Ooit heb ik geschreven dat ik naar de tijd verlang toen elke nieuwe opname van een symfonie van Mahler een feest was. Tegenwoordig gaat er geen dag voorbij zonder dat ergens zijn muziek wordt uitgevoerd, tot in de diepste provincies toe.
Nu is Kopenhagen geen provinciestad en het Deens Nationaal Orkest heeft meer noten op zijn zang dan zijn collega’s in andere Europese landen, maar …. Maar moeten ook de Denen hun eigen ‘Mahler-cyclus’ hebben? Tellen ze anders niet mee?
Mahlers negende symfonie behoort tot zijn meest vooruitstrevende werken.
Tijdens het componeren was hij al doodziek en zijn angst voor (en het uiteindelijke aanvaarden van) de dood kunnen alleen de grootste dirigenten en de beste orkesten overbrengen. En dat lukt Schønwandt gewoon niet. Zijn interpretatie laat mij koud.
Alle delen van de symfonie speelt hij ruim twee minuten sneller dan Bernstein.
Behalve de wrange ‘Rondo Burlesque’, daar is hij opeens veel langzamer, waardoor het wrange te uitgesponnen raakt. Dat hij maar liefst vijf minuten sneller door het Adagio raast, dat kan ik hem niet vergeven, want waar blijft dan het ‘sehr langsam und noch zerückhaltend’?
Een van mijn collegae prees de uitvoering de hemel in: het was zo ‘kamermuzikaal’! Mocht u uw Mahler op kamermuziekformaat hebben dan is Schønwandt uw man.
GUSTAV MAHLER
Symfonie nr.9
The Danish National Symphony Orchestra olv Michael Schønwandt
Challenge Classics CC72636 • 80’
Denk je alles al gehoord te hebben en dat het operarepertoire geen geheimen voor je meer heeft, wordt je alweer prettig verrast door het onvolprezen label CPO!
In januari 2011 hebben ze in München Regina van Lortzing opgenomen, een opera die ik alleen maar van de titel kende. Daar werd mijn operahart immens gelukkig van, van zowel de prachtige muziek als van de ronduit schitterende uitvoering.
De muziek is onmiskenbaar Lortzing, één al Duitse romantiek, zeker met de vele, voor de tijd zeer gebruikelijk koorpartijen. Maar het libretto is atypisch. Het speelt zich af in een fabriek, waar, behalve de romantische verwikkelingen ook heuse stakingen plaatsvinden en waar arbeiders in opstand komen – zo gek nog niet als je weet dat de opera in het “revolutiejaar” 1848 is ontstaan.
De revolutie, die wordt op een bepaald moment toch naar de tweede plaats verschoven, want het gaat voornamelijk over een ontvoerde verloofde en haar bevrijding.
De grande finale ‘Jauchzet den Stunden des Festes entgegen‘ doet mij aan de Les Huguenots van Meyerbeer denken, ik neem dan ook aan dat Lortzing de opera goed kende.
Johanna Stojkovic geeft Regina behalve haar prachtige, romige tonen ook een zweem van hysterie mee en Daniel Kirch is een zeer goede Richard – een echte verliefde romanticus. Detlef Roth zingt een absoluut onweerstaanbare Stefan, zo een waar je bang voor bent, maar die je willens en wetens aantrekkelijk moet vinden.
Wat een verrijking!!
Albert Lortzing
Regina
Johanna Stojkovic, Daniel Kirch, Detlef Roth e.a.
Prager Philharmonisch Chor; Münchner Rundfunkorchester olv van Ulf Schirmer
CPO 777710-2 • 137’
De Oostenrijkse bariton Florian Boesch behoort tot de jonge generatie zangers die het lied een nieuw leven hebben ingeblazen. Of, beter gezegd: ander leven.
Boesch’ stem is minder smeuïg dan die van Hermann Prey en zijn dictie minder nadrukkelijk dan die van Fischer-Dieskau. Hij wekt ook niet de indruk dat het bij hem een kwestie van leven en dood is, net als bij Gerhaher. Zijn timbre is zo individueel dat je, als je hem al één keer gehoord had je hem nooit meer vergeet en uit duizenden kan herkennen. Hoeveel zangers hebben dat nog?
Ook zijn lyriek kan niet genoeg geprezen worden, soms voelt het als wiegen, zo geruststellend. Het mooist vind ik zijn stem in het lage register, daar klinkt zijn warme en donkere bariton nog kruidiger.
Hij is – en blijft – een echte story teller, die mij keer op keer weet te verrassen met een andere kijk op dingen die vaststonden of ingeburgerd waren. Niet, dat hij meteen ware revoluties ontketent, maar soms brengt hij je wereldbeeld aan het wankelen.
Op zijn nieuwste recital-cd met het Schwanengesang van Schubert heeft hij de gebruikelijke volgorde veranderd. Zo begint hij met de lyrische en liefdevolle ‘Rellstab-Lieder’ om via Goethe en zijn ‘Gesänge des Harfners’ bij Heine te belanden. Niet gebruikelijk, maar wel zo logisch, althans voor mij.
Boesch vertelt zijn verhaal op een rustige en ingetogen toon. Je hoort als het ware het “er was eens…” . Nergens dwingend, maar zo boeiend dat je je oren ongewild moet spitsen om er maar niets van te kunnen missen. Naarmate hij in zijn vertelling vordert begint zijn ‘sprookje’ steeds grimmiger te worden en bij ‘Atlas’ aangekomen laat hij al zijn opgekropen emoties los. Indrukwekkend.
In de onvolprezen Malcolm Martineau heeft Boesch zijn maatje, zijn tweede ‘ik’ gevonden. De zanger en de pianist samen zijn niet minder dan een voorbeeld voor hoe een volkomen eenheid moet klinken.
FRANZ SCHUBERT
Schwanengesang
Florian Boesch (bariton) en Malcolm Martineau (piano)
ONYX 4131 • 67’
Bij het beluisteren van het Chandos-cd met de koorwerken van Sir Arthur Bliss moest ik willens en wetens aan War – there is no word more cruel denken, een gedicht van de Sovjet-Russische dichter Aleksandr Tvardovsky. Gedicht, dat ook Mieczyslaw Weinberg in zijn Achtiende symfonie heeft gebruikt. Oorlog is gruwelijk en dat mogen we nooit vergeten.
Morning heroes, de in 1930 op bestelling van Norfolk en Norwich Festival gecomponeerde symfonie voor orator, koor en orkest is, net als de uit 1926 stammende Hymn to Apollo opgedragen aan de memorie van de tijdens de Eerste Wereldoorlog omgekomen jongere broer van Bliss, Kennard.
Beide werken stralen immense verdriet, angst en woede uit. Voor beide werken heeft Bliss gebruik gemaakt van gedichten van twee vertegenwoordigers van de zogenaamde ‘war poets’- generatie: Wilfred Owen en Robert Nichols. Voor Morning Heroes – in feite gewoon een requiem – heeft Bliss ook nog fragmenten uit de Ilias van Homerus en een gedicht van Walt Whitman gebruikt.
De twee werken zijn voor mij nieuw, ze worden dan ook niet zo vaak uitgevoerd. Jammer, want beide composities zijn stervensmooi. En zeer aangrijpend.
De uitvoering van het BBC koor en orkest is zonder meer prachtig. Samuel West draagt de uit Ilias afkomstige afscheid van Hector en Andromache voor, zoals alleen de Engelsen het kunnen. Onderkoeld en intussen zeer hartroerend.
SIR ARTHUR BLISS
Morning Heroes, F 32; Hymn to Apollo F 116
Samuel West (orator), BBC Symphony Chorus (koordirigent: Stephen Jackson), BBC Symphony Orchestra olv Sir Andrew Davis
Chandos CHSA 5159 • SACD – 65’
Toegegeven, Lucrezia Borgia behoort niet tot de sterkste opera’s ter wereld. Ook binnen het genre van Donizetti steekt zij magertjes af bij zijn Lucia’s, Linda’s en Parisina’s. Om van de Tudor – koninginnen maar te zwijgen.
Waar het aan ligt? Zonder meer aan het libretto, die zelfs in de soms ridicule wereld van flauwvallende en herstellende dames bijzonder ongeloofwaardig aandoet. De titelheldin is een gifmengster met een moederlijk hart, een monster van een vrouw, die toch één zwakte kent waaraan zij zelf (door een zelfverkozen, dat wel, dood) bezwijkt, maar niet vóór zij haar eigen zoon met al zijn vrienden naar de betere wereld heeft geholpen. Dat het een toeval was doet er verder niet toe.
De eerste Lucrezia Borgia: Henriette Méric-Lalande
Donizetti componeerde het werk in minder dan vier werken, iets wat zelfs voor de beruchte “workalcoholic” en snelschrijver uitzonderlijk snel was. Wat niet belemmert dat de opera barstensvol mooiste aria’s, cabaletta’s, duetten en koren zit; en dat je er eigenlijk van het ene naar het andere hoogtepunt wordt meegesleurd. Dat het werk niet al te vaak wordt opgevoerd ligt dan ook voornamelijk aan de moeilijkheidsgraad: de rollen van Lucrezia en haar zoon Gennaro behoren tot de lastigste binnen het genre. Niet alleen vanwege het hondsmoeilijke trapezewerk waaraan de sopraan moet voldoen, maar ook de eindeloze gamma aan emoties, die beiden, soms binnen één en dezelfde aria, moeten tonen. Je zou bijna aan een persoonsstoornis kunnen denken!
Lucrezia Borgia is altijd het paradepaardje van de grootste belcanto-zangeressen uit de geschiedenis geweest: Beverly Sills, Montserrat Caballé, Leyla Gencer, Joan Sutherland … Ook tegenwoordig bestaan er zangeressen (denk aan Nelly Miricioiu en Devia) die Lucrezia alles kunnen geven, wat zij nodig heeft, maar daar hoort Renée Fleming niet bij.
Ik houd zielsveel van Fleming, maar belcanto is niet meer haar ding. Het ontbreekt haar niet alleen aan de hoogte, coloraturen, trillers en de typisch belcanteske squillo; maar het lijkt ook alsof zij haar beroemde piani aan de wilgen heeft opgehangen. Zelfs in de laatste, zeer dramatische scène kan zij mij nergens overtuigen, al ontluikt er iets van een drama in haar kreet “mijn zoon is dood”. Helaas zakt “Era desso il figlio mio” als een pudding in elkaar en mevrouw doet aan “croonen”.
Dat ‘M’odi, ah m’odi’ toch zo ongemeen dramatisch en spannend wordt dat je af en toe naar adem moet happen, ligt, behalve aan Donizetti aan de overtuigingskracht van de jonge, toen nog maar 27 (!) Michael Fabiano. In zijn afkeer van de moordenares die, nadat hij er achter komt dat de dame in kwestie zijn moeder is, in een oprechte verwondering verandert om daarna plaats te maken voor een gekwelde sentiment, toont Fabiano zich een meester in het tonen van menselijke emoties. In zijn jeugdigheid en onstuimigheid, zijn passie en verbetenheid doet hij mij, merkwaardig genoeg aan de jonge Carreras denken, al is zijn timbre toch echt anders.
Vitalij Kowaljow imponeert als de vileine Don Alfonso. Zijn sonoor klinkende bas is soepel en wendbaar en zijn ‘Vieni la mia vendetta… Qualunque sia l’evento’ behoort tot de absolute hoogtepunten van de opera.
Elisabeth deShong (Orsini) beschikt over een prachtige mezzostem met een zeer warm timbre, maar zij laat mij koud. Haar mooie stem, voorbeeldige legato en de soepele overgangen kunnen niet helpen dat ik ‘Nella fatal di Rimini’ een beetje saai vind en zelfs bij ‘Il segreto per esser felici’ wil ik niet echt wakker worden. Waar het aan ligt? Wellicht is Orsini niet echt haar rol? Of is het allemaal de schuld van de regie?
Ik weet niet wie John Pascoe is, heb ook nog nooit eerder van hem gehoord. Volgens Google heeft hij al het een en ander in de opera bereikt en behalve regisseren doet hij ook aan ensceneringen en ontwerpen van kostuums. Dat ze allemaal op elkaar lijken, ongeacht de opera, zou het een toeval zijn?
Zijn productie van Lucrezia Borgia kun je het beste als saai omschrijven. Zijn regieaanwijzingen gaan niet verder dan links, rechts, een stapje naar voren, een stapje naar achteren. Hij zet mooie, maar levenloze plaatjes neer, de ziel is ver te zoeken. Het eenheidsdecor (grijze muur, trappen) vind ik foeilelijk en de kostuums meer dan belachelijk.
Glitter, goud, metaal…. maar ze lijken eigenlijk nergens op. Inconsequent ook, want Pascoe doet aan mischmasch van stijlen. Over de bespottelijke pruiken zwijg ik maar.
Mocht u prijs stellen op een traditionele opvoering – kies dan voor Sutherland (Opus Arte OA F 4026 D), maar wilt u uitgedaagd worden dan is Gruberova met de fantastische Pavol Breslik de goede keus (Medici Arts 2072458)
Wat deze uitgave bij EuroArts niettemin aantrekkelijk maakt, is de extra dvd met bonussen: gesprekken met Fleming, Fabiano en DeShong. Zeer verhelderend en zonder meer de moeite waard.
Gaetano Donizetti Lucrezia Borgia Renée Fleming, Michael Fabiano, Elisabeth DeShong, Vitalij Kowaljow e.a. San Francisco Opera Orchestra, Chorus and Dance Corps onder leiding van Riccardo Frizza Regie: John Pasco EuroArts 2059642|
Bent u ook zo moe van de zoveelste opname van een Schwanengesang of een symfonie van Mahler? Ik wel. Vandaar een hartenkreet richting de (grote) platenmaatschappijen: beste firma’s, met de voor de tweehonderdste maal opgenomen muzikale kraker krijgen jullie heus niemand meer de winkel in. Willen jullie overleven, dan moet het roer definitief om. Hoe? Neem een voorbeeld aan Onyx. Dat label heeft onlangs een schitterend album van bariton Henk Neven en zijn vaste partner Hans Eijsackers uitgebracht.
Deze overheerlijke cd is gevuld met (veelal onbekende) pareltjes uit de Franse, Russische en Spaanse liedliteratuur, waarop (de dromen van) Spanje en Don Quichotte als rode draad fungeren. Er staan liederen op van o.a. Ibert, Sjostakovitsj, de Morales en Ravel. En van Arne Dørumsgaard, een mij onbekende Noorse dichter en componist, die de Spaanse en Sefardische volksliedjes van een nieuw arrangement voorzag.
Sjostakovitsj componeerde zijn Zes Spaanse Liederen in 1956, drie jaar na de dood van Stalin. Voor zijn cyclus putte hij dankbaar uit de Spaanse folklore, waarvoor hij de Russische vertalingen van Spaanse balladen gebruikte. Oorspronkelijk waren ze bedoeld voor de mezzosopraan Zara Dolukhanova, maar zij heeft ze nooit uitgevoerd.
Verschillende componisten, verschillende tijden, verschillende talen en toch: wat een eenheid! Deze cd kan als voorbeeld dienen voor een intelligent en fantasievol samengesteld recital met veel respect voor de luisteraar.
Henk Nevens dictie en zijn uitspraak zijn in alle drie de talen: Frans, Spaans en Russisch voorbeeldig. Zijn vertolking van de ‘Don Quichotte liederen’ van Jacques Ibert doet mij aan hun eerste vertolker, Fyodor Sjaljapin denken (heeft u ooit de Don Quixote film van George Wilhelm Pabst gezien? Als niet: rennen naar de internetwinkels!), wat een prestatie! Af en toe zou ik wat meer kleur willen horen en wat meer differentiatie, maar ach….
Dat de cd zo waanzinnig mooi is geworden is echter ook aan de pianist te danken. Zijn manier van spelen doet mij denken aan een alwetende verteller die zijn verhaal met een weergaloze spanning vooruit stuwt, maar niet zonder de luisteraar af en toe wat rust te gunnen.
Eijsackers interpretatie van de Danzas Espagnolas van Granados springt erboven uit. Sinds de opname van Alicia De Larrocha heb ik ze nooit meer zo mooi gespeeld gehoord. Dansant, maar o zo weemoedig.
Jacques Ibert, Dmitri Shostakovich, Isaac Albéniz, Maurice Ravel, Enrice Granados, Arne Dørumsgaard, Cristóbal de Morales
Rêves d’Espagne
Henk Neven (bariton), Hans Eijsackers (piano)
Onyx 4132
Muziek is geen verzameling van wiskundige formules. Alles staat of valt met een interpretatie, want niet iedereen kan in zijn hoofd de notenschrift in klanken overzetten. En om het lijfelijk te (kunnen) ondergaan heb je een tussenpersoon nodig die je – naar eer en geweten – de taal van de componist naar je oren en hart weet te vertalen.
Nu zijn de interpretaties (en onze perceptie ervan) altijd subjectief: ze kunnen ons enthousiasmeren of tegenstaan. Maar soms gebeurt er iets ongewoons: je luistert naar een cd en er gebeurt niets. Je hoort klanken die maar geen geheel willen worden. Er zit geen verhaal achter. Of je hoort het niet. Nee, je vindt het niet slecht. En nee, je ergert je er ook niet aan. Er gebeurt gewoon niets en het allerergste is dat je niet weet wat je er van moet vinden.
François-Frédéric Guy is zonder twijfel een voortreffelijke pianist. Voor het label Evidence heeft hij alle drie de pianosonates van Brahms ingespeeld en hij doet het prima. Alle noten zijn er, de tempi zijn naar behoren. Het is virtuoos en bewonderenswaardig. Wat is er dan mis mee? Niets. Of, alles, eigenlijk. Het is nietszeggend. Meer kan ik er niet van maken.
JOHANNES BRAHMS
François-Frédéric Guy
Complete piano sonatas
Evidence EVCD 022 • 94’ (2 cd’s)
23 jaar oud is hij en behalve een gevierd pianist ook acteur. Zijn ouders komen respectievelijk uit Canada en Roemenië, maar zelf is hij in het Zwitserse Mänendorf geboren. Na het winnen van het San Marino International Piano Competition in 2004 studeerde hij in het Purcell School in Engeland. Theo Gheorghiu is een “pianist zonder grenzen”.
Zijn talent, zijn muzikaliteit en zij charisma staan buiten kijf, maar hij is ook een beetje een jonge hond. Zijn vertolking van Schuberts Impromptus lijkt nog het meest op een rit met een achtbaan: het is duizelingwekkend, maar je krijgt geen tijd om ergens even bij stil te staan.
De voor piano en orkest door Liszt bewerkte Wandererfantasie is een lastig stuk.
Ik denk niet dat ik het mooi vind, het laat mij namelijk volstrekt koud, zeker in deze uitvoering. Het ligt voornamelijk aan het zeer rommelig spelende orkest, dat ook nog eens ongeïnteresseerd klinkt.
De zeer lyrische en poëtische La Vallée d’Obermann is, door zijn ingetogenheid behoorlijk lastig te spelen. Want: hoe houd je al die noten in bedwang terwijl zij zich los lijken te willen maken van hun pianissimo keurslijf om aan iedereen te laten zien dat ze heus niet minder virtuoos zijn dan hun heftige ‘Liszt broertjes’? De uit zijn voegen barstende beheersing, daar was Horowitz ooit zo’n meester in en dat is iets wat Gheorghiu nog moet leren.
Excursions
Franz Schubert, Franz Liszt, Liszt/Schubert
Impromptus, D 899; Années de Pèlerinage (Suisse), S.160; Wandererfantasie, S.366
Theo Gheorghiu,piano;
Musikkollegium Winterthur olv Douglas Boyd
Sony 8875010832 • 60’
Wie het onzalige idee heeft gekregen om de lichter-dan-lichte liederen van Henri Duparc te laten zingen door een bas, die verdient straf. Hiermee wordt geweld gedaan niet alleen aan de liederen, maar ook aan de, denk ik, voortreffelijke zanger.
Andrea Mastroni beschikt over een mooie, warme bas met een zeer aangenaam timbre en met mijn ogen dicht zie ik hem al op de operabühne staan!
Helaas: liedzanger is hij niet. Hij weet mijn aandacht geen seconde vast te houden en de prachtige liederen klinken bij hem saai en ongeïnspireerd. Ik durf het bijna niet zeggen, maar bij vlagen klinkt hij zelfs vals.
De zware uithalen waarop hij ons in Romance de Mignon trakteert vind ik hoogst irritant en L’invitation au voyage gaat zo verschrikkelijk ten onder aan de ‘ondraaglijke zwaarheid van het bestaan’ dat ik het kleinootje amper heb kunnen herkennen. Dat is geen interpreteren meer, dat is de leed van de hele wereld op je schouders te nemen en het iedereen te laten weten ook.
Zijn pianist, Mattia Ometto, is een grote afwezige. Zo te horen schikt hij zich naar wat de bas wil: zo goed mogelijk de hopeloze ellende naar de goede slechte einde te brengen. Jammer. De cd draagt de titel Lamento. Terecht. Het is één en al treurigheid.
HENRI DUPARC
Lamento
Complete songs
Andrea Mastroni (bas), Mattia Ometto (piano
Briljant Classics 95299 • 62’
Friedrich Silcher was behalve een in zijn tijd beroemd liedcomponist ook een verwoed verzamelaar van volksliedjes, die hij vervolgens arrangeerde voor zangstem en piano. Daar werd er in de (voornamelijk) negentiende eeuw dankbaar gebruik van gemaakt: zo wisten hele families, inclusief vrienden en buren zich er avondenlang mee met te vermaken.
Hier moest ik sterk aan denken toen ik de prachtige cd met Duitse liederen in handen kreeg die vader en zoon Pregardién voor ons (en zonder twijfel voor zichzelf) hadden opgenomen.
Prégardien junior heeft samen met pianist Michael Gees liederen van onder anderen Schubert en Brahms bewerkt voor twee tenoren en piano en het resultaat is behalve verrassend en fris ook adembenemend mooi. De ‘Erlkönig’ van Schubert, hier letterlijk als gesprek tussen vader en zoon gepresenteerd, krijgt zo een extra emotionele lading. Heftig.
Zeer verrassend klinkt ook ‘Die Nacht’, een van oorsprong voor mannenkoor a capella gecomponeerd lied van Schubert: twee stemmen en een piano maken er een nieuw lied van. De vijf duetten met mondharmonica begeleiding van de Duitse componist Hermann Zilcher zijn dan wel een curiosum, maar wat een verrukkelijk curiosum!
Maar we moeten Friedrich Silcher zelf ook niet vergeten. Zijn ‘Loreley’ behoort ongetwijfeld tot de bekendste Duitse liederen dat werkelijk door alles en iedereen werd gezongen, inclusief Mireille Matthieu en er bestaat zelfs een versie voor karaoke. Het mooist vind ik het lied in de uitvoeringen van Heinrich Schlusnuss en Richard Tauber, maar de heren Prégardien kunnen er ook wat van! Mede dankzij het baritonale timbre van vader Christoph en het licht zoetige van zijn zoon, lijkt het alsof Tauber en Schlusnuss speciaal bij elkaar kwamen om in het lied verenigd te worden.
Michael Gies heeft er blijkbaar net zo veel plezier in als de zangers. En de luisteraar, natuurlijk. Heerlijke cd!
een uitgebreide trailer van het album:
FATHER AND SON
Liederen van Silcher, Schubert, Zilcher, Brahms, Schumann
Christoph & Julian Prégardien (tenor)
Michael Gies (piano); Fabienne Waga & Patricia Messner (mondharmonica)
Challenge Classics CC72645