Peter Franken

Charodéyka van Tsjaikovski oftewel La Fiamma op zijn Russisch uit Frankfurt. Is ‘liefde’ het toverwoord?

Tekst: Peter Franken

Charodeyka: scènefoto afkomstig van de Russische film uit 190, geregisseerd door Pyotr Chardynin en Vasisli Goncharoev

Deze zelden gespeelde opera van Tsjaikovski had in 1887 première in het Maly theater te Sint Petersburg. In december 2022 was het te zien in Frankfurt. De nieuwe productie van Vasily Barkhatov met Asmik Grigorian in de titelrol bleek zonder meer een pleidooi voor deze onbekende opera. Zeer recent is hiervan een opname door Naxos op dvd en Bluray uitgebracht.

Hoewel zeer verschillende personages hebben Natasja in Charodéyka en Tatiana in Onegin wel degelijk iets gemeen. Beiden zijn verliefd op een persoon die ze niet echt kennen, zien op afstand een man door een roze bril. Niettemin zetten ze een stap, nemen het risico afgewezen te worden. Alleen is dat voor Natasja, die overigens door iedereen Kuma wordt genoemd, een stuk riskanter dan in geval van Tatiana. Haar ‘ik hou van je’ eindigt in een tienertrauma, Kuma daarentegen flirt met de dood. Haar would be lover Prins Juri is binnen komen sluipen met de bedoeling haar te doden.

Dat Kuma hem van dat plan af weet te brengen zegt iets over haar kwaliteiten als übercharmante vrouw die mannen om haar vinger windt maar deze keer blijft het niet aan de oppervlakte: ze houdt echt van hem. Ze was voor hem gewaarschuwd, wist van zijn plan en is desondanks op hem blijven wachten. Het is voor haar de dood of de gladiolen.

Tsjaikovski heeft voor het duet waarin Juri tot een 180 graden draai wordt bewogen behoorlijk wat tijd nodig en dat is maar goed ook. In deze scène beleven we Asmik Grigorian in volle glorie: ze krijgt de kans alle kwaliteiten tentoon te spreiden die haar tot zo’n gevierde zangeres hebben gemaakt.

Aria van Kuma:

Wat uit het bovenstaande kan worden opgemaakt is dat de plot van dit werk bepaald niet alledaags is. Kuma is een weduwe die in het laat middeleeuwse Nizhny Novgorod een dranklokaal drijft aan de rand van de stad. In deze productie is dat veranderd in een galerie, Kuma schildert, maar kan zich in het bezoek van het halve stadje verheugen waarbij de drank rijkelijk vloeit.

Het is zo’n plek die is uitgegroeid tot ‘the place to be’ en dat heeft de argwaan gewekt bij de plaatselijke bisschop Mamyrow, die in dit stuk de rol van religieuze griezel mag spelen. Dat iedereen naar Kuma trekt duidt op hekserij. Bovendien is het daar elke avond een losbandige boel met drank en seks, bedenk maar iets.

Mamyrow weet zijn Vorst mee te tronen om het met eigen ogen te aanschouwen, uiteraard met de bedoeling Kuma uit de weg te laten ruimen. Die doet haar reputatie eer aan en windt de Vorst binnen de kortste keren om haar vinger, gewoon door rustig en vriendelijk te blijven. Het eindigt met een drinkwedstrijdje tussen beiden waarin wodka achterover wordt geslagen.

Een tikje overmoedig geworden laat Kuma een groep half blote mannen in derwish rokken een ‘wolvendans’ uitvoeren en weet de vorst zo ver te krijgen dat hij Mamyrow beveelt om mee te doen. Daarmee maakt ze de vernederde prelaat tot doodsvijand en tekent ze haar eigen vonnis.

De Vorst is in Kuma’s ban geraakt en zoekt haar elke dag op. Hij wil gewoon graag de hele tijd bij haar zijn maar alles blijft vooralsnog heel onschuldig al ziet iedereen wel aankomen dat dit wat hem betreft niet lang zo kan voortduren. De Vorstin heeft argwaan gekregen en Mamyrow weet dat goed te voeden.

Prins Juri, een bokser maar tevens moederskindje, merkt dat haar iets heel erg dwars zit. Doorvragen brengt het probleem aan het licht: zijn vader gaat vreemd met een herbergierster. Dubbele schande en hij besluit haar te vermoorden om de familie eer te redden. Moeder weet van niets en beraamt haar eigen plan. Ze weet Kuma te vergiftigen met hulp van Mamyrow als haar rivale op het punt staat om met haar zoon te vluchten naar blijde verten aan de andere kant van de regenboog.

Als de inmiddels door Kuma afgewezen Vorst dit bemerkt doodt hij zowel zijn vrouw als zijn zoon en wordt zoals dat een melodrama betaamt prompt waanzinnig. Mamyrows normale orde is hersteld, de orthodoxie wint immers altijd in Rusland en een nieuwe vorst is zo gevonden.

Barkhatov situeert de handeling in het heden met accenten die verwijzen naar de 15e eeuwse context. Kuna’s ‘herberg’ heeft de vorm van een uit neonbuizen opgebouwd huisje. Er omheen speelt zich de zeer turbulente handeling in de eerste akte af. Een knap staaltje regiewerk wordt hier geleverd, met een groot koor op het toneel dat een flinke steen bijdraagt aan de bijna chaotische interactie tussen de vele protagonisten.

Door middel van een draaitoneel kan snel worden gewisseld met de huiskamer van de vorstelijke familie. Even het doek neer en na een halve minuut weer op. Het heeft het effect van een snelle cut tussen twee filmscènes.

Niet alleen op dit punt maar ook in de aankleding wordt dat effect beoogd. Het ziet er bij de Vorst thuis uit als in een oude soap serie, denk aan Dallas of Dynasty, compleet met een personal trainer voor de Vorstin en een (zeer goed getrainde) herdershond waartegen de Vorst een lange monoloog afsteekt.

Als we afstevenen op het dramatische einde krijgt het publiek die wisselingen gewoon te zien waarbij het draaitoneel ook halverwege stokt en iemand staat te zingen in de ruimte ertussen. In toenemende mate loopt alles door elkaar waarbij het neonhuisje opduikt in de woonkamer van de Vorst. De verwarring is compleet en als aan het einde onder een bulderende muzikale galop de Vorst er zelf een einde aan wil maken zitten er geen kogels in zijn pistool. Dann ist alles aus.

De absolute ster van de voorstelling is Asmik Grigorian maar in de tweede akte hoort het toneel toe aan dramatische mezzo Claudia Mahnke die een werkelijk voortreffelijke vertolking geeft  van de Vorstin die zich bedrogen weet en het er niet bij laat zitten. In de Ring van Staatsoper Unter den Linden vertolkt Mahne een vergelijkbare rol, die van Fricka. Ze is dus op bekend terrein.

De Vorst komt voor rekening van bariton Ian MacNeil die zich ook acterend uitstekend weet te weren. Tenor Alexander Mikhailov zingt het enige echte liefdesduet van de avond, weliswaar met zijn moeder, maar toch. Door zijn personage op te voeren als bokser wordt het hem niet gemakkelijk gemaakt om naturel te acteren, het blijft een beetje opgepompt allemaal. Maar zijn zang maakt alles goed.

De rol van de slechterik wordt aardig tot leven gebracht door de bas Frederic Jost. Sopraan Zanda Svede maakt van de rol van Nenila als personal trainer een aardig optreden.

Koordirigent Tilman Michael verdient een groot compliment voor de instudering van het koor, een van de meest complexe partijen die er in het repertoire te vinden zijn. Het Frankfurter Oper und Museumsorchester staat onder leiding van Valentin Uryupin. Samen weten ze Tsjaikovsky’s partituur alle eer te geven die deze toekomt, prachtig orkestspel.

Introductie tot de opera:

En de trailer:

 

Fotomateriaal © Barbara Aumüller

Zie ook:


Grimmig en hartverscheurend mooi: De Tovenares van Tsjaikovski

Rossini double bill van Opera Zuid is een leuke voorstelling

Tekst: Peter Franken

Twee eenakters op een avond, dat wordt vroeg beginnen, zo had men gedacht in Amare. De productie van Opera Zuid duurt maar liefst 170 minuten dus werd er al om kwart voor acht gestart. Voor de pauze La scala di seta en erna Il Signor Bruschino, allebei opera’s uit Rossini’s vroege periode maar toch ook betrekkelijk kort voor zijn eerste grote succes L’ Italiana in Algeri.

Beide stukken hebben een geijkte handeling: geheime liefdesrelaties, opdringerige voogden die een meisje willen uithuwelijken, persoonsverwisselingen en veel verstopwerk. Een klucht als het Franse toneelstuk Boeing Boeing komt aardig in de buurt. Muzikaal wordt het door Rossini in een fris jasje gezet, leuk om naar te luisteren zonder ook maar een moment te beklijven. Aansprekende solostukken ontbreken, die kwamen pas later in zijn carrière.

In ‘de zijden ladder’ is Giulia in het geheim getrouwd met Dorvil. Elke avond gooit ze een stel aan elkaar geknoopte zijden lakens uit het raam waarlangs hij naar binnen klimt voor een nachtelijk samenzijn.

Giulia’s voogd (jawel!) Dormont wil haar uithuwelijken aan Blansac, een flierefluiter. De handeling draait vervolgens om pogingen van Giulia om Blansac te interesseren voor haar nichtje Lucilla om hem zo van haar dak te krijgen. En Lucilla wil maar al te graag. Er tussendoor fietst nog Giulia’s jonge neefje Germano die stiekem een beetje verliefd op haar is en alles in de gaten houdt, veelal vanuit een verstopplek.

Agnes Hasun heeft als decor een grote moderne keuken ontworpen met veel kastruimte. Met die verstopplekken zit het wel goed op die manier. Hasun is tevens verantwoordelijk voor de kostumering: iedereen loopt in fleurige kledij, bij elkaar is het een feestelijk schouwspel. Tijdens de voorstelling wordt er live gekookt. De kok (Roderik Povel) wordt zo nu en dan even in de handeling betrokken, leuk gedaan

.

Na de pauze is er minder behoefte aan plekken waar iemand zich kan verstoppen. De keuken is nu een neutraal decor, nog steeds met die kok aan het werk. Nu draait alles om Sofia die door haar voogd Gaudenzio is bestemd voor de zoon van Signor Bruschino.

Zijzelf heeft haar zinnen gezet op Florville die door een gelukkig toeval Bruschino junior een tijdje opgesloten weet te houden zodat hij zich voor hem kan uitgeven. Zijn ‘vader’ weigert hierin mee te gaan: die man is een bedrieger. Politie erbij, brieven met valse afzenders, een schuldeiser in de persoon van hotelconciërge Filiberto. Uiteindelijk gaat Bruschino overstag als hij daarmee kans ziet om Gaudenzio een hak te zetten. En dus trouwt Sofia gewoon met Florville en gaat iedereen over tot de orde van de dag.

Giulia kwam voor rekening van mezzo Alexia Macbeth die een keurige vertolking van haar partij gaf, zij het met een flink vibrato. Onder druk klonk de stem wat dun en scherp maar over het geheel genomen was het een goed optreden, vooral ook acterend.

Macbeth kwam na de pauze terug als Marianna, de vriendin van Sofia die druk in de weer is om samen met Florville de verwikkelingen in de juiste richting te sturen.

Als Lucilla wist sopraan Chelsea Bonagura, vooral actief als zangdocent, aardig de show te stelen in de scène waarin ze in lange jurk en op hoge hakken de aandacht van Blansac op zich probeert te vestigen.

 Acterend ingetogen hilarisch, zingend met fraaie topnoten en een paar coloraturen. Na de pauze had ze de vrouwelijke hoofdrol maar werd een beetje weggedrukt door het grote aantal mannelijke intriganten.

Bariton Raoul Steffani buitelde wat over het toneel als Germano en kreeg zelfs een heuse aria te zingen. Zijn kwaliteiten kwamen vooral naar voren in de vertolking van Gaudenzio, Sofia’s voogd die uiteindelijk van een koude kermis thuiskomt.

Dat buitelen is iets dat ik meer associeer met bariton Michael Wilmering maar in deze opera’s heeft hij duidelijke andere rollen. Blansac werd door Wilmering vertolkt als een ingehouden buffo, zeer geslaagd. En als de conciërge Filiberto had ik hem nauwelijks herkend, strak in het pak en zowel zingend als acterend tamelijk rechttoe rechtaan.

Bariton Edwin Fardini maakte indruk als Signor Bruschino die er aan alle kanten ingeluisd wordt en zich daar tot het uiterste tegen weet te verzetten. Mooie vertolking van zijn lastige partij.

 Zijn echte zoon komt ook nog even op het toneel, om te zeggen dat hij spijt heeft van zijn gedrag. Dat rolletje was voor tenor Pim van Drunen. Tenor Jacques de Faber nam voor de pauze Dormont voor zijn rekening en kwam na de pauze terug als politiecommissaris, goed gedaan.

Tenor Manuel Nunez Camelino vertolkte in beide werken de rol van de Liebhaber, respectievelijk Dorvil en Florville. Het heeft een aardig timbre maar ik vind zijn stem wat dun en niet al te overtuigend in de hoogte. Bij hem had ik graag wat meer power gehoord.

De regie was in handen van Marcos Darbyshire en Sander Teepen stond voor de Philzuid. Het was een leuke avond daar in Amare, de tweede voorstelling uit de reeks. Er volgen er nog negen.

Voor meer info zie:

https://operazuid.nl/pers/

Fotomateriaal: © Joost Milde

Trailer van de productie:


Hybride van Iolanta en Mavra werkt wonderwel

Tekst: Peter Franken

In 2017 ging in het Cuvilliés Theater München een kleinschalige productie van de Bayerische Staatsoper waarin Tsaikovski’s laatste opera Iolanta was gecombineerd met de eenakter Mavra van Stravinsky. Het resultaat is beslist de moeite waard en muzikaal zelfs opvallend goed.

De titelhelding in Iolanta is blind, zonder dat te beseffen. Haar vader, koning René van de Provence, heeft haar ondergebracht op het platteland in het huis van een houtvester en diens vrouw, die haar – geholpen door een paar dienstmeisjes – verzorgt. Niemand mag Iolanta vertellen dat ze niet kan zien.

Als graaf Vaudémont bij toeval het huisje betreedt, merkt hij al snel dat ze blind is en is verbijsterd dat ze niet schijnt te weten wat licht is en wat het betekent om te kunnen zien. Ogen zijn toch slechts om mee te kunnen huilen? Niettemin valt hij als een blok voor haar en zij voor hem. Dat speelt vervolgens een belangrijke rol in de afwikkeling, waarin een exotische arts haar moet genezen van haar blindheid.

Regisseur Axel Ranisch verplaatst zich in de leefwereld van Iolanta en laat haar met poppen spelen waarbij ze haar puberale fantasieën uitleeft. Op het toneel zijn die poppen de spelers in de wat ondeugende handeling van Mavra.

Het gaat over Parasha, een bijdehand meisje dat in het Sint Petersburg van de 18e eeuw met haar moeder in een buitenwijk van de stad woont, waar tegenwoordig het Mariinsky Theater staat. De kokkin is overleden en zij gaat op zoek naar een vervangster. Haar aanbidder is de huzaar Vassili die op ongeregelde momenten zijn opwachting komt maken. Ze kleedt hem als vrouw en stelt hem aan haar moeder voor als het nieuwe inwonende personeelslid. Zo heeft ze haar Liebhaber lekker dicht bij de hand.

Als moeder de huzaar betrapt terwijl hij zich in zijn ondergoed staat te scheren, krijgt ze een rolberoerte. Maar zolang het goed ging hadden hij en haar dochter vrij spel. Iolanta heeft dan wel geen weet van de wereld en de menselijke verhoudingen, haar hormonen zijn begonnen haar de weg te wijzen.

Ranisch en Falko Herold (decor en kostuums) zijn er goed in geslaagd die twee verhalen tot een geheel te smeden, met Iolanta als verbindende schakel. Tijdens de scènes uit Mavra begeleidt een bühneorkestje de spelers die onherkenbaar zijn gemaakt door er overmaatse koppen op te zetten waardoor ze eruit zien als karikaturen uit een poppentheater met bedrieglijk kleine lijven.

Het spel is wat overdreven zoals in een Vaudeville theater waar alles gericht is op het amuseren van het publiek. Kleine details dragen aan dat effect bij, zoals Parasha die Vassili tegen zijn benen schopt ten teken dat hij die bij elkaar moet houden als hij zit.

I

Iolanta zit tijdens Mavra in een hokje boven het toneel met haar poppen te spelen. Als ze in haar eigen opera figureert speelt vrijwel alles zich af op en rond haar bed. Het ziet er allemaal zeer verzorgd uit, prettig om naar te kijken.

Ranisch geeft de afloop een twist die goed beschouwd niet strijdig is met de exacte tekst die Iolanta zingt. Hij neemt als uitgangspunt haar reactie op de onthulling door Vaudémont dat ze niet kan ervaren hoe de schepping er eigenlijk uitziet. Zijn zang is extatisch maar haar reactie gereserveerd. Wie zegt dat de wijze waarop zij haar bestaan ervaart minder is dan die van hem?

Ze zou wel willen zien, wat dat dan ook mag inhouden, als ze Vaudémont daarmee aan zich kan binden. Het pubermeisje is op slag verliefd en reageert conform. Maar er geen eigen drive, ze is gewend om te doen wat haar vader van haar verlangt en nu is er een andere man in beeld, veel verschil is er niet.

Het kunnen zien lukt dan ook van geen kant maar om Vaudémont van de executie te redden waarmee haar vader heeft gedreigd, doet ze alsof ze het nu wel kan. Uit wat ze zingt blijkt echter dat haar alles verteld moet worden, ze ‘ziet’ niets uit zichzelf, herkent haar wereld niet. Uit een soort solidariteit maakt Vaudémont vervolgens zichzelf blind.

De poppen Parasha en Vassili kunnen dat niet aanzien en zetten hun koppen af. Ze wisselen als het ware van rol met die twee zielenpoten die nu op hun beurt tot poppen worden gereduceerd. Zo wordt het eind van zijn scherpe kant ontdaan, poppen kan je nu eenmaal niet blind maken door ze te verminken.

De liefdesaffaire van Parasha en Vassili, nu gewoon als schaars geklede mensen op het toneel, krijgt een abrupt einde door toedoen van de moeder en de buurvrouw die te hulp schiet. Plotseling gaat het licht uit en is het toneel in duister gehuld.

In een scène waar Iolanta communiceert met haar personeel die ze steevast haar vrienden noemt, wordt duidelijk gemaakt hoe de vork in de steel zit. In een grote aria à la Gremin legt haar vader René het verder nog even precies uit, mooi gezongen door Markus Suihkonen.

Daarna wordt Iolanta alleen gelaten, ga maar slapen. Dat is het moment dat de poppen uit Mavra het toneel voor zich alleen hebben. Als de twee Bourgondische edelen bij toeval het erf betreden komt er weer wat leven in het geheel.

Boris Prygl geeft een mooie interpretatie van de aria waarin hertog Robert zijn liefde voor Mathilde bezingt. Hij hoopt van Iolanta af te komen waaraan hij als kind is beloofd, heeft haar sowieso nog nooit gezien.

Zijn metgezel graaf Vaudémont valt meer op ingehouden bedeesde types en daarin verschilt hij duidelijk van Robert die wegloopt om zijn manschappen te vinden en later Vaudémont te redden uit dit spookhuisje met die vreemde jonge vrouw. Tenor Long Long is duidelijk in zijn element in die rol en geeft een fraaie vertolking van deze impulsieve romanticus.

Sopraan Mirjam Mesak ziet er uit als de archetypische blonde puber die verliefd wordt op de eerste man die langskomt. Haar poppenspel wordt plotseling werkelijkheid, love is in the air. Mesak houdt  haar stem aanvankelijk klein, laat die vervolgens groeien, met tot slot het duet met Vaudémont, waarin beiden alle registers open trekken. Een zeer geslaagd optreden van deze aantrekkelijke blondine.

Freddie de Tommaso en Anna El-Khashem nemen de hoofdrollen in Mavra voor hun rekening. Hoewel ze staan te zingen in een holle ruimte als gevolg van die opzetkoppen klinken beide stemmen opvallend natuurlijk. Alle waardering voor dit tweetal.

Tijdens Iolanta verdwijnt het bühneorkest naar het achtertoneel en klinkt een normaal orkest uit de bak, onder leiding van Alevtina Loffe. Overigens is de partituur gereduceerd door Richard Whilds maar dat stoort allerminst. Het klinkt zonder meer uitstekend.

De opname is op BluRay uitgebracht door Bayerische Staatsoper Recordings

Kosky maakt een spannend avond van Il trittico

Tekst: Peter Franke

Hoewel Puccini’s drieluik Il trittico bestaat uit volledig op zichzelf staande eenakters doen veel regisseurs een poging er een verbindend element aan toe te voegen. Dood als rode draad ligt voor de hand maar ook verlangen speelt in alle drie een grote rol. Barrie Kosky heeft daar nadrukkelijk van afgezien en vat de drie korte opera’s op als afzonderlijke gerechten in een drie gangen menu. Niettemin wordt, met kleine variaties, steeds hetzelfde decor gebruikt: twee hoge wanden die onder een hoek toneel breed staan opgesteld.

Il tabarro

In het openingsdeel Il tabarro is hieraan een uit twee verdiepingen bestaande brede ‘loopbrug’ toegevoegd die een schip symboliseert. Met een aantal figuranten wordt de nodige drukte gesuggereerd. Mannen lopen te sjouwen met planken en mogen na het werk ook gezellig mee drinken als de bazin wijn aanbiedt. Giorgetta sterft een langzame dood in de benauwde kajuit van het schip, alleen met een veel oudere echtgenoot en de herinnering aan haar jong gestorven kind.

In het duet met Luigi waarin ze terug kijkt op haar jeugdjaren in de wijk Belleville komt dit duidelijk naar voren. Die kajuit wordt in beeld gebracht als kleine driehoekige ruimte waarin je nauwelijks je kont kan keren, treffend gedaan.

Leah Hawkins gaf een mooie vertolking van de gefrustreerde Giorgetta die haar man Michele niet echt iets verwijt maar gewoon wil toegeven aan het verlangen naar een gepassioneerde liefdesrelatie, en wel met iemand van haar leeftijd en beslist ook niet op een schip.

Joshua Guerrero was geweldig op dreef als de jonge stuwadoor Luigi die haar niet met haar man wil delen en liever in Rouen van boord wil gaan dan in opperste frustratie elke dag toe te moeten kijken.

Zijn rivaal Michele kwam voor rekening van bariton Daniel Luis de Vicente. Hij maakte er iets moois van: sentimenteel, wanhopig, grauwend en uiteindelijk moordend. Sowieso heeft Kosky in zijn regie de scherpe kanten van de handeling zwaar aangezet: Giorgetta leeft duidelijk in een mannengemeenschap

.

Publiekslieveling Raehann Bryce-Davis wist veel aandacht naar zich toe te trekken in de bijrol van de sjacherende Frugola. Persoonlijk vind ik dat ze iets te zwaar leunt op haar ‘maniertjes’ en hier sloeg ze door: haar personage werd een nogal dellerige schreeuwlelijk.

De overige rollen waren adequaat tot goed bezet.

Suor Angelica

Achterlangs de grote wand loopt nu een trap waarlangs de nonnen hun opwachting maken. Ze zijn uniform gekleed, allen in lichtpaarse habijten. Omdat het op en neer lopen van zo’n groep tijdrovend is vindt veel van de conversatie al lopend plaats.

Hoewel ik het werk goed ken, kon ik moeilijk onderscheid maken tussen de diverse personages. Het bleef erg vlak allemaal: een groep katholieke kostschoolmeisjes met dito gedrag waartussen de ‘schoolleiding’ zich onvoldoende kon profileren. Het toneel bleef leeg op een kleine stellage met bloemen en kruidenplanten na, essentieel aangezien Zuster Angelica het kruidenvrouwtje van het klooster is.

Als La zia principessa, Angelica’s tante, arriveert betekent dit voor haar de eerste keer in de zeven jaar van haar armzalige kloosterbestaan dat ze bezoek krijgt. En hopelijk nieuws over haar zoontje, het kind dat ze na zijn geboorte maar heel even heeft mogen vasthouden. Als tante slechts spreekt over de noodzaak haar erfdeel op te geven ten gunste van haar jongere zus en met geen woord rept over het jongetje gaat ze door het lint.

Elena Stikhina en Raehann Bryce-Davis maken hier een bloedstollende scène van. Als Angelica haar tante aanspreekt als ‘zuster van mijn moeder’ krijgt ze een draai om haar oren: ‘Hoe durf je je dode moeder hierin te betrekken, gevallen vrouw?’

Op haar beurt dreigt Angelica haar tante met de afkeuring door de maagd Maria, immers zelf ook een moeder. Tante debiteert een aantal katholieke toverspreuken om haar gedrag te rechtvaardigen. Ik werd er alleen maar door bevestigd in mijn mening dat godsdienstneurose het slechtste in de mens naar boven brengt.

Het vocale topstuk ‘Senza mama’ wist daarna niet meer de gebruikelijke indruk te maken, althans niet op mij. En dat tante een urn met de as van het jochie plus een foto voor Angelica achterliet spoorde niet met haar kennelijke voornemen met geen woord over dat kind te reppen. Dat Angelica de as over zich uitstortte om bij haar kind te kunnen zijn was pure kitsch.

Stikhina wist binnen deze regie een vrij goede vertolking van de titelrol te geven al heb ik het wel eens mooier horen zingen. Ik sprak in de pauzes twee sopranen die de rol op hun repertoire hebben en die keken verlangend naar het toneel: daar had ik ook heel goed kunnen staan. Bryce-Davis was hier vooral acterend erg sterk. De overige rollen waren goed bezet.


Gianni Schicchi

Het komische derde deel, Gianni Schicchi, is uit de Middeleeuwen gehaald en geplaatst in het heden, getuige de laptop waarmee de notaris zijn opwachting maakt. Kosky brengt het stuk als een hybride van commedia dell’arte en de Marx Brothers. Alleen het verliefde koppeltje Rinuccio en Lauretta kan ‘zichzelf’ zijn in hun acteren. Zij is uitstekend op dreef en zeer geloofwaardig als papa’s kleine krengetje dat hem om haar vinger weet te winden. Ook zeer passend gekleed en opgemaakt.

Kosky laat zijn familie Donati zich regelmatig als een organisme over het toneel bewegen: geen afzonderlijke personen maar een kluwen van aaneengeklitte lijven. Verder zoveel als mogelijk grappen die liefst zo ver mogelijk over the top zijn. Wie eerder zijn Orphée aux enfers heeft gezien weet precies hoe hij te werk gaat in dit soort komische situaties.

Michele uit Il tabarro keerde hier terug als een zeer overtuigende Gianni Schicchi. De Vicente schuwde overdrijving niet en was de hele Donati meute gemakkelijk de baas. Uiteraard was hij door zijn dochter Lauretta met een natte vinger te lijmen.

Inna Demenkova zong de hit ‘O mio babbino caro’ met goed geacteerde wanhoop. Joshua Guerrero zagen we hier terug als Rinuccio, met veel verve zingend over het belang van nieuwkomers die de stad Florence een impuls geven. Het verliefde tweetal heeft de mooiste muziek, de anderen krijgen de meeste tekst. En Schicchi joeg ze tenslotte met harde hand ‘zijn’ huis uit. Een vrolijk slot van een spannende avond.

Lorenzo Viotti had de muzikale leiding en wist met zijn Nederlands Philharmonische Orkest een grote bijdrage te leveren aan het muzikale succes van de voorstelling. Er volgen er nog zes, een aanrader.

Fotomateriaal: © Monika Rittershaus | De Nationale Opera


Kosky over de opera:

 Prachtige La Favorite uit Teatro Donizetti

Tekst Peter Franken

Uit Teatro Donizetti in Bergamo komt een nieuwe opname die daar in 2022 is gemaakt. De Bluray verscheen in 2023 op het label Dynamic, zo langzamerhand de plek waar je als operaliefhebber het eerste gaat zoeken naar iets bijzonders.

Donizetti’s opera La favorite, geschreven voor Parijs in 1840, past goed in het genre ‘Grand Opéra’ dat toen de maat aller dingen was. Het werk bestaat weliswaar uit vier aktes in plaats van de gebruikelijke vijf, maar de thematiek past volledig binnen de traditie.

La favorite handelt, zoals een Grand Opéra betaamt, over historische personages en een liefdesgeschiedenis. Het titelpersonage is gebaseerd op Léonor de Guzman, de maîtresse van koning Alfonso XI van Castilië en Leon. De koning heeft haar naar het hof gehaald maar is vervolgens om dynastiek politieke redenen getrouwd met Maria, dochter van de koning van Portugal.

Léonor baart hem tien kinderen wat haar positie aardig cementeert maar als Alfonso in 1350 op 38 jarige leeftijd overlijdt aan de pest laat Maria haar uit wraak executeren. Tot zover de historie.

In de opera is aan het verhaal een nieuw personage toegevoegd, Fernand, een jonge novice die verliefd is geworden op Léonor toen hij haar hand aanraakte bij het verstrekken van de communie. Hij verlaat het klooster en gaat naar haar op zoek.

Léonor laat hem naar het hof komen, echter zonder haar naam en status duidelijk te maken. Met hem trouwen is onmogelijk maar zij overhandigt hem een commissie in het leger. Fernand onderscheidt zich in de strijd om Sevilla en wordt door Alphonse met eer overladen.

Maar als hij ontdekt dat zijn geliefde Léonor – teleurgesteld omdat hij haar heeft gepasseerd voor Maria – verliefd is op de jonge held Fernand, neemt hij wraak door haar ter plekke aan de nietsvermoedende jongeman uit te huwelijken. Als deze erachter komt dat hij de maîtresse van de koning toebedeeld heeft gekregen, voelt hij zich onteerd, schopt een scène en gaat terug naar het klooster. De verstoten Léonor komt daar uiteindelijk ook terecht, smeekt Fernand om vergeving en sterft de liefdesdood in zijn armen.

De grote rol voor bas is die van Balthazar, de abt van het klooster, tevens een soort voorloper van de Grootinquisiteur, zozeer meent hij zich boven de koning te kunnen stellen. Uit naam van de paus beveelt hij de koning om zijn relatie met Léonor op te geven op straffe van beider excommunicatie.

Dat geeft Alphonse een extra zetje om haar aan Fernand over te doen, die niets vermoedende jongeman komt eigenlijk als geroepen. Het verbale gevecht tussen Alphonse en Balthazar weerspiegelt de strijd om de macht in de christelijke wereld: ligt het primaat bij de koning of bij de paus?

Balthazar wordt goed gezongen door de Italiaanse bas Evgeny Stavinsky, begin 2024 te horen als Vodnik in de nieuwe Rusalka productie van Opéra de Wallonie. Alphonse komt voor rekening van de Franse bariton Mario Cassi, zeker in zijn optreden en muzikaal tot in de puntjes verzorgd. De ‘lagere regionen’ van de partituur waren bij beide heren in goede handen.

De Mexicaanse belcanto tenor Javier Camarena tekent voor de rol van Fernand. Zijn repertoire omvat meer dan 20 belcantorollen en het is goed merkbaar dat hij zich in de rol van Fernand op vertrouwd terrein bevindt. Met veel inzet en groot enthousiasme weet hij een zeer geloofwaardige Fernand neer te zetten. Zijn woede uitbarsting op het moment dat hij ontdekt bedrogen te zijn door de koning, vormt vocaal het hoogtepunt van zijn optreden.

Léonor komt voor rekening van de Italiaanse mezzo Annalisa Stroppa. Ze draagt de voorstelling, zowel zingend als acterend. Uiteindelijk draait alles om haar, ze is de vrouw die bedoeld en onbedoeld de handeling bepaalt.

Bij Stroppa is deze veeleisende rol in zeer goede handen. Met haar lage mezzo kan ze de lage passages goed aan zonder in de hoogte aan kracht te verliezen. Haar grote aria ‘L’ai je bien entendu?’ in de derde akte is een bijna negen minuten durende eruptie van opgekropte emoties die muzikaal perfect worden geëtaleerd, schitterend gedaan.

Teatro Donizetti en dirigent Riccardo Frizza waren er op gebrand de opera zonder coupures te brengen en dat stuitte op verzet van regisseur Valentina Carrasco die van mening was dat een ruim 20 minuten durend ballet tegen het einde van de tweede akte een onbeholpen onderbreking van de handeling zou betekenen aangezien feitelijk alles wordt stilgezet en het publiek bezig wordt gehouden met een niet relevante show van technische hoogstandjes.

Ze kreeg in zoverre haar zin dat het ballet is vervangen door het optreden van een groep oudere vrouwen die nog net niet willekeurig van de straat zijn geplukt. Ze symboliseren de meer dan wat met elkaars kleren bezig zijn en rond hobbelen laten ze niet zien, het is beeldvulling en dan ook nog van dien aard dat ik bij een volgende keer afspelen dit deel gewoon oversla. Geen coupures impliceert een volwaardig ballet, geen flauwekul.

Overigens kan het ballet welzeker een theatrale functie hebben door de handeling te becommentariëren, voorbeelden te over. Maar Carrasco kiest voor het uitlichten van het lot van de vroegere favorieten waarbij ze wellicht onbedoeld suggereert dat de Spaanse koningen uit de 14e eeuw veel van hun Moorse collega’s hadden overgenomen: een completen harem.

De decors laten een klooster zien en door middel van een paar goed gekozen accenten een ruimte die oogt als het Alcazar in Sevilla. Op het emiraat Granada na is de Reconquista voltooid, anderhalve eeuw voor de Reyes Catolicos het laatste zetje zullen geven. De zeer fraaie kostuums zijn het werk van Sylvia Aymonino en de decors zijn ontworpen door Carles Berga en Peter van Praet die tevens verantwoordelijk is voor de belichting.

Het orkest en het koor van de Donizetti Opera, aangevuld met het Coro dell’Accademia Teatro alla Scala zorgen voor de begeleiding. Daarmee is dit een volwaardige uitvoering van een werk uit Donizetti’s middenperiode geworden die als pleitbezorger van deze minder gespeelde grand opéra kan dienen.

Trailer van de productie:

Trailer: to: © Gianfranco Rota

Over Salud, haar passionele liefde en haar korte leven. La vida breve van de Falla

Tekst: Peter Franken

Deze korte opera van de Falla (1876-1946) ging in 1913 in première en is een modern doorgecomponeerd muziekstuk in Spaanse stijl.

De handeling speelt zich af in Granada en draait rond de altijd moeizame verhouding tussen de zigeuners en de burgerij. De mooie zigeunerin Salud is hevig verliefd op Paco, een jongeman uit de gegoede burgerij. Zij weet niet, en hij vertelt dat haar ook niet, dat haar minnaar verloofd is met een vrouw uit zijn eigen sociale klasse.

Haar oom en grootmoeder zijn daar echter zelf achter gekomen en proberen Salud ervan te weerhouden om Paco’s bruiloft te verstoren nadat ze daar zelf ook lucht van heeft gekregen. Het komt tot een confrontatie als Salud als wedding crasher de festiviteiten ruw onderbreekt. Dit tot verbijstering van de bruid en de gasten.

Paco is zozeer van zijn stuk gebracht dat hij Saluds naam noemt. Direct herpakt hij zich en ontkent haar ooit eerder te hebben gezien. Als hij opdracht geeft haar te verwijderen stort Salud in, laat zich aan zijn voeten vallen en sterft aan een gebroken hart. Daarmee geeft de trotse zigeunerin uiting aan haar minachting voor die ontrouwe leugenachtige minnaar.

In de productie die Giancarlo del Monaco in 2012 maakte voor Palau de les Arts Reina Sofia in Valencia krijgt het werk een iets realistischer einde. Salud grijpt een mes uit de handen van haar oom en benadert daar haar ontrouwe lover mee. Ze duwt het in zijn handen en trekt zijn arm naar zich toe waardoor ze zichzelf doorsteekt.

Het is een treffend einde van een doorleefde uitvoering waarin de Chileense sopraan Christina Gallardo-Domas een zeer complete Salud neerzet. Het hele scala aan emoties passeert de revue, fascinerend om naar te kijken en plaatsvervangend te beleven.

De openingsscène toont Salud ten prooi aan twijfel. Zou Paco wel komen, is hij haar niet vergeten. Verliefde mensen kunnen erg onzeker zijn wat zich uit in hevige gevoelens. Zo ook Salud, ze sterft er bijna aan. Haar grootmoeder probeert haar gerust te stellen en inderdaad komt Paco opdagen. Hij benadert zijn zigeunerliefje zoals altijd, de hartstochtelijke minnaar die haar volledig is toegewijd.

Saluds oom weet wel beter en wil hem doden maar grootmoeder weerhoudt hem daarvan. ‘We hebben al problemen genoeg.’ Door een opening in het doosvormige decor dat rood belicht wordt komt een vrouw in bruidsjurk op. Paco stoot Salud van zich af, tilt zijn bruid op en gaat met haar af. Salud stort volledig in.

In diezelfde ruimte, nu wat neutraler belicht, vindt de bruiloft plaats. Een zigeunerin zingt een flamenco en wordt gedanst. Alles lijkt goed te gaan tot Salud arriveert. Met voor haar fatale afloop.

De voorstelling is een triomf voor Gallard-Domas maar ook in de kleinere rollen wordt er uitstekend gezongen en geacteerd. Maria Luisa Corbacho geeft gestalte aan de bezorgde grootmoeder en Felipe Bou aan Saluds oom die Paco het liefst direct een kopje kleiner wil maken en zich ook dreigend gedraagt op de bruiloft. Jorge de León heeft de ondankbare rol van Paco, te vergelijken met die schurkachtige Pinkerton die het publiek van tegenwoordig graag op boegeroep trakteert.

De Monaco staat in zijn producties garant voor authenticiteit en dat bereikt hij hier door een echte flamencozangeres op te voeren met begeleiding door een flamenco gitarist. Esperanza Fernnandez zingt met ongeschoolde schorre stem en Juan Carlos Gómez Pastor ondersteunt haar op klassieke wijze. Het is alsof ze beiden rechtstreeks uit Albaicin komen. Met tien dansers completeert del Monaco de Andalusische couleur locale.

Lorin Maazel heeft de muzikale leiding. Orkest en koor van de Opera in Valencia. Uitgebracht op BluRay door Unitel.

https://exporntoons.net/watch/397380959_456239104

Het leven is kort! Over La vida breve van Manuel de Falla

Joyce DiDonato als La donna del Lago

Tekst: Peter Franken

In 2015 stond Rossini’s La Donna del Lago op het programma van de Metropolitan Opera. Een van de voorstellingen was wereldwijd in de bioscoop te zien in de serie Live in HD. Een opname daarvan is op dvd uitgebracht. Het moet een spectaculaire avond geweest zijn met veel vocaal vuurwerk. 

De handeling van de opera is eenvoudig: drie mannen strijden om de gunst van Elena, de Donna uit de titel. Ze heeft trouw beloofd aan Malcolm maar die is al langere tijd weg, ergens aan het rebelleren tegen de koning. Haar vader heeft haar beloofd aan Rodrigo, leidend krijgsman in de opstand. En plotseling staat een vriendelijke jonge man op de stoep die zich Uberto noemt.

Voor Rossini een uitgelezen gelegenheid om een tenorenduel te schrijven waarin Rodrigo en Uberto elkaar naar het leven staan, overigens zonder echt te beseffen dat ze concurrenten in de liefde zijn.

John Osborn is geweldig op dreef als de alfa male Rodrigo, mooie vertolking met passend assertieve voordracht.

Zijn tegenstrever Uberto krijgt hem vocaal er niet onder maar buiten beeld kennelijk wel. In de apotheose waarin Uberto zich bekend maakt als de koning en iedereen vergiffenis schenkt, zien we Rodrigo niet meer terug.

Juan Diego Flórez weet het publiek op zijn hand te krijgen met een uitstekende vertolking van Uberto alias James V. Hij wordt op slag verliefd op Elena die hij aanvankelijk aanziet voor een bosnimf. Het is een licht ontvlambaar type, die Uberto. Voor de bevrediging van zijn amoureuze gevoelens is hij bereid grote risico’s te nemen.

Regisseur Paul Curran laat hem zo op het oog volledig zijn eigen gang gaan. De kleine handtastelijkheden die hij zich veroorlooft jegens Elena maken duidelijk dat hij gewend is aan een vanzelfsprekende meegaandheid waar het de vrouwen in zijn omgeving betreft. Flórez’ vertolking van Rossini’s vocale capriolen ontaardt nergens in een circusact maar blijft voortdurend geloofwaardig. Uiteraard met hoge goed getroffen noten.

Elena’s vader komt voor rekening van de bas Oren Gradus, geheel in de stijl van de oudere patriarch die geen tegenspraak duldt. Mooie bijrollen verder voor Olga Makarina als Albina en Eduardo Valdez als Serano. Verder een uitstekende bijdrage van het koor van de Met.

Malcolm is een Hosenrolle maar in deze productie draagt de zangeres een kilt, dus geen broek. De kostumering van Kevin Knight suggereert een authentiek kostuumdrama al moet eraan  worden getwijfeld of de kostuums in kwestie 16e eeuws zijn, de periode waarin de handeling zich afspeelt.

Al die mannen in kilts maken een wat onbeholpen indruk, vooral door hun gemiddelde lichaamsomvang. Daniela Barcellona vormt hierop geen uitzondering, ze oogt weinig geloofwaardig als Elena’s love interest maar haar zang maakt veel goed. Malcolm is maar weinig op het toneel maar krijgt steeds een vrij veld als hij verschijnt. Het is een zware rol, zang technisch vooral en dat wordt door het publiek ruimhartig beloond.

Als liefdesobject tussen drie mannen die om haar strijden, al moet de dood erop volgen want zonder haar heeft verder leven immers geen enkele zin meer, is Elena meestentijds onderdeel van een duet of een terzet. Ze is dan wel veel op het toneel, veelal is ze niet agerend maar reagerend waarbij een tegenspeler het voortouw neemt. Aan het begin heeft ze een solo maar pas tegen het einde, als al die mannen haar eindelijk eens met rust laten, krijgt ze de kans zich ongestoord te manifesteren.

Joyce DiDonato is absoluut top in deze voorstelling. Ze werpt zich vol in de moeilijkste passages en het resultaat is elke keer weer verbluffend. Haar coloraturen zijn wellicht niet altijd geheel vlekkeloos maar steeds zo goed als men redelijkerwijs mag verwachten in een live uitvoering.

Acterend komt ze erg overtuigend over, het meisje dat zich moet verweren tegen een overheersende vader, een koning incognito die haar vanaf het eerste moment dat hij in de buurt komt al probeert te kussen, de voor haar uitgekozen echtgenoot die geen misverstand laat bestaan over zijn argwaan en ongenoegen en dan ook nog Malcolm die vooral achter de schermen aan trekt. Didonato laat prachtige mimiek en subtiel klein spel zien, ze is geweldig.

Ondanks de verwoede pogingen van de twee tenoren om haar voor zich te winnen trekt de mezzo aan het langste eind. Refererend aan DiDonato’s stemtype merkt moderator Patricia Racette aan het begin van de avond dan ook een tikje sarcastisch op: ‘Tonight the mezzo gets the mezzo, bad luck for the tenor.’

Het orkest van de Met staat onder leiding van Michele Mariotti.

Euryanthe in Theater an der Wien

Tekst: Peter Franken

In 2018 bracht Theater an der Wien een nieuwe productie van de weinig gespeelde opera Euryanthe van Carl Maria von Weber. Christof Loy had de regie wat min of meer garant staat voor het achterwege blijven van een overdaad aan historische details in de enscenering.

Euryanthe had première in 1823 en volgde zodoende vrij kort op Webers grote succesnummer Der Freischütz uit 1821. Beide werken zijn grote romantische opera’s die het licht zagen in de periode van betrekkelijke rust na de woelige Napoleontische tijden. Dat de voorbije oorlogsperiode diepe sporen nalaat komt in Der Freischütz nadrukkelijk aan de orde maar speelt in de marge ook een rol in Euryanthe.

Waar het in het eerste werk de Dertigjarige Oorlog betreft hebben de protagonisten in Euryanthe net een onbestemde strijd uit de 13e eeuw ergens in Frankrijk achter de rug. Hierin heeft graaf Adolar van Nevers zich weten te onderscheiden en koning Lodewijk IV overlaadt hem met dank en hulde.

Voor de feestvreugde echter kan losbarsten moet Adolar eerst met zijn verloofde Euryanthe worden herenigd die als een trouwe middeleeuwse maagd al die tijd in angst heeft gezeten om haar aanstaande. Een koor prijst Euryanthe zo ongeveer de hemel in en dat wekt de irritatie van graaf Lysiart die om te stangen zijn vraagtekens zet bij de vermeende absolute trouw van Adolars geliefde.

De emoties lopen hoog op en met de koning als arbiter komt het tot een weddenschap. Beide heren zetten al hun bezittingen in waarbij Lysiart moet aantonen dat Euryanthe wel degelijk ontrouw aan Adolar kan zijn als ze in de verleiding wordt gebracht. Daartoe reist Lysiart naar het kasteel waar Euryanthe verblijft met als excuus dat hij door de koning is gezonden om Euryanthe naar het hof te brengen waar ze met Adolar zal huwen.

Onmiddellijk na aankomst worden twee dingen duidelijk. Euryanthe toont zich niet in het minst op enigerlei wijze geïnteresseerd in Lysiart die op zijn beurt als een blok voor haar valt maar zich realiseert dat zijn queeste vruchteloos is. Erger nog, door haar toedoen verliest hij alles dat hij bezit. In een plotselinge emotionele ommekeer krijgt Lysiart zozeer de pest aan die vrouw dat hij zich op haar wil wreken. En daarbij krijgt hij hulp uit onverwachte hoek. Er is nog iemand die een rekening te vereffenen denkt te hebben: Eglantine.

Deze vrouw verblijft om onduidelijke redenen bij Euryanthe en heeft haar vertrouwen kunnen winnen. Ze is eerder door Adolar van de ondergang gered en die heeft haar kennelijk bij zijn verloofde geparkeerd. Eglantine is straalverliefd op Adolar maar die ziet haar niet staan, natuurlijk omdat hij alleen maar aandacht heeft voor die verfoeide Euryanthe. Zo vinden Lysiart en Eglantine elkaar in een complot dat doet denken aan Lohengrin. Euryanthe in de rol van Elsa, een reine vrouw die vals wordt beschuldigd door een gewetenloos duo dat op wraak zint, en die twee anderen als Telramund & Ortrud.

De MacGuffin is een ring op het graf van Adolars overleden zuster Emma die zelfmoord heeft gepleegd toen haar geliefde Udo in de oorlog was gesneuveld. In de middelleeuwen was zelfmoord taboe en bracht grote schande over de nabestaanden. Adolar heeft Emma’s doodsoorzaak in absoluut vertrouwen met Euryanthe gedeeld maar Eglantine heeft haar dit geheim weten te ontfutselen. Als vervolgens Lysiart terugkeert met Euryanthe en Eglantine in zijn kielzog toont hij die van het graf geroofde ring als bewijs voor Euryanthes ontrouw.

Iedereen in alle staten maar vooral Adolar die zich beroofd ziet van zijn verloofde en al zijn bezittingen. Maar meer nog van zijn eer: nu weet iedereen wat er met Emma is gebeurd. Euryanthe heeft haar eed jegens hem gebroken, hem verraden. Emma’s enorme geheim niet hebben kunnen bewaren maakt haar ontrouw aan  Adolar op een wijze die in de middeleeuwse context bijna nog erger is dan gebrek aan seksuele standvastigheid.

Adolar verwijt Euryanthe die eedbreuk zoals Lohengrin doet bij Elsa. Het volk bemoeit zich ermee zoals in Lohengrin en Tannhäuser. Na de nodige verwikkelingen waarin Euryanthe schijndood is en Eglantine haar triomf voortijdig viert door te verklappen wat zij en Lysiart hebben gedaan, kantelt de handeling en worden de ‘goeden’ beloond en de ‘slechten’ gestraft.

Wilhelmina Christiane von Chézy

Het libretto van Helmina von Chézy is gebaseerd op de 13e eeuwse romance ‘L’histoire du très-noble et chevalereux prince Gérard, comte de Nevers et la très-virtueuse et très chaste princesse Euriant de Savoye, sa mye’. Rimski Korsakov zou dit vermoedelijk als titel voor zijn opera hebben gekozen in plaats van Euryanthe.

Chézy’s teksten zijn vaak tenenkrommend en het verhaal hangt van onwaarschijnlijke situaties en absurde wendingen aan elkaar. Naar verluidt heeft Mahler bij gelegenheid van een Euryanthe in de Wiener Staatsoper ooit opgemerkt dat Madame Chézy beschikte over een vol hart en een leeg hoofd. We kunnen ons dus maar het beste op de muziek richting van dit romantische drama.

In tegenstelling tot Der Freischütz kent Euryanthe geen dialogen. Weber zet een stap vooruit van Spieloper naar een doorgecomponeerd werk. Behalve inhoudelijk zien we ook op dit punt duidelijke overeenkomsten met Lohengrin. De stijl is puur romantiek en er zijn nauwelijks stukken die het karakter hebben van een reguliere aria. Overigens is de muziek weinig gevarieerd, verloopt vaak volgens hetzelfde patroon: nerveus met horten en stoten opklimmend tot een climax, denk aan ‘Leise leise fromme Weise’.

De handeling in Theater an der Wien speelt zich af in een witte diepe zaal met hoge wanden en een deur achterin. Er staat een eenvoudig ijzeren bed en een vleugel. Alleen dat bed heeft een functie. Daar spelen diverse scènes zich af waarin de protagonisten één op één elkaar het leven bemoeilijken.

De kostumering van Judith Weirauch is stemmig eigentijds, zoals we dat in de producties van Loy gewend zijn. Het liefst laat hij iedereen in smoking rondlopen, zo lijkt het wel eens. De reine maagd Euryanthe in gedeeltelijk wit, het serpent Eglantine dat ze aan haar boezem koesterde in een prachtige rode jurk. Lysiart begint zich zodra hij Euryanthe ziet direct uit kleden. Als de tweede akte begint ligt zij op dat bed en draait hij er geheel naakt omheen.

De titelrol wordt zeer standvastig vertolkt door Jacquelyn Wagner, geheel conform het karakter van haar personage. Weber heeft voor de sopraan een veeleisende partij geschreven maar Wagner weet daar uitstekend raad mee. Ze is een rots in de branding in de rommelige handeling.

Eglantine komt voor rekening van mezzo Theresa Kronthaler, een beauty met een stem die zeer goed zingt en acteert maar tevens een perfecte typecast is.

Bariton Andrew Foster Williams begint als een recalcitrante edelman die jaloers is op alle aandacht die Adolar indirect krijgt met dat gedoe om die fantastische verloofde van hem, en natuurlijk ook zijn doorslaggevende rol in het winnen van de oorlog. Vervolgens verkeert hij in ‘a man scorned’ die op wraak zint en eindigt als een verstotene. Hij doorloopt deze rollercoaster op herkenbare wijze en weet dat in alle stadia voortreffelijke door zijn zang te ondersteunen. Hij is de beste man van het veld.

Zijn rivaal Adolar doet eigenlijk weinig meer dan achter de feiten aanlopen. Weber geeft hem veel te zingen en Norman Reinhardt brengt zijn partij vaak handenwringend of gewoon verbijsterd met verve over het voetlicht. Stefan Cerny geeft een goede vertolking van Lodewijk IV, de pendant van Heinrich der Vogler.

Constantin Trinks geeft leiding aan het prachtige spelende ORF Radio-Symphonieorchester Wien en het Arnold Schönberg Chor.

cd:

Voortreffelijke Euryanthe uit Wenen

Die Regie hat das Wort oftewel Thaïs van Konwitschny uit Theater an der Wien

Tekst: Peter Franken

In 2021 ging in Wenen een nieuwe productie van Massenets opera Thaïs. De regie was in handen van Peter Konwitschny. Decors en kostuums kwamen voor rekening van Johannes Leiacker. Dit gerenommeerde duo stond voor de taak om ondanks alle corona gerelateerde beperkingen een volwaardige productie af te leveren. Daar zijn ze redelijk in geslaagd. Een opname zonder publiek is op Bluray uitgebracht door Unitel.

Het libretto van Thaïs is gebaseerd op de gelijknamige roman van Anatole France uit 1890. Daarin wordt het losbandige leven, de bekering door toedoen van een doortastende monnik en de boetedoening van de legendarische courtisane Thaïs beschreven. Deze vermoedelijk historische figuur leefde in de vierde eeuw in Alexandrië en werd later heilig verklaard. Santa Thaïs heeft een reputatie die ruwweg te vergelijken is met die van Maria Magdalena.

Anatole France voegde een geheel nieuwe dimensie aan het verhaal toe door de monnik in kwestie verliefd te laten worden op zijn ‘bekeringsproject’ waardoor hij weliswaar haar ziel redt maar de zijne verspeelt. ‘Eeuwig leven en zielenheil, wat doet het er toe. De enige echte liefde is die tussen levende mensen’ zingt hij vertwijfeld.

De handeling speelt zich in Wenen af op een vrijwel leeg toneel met een groot gordijn als achterdoek. Door dit gedeeltelijk opzij te schuiven of op te halen kunnen personages of zelfs een geheel koor snel opkomen en afgaan.

Athanaël maakt zijn opwachting in Alexandrië bij zijn jeugdvriend Nicias die toevallig net ten koste van zijn complete (?) vermogen een week exclusieve aandacht van Thaïs heeft weten te verwerven. Het wordt zijn laatste avond met haar en hij is niet te beroerd die verdwaasde monnik aan haar voor te stellen.

Het huis van Thaïs wordt slechts geduid door een kleurige sofa. Haar rijkdom moeten we aflezen aan een exuberant kostuum, getooid met rode vleugels. Alle anderen lopen ook met vleugels rond maar die ogen veelal wat meer ingehouden. De menigte is modern stemmig gekleed, met witte vleugels. Ter onderscheid lopen alle monniken rond in het zwart met bijpassende vleugels. Wellicht wordt hier bedoeld dat je niet perse in een klooster hoeft te leven om een engel te kunnen zijn.

Athanaël begint voortvarend aan zijn missie om Thaïs terug tot het christelijk geloof te brengen door haar levenswijze af te kraken en haar een prachtig bestaan in het hiernamaals voor te spiegelen. Konwitschny heeft echter zo zijn twijfels over wat er in het hoofd van die monnik omgaat.

Athanaël gaat zo tekeer dat hij Thaïs angst inboezemt. Zij zingt ‘Pitié, ne me pas de mal’. De regie laat hem haar zonder pardon verkrachten en vervolgens wordt hij door haar bereden. Dat gebeurt natuurlijk niet in werkelijkheid maar zo wordt op niet mis te verstane wijze getoond dat hij niet denkt wat hij zegt. Later geeft hij dat toe: ‘Het was een leugen. Er is geen hiernamaals, alleen het leven telt.’

Aanvankelijk wil Thaïs er allemaal niets van weten maar tijdens een droom, begeleid door de overbekende vioolsolo ‘Meditation’, komt ze tot inkeer en laat zich door Athanaël wegvoeren naar de woestijn met achterlating van al haar bezittingen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Ze wil een beeldje meenemen dat Eros voorstelt. Het wordt hier voorgesteld door een klein jongetje met een pijl en boog dat zo nu en dan gezellig bij Thaïs op schoot kruipt. Als Athanaël hoort dat ze het ooit van Nicias heeft gekregen, dat verdorven heidense individu, ontsteekt hij in woede en schiet het jongetje neer.

De menigte krijgt lucht van Thaïs’ vermeende ontvoering en wil die beletten. Athanaël schiet wild in het rond om hen op afstand te houden maar het volk komt pas tot bedaren als Nicias arriveert met een kruiwagen vol geld dat hij begint rond te strooien. Kennelijk had hij nog iets achter de hand gehouden.

Muzikaal doet Thaïs me zo nu en dan denken aan Manon, een van Massenets grote succesnummers. Als ze zichzelf in de spiegel bekijkt en zingt ‘Dis-moi que je suis belle’ hoor ik echo’s van ‘Je marche sur tous les chemins’. Ook scenisch is er een parallel: beide dames slepen zich aan het einde voort door een woestijn. Manon sterft, Thaïs bereikt nog net het nonnenklooster waar Athanaël haar naar toe brengt. De scène waarin hij terugkeert in zijn eigen klooster is gecoupeerd. We zien en horen hem direct aansluitend van zijn geloof afvallen.

Nicole Chevalier is niet helemaal opgewassen tegen de eisen die de titelrol aan haar stelt maar houdt zich toch vrij goed staande. Hetzelfde kan worden gezegd van Josef Wagner als Athanaël. Roberto Sacca geeft een goede vertolking van Nicias. De overige rollen zijn adequaat bezet.

Dirigent Leo Hussain geeft leiding aan het Arnold Schoenberg Chor en het ORF Radio-Symphonieorchester Wien. Al met al toch een wat tegenvallende Thaïs, ik had me er in elk geval meer van voorgesteld.

Productiefoto’s: © Werner Kmetitsch


Een paar woorden over Thaïs van Massenet


Pakkende Thaïs uit Venetië

Nieuwe productie van De vuurengel op Blu-ray verschenen

Tekst: Peter Franken

In het voorjaar van 2021 ging in Theater an der Wien een nieuwe productie van Prokofjevs opera The fiery angel in een enscenering van Andrea Breth. Unitel heeft hiervan recent een opname op Blu-ray uitgebracht.

Sergej Prokofjev baseerde het libretto van zijn opera op de gelijknamige roman van Valeri Brjoesov uit 1908. Hij werkte er met tussenpozen van 1919 tot 1929 aan maar tot een opvoering kwam het tijdens zijn leven niet. De scenische wereldpremière vond pas plaats op 29 september 1955 in het Teatro La Fenice.

De vuurengel vertelt het verhaal van een vrouw die als kind is bezocht door een schitterende verschijning, die ze voor een engel hield. Ze kon het goed met hem vinden en elke keer als hij terugkwam, speelden ze gezellig allerlei spelletjes.

Maar als het meisje Renata een jonge vrouw wordt, wil ze meer dan dat. Ze wil zich lichamelijk met deze geestverschijning verenigen. De engel weigert dit, maar belooft dat hij over enige tijd zal terugkeren in de gedaante van een gewone man die aan haar wens zal voldoen.

In graaf Heinrich meent Renata haar engel te herkennen, maar na een jaar verlaat hij haar zonder ooit nog iets van zich te laten horen. Dat brengt haar volledig uit haar evenwicht, ze begint te zwerven en schreeuwt voortdurend in haar slaap. Een passant die toevallig met haar in een zelfde herberg logeert trekt zich haar lot aan en raakt gaandeweg geheel verstrengeld met Renata en haar onoplosbare problemen.

Deze Ruprecht helpt bij het zoeken naar Heinrich, maar probeert feitelijk Renata ertoe te brengen die hersenschim op te geven en voor hem te kiezen. De handeling voltrekt zich vervolgens in Keulen, waar ze samen Heinrich proberen te vinden. Daar wordt ook de metafysicus Doktor Agrippa von Nettesheim geraadpleegd. Uiteindelijk komt Renata in een nonnenklooster terecht waar ze door een inquisiteur wordt berecht.

De grens tussen waanbeelden en werkelijkheid is in het verhaal flinterdun, er gebeuren de meest vreemde dingen als Agrippa ten tonele verschijnt en later maken ook Faust en Mephistofeles nog hun opwachting. Breth heeft daarom gekozen voor een psychiatrische inrichting als plaats van handeling. De personages die in het libretto worden benoemd zijn hier allemaal aanwezig waarbij de toeschouwer zich kan afvragen of er wezenlijk onderscheid gemaakt kan worden tussen patiënten en medisch personeel.

Door de handeling zo nadrukkelijk te beperken tot een kliniek haalt Brett feitelijk de angel uit het stuk. De toeschouwers weten zich veilig, het zijn de anderen die van het pad zijn, niet zijzelf. Volgt men het libretto wat nauwkeuriger dan ontstaan er meer mogelijkheden om het publiek te ontregelen.

In dat opzicht was de benadering van regisseur Immo Karaman in zijn productie voor Deutsche Opera am Rhein beter geslaagd. Daarin werd voortdurend gesuggereerd dat bepaalde scènes zich op andere locaties afspelen, maar steeds blijkt de toeschouwer op een dwaalspoor te zijn gebracht en bevindt iedereen zich nog steeds in een sanatorium.

Prokofjev beoogde naar verluidt de vierde wand ten minste gedeeltelijk te slechten zodat het publiek zich kon gaan afvragen of het deel uitmaakte van die wereld die uit zijn voegen was geraakt. Bij Brett is daar van meet af aan geen sprake van, het blijft bij aapjes kijken.



Deze instelling wordt getoond als een krankzinnigengesticht in de benadering van een griezelfilm. Er zijn sjofele, rond schuifelende stakkers te zien, die schokkende bewegingen maken en ongecontroleerde geluiden uitstoten. Renata koestert een knuffelbeer die ze voor haar Heinrich houdt en lijkt bij vlagen delirisch. Geen cliché wordt geschuwd, ook een kringgesprek zoals in One flew over the cuckoos nest ontbreekt niet.

Het decor bestaat grotendeels uit ijzeren ziekenhuisbedden die in de slotscène aan elkaar gelast een hoge toren vormen waarin de nonnen (ook patiënten) zich aan duivelse extase mogen overgeven. Eigenlijk is het toneelbeeld tamelijk onaangenaam om naar te kijken, wit, grijs, kil, afstotend.

Renata komt voor rekening van Ausrine Stundytre, een rol die haar op het lijf geschreven is. Ze is een absoluut theaterdier dat beslist tegen een stootje kan. En dat komt hier heel goed van pas. Haar zang en acteren zijn geheel in lijn, ze zet een geestelijk ontspoorde vrouw neer en je twijfelt er geen moment aan of ze is dat ook werkelijk. Van haar Elektra in Salzburg en Heliane in Gent was ik veel minder onder de indruk, Renata geeft haar de kans echt uit te blinken.

Ruprecht wordt vertolkt door Bo Skovhus, eveneens een veeleisende rol die hij een geloofwaardige invulling weet te geven.

Nikolai Schukoff speelt Agrippa en Mephistofeles alsof het een en dezelfde persoon is, niet vreemd natuurlijk voor een patiënt in een inrichting die is opgenomen vanwege een gespleten persoonlijkheid en mogelijk nog veel ernstiger problemen. Je ziet bijna de waanzin in zijn ogen en zijn zang is uitstekend verzorgd.

Natasha Petrinsky loopt rond in witte jas en hanteert achteloos een injectiespuit. Formeel speelt ze de herbergierster en de abdis maar hier is ze het enige personage dat herkenbaar niet tot de patiënten behoort. Met ook nog eens strak achterover gebonden haar en een bril boezemt haar verschijning angst in, mooi gedaan. Ze heeft niet veel te zingen maar doet dat adequaat. Dat geldt ook voor de overige bijrollen.

We horen het ORF Radio-Symphonieorchester Wien en het Arnold Schoenberg Chor. Constantin Trinks heeft de muzikale leiding.

Vooral door toedoen van Stundyte, Schukoff en Skovhus de moeite van het bekijken waard.