Gastcolumns

Giordano’s Siberia: romantiek in het strafkamp

Tekst: Peter Franken

Scéne uit de derde acte, La Scala 1911

Het succes van Fedora met zijn Russische verhaallijn bracht Umberto Giordano ertoe opnieuw een werk in die setting te schrijven. Dat werd Siberia op een libretto van Luigi Illica.

Première in La Scala, 2003

De opera had in 1903 première in La Scala en was gedurende een tiental jaren redelijk succesvol. Daarna raakte het werk in de vergetelheid.

In 2022 stond er een nieuwe productie van Siberia op het programma in Bregenz. Maggio Musicale Fiorentino was Bregenz in 2021 al voorgegaan en deze productie van Roberto Andò is op Blu-ray uitgebracht.

De handeling speelt zich grotendeels af in een strafkamp in Siberië en haalt zijn inspiratie uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, vooral bekend van Janaceks opera. De eerste akte is feitelijk een theatraal vehikel dat ten doel heeft de protagonisten vanuit Sint Petersburg in Siberië te krijgen.

Giordano maakte het zijn librettist Illica volstrekt duidelijk. Hij wilde geen historische opera met aandacht voor ‘actuele zaken’ als Socialisme, Nihilisme en Antiklerikalisme maar gewone romantiek: een vrouw tussen twee mannen. Het strafkamp was niet meer dan de hardvochtige sociale omgeving waarin de heldin ten onder zou gaan, zoals Violetta in de ‘woestijn die Parijs werd genoemd’.

Het draait om Stephana, een vrouw die als jong meisje is ontdekt door Gléby die haar eerste minnaar werd en haar vervolgens omvormde tot een verdienmodel. Dat heeft succes gehad, ze woont in een huis dat haar geschonken is door Vorst Alexis; vele welgestelde minnaars zijn hem voorgegaan.

Maar Stephana gaat incognito de stad in en de jonge officier Vassili wordt op slag verliefd op dit onschuldige meisje dat de kost verdient met borduurwerk. Als hij in Stephana’s huis komt om zijn peetmoeder te begroeten loopt alles mis. Deze Nikona is in dienst van Stephana en door een ongelukkig toeval bevinden zich ook Gléby, Alexis en zijn gevolg aldaar. Vassili doodt Alexis, wordt veroordeeld en Stephana reist hem na als ‘vrijwillig gedetineerde’.

Als Gléby ook in dat kamp opduikt zijn de rapen gaar. Hij wil zijn vroegere protégée meenemen, kent een ontsnappingsroute. Als ze weigert maakt hij ten overstaan van de gevangenen alles bekend over haar verleden als courtisane, tot verbijstering van Vassili. Ze geeft echter geen krimp, beschuldigt hem op zijn beurt van bedrog en uitbuiting. Als ze met Vassili wil ontsnappen via de route die Gléby heeft aangegeven, slaat deze alarm. Stephana wordt neergeschoten en sterft in de armen van haar geliefde.

De productie uit Florence kent een onopvallende update naar 1941. Dat is op te maken uit de kostumering van Nana Cècchi en kleine veranderingen in de tekst. Zo wordt gesproken over Leningrad en staat Vassili op het punt te vertrekken voor de strijd tegen de Duitsers. In het strafkamp wordt de directeur aangesproken met kameraad gouverneur en als in de derde akte het paasfeest wordt gevierd en iedereen elkaar begroet met de zinsnede ‘christus is herrezen’ laten de filmbeelden op de achtergrond een afbeelding van Stalin zien. Voor het overige wordt het libretto keurig gevolgd.

Die filmbeelden geven in de marge weer waarover wordt gezongen en zijn zeer evocatief waar het gaat om het echte kampleven. Geweldsexcessen blijven echter nadrukkelijk achterwege, het moest immers een romantische opera zijn?

De muziek is heel herkenbaar voor de luisteraar die bekend is met Chénier en Fedora. Een beklijvende hit ontbreekt maar het werk kent meerdere fraaie monologen en duetten. In de tweede en derde akte wordt veelvuldig geciteerd uit het lied van de Volgaslepers, een Russische traditional.

Sonya Yoncheva geeft schitterend gestalte aan de gedoemde heldin die zoals zo vaak haar verleden niet kan ontlopen. Ze acteert heel behoorlijk maar het is vooral haar zang die het verschil maakt. Het is een mooie rol waarin ze haar niet geringe kunnen op vocaal gebied met ogenschijnlijk gemak etaleert, zij het met een flink vibrato.

Sonya Yoncheva zingt “Quale vergogna tu porti”:

In de eerste akte is ze nog een roekeloze verliefde vrouw die tot haar ontzetting alles in duigen ziet vallen. Maar door zich ‘te bekeren’ tot de echte liefde en Vassili na te reizen om zijn lot te delen, transformeert ze in een powerhouse dat Gléby overtuigend van repliek dient en de sympathie van haar medegevangenen weet te verwerven.

Sonya Yoncheva zingt “No! Se un pensier”:

Tenor Giorgi Sturua weert zich als Vassili uitstekend maar klinkt te dun om volledig te kunnen overtuigen. Hij heeft net iets teveel moeite met zijn partij.

Anders is het gesteld met bariton George Petean die een uitstekend zingende Gléby neerzet; gemaakt charmant en manipulatief in de eerste akte, rancuneus in de derde. Enge man, mooi gedaan. In de kleinere rollen vallen vooral Caterina Piva als een bezorgde Nikona en Giorgio Misseri als de onfortuinlijke Alexis op.

De voortreffelijke muzikale leiding van Gianandrea Noseda completeert het succes. Een echte aanwinst de opname.

Trailer van de productie:

Fotomateriaal: © Michele Monasta / Maggio Musicale Fiorentino

L’Arlésiana van Cilea, een weinig bekende opera met een van de grootste hits uit het tenorrepertoire.

Tekst: Peter Franken

Dit zelden gespeelde werk van Francesco Cilea stamt uit 1897, vijf jaar voor zijn grote hit Adriana Lecouvreur. Het libretto van Leopoldo Marenco is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Alphonse Daudet. Hoewel de plot draait om ‘het meisje uit Arles’ komt die nergens in de handeling voor. De hoofdpersoon Federico is verliefd op haar en is vastbesloten met haar te trouwen. Maar als er een concurrent opduikt in de persoon van Metifio loopt alles mis.

Deze is de geliefde van de Arlesienne en hij heeft twee brieven waaruit dit onomstotelijk blijkt. Ook de ouders van het meisje zijn op de hoogte maar hebben hem afgewezen toen bleek dat er een (beter) huwelijk met Federico in het verschiet lag.

Frederico is geschokt als hij de vrouw die hij adoreert van haar voetstuk ziet vallen. Al die tijd had ze kennelijk al een andere minnaar. Zijn moeder Rosa Mamai verbiedt hem om nog met ‘die meid’ te trouwen en probeert hem te koppelen aan Vivetta, een meisje uit de buurt dat al lang een oogje op hem heeft. Ze moet gewoon wat vrijer worden in de omgang, niet zo ingetogen met een hoog gesloten kraagje stilletjes rondsluipen. Dan kan ze vast wel Federico’s aandacht op zich vestigen.

Federico is ziek van jaloezie en maar accepteert na een aanvankelijke bruuske afwijzing Vivetta’s aanbod ‘om hem te genezen’, dit op aandringen van Mama Rosa die hem eronder door ziet gaan. Het komt zelfs tot een voorgenomen huwelijk maar als Metifio opnieuw opduikt om zijn brieven terug te vragen en achteloos vertelt dat hij van plan is zijn geliefde te ontvoeren staat alles weer op scherp. Federico heeft dit gesprek afgeluisterd en probeert Metifio te doden. De kemphanen worden gescheiden maar voor Federico is alles verloren. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord door uit een hoog raam te springen.

In september 2013 was dit werk te zien in Jesi, de geboorteplaats van Pergolesi die ik tot dan toe uitsluitend kende van de witte wijn met de aansprekende naam ‘Verdicchio dei castelli di Jesi’. De op Dynamic uitgebrachte opname laat een verrassend goede voorstelling zien: uitstekende zang en de enscenering van Rosetta Cucchi is heel behoorlijk, vooral de goede personenregie valt op. Het toneelbeeld is betrekkelijk eenvoudig, slechts het hoognodige wordt getoond. De kostumering sluit aan bij hoe men zich de bewoners van de Provence voorstelde eind 19e eeuw.

Federico’s moeder Rosa Mamai wordt vol overgave vertolkt door mezzo Annunziata Vestri. Op een gegeven moment gaat ze overstag en wil ze haar zoon toch maar met die onbetrouwbare feeks uit Arles laten trouwen omdat ze hem krankzinnig ziet worden. Alleen dat huwelijk kan hem redden. Maar Frederico weigert en besluit zich door het dorpsmeisje Vivetta dat al sinds hun kinderjaren verliefd op hem is, in een normaal bestaan te laten terugbrengen. Ze heeft veel liefde te geven en het is het proberen waard.

Sopraan Mariangela Sicilia geeft heel mooi gestalte aan het verlegen meisje dat voor de onmogelijke taak komt te staan om die wilde meid uit de grote stad uit Federico’s systeem te verdrijven. Mooi geacteerd en prima gezongen. Maar het succes is niet blijvend: zodra de horkerige Metifio opduikt komt alle woede en teleurstelling weer bij Federico naar boven.

Frederico is een rol die goed past in het veristisch karakter van het verhaal, hevige emoties van een plattelandsbewoner. Tenor Dmitry Golovnin maakt er iets moois van, hier en daar een tikje pathetisch maar hij blijft te allen tijde een ‘Werther met ballen’.

De Metifio van bariton Valeriu Caradja is donker, beetje een louche type. Als een soort verteller verbindt de oude schaapherder Baldassarre de delen van de tamelijk fragmentarische handeling, prachtig tot leven gebracht door Stefano Antonucci. Ook de kleinere bijrollen zijn adequaat bezet. 

Het Orchestra Filarmonica Marchigiana staat onder leiding van Francesco Cilluffo.

zie ook:

Cilea L’Arlesiana


Bacchae, gender doorbrekend drama dat tegen zijn eigen grenzen aanloopt

Tekst: Neil van der Linden

Nóg een voorstelling in dit Holland Festival over de confrontatie tussen een gesloten gemeenschap en een mysterieuze indringer, na Angela en Metamorfose van een woonkamer. En eigenlijk was de hoofdpersoon, de ‘milieuactiviste’, in de festival-openingsvoorstelling Drive Your Plow Over the Bones of the Dead ook een buitenstaander. In de mythologie zijn indringers met een voor de omgeving al dan niet aangename missie zo oud als de wereld. Gilgamesh, Achnaten, een groot deel van de Bijbelse profeten, Siegfried.

Ook de Griekse tragedieschrijver Euripides voerde zo iemand ten tonele in De Bacchae. Het stuk gaat over de uiteindelijk zelfs fatale relatie tussen een Thebaanse koning, Pentheus, en zijn moeder, Agave.

Die komt op scherp te staan als een vreemdeling arriveert. Dat is Dionysos, de god van de religie en de mythe, van de wijn, lust en extase. Dat hij, door afstamming van Zeus god is, daarvan wil hij de wereld overtuigen, desnoods met harde hand. Ook Pentheus gelooft hem niet. Maar de burgers van Thebe wel, althans ze sluiten zich al snel aan bij Dionysos’ orgiastische cultus.

Daardoor raakt Pentheus het gezag over zijn bevolking kwijt.  Als hij later toch overstag gaat, is het al te laat. Hij mengt zich in een tomeloze menigte feestenden in de bossen bij Thebe, waar hij in het feestgedruis wordt verscheurd, zijn moeder hem onthoofdt en het hoofd gespietst op een houten paal naar de stad brengt. Pas als de roes is uitgewerkt realiseert iedereen zich wat er is gebeurd.

Queerness was altijd al een onderdeel van Euripides’ heftige tekst. In de orgieën lopen ook bij Euripides de genderidentiteiten goed door elkaar. Het is misschien niet voor niks dat de (homoseksuele) Poolse componist Szymanowski zijn opera Król Roger baseerde op een vergelijkbare mythologie over een Bacchanten-achtige Christelijke cultus op Sicilië, waarin koning Rogier II van Sicilië ongeveer hetzelfde overkomt als Pentheus.

In deze The Bacchae door het Griekse ensemble ODC (Odyssey!) zien we een decor van witte doeken met daarop projecties van beelden uit de kosmos. Agave en de ziener Tiresias zitten aan tafel terwijl personeel bedient. Op zeker moment verschijnt een projectie van een komeet op het doek en er wordt aangekondigd dat dat Dionysos is die als komeet de aarde zou kunnen vernietigen.

Eerst arriveert Pentheus, een evenknie van een Apollobeeld, maar in hoge rode laklaarzen met naaldhakken. Het maakt hem nog rijziger, maar ook genderfluïder. Dan komt Dionysos binnen in menselijke gedaante. Net bij Euripides brengt hij een cultus met zich mee. In deze cultus kan iedereen ongeremd genieten. In deze nieuwe wereld zijn de sekseverschillen opgeheven. De mensheid is teruggekeerd naar een amoebe-stadium, van het uit de eerste evolutionaire fasen van het leven op aarde stammend organisme dat zich voortplant door zich op te delen.

Een ‘muzikale queer-versie van Euripides’ De Bacchanten, waarin íedere vorm van verlangen door god Dionysus wordt aangemoedigd,’ zeggen de makers. Maar Pentheus was toch al tamelijk genderfluïde? Bij Euripides verkleedde Pentheus zich al als vrouw, al is dat niet per se ‘queer’, zo lijken de makers te willen zeggen.  Het probleem van Pentheus, zo horen we, is dat hij gevangen zit in conventionele opvattingen over identiteiten.

Maar nadat zijn hofhouding inclusief zijn moeder zich heeft overgegeven aan de nieuwe cultus, ziet hij geen andere uitweg dan de teugels te laten vieren. Hij wordt anaal gepenetreerd door Dionysos in hoogst eigen persoon, in een scène achter de schermen, met een camera gefilmd en levensgroot geprojecteerd op het scherm boven de deelnemers aan de feestdis. Maar net als bij Euripides moet hij zijn late overgave met de dood bekopen, en horen we dat ook hier Agave zijn hoofd gespietst naar de stad draagt.

Wat is de boodschap van dit alles? Dries Verhoeven beeldde om een voorbeeld te noemen een uit de hand lopende gedrogeerde orgie in al zijn ambivalentie toch echt trefzekerder uit in The NarcoSexuals. En is trouwens het leven der amoeben de ideale vorm van voortplanting?

De elektronische muziek van Ariah Lester, die ook Dionysos speelt, is in elk geval wel fraai. Hij heeft zowel in de laagte als in falsetregisters een mooie ijle stem. Iets tussen bijvoorbeeld de Britse electropop-musicus James Blake en Michel van der Aa. Een associatie waaraan de projecties van kosmische verschijnselen op de achtergrond bijdragen.

Anderen zingen ook verdienstelijk, al gaat meerstemming zingen wel goed fout in een Mozart-duet over verlangen. Misschien een kwestie van elkaar niet goed kunnen horen, maar we zijn in het Muziekgebouw en ook al is alles elektrisch versterkt ben je als zanger tegenwoordig zo afhankelijk van techniek dat er vals wordt gezongen als er even een monitorluidspreker niet goed staat afgesteld?

Misschien was het Muziekgebouw aan ’t IJ voor Metamorfose van een woonkamer en The Bacchae niet de ideale plek. Misschien zouden beide beter af zijn in een vlakkevloer-theater zoals Frascati. Maar in het Holland Festival van vorig jaar stonden The Whale en Kein Licht hier wel prachtig, voorstellingen met nog veel meer podiumtechniek, en twee van de mooiste voorstellingen van het jaar.

Elli Papakonstantinou: ‘Als regisseur volg ik de golven van tekst, livemuziek, videokunst en dans op zoek naar een nieuwe uitvoerende taal. Dit stuk ligt op het kruispunt van deze stromen: queer is een nieuwe esthetiek. Het is een popstuk met klassieke opera-uitbarstingen, een dansstuk met vastigheid in het hart een filmisch concert: het is een Griekse tragedie in de metaverse.’


Maar nee, net als bij Metamorfose van een woonkamer, waarover makers Toshiki Okada en Dai Fujikura in vergelijkbare termen spraken, moet ik concluderen dat goede bedoelingen niet genoeg zijn.

Jammer is dat dit mijn laatste voorstelling dit jaar in het Holland Festival was. Binnenkort hopelijk optimistische verslagen van het in National Arts Festival in Makhanda/Grahamstown, Zuid-Afrika

The Bacchae, gezien 11 juni 2023, door het ODC ensemble, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam Concept en regie Elli Papakonstantinou  regie Elli Papakonstantinou  muziek Ariah Lester performers Vasilis Boutsikos Georgios Iatrou Hara Kotsali  Ariah Lester Lito Messini Aris Papadopoulos  technische leiding Lambros Pigounis

Foto’s: Alex Kat en Wikipedia.

Lievig naïef, ja. Nieuw? Nee. Metamorfose van een woonkamer van Toshiki Okada en Dai Fujikura

Tekst: Neil van der Linden

‘Om een nieuw soort muziektheater te ontwikkelen sla ik de handen ineen met Dai Fujikura, een flexibele en avontuurlijke componist. We kijken hoe ver we kunnen gaan.’ Aldus regisseur en librettist Toshiki Okada.

‘Ik heb tot nu toe drie opera’s geschreven maar dit is de eerste keer dat ik een muziektheaterstuk schrijf. Sterker nog ik weet niet eens of er al zoiets bestaat in de wereld.’ Dat schreef componist Dai Fujikura.

Dat is nogal wat. En als het resultaat op bescheiden manier een beetje die kant uit neigt, kunnen we zulke overmoed in taal vergeten. Maar met alle respect, wat we zagen bestaat al, en wel al heel lang. Ik zag matig bewegingstheater dat ongetwijfeld veel knappe lichaamscontrole zoals van Japanse vechtsporten vergt, gezien de ingewikkelde poses die de acteurs al sprekend innemen.

Maar het deed ook erg denken aan ‘experimenteel theater’ van de jaren tachtig. En afgezien van de instrumentale perfectie die het Weense muziekensemble Klangforum aan de dag legt, voegde de uit ijle klankblokken bestaande muziek ook niets nieuws toe. Echt, je kunt in alle programmaboeken en overige toelichtingen eindeloos schrijven dat deze samenwerking allemaal nieuw is, maar daar wordt het niet nieuwer van.

Net als in Angela van Susanne Kennedy, dat ik de dag ervoor zag, zien we in Metamorfose van een woonkamer een dysfunctioneel huishouden. Een soort familie leeft op een afgelegen plek. Een agressieve landeigenaar heeft andere plannen met de idyllische locatie, maar de familieleden denken op basis van hun huurcontract dat ze daar veilig zijn. Schijnveilig, blijkt.

Iemand heeft de voordeur open laten staan. Net als in Susanne Kennedy’s Angela (en in The Bacchae dat ik gisteren zag, recensie volgt) verschijnt er een mysterieuze indringer waarna alles steeds verder ontregeld raakt.

Het gegeven is al bijna zo oud als de wereld. Het is het gegeven waarmee Pinter wondertheater maakte en Susanne Kennedy deed dat ook. Hier is dat anders. Eerst boeit de vreemdeling, een faun met zwarte schubben, die vaal afsteken bij de nette burgerlijke kleding en interieur in de woning. Een ‘edele wilde’ maar getransformeerd naar een apocalyptische status? Best interessant, en ja, men koos niet voor overdonderende videobeelden zoals Susanne Kennedy die gebruikte.

De acteurs spreken hun tamelijk triviale teksten toonloos uit, wat misschien moet aantonen dat de personages niet goed beseffen wat op hen afkomt. Intussen maken ze daarbij steeds complexere, wellicht aan klassieke Japanse theatertechnieken of vechtsporten ontleende hoekige bewegingen. Maar het is allemaal ook wel gedoe en zeg gerust saai.

Minder introvert, maar toch ook naar saai neigend is de muziek. Klangforum speelt natuurlijk op hoog niveau, en Fujikuras ijle klankflarden klinken bij tijden evocatief. Maar het is niet genoeg.

‘Beetje bij beetje smelten de muziek en de scenische handelingen samen, waardoor een geheel nieuwe ervaring ontstaat,’ zeggen de makers. Als bedoeld is dat de musici meekijken met de handelingen van de acteurs en dat de acteurs af en toe vlak achter de musici komen bewegen klopt dat een beetje, maar een geheel nieuwe ervaring is dat niet.

‘I am already eagerly looking forward to seeing what kind of chemical reaction will occur in the performance with the actors and musicians,’ zei componist Dai Fujikura. Lievig, maar naïef. Je kunt je afvragen of de makers zelf voldoende besef hebben van de theatergeschiedenis. Denk eens aan Life with an Idiot van Alfred Schnittke met Ilya Kabakov, mensen!

Weer valt overigens op dat de belangstelling voor het Holland Festival op het oude niveaus is: zaal zit vol (wel een speciaal gebouwde tribune met minder zitplaatsen dan normaal in de grote zaal van het Muziekgebouw), op dezelfde avond stond Laurie Anderson in een uitverkocht Carré, de (fantastische) openingsvoorstelling in het Amsterdam Theater was ook tijdens de tweede avond uitverkocht en Exotica eergisteren ook al.

https://www.hollandfestival.nl/nl/ribingurumu-no-metamorufuoshisu

Tekst en regie Toshiki Okada

Muziek Dai Fujikura, uitgevoerd door Klangforum Wien

Fotos Nurith-Wagner-Strauss

Gezien 8 juni in het Muziekgebouw

Voor een euforische ‘totaalervaring’ moet je bij Euphoria in het Holland Festival zijn.

Tekst: Neil van der Linden

Zo achterhaald als donderdag de muziektheaterproductie Metamorfose van een woonkamer (recensie volgt nog) en zo gemakzuchtig als de dansvoorstelling Exotica de dag ervoor overkwamen, zo vernieuwend en inventief is Euphoria, de nieuwe video-installatie van Julien Rosefeldt. Het is zo’n kunstevenement of bijna ‘totaalervaring’ waarbij je je gezegend voelt om die te hebben meebeleefd.

In Rosefeldts vorige video-installatie Manifesto, die ook in het Holland Festival te zien was en later ook als bioscoopfilm werd uitgebracht, zagen we Cate Blanchett in allerlei metamorfosen. Als lerares in een gemengde school in een gegoede buurt in Londen, machineoperateur in een vuilverwerkingsbedrijf in Berlijn die iedere ochtend voor dag en dauw op moet, een dakloze in Berlijn.

Maar ook als een spreker bij een begrafenis binnen een deftige familie waarin we haar beroemde manifesten uit de kunstgeschiedenis en de sociale geschiedenis, van Marx via Malevich tot Marinetti, zien debiteren in de stijl van de dagelijkse werk- of woonomgeving  van het personage.

Ze leest het manifest van Dada als begrafenistoespraak en als de lerares Jim Jarmusch Golden Rules of Filmmaking, Lars von Triers en Thomas Vinterbergs Dogme 95-verklaring en Werner Herzogs Minnesota Declaration (1999). Kijk maar eens hoe ze Tristan Tzara’s befaamde Dada-manifest uitspreekt alsof ze bij die begrafenis over de overledenen praat.

in Manifesto was alleen Blanchett aan het woord, nu past Rosefeldt een vergelijkbaar principe toe, waarbij hij teksten laat uitspreken alsof het spontane discussies betreft, met behulp van een groot aantal verschillende acteurs die de teksten uitspreken.

De teksten komen van (rap-ster) Cardi B tot Rutger Bregman, van Dostojewski tot Houellebecq (dat is niet eens zo ver), van T.S. Eliot tot Fanon, van Machiavelli tot Marx en tot Mann, en van Plato, Vespasianus, Shakespeare en Ayn Rand, en dat allemaal volkomen realistisch gefilmd.

Op een groot centraal scherm midden achterin in de hal zien we acteurs daklozen spelen die zich bij een open vuur en met behulp van slechte sterke drank warm proberen te houden in de winterse kou. Terwijl ze alsof ze het een onderlinge discussie betreft flarden tekst uitspreken wat klinkt als jaarverslagen van bedrijven en persoonlijke beslommeringen van CEOs die het financieel gemaakt hebben. Alsook citaten van ultra-liberale auteurs over het kapitalisme als motor van de publieke welvaart en de zegeningen van materiele hebzucht (Ayn Rand en Cardi B).

We zien vrouwelijke lopend band-werkers in een gigantische distributiehal van een Amazon-achtig bedrijf ook weer als het ware onderling discussiëren aan de hand van teksten over onderdrukking van vrouwen, moderne slavernij in een Westerse context en kolonialisme (Franz Fanon).

In een enorm vroeg-twintigste-eeuws bankgebouw (New York, Boston) spreken klanten en medewerkers de teksten uit over de werking van geld terwijl er steeds meer stapels bankbiljetten worden rond gesmeten en de acteurs zelf ook alle kanten opvliegen in de ruimte.

Er is één optimistische ‘De meeste mensen deugen’-scene met een groep jongeren die een samenscholingsplek hebben in een vervallen busstation en discussiëren over het natuurlijke goede in de mens (in letterlijke teksten van Bregman?).

Zijn het dakloze jongeren? Vermoedelijk niet, Rosefeldt laat ze nu heel netjes Engels spreken en de jongeren zien er goedverzorgd uit. Wel is op gegeven moment het drinkwater op. Maar aan het eind van de scene gaan ze ieder huns weegs, waarschijnlijk gewoon naar huis. De maatschappelijke betrokkenheid van deze als middenklasse ogende jongeren kost ze misschien ook niet zoveel, lijkt de scene te willen zeggen.

En er is de taxichauffeur (Giancarlo Esposito) die in nachtelijk New York een tegenover een zwijgende klant een aangrijpende monoloog van minstens twintig minuten ophoudt over de betekenis van liefde terwijl we in steeds duisterder delen van New York terechtkomen en we voorbij protestdemonstratie, straatgevechten en begrafenisstoeten rijden.

Het onderwerp is de vraag waarom kapitalisme zo aantrekkelijk blijft ondanks zijn verwoestende werking die we om ons heen zien, en de vraag of er oplossingen zijn. Dat is allemaal zware kost, maar net als in Manifesto krijgt alles dankzij de bijzondere manieren van vervreemding ook een lucide kant, vaak geestig en vaak ook ontroerend.

Cate Blanchetts stem is te horen als pratende en zingende tijger, die in een apocalyptisch beeld door de gigantische lege supermarkt loopt en af en toe snuffelt aan etenswaren die uit de eindeloze rijen schappen vallen.

De muziek is van de Canadese componist Samy Moussa, geschreven voor een koor van 140 kinderen en vijf percussionisten (waaronder de befaamde jazz-percussionist Peter Erskine). De kinderen zie je op een cirkel van rondom het publiek opgestelde videoschermen en de percussionisten op vijf grote daarboven gemonteerde aparte schermen.

Telkens tegen het einde van de afzonderlijke verhalen vallen of de kinderen of de percussionisten in en voeren om en om passages uit de muziek uit. Die is een zegening vergeleken met de (veelal Britse) steriele kitsch van veel tegenwoordige koormuziek. Terwijl de kinderen de prachtigste, vaak ook uitermate complexe harmonieën zingen.

Luister maar eens naar het begin van deze clip:

Euphoria staat opgesteld in een enorme hal van het Amsterdamse Markthallen-complex. De locatie is een waardig alternatief voor de gashouder op het Westergasterrein waar Manifesto werd vertoond. Grote delen van de rest van het complex zijn overigens al deels of geheel gesloopt, wat dan wel weer bijdraagt aan de sfeer van het kunstwerk. De locatiemanagers van het Holland Festival verdienen ook lof.

Het aantal bij Euphoria betrokken personen heeft Hollywoodse proporties. Bij de ingang van de hal hangen enorme lijsten van de medewerkers. Alsof we een recente blockbuster zijn gaan zien.

Nogmaals de trailer

Julian Rosefeldt zelf over Euphoria

Julian Rosefeldt over Manifesto

Manifesto in de bioscoopfilm-versie compleet. Cate Blanchetts lerares-scene begint bij 1:21:24

Julian Rosefeldt

Gezien 10 juni Amsterdam.

Foto’s: © Julian Rosefeldt.



Angela: het nu volgende verhaal is echt, maar ook een projectie. Niet meer. En ook niet minder.

Tekst: Neil van der Linden


Ixchel Mendoza Hernández en het pluche ‘beertje’ ofwel poolvosje of poolhondje


Tijdens de voorstelling moest ik even denken aan de moedergiraffe in dierentuin Emmen die stierf tijdens de bevalling van haar jong. Het kalf was al dood doordat het verkeerd lag. Daarna stierf ook de moeder.

Geboorte, dood, liefde, verloren liefde, gebrek aan liefde, moeder en kind, daar gaat deze voorstelling over. Daar gaat veel kunst over. En toch is het goed te benoemen dat ook deze voorstelling daar bij uitstek over gaat.

Angela speelt zich af in een aanvankelijk somber betonnen interieur met achterin een strak-moderne open keuken. Zes personages. Aan het begin zien we de Angela uit de titel, een jonge vrouw, alleen, nors kijkend, zittend aan een tafel.

Op een matras in een hoek ligt een pluche speelgoeddiertje dat op een poolvosje of poolhondje lijkt, maar later door Angela’s moeder telkens bijna dwingend als beertje zal worden aangeduid, Angela’s speelgoedbeertje.

Een op het speelgoeddiertje gelijkend poolvosje of poolhondje zien we vervolgens op een videoscherm in een animatiefilm. Het kan spreken en richt zich tot het publiek. En zal samen met een later te verschijnen buitenaardse boodschapster  rationeler blijken te zijn dan wat de mensenpersonages op het toneel vervolgens tegen elkaar zullen zeggen.

Een jongen komt een paar keer binnen, die blijkbaar haar vriend is. Maar hij komt ook geregeld binnen met een andere jonge vrouw die weinig affiniteit met Angela heeft, maar die af en toe wel haar afschuw uitspreekt over Angela. En er is Angela’s moeder die evenmin veel affectie tegenover Angela aan de dag legt, maar zich wel voortdurend met haar bemoeit.

Angela blijkt sinds haar jeugd een neurotische aandoening te hebben waarvan ze als influencer op Instagram of TikTok verslag doet. Ze lijkt via het telefoonscherm tegenover haar volgers meer affectie kwijt te kunnen dan in haar fysieke werkelijkheid en debiteert zelfs levenswijsheden die ze nauwelijks kan hebben opgepikt uit haar benauwende dagelijkse omgeving. Een hoogbegaafd geestelijk instabiel oud kind binnen een kluwen van verstikkende psychologische verhoudingen. En terwijl iedereen het over de ziekte van Angela heeft lijkt de moeder te willen bewijzen dat ze nog zieker is.

Langzamerhand begint het decor te veranderen. Een soort zijkamers aan de rechter- en linkerkant en de hele open keuken in het midden blijken haarscherpe filmprojecties te zijn die langzamerhand veranderen, eerst in andere interieurs, met kamerplanten en open haard, tot de haardblokken beginnen te zweven, en we sombere straten, via bosbranden en zonnevlammen zijn.

De benauwende omgeving uit het begin biedt uitzicht op een wijds maar evenzeer bedreigend heelal. We zien video-‘loops’, die bewust zichtbaar niet naadloos aan elkaar zijn gelast. Het ‘a strange loop’ uit de titel wordt op deze deze manier ook een klein beetje gereflecteerd in de techniek van de videomontage.

Zo weinig empathie als de personages onderling aan de dag leggen, zo weinig empathie lijken ze in hun norse onderlinge gedrag van ons, toeschouwers te vragen.  Alleen wordt Angela op gegeven moment wel heel erg ziek, en baart ze, via haar mond, een baby. Waarmee de moeder meteen aan de haal gaat.

Dat Angela zich tegenover haar influencers wel kan uiten zoals tegenover niemand in haar echte omgeving kan een metafoor zijn voor kunstenaarschap. Maar zou de voorstelling ook een metafoor zijn voor de zwaarte – voor een moeder – van het echte fysieke baringsproces?

Bevallen is één van de ongeveer de ‘normaalste’ gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid (en natuurlijk  van een groot deel van het dierenrijk in het algemeen). Tegelijkertijd is het ook telkens één van de bijzonderste gebeurtenissen, waarbij fysiek dingen komen kijken waarvan een niet-moeder en zeker een man zich nauwelijks een voorstelling kan maken. Hoeveel liefhebbende familieleden je ook om je heen zou hebben, en hoezeer de diep in de biologie verankerde moederlijke oer- -reflexen en -instincten het proces meestal vanzelf de goede kant op sturen.

De videobeelden van foetussen en baby’s tegen de achterwand geven ook aanleiding tot interpretaties in deze richting. En ja, de ‘normale’ geboortes zijn tegelijkertijd toch telkens weer een wonderbaarlijke ‘loop’. En in wat volgt op de geboorte, het opvoedingsproces, kan alles evengoed vanzelf goed gaan, maar het kan ook fout gaan, nog meer ‘strange loops’.

In de voorstelling kan hoop worden geput uit het resterende personage, de van buiten de aarde afkomstig lijkende boodschapster, gespeeld door violiste Diamanda La Berge Dramm. Ze oogt als een cherubijn, en met een soort babydoll aan ook op een grootformaat klein kind, en met haar viool ook op een Orpheus in kindje-Jezus gedaante, die de wereld mooier maakt met muziek, en die samen met het pratend poolvosje op het videoscherm een Messiaanse duiding weet te geven aan het alles wat wij zien.

‘Dit verhaal is gisteren gebeurd, maar ik weet dat het morgen is’, zeggen ze. Aan het begin van de voorstelling hadden we al een tekst in het toneelbeeld geprojecteerd gezien, alsof het geschilderd was: ‘Het nu volgende verhaal is echt.’ Maar voor het moment is het gelukkig ook maar even echt als de projectie. Niet meer. En ook niet minder.

Gezien 7 juni, ITA, Holland Festival.

concept Susanne Kennedy, Markus Selg
tekst en regie Susanne Kennedy
decor Markus Selg
performers: Diamanda La Berge Dramm, Ixchel Mendoza Hernández, Kate Strong, Tarren Johnson Dominic Santia

Soundtrack Diamanda La Berge Dramm, Richard Alexander
live muziek Diamanda La Berge Dramm
video design Rodrik Biersteker, Markus Selg

Foto’s © Julian Röder



Izabela Matula schittert als La Wally

Tekst: Peter Franken

An Avalanche in the Alps, Phillip James De Loutherbourg, 1803, Uit de collectie van: Tate Britain

Alfredo Catalani (1854-1893) schreef vijf opera’s waarvan alleen La Wally uit 1892 enige bekendheid geniet bij het grote publiek. Het werk stamt uit dezelfde periode als Mascagni’s Cavalleria Rusticana (1890) maar is minder uitgesproken veristisch. La Wally markeert als het ware de overgang van romantiek naar verisme.

Het personage Wally doet in bepaalde scènes denken aan een licht hysterische wanhopige Santuzza maar gedraagt zich op andere momenten zo onbehouwen dat een vergelijking met een hybride van Turiddu en Alfio meer op zijn plaats is. Ze is dan ook geen arm dorpsmeisje maar na de dood van haar vader een grootgrondbezitter en de rijkste vrouw van het dorp.

Het verhaal is nauwelijks relevant, een vrijgevochten meisje dat niet wil trouwen met de man uit het dorp Hochstoff die haar vader voor haar heeft bepaald, een andere man uit het naburige Sölden (Hagenbach) die haar voorkeur heeft, de afgewezen huwelijkskandidaat Gellner), een uitdagende concurrente in de liefde en verder ruzie, wraak en moord. Het einde komt als Hagenbach door een lawine een ravijn in wordt gestort waarna Wally hem volgt in de dood.

In 2021 was er in Wenen een nieuwe productie van Catalani’s beroemde opera te zien in de regie van Barbora Horákova Joly. De Poolse sopraan Izabela Matula schittert in de titelrol op de opname die zeer recent door Unitel op dvd is uitgebracht.

Eva-Maria van Acker was verantwoordelijk voor decor en kostumering. Ze laat de handeling zich afspelen op een betrekkelijk kaal toneel met wat rotsblokken om de suggestie van een berglandschap te wekken. Tijdens bepaalde scènes zijn er wat rekwisieten zoals een tafel met glazen, een paar stoelen, eenvoudige feestversiering.

De laatste twee aktes spelen zich af in een stellage van meerdere verdiepingen die grote hoogteverschillen suggereren, een berg en een ravijn. De kostuums zijn in overeenstemming met de Tiroler omgeving zonder dat sprake is van etnografische flauwekul.

Alastair Miles is voorbeeldig als de onsympathieke vader van Wally die haar ter plekke aan Gellner wil uithuwelijken nadat hij door Hagenbach is vernederd. Dat zijn dochter op diezelfde Hagenbach verliefd is, deert hem niet. Haar wel natuurlijk en ze neemt de benen. Na zijn dood keert ze terug in het dorp, nu rijk en machtig en daar maakt ze gemakkelijk misbruik van. Het is een vrouw met een sterk karakter en de nodige onprettige kanten.

Voor zo’n rol moet je geen tengere kwetsbaar ogende sopraan inzetten en in dat opzicht is Matula een ideale keuze. Ze is een betrekkelijk forse vrouw die tevens heel aantrekkelijk is. Acterend weet ze alle details in Wally’s grillige gedrag goed uit te spelen. Stimmlich is ze volstrekt ideaal voor deze partij. De bekende aria ‘Ebben? ne andrò lontana’ krijgt een prachtige vertolking en ook de monologen in de laatste twee aktes zijn van hoog niveau.

De onfortuinlijke Gellner komt voor rekening van Jacques Imbrailo, een wat ondankbare rol waar hij goed raad mee weet al vind ik hem acterend soms wat pathetisch. Zijn concurrent in de liefde Hagenbach is in goede handen bij Leonardo Capalbo, een uitstekende tenor, ik zag hem eerder al eens als Don Carlo in Antwerpen. Daarmee is de klassieke liefdesdriehoek  uitstekend bezet.

Door het stuk heen loopt het jongetje Walter dat zich welhaast fysiek aan Wally heeft gehecht. Vermoedelijk is hij een weeskind die in haar een grote zelfbewuste zus ziet. Walter is altijd vrolijk en zelfs als de wereld voor Wally lijkt in te storten nog steeds het toppunt van optimisme. Deze bijrol krijgt gestalte in de persoon van Ilona Revolskaya. De grote aria aan het begin, Wally’s lied, wordt door haar met verve gebracht. De overige rollen zijn adequaat bezet.

Het Arnold Schönberg Koor en de Wiener Symphoniker staan onder leiding van Andrés Orozco-Estrada.

Trailer:



Productie foto’s: © Herwig Prammer

Vier danshelden, maar dat is net niet genoeg voor een echt goede voorstelling

Tekst: Neil van der Linden

Ons in het publiek wordt gevraagd ieder een voorouder in gedachten te nemen. De vier dansers doen dat ook, in drie gevallen een historische geestverwant, in het geval van choreografe Amanda Piña ook een echte bloedverwant. Het zijn elk van oorsprong niet-Westerse pioniers in de dans, die echter grotendeels zijn vergeten.

Nyota Inyoka (1896-1971) werd geboren in Pondicherry, een Franse kolonie in India, en groeide op in Parijs, dochter van een Franse moeder en een Indiase vader, hoewel ze soms werd aangekondigd als ‘Egyptisch’, ‘Perzisch’ en ‘Cambodjaans’.

François “Féral” Benga (1906–1957) was het onwettige kleinkind van een rijke onroerend goed eigenaar uit Dakar, Senegal, en werd onterfd vanwege zijn homoseksualiteit. Hij werd een ster in de Folies Bergère en was lid van de Ballets Noirs met Josephine Baker. Hij speelde in Le sang d’un poète van Cocteau en nadat hij New York trok werd hij een veelgevraagd model tijdens de Harlem Renaissance Afro-Amerikaanse beweging, toen onder meer fotograaf Carl Van Vechten hem als rolmodel vastlegde.

Leyla Bedir Khan werd geboren in Istanbul als dochter van Abdürrezzak Bedir Khan uit een Koerdisch-Ottomaanse adellijke familie en Henriette Ornik, een Oostenrijks-Joodse tandarts. Haar geboortejaar was waarschijnlijk 1903, al zei ze zelf 1908, ook al zat haar vader tussen 1906 en 1910 in een gevangenis in Libië. Toen het het Ottomaanse rijk uiteen viel vestigde haar familie zich in Egypte.

Na de dood van haar vader ging ze met haar moeder naar Wenen, waar Leyla haar eerste danslessen volgde. Vervolgens trok ze naar Parijs om Indiase en Perzische cultuur onder meer Zoroastrische cultuur te bestuderen. Ze trad op in operahuizen in Europa en de Verenigde Staten. Over haar choreografieën zei ze dat ze de die eigenlijk niet echt leerde. Ze improviseerde.

In het geval Clemencia Piña ‘La Sarabia’ (1878-1988) was een oudtante van de Mexicaans-Chileense en via een grootvader ook nog Libanese Amanda Piña. ‘La Sarabia’ werd door haar moeder meegenomen naar Mexico en had een succesvolle loopbaan in Europa, in Parijs en ook ooit voor de Russische tsaar. Ze gebruikte een breed amalgaam van invloeden, Mexicaans, flamenco, Braziliaans.

Exotisme is een kernwoord, zo vertelt Amanda Piña aan het begin van de voorstelling. Danspioniers die de Westerse dans beïnvloedden met niet-Westerse danselemementen. Maar die ook in het harnas van exotisme vast kwam te zitten.

‘Feral’ in de artiestennaam van Francois ‘Feral’ Benga betekent zoiets als ‘wild’, zoals bij een zwerfkat, en dat is in veel opzichten een racistisch clichébeeld, ook al wilde Benga daar blijkens die bijnaam wel aan voldoen. En de choreografie die Benga in Parijs eind jaren dertig zelf maakte werd afgedaan als niet Afrikaans genoeg. Als fotomodel in New York was hij vooral een black queer sekssymbool.

Ook Leyla Bedir Khan kwam vast te zitten in exotisme en dat gold voor alle anderen ook. En ook Bedir Khan gold in haar tijd als exotische queer sekssymbool. In elk geval zijn al deze pioniers inderdaad grotendeels vergeten, en zeker om wat ze voor de dans hebben betekend.

De voorstelling speelt zich af in een replica van een decor van de Franse fin de siècle-opera- en musical-scenograaf Albert Dubosq (1863-1940), die vooral in Brussel maar trouwens ook in Nederland werkte. Het beeldt een tropisch landschap uit, en is daarmee een eerbetoon aan een grootheid in de stad waar deze voorstelling vrijwel meteen na de première vandaan komt, Brussel, en het is ook een verwijzing naar het geldende exotisme van indertijd. Geluiden van vogels versterken de exotistische sfeer.

Jammer is dat het allemaal toch niet echt tot leven komt. De voorstelling blijft sterk hangen op afzonderlijke scenes rond de verschillende personages, die al snel verworden tot afzonderlijke sketches. Natuurlijk moeten we eerbiedig zijn tegenover die helden. Maar dat is niet genoeg om een voorstelling te dragen, hoe sympathiek alles ook is.

Wat evenmin helpt is dat de muziek, ondanks de verschillende muzikale stijlen, West-Afrikaans, Spaans, Braziliaans, Caraïbisch, maar ook hiphop en reggaeton (moderne op reggae gebaseerde dancemuziek) en ondanks citaten uit originele vintage geluidsopnamen, grotendeels vanwege eenzelfde soort elektronische klank nogal eenvormig en ook kil klinkt.

En ook al is de Belgisch-Congolese André Bared Kabangu Bakambay een uitstekende breakdancer, breakdance staat al in alle soorten en maten op het podium en het maakt de voorstelling er niet per se actueler op.

Ook dat nadrukkelijk wordt gemeld dat twee van de vier vereerde helden queer zijn is niet voldoende, al komen we wel interessante wetenswaardigheden te weten. Bijvoorbeeld dat in de tijd van de Folies Bergère personen van Afrikaanse komaf lukraak op grond van hun exotisch uiterlijk werden aangenomen, maar dat dat zowel in het geval van François Benga  als van Josephine Baker goed uitpakte.

Maar dus o wee als je je dan niet exotisch genoeg gedroeg, wat bleek toen wat Benga’s Parijse zijn magnum opus had moeten worden volgens de publieke opinie niet Afrikaans genoeg was. (Josephine Baker lukte het zich daaraan te onttrekken, ongetwijfeld door haar enorm sterke persoonlijkheid, maar ook door haar heldenmoed in de tweede wereldoorlog en haar sociale opstelling daarna.)

Gezien Exótica van Amanda Piña, 6 juni, ITA, AmsterdamHerhaling 7 juni.

Foto’s Exotica Tammo Walter

Over lijken gaan. Simon McBurneys prachtige volksvertelling en eco-thriller als opening van het Holland Festival

Tekst: Neil van der Linden

Wat een prachtige voorstelling. Een lyrisch volksvertelling-achtig verhaal vermengd met een eco-thriller. Aanvankelijk heb je niet door waar het verhaal zich afspeelt. Ergens tussen Engeland en Schotland of tussen Ulster en de Ierse Republiek misschien? William Blake wordt voortdurend geciteerd, een katholieke priester is prominent aanwezig (en speelt een bedenkelijke rol) en op gegeven moment wordt gezegd dat Engelsen niet erg geliefd zijn in het gebied waar het verhaal zich afspeelt.

Maar dan hoor je dat degene die het grootste deel van het verhaal vertelt Janina heet, niet echt een Engelse naam, en vervolgens dat haar achternaam Duszejko is, en dat ze, oorspronkelijk afkomstig uit Warschau, lerares Engels is in een afgelegen streek van Polen aan de Tsjechische grens.

Ze vertelt dat ze ooit brugbouwkundig ingenieur was en overal ter wereld werkte, tot in Libië en Syrië  toe. Niet echt de fijnste landen zou je zeggen, maar dat waren landen waarmee communistisch Polen waarschijnlijk goede relaties had, en ze dacht daar wel iets goeds voor de bevolking te doen.

Na een ongeluk of ziekte is ze omgeschoold tot schoollerares Engels. In het dorpje waar ze nu woont heeft ze maar beperkt contact met dorpsgenoten, waarvan sommige nogal zonderling zijn, maar zij is dat niet minder.

Een teruggetrokken levende buurman met een aangeboren spraakgebrek, een entomoloog die onderzoek doet naar een zeldzame kever en zelfs min of meer een romantische relatie met haar krijgt. Dr Ali, een immigrant die vroeger arts was bij nomadische stammen in de Sahara; een voormalige schoolleerling, die van haar de passie voor Blake heeft overgenomen en nu nog veel fanatieker over hem is dan Janina, een meisje uit de buurt, enz.

Ze vinden elkaar ieder op zijn/haar manier in het verzet tegen sinistere plannen om het dorp te ontvolken en er een steengroeve van te maken. De boosdoeners zijn lid van een ‘jachtclub’ en spannen onder leiding van een paar gewetenloze zakenlieden samen met de dorpspriester, het hoofd van de politie en de directeur van de school.

Janina Duszejko komt daar achter als haar twee dierbare honden worden doodgeschoten bij een jachtpartij. Aangeslagen door de dood van haar ‘dochters’, zoals ze de honden noemt en onderhand anti-jacht en verklaard vegetariër, gaat ze op onderzoek uit. Vervolgens komen steeds meer leden van de criminele kongsi op mysterieuze wijze om het leven.

Janina, die ook overtuigd astrologe is, kan alles verklaren vanuit de sterren en wijt de moorden ook aan de dieren in het bos die wraak nemen omdat op de plek van de moorden afdrukken van hertenhoefjes worden gevonden en omdat één van de leden van het jachtgezelschap wordt gevangen in een strik die voor dieren was gezet.

Janina wordt bijgestaan door haar club van getrouwen, die steeds meer echte vrienden worden. Wat wij als publiek lange tijd niet weten, maar wel geleidelijk aan kunnen gaan vermoeden is dat (spoiler alert!) Janina zelf de moorden in touw zet; al dan niet bewust, zozeer is ze aangegrepen door de dood van haar twee honden.

En ja, als dit alles aan het licht komt zijn al haar nieuwe vrienden zo met haar begaan dat ze haar uiteindelijk over de grens in veiligheid brengen in een diep woud, waar ze misschien nog lang en gelukkig zouden leven. Daar heb je vrienden voor.

Dit alles wordt in vliegende vaart en toch in een voorstelling van inclusief pauze maar liefst drie uur en twintig minuten ijzersterk neergezet in Drive Your Plow Over the Bones of the Dead, de openingsvoorstelling van het Holland Festival van dit jaar.

Olga Tokarczuk

Het personage Janina Duszejko is gebaseerd op de hoofdpersoon in de roman van de Poolse auteur en Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, in het Nederlands vertaald als Jaag je ploeg over de botten van de doden, natuurlijk ook naar een dichtregel van Blake

De gigantische rol van Janina Duszejko, die bijna de hele tijd aan het woord is werd vertolkt door Amanda Hadingue, een prestatie van reuzenproporties, ook, omdat zij zich met schijnbaar gemak door de lappen tekst heen werkt en daarbij geheel naturel overkomt.

Samen met haar stuk voor stuk ook fenomenale medespelers van het ensemble weet ze je binnen de kortste keren mee nemen in het verhaal en je je te laten verplaatsen naar waar Drive Your Plow Over the Bones of the Dead zich afspeelt. En ja, tot en met het einde kies je voor Janina, tsja, inderdaad inclusief de moorden, want het is een ook wel erg boze wereld waartegen ze zich verzet, waarin ook de overheid en de clerus over lijken gaan, dierenlijken weliswaar, maar waarin ze uiteindelijk ook het wel en wee van de bewoners en de hele wereld aan hun laars lappen.

Simon McBurney staat bekend om zijn innovatieve gebruik van technologie op het toneel (The Encounter, ook met zijn eigen gezelschap Complicité, Holland Festival 2016) en die Zauberflöte (De Nederlandse Opera 2018, terug komende december).

Die technologie is nadrukkelijk én onnadrukkelijk aanwezig in Drive Your Plow Over the Bones of the Dead. Naast Amanda Hadingue zien we af en toe de overige acteurs en verder een groot deel van de tijd bijna zwart decor. Maar op cruciale momenten zien we lichtflitsen, filmprojecties van het dorpscafé, schaduwen van sinistere personages en de sterrenhemel inclusief de astrologische versies daarvan waarin Janina wijsheid zoekt.

De muziek en overige geluiden zijn precies zo gedoseerd. Een voorstelling die op je netvlies achterblijft, zoals de plotselinge visuele effecten maar vooral het zo moedige, maar tragische personage Janina Duszejko.

Naar de roman van Olga Tokarczuk.

Regie Simon Mc Burney

Met Amanda Hadingue, Thomas Arnold, Johannes Flaschberger, Kathryn Hunter, Kiren Kebaili-Dwyer, Weronika Maria, Tim McMullan, César Sarachu, Sophie Steer, Alexander Uzoka, Tamzin Griffin  productie Complicité  coproductie Barbican London, Belgrade Theatre Coventry, Bristol Old Vic, Comédie de Genève, Holland Festival, les Théâtres de la Ville de Luxembourg, l’Odéon-Théâtre de l’Europe, The Lowry, The National Theatre of Iceland, Oxford Playhouse, Ruhrfestspiele Recklinghausen, Theatre Royal Plymouth.

Foto’s Mark Brenner, Camilla Adams en Łukasz Giza.

Gezien 3 juni 2023 Theater Amsterdam in het Holland Festival.

Rusalka goes to Hollywood



Tekst: Peter Franken

De essentie van Dvoraks opera zit hem in de overstap die een vrouw maakt naar een andere wereld omdat ze verliefd is geworden op een droombeeld in de vorm van een man. Of het nu een waternimf is die door middel van hekserij de gedaante van een vrouw kan aannemen of een meisje dat zich een ander uiterlijk laat aanmeten om mee te kunnen komen in een wereld van ‘hype and hoopla, glitter and be gay’ is feitelijk van ondergeschikt belang. In beide gevallen zullen er de nodige ongerijmdheden op de koop toe moeten worden genomen, het gaat om het basisidee.

Vanuit die gedachte heeft het regisseursduo Philipp Stölz & Philipp M. Krenn hun Rusalka de transformatie laten ondergaan van heroïnehoertje in droomprinses in het Hollywood van begin jaren ’50 toen de Hays Code nog krachtig werd gehandhaafd. Dus vooral onschuldig vermaak, mooie kostuums, zoete verhaaltjes en veel pasteltinten.

Het decor van Heike Vollmer en Philipp Stölz en de kostumering van Anne Winckler vormen de perfecte ondersteuning van dit concept en maken de nieuwe productie van Rusalka voor De Nationale Opera visueel een groot succes. En met een uitstekende bezetting van de hoofdrollen en een prachtig spelend KCO kon de premièreavond op 2 juni niet meer stuk.

Toneelbreed is een straat in Hell’s Kitchen te zien, lower westside New York. Naast elkaar een hal met live show cabines, een bioscoop waar de film ‘The Prince and the Mermaid’ draait, een kapsalon met in de kelder een ruimte voor plastisch chirurgische ingrepen en een hotel waar de kamers per uur worden verhuurd.

De Watergeest wordt opgevoerd als pooier van een paar hoeren (Nimfen) die hij hardhandig onder de duim houdt, niet zelf: hij heeft er twee handlangers voor. Ze hebben weinig kans veel van hun verdiende geld voor zichzelf te houden en dat wringt nogal met de vaderlijke tekst die hun beschermer debiteert.

Ook is het opvallend hoe gemakkelijk hij Rusalka laat gaan, dat zijn van die ongerijmdheden waarvan in de inleiding werd gesproken. Een rustig langslopende politieagent raapt een bankbiljet op dat ‘per ongeluk’ op de grond is beland: hear no evil, see no evil.

J

Jezibaba kijkt niet echt op van Rusalka’s wens om ‘verbouwd’ te worden: daarvoor komen ze bij mij. Het meisje loopt in een korte rok met kniekousen en draagt een bril. Slecht kapsel en slordig shirt doen de rest: ze ziet er uit als iemand die van de straat leeft. Uit de bioscoopvitrine heeft ze een afbeelding van de vrouwelijke ster gescheurd en houdt die voor haar lijf. Zo moet ze worden.

Dat lukt opvallend goed dankzij een zelfde jurk, borstvergroting en een ander kapsel. Ze oogt als Marilyn, vooral door die licht verdwaasde bijna trieste blik van de vrouw die verloren is in een wereld die eigenlijk de hare niet is.

Als later de Vreemde Prinses opduikt in de rol van tegenspeler van de Prins in zo’n film die Rusalka op dit spoor heeft gezet, ogen die twee vrouwen vrijwel identiek zij het dat Rusalka een blauwe jurk draagt en haar concurrente een roze. Daarmee is alles wel gezegd. Tegen die vamp kan ze niet op en dat is niet alleen een kwestie van niet kunnen spreken.

De filmster-prinses pakt haar tegenspeler volledig in en binnen de kortste keren heeft ze haar hand in zijn broek. Het gebeurt ‘off stage’ dus de Hays Code is niet van toepassing. Als ze hem omstandig zijn broek ziet dichtknopen weet Rusalka dat ze het pleit heeft verloren. Ze heeft hier niets te zoeken, moet zo snel mogelijk terug naar New York.

Daar aangekomen wordt ze niet door haar vroegere werkomgeving geaccepteerd. Ze is haar plaats kwijt en dat zal ze weten ook. In de bioscoop draait nu toepasselijk ‘The Mermaid returns’. De Watergeest wil zich wreken op diegenen die haar zo slecht hebben behandeld, weinig zelfreflectie maar vooruit.

Als de Koksjongen en de Jachtopziener arriveren op zoek naar Jezibaba worden ze neergemaaid. Binnen het reguliere geweld dat de omgeving nu eenmaal kenmerkt is dit het enige over the top moment. De Prins arriveert en na zijn ontmoeting met Rusalka verdwijnt hij in een zich openend filmdecor, zijn dood is tenminste mooi vormgegeven.

De filmscènes laten de nodige extra’s zien in badpak met verenpluim, een verwijzing naar een film als ‘The million dollar mermaid’ uit 1952 met Esther Williams. Het bal krijgt de vorm van een dansscène met matrozen waarin de prins als marineofficier participeert. Het deed me denken aan ‘On the town’ uit 1949, een film met onder meer Gene Kelly en Frank Sinatra.

De grote liefdesscène van Prins en Mermaid speelt zich af op een verhoging met een enorme schelp die zich over het liefdespaar sluit, schitterend cliché. Een Borgward Isabella Cabrio uit 1954 speelt in beide werelden een rol. Een Amerikaanse auto was hier een betere keuze geweest, moet toch niet zo moeilijk zijn. Het decorontwerp in het programmaboek laat er in elk geval eentje zien.

Johanni van Oostrum was fenomenaal in de titelrol, een geweldige vertolking van de gekwelde waternimf annex heroïnehoer die uiteindelijk tussen wal en schip terecht komt. Als Agathe in Der Freischütz vorig seizoen kreeg ze helaas weinig gelegenheid om haar vocale en theatrale mogelijkheden te etaleren maar hier is ze de ster van de avond, brava.

Annette Dasch is maar kort op de scène aanwezig maar weet niet in de laatste plaats door haar acteertalent tijdelijk het toneel in bezit te nemen. Goed gezongen en altijd geweldig om naar te kijken. Haar Elsa in Bayreuth staat in mijn geheugen gegrift en sindsdien ben ik een groot bewonderaar van ‘Die Dasch’.

De derde grote rol kwam voor rekening van Raehann Bryce-Davis. Ik zag haar eerder al eens als Eboli, gespeeld als een prinses met ‘maniertjes’. Hier acteerde ze tamelijk naturel en liet vooral haar volle diepe mezzo het werk doen. Ze completeerde het trio vrouwelijke hoofdrollen, een cast op zeldzaam hoog niveau met uitnemende zang.

Pavel Cernoch was een aantal jaren geleden als Laca de tegenspeler van Dasch in Jenufa en het is een genoegen hem weer in Amsterdam terug te zien. Geheel in Hollywood stijl zet hij acterend een leeghoofd neer, een omhoog gevallen acteur die het volledig van zijn uiterlijk moet hebben. Het is vergelijkbaar met een prins, iemand die is geboren met een zilveren lepel in zijn mond.

Maxim Kuzmin-Karavaev was een prima Watergeest,  Erik Slik een leuke Jachtopziener en tenslotte Georgiy Derbas-Richter als een adequate Jager.

Geslaagd optreden ook van de dames in de kleinere rollen: Karin Strobos als de Koksjongen, Inna Demenkova, Elenora Hu en Maya Gour als Nimfen. Een grote groep dansende figuranten was afkomstig van het gezelschap Lucia Marthas Institute for Performing Arts. Het koor van DNO was kort te horen in de tweede akte.

Traditioneel zit het KCO in de bak tijdens het Holland Festival en soms vind ik dat een beetje overdreven, alsof je een solist in het koor laat zingen. Deze keer pakte het zeer gelukkig uit. Rusalka is bijna een symfonie met zang en daarin had een toporkest als het KCO volstrekte meerwaarde.

Dirigent Joana Mallwitz ontlokte een weelderige klank aan het orkest met veel aandacht voor dramatische accenten en crescendi. Soms liet ze het orkest fluisteren of werd veel ruimte gemaakt voor fraaie instrumentele soli, dan weer zwol het volume aan en golfde het geluid over de rand van de bak. Maar nergens was het teveel, de solisten hoefden op geen enkele ogenblik te forceren om boven het orkest uit te komen.

Nog geen week geleden zat ik in Düsseldorf me te verbazen over het gebrek aan subtiliteit: orkest, koor en solisten die permanent op orkaankracht musiceerden. Bij de première van Rusalka waande ik me in een andere wereld.. Een absolute aanrader deze seizoen afsluiting.

Trailer:

Foto’s: © Clärchen & Matthias Baus | De Nationale Opera