Mit gemischten Gefühlen verliess man den fliegenden Holländer am Opernhaus Zürich. Die Inszenierung des Intendanten Andreas Homoki und der Ausstattung von Wolfgang Gussmann aus dem Dezember 2012 war dabei eine grosse Enttäuschung. Es handelt sich um ein völlig austauschbares beliebiges Arrangement, das fast den ganzen Abend über mit Wagners selbst verfasstem Libretto frontal kollidiert, Libretto und Partitur einerseits und die Inszenierung andererseits waren völlig zweierlei Sachen, die kaum etwas miteinander zu tun haben.
Statt der geforderten Schauplätze befinden wir uns in einem Seemanns-Kontor zu Beginn des 20. Jahrhunderts in dem es eben spukt. Dass im Libretto von Schiffen, Stürmen, Häfen, Spinnrädern die Rede ist schien dem Regisseur völlig egal, auch wer die Oper nicht kennt, dürfte beim Mitlesen der Übertitel das flaue Gefühl im Magen bekommen haben, dass hier inszenatorisch etwas völlig schiefläuft.
Die unfreiwillige Komik mit einem afrikanischen Krieger in der Spukszene während des Fests der Matrosen im dritten Aufzug, war trauriger Höhepunkt, dieser völlig verfehlten Regie-Arbeit! Das war umso bedauerlicher, da mit Bryn Terfel einer der gefragtesten Holländer-Interpreten unserer Zeit zur Verfügung stand. Sein herber, robuster Bariton sprach am besagten Abend in allen Lagen bestens an, fand im Verlauf des Abends zu Leidenschaft und Ausdruck.
Camilla Nylund war dabei eine ebenbürtige Partnerin, der man ihr leichtes Tremolo in der berühmten Ballade leicht nachsehen konnte, ihr wunderbarer dramatischer Sopran verlieh der Senta zahlreiche Farben und blühte im zentralen Duett des zweiten Aktes wunderbar in der Höhe auf.
Steven Humes war ein Stimmlich etwas zu leichtgewichtiger Daland, man vermisste das Volumen und die Tiefe, die diese Rolle braucht. Marco Jentsch gab einen geschmeidig Stimmigen Erik, während die respaktable Leistung von Omer Kabiljak als Steuermann durch die Abstrusitäten der Regie völlig zunichtegemacht wurde.
Der von Janko Kastelic präparierte Chor brachte sich klangstark mit ein, war jedoch optisch einfach grausam und unpassend kostümiert und musste sich wie bei so vielen Regiearbeiten von Andreas Homoki ohne Grund hyperaktiv betätigen ohne, dass dafür ein Grund erkennbar war.
Das Orchester und Markus Poschner spielte von der Ouvertüre an einen Wagner, der an Spannung und Farbreichtum kaum zu überbieten war. Viel Jubel am Ende dieses pausenlos gespielten Nachmittags für Sänger, Chor und Orchester, lange Gesichter auf der Treppe wegen einer weiteren ernüchternden und ärgerlichen Inszenierung.
De Nederlandse Reisopera waagt zich sinds de herstart als een kleinschalig productiebedrijf voor de tweede keer aan een opera van Richard Wagner. Na de succesvolle productie van Tristan und Isolde, die overigens in 2020 hernomen zal worden, is nu Der fliegende Holländer aan de beurt. Afgelopen zaterdag was de première in Enschede, het werd een groot succes.
De Reisopera moet het doen met beperkte middelen maar slaagt er steeds weer in dat prima te maskeren. Een goede vormgever kan hier natuurlijke wonderen doen en dat is Gary McCann wel toevertrouwd. Evenals bij de fenomenale productie van Ariadne auf Naxos uit 2016 wist McCann met een aansprekend decor en fraaie kostuums een zeer aantrekkelijk toneelbeeld te creëren. Een grote stellage met meerdere niveaus weet zonder moeite de suggestie van een zeilschip op te wekken. Een open ruimte met een groot raam op het achtertoneel doet dienst als atelier en huiskamer van Daland. Net als in die Ariadne zorgen ook hier goed gekozen filmbeelden van Silbersalz Film voor een levende achtergrond. Woeste golven waar de Holländer over zijn ruige tochten verhaalt. Een kalme zee als men met windstilte kampt. En mooi gefilmd ochtendgloren als Senta door het grote raam naar buiten staart in afwachting van haar vader en misschien ook wel die ene man, je weet wel. En dat terwijl Erik ondertussen zijn uiterste best doet om haar uit deze obsessieve dagdroom te wekken.
Regisseur Paul Carr ziet Senta als een verwend meisje dat weinig meer te doen heeft dan dagdromen. Ze is in de ban geraakt van het schilderij van de Holländer, misschien is ze zelfs wel verliefd geworden op deze legendarische figuur. Ja, dat kan zomaar gebeuren. Hoeveel jongens zijn er niet verliefd geworden op prinses Leia? Zo dus. En zoals dat gaat bij een onbereikbare liefde spelen al gauw fantasieën een rol waarin het liefdesobject wordt gered uit een benauwde situatie, bijvoorbeeld bewusteloos geraakt in een brandend pand. In geval van Senta is dat zich voor hem opofferen zodat hij eindelijk zal kunnen sterven. Zodra haar vader haar aan deze schimmige verschijning die al honderden jaren op zee rondzwalkt heeft beloofd, aarzelt ze geen moment. Dit is haar kans op de vervulling van haar dagdromen, haar gefantaseerde liefdesmoment. En vader blijft die man maar aanprijzen totdat hij eindelijk tot de conclusie komt dat die twee hem niet meer nodig hebben: ‘Sollt ich hier lästig sein?’. What was your first clue Daland?
Mijn allereerste kennismaking met het romantische ‘Mögst du mein Kind?’ was een uitvoering door Kurt Moll. Ik ben er zeer aan gehecht geraakt en voor mij is deze scène een ijkpunt in elke uitvoering. Als dat er goed uitkomt, volgt de rest vanzelf. Onzin natuurlijk maar zo heeft elke operaliefhebber zijn eigenaardigheden. Yorck Felix Speer zong de tekst voorbeeldig en acteerde met veel humor. Hij was blij met de vangst van die rijke schoonzoon en vierde al vast een feestje. Ook in de eerdere ontmoeting met de Holländer stond Speer zijn mannetje, mooie invulling van deze rol.
De rol van Erik was in handen van Samuel Sakker. Hij heeft twee grote scènes maar speelt feitelijk een bijrol. Sakker is geen echte Wagner tenor maar goed beschouwd vraagt dit vroege werk daar ook niet om. Ik kon er goed mee leven met wat hij wist te brengen op de premièreavond.
Dat was minder het geval met de bijdrage van Thorsten Büttner als Steuermann. Zijn monoloog ‘Mit Gewitter und Sturm aus fernem Meer – mein Mädel, bin dir nah!‘ werd met overdreven lange uithalen gezongen en ‘bij het streepje’ overdreven lang onderbroken. Daarbij liet de regie hem telkens een slokje uit een heupfles drinken, wat op zich een goede verklaring was voor het feit dat hij zijn wacht vervolgens versliep, maar muzikaal de zaak teveel stilzette. De man heeft een mooi timbre maar zijn grote bijdrage wekte bij mij eerder irritatie dan bijval.
Carr heeft in zijn productie alleen de Holländer een historisch kostuum gegeven, compleet met chimney hat. De overige spelers zijn uitgedost conform een algemene stijl medio 20e eeuw. In plaats van een spinnerij is gekozen voor een bruidsjurken atelier waarbij de modinettes wat draaiende passen maken met hun paspoppen als het spinlied wordt gezongen. Senta loopt rond in een bruidsjurk zodra haar langverwachte bruiloft aanstaande is. Een zestal dansers is vrijwel permanent op het toneel aanwezig als kennelijke uitbeelding van Senta’s gedachten en gevoelens. Hun bewegingen waren mij soms iets te slangenachtig of gewoon overdreven maar in het totaalbeeld hadden ze als groep een toegevoegde waarde. Sterke vondst was het inzetten van dit zestal als pseudogeraamtes die de crew van de Holländer moesten uitbeelden.
Darren Jeffery wist te overtuigen als de gekwelde titelheld. Zijn grote monoloog ‘Die Frist ist um’ klonk welluidend al had hij wat moeite met de klederdiepe noten. Gaandeweg ontwikkelde Jeffery zich tot een voortreffelijke Holländer die vooral tegen het einde grote indruk wist te maken toen hij zich aan Senta bekendmaakte. Verneem van mij aan welk een gruwelijk lot je bent ontsnapt. Zij wil daar niet van weten, heeft zich aan hem gecommitteerd en is vastbesloten zijn reddende engel te zijn. Groots tegenspel van Aile Asszonyi in de rol van Senta. Dat ik op weg naar Enschede de opname onder Sinopoli in de auto had beluisterd zal wel een rol hebben gespeeld, neemt niet weg dat ik bij deze Senta associaties kreeg van de vertolking van Cheryl Studer.
Asszonyi gaf een prima vertolking van ‘de ballade’ en wierp zich geheel in overeenstemming met de monomane fascinatie van haar personage in het navolgende gebeuren. Hoewel hier en daar wat schril op spannende momenten wist ze de moeilijkste passages tot een goed einde te brengen en haar slotuitroep was zonder meer hartverscheurend. Deze Senta springt niet in zee om zich bij de Holländer te voegen maar doorsteekt zich met een dolk. De achter haar staande Holländer omarmt haar en sterft met haar. Dit verstilde slotbeeld wist mij voor het eerst te ontroeren, in al die vele Holländers die ik tot nu toe in het theater heb gezien. Prachtig gedaan.
Wie verder nog? Ceri Williams was een aardige Mary en de leden van Consensus Vocalis brachten een voortreffelijk koor op het toneel. In wisselende samenstelling: zeelui en modinettes apart en met aanstekelijk enthousiasme de hele boel bij elkaar in het topstuk ‘Steuermann, laß die wacht’.
Het Noord Nederlands Orkest onder leiding van Benjamin Levy verdient een bijzondere vermelding. Levy hield deze uitstekend spelende musici goed in toom waardoor er echt sprake was van een ‘pit band’ en niet een symfonie orkest dat was aangetrokken om een opera te begeleiden. Steeds zorgvuldig de zangers ondersteunend, nooit op de voorgrond treden en slechts uitpakkend als het gebeuren op het toneel daar nadrukkelijk om vroeg. Was het maar altijd zo.
De Reisopera haalt met deze productie opnieuw het niveau van het topstuk Ariadne auf Naxos en is het levende bewijs voor het feit dat je ook met beperkte middelen een heel mooie Wagneravond kunt verzorgen. Ik hoop op volle zalen in het land, deze Holländer verdient het.
Paul Carr over de essentie van Der fliegende Holländer:
Bezocht op 20 april 2018 in het Wilminktheater in Enschede
Voor de speeldata zie hier.
In september 2014 opende De Nationale Opera het seizoen met een geheel geënsceneerde uitvoering van Schönbergs Gurre-Lieder, als zodanig een wereldpremière. De opname die hiervan werd gemaakt is vorig jaar verschenen op BluRay en DVD.
Schönberg schreef voor zijn Gurre-Lieder een massale bezetting voor, naar verluidt waren bij de première van deze cantate in 1913 maar liefst 757 musici betrokken. Bij DNO hield men de opzet wat bescheidener met naast het Nederlands Philharmonisch Orkest en het koor van de opera een extra koor uit Duitsland, het Kammerchor des Chorforum Essen. Naast een besparing op de kosten speelde hier natuurlijk ook het gebrek aan ruimte mee. In een concertzaal kan je extra koren overal en nergens kwijt, op een toneel niet. Sowieso ligt de nadruk op een groot volume vooral in het slotkoor en dan staat het toneel ook behoorlijk vol.
Schönbergs muziek klink mij onbeschaamd negentiende eeuws in de oren. Tijdens het afspelen van de opname bedacht ik dat hij zomaar een tweede Wagner had kunnen worden, als hij in dit idioom was blijven componeren en zich op het schrijven van opera’s had toegelegd. Zoals bekend ging Schönberg een andere kant op en zag hij zijn meesterwerk Gurre Lieder als een gepasseerd station, een jeugdzonde bijna. Het stoorde hem dat hij uitgerekend om dit werk zo werd geprezen. De vergelijking met Wagner en diens moeizame relatie met zijn vroege werk Rienzi dringt zich op.
Audi en zijn team, laat ik deze keer vooral Jean Kalman even uitlichten die zoals zo vaak bij Audi’s producties verantwoordelijk was voor het belichting, hebben een groots toneelbeeld gecreëerd dat een rijke schakering aan beelden mogelijk maakt. En daar is de filmopname nu eens in het voordeel boven het theater. Geen levensgroot ingezoomde hoofden maar fraaie close ups van situaties bepalen het eerste deel waarin Waldemar en Tove hun liefde en onvermijdelijke afscheid beleven. Als kijker wordt je nu niet afgeleid door het feit dat hun liefdesprieeltje in werkelijkheid bijna verdrinkt in wat nog het meeste lijkt op een verlaten fabriekshal.
Als Tove vertrekt is duidelijk te zien dat haar mantel de vorm heeft van een verenkleed. Zij verbeeldt de duif die volgens de daarna optredende Waldtaube – met grote vleugels en geheel in het zwart synoniem met een doodsengel – door de valk van de koningin is gegrepen. Dat haar einde, en dus ook de liefdesrelatie met Waldemar, nadert wordt na haar afscheid fraai weergegeven door een boom in het liefdesnest die als op commando haar blaadjes verliest.
Mooi beeld ook is dat van Klaus Narr die vrijwel voortdurend op het toneel aanwezig is, getooid met een helwitte lichtgevende ballon die hem permanent belicht. Hij is dan wel een nar, maar weet dat van zichzelf en in die zin is hij ‘verlicht’.
Scenisch is er in het middendeel niet heel veel te beleven totdat een soldatenkoor kortstondig het toneel in bezit neemt. Dan kabbelt het verder tot het overweldigende slotkoor waarmee het stuk eindigt.
Burkhard Fritz is een bijna perfecte Waldemar, hij heeft de rol geheel geïnternaliseerd. Bij de vrouwen gaat mijn voorkeur uit naar de Waldtaube van de Zweedse mezzo Anna Larsson, een mooie gedragen vertolking, het vocale hoogtepunt van het stuk. Van Emily Magee als Tove valt op dat ze wel erg vaak kijkt alsof ze zich afvraagt ‘wat gaat er nu weer gebeuren’? Overigens wel mooi gezongen maar wat afstandelijk.
Sunnyi Melles als de verteller concentreert zich erg op haar tekst en klinkt geforceerd, zelfs schreeuwerig. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze dit uit zichzelf zo doet, minpuntje in de regie wat mij betreft. De beide heren Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr) en Markus Marquardt (Bauer) vertolken hun rol met verve. Klaus Narr wordt daarbij flink geholpen door zijn kostuum inclusief die onafscheidelijke ballon.
Marc Albrecht laat zijn NedPho welluidend spelen met prachtige Wagneriaanse momenten. Verder geeft hij voorbeeldig leiding aan het grote ensemble, geen geringe prestatie. Albrecht wilde dit werk heel graag eens dirigeren en Audi wilde het al jaren als ‘opera’ op het toneel brengen. Beide heren zijn uitstekend in hun opzicht geslaagd.
Dit seizoen wordt deze productie door DNO hernomen in exact dezelfde bezetting. De besproken opname is dus niet slechts een herinnering aan een groots evenement maar kan tevens dienen als voorbereiding op een weerzien in het theater. In alle opzichten een geslaagd initiatief van Opus Arte om deze opname op de markt te brengen.
Op 27 februari van dit jaar bezocht ik in Luik Le domino noir van Daniel Auber. Die man was een veelschrijver, in zijn meest productieve periode schreef hij 40 opera’s in evenzo vele jaren. Dat is bij Le domino noir wel een beetje te merken aan de kwaliteit, erg eenvoudig, muziek afgestemd op ‘grappige’ dialogen die eindeloos lijken. Veel spreekrollen, weinig zang voor de bijfiguren. Als het stuk in een Nederlandse vertaling zou gaan, moeten we denken aan iemand als Joop Doderer in de bijrol van lord Elfort.
Eigenlijk krijgt alleen de hoofdrol Angèle (uitstekend vertolkt door Anne-Catherine Gillet) iets fraais toebedeeld. Haar grote aria ‘La belle Inès fait florès’ draagt bij wijze van spreken de hele avond.
Wie de voorstellingen in Luik heeft gemist, kan toch nog zijn hart ophalen aan de complete opname van de opera met Sumi Jo in de hoofdrol:
Anders is het gesteld met La muette de Portici, ook wel bekend als Masaniello. Dit is de grand opéra waar Auber zijn vroege faam aan ontleende. Over de gehele linie vind ik dit werk beslist beter dan Le domino noir. Daar doen die meer dan duizend voorstellingen in de 19e eeuw niets aan af. Ik zag La muette op 9 april 2012 in de Opéra Comique in Parijs. Het betrof een coproductie met De Munt maar van een uitvoering in Brussel is het nooit gekomen.
Dat de Opéra Comique, gevestigd in de Salle Favart, met La Muette kwam, lijkt op het eerste gezicht wat vreemd. De Comique brengt tegenwoordig echter Franse opera’s van elk genre dus waarom niet eens een grand opéra?
Omdat zoiets niet kon met het kleine Orchestre de Pasdeloupe, het huisorkest, werd gebruik gemaakt van het feit dat in De Munt twee voorstellingen liepen met gastensembles, waardoor koor en orkest geleend konden worden. Het trok veel belangstelling, opera minnend Parijs liep er voor uit zodat ik slechts met moeite een kaartje kon bemachtigen.
De opera
Het verhaal speelt zich af in het Koninkrijk Napels dat onder Spaans bestuur staat. Centraal staat een opstand van een groep vissers uit het dorpje Portici die onder aanvoering staan van Masaniello. Zijn ‘stomme’ zuster Fenella is eerder verleid door Alphonse, de zoon van de Spaanse onderkoning. Hij heeft haar in de steek gelaten maar zij duikt uitgerekend weer voor hem op als hij net in het huwelijk is getreden met de Spaanse prinses Elvira. Dat geeft genoeg materiaal voor een spannend verhaal.
De vissers komen in opstand en dreigen Alphonse en Elvira te doden. Deze vluchten in vermomming en willen zich verschuilen in een hut…. die toevallig net die van Masaniello is. Op aandringen van Fenella (‘love trumps hate’) helpt hij hen ontsnappen. Dat verraad aan de opstand kost hem het leven, hij wordt vergiftigd door zijn vriend en medestander Pietro. De opstand mislukt en Fenella pleegt uiteindelijk zelfmoord .
Zeer bekend is het duet ‘Amour sacré de la patrie’ dat Masaniello en Pietro zingen in de tweede akte, waarin zij elkaar als het ware aanvuren om in opstand te komen tegen de Spaanse overheersers:
Mieux vaut mourir que rester misérable!
Pour un esclave est-il quelque danger?
Tombe le joug qui nous accable.
Et sous nos coups périsse l’étranger!
Amour sacré de la patrie,
Rends-nous l’audace et la fierté;
A mon pays je dois la vie;
Il me devra sa liberté.
Alfredo Kraus & Jean-Philippe Lafont in ‘Amour sacré de la patrie’:
Zoals bekend wordt dit duet in verband gebracht met het uitbreken van de opstand in Brussel die leidde tot de afscheiding van zuidelijk Nederland en de stichting van België. De huidige politieke verhoudingen in dat land, waarvan beide helften zich geknecht voelen door de ander, waren mede aanleiding voor De Munt om La Muette eerst in Parijs te spelen en pas een paar jaar later in Brussel. Zoals Peter de Caluwe het formuleerde: ‘Tegen die tijd zal België toch wel weer een regering hebben’. Dat is echter niet genoeg gebleken, het zal er nu wel niet meer van komen.
Regisseur Emma Dante had ervoor gekozen om dansende acteurs in te zetten in plaats van balletdansers en dat met inbegrip van Fenella. Het effect was matig, rondhupsende soldaten en vissers en een niet zingende titelheldin die evenmin danstechnische hoogstandjes ten beste kon geven. Wat overbleef was een actrice die het publiek moest doen vergeten dat in haar plaats ook een sopraan had kunnen staan. Immers, een van de verhalen rond het ontstaan van dit werk luidt dat men geen geschikte zangeres voor de rol kon vinden, iemand die voldoende tegenwicht kon bieden tegen de beoogde Elvira, zodat maar besloten werd om La fille de Portici te veranderen in La muette de Portici.
Fenella heeft van Alphonse een rode sjaal gekregen die ze als attribuut gebruikt. Gaandeweg wordt die sjaal steeds groter tot het uiteindelijk een lap stof is waar ze min of meer in verstrikt raakt. Elena Borgogni speelde Fenella als een slangenmens, een furie met een overdaad aan ‘expressie’ en veel armgezwaai. Ze gooide zich geheel en al in haar rol maar het beperkte bewegingsrepertoire maakte dat haar ‘over the top act’ na verloop van tijd toch wat begon te vervelen.
De enscenering was eenvoudig: vrijstaande deuren die door figuranten heen en weer werden bewogen om de indeling van de ruimte te wijzigen, kroonluchters, vrouwen in hoepelrokken, poppen met opengewerkte hoepelrokken. De mannen (vissers, soldaten) speelden voortdurend met banieren (wit en rood), op een erg vrouwelijke wijze en qua uitvoering tamelijk basaal.
Al met al vond ik het werk tamelijk knullig gemoderniseerd en helaas geen bevestiging van de gedachte dat met dit genre iets moois verloren is gegaan. De befaamde revolutiearia viel me ook nog al tegen, weinig opzwepend. Als hierdoor een opstand is uitgebroken dan moet de tijd er wel heel erg rijp voor zijn geweest.
Église Gutiérrez (Elvira) was verkouden. Ze had weinig volume, zong heel zachtjes en voorzichtig maar haalde wel alle noten. Gelukkig heeft de Salle Favart een betrekkelijk klein auditorium waardoor haar rol toch redelijk uit de verf kwam.
De Amerikaanse tenor Michael Spyres overtuigde als Masaniello. Bijgaande link geeft hiervan een uitstekende indruk.
Michael Spyres zingt Massaniello’s ‘Spectacle affreux’ en ‘Ferme les yeux … Du pauvre seul ami fidèle’:
Laurent Alvaro (Pietro) heeft een krachtige bariton die bijna te groot is voor deze zaal. Gelukkig speelde hij de ‘slechterik’ in het stuk waardoor het gebulder eigenlijk wel goed uitkwam. De wat zachter zingende Maxim Mironov overtuigde als Alphonse.
Patrick Davin dirigeerde koor en orkest van De Munt op adequate wijze.
Het sluiten van de laatste kolenmijn in het Ruhrgebied eind van dit jaar leidt aldaar tot ‘Bergwerk’ nostalgie. De Aalto Opera speelt hier op in met Hans Heiling, een zelden gespeeld werk van een bijna vergeten componist, Heinrich Marschner. De titelheld in Hans Heiling keert na een mislukt avontuur in de bovenwereld terug naar het ondergrondse rijk van de Aardgeesten, waardoor elk contact tussen beide werelden wordt verbroken. Evenzo wordt in het Ruhrgebied de enig nog resterende verbinding met een onderaardse wereld afgesneden.
Marschner was een belangrijke Duitse componist ten tijde van de romantiek. Van de talrijke opera’s die hij schreef hadden er drie veel succes: Der Vampyr (1828), Der Templer und die Jüdin (1829) en Hans Heiling (1833). Zijn werk wordt – vooral bij gebrek aan andere voorbeelden – in brede kring gezien als schakel tussen de opera’s van Weber en Wagner.
Hans Heiling is de zoon van de koningin van de Aardgeesten, te vergelijken met Wagners Nibelungen, en een aardse man. Hij is dus half mens, zijn verlangen naar de ‘bovenwereld’ is genetisch bepaald. Een affaire met het eenvoudige dorpsmeisje Anna loopt echter slecht af. Hoewel zij heeft beloofd met hem te zullen trouwen, vlucht ze in de armen van dorpsjongen Konrad wanneer ze door krijgt wie en wat Heiling eigenlijk is: geen geleerde rijke man, maar iemand uit de ondergrondse wereld, een Aardgeest. Die informatie heeft Anna overigens van Heilings moeder die haar voor de ernstige gevolgen waarschuwt als ze Hans niet los laat – ‘Hör auf mein Wort’. Moeder wil haar zoon gewoon weer terug waar hij hoort, zonder daarbij acht te slaan op diens wensen. Hoewel Heiling bij zijn vertrek al zijn schepen achter zich heeft verbrand wordt hij toch weer in genade aangenomen door zijn onderdanen. Hij wil wraak nemen op de mensen die hem bedrogen hebben, maar zijn dominante moeder weet hem hiervan te weerhouden – ‘Der Liebe Lust und Leid’. Daarmee is de orde hersteld: mensen en Aardgeesten leiden weer een geheel gescheiden bestaan.
Regisseur Andreas Baesler heeft het rijk van de Aardgeesten getekend naar het imperium van de familie Krupp. Alfred neemt de plaats in van Hans, zijn overheersende moeder Bertha speelt de rol van de koningin. Mijnwerkers in originele werkpakken vertegenwoordigen de Aardgeesten die hun heersers (werkgevers) rijkdommen moeten bezorgen. Tijdens de proloog zien we Alfred in een eikenhouten decor dat zo lijkt weggehaald uit Villa Hügel, het paleisachtige onderkomen van de familie Krupp. Zijn moeder is gekleed als Bertha zoals afgebeeld op het reusachtige familieportret dat in Villa Hügel hangt.
Marschner heeft de ouverture tot dit werk geplaatst na de prelude. Dit acht minuten durende orkestrale intermezzo werd verlevendigd door de vertoning van een film met originele beelden van de regionale ‘kolengeschiedenis’. Voor het Essener publiek pure nostalgie, voor buitenlui een fascinerend schouwspel. In de eerste akte treffen we Hans in een moderne jaren zestig bungalow, voorzien van open haard en een uitgebreide platenverzameling. Hier ontvangt Hans zijn verloofde Anna en haar moeder. Ook nu weer een parallel met Alfred die tegen de zin van zijn ouders een kantoormeisje trouwde en uiteindelijk Villa Hügel ontvluchtte door in een apart huis op het landgoed te gaan wonen. En net als de Koningin bij Hans wist ook Alfreds moeder het huwelijk van haar zoon te ruïneren.
Het over Hans Heiling heen gelegde Krupp familiedrama is nogal dwingend vorm gegeven maar toch ook weer niet zo dat het stoort. Voor het publiek is het een kwestie van hoe meer details men herkent, des te boeiender het wordt. Wat natuurlijk helpt is dat de gemeenschap als geheel in de kolenmetafoor wordt betrokken, inclusief werkkleding die aan haken omhoog wordt gehesen, een kantoortje waar men zijn loon afhaalt en een Bergwerkorkest dat tijdens de bruiloft van Anna en Konrad op de bühne speelt.
Muzikaal viel er veel te genieten tijdens de première op 24 februari. De Essener Philharmoniker onder leiding van Frank Beermann speelde als eigenlijk altijd, onberispelijk en vol overgave. Wat een geweldig orkest is dit toch, het beste van de gehele regio. Ook het koor wist te overtuigen, prima ingestudeerd door Jens Bingert.
Bij de zangers viel oudgediende Jeffrey Dowd weer eens te beleven, dit keer als Konrad. Verdienstelijk al merk je dat de jaren gaan tellen, zeker in de hogere passages. Maar wat heeft die man de afgelopen 20 jaar wel allemaal niet moeten zingen daar.
Rebecca Teem als Bertha Krupp ofwel de Koningin van de Aardgeesten vertolkte haar rol adequaat maar niet erg meeslepend. Een kouwe kikker en misschien was dat ook wel de bedoeling. Bettina Ranch nam de rol van Anna’s moeder Gertrude voor haar rekening, daar viel niet veel eer aan te behalen.
Heel anders was dit met de twee hoofdrollen. Jessica Muirhead is de nieuwe stersopraan van het gezelschap en die reputatie deed ze in haar vertolking van Anna alle eer aan. Wat een schitterende zangeres, puntgaaf optreden. Overigens had haar kleding iets minder lomp gemogen. Standsverschil hoeft nu ook weer niet overdreven te worden.
De titelrol was in handen van bariton Heiko Trinsinger. Ook over hem niets dan goeds, hij wist zijn personage volledig tot leven te wekken, van eenzame directeur via verliefde buitenstaander – ‘An jenem Tag’ – tot gedesillusioneerde op wraak beluste man. Aardig om te vermelden dat hij kort geleden ook de titelrol in Der Vampyr speelde voor de Komische Oper Berlin.
Hans Heiling is geen bekend werk. Muzikaal sluit het goed aan bij Weber en de jonge Wagner. Diens eerste opera Die Feen stamt zelf uit hetzelfde jaar als Heiling. Het werk geeft een goede indruk van wat er zoal nog meer werd gecomponeerd eerste helft 19e eeuw in Duitsland, behalve Der Freischütz en Euryante. Het verdient beslist aanbeveling om er voor naar Essen af te reizen. Er volgens nog voorstellingen tot eind juni.
Om een indruk te krijgen een paar muzikale voorbeelden uit de opera. Het betreft een productie van Theater an der Wien uit 2015.
‚An jenem Tag‘: Michael Nagy (Hans Heiling), Katerina Tretyakova (Anna), Stephanie Houtzeel (Gertrude):
Slotscène ‚Der Liebe Lust und Leid‘: Michael Nagy (Hans Heiling), Angela Denoke (Die Königin), Katerina Tretyakova (Anna), Peter Sonn (Konrad):
Heinrich Marschner
Hans Heiling
Heiko Trinsinger, Rebecca Teem, Jessica Muirhead, Jeffrey Dowd e.a.
Essener Philharmoniker en koor van het Aalto-Musiktheater olv Frank Beermann.
Regie: Andreas Baesler