Peter Franken

L’upupa und der Triumph der Sohnesliebe

Tekst: Peter Franken

Henze werkte aan deze opera waarvoor hij ook het libretto schreef in de periode 2000-2003. Het is een opdrachtwerk voor de Salzburger Festspiele waar het op 12 augustus 2003 zijn première beleefde. Naar verluidt was Henze opgelucht dat hij ondanks zijn gevorderde leeftijd dit grote werk had weten te voltooien en het zag er dan ook naar uit dat het zijn laatste opera zou worden. Niettemin wist hij er nog twee op te laten volgen: Phaedra in 2007 en Gisela voor de Ruhrtriennale van 2010. L’upupa is een komedie waarvan het verhaal is gebaseerd op Arabische vertellingen. Van de première is een opname op dvd uitgebracht door EuroArts.

Een upupa is een fraai uitgedoste zangvogel die ook wel ‘hop’ wordt genoemd. Een oude heerser wordt dagelijks door zo’n kleurrijk wondertje bezocht en hij raakt er volledig aan verslingerd, zozeer dat hij het wil vangen. Dat lukt maar de vogel pikt hem en weet zich zo te bevrijden om vervolgens nooit meer terug te komen.

De oude man kwijnt hierdoor weg en geeft zijn drie zonen opdracht het beestje te gaan zoeken en terug te brengen, koste wat kost, met inbegrip van hun eigen leven. Enig egocentrisme is dit personage niet vreemd. Zijn oudste zoon is een leugenaar, de middelste een nietsnut maar Al Kasim, de jongste, is zijn oogappel. Die wordt door zijn broers vooruit gestuurd en vervolgens besluiten ze maar gewoon te wachten tot hij terugkeert van zijn queeste.

Al Kasim ontmoet zijn Demon die zich ontpopt als de beschermengel die hem al had verwacht. Samen vliegen ze naar het eiland Pate waar inderdaad die vogel in een kooi wordt aangetroffen in het paleis van de bejaarde koning Malik. In de stijl van Osmin willen diens ondergeschikten gelijk de oren en handen afhakken van die diefachtige indringers maar Malik beslist anders. Hij stuurt die twee erop uit om in Kipungani een Joods meisje voor hem te halen als bruid. Ze wordt daar gevangen gehouden door de plaatselijke heerser Dijab die haar tot de zijne wil maken. Zo langzamerhand dringt de vergelijking zich op van Tamino, Papageno, Sarastro en Malik in de rol van Koningin van de Nacht.

Al Kasim treft het meisje dat luistert naar de welluidende naam Badi’at el-Hosn wal Dschamal daar slapend aan, wekt haar en ze verklaren elkaar prompt liefde tot in de dood. In zijn enthousiasme probeert Kasim haar gelijk te bestijgen wat haar onwillekeurig ‘help’ doet roepen. De Demon had nog zo gewaarschuwd alles heel stil en snel te doen, geen onnodig risico te nemen. Terwijl ze hun liefdesontmoeting hebben zien we hem waarschuwend langs de zijlijn, als Brangäne die Tristan en Isolde tot voorzichtigheid maant.

Betrapt na dat hulpgeroep worden Kasim en zijn Demon ter dood veroordeeld maar de smeekbeden van Badi’at brengen de barse Dijab op andere gedachten. Hij laat hen gaan als ze tenminste eerst naar het rijk van een kwaadaardige heerser afreizen om daar voor hem een toverkist te halen. Niet zozeer omdat hij die wil hebben maar gewoon omdat hij niet kan uitstaan dat niemand hem kan vertellen wat er in zit.

Uiteindelijk komen het drietal terug bij de waterput waar de broers zijn achtergebleven. De Demon torst de kist en Al Kasim koestert zijn nieuwe bruidje. Niemand denkt nog aan Malik en Dijab die ze erop uit hebben gestuurd. De upapa is er natuurlijk ook bij, in een kooi. Door een list weten de broers Al Kasim in die waterput te krijgen waarna Badi’at hem achterna gaat, ‘Isoldes Liebestod’ in combinatie met ‘Joseph und seine Brüder’: Henze gebruikt veel materiaal in zijn libretto. Afgezien daarvan doorspekt hij het ook nog eens met subtiele anachronismen variërend van napalm tot psychotherapie.

Vader is ontzet als hij verneemt dat zijn favoriete zoon dood is maar knapt gauw op zodra hij de meegebrachte vogel ziet. De queeste is dan toch geslaagd, het is het waard geweest. Als de broers met het afgeluisterde wachtwoord de kist openen komen er dwergen uit die hen een pak slaag geven. Op dat moment komen Al Kasim en Badi’at aanlopen, bevrijd door de net op tijd teruggekeerde Demon.

Zij kennen het wachtwoord om de kist zich te laten sluiten, met al die dwergen weer veilig opgeborgen. De oude man is ontzet over het bedrog van zijn twee zonen en wil hen op gruwelijke wijze laten ombrengen. De jongste pleit echter voor gedeeltelijke amnestie. Ze moeten eerst die kist terugbrengen naar de rechtmatige eigenaar en daarna worden ze verbannen naar twee provincieplaatsen aan de randen van het rijk waar ze te werk zullen worden gesteld bij het schoonhouden van het hoofdriool.

Voor het tot een huwelijk komt tussen Al Kasim en Badi’at moet de jongeman eerst nog even terug naar de waterput waar de Demon op hem wacht. Als afscheidsgeschenk heeft hij een appel van de levensboom bedongen en die heeft hij natuurlijk ten volle verdiend. Samen lopen de oude man en zijn aanstaande schoondochter de zonsondergang tegemoet. De vogel is vrijgelaten, het was van meet af aan een vergissing hem te willen kooien. Een zangvogel net als ‘kunst’ moet vrij zijn.

De enscenering die regisseur Dieter Dorn maakte voor de Salzburger Festspiele is oogverblindend mooi. Niet in de laatste plaats door de decors en kostuums van Jürgen Rose en de belichting van Tobias Löffler. We zien een koepelvormig decor met een ring bovenaan. Het oogt als de bovenste helft van een vogelkooi. In die open ring zingt de oude man. Beneden op het licht gewelfde grondvlak spelen de scènes zich af. Door veelheid aan exotische kostuums krijgt alles het oriëntaalse tintje dat zozeer bepalend is voor de verhaallijn.

Laura Aikin is een prachtige Badi’at: een onschuldig meisje dat heel mooi kan zingen en niet voor een kleintje vervaard is als het er om spant. Haar directe tegenspeler Al Kasim wordt uitstekend vertolkt door bariton Matthias Goerne. Daarmee laat Henze de eer die de tenor altijd toevalt aan John Mark Ainsley die weet te excelleren als de Demon. De egocentrische oude vorst die zijn zonen wel wil opofferen voor een zangvogeltje wordt prima vertolkt door Alfred Muff.

Leuk om een van mijn sentimental favourites Hanna Schwarz te zien als Malik, compleet met puntbaardje. Jammer eigenlijk dat Muff en niet Donald McIntyre als oude man was gecast, wie mij kent begrijpt wel waarom. De bas Günther Missenhardt is een aansprekende barse Dijab. De twee oudere broers worden vertolkt als een duo list en bedrog door Axel Köhler en Anton Scharinger.

Markus Stenz dirigeert de Wiener Philharmoniker met veel oog voor alle instrumentele details die Henze in de partituur heeft verwerkt. Een fraai klankbeeld is het resultaat. Met 20e eeuwse muziek is het altijd verleidelijk om de essentie van een werk op te roepen door middel van ‘het klinkt als’ uitspraken waarna een reeks bekende componisten de revue passeert. Ik zie daar deze keer van af. Het is een opera uit Henzes nadagen en wie zijn werk een beetje kent zal genoegen kunnen nemen met de kwalificatie: ‘klinkt als Henze’.

https://my.mail.ru/video/embed/7148156706873149405

Der junge Lord van Henze. Satire? Of meer?

Tekst: Peter Franken

Dit werk ging in 1965 in première aan de Deutsche Oper Berlin. Net als bij Mozart en Schikaneder is het de vraag wie de belangrijkste bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan. De aftiteling van de Unitel opname uit DOB die daar in 1968 werd gemaakt vermeldt librettist Ingeborg Bachmann als de auteur van het werk, ‘met muziek van Henze’.

Bachmann was echter in hoge mate schatplichtig aan het verhaal Der Affe als Mensch van Wilhelm Hauff uit 1826. De getoonde productie met decors en kostuums van Filippo Sanjust doen volledig recht aan deze periode, op het karikaturale af. Je zou het kunnen omschrijven als Biedermeier naturalisme zoals geproduceerd door een zondagsschilder. De regie is in handen van Gustav Rudolf Sellner, de toenmalige intendant van DOB.

Henze en Bachmann

Het verhaal is volstrekt ongerijmd en leent zich uitstekend voor de opera buffa die Bachmann en Henze er van wisten te maken. In Hülsdorf-Gotha, een kleine stad in Oberfranken, wachten alle notabelen met spanning op de komst van een nieuwe belangrijke en vooral zeer rijke bewoner: Sir Edgar. De eerste twee koetsen die arriveren blijken echter tot hun teleurstelling en verwondering slechts een complete menagerie aan exotische dieren te bevatten. Pas in derde instantie arriveert de door Prinz Heinrich aanbevolen Engelsman zelf.

Zijn secretaris doet het woord en slaat alle uitnodigingen voor welkomstfestiviteiten beleefd af. Hij spreekt voor zijn werkgever die overigens de gehele opera geen mond open zal doen. Men is in zijn waardigheid aangetast maar schikt zich in zijn lot, Prinz Heinrich zal wel geweten hebben wie hij hen op hun dak heeft gestuurd. En de man heeft het grootste pand in de stad gekocht voor zeer veel geld, op termijn zal hij de plaatselijke economie wel stimuleren.

Maar als Sir Edgar wordt uitgenodigd voor de thee bij barones Grünwiesel stuurt hij zijn Moorse lakei in vol oosters ornaat pas met een bericht van afwijzing als haar salon al vol zit met alle echtgenotes van heren die er toe doen in de stad. De vernedering is groot en ze neemt zich voor hem zijn verblijf onmogelijk te maken. Dan arriveert een klein Italiaans circus en verschijnt Sir Edgar voor het eerst sinds zijn komst buiten op het plein.

Nu voelt alles en iedereen zich geschoffeerd: voor die nietsnutten komt hij wel naar buiten terwijl hij de gehele sociale bovenlaag al die tijd heeft genegeerd. De burgemeester wil het circus wegsturen omdat ze niet voor hun vergunning hebben betaald maar Sir Edgar springt bij. Nog erger wordt het als de gehele troupe door de secretaris naar binnen wordt genood om de gastvrijheid van Sir Edgar te genieten. Behalve de obligate krachtpatser, koorddanseres en jongleur zit er ook een gedresseerde Orang-oetan bij.

Louise is het mooiste meisje van de stad en wordt opgevoed als pupil van de barones. Ze is gecharmeerd van de student Wilhelm maar de barones denkt dat er een betere partij voor haar is weggelegd, eentje die ook haar eigen status verder kan verhogen. Niettemin weten die twee elkaar te vinden en over en weer verklaren ze hun liefde. Intussen worden er vreemde jammerkreten uit Sir Edgars huis gehoord.

Als de notabelen om opheldering komen vragen vertelt de secretaris dat een neef van Sir Edgar uit Engeland is overgekomen en dat die nog veel moeite heeft zich de Duitse taal aan te leren. Gepast geweld moet deze jonge Lord Barrat stimuleren om beter zijn best te doen. Daar heeft iedereen alle begrip voor, zonder tuchtiging wordt het immers niets met opvoeden en onderwijzen? Maar als de jonge Lord zover is zal iedereen wordt uitgenodigd om tijdens een feestelijke ontvangst met hem kennis te maken.

Het verdere verloop is voorspelbaar. De barones probeert Louise aan die hoog adellijke heer te koppelen. Die valt als een blok voor hem en een gedroomde toekomst, Wilhelm heeft het nakijken. Hij is de enige die overal doorheen kijkt: die man gedraagt zich onbeheerst en kan maar een paar zinnen uitbrengen. Later wordt dat beter en binnen een paar maanden is hij the talk of the town die onmerkbaar een voorbeeldfunctie heeft gekregen. Beter gezegd: men gaat hem imiteren. Een Engelse lord is nu eenmaal altijd een beetje excentriek en hij brengt leven in de brouwerij. Naar verwachting zal tijdens een bal in het casino de verloving van Louise met die bijzondere Engelsman bekend worden gemaakt.

Barrat danst met Louise en maakt daarbij vreemde hoge sprongen die vooral door de jongere gasten braaf worden geïmiteerd. Vervolgens loopt alles echter vreselijk uit de hand doordat Barrat ‘zijn manieren’ begint te verliezen en als de ontreddering compleet is neemt Sir Edgar zijn neef het gezichtsmasker af: hij is een aap. Louise probeert zich te redden door te zwijmelen dat alles een kwade droom is geweest. Wilhelm weet wel beter maar heeft er geen belang bij haar al te zeer tegen te spreken.

De gehele gemeenschap voelt zich in zijn hemd gezet. Het waarom hiervan blijft onduidelijk. Welke drijfveer kan die Engelsman hebben gehad hen een spiegel voor te houden om te tonen dat men zich slaafs gedraagt als gedresseerde wezens die elkaar alleen maar na-apen?  Zij zijn kleinburgerlijk maar dat was in die tijd de norm in Duitsland, een reactie op woelige tijden die standhield tot revolutiejaar 1948. En waarom moest Sir Edgar zich zo nodig in dat oord vestigingen als hij er sowieso geen deel van uit wenste te maken?

From DER JUNGE LORD by Ingeborg Bachmann and Hans Werner Henze – Edith Mathis with Loren Driscoll and Bella Jasper © Archiv Deutsche Oper Berlin, April 1965

Sopraan Edith Mathis is betoverend mooi als de onstandvastige Louise. Haar vriendin Ida wordt alleraardigst vertolkt door coloratuursopraan Bella Jasper. Comic relief komt van mezzo Vera Little als Begonia, de Jamaicaanse kokkin van Sir Edgar en van Margarete Ast dankzij haar Mrs. Bouquet act als barones Grünwiesel.

Tenor Donald Grobe is een prima Wilhelm en bariton Barry McDaniel maakt goede sier als de onverzettelijke secretaris die altijd precies weet te vertellen wat zijn meester wil. De titelrol wordt met verve vertolkt door tenor Loren Driscoll. Qua zang wordt er niet heel veel van hem gevergd, zijn rol steunt op acteren. Omdat het moeilijk valt te voorspellen hoe een getrainde aangeklede Orang-oetan zich zal gedragen in de sociale omgang met grote groepen bewonderaars, heeft de regie hem vooral robotachtige bewegingen laten instuderen die tegen het einde ontaarden in wilde gebaren, hoge sprongen en de aankondiging van regelrecht geweld. Op dat moment laat Sir Edgar zijn zweep knallen waarop het dier op slag kalmeert en gedwee met zijn meester het casino uit loopt, terug naar huis. De vele overige rollen zijn stuk voor stuk naar behoren bezet.

Muzikaal is het werk een collage van Mozart, Lortzing, Strauss en Stravinsky. Veel eigenwijs geklets van in hun eigen belangrijkheid verstrikte notabelen en vergelijkbaar gekwetter van hun echtgenotes die maar al te graag het gevolg van de barones vormen. Het is aardig om eens te bekijken en ook wel om te beluisteren. Maar als middel tegen de existentiële angst die het ontstaanstijdperk bij de twee scheppers had doen ontstaan is het ongeloofwaardig en volledig gedateerd. Niettemin een waardevol tijdsdocument. Christoph von Dohnányi heeft de muzikale leiding.

.

Orkest van de Achttiende Eeuw herneemt Cosi fan tutte

Tekst: Peter Franken

Tien jaar geleden stond Mozarts opera over jongelui die een weddenschap aangaan op het wel of niet vreemd gaan van hun partners al op de lessenaar van het orkest en het oogstte daarmee veel waardering. In muzikaal opzicht blijft de reprise daar zeker niet bij achter maar de ‘mise en espace’ liet wel wat te wensen over.

Laat ik daar dan ook maar mee beginnen. Ik zag de voorstelling op zaterdag 14 oktober in De Doelen en achter op het toneel was een stellage geplaatst waaraan een bontverzameling kleren hing. Verder was dit de hangplek voor de zangers als ze even niet aan de handeling deelnamen. Via twee trappen aan de zijkanten en eentje dwars door het orkest kon men zijn opwachting maken op het voortoneel. Verder was er natuurlijk de gebruikelijk mogelijkheid om af te gaan via de zijdeuren. Al met al bood deze opzet ruimschoots gelegenheid voor dynamiek, we waren ver verwijderd van de klassieke concertante uitvoering met zangers achter hun lessenaars. Tot zo ver alles paletti.

D

Dirigent Manoj Kamps en regisseur Lisenka Heijboer Castañón hebben al diverse projecten op hun naam staan, het is een duo dat snel bekendheid heeft gekregen. Ze hebben duidelijk moeite met het misogyne karakter van de handeling en Kamps heeft vermoedelijk aandacht willen vragen voor het feit dat er meer gendertypes zijn dan alleen man en vrouw. Dat is de enige verklaring die ik kan bedenken voor het feit dat Guglielmo, een forse kerel met een zware baard, de hele avond rondloopt in een rok en daarover een bontjasje. Na de geslaagde verleiding van Dorabella mag zij het een tijdje aanhouden, tot afgrijzen van Ferrando natuurlijk.

Kort en goed, de handeling wordt gevolgd, de teksten worden gedebiteerd maar de personenregie breekt daar voortdurend op in door onopvallende interacties tussen de protagonisten die haaks staan op wat er geacht wordt gaande te zijn. De partnerwisseling wil maar niet lukken, steeds staan die lui aan de verkeerde te frutselen. En om verdere problemen uit de weg te gaan wordt het slot maar gewoon concertant gebracht en gaat iedereen vervolgens snel af via de zijdeur. Het tongue in cheek aspect wordt versterkt door de bonte verzameling kleren die voor de pauze het beeld bepalen. Dirigent en orkest dragen vrijetijdskleding. De zangers lopen erbij alsof ze een uitdragerij voor jaren ’70 memorabilia en feestartikelen hebben geplunderd.

Na de pauze is alles anders. Dirigent en orkest in stemmig zwart, de zangers in relatief rustig ogende kledij zonder voortdurende wisselingen. Als er getrouwd moet worden ruilen ze die in voor glitterkostuums.

Niet alleen op het punt van de handeling was de omgang met het werk nogal vrij, ook muzikaal werd getracht er een eigen invulling van te geven door het toevoegen van coloraturen die niet allemaal even goed uit de verf kwamen. Fiordiligi heeft mij een aantal malen doen schrikken met plotselinge harde uithalen. Niet doen, die aria’s goed vertolken is al moeilijk genoeg en deze baldadige ‘kijk mij nou eens’ momenten hadden net zo min meerwaarde als die belachelijke kostumering.

Katharine Dain wist het bij mij als Fiordiligi overigens weer helemaal goed te maken met haar grote aria ‘Per pietà’. Negen minuten wist ze het orkest tot fluisterende begeleiding te brengen door haar ingetogen breekbare vertolking. Ze was de wanhoop nabij en wist dat zeldzaam fraai en overtuigend te tonen, je kon een speld horen vallen. De hoorns werd het zo niet gemakkelijk gemaakt maar ze gaven geen krimp. Naast haar meer ingetogen zuster zette Josy Santos een wat lossere Dorabella neer, precies zoals het hoort. Maar ondertussen zocht ze voortdurend haar liefje Ferrando op: dubbel dubbel spel dat uiteindelijk zonder oplossing of afsluiting zou blijven.

Bariton Drew Santini werd zoals gezegd niet geholpen door de kostumering maar dat deed in geen enkel opzicht afbreuk aan zijn zang, uitstekend verzorgd. Tenor Lienard Vrielink werd in korte broek getoond als zijn junior partner, zoiets als Lenski naast Onegin. Hij gaf twee mooie solostukken ten beste en deed braaf mee aan het spelletje.

De twee intriganten kwamen voor rekening van Henk Neven, een zeer solide Don Alfonso, en Claron McFadden die een aardige Despina wist neer te zetten. Ze was vooral goed op dreef in ‘Una donna a quindici anni’ waarin ze haar werkgeefsters duidelijk maakt hoe volwassen vrouwen van vijftien zich dienen te gedragen.

Manoj Kamps dirigeerde het Orkest van de Achttiende eeuw met veel brede gebaren waarbij duidelijk was dat men het echte werk al achter de rug had. De musici wisten precies wat er van hen verwacht werd en tijdens de recitatieven hield Kamps dan ook gewoon de handen stil. Spelen op periode instrumenten geeft me altijd een dubbel gevoel. Technische verbeteringen zijn niet voor niets tot stand gekomen, door ze naast je neer te leggen verklein je de mogelijkheden om tot perfectie te komen. Daar staat tegenover dat het nu wel spontaner en zelfs brutaler klinkt. Vooral de klank van de hobo valt me elke keer weer op, het instrument waarvoor het antieke karakter de grootse meerwaarde heeft, vind ik althans. Ook bij deze uitvoering was ik er weer zeer van onder de indruk.

Hoe je het ook wendt of keert, deze uitvoeringen zijn toch vooral bedoeld om dit prachtige orkest aan het werk te horen en die reputatie werd opnieuw helemaal waar gemaakt. De zang was goed tot zeer goed verzorgd, de ‘mise en espace’ en personenregie zaten vast in een concept dat me niet kon bekoren.

Foto: Janko Duinker

Henze’s  Der Prinz von Homburg: een opera over individualiteit en eigen verantwoordelijkheid versus regels en bevelen

Tekst: Peter Franken

Hans Werner Henze (1926-2012) werd een jaar voor het einde van de oorlog opgeroepen voor dienst in de Wehrmacht. Dat is sterk bepalend geweest voor de wijze waarop hij het oorspronkelijke toneelstuk van Heinrich von Kleist uit 1810 heeft benaderd, in samenwerking met zijn librettist Ingeborg Bachmann. De nadruk verschuift van onderwerping en blinde gehoorzaamheid, zo typisch Duits in veler ogen net na de oorlog, naar individualisme en humanisme.

Tijdens de slag bij Fehrbellin is door toedoen van Homburgs cavalerie de overwinning behaald. De keurvorst had echter vooraf nadrukkelijk bevolen dat Homburg pas in actie mocht komen als hij daartoe een schriftelijk bevel had ontvangen via een ordonnans. Om die reden daagt hij hem voor de krijgsraad waarbij op voorhand door hem de doodstraf wordt bepaald wegen insubordinatie.

Homburg wordt getoond als een dromerig type dat ook nog eens slaapwandelt. Hij wordt wakker met een rode handschoen in zijn hand, eentje die toebehoort aan prinses Natalie van Oranje, de nicht van de Kurfürstin. Hij weet niet hoe die handschoen in zijn bezit is geraakt, zij vraagt zich hetzelfde af. Vermoedelijk is er een grap met Homburg uitgehaald, dat is in elk geval aan de orde bij von Kleist. In de opera blijft het onbenoemd om de vage grens tussen droom en realiteit te benadrukken.

Die handschoen activeert de sluimerende liefdesgevoelen tussen Homburg en Natalie waardoor er een situatie ontstaat die in zijn dramatiek doet denken aan een grand opéra. Een liefdespaar dat vermorzeld dreigt te worden door de dynamiek van een historische gebeurtenis. Hier dreigt Homburg geëxecuteerd te worden. Dat het uitdraait op een schijnexecutie maakt de gang van zaken er niet prettiger op.

De keurvorst is slechts bereid het vonnis te herroepen als Homburg verklaart dit onjuist te vinden  Hij moet het aanvechten en daarbij zijn eer als militair prijsgeven om zijn hachje te redden. De opstelling van de keurvorst wordt door alles en iedereen bekritiseerd maar hij geeft niet toe. Kan zijn dat hij erop uit is zijn impulsieve generaal een les in discipline te leren en niet echt van plan is hem te laten fusilleren. Maar ondanks smeekbeden van Natalie weigert Homburg op deze wijze vernederd te worden en kiest voor een eervolle dood.

Uiteindelijk wordt hij geblinddoekt naar de tuin van het paleis gevoerd en in plaats van de dood wacht hem een vrolijke groep bekenden die hem een welkom terug in hun kring bieden. Enerzijds zien we hier een volledig gebrek aan empathie bij de keurvorst, anderzijds laat hij wel toe dat zijn oordeel nadrukkelijk door officieren en familieleden in twijfel wordt getrokken. Erg eenduidig is het allemaal niet, het gedrag van de protagonisten, maar het maakt het verhaal wel interessant.

Dat kan niet echt gezegd worden van de muziek die me nog het meest doet denken aan Alban Berg en Gottfried von Einem. Er wordt nauwelijks echt gezongen, het is vooral heel veel Sprechgesang. De opera moet het in muzikaal opzicht vooral hebben van de orkestrale tussenspelen.

De handeling speelt zich vooral af in een lege ruimte met achter op het toneel een witte betegelde wand die zo op het oog het midden houdt tussen een waslokaal en een abattoir. Natuurlijk heel geschikt om te contrasteren met het verplichte toneelbloed, immers er wordt ergens ver weg strijd geleverd. In latere scènes staat er een soort glazen kiosk met spiegelende achterwanden voor de betegelde achterwand. Dat geeft wel mooie beelden.

De kostumering is matig verzorgd. Mannen lopen rond zonder broek onder een lang overhemd of colbert. Lange grijze jassen over onderkleding. Alleen prinses Natalie en haar tante mogen er fatsoenlijk gekleed bijlopen. De regie laat de mannen tijdens hun dialogen de meest vreemde bewegingen maken, spastisch bijna. Een choreograaf wordt niet vermeld dus vermoedelijk doet men maar wat.

De mooiste zang komt voor rekening van sopraan Vera-Lotte Boecker als Natalie, prachtig optreden. Niet onverwacht, zij strijdt voor haar geliefde en is dus de romantische heldin in het verhaal. Tenor Stefan Margita is vooral in zijn acteren een geloofwaardige keurvorst. Gekleed in een lange leren jas en met een zonnebril op toont Kimmig hem hier vooral als Pruisische potentaat die heel erg ver wil gaan om zijn autoriteit te bevestigen, enig inlevingsvermogen lijkt hem vreemd te zijn ook al ziet hij dan uiteindelijk af van de ultieme consequentie.

Bariton Robin Adams geeft uitstekend gestalte aan de titelheld. Hij doorloopt als enige een aantal fasen gedurende het verloop van de opera. Een dromende slaapwandelaar die confuus is vanwege die rode handschoen en daardoor niet goed oplet tijdens de briefing voor de slag. De enthousiaste Draufgänger die ziet dat de cavalerie NU moet ingrijpen om te voorkomen dat men de slag tegen de Zweden verliest. De onbezorgde held die het aangekondigde doodvonnis aanvankelijk niet serieus neemt.

Als de Zweedse koning Natalie wenst te trouwen om de vrede te bezegelen dan is hij slechts een pion in het politieke spel dat de keurvorst speelt. Maar Natalie zal haar geliefde vast en zeker niet laten vallen en dan is er geen enkele reden meer om hem van het toneel te laten verdwijnen. Dan de wanhoop, hij wil perse blijven leven, is bereid alles daarvoor op te geven. En uiteindelijk de ommekeer, hij weigert op de eis van de keurvorst in te gaan en pleegt daarmee feitelijk zelfmoord. Uiteraard is dit vooral een kwestie van acteren, het Sprechgesang is er vooral om zich verbaal te uiten.

Cornelius Meister heeft de muzikale leiding over het geheel, heel verdienstelijk.

Trailer van de productie:



Meer over Henze en zijn opera’s

Hans Werner Henze: esthetisch -theatrale wereldverbeteraar in drie opera’s en een biografie

Boulevard Solitude: Manon meets Lulu

Heliane en Jonny, Jonny en Heliane. En de geschiedenis

Tekst: Peter Franken

Na het daverende succes van de première bij de Reisopera van Das Wunder der Heliane wordt als vanzelf ook het verhaal achter de wereldpremière in 1927 opgerakeld. Erich Korngolds vader Julius was een gevreesd criticus die zijn positie bij de Neue Freie Presse gebruikte om componisten die in een stijl schreven die niet aansloot bij zijn muzikale wereldbeeld volledig de grond in te boren. Dat gold in die tijd ook Ernst Křenek die hij verafschuwde. Om de nieuwste creatie van zijn zoon ruim baan te geven begon Korngold senior niet alleen ongevraagd een promotiecampagne voor Das Wunder der Heliane maar tegelijkertijd een strijd tegen de nieuwe opera Jonny spielt auf van Krenek die hij als schoolvoorbeeld zag van de uitwassen van de moderne muziek.

Dat viel niet in goede aarde bij een deel van het Weense publiek waardoor al snel een tegencampagne op gang kwam die zich nadrukkelijk ook tegen Erich Korngold en diens Heliane keerde. Uiteindelijk werd Jonny spielt auf een enorm succes, het werk werd al snel na de première overal in Europa gespeeld.

Waldemar Staegemann als Jonny
Kostümfoto von Usula Richter 1927

Met Korngolds Europese carrière ging het na de relatieve mislukking van zijn Heliane bergafwaarts. Het publiek had zich van hem afgewend, mede door toedoen van zijn vader die zich als een dolle stier had gedragen. Hij verloor zijn interesse in het schrijven van opera’s en ging al snel in op een uitnodiging om in Hollywood filmmuziek te gaan schrijven. Dat werd zijn nieuwe carrière en leverde hem twee Oscars op.

Na 1933 werden uitvoeringen van de Joodse Korngold door de nazi’s verboden waardoor hij tot ver na de oorlog vrijwel onbekend is gebleven. Maar voordien had zijn eigen vader feitelijk zijn carrière al de das om gedaan. Nu we een eeuw verder zijn is het aardig om die twee werken weer eens naast elkaar te leggen.

Jonny spielt auf

Křenek (1900-1991) schreef 20 opera’s in de periode tussen 1922 en 1973, de laatste twee speciaal voor het nieuwe medium televisie. Zijn vierde opera Jonny spielt auf ging in 1927 in première en was zoals gezegd de grootste concurrent voor de aandacht van het publiek van Korngolds Das Wunder der Heliane. Jonny spielt auf zag ik in 2005 in Oper Köln. Een opname van dit werk werd in 1993 door Decca op cd uitgebracht in de serie ‘Entartete Musik’.

De opera werd na de première zeer enthousiast ontvangen en binnen de kortste keren overal in Duitsland en daar buiten geprogrammeerd. De vele honderden voorstellingen genereerden veel inkomen voor de componist die zijn leven op slag zag veranderen.

Krenek schreef zelf het libretto voor Jonny waarin de hoofdrol is weggelegd voor de romantische geëxalteerde componist Max die zich in zijn ambities geremd denkt door Anita, een opera zangeres. In werkelijkheid schrikt Max ervoor terug om zijn lot in eigen handen te nemen, hij is afwachtend en verwart dat met stabiliteit.

De violist Daniello en de zwarte jazz musicus Jonny zijn Max’ rivalen in de liefde voor Anita. Verder speelt de viool van Daniello een belangrijke rol. Jonny probeert die te stelen en het instrument maakt tijdens de opera een hele reis verstopt in een banjo kist. Rond dit gegeven volgen korte scènes elkaar in snel tempo op waarbij expressionistische beelden, filmische elementen, slapstick comedy en misdaad door Krenek tot een dynamisch geheel zijn verweven.

Jonny als leider van een jazzband in een hotel in Parijs brengt als vanzelf jazzy klanken met zich mee. Maar in andere scènes laat Krenek zich van een uitgesproken neo-romantische kant horen, en zo’n beetje alles daar tussenin. Het slot van de opera ziet Max met Anita naar Amerika vertrekken, Daniello komt onder een trein en Jonny mag de gestolen viool houden.

Het begin van het Derde Rijk betekende direct het einde van Jonny’s succesreeks. Het werk voldeed volledig aan de typologie van Entarte Musik die de nazi’s hadden bedacht. De poster waarop Jonny te zien is werd zelfs in karikaturale vorm, een neger met dikke lippen die saxofoon speelt, tot het beeldmerk van de in 1937 opgezette tentoonstelling over Entartete Kunst. Het werk raakte in vergetelheid maar is tegenwoordig wel weer eens te zien. Zo ook in 2016 in Theater Hagen.

De muzikale richtingenstrijd die Korngold senior meende te moeten voeren ligt ver achter ons en speelt geen rol meer als we beide werken beluisteren en op waarde schatten. De dag na de première van Heliane in Enschede waarover ik eerder op deze site berichtte speelde ik in de auto op weg naar huis Jonny af. Wat ik hoorde maakte weinig indruk en wist hoegenaamd niet te beklijven, afgezien van de slotopmerking aan het einde van de eerste akte: ‘You forgot the banjo’.

De muziek mag dan wel aansluiten bij de tijdgeest van de jaren ’20, het zijn niet de huidige twintiger jaren. Dat neemt niet weg dat een live theateruitvoering in een leuk opgetuigde productie zoals ik in Keulen zag een zeer geslaagde opera ervaring kan zijn. Ik denk er met genoegen aan terug en was graag naar Hagen gegaan om het stuk nog eens te zien. Helaas is dat niet gelukt. Om kort te gaan: Heliane en Jonny met elkaar willen vergelijken heeft in de huidige tijd geen enkele meerwaarde, het is sneeuw van eergisteren. Und das ist gut so.



Opname uit Wenen 2002 met (o.a) Tortsen Kerl, Nancy Gustafson en Bo Skovhus.

https://ok.ru/videoembed/2376192297500

Op YouTube zijn er ook fragmenten te vinden met (o.a.)Lucia Popp:




Annemarie Kremer voltrekt Helianes Wunder

tekst: Peter Franke

De Reisopera opent het nieuwe seizoen met Korngolds grote opera Das Wunder der Heliane uit 1927. De première afgelopen zaterdag in het Wilminktheater in Enschede werd een enorm succes en een pleidooi voor dit zelden opgevoerde werk. Een fenomenale Annemarie Kremer schitterde in de titelrol en zonder de andere medewerkenden te kort te doen was het vooral door haar optreden dat het wonder werd voltrokken.

Das Wunder der Heliane is een werk in laatromantische stijl met nogal wat bombastische momenten. Het leek in 1927 eerder een relict uit de negentiende eeuw dan een contemporaine compositie. Al snel na de première werd Heliane dan ook geheel overschaduwd door Kreneks Jonny spielt auf. Het waren de culturele hoogtijjaren van de Weimarrepubliek en daarin paste Jonny aanmerkelijk beter dan Heliane. Korngold was ‘out of sync’ met de tijd, passé. Natuurlijk kon dat Strauss ook worden verweten, maar die had een dusdanig gevestigde reputatie dat ook zijn latere werken op redelijk succes konden rekenen, ook al beperkte zich dat uiteindelijk tot Dresden, München en Wenen.

Lotte Lehmann en Jan Kiepura

he premiere of ‘Heliane’ in 1927. Heliane was sung by Lotte Lehmann and the role of The Stranger by Jan Kiepura, a lyric tenor.

Das Wunder der Heliane is enigszins te vergelijken met Die Frau ohne Schatten. De handeling speelt zich af op een onbekende plaats in een onbekende tijd. In beide opera’s heeft slechts één personage een naam: Barak versus Heliane. Het libretto is van de hand van Hans Müller en is een vrije bewerking van Die Heilige, een mysteriespel van Hans Kaltneker uit 1917. Overigens klinkt FroSch ook muzikaal zo nu en dan door, althans in mijn beleving.

Das Wunder der Heliane speelt zich af in een apollinische samenleving die geheel uit zijn voegen is geraakt. Een dionysische figuur, de Vreemdeling, zal hier voorspelbaar voor onrust gaan zorgen. Heliane –voorbestemd een straaltje (zon)licht in de duisternis te brengen? – is de katalysator in de volgende ontwrichtende gebeurtenissen.

Een verschil met Die Frau ohne Schatten is de benoeming van een bestaande religie, het christendom. Dat maakt het mogelijk om de wereld waarin Heliane leeft ook anders te zien, namelijk als de verstarde samenleving die het allesoverheersende christendom in de vroege middeleeuwen teweeg had gebracht. ‘De mens is waarlijk niet op aarde om het naar zijn zin te hebben.’ Dat sluit ook goed aan bij de wijze waarop de Heerser zijn rijk bestuurt. Er mag niet eens gelachen worden.

D

e opera begint met een scène waarin de Vreemdeling van de Heerser te horen krijgt dat hij door de rechters ter dood is veroordeeld vanwege opruiing. Hij vergiftigt het land met gelach en dat terwijl het volk nog niet toe is aan geluk. De Vreemdeling pleit bij de Heerser voor zijn leven, maar die wijst hem af

Vervolgens roept hij God aan en dat heeft in zoverre succes dat Heliane, de vrouw van de Heerser, hem komt bezoeken. Zij verklaart hem haar liefde, maar weigert fysiek contact. Wel ontkleedt zij zich voor hem en bidt vervolgens in een nabijgelegen kapel voor de Vreemdeling en voor zichzelf. Dan verschijnt de Heerser, die een deal met de Vreemdeling wil sluiten. Zijn huwelijk met Heliane is nooit geconsumeerd en als de Vreemdeling haar ertoe weet te brengen zich aan hem te geven, zal hij worden vrijgelaten. De Vreemdeling weigert en als de naakte Heliane vervolgens binnenkomt, laat de Heerser haar gevangennemen.

Het wordt al snel duidelijk dat het niet zozeer de oppervlakkige levensvreugde is die de Vreemdeling tot ‘Brenger van het licht’ heeft gemaakt in de beleving van het volk maar ook zijn pleidooi voor een grotere rol van de naastenliefde in de samenleving, liefde waarin plaats is voor zinnelijke beleving zonder schuldgevoel. Daarmee gaat hij dwars tegen de christelijke visie in die i

n alles dat met seks te maken heeft een zonde ziet en dat dwingend heeft weten op te leggen.

I

n een eigentijdse versie kunnen we de Vreemdeling zien als iemand die de seksuele bevrijding van de mens predikt. En daarmee passen Korngold, Müller en Kaltneker prima in de sfeer van de jaren ’20. Dat wordt echter pas duidelijk als je de moeite neemt de tekst goed te bestuderen en daarvoor had het publiek in 1927 natuurlijk geen tijd.

In tegenstelling tot wat duizenden jaren christendom er van hebben gemaakt biedt zinnelijke liefde de mogelijkheid tot verlossing. Maagdelijkheid en kuisheid zijn de werkelijke zonden die de mens kan begaan, ze zijn slechts op de eigen persoon gericht. Dat leest regisseur Jakob Peters-Messer in elk geval in de tekst.

Naastenliefde in erotische zin brengt Heliane ertoe zich aan de Vreemdeling te geven. De suggestie dat het bij een kuis tonen van haar lichaam blijft (of is gebleven) wordt gelogenstraft door de muziek in haar grote aria ‘Ich ging zu im’ waarin Korngold net als Wagner in de tweede akte van Tristan und Isolde een orgasme heeft getoonzet. Haar verbale weergave doet denken aan ‘pity sex’: ‘und bin in Schmerzen, in Schmerzen sein geworden’.

Haar zang spreekt andere taal. De regie heeft dit opgepakt door het gezicht van een vrouw in staat van beroering zeer groot te projecteren op de achterwand van het decor. Daarmee wordt de liefdesscène geciteerd uit de film Extase uit 1933, waarin Hedy Lamarr naar verluidt als eerste vrouw in een niet-pornografische film wordt getoond tijdens een orgasme. Toen sprak men daar schande van, tegenwoordig herkennen we het amper als zodanig.

De Heerser eist de dood van zijn vrouw wegens overspel, het zijn kennelijk toch de middeleeuwen. Maar tegelijkertijd wil hij haar niet kwijt, als ze maar toegeeft aan zijn verlangens. Doordat hij ondergeschikt is aan het oordeel van de Scherprechter, voorzitter van een hof met zes rechters, kan hij Heliane niet zomaar terecht laten stellen. Uiteindelijk komt men er op uit dat ze haar onschuld maar moet bewijzen door de Vreemdeling, die zichzelf inmiddels heeft gedood om de woede van de Heerser te doen bekoelen ten gunste van Heliane, weer tot leven te wekken.

Aanvankelijk weigert ze haar medewerking – zoiets kan toch alleen Jezus? Maar mede vanwege de inmiddels ontstane onrust onder het volk roept ze de dode op te herrijzen. Dat lukt van geen kant, tot plotseling een donderslag wordt gehoord. De Vreemdeling staat op en geeft de Heerser aan dat zijn macht ten einde is. Het volk begroet een nieuwe periode van licht en geluk. De Vreemdeling en Heliane beleven vervolgens een soort hemelvaart en gaan een periode van eeuwige liefde tegemoet.

Heliane is geschreven voor groot orkest en heeft qua omvang wagneriaanse proporties. De muziek is complex en laat zich moeilijk ergens mee vergelijken. Geregeld meen ik een klankbeeld te herkennen en blijkt het terug te gaan op andere muziek van Korngold, zoals Die tote Stadt of flarden filmische muziek. Dat laatste is niet verwonderlijk, aangezien veel filmmuziek van vroeger lijkt op die van Korngold – hij is immers de belangrijkste grondlegger van het genre. Anderen spreken over Puccini en Mahler in een poging de muziek te duiden. En zelf moet ik zoals gezegd zo nu en dan ook aan Strauss denken.

Arrangeur Fergus McAlpine heeft voor deze productie een aangepaste orkestratie geschreven waardoor de Reisopera met 78 musici van het Noord Nederlands Orkest op tournee kan. Er zijn geen instrumenten geschrapt, alleen het aantal musici is teruggebracht. Een en ander is gebeurd met toestemming van de erven Korngold en in samenwerking met de uitgeverij Schott. Ik ken het werk inmiddels vrij goed, heb meerdere opnames beluisterd en een live voorstelling van Opera Vlaanderen bezocht. Hier op afgaande wil ik wel kwijt dat ik geen enkel verschil kan ontwaren, McAlpine heeft zeer goed werk geleverd en ook andere kleinere operahuizen kunnen hier in de toekomst van profiteren.

Dirigent Jac van Steen en zijn orkest leverden een fantastische prestatie, geweldig wat er uit de bak opklonk. In de derde akte zwelt het volume nog eens behoorlijk aan doordat de opkomst van het roerige volk het Kammerstück verandert in een kooropera. Zeer goed verzorgde bijdrage van het koor Consensus Vocalis.

Tenor Tilmann Unger heeft onder meer Siegfried en Parsifal op zijn repertoire staan en is dus gewend om lang achter elkaar een zware partij te moeten zingen. Die ervaring kwam hem als de Vreemdeling zeer goed van pas en hij sloeg zich op bewonderenswaardige wijze door zijn partij. Indringend en vol overtuiging, je gelooft in hem. En steeds met volledige controle en zeer welluidend. Ik zou hem graag eens als Siegfried horen.

Bariton Daran Jeffery was vooral een barse zwaar gefrustreerde echtgenoot die een heel volk laat lijden omdat hijzelf door zijn vrouw wordt afgewezen. Zeer geloofwaardig en goed gezongen. De vrouwelijke bijrol van de Bode kwam voor rekening van Ursula Hesse van den Steinen, goed maar niet opvallend. Ze wordt wel erg vaak gecast als de bitch van dienst tegenwoordig.

In de belangrijke rol van de blinde Scherprechter was Paul McNamara te beleven, tredend in de voersporen van Nicolai Gedda. Hij maakte er een mooi optreden van, mooi gezongen en onopvallend zeer intiem met Heliane, een soort vader dochter situatie.

De gevangenbewaarder kwam voor rekening van Zachary Altmann die een fraaie aria ten beste gaf waarin hij de loftrompet stak op de koningin die alles aan mensenliefde vertegenwoordigde dat het volk in haar echtgenoot zozeer miste.

Hugo Kampschreur deed dat als Jonge Man nog eens dunnetjes over met dien verstande dat hij snel omsloeg van hosanna in kruisigt haar. Typisch de stem van de massa. De overige rollen waren goed bezet met inbegrip van de figurerende danseres Nicole van den Berg.

En dan Heliane. Annemarie Kremer heeft naar eigen zeggen deze rol met de jaren volledig geïnternaliseerd, ze ‘leeft’ Heliane als ze haar zingt. Dat was ook de reden deze rol bij de Reisopera te gaan zingen, een van de weinige kansen dat ooit eens te kunnen doen in een volledig geënsceneerde productie. Het is jammer dat we deze sympathieke hoogvlieger bijna alleen nog maar in het buitenland kunnen horen en dat ze nu een van haar favoriete rollen op meerdere plaatsen in ons land komt vertolken is iets waarvoor heel opera minnend Nederland haar dankbaar mag zijn.

Niets gezegd ten nadele van andere mij bekende vertolksters zoals Stundyte en Jakubiak maar voor mij heeft Kremer bewezen de Heliane van de eeuw te zijn. Het was ronduit overweldigend wat ze tijdens de première wist te brengen. Dat ze een fantastische zangeres is weet iedereen wel zo langzamerhand, maar in deze rol kan ze zichzelf zijn, zo lijkt het.

Guido Petzold (decor en belichting) en Tanja Liebermann (kostuums) hebben gezorgd voor een fraai toneelbeeld. De foto’s bij deze recensie laat ik voor zich spreken. De voorstelling wordt nog in negen andere plaatsen gespeeld, niet te missen.

Productie fotos: © Marco Borggreve, © De Nederlandse Reisopera

Annemarie Kremer

Annemarie Kremer: beroemdheid in het buitenland

Boulevard Solitude: Manon meets Lulu

Tekst: Peter Franken

Naar verluidt liet Hans Werner Henze zich voor de titel van zijn eerste voor het toneel bestemde opera inspireren door Billy Wilders film Sunset Boulevard uit 1950. Boulevard Solitude is losjes gebaseerd op de roman Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut die eerder al werd verklankt door Massenet en Puccini. Henze en zijn librettist Grete Weil situeren deze liefdesgeschiedenis met fatale afloop in het naoorlogse Parijs, feitelijk de tijd waarin de opera ontstaat. De première was in 1952 in Hannover.

In Boulevard Solitude is Armand des Grieux een centrale figuur, bijna meer nog dan Manon. Ze ontmoeten elkaar op een station, leven korte tijd in een liefdesnestje maar als Armands vader zijn toelage stopt omdat hij niet langer studeert, koppelt Manons broer Lescaut haar aan een rijke oude man, in deze versie Monsieur Lilaque.

Als Lescaut zijn zus bezoekt om haar geld af te troggelen werkt ze niet mee. Daarom steelt hij maar zelf een pak bankbiljetten uit de safe. Lilaque doet alsof hij niets in de gaten heeft maar eist na een trio waarin gespeelde vriendelijkheid de boventoon voert per direct zijn geld terug. Lescaut weigert en daarop wordt Manon de deur uit gezet.

Manon zit zonder minnaar en wellicht ook zonder passend onderkomen dus komt ze Armand opzoeken in de Sorbonne waar hij zijn studie maar weer heeft opgepakt. Ze hernieuwen hun relatie maar Lescaut weet Manon al gauw aan een andere welgestelde heer te koppelen: Lilaque junior. Als deze een nachtje de stad uit is laat Manon haar grote liefde Armand overkomen. Lescaut is er natuurlijk ook weer en steelt een schilderij.

Ze worden betrapt door Lilaque senior en om te voorkomen dat hij de cel in moet wegens diefstal geeft Lescaut zijn pistool aan Manon en gebaart dat ze moet schieten. Lilaque wordt door haar neergeknald, een aanwijzing dat zelfstandig denken en handelen al langer niet meer Manons sterkste kant is. In de laatste scène wacht Armand op het station om daar Manon voor het laatst te zien, als ze van de ene naar de andere gevangenis wordt overgebracht. De parallellen met Lulu van Alban Berg zijn overduidelijk.

De opera bestaat uit zeven scènes elk gescheiden door een intermezzo. Muzikaal is het een caleidoscoop waarin de luisteraar onder meer twaalftoons idioom kan herkennen maar tevens vele tonale melodische lijnen. Verder Sprechgesang, duetten waarin beiden simultaan dezelfde tekst zingen maar op enigszins verschillende melodieën, choralen en onbekommerde big band jazz.

Van een voorstelling uit het Gran Teatre del Liceu Barcelona in 2007 is een opname op dvd uitgebracht door EuroArts. Het betreft een coproductie met ROH in een regie van Nikolaus Lehnhof. Het eenheidsdecor van Tobias Hoheisel doet denk aan het interieur van de opera in Düsseldorf, een gebouw uit de wederopbouw periode. Hoheisel was ook verantwoordelijk voor de kostumering, zeer consistent uitgevoerd in de stijl van begin jaren ’50. Het ziet er prachtig uit allemaal.

Bij aanvang zien we een groot station met een trap naar beneden en eentje naar boven, richting perrons. Een groot aantal figuranten bevolkt de ruimte en is levensecht actief. Men komt via de grote deuren naar binnen, zoekt, telefoneert, loopt trappen op en af, staat te wachten. Tijdens elk intermezzo wordt dit herhaald waarbij de figuranten zich steeds weer anders weten te gedragen.

Zodra er een andere omgeving nodig is weet Hoheisel met een paar zetstukken en eenvoudige attributen de juiste sfeer op te roepen, geholpen door een uitgekiende belichting. Manon wisselt als enige regelmatig van kostuum waar bij ze wordt getoond als een hybride van Marlene Dietrich en Lulu: veel bloot maar geen naakt. Als Lescaut Manon komt weghalen uit Armands liefdesnestje haalt ze een laken van een tafeltje en maakt onopvallend een groetend gebaar. Een leuke verwijzing naar Massenets ‘Adieu, notre petite table’.

Lehnhofs regie is heel spannend en sluit werkelijk naadloos aan op de sfeer die Henze heeft willen oproepen. De teksten van Weil lopen daar niet steeds mee in de pas, vooral waar Armand in een van zijn monologen verstrikt raakt. Hij vergelijkt zichzelf met Orpheus en Manon met Euridyce: ze is dood (voor hem) maar toch ook weer niet. En steeds weer weet ze hem een briefje met haar nieuwe adres toe te spelen. Waar ze ook woont en met wie, voor hem blijft ze beschikbaar.

De rol van Manon is een ervaren Lulu vertolker als Laura Aikin natuurlijk op het lijf geschreven. Ze oogt zo mogelijk nog sexyer dan als Lulu in de productie die Sven-Eric Bechtolf in 2002 maakte voor Oper Zürich. Aikins zang is voortreffelijk en haar acteren laat niets te wensen over, de ideale bezetting voor deze rol.

Tenor Pär Lindskog is welluidend en stabiel als de onfortuinlijke Armand en de kwade genius Lescaut is in goede handen bij bariton Tom Fox. De kleinere rollen van vader en zoon Lilaque worden goed verzorgd gebracht door respectievelijk Hubert Delamboye en Pauls Putnins.

Het orkest van Liceu staat onder leiding van Zoltan Pesko. Beiden leveren een uitstekende prestatie. Een beter monument om Henzes eersteling te gedenken is nauwelijks voorstelbaar. Mocht het werk in geënsceneerde vorm ooit ergens in ‘de buurt’ vertoond worden, dan ga ik er zeker heen.

Ondanks de goede ontvangst van Boulevard Solitude ontvluchtte Henze in 1953 zijn Heimat. Als overtuigd Marxist voelde hij zich er niet langer thuis en de door hem ervaren homofobie versterkte dit gevoel. Hij vestigde zich op het eiland Ischia in de Golf van Napels. Daar raakte hij in de ban van Napolitaanse canzone als muzikale uiting.

In zijn opera König Hirsch, een sprookje met een nauwelijks te volgen verloop, speelt dat een belangrijke rol. Henze heeft hier, in een voor het overige volstrekt atonaal werk, een paar stukken in verwerkt die duidelijk herkenbaar zijn als aria’s. In volledige vorm duurt de opera 5 uur en bij de première in september 1956 werd dit door dirigent Hermann Scherchen zonder pardon teruggebracht tot nog geen 2 uur.

Ondanks Henzes protesten werden de ‘aria’s’ als eerste geschrapt. ‘Ach mein Lieber, zo componeren we tegenwoordig toch niet meer’ meende Scherchen, die zijn reputatie van modern musicus over het Derde Rijk heen intact had kunnen houden en nu beslist niet zat te wachten op een werk dat hieraan afbreuk zou kunnen doen.

Le Rossignol als speelse operafilm

Tekst: Peter Franken

Le Rossignol ofwel De nachtegaal is een korte opera in drie aktes van Igor Stravinsky. Het is een muzikaal sprookje naar het verhaal van Hans Christian Andersen. De eerste uitvoering vond plaats op 26 mei 1914 door de Ballets Russes in de opera van Parijs o.l.v. Pierre Monteux.

Het verhaal gaat in grote lijnen als volgt:

Een Visser (tenor) in zijn boot aan het strand zingt dat hij de Nachtegaal (sopraan) nog niet heeft gehoord. Een groep hovelingen van het keizerlijk hof arriveert, geleid door een Kokkin (sopraan). Ze zoeken de Nachtegaal omdat de Keizer (bas) haar wil horen. De Nachtegaal accepteert de uitnodiging om mee te gaan naar het hof.

De Nachtegaal betovert de Keizer met haar zang, maar krijgt concurrentie van een speeldoos die door de Keizer van Japan aan de Keizer van China is gestuurd. De Keizer wil de zang van de echte Nachtegaal vergelijken met die van de mechanische waarop de Nachtegaal beledigd wegvliegt. De Keizer verbant haar als straf uit het rijk omdat zij zo onbehouwen is vertrokken en laat de speeldoos in de keizerlijke slaapkamer plaatsen als eerste zanger.

De Dood (mezzosopraan) verschijnt aan het keizerlijk bed. De speeldoos is stuk en de Keizer verkeert in doodsnood door de stemmen van de geesten die langs zijn bed sluipen en hem niet alleen herinneren aan zijn goede, maar ook slechte daden. Angstig roept hij om zijn muzikanten. Dan verschijnt de Nachtegaal die de Keizer opvrolijkt met haar zang. Ze haalt de Dood over haar prooi te laten gaan. Het leven van de Keizer is gespaard en hij smeekt de Nachtegaal voor altijd te blijven. Die ziet dat niet zitten maar belooft elke nacht terug te komen om voor de Keizer te zingen. De opera eindigt met de Visser die de Nachtegaal prijst en haar dankt dat ze naar hem is teruggekeerd.

Een eerdere cd opname van dit werk is gebruikt voor het maken van een filmversie. De Nachtegaal wordt prachtig vertolkt door coloratuur sopraan Natalie Dessay. Ze zingt de Franse tekst zodanig dat het bijna echte vogelzang lijkt, heel hoog ‘kwetterend’ met het grootste gemak.

De Kokkin komt voor rekening van Marie McLauglin en Violeta Urmana vertolkt de Dood. Als de Visser horen we Vsevolod Grivnov, de Keizer komt voor rekening van Albert Schagidullin en Laurent Naouri is de Kamerheer. Het Orkest van de Opera National de Paris staat onder leiding van James Conlon.

De film waarin deze gebeurtenissen worden getoond is gemaakt door Christian Claudet. Hij heeft gekozen voor een raamvertelling waarbij gebruik wordt gemaakt van alle technische middelen die de computertechnologie in 2014 te bieden had. Het levert bij vlagen surrealistische beelden op maar soms ook weer heel herkenbare situaties.

Een jongetje loopt ’s avonds laat de pottenbakkers werkplaats van zijn grootvader binnen en ziet daar een ongebruikelijk groot object dat nog steeds een beetje warm is. Als hij dit aanraakt verandert de ruwe aardewerken pot in een rijk gedecoreerde half doorschijnende porseleinen vaas. Als de jongen erin kijkt ontwaart hij een visser in zijn bootje en dan begint het muzikale gedeelte.

De kamerheer heeft feitelijk de macht in handen omdat hij beter weet om te gaan met computertechnologie dan de keizer. De Nachtegaal wordt getransformeerd tot virtual reality object en moet deelnemen aan een talentenshow. De Keizer raakt zo onder de indruk van de Nachtegaal dat  de Kamerheer vreest zijn invloed op hem te verliezen. Hij manipuleert de tv show door een speelgoedvogeltje te laten zingen en laat de applausmeters nu sterker uitslaan. De echte vogel vliegt beledigd weg.

Als jaren later de Keizer op sterven ligt in een isolatie bubbel onder permanent cameratoezicht krijgt de Nachtegaal medelijden en komt weer terug. Uiteindelijk wordt ook de porseleinen vaas weer een ruw aardewerken pot. Het jongetje loopt met zijn grootvader de hut uit.

Het ziet er prachtig uit allemaal en Natalie Dessay is een plaatje van een zangeres. Tussen alle flitsende beelden door ontwaren we de Verboden Stad en andere Chinese clichés. Alle Chinese personages zijn herkenbaar ‘folkloristisch’ gekostumeerd  met uitzondering van Dessay die naturel rondloopt in een kort wit slaapjurkje: zij is geen mens maar een dier en die dragen geen kleding. Een aanrader dit korte werk.

Le Rossignol in Amsterdam:
De nachtegaal en andere fabels van Igor Stravinsky: een van de mooiste producties bij de Nationale Oper

Le Rossignol Chen Reiss
Le rossignol et la rose : interview with Chen Reiss

Der Schatzgräber van Schreker: zoek niet verder, de schat zit in de muziek

Tekst: Peter Franken



In mei 2022 ging bij Deutsche Oper Berlin een nieuwe productie van Der Schatzgräber in première. Christof Loy had de regie en Marc Albrecht de muzikale leiding. Het vormde het slot van een drieluik over ‘bijzondere vrouwen’ in het 20e eeuwse operarepertoire, na Das Wunder der Heliane en Francesca da Rimini. Alle drie zijn ze nu op dvd en Blu-ray uitgebracht. ‘Francesca’ heb ik nog niet gezien, over ‘Heliane’ en ‘Els’ ben ik zeer te spreken, fraaie producties met zeer goede cast.

Schreker (1878-1934) schreef negen opera’s waarvan Der ferne Klang (1912) en Die gezeichneten (1918) de bekendste zijn. De eerste was zijn doorbraak en met de tweede vestigde hij zijn reputatie als de belangrijkste operacomponist van dat moment, althans in de ogen van velen. In elk geval stak hij Richard Strauss naar de kroon.

Der Schatzgräber (1920) was een absolute triomf en in termen van aantallen gespeelde voorstellingen in Duitsland liet Schreker Wagner en Strauss achter zich. Mede door het steeds onvriendelijker wordende politiek-culturele klimaat werden zijn latere werken echter minder goed ontvangen. De première van Der Schmied von Gent in 1932 in Berlijn werd ontsierd door demonstraties van rechts radicalen en na de Machtergreifung door de nazi’s was Schrekers rol uitgespeeld. Hij stierf kort daarop en raakte lange tijd in vergetelheid, net als andere componisten die het predicaat ‘Entartet’ opgeplakt hadden gekregen.

Wie een indruk wil krijgen van Schrekers muzikale idioom kan het beste het twaalf minuten durende Vorspiel van Die gezeichneten beluisteren. Tonaal maar duidelijk chromatisch, rijk georkestreerd, welluidend en meeslepend. Onwillekeurig dringt ook de gedachte aan de latere filmmuziek van Korngold zich op en meen je flarden Strauss te herkennen.

Schrekers muziek was niet echt ‘modern’ maar toch vooral een voortzetting van de 19e-eeuwse klankwereld. In dat opzicht is hij ook schatplichtig aan Humperdinck, vooral diens Königskinder. Dat hij werd gestigmatiseerd als componist van Entarte Musik zal,behalve natuurlijk dat hij Joods was, eerder met de libretti dan met de muziek te maken hebben gehad.

Orkest repetitie:

Zo werd Schreker verweten dat ‘er geen seksuele afwijking was die hij niet op muziek heeft gezet’. Afgaande op de libretti van Der ferne Klang en Die gezeichneten was dit niet geheel en al uit de lucht gegrepen, al is dat op zich natuurlijk geen reden om de componist op de schroothoop van de muziekhistorie te laten belanden.

Ook Els, de ‘bijzondere vrouw’ in Der Schatzgräber, wordt getoond als iemand met een complexe seksualiteit. Voor Ivo van Hove was dat kennelijk aanleiding haar bij DNO op het toneel te zetten als evenbeeld van Catherine Deneuve in Belle de jour.

Overigens is de teruggang in Schrekers carrière beslist niet alleen aan de nazi’s te wijten. Die had zich al eerder ingezet doordat zijn keuze voor sprookjesachtige onderwerpen in Der Schatzgräber en het daarop volgende Irrelohe in toenemende mate als ‘out of sync’ met de harde tijden van na de crisis van 1929 werden ervaren.

Begin van de repetities:

De handeling van Der Schatzgräber speelt zich af in de vroege middeleeuwen. Centraal staat een legende over een juweel dat een eigenaar niet mag verliezen op straffe van snelle veroudering. Dat is pech voor de koningin in het verhaal want die raakt het kwijt waardoor ze haar schoonheid verliest en onvruchtbaar wordt. De koning doet een beroep op Elis, een rondzwervende minnezanger die een luit heeft met toverkracht waarmee hij verloren schatten kan opsporen. Dit op advies van zijn hofnar die als tegenprestatie bedingt dat hij een vrouw van zijn keuze zal krijgen als Elis het juweel weet te vinden.

Opkomst Els, een mooie herbergiersdochter die er een gewoonte van heeft gemaakt potentiële echtgenoten af te wijzen. Onduidelijk is waarom, je zal toch een keer moeten trouwen in de middeleeuwen. Nu probeert ze van een rijke edelman af te komen die haar te ruw is in zijn gedrag. Ze stuurt hem op een queeste om de halsketting van de koningin te zoeken en laat haar dienaar Albi hem volgen om de man ergens in het woud te vermoorden.

Inmiddels heeft Elis zich met het gevonden juweel in de herberg gemeld en geeft haar het door hem gevonden sieraad. Dat was natuurlijk tegen de afspraak maar het werkt in zoverre dat Els verliefd op hem wordt, voor het eerst een man die haar welgevallig is, vermoedelijk dankzij de invloed van dat magische juweel. Maar als het lijk van de edelman in het woud wordt gevonden laat de schout Elis vastnemen. Hij wil Els voor zichzelf en ruimt zo een concurrent uit de weg.

Vlak voordat Elis zal worden opgehangen krijgt hij door toedoen van Els nog even respijt zodat hij het juweel kan achterhalen. Als dat lukt en hij kan vertellen wie het gestolen heeft zal hij blijven leven. Omdat dit Els op zijn minst als eigenaar van gestolen goed in gevaar brengt en vragen kan oproepen naar de dood van de edelman, laat Els de luit met magische krachten door Albi stelen. Vervolgens beleven Elis en Els een liefdesnacht waarin ze het juweel draagt. Daarna geeft ze het aan hem terug onder voorwaarde dat hij haar altijd blind zal vertrouwen.

Als Elis het juweel aan de koningin heeft gegeven wordt dat groots gevierd maar het feest wordt ruw verstoord door de komst van de schout die aan Albi een bekentenis heeft onttrokken dat hij die edelman heeft vermoord, maar in opdracht van Els.

De schout eist haar executie maar dan herinnert de nar de koning aan diens belofte en vraagt om Els als zijn vrouw. Samen gaan ze er snel vandoor. Elis voelt zich bedrogen, vooral omdat Els zijn luit heeft laten stelen waardoor hij zijn ‘werk’ niet meer kon doen. Maar natuurlijk ook als haar minnaar.

Omdat Els het juweel heeft gedragen veroudert ze snel nu ze het niet meer bezit. Al na een jaar is ze stervende. De nar laat Elis komen die een prachtige ballade voor haar zingt over een paleis waarin zij beiden zullen worden verwelkomd als Prins en Prinses. Els sterft in Elis’ armen en de nar rouwt om haar dood.

Loy en zijn team hebben het werk geënsceneerd op een wijze die doet denken aan onder meer zijn Tannhäuser en Rusalka, zij het dat er nu geen ballerina’s in tutu aan te pas komen. Het ballet is er wel en voert een, in vergelijking met de nogal vrije scène in Tannhäuser, tamelijk ingehouden orgie op die de liefdesnacht van Els en Elis op het toneel vorm moet geven. Het koppel zelf is in de schemering op het achtertoneel ergens mee bezig, in elk geval zingen.

Voorspelbaar is Schrekers muziek hier uiterst broeierig. De handeling speelt zich af binnen een toneel breed eenheidsdecor dat nogal donker oogt waardoor vooral de eerste paar meters vanaf de orkestbak de aandacht trekken. De openingsscène aan het hof gaat direct over in de herbergscène waardoor aanvankelijk de gehele hofhouding nog in de verkeerde wereld lijkt te staan. Sowieso lopen de figuranten, keurig eigentijds gekleed, onbekommerd door alle scènes heen.

Voor de rol van de wegkwijnende koningin heeft Loy een mooie vrouw in witte jurk gecast, nadrukkelijk aanwezig en bijna de uitbeelding van Loys fascinatie met ballerina’s. Ach, het is een fase natuurlijk. Over een paar jaar heeft hij weer een andere fetisj.

De grote cast kent hoegenaamd geen zwakke punten en laat veel bekende namen zien. Thomas Johannes Mayer is zonder meer geweldig als de Schout (der Vogt) en de mij onbekende tenor Michael Laurenz is in alle opzichten een overtuigende Narr. Mooie acteur in een mooie rol, en hij kan ook goed zingen.

De Zweedse sopraan Elisabeth Strid maakte ik eerder mee als Sieglinde in de Ring van Hilsdorff (Düsseldorf 2018). Ze heeft ook Elisabeth en Senta op haar repertoire staan en maakt binnenkort haar roldebuut als Isolde. Strid blijkt een ideale Els in deze productie. Ze weet alles uit die rol te halen dat er qua zang in zit, heerlijk om naar te luisteren. Haar acteren completeert die invulling. Ze is een secreet maar je houdt van haar en lijdt met zowel Elis als de Narr mee als ze ten dode is opgeschreven na het verlies van ‘het juweel’.

Daniel Johansson was in 2016 een prima Lohengrin in de Aalto Opera Essen en kort na zijn Elis stond hij daar op het toneel als Tannhäuser. De opname is gemaakte op twee avonden waardoor natuurlijk wat geknipt en geplakt kon worden, net even iets anders dan een echte live opname. Maar in elk geval is Johansson hier op zijn allerbest. Zijn grote aaneengesloten ‘aria’s’ zijn sterk verhalend en vooral hier dringt de vergelijking met Königkinder zich op.

Officiële trailer van de productie

Koor en orkest van Deutsche Oper Berlin staan onder leiding van Marc Albrecht die hiermee een wens in vervulling ziet gaan, die trilogie over ‘bijzondere vrouwen’. Zijn ‘Francesca’ heb ik inmiddels besteld, binnenkort zal er op deze plek wel over te lezen zijn.

Reacties van het publiek:

Foto’s: © Monika Ritterhaus

Schrekers Der Schatzgräber in de regie van Ivo van Hove


De vloek van Irrelohe

Hoe Linda di Chamounix haar verstand verloor. En hervond

Tekst : Peter Franken

Dit werk uit 1842 componeerde Donizetti op een libretto van Gaetano Rossi, naar ‘La Grâce de Dieu’ van Adolphe Philippe d’Ennery en Gustave Lemoine.

Eugenia Tadolini, the first singer of the title role, portrait by Josef Kriehuber

De handeling speelt zich af in een dorpje in de Savoie omstreeks 1760. Het draait om een klassieke situatie waarin een adellijke man misbruik probeert te maken van zijn machtspositie ten koste van een dorpsmeisje. De markies van Boisfleury werpt zich op als bemiddelaar voor zijn zuster die onwillig is de pacht op het land van de familie Loustolot te verlengen. Het is hem echter te doen om hun dochter Linda die het petekind is van de markiezin. De markies dringt er op aan dat Linda op het kasteel komt wonen ‘om haar opvoeding te voltooien’.

Linda is verliefd op Carlo, een arme kunstschilder. Ze had gehoopt hem te treffen maar kwam te laat omdat ze de schijn wilde ophouden naar de kerk te gaan. De zanger Pierotto zingt een lied over een meisje dat het ouderlijk huis verlaat en bij terugkeer ontdekt dat haar moeder is overleden. De Prefect komt Linda’s vader waarschuwen voor de markies, die kwade bedoelingen heeft. Linda moet naar Parijs gaan en bij zijn broer intrekken om zodoende uit de greep van de markies te blijven. En zo geschiedt.

Dan komt Carlo opdagen om te vertellen dat hij helemaal niet arm is en ook nog eens de zoon van de markiezin. Hij regelt een keurig onderkomen voor haar en komt elke dag even op bezoek. Pierotto weet haar daar te vinden en ze legt hem uit hoe het zit. Hij waarschuwt dat ook de markies haar op het spoor is gekomen. Die probeert haar alsnog in te palmen maar ze stuurt hem weg.

Dan komt Carlo vertellen dat zijn moeder heeft gehoord dat hij met Linda wil trouwen, weliswaar haar petekind maar gewoon een dorpsmeisje. Ze eist van hem dat hij onmiddellijk instemt met een adellijke huwelijk, maakt niet uit met wie zo lang de vrouw maar een titel heeft. Carlo laat echter na dit aan Linda te vertellen en als haar vader er achter komt dat ze zo op het oog leeft als een ‘kept woman in Paris’ verstoot hij haar.

Als Pierotto dan ook nog komt vertellen dat Carlo diezelfde dag met iemand anders zal gaan trouwen, verliest Linda haar verstand. Tijdelijk natuurlijk, het is een opera.

Uiteindelijk komt alles op zijn pootjes terecht. De markiezin geeft toe aan Carlo’s wens en als Linda het deuntje hoort dat Pierotto zo vaak zingt knapt ze weer helemaal op. Het hele dorp verheugt zich op de aanstaande bruiloft en de opera eindigt in een feestelijke sfeer.

Linda hoefde overigens niet in haar eentje naar Parijs. Bij het aanbreken van de winter kwam iedereen in de Alpen zonder werk te zitten en werden jongelui erop uit gestuurd om in de steden als straatmuzikant wat geld bij elkaar te schrapen. En omdat ze goed konden klimmen en geen hoogtevrees hadden waren de jongens ook geknipt voor het vegen van schoorstenen.

 Meisjes verkochten lucifers of kwamen tijdelijk in de prostitutie terecht. En als dan de winter voorbij was kwam iedereen weer naar het eigen dorp terug. De scène waarin dit wordt uitgebeeld laat verschillende van die jongelui aan het woord als ze vertellen hoeveel geld ze hebben verdiend. Linda is er dan niet bij, zij komt later met Pierotto die haar 200 mijlen heeft meegesleept.

Door Dynamic is een opname op dvd uitgebracht van een voorstelling die op 15 januari 2021 plaatsvond in Teatro Maggio Musicale Fiorentino, zonder publiek. Het lijkt de uitvoerenden niet echt te deren al is het wat onwezenlijk dat ze na afloop applaus komen halen en buigen naar een lege zaal.

De enscenering is van Cesare Lievi en decor en kostuums komen voor rekening van Luigi Perego. Het toneelbeeld is eenvoudig maar zeer doeltreffend, de kostuums 19e eeuws, zo ongeveer de periode waaruit de opera stamt. Het libretto wordt keurig gevolgd met veel aandacht voor details.

De titelrol is in handen van Jessica Pratt die goed raad weet met haar coloraturen maar duidelijk forceert bij de hoogste noten. Acterend voldoet ze wel al blijft het lastig in haar een jong onervaren dorpsmeisje te zien. Als ze door Carlo, nadat deze zich heeft ontpopt als Visconte de Sirval, is geïnstalleerd in Parijs gedraagt ze zich als een chique dame en komt ze overtuigender over.

De scène waarin ze de markies haar appartement uit probeert te jagen door heel hoog van de toren te blazen is hilarisch, vooral ook door de inbreng van bas-bariton Fabio Capitanucci die er een echte buffo rol van maakt.

Tenor Francesco Demuro is een prima Carlo al klinkt hij bij vlagen wat larmoyant en acteert hij nogal houterig. De mooie rol van de Prefect wordt vertolkt door de bas Michele Pertusi, een vaste waarde in dit repertoire.

Contralto Teresa Iervolino is geknipt voor de rol van Pierotto, zeer overtuigend gebracht. Bariton Vittorio Prato komt vooral solo goed uit de verf. Zijn samenzang met Marina de Liso als Linda’s moeder klinkt zo nu en dan beslist onprettig. Michele Gamba heeft de muzikale leiding.

Foto’s: © Michele Monasta

Linda di Chamounix is meer dan een aria!