar te communiceren laten voelen, dus werden de dialogen in het Spaans, Engels, Turks en Arabisch (zonder boventitels!) gesproken. Vervreemding? Wellicht wel, maar voornamelijk ergernis, omdat het de actie onnodig stilzette. Bovendien werd er (gelukkig!) in het Duits gezongen, dus er was toch een gezamenlijke taal?

Gramss permitteerde zich ook wat vrijheden, die ik best leuk vond. Zo klonk er wat Arabische muziek en was er een stem van de muezzin te horen. Het paste in het verhaal.

Het einde vond ik mooi bedacht, daar raakte ik ontroerd door: de alleen gelaten en duidelijk eenzame Bassa Selim zingt een droevig liefdesliedje. Althans: ik denk dat het een liefdesliedje was, want een paar keer kwam het woord ‘habibi’ (geliefde) voorbij. Dat was mooi.

serail548a034ac93da

Muzikaal vond ik het ook niet bijzonder sterk. Íride Martínez (Konstanze) leek over drie verschillende stemmen, verspreid over drie registers, te beschikken. En de drie registers kwamen elkaar nergens tegen. Ze was vals, schel en het metaal in haar topnoten (voor zover gehaald) deed mij pijn in mijn oren. Maar misschien was zij die dag ongedisponeerd? Kan, maar dan had iemand haar moeten verontschuldigen. Zij zag er overigens leuk uit.

Over Maxim Mironov (Belmonte) kan ik kort zijn: mager. Letterlijk en figuurlijk. Acteren kon hij ook niet. Eduardo Santamaría was een leuke, gedreven Pedrillo. Niet echt een stem om over naar huis te schrijven, maar hij maakte tenminste iets van zijn rol.

De jonge Turkse basbariton (met de nadruk op bariton!) Günes Gürle was beslist geen slechte Osmin. Hij oogde aantrekkelijk, wat het ‘Stockholmsyndroom-idee’ van het concept (jaja, dat kwam er nog eens bij) zeer aannemelijk maakte. Gürle beschikt over een prachtige stem, waarmee hij alle kanten uit kan, behalve de door Mozart voorgeschreven diepe laagte. Ik geef toe, er zijn zelfs zeer weinig echte bassen die de noten aankunnen, laat staan basbaritons, maar toch…

serai548a035c84a68

De Amerikaanse sopraan Julianne Gaerhart was een fantastische Blonde. Zij zag er als een klein wild katje uit en zo acteerde zij ook. Echt een Blonde, zoals Mozart het waarschijnlijk heeft bedoeld.

Haar dialogen sprak zij met een heerlijke Engelse tongval uit, maar het allerbelangrijkste was natuurlijk haar zang en daar was helemaal niets mis mee. Sterker, zij was werkelijk fenomenaal. Haar heerlijk soepele sopraan ging makkelijk de hoogte in – hoe hoger hoe mooier. Zij kwinkeleerde als een echt nachtegaaltje en haar coloraturen waren de perfectie zelf.

Serail548a0340bc88c

De echte held echter, althans voor mij, was de beroemde Palestijns-Israëlische acteur Norman Issa als Bassa Selim (Syrian Bride ooit gezien?). Vanaf zijn eerste opkomst domineerde hij de hele voorstelling. Sterker: hij zette er zijn stempel op. Zijn charisma is ongekend, zijn acteren ongeëvenaard. En hij kon zingen ook…

Alleen vanwege hem en Julianne Gaerhart was de opera het reisje naar Antwerpen waard.

Wolfgang Amadeus Mozart
Die Entführung aus dem Serail
Íride Martínez, Maxim Mironov, Julianne Gaerhart, Eduardo Santamaría, Günes Gürle en Norman Issa
Symfonisch Orkest en het Koor van de Vlaamse Opera olv Umberto Benedetti-Michelangeli.
Regie: Eike Gramss.
Bezocht op 7 november 2010

Alle fotomateriaal © Annemie Augustijns).

DIE ENTFÜHRUNG AUS DEM SERAIL. Mini discografie

Authentieke Ruslan en Ludmila uit het Bolshoi

Ruslan en Ludmmila

Voor zijn eerste grote werk, een ‘novelle in strofen’, bewerkte Poesjkin één van de meest geliefde Russische sprookjes, Ruslan en Ludmila. Het gedicht op zijn beurt inspireerde Mikhail Glinka voor het componeren van zijn succesvolste opera, al was de ontvangst bij de première nogal matig.

Glinka, nog steeds beschouwd als de ‘vader van de Russische muziek’, combineerde nationale volksdansen en liederen met het Italiaanse belcanto: de invloeden van Donizetti en Bellini zijn in de zeer aanstekelijke ouverture duidelijk hoorbaar.

In april 2003 werd in het Bolshoi-theater in Moskou de eerste ‘authentieke’ uitvoering van Ruslan en Ludmila gepresenteerd. De meest oorspronkelijke en verloren gewaande partituur werd opgespoord (daarover staat een uitgebreid verslag in het tekstboekje) en nauwkeurig opgevolgd. De moderne blaasinstrumenten werden vervangen door exemplaren zonder ventielen en de concertvleugel door een Érard-piano, en in de vierde acte gaf zelfs een heuse glasharmonica act de presence.

Voor de hoofdrollen werden jonge zangers geëngageerd en het geheel stond onder de bezielde leiding van Alexander Vedernikov, sinds 2001 chef van het Bolshoi. Gelukkig voor ons zagen de bazen van Penta Tone hoe belangrijk de gebeurtenis was, en de voorstelling werd live in super-audio opgenomen. Een feest, niet alleen voor de operaliefhebbers. Een bijzondere uitgave.


Mikhail Glinka
Ruslan and Lyudmila
Taras Shtonda, Etakerina Morozova, Vadim Lynkovsky, Aleksandra Durseneva e.a.
Chorus and Orchestra of the Bolshoi Theatre, Moscow olv Alexander Vedernikov
PentaTone PTC 5186 043

 

 

 

 

 

 

Triptych (Eyes of One on Another). Ode aan Mapplethorpes ode aan schoonheid van lichamen, en vragen die zijn werk nu oproept, toen en nu.

TEKST NEIL VAN DER LINDEN

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-35

© Baranova

Het werk van de Amerikaanse fotograaf Robert Mapplethorpe (1946 – 1989) wekt dertig jaar na zijn dood nog steeds controverses. Enerzijds is er zijn absolute gevoel voor vorm en (zwart-grijs-wit-) kleurnuances, wat zijn werk tijdloos maakt; het is bij wijze van spreken al gecanoniseerd tussen Grieks-antieke beelden. Anderzijds is een deel van zijn werk seksueel uitermate expliciet, al kijken recentere generaties daar minder van op; de Nederlandse fotograaf Erwin Olaf die zich in zijn jongere jaren liet inspireren door Mapplethorpe is nu huisfotograaf van het Koninklijk Huis tot en met violiste Janine Jansen. Maar daarnaast ondervindt Mapplethorpe tegenwoordig kritiek vanwege de manier waarop hij met menselijke modellen omging, met name zwarte, Afro-Amerikaanse fotomodellen.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-8

© Baranova

Mapplethorpe verdiende miljoenen en de modellen gingen met weinig naar huis, wordt dan gezegd, en bovendien reduceerde Mapplethorpe zijn mensen soms bijna tot objecten, alleen spier en vaak geslachtsdeel, en vaak dan zonder hoofd. Je zou daar tegenin kunnen brengen dat Mapplethorpe als kunstenaar wél het concept van zijn werk had uitgevonden, en dus intellectueel eigenaar was van het concept. Zijn modellen poseerden ‘alleen maar’. En hoewel hij lichamen ‘objectificeerde’ zoals het heet, ‘tot object maakte’ (reduceerde vinden sommigen dan), bracht hij wel een eerbetoon aan het menselijk lichaam, en de lichamen van degenen die hij fotografeerde.  Degradeerden Michelangelo en Bernini hun modellen ook toen zij hun David schiepen?

triptych-ada-nieuwendijk-18_500x333

© Ada Nieuwendijk

Deze voorstelling gaat deels over die vragen. Het uitgangspunt is de kracht van het werk van Mapplethorpe én de conclusie dat de maatschappelijk taboes op seksualiteit zijn weggeëbd. Maar anderzijds zijn er nieuwe maatschappelijke pijnpunten. In de Volkskrant herinnert Stephan Sanders zich het werk van Mapplethorpe als “niets anders dan emancipatie in topvorm: emancipatie van (homo)seksualiteit, van zwarte lichamen, en van seksuele perversies. Het was dus heel vanzelfsprekend om tegen de burgertrutten te zijn, die daar niet tegen konden, en die zelfs tentoonstellingen wilden verbieden. Ik was stomverbaasd toen er in de jaren vlak voor en vooral na Mapplethorpes dood zich ook critici meldden van onverdacht progressieve signatuur: Afro-Amerikanen die bezwaar maakten tegen het werk van deze witte fotograaf; tegen de ‘objectivering’ van zwarte lichamen, die vaak een en al pees en pik waren, waarbij het gezicht soms werd weggelaten.“ (VK 19-6-19)

Het idee voor de voorstelling komt van de Amerikaanse minimalistische componist Bryce Dessner, die ook bekend is van de art-rock popgroep The National. Afgestudeerd aan de Yale op klassiek gitaar, werkte Dessner met mensen uit de nieuwe muziek en alternatieve popscene, zoals Philip Glass, Steve Reich, het Kronos Quartet, Jonny Greenwood van Radiohead, het New York Guitar Festival, Bang on a Can All- Stars, Los Angeles Philharmonic, Ensemble Intercontemporain, Metropolitan Museum of Art, BAM Next Wave Festival en New York City Ballet.

In die hoek moeten we het zoeken: typisch Amerikaans- of eigenlijk vooral New York-Amerikaans- pretentieus. Maar als het inventief gebeurt zoals door Dressner kan het resultaat toch verfrissend en aansprekend zijn. En door de samenwerking met deze librettist en regisseur en door de samenwerking met dit vocaal ensemble, Roomfull of Teeth, waarover zo meteen meer, benut Dessner dat New Yorks-pretentieuze door er alle parafernalia van te gebruiken, en doorbreekt het tegelijkertijd. En eigenlijk moeten de credits daarvoor meteen ook gaan naar de librettist, de jonge dichter Korde Arrington Tuttle, en de regisseur, Kaneza Schaal, beiden Afro-Amerikaans.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-18

© Baranova

Met twee indrukwekkende solozangers van Afro-Amerikaanse komaf, Alicia Hall Moran en Isaiah Robinson, wordt het project veilig langs het taboe op de New Yorks-elitaire white privilege cultuur geleid. Of ontstaat daardoor een nieuwe vorm van blaxploitation, het uitbuiten van zwart-Amerikaanse cultuur inclusief stereotypen. Die kwestie vereist misschien een apart essay. Ik kom erop terug, maar wil nu eerst weer naar de voorstelling die ik zag. Ik zou het werk willen omschrijven als een poëtisch uitgewerkte documentaire-opera. De wordingsgeschiedenis van Mapplethorpe’s drie portfolio’s van werk, geheten X, Y en Z, te beschouwen als een drieluik, vandaar Triptych.

Eerder noemde ik Bryce Dessners samenwerking met Steve Reich. Aan Reich moest ik tijdens de voorstelling denken vanwege diens The Cave, zijn documentaire-muziektheater-stuk lang geleden in het Holland Festival over de grot van de Bijbels aartsvaders in Hebron (West-Bank), en de controverses daarover vanwege de synagoge en de moskee die op die plek over de grot heen zijn gebouwd.

De objectiverende documentaire-stijl waarmee de tekst van The Cave probeerde distantie te scheppen ten opzichte van de emotionele kant van het onderwerp worden ook door componist Dessner en librettist Tuttle toegepast, zij het dat Tuttle af en toen juist dichterlijk en emotioneel van het historiserende boekje afwijkt, wat door Dessner wordt beantwoord in emotionele climaxen in de muziek.

Tuttle en Dessner voegen bovendien teksten in van de Amerikaanse avant-garde popzangeres en dichteres Patti Smith, ooit een huisgenoot van Mapplethorpe, en van de dichter en Afro-Amerikaanse gay activist Essex Hemphill, die net als Mapplethorpe aan AIDS overleed; een voorbeeld van zijn werk dat in het libretto is opgenomen: In Amerika plaats ik mijn ring om je pik waar hij hoort. Geen ruiters die verschrikking brengen, geen onheilsoldaten zullen binnenvallenen ons uit elkaar drijven. Ze zijn te druk met de verdeling van het buitgemaakte land om acht op ons te slaan. Ze weten niet dat wij elkaar nodig hebben, dringend.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-16.jpg

© Baranova

Wat sommige van de beelden betreft die toen als expliciet werden ervaren (maar waarvan de heftigheid nu vooral poëtisch overkomt): voor deze productie werd samengewerkt met de Robert Mapplethorpe stichting, door de kunstenaar zelf opgericht gedurende de laatste jaren van zijn leven toen hij aan AIDS leed. De stichting waakt over zijn nalatenschap en doneert aan aidsonderzoek. De toestemming van de stichting was hoe dan ook nodig om de beelden te kunnen gebruiken.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-22

© Baranova

Een aantal foto’s mocht niet worden gebruikt: fisting, golden shower (plasseks) en expliciet sadomasochisme mochten niet. Misschien uit vrees dat die een eigen leven zouden gaan leiden als porno, al zijn ze ook in boeken en online te vinden. Overigens waren ook Mapplethorpes foto’s van bloemen opgenomen in de beeldenreeks. Waarbij opviel hoe erotisch die foto’s zijn, zeker in deze context, terwijl ze tegelijkertijd demonstreerden hoe esthetische schoonheid in erotiek een constante is in al het werk van Mapplethorpe. En planten zijn ook organismen die bezig zijn met voortplanting en voortbestaan, en Mapplethorpe was daarin ook zeer expliciet in zijn foto’s orchideeënbloemen en de Venusvliegenvanger, de wellustig gevormde plant die vliegen vangt en verteert.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-11

© Baranova

Op het podium staat temidden van projecties van werk van Mapplethorpe de zang van vocaal ensemble Roomful of Teeth centraal. Ze beginnen met madrigalen van Monteverdi. Componist Dessner zegt dat het werk van Mapplethorpe hem aan het maniërisme uit de vroege barok doet denken, affectiviteit door bewust overdreven vormen, vandaar. Roomful of Teeth zou eens een hele CD met Monteverdi moeten opnemen of een Monteverdi opera uitvoeren, zelden heb ik Monteverdi emotioneler gehoord, en in lijn van dat emotionele affect waarover Dessner het heeft.

Theatraal is het ensemble ook. Ze zijn vrijwel permanent op het toneel, en bewegen nu eens helder dan weer omfloerst uitgelicht in fraai gelijnde patronen die passen bij de koele lijnen van Mapplethorpe en die tegelijkertijd passen bij de onderliggende broeiende emoties. Twee solisten, Alicia Hall Moran en Isaiah Robinson, demonstreren zowel wat waarschijnlijk klassieke scholing is als vermoedelijk ervaring in gospel en soul. Wat stikt het gelukkig in de wereld van zangers die vocaal net zo goed zijn als, zeg, Patti Labelle en Eddie Kendricks, twee bekende en virtuoze soulzangers.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-15

© Baranova

Het ensemble heeft sowieso een traditie om zich allerlei vocale stijlen eigen te maken, zoals naar ik begrijp Mongoolse Tuva- en death metal keelzang, Perzische ornamentiek, jodelen, en de zangers gebruiken dat allemaal om optimale zangtechnische vrijheden op te zoeken. Naast de polyfonie van Monteverdi en de Amerikaanse gospel horen we elementen van Amerikaanse barbershop- en jazzy scat zangstijlen, maar ook van klassieke Sprechgesang, genres waarin de leden allemaal doorkneed blijken, waarvan de componist intensief gebruik maakt. Dit alles in een buiteling van loepzuivere en messcherp gezongen harmonische clusters vol duizelingwekkend complexe dissonanten. Vergeet even dat componist Dessner zijn muziek als ‘micro minimal’ omschrijft. Het is gewoon beregoede muziek.

Het instrumentale deel van de muziek werd verzorgd door het ASKO|Schönberg ensemble. De orkestpartijen zijn veel bescheidener, het ensemble zit opgesteld langs de achterwand van het theater. Wel ook bijna steeds in zicht, maar bijna als een onderdeel van het decor, wat mede wordt bewerkstelligd door de uniforme grijze kleding. De dirigent, Brad Wells, staat tegenover het instrumentale ensemble, met de rug naar ons toe. Hij staat achter het vocaal ensemble, maar via camera’s en monitors dirigeert hij het vocaal ensemble wel.

triptych-eyes-of-one-on-another-baranova-33

© Baranova

Een vierde spil op toneel is een jonge danser, Martell Ruffin, die een deel van de tijd op het voortoneel staat of zit, staat of zit vreselijk mooi te zijn. Hij is van de leeftijd die en ook misschien het type dat Mapplethorpe zou hebben kunnen fotograferen. En nu ga ik iets heel precairs schrijven. De acteur is ook heel mager. In de tijd van Mapplethorpe zou dat een omineus teken kunnen zijn geweest, vanwege de rondwarende aidsepidemie. Nu is dat gelukkig niet meer zo. De danser zit er zo prominent tegelijkertijd als menselijke object en als persoonlijkheid, en ook als eenzame, als vreemdeling, dat ik mij kan voorstellen dat de makers het publiek zich wil laten afvragen of wij een mooi iemand en/of een zwart iemand ‘objectificeren’, terwijl de Catch22 natuurlijk is dat de makers de danser ook op die manier gebruiken, en dat dilemma op deze manier ook etaleren.

Muziek: Bryce Dessner
Libretto: Korde Arrington Tuttle
Aanvullende tekst: Essex Hemphill, Patti Smith
Regie: Kaneza Schaal
Muzikale leiding: Brad Wells
Uitvoering: Roomful of Teeth, Asko|Schönberg Ensemble
Solozangers: Alicia Hall Moran en Isaiah Robinson
Danser:  Martell Ruffin
Foto’s: Baranova en Ada Nieuwendijk

Bezocht  op 19 juni 2019