Peter Franken

De verovering van Mexico door de romantische ogen van Spontini: Fernand Cortez

Tekst: Peter Frank

© Gees Voorhees, de Volkskrant

Kort na de première van La Vestale in 1808 kreeg Spontini op instigatie van Napoleon Bonaparte en keizerin Joséphine de opdracht voor een opera over Fernando Cortez, de veroveraar van Mexico.

Het werk had première in 1809 maar Spontini bleef er tot 1840 aan werken. De versie uit 1817 werd in de 19e eeuw echter gezien als de definitieve.

De opname uit Florence betreft een reconstructie van het origineel uit 1809. De kritiek die indertijd werd geuit door de zangers dat veel passages te lang werden uitgesponnen waardoor het moeilijk was de eigen aandacht en die van het publiek vast te houden, kan ik na het afspelen van deze Blu-ray wel begrijpen.

Naast zich eindeloos voortslepende recitatieven en aria’s is er bijna een uur balletmuziek, met hier en daar wat koorzang erin, op een totale speelduur van drie uur. Ook al heeft zo’n ballet wel een verhalende functie, dan nog is het erg lang naar huidige maatstaven gemeten.

De opera behandelt de korte periode na het initiële succes van Cortez doordat de Azteken in hem en zijn krijgers een soort goddelijke gezant zien. De Spanjaarden van hun kant vinden die indianen maar een stel wilden die leven nog in het bronzen tijdperk en brengen zeer wrede mensenoffers aan hun goden. Maar inmiddels is de status quo dat men elkaar ziet als normale tegenstanders in een gevecht om macht en territorium.

Cortez heeft hulp gekregen van een naburig volk dat door de Azteken werd onderdrukt en Moctezuma moet nu alles op alles zetten om hem terug de zee in te drijven. Het aspect van verbroedering krijgt een gezicht in de persoon van Amazily die door Cortez van de dood is gered toen zij op het punt stond in de Aztekentempel geofferd te worden. Haar broer Télasco vertegenwoordigt de kant van de Azteken en in een later stadium maken we ook kennis met de Hogepriester. Moctezuma blijft buiten beeld, is feitelijk ondergeschikt aan de priesterkaste.

In een zeer lang ballet proberen Mexicaanse vrouwen op instigatie van Télasco de soldaten van Cortez op te vrijen wat aardig lukt. Cortez ziet het gevaar en zet er een soort militair ballet tegenover om zijn superioriteit op het punt van oorlogvoering te tonen.

Maar Cortez’ broer wordt in de tempel gevangen gehouden en de Hogepriester is slechts bereid hem vrij te laten als de afvallige Amazily wordt uitgeleverd en alsnog geofferd. Cortez gijzelt op zijn beurt Télasco en zet de aanval in op de stad Mexico. Om zijn vastberadenheid te tonen heeft hij kort daarvoor al zijn schepen in vlammen laten opgaan, de dood of de gladiolen.

Het eindigt met de overwinning van Cortez die met een breed gebaar iedereen tot bondgenoot probeert te maken. Een nieuw tijdperk breekt aan met een nieuwe godsdienst die geen mensenoffers eist. Zijn adjudant Moralez wordt echter tijdens de ouverture en het naspel (weer een ballet!) opgevoerd als oude man die terugkijkt op de gebeurtenissen en benadrukt dat de latere kijk erop vooral een propagandistisch succes van de grote conquistador Cortez is geweest.

De decors tonen schepen op de achtergrond die later in brand vliegen. Een compleet maisveld wordt het toneel op geduwd waaruit een zwerm vrouwen opduikt die de soldaten gaan bewerken onder toeziend oog van Télasco. Verder wordt gewerkt met achtergrondprojecties en een basaal vormgegeven tempel.

De Spanjaarden gaan in kuras, de Mexicanen zijn wat toegetakeld met verf en veren. De vrouwen zijn vooral zeer kleurrijk gekleed met uitzondering van Amazaly die al een beetje Spaans is geworden en zelfs een kruis aan een ketting draagt.

Aanvankelijk doet de zang van Cortez me vagelijk denken aan Enée in Les Troyens, ook een avonturier op jacht naar roem. Wellicht heeft Spontini zijn latere collega Berlioz weten te inspireren. Anderzijds klinkt ergens in de zang van Amazaly met enige fantasie Glucks aria ‘Malheureuse Iphigénie’ door. Maar merkwaardig genoeg roept het werk niet of nauwelijks het klankbeeld van La Vestale bij me op.

De Argentijnse tenor Dario Schmunck zet een zeer solide Cortez neer, is ook qua postuur en uitstraling geknipt voor deze rol. Hij draagt grote delen van de opera en aangezien de handeling nogal eens inzakt is dat geen sinecure.

Interview met Dario Schmunk :

De Griekse sopraan Alexia Voulgaridou zingt een zeer goed verzorgde Amazaly maar mist de uitstraling die haar personage enige overtuigingskracht zou kunnen geven. Ze heeft lange solo’s te zingen, te lang zal men in 1808 hebben gedacht, en weet daarin de spanning redelijk vast te houden. Maar de dramatiek die we verwachten met een ‘Tu che invoco’ uit La vestale in ons achterhoofd blijft lang uit. Pas in haar grote aria ‘Dieu terrible. Prêtre jaloux’ als ze besluit zich voor Cortez’ broer op te offeren, tegen diens wil overigens, klinkt de ernst van de situatie in de zang door.

Koorzang en balletten zijn goed verzorgd. Het orkest van Maggio Musicale Fiorentino geeft voor zover ik kan beoordelen een goede weergave van Spontini’s partituur. Het is moeilijk er iets meer over te zeggen, ik hoorde het werk voor het eerst.

De muzikale leiding is in handen van Jean-Luc Timgaud.

Trailer:


Foto’s van de voorstelling © Michele Monasta

Erkend Europa in de hoofdrol

Tekst: Peter Franken

Antonio Salieri (175-1825) schreef meer dan veertig opera’s, lange tijd allemaal vergeten. Nadat Salieri als persoon weer enigszins in de belangstelling kwam te staan zijn er voorstellingen geweest van zijn opera’s Tarare en Falstaff, beiden op dvd verkrijgbaar. Inmiddels is daar een derde bijgekomen: Europa riconosciuta.

Poster van de première bij de inauguratie van La Scala op 3 augustus 1778

Dit werk werd in 1778 geschreven ter gelegenheid van de opening van het Nuovo Regio Ducal Teatro di Milano, tegenwoordig La Scala. Sindsdien werd het nooit meer opgevoerd.

Riccardo Muti besloot in 2004 de opera nieuw leven in te blazen ter gelegenheid van de heropening van de Scala, nadat het theater een aantal jaren gesloten was geweest in verband met een grondige renovatie. Vreemd genoeg heeft het twaalf jaar geduurd voordat de opname van die première op dvd werd uitgebracht.

Dat Europa riconosciuta (‘Europa erkend’) meer dan twee eeuwen veronachtzaamd is, heeft niets te maken met de kwaliteit van het werk. Het is een uiterst fraai voorbeeld van een klassieke opera seria met een mythologisch thema, zoals er zo veel zijn geschreven. Maar om het goed te bezetten is een heksentoer. De muziek is geschreven voor twee coloratuursopranen, de koninginnen Semele en Europa, die allebei in staat moeten zijn tot vocale acrobatiek van de hoogste orde, met een F en voor Europa zelfs een hoge G als topnoot.

Riccardo Muti zou vermoedelijk nooit zijn plan om de opening van 1778 te emuleren hebben doorgezet als hij niet had kunnen beschikken over iemand als Diana Damrau voor de rol van Europa. Als Semele werd de toen nog zeer jonge Désirée Rancatore aangetrokken, en ook hierin had Muti een gelukkige hand.

De oorspronkelijk voor castraat geschreven partijen van Asterio en Isséo werden heel mooi vertolkt door respectievelijk de mezzosopranen Genia Kühmeier en Daniela Barcellona. Giuseppe Sabbatini vertolkte de rol van ‘bad guy’ Egisto, met een bijna baritonale laagte in de passages waarin zijn minder prettige karakter doorklinkt.

“The Abduction of Europa” by Johann Heinrich Tischbein the Elder (1722–1789)

In de Griekse mythologie is Europa een Fenicische prinses die door Zeus – in de gedaante van een stier – wordt ontvoerd naar Kreta, waar zij hem twee kinderen baart. Wat aardser is de operaversie, waarin Europa wordt ontvoerd door koning Asterio, die haar meeneemt naar zijn rijk op Kreta, daar met haar trouwt en een zoontje bij haar krijgt.

De problemen ontstaan als het koppel terugkeert naar Fenicië om Europa’s rechten op de troon op te eisen. Die zijn inmiddels overgegaan op haar nicht Semele, die haar positie wil versterken door de veldheer Isséo naast zich te plaatsen als koning. Het geval wil echter dat Isséo en Europa op het punt stonden te trouwen toen zij ontvoerd werd. Het weerzien leidt tot veel problemen, waar Egisto, een andere Fenicische veldheer, een slaatje uit probeert te slaan.

‘Va coll’aura scherzando’:  Desirée Rancatore (Semele) en Giseppe Sabbatini (Egisto):

Europa geeft Isséo te kennen dat hij haar uit zijn hoofd moet zetten en met Semele moet trouwen. Als hij aarzelt, maant zij hem zich te vermannen en een voorbeeld aan haarzelf te nemen. Zij heeft zich geschikt in haar lot, heeft trouw gezworen aan haar echtgenoot en is nu moeder van diens kind. Maar als Isséo afdruipt, laat Europa haar werkelijke gevoelens zien in de aria ‘Numi, respiro… Ah, lo sento’. Dit is een absolute showstopper, op zich al voldoende reden om deze dvd aan te schaffen.

Aangezien er bij de feestelijke opening van het seizoen, tevens heropening van het theater, liefst ook een rol moest zijn weggelegd voor het ballet van La Scala werd aan het einde van de eerste akte een groot dansnummer ingelast.

Gedurende bijna twintig minuten was een omvangrijk corps de ballet in fantasiekleding – eind achttiende eeuw, met Grieks ogende hoofdtooi – te zien, gevolgd door een optreden van twee solisten. Niet onaardig, maar zonder enige relevantie met de opera. Hiervoor was balletmuziek opgediept die Salieri ooit voor een andere gelegenheid had gecomponeerd.

De regie van deze productie was in handen van Luca Ronconi. De decors en kostuums waren ontworpen door Pier Luigi Pizzi. Pizzi had ruim gebruikgemaakt van de nieuwe technische mogelijkheden die het theater bood na de renovatie. Al met al zijn er zo’n twintig scènewisselingen bij geopend doek, allemaal heel snel en feilloos uitgevoerd.

Tijdens de ouverture is een schip te zien dat in tweeën splijt, een metafoor voor schipbreuk. Verder zijn er veel gesloten trappen op beweegbare plateaus. In de tweede akte is er als achtergrond een stellage met open trappen tegen de achterwand.

Alle hoofdfiguren zijn schitterend gekleed, waarbij Semele als regerend koningin wordt verwend met meerdere glitterjurken, bij elke verschijning weer een andere.

Het koor en het orkest gaven onder leiding van Muti de solisten de noodzakelijke ondersteuning. Het publiek reageerde luidruchtig enthousiast. Niettemin is sindsdien van Europa riconosciuta niets meer vernomen, tot deze dvd door Erato werd uitgebracht. Een mooie gelegenheid om met het werk van Salieri nader kennis te maken. 

In alle opzichten mooie Roméo et Juliette in Salzburg

Tekst: Peter Franken

In 2008 stond Gounods grote romantische opera op het programma van de Salzburger Festspiele. Rolando Villazón zou bij die gelegenheid in Salzburg herenigd worden met Anna Netrebko waarmee hij in 2005 zoveel succes had geboekt in La traviata. Het mocht niet zo zijn, Netrebko moest afzeggen wegens zwangerschap. Geen nood, opkomst Nino Maichadze, een tot dan toe minder bekende sopraan die hier haar spreekwoordelijk invalmoment beleefde.

Photo © Ralph Orlowski/Getty Images)

De nog pas 25 jarige Georgische oogt en acteert als een tiener en zingt alsof ze al jaren actief is op de grote podia. De chemie tussen de twee lovers is aanstekelijk en op hun zang valt niets aan te merken: a perfect pair in alle opzichten. Met Villazon zou het al vrij snel bergafwaarts gaan vanwege chronische stemproblemen.

Maichadze is tot op heden een veelgevraagde sopraan met zo nu en dan een opmerkelijke repertoire keuze. Zo zong ze in 2024 bij Oper Frankfurt tweemaal Desdemona: zowel in de versie van Rossini als van Verdi.

Photo © Ralph Orlowski/Getty Images)

Regisseur Bartlett Sher en kostuumontwerper Catherine Zuber hadden zich naar eigen zeggen laten inspireren door Fellini’s film Casanova en een van de figuranten is dan ook uitgedost als deze archetypische rokkenjager. Om die reden is het verhaal verplaatst van de zestiende naar de achttiende eeuw.

Trailer van Felini’s Casanova:



Het moet gezegd, van die kostuums is zeer veel werk gemaakt en alle spelers zien er prachtig uit, al loopt Juliette om onduidelijke redenen na afloop van de eerste akte verder in een nachtjurk. Overigens moet mij van het hart dat de Fellini-citaten ons wel erg vaak om de oren vliegen, zijn verzameld werk wordt een must voor elke recensent.

Het toneel van de Felsenreitschule is ondiep wat de scènes met koor en figuranten tot een drukke onoverzichtelijke boel maakt. Sowieso was het beter geweest deze grote vijf-akter in het Großes Festspielhaus te programmeren. Nu moet alles in de breedte worden uitgespeeld wat soms tamelijk geforceerd overkomt, zeker in de schermscènes. In 2016 zou de productie worden overgenomen door de Metropolitan Opera en voor die gelegenheid werd door Michael Yeargan een nieuw decor ontworpen waarin de enscenering meer tot zijn recht kwam.

Roméo et Juliette is zo ongeveer het ultieme liefdesverhaal en behoeft geen enkele actualisering om het schrijnend karakter van deze geschiedenis bij de huidige toeschouwer ‘binnen te laten komen’. Geheel in overeenstemming daarmee volgt Bartlett keurig het libretto, afgezien dan van die ‘Casanova-aanpassing’.

Ik moest gaandeweg de voorstelling denken aan de uitspraak over opera van componist en intendant Rolf Liebermann in het liber amicorum voor Hans de Roo: ‘Het is de edelsteen in het bloeiende bloembed van de cultuur, een noodzakelijke luxe die het de mensen gemakkelijker maakt het hoofd te bieden aan de agressies van de maatschappij, een toverschip naar de oevers van de verbeelding. Een noodzakelijke luxe.’ Toepasselijker kan het haast niet dezer dagen.

Wat opvalt is de kwaliteit van de gespeelde gevechten. Als hiervoor gespecialiseerd personeel was ingezet had het er nauwelijks geloofwaardiger uit hebben kunnen zien. Mooi ook om vast te stellen dat er gewoon doorgezongen wordt tijdens het vechten. Elkaar beledigen is immers net zo belangrijk als elkaar verwonden, doden komt niet op de eerste plaats, dat is meer een bedrijfsongeval.

De rollen zijn over de gehele linie goed tot zeer goed bezet. Behalve de twee titelfiguren treedt Mikhail Petrenko op als Frère Laurent, oogt beetje jong maar compenseert dit met een perfecte voordracht die geen tegenspraak duldt.

Falk Struckmann is een opvallende keuze voor Le Comte Capulet maar het gaat hem goed af. Hij zingt in welluidend Frans en weet zijn stempel op de scènes te drukken waarin hij opkomt. Zijn flinke vibrato neem ik maar op de koop toe.

Russel Braun krijgt als Mercutio zelfs een open doekje voor zijn verhaal over reine Mab, niet eenvoudig om dit moeizame nummer tot leven te brengen.

Cora Burggraaf krijgt eveneens een warm onthaal na haar ‘Que fais tu, blanche trourterelle?’ Juan Francisco Gatell maakt van zijn Tybalt een ongelofelijke eikel, mooie typering, prima spel.

Yannick Nézet-Séguin heeft de muzikale leiding. Hij staat voor het Mozarteum Orchester Salzburg en het Konzertverein Wiener Staatsopernchor. Zij completeren het muzikale succes van de voorstelling.  

Laatste scène:


Bonus: dood van Juliette in verschillende talen



Ik ben Nino Machaidze!

Romeo en Julia volgens Gounod, Bellini en Zandonai

Alfano’s Risurrezione biedt Russisch verismo

Tekst: Peter Franken

Franco Alfano componeerde zijn opera Risurrezione begin 20e eeuw. Het werk op een libretto van Cesare Hanau is gebaseerd op de ‘gelijknamige’ roman van Tolstoi uit 1899.

De première vond plaats in 1904 in Turijn. Met deze keuze sloot Alfano aan bij zijn collega Giordano die een vergelijkbaar onderwerp had gekozen voor zijn Siberia (1903). Ook diens Fedora (1898) past in de grote belangstelling voor Russische dramatiek die in die tijd opgeld deed. Verbanning naar een strafkamp in Siberië na een dramatische gebeurtenis is ook aan de orde in Lady Macbeth van Sjostakovitsj terwijl Janaceks Aus einem Totenhaus zich concentreert op de gebeurtenissen in zo’n kamp.

Door Dynamic is een opname uitgebracht van een voorstelling in Teatro del Maggio Musicale Fiorentina in januari 2020. Het betreft een productie die door Rosetta Cucchi is gemaakt voor het Wexford Festival. Het decor is van Tiziano Santi en de kostuums werden ontworpen door Claudia Pernigotti.

De eerste akte laat Prins Dimitri na lange tijd weer eens logeren bij zijn tante op het platteland. Daar ziet hij zijn vroegere speelkameraadje Katerina terug, een boerenmeisje dat inmiddels tantes gezelschapsdame is en door Dimitri Katyusha wordt genoemd.

Ze had een crush op hem en laat zich na enige fysieke aandrang door hem verleiden. Als Dimitri de volgende ochtend naar het front vertrekt om tegen de Turken te vechten laat hij honderd roebel voor haar achter. Alsof hij haar heeft willen betalen voor de seks.

Nogal voorspelbaar in zo’n verhaal wordt Katyusha zwanger na deze one night stand met als gevolg dat ze door Dimitri’s tante op straat wordt gezet. Als ze hoort dat Dimitri gewond is en bij zijn tante komt herstellen krijgt ze hoop. Hij moet echter al direct weer vertrekken en haar enige kans is nu dat ze hem op het station kan ontmoeten. Daar ziet ze Dimitri in gezelschap van een prostitué en bovendien wordt ze door het spoorwegpersoneel bij de instappende reizigers weggehouden. Deze tweede akte speelt zich af op het station.

De derde akte toont een vrouwengevangenis met vrouwen achter een groot aantal naaimachines. Katyusha is de nieuwkomer in hun gezelschap na haar veroordeling tot 20 jaar strafkamp in Siberië. Voor haar is dit gevang slechts een tussen station. Na de geboorte van haar kind, dat inmiddels is gestorven, is ze in een bordeel terecht gekomen waar ze in korte tijd de favoriet werd van een groot aantal vermogende klanten. Ze schept erover op, mooie kleren, prachtige kamer, juwelen en zo meer. Ze is er vals van beschuldigd een klant te hebben vergiftigd en die dubbele tegenslag in haar leven heeft Katyusha onherkenbaar veranderd.

Van een lief onschuldig meisje is ze geworden tot een rauw scheldend ‘viswijf’ dat aan alles en iedereen lak heeft. Als ze wat geld door een bewaker krijgt aangereikt dat is gestuurd door haar vroegere madam koopt ze daar onmiddellijk aquavit voor dat ruimhartig wordt verdeeld onder de medegevangenen.

Als iedereen is afgemarcheerd om de mis bij te wonen verschijnt Dimitri. Hij laat Katyusha terughalen om met haar te kunnen spreken. Ze wil hem niet herkennen en bezweert dat ze Maslava is, haar bordeelnaam. Gaandeweg trekt ze bij, wil weten wat hij komt doen. Dimitri vertelt dat hij jurylid was bij haar proces en weet dat ze onschuldig is. Aan de herroeping van het vonnis wordt gewerkt. Katyusha schoffeert hem op alle mogelijke manieren en als hij al weg wil gaan vertelt ze hem over zijn dode zoon. Overmand door schuldgevoel vraagt hij haar om met hem te trouwen. Katyusha heeft liever wat roebels en dan oprotten graag.

De vierde akte speelt zich af in een kamp in Siberië in de omgeving van Tomsk. Een zeer empathische medegevangene Simonson is verliefd op Katyusha geworden. Ze is tot zichzelf teruggekeerd, is weer haar vroegere zelf, de volwassen versie van het lieve meisje van weleer. Als Dimitri verschijnt met een brief waarin staat dat ze is vrijgesproken vertelt Simonson hem dat hij met haar wil trouwen. Hij beseft dat ze dat nooit zal doen als Dimitri haar niet wil opgeven. Die stelt Kayusha voor de keus. Ze verklaren elkaar alsnog hun liefde maar Katyusha besluit niettemin bij Simonson te blijven. Als vrij persoon om medegevangenen bij te staan. Het is haar persoonlijke ‘wederopstanding’.

De cast heeft een enorme omvang door het grote aantal bijfiguren, van huishoudelijk personeel tot gevangenisbewaarders. Verder staan er veel koorleden op het toneel die dubbelen als figuranten.

De drie hoofdrollen komen voor rekening van een sopraan, tenor en bariton waarbij de bariton deze keer aan het langste eind trekt.

De Koreaanse bariton Leon Kim geeft een roerende vertolking van Simonson, geheel in overeenstemming met dit van empathie overlopende personage. Tegen hem blijkt Prins Dimitri uiteindelijk niet opgewassen. Katyusha houdt dan wel van hem maar hij vertegenwoordigt haar vroegere leven. Daarvan heeft ze definitief afscheid genomen. De Amerikaanse tenor Matthew Vickers is een zeer lyrische Dimitri die vooral in de langere solopassages heerlijk is om te beluisteren. Het werk is grotendeels doorgecomponeerd waardoor van echte aria’s geen sprake is maar zo nu en dan komen die toch aardig in beeld

Alle ogen zijn natuurlijk gericht op Katyusha die werkelijk fantastisch tot leven wordt gebracht door de Franse sopraan Anne Sophie Duprels, een acterende zangeres die ruwheid niet schuwt. Ze doet me denken aan iemand als Ausrine Stundyte. De transformatie van onschuldig meisje in gevallen topbitch en terug naar een soort Florence Nightingale lijkt haar moeiteloos af te gaan. En op haar zang is werkelijk niets aan te merken, een top optreden.

Interview met Anne Sophie Duprels:

Koor en orkest van Maggio Musicale Fiorentina staan onder leiding van Francesco Lanzillotta.

Trailer:

Interview met Francesco Lanzillotta:

Fotomateriaal © Michele Monasta 

Magda Olivero

“Magda Olivero had het geluk dat ze bij het instuderen van de rol van Katjusha gecoacht werd de componist zelf en zijn vrouw Marta. Ze zong de rol voor het eerst in 1937 met naast haar Tito Gobbi en de laatste keer 34 jaar later in 1971 in Turijn. De clip hieronder komt uit een film die opgenomen werd in 1964 in Napels en de beelden werden gesynchroniseerd met geluidsopname van een radio-uitzending, opgenomen op 18 februari 1957 in Florence “ (vrije vertaling van de tekst op YouTube).

Er bestaat ook opname met Olivero, uit Turijn 1971 (audio):

Carla Gavazzi

En laten we Carla Gavazzi niet vergeten: deze opname is uit 1951:

Salieri’s Falstaff is gewoon een hele leuke opera

Tekst: Peter Franken

Reunion for Mozart at the house of Schikaneder From left to right : Haydn – Albrechtsberger – Mozart – Salieri – Signora Cavalieri – Schikaneder and Madame Lunge – Gluck Original edition from my own archives Source : “Die Gartenlaube” 1880

Antonio Salieri was de derde componist die ‘The merry wives of Windsor’ op muziek zette, na Peter Ritter in 1794 en Karl Ditters von Dittersdorf in 1796. Zijn eigen opera op een libretto van Carlo Prospero Defranceschi had première in 1799.

Het werk heeft enerzijds het karakter van een Singspiel maar kent geen gesproken teksten en is uiteraard ook niet in het Duits geschreven. Met een aaneenschakeling van pakkende aria’s onderbroken door komische parlando scènes is het een opera buffa in een stijl die mij doet denken aan een vroege Rossini. Tegelijkertijd lijkt het wel alsof flarden van episodes uit de Da Ponte opera’s langskomen, vooral Cosi fan tutte.

De Franceschi volgt Shakespeare getrouw maar heeft veel bijfiguren geschrapt waardoor de handeling wat meer rechttoe rechtaan wordt. Overgebleven zijn naast Falstaff de echtparen Slender en Ford, Falstaff’s knecht Bardolfo en Betty, het dienstmeisje van Alice Ford.

De eerste keer brengt Alice zelf, vermomd als een Duitse dienstmeid, de uitnodiging van haar mevrouw aan Falstaff over om die avond nog langs te komen voor een lovers tryst. Het is een hilarische scène waarin Alice haar stem verdraait en ook nog eens zogenaamd alleen maar Duits spreekt. Falstaff ziet zijn opzet slagen maar kan ondertussen zijn handen nauwelijks van zijn geluksbrenger afhouden. Hier zien we Alice als een soort Despina. Het gerumineer van beide mannen over de mogelijkheid dat hun geliefden hen ontrouw zouden kunnen zijn doet ook sterk aan Cosi fan tutte terwijl Ford een aria zingt à la Don Ottavio.

Nadat Falstaff in de plomp is gekieperd en zijn kostuum nog te drogen hangt verschijnt Betty om hem voor de tweede keer uit te nodigen. Ze zet al haar charmes in namens haar mevrouw wat leuk spel en een fraaie aria oplevert. Als Falstaff moet opdraven, om de vernedering compleet te maken maar vooral om de nog nasmeulende Ford te pacificeren, is ‘Alice-Despina’ zelf weer de boodschapper. Ze moet alle zeilen bijzetten om hem een aarzelende toezegging te ontfutselen maar door toedoen van Ford vermomd als Master Broch, de man voor wie Falstaff zich zogenaamd beijvert, besluit hij met een gewei op zijn hoofd naar de Grote Eik in het bos te gaan. Het was begonnen om haar geld maar kennelijk heeft hij nu toch ook zijn zinnen gezet op Alice zelf.

Arthaus Musik heeft een opname uitgebracht van een voorstelling in Schwetzingen in 1995. De regie was van Michael Hampe en Carlo Tommasi ontwierp het decor en de kostuums. Het geheel mag er zijn, een eenvoudig multifunctioneel decor dat in een handomdraai door schuivende panelen en andere kleine aanpassingen verandert van een huiskamer in een straat, een zoldervertrek met trap waar Falstaff verblijft, weer een huis etc. De kostumering is klassiek: lange jurken, mooie kapsels, keurige mannenpakken. Alleen Falstaff loopt er wat onverzorgd bij, gevolg van chronisch geldgebrek.

Bas-bariton John del Carlo is een grote zwaargebouwde man die vermoedelijk geen vulling nodig had om op zijn personage te lijken. Het zingt en acteert met vanzelfsprekend gemak, zit volledig in zijn rol en toont zich de ultieme buffo.

De Franceschi heeft bepaald niet bezuinigd op de tekst en in hoog tempo produceren alle zangers een niet aflatende woordenvloed die inhoudelijk overigens weinig te beduiden heeft. Het had zeker met de helft minder gekund maar is natuurlijk bedoeld om de virtuositeit van de zangers te etaleren.

Behalve aan del Carlo is dat nadrukkelijk ook aan zijn tegenspelers besteed. Mezzo Dolores Ziegler en bariton Jake Gardner vormen een prachtig koppel als het echtpaar Slender. Gardner was in die tijd ensemblelid van Oper Köln en oogstte daar veel succes. Vermoedelijk zat hij in deze cast omdat het een coproductie was met dat operahuis. Sopraan Darla Brooks doet als Betty beslist niet onder voor haar werkgeefster Alice Ford, uitstekend gezongen door sopraan Teresa Ringholz die ook geweldig op dreef is als Duitse dienstmeid.

Bariton Carlos Feller neemt de rol van bediende Bardolfo voor zijn rekening. In de laatste scène is het koor van het Theater im Pfalzbau Ludwigshafen te horen. Het Stuttgart Radio Symfonie Orkest staat onder leiding van Arnold Östman.

De registratie van de volledige opera kunt u op YouTube vinden, wel met Russische ondertitels:


La Straniera uit Catania op dvd uitgebracht

Tekst: Peter Franken

Henriette Meric-Lalande as Alaide in the original 1829 production

La Straniera volgde kort op Bellini’s eerste grote succes Il Pirata maar bleef daar duidelijk bij achter in de gunst van het publiek. De eerlijkheid gebiedt te bekennen dat het werk dramaturgisch geen hoogstandje is en ook nog eens een haastklus. Bellini werd opgejaagd door een kennelijke verplichting om zijn daarop volgende opera, de volledig in de vergetelheid geraakte Zaïra, op tijd voor de première in mei 1829 gereed te hebben.

Act I: Engraving of scene by Focosi

De tenor die Bellini graag gecast wilde zien voor de rol van Arturo was niet beschikbaar. Hij moest genoegen nemen met een zanger die hij eigenlijk niet adequaat vond. Uitstel bleek echter geen soelaas te bieden en Bellini ging overstag. Dat is de reden dat de opera in de eerste versie geen solo aria voor Arturo kent en bariton Valdeburgo feitelijk de mannelijke hoofdrol vertolkt. De geplande première in La Scala werd verschoven van eind 1828 naar februari 1829, drie maanden voor die van Zaïra.

Ik zag dit werk in 2014 in de Aalto Opera Essen, een coproductie met Oper Zürich en Theater an der Wien. Bellini had na La straniera nog minder dan zes jaar te leven en zijn vier bekende werken stammen uit die periode. Voor veel muzikale ontwikkeling is dat wel erg kort en het is dan ook niet verwonderlijk dat La straniera klinkt als een echte Bellini: onbekend maar toch heel vertrouwd.

Het libretto van Felice Romani is gebaseerd op de roman L’étrangère van Charles-Victor Prévot waarin de geschiedenis van de verstoten koningin Agnes wordt verteld. Het verhaal grijpt terug op een historische gebeurtenis eind 12e eeuw. Agnes leeft als kluizenaar in een huisje op het gebied Montolino en wordt van een afstand in de gaten gehouden door haar broer Leopold, die incognito aan het hof van Montolino verblijft onder de naam Valdeburgo.

Graaf Arturo wordt gefascineerd door de aanwezigheid van die onbekende vrouw die zich voor alles en iedereen verborgen houdt. Hij beeldt zich in van haar te houden en zet daarvoor zijn voorgenomen huwelijk met de dochter van Graaf Montolino, Isoletta, op het spel. Hij heeft geen idee wie ‘La straniera’ is en net als in een ‘Krimi’ hoeven wij als toeschouwers dat eigenlijk ook niet te weten. Beter is het om over Arturo’s schouder mee te kijken naar de zich ontrafelende plot.

Arturo maakt contact met Agnes maar zij wijst hem af. Als Leopold opkomt denkt hij in hem een rivaal te hebben en doodt hem in een duel. Agnes wordt echter beschuldigd van de dood van Leopold en dreigt te worden terechtgesteld. De priester die optreedt als rechter herkent haar echter als zij haar sluier oplicht en verontschuldigt zich haar te hebben lastig gevallen. Leopold blijkt toch niet dood en komt de rechtszaal binnen. Zo kabbelt het een tijdje voort totdat het huwelijk met Isoletta definitief niet doorgaat, Agnes wordt teruggeroepen naar het koninklijk hof en Arturo zichzelf doorsteekt.

Procuctie in Catania

In 2017 ging er een nieuwe productie van La Straniera in première in Bellini’s geboorteplaats Catania.

Van de voorstelling in Teatro Massimo Bellini op 29 januari van dat jaar is een opname op dvd uitgebracht.

Na de zeer geslaagde uitvoering in Essen met Marlis Petersen in de titelrol, ze had die nu eenmaal ingestudeerd voor Zürich en Wenen, viel de opname nogal tegen, zowel muzikaal als scenisch.

Marlis Petersen in Wenen:

Na het afspelen van de dvd heb ik eerst maar eens de piratenopname uit New York met Montserrat Caballé beluisterd om in mijn herinnering terug te brengen hoe het werk behoorde te klinken. Nu is dat natuurlijk geen vergelijk met een soliste in een provinciaal theater maar maakt wel duidelijk wat er in Catania aan schortte.

Opname uit new York:

De opname uit New York is flink gecoupeerd en er wordt een hoger tempo aangehouden dan in Catania. Dat komt het geheel zeer ten goede. De nodige passages zijn voor Bellini’s doen toch wel wat houterig, alsof hij niet kon kiezen tussen spreken en zingen, met name waar het koor zich laat horen. Maar ook in sommige duetten stoort dit als er te weinig tempo wordt gemaakt. Daarnaast zijn de vocale kwaliteiten van sommige zangers in Catania maar net toereikend.

Bellini geeft ruim baan aan zijn bariton Valdeburgo, hier goed vertolkt door Enrico Marruci. Tenor Emanuele D’Aguanno moet het als Arturo in alle opzichten tegen hem afleggen. Verrassend genoeg heeft Bellini de kleine bijrol van Arturo’s versmade bruid Isoletta een grote aria gegund en mezzo Sonia Fortunato maakt daar grif gebruik van om enige tijd alle aandacht voor zich op te eisen.

Duet van Isoletta en Valdeburgo:

La Straniera ofwel Alaïde maar eigenlijk gewoon Koningin Agnes wordt door haar sluier meestentijds gehinderd in haar interactie met Arturo en haar broer Leopold, ofwel Valdeburgo. Francesca Tiburzi moet het geheel van haar zang hebben en die is in de eerste akte niet heel erg overtuigend. Opvallend genoeg klinken zowel Alaïde als Arturo veel beter in de tweede akte. Je zou bijna denken dat de opname niet op een enkele avond is gemaakt.

Andrea Cigni

Regisseur Andrea Cigni en zijn team hebben er een derderangs enscenering van gemaakt. Aanvankelijk staan er wat sprietige struikjes op het halfduistere toneel. Als die worden opgehesen komt de toneelvloer vrij die blijkt te bestaan uit een ondiep bassin waarin zich de rest van de avond zal afspelen.

Alles en iedereen loopt wat in het water rond te banjeren en Tiburzi moet zelf een tijdje zingen terwijl ze er languit inligt. Natuurlijk speelt een deel van de handeling zich af aan de oever van een meer en Arturo en Valdeburgo lijken op een gegeven moment ook dood en verdronken te zijn. Maar deze oplossing is te gek voor woorden.

Overigens is het gebruik van zwembaden op het toneel een modeverschijnsel. Ook in Essen was zoiets recent te zien. Il Tabarro speelde zich geheel af in het water met La Frugola die een boodschappenwagentje voortduwde in het ondiepe rechts achter.

In Catania blijft het halfduister met zo nu en dan een uitspatting van de belichting. De kostumering is adequaat maar het koor loopt er wel bijzonder vreemd uitgedost bij. Met een strakkere regie en een normaal toneelbeeld zou deze Straniera met dezelfde zangers beslist beter uit de verf zijn gekomen. Nu is het te dwaas om naar te kijken.

Koor en orkest van Teatro Massimo Bellini staan onder leiding van Sebastiano Rolli.

De opname is uitgebracht op het label Bongiovanni.

De complete opera is hier te bekijken:

https://www.operaonvideo.com/la-straniera-catania-2017-rolli-cigni-fortunato/

Foto’s (o.a.) © Giacomo Orlando, AA.VV.


La Straniera: de hemelse cantilenen van Bellini

Bellini’s eerste: Adelson e Salvini

Tekst: Peter Franken

Bellini componeerde de ‘semi seria operette’ in drie akten in 1825 voor opvoering door de leerlingen van het Sebastiano Muziek College. Het succes ervan leidde tot de opdracht voor een opera in Napels. Dat werd Bianca e Gernando, later omgewerkt tot Bianca e Fernando voor Genua.

Van de muziek voor Adelson e Salvini werd slechts een deel overgeleverd, zo leek het lange tijd maar begin van deze eeuw dook er nieuw materiaal op dat een reconstructie van het werk in drie aktes mogelijk maakte. Voordien werd het gespeeld in twee aktes, als het al ooit werd gespeeld. Maar of het oorspronkelijk in 1826 uitgevoerde werk door knippen en plakken en invullen van ontbrekende delen daadwerkelijk is hersteld valt uiteraard niet met zekerheid vast te stellen.

In 2016 werd deze ‘operette’ uitgevoerd in Teatro Pergolesi di Jesi in een coproductie met Teatro Massimo di Catania. De enscenering kwam voor rekening van Roberto Recchia met decors van Benito Leonori. Het toneelbeeld is onbestemd 19e eeuws en de kostumering van Caterherine Buyse Dian tamelijk eenvormig waardoor het moeilijk is de personages van elkaar te onderscheiden. De belichting van Alessandro Carletti zet voortdurend alles in geel en blauw, veelal half om half, wat een nogal vervreemdend effect heeft. Omdat Salvini een kunstschilder is bestaat het decor grotendeels uit enorme schilderijen en beschilderde wanden.

Het verhaal, op een libretto van Andrea Leone Tottola, is tamelijk gecompliceerd maar draait feitelijk om een driehoeksverhouding met de nodige bijfiguren. Lord Adelson verblijft voor langere tijd in Londen en heeft zijn verloofde Nelly in een kasteel in Ierland achtergelaten. Daar geniet ook de Italiaanse schilder Salvini gastvrijheid die een factotum heeft meegebracht. Dit personage Bonifacio heeft soort Figarissimo rol, druk pratend met zeer veel uitweidingen en in zijn aria’s puur Rossini.

Ondanks zijn vriendschap met Adelson wordt Salvini niet alleen verliefd op Nelly maar omdat Adelson al meer dan een jaar weg blijft en Nelly aan zijn terugkeer begint te twijfelen waagt hij het ook om haar dat te vertellen. Ze wijst hem verontwaardigd af maar bekijkt hem vanaf dat moment wel met andere ogen.

Verder is er Adelsons aartsvijand in de persoon van kolonel Struley die recht meent te hebben op de voogdij van Nelly en haar om die reden probeert te ontvoeren. Of hij zelf met haar wil trouwen of haar wil gebruiken als middel om ergens invloed te verwerven door haar ten huwelijk aan te bieden, blijft ongewis.

Tijdens de ontvoeringpoging probeert Salvini om Struley neer te schieten maar denkt vervolgens Nelly te hebben gedood. Adelson was net daarvoor teruggekeerd en is verontwaardigd te horen dat zijn vriend Salvini tijdens zijn afwezigheid Nelly het hof probeerde te maken. En dan vermoordt hij haar ook nog eens. Schande. Na enige oefeningen in boetedoening krijgt Salvini vergiffenis en blijkt Nelly nog steeds in leven. Adelson herhaalt zijn huwelijks belofte en Salvini kruipt ongelukkig in een hoekje. Voor hem is het terug naar Rome, met Bonifacio natuurlijk.

Muzikaal leunt het werk sterk op Rossini al klinken er tamelijk onverwacht voortdurend langere en kortere passages door die vooruitwijzen naar wat komen gaat. Zo klinkt een droeve overpeinzing nadrukkelijk als een scène uit Sonnambula.

De ouverture klinkt bekend in de oren doordat Bellini veel hiervan heeft gebruikt voor het voorspel van Il Pirata. Het aanhoudende geklets, vooral van Bonifacio, geeft deze operette nadrukkelijk een Frans tintje, denk aan La Dame Blanche van Boieldieu.

De Italiaanse mezzo Cecilia Molinari geeft uitstekend invulling aan de rol van Nelly die Salvini maar net uit haar systeem weet te houden. Zoals Bonifacio met een enorme omhaal van woorden aan Adelson uitlegt: u was al die tijd weg en laat die twee jongelui hier samen achter, opgesloten in een klein kasteel, wat verwacht u dan?

De Turkse tenor Mert Süngü zet een uitstekende Salvini neer en bas-bariton Baurzhan Anderzhanov excelleert als kolonel Struley. Bariton Rodion Pogossov komt als Adelson pas laat het toneel op maar weet niettemin voldoende indruk te maken.

De meeste aandacht gaat bij mij echter uit naar bariton Clemente Antonio Daliotti als de woordkunstenaar Bonifacio die ook zeer goed kan zingen. En deze keer vist de tenor nu eens achter het net in de liefdesdriehoek.

De muzikale leiding is in handen van José Miguel Perez Sierra. Een opname uit november 2016 is uitgebracht op het label Bongiovanni.

Registratie van de hele opera is hier te bekijken:

https://vk.com/video-106197174_456239050

Bellini’s Bianca e Fernando door Dynamic voor het eerst op Bluray uitgebracht

Tekst: Peter Franken

In het theater Carlo Felice Genova ging in het najaar van 2021 een nieuwe productie van Bellini’s tweede opera, oorspronkelijk Bianca en Gernando geheten.

Set design for act 1, sc. 1 ((Alessandro Sanquirico, 1828)

Bij gelegenheid van de opening van het nieuwe operatheater Carlo Felice in 1828 werd de jonge Bellini de eer gegund een opera te leveren. Na het succes van Il Pirata in Milaan het jaar daarvoor was Bellini een rijzende ster en sowieso wilde men in Genua niet achterblijven bij Milaan waar het ging om nieuwe ‘ontdekkingen’.

Lo spartito autografo di Bellini dell’opera «Bianca e Fernando» ritrovato all’Istituto mazziniano di Genova – Museo del Risorgimento di Genova

Niettemin kwam men er toch een beetje bekaaid vanaf. Bellini nam niet de moeite een compleet nieuw werk te schrijven maar gebruikte de opera die hij kort voor Il Pirata had gecomponeerd: Bianca en Gernando op een libretto van Domenico Gillardoni. Dit werk was met veel succes in San Carlo te Napels opgevoerd. Op tekst van Felice Romani, de librettist van Il Pirata, voegde Bellini een aantal passages toe, liet een groot ballet weg en ziedaar: een nieuwe opera ook al scheelde het in de titel maar één letter.

Het succes in Genua was er niet minder om al werd het werk al spoedig overschaduwd door Bellini’s latere opera’s. Het zelfde lot was Il Pirata overigens beschoren. Tot op heden is daarvan geen enkele opname op dvd of Bluray uitgebracht. En dat terwijl Bellini’s eersteling Adelson e Salvini door toedoen van Teatro Pergolesi di Jesi die eer al in 2017 te beurt was gevallen.

De verhaallijn van Bianca e Fernando heeft veel gemeen met die van Il Pirata: een dood gewaande erfgenaam komt aan land met een klein legertje, wint het vertrouwen van een usurpator en weet hem te verdrijven. Er doorheen loopt de ingénue die vooral een vocaal aandeel in het geheel heeft. In dit geval is dat Bianca, dochter van de eveneens dood gewaande hertog Carlo van Agrigento en zuster van haar op wraak beluste broer Fernando die Bianca van verraad beschuldigt omdat ze het heeft aangelegd met Filippo die haar moest beschermen tegen haar vijanden die overal op de loer liggen. Een vrouw alleen op de hertogelijke troon is immers kwetsbaar.

Wat Bianca niet weet is dat haar vader nog leeft en door Filippo al die tijd onder erbarmelijke omstandigheden gevangen wordt gehouden. Nu die nieuwkomer Adolfo hem heeft verzekerd dat Fernando dood is, durft Filippo het aan Carlo te vermoorden. Degene die wraak zou kunnen nemen is overleden, niet wetend dat hij dit geheim zojuist heeft gedeeld met niemand minder dan Fernando. Na de nodige verwikkelingen zegeviert het recht en kan Filippo de afrekening tegemoet zien in een kerker.

Hugo de Ana voert de regie en heeft tevens een werkelijk schitterend decor ontworpen. Ook de zeer stemmige kostuums zijn van zijn hand. Een en ander vond plaats midden in de corona tijd met alle beperkingen van dien. Het decor heeft de vorm van een open enigszins toelopende cilinder die door middel van geprojecteerde lijnen heel overtuigend de indruk wekt van een doorschijnende bol. Figuranten klimmen het gekromde vlak op en neer met behulp van touwen en ongetwijfeld stroeve schoenzolen.

In de bol staan de nodige rekwisieten: een Copernicaans stelsel van koperkleurige bollen, later een omgevallen piano en verder nog losse attributen. De zangers staan veelal voor de bol maar soms ook wel even erin. Figuranten zorgen voor actie tijdens de lange aria’s. Ze doen dit met eenvoudige middelen zoals een heel lang touw waarmee een zanger wordt omwikkeld en weer bevrijd.

Heel doeltreffend allemaal. De figuranten nemen de plaats in van de koorleden die op een brug voor de bol langs staan opgesteld in een soort laboratoriumkleding waardoor hun mondkapjes minder gekunsteld overkomen. De Ana heeft een productie gecreëerd die zijn enorme reputatie alle eer aandoet en tegelijkertijd op onopvallende wijze de toen geldende beperkingen weet te incorporeren. Van alle ‘covidproducties’ uit die tijd die ik op dvd heb gezien is dit de meest succesvolle.

De cast mag er zijn, zangers die hun sporen in meerdere grote operahuizen hebben verdiend.

Salome Jicia is een bewonderenswaardig mooie Bianca, prachtige vertolking en in het grote duet met Fernando in de tweede akte ook goed acterend in de weer. Veiligheidshalve laat de regie hen niet te dicht bij elkaar in de buurt komen, dat moeten we incalculeren. In dat duet bombardeert Fernando haar met verwijten en alleen doordat hij de indruk krijgt dat haar tranen ‘echt’ zijn laat hij af en sluiten ze vrede. Nu komt het er op aan Filippo voor zijn daden te straffen.

Die taak is weggelegd voor Giorgio Misseri, de tenor uit de titel. Bellini heeft hem in zijn aria’s een paar extreem hoge noten te zingen gegeven die ik altijd afdoe als Rossiniaanse brandweersirenes. Hij slaat zich daar aardig doorheen en de rest van zijn partij zingt Misseri met ogenschijnlijk gemak.

De rol van stoorzender en slechterik is toebedeeld aan de bas Nicola Ulivieri die zeker in zijn solostukken volstrekt de show weet te stelen, mooie rijzige gestalte, baardige potentaat in bijpassende chique kledij en een stem die dat allemaal geheel bevestigt: het complete pakket. Koor en orkest van Carlo Felice staan onder leiding van Donato Renzetti.

Een must voor elke Bellini liefhebber die zijn of haar collectie wil completeren.

Fotomateriaal © Marcello Orselli

va

Bieito’s Carmen wordt 25 jaar

Tekst: Peter Franken

In de zomer van 1999 ging tijdens het Peralada Festival nabij Girona de inmiddels befaamde Carmen van Calixto Bieito in première. Het was een coproductie met Opera Zuid, iets dat in latere aankondigingen is weggemoffeld ten gunste van internationaal meer aansprekende operagezelschappen.

De première voor Opera Zuid vond plaats op 6 mei 2000 in Maastricht en zelf zag ik deze Carmen van die volstrekt onbekende regisseur in Rotterdam. Als jong beginnend talent had men hem uitgenodigd om Haydns Il mondo della luna te regisseren, een productie die op 27 februari 1999 première had, eveneens in Maastricht. Het is dus niet overdreven te stellen dat Opera Zuid aan de wieg heeft gestaan van Bieito’s internationale carrière.

Meer info over de Carmen voorstellingen van Opera Zuid

https://operazuid.nl/voorstelling/carmen-2000/

Als we uitgaan van de jaartallen viert Bieito’s Carmen dit jaar zijn zilveren jubileum en in die 25 jaar is de productie in minstens evenzovele landen te zien geweest en in meer dan 70 theaters.

 

Kort geleden was er nog een herneming in het Liceu en van een eerdere reeks in dat theater werd in 2011 een opname op dvd uitgebracht. Dat biedt de gelegenheid dit cultproduct, want dat is het inmiddels wel, nog eens te bekijken. De titelrol werd indertijd vertolkt door Béatrice Uria-Monzon en Roberto Alagna was de man wiens burgerlijk bestaan ze in korte tijd wist te verwoesten. In een toelichting schreef Bieito daarover:

‘Carmen is a personality who loves life and lives it without constraints. She finds joy in discovering her own limits and those of the people around her. All of this comes from within; she has no need to construct a separate personality for it. She cannot even see herself from outside. She is an instinctive human being with her own simplicity and her own complexity. She is simultaneously intuitive, coarse, passionate, melancholy and sensitive.’

Bieito situeert de handeling in de nadagen van het Franco regime, begin jaren ’70. Macho gedrag gevoed door testosteron neemt het op tegen een overvloed aan vrouwelijke feromonen en manipulatie, kortom een cocktail die garant staat voor een tamelijk rauw spektakel waarin geen plaats is voor versluierende teksten. Bieito heeft de dialogen dan ook vrijwel allemaal gecoupeerd. Er wordt slechts gesproken als de voortgang van de handeling dat absoluut noodzakelijk maakt en dat is verrassend genoeg bijna nergens het geval. De wijze waarop Carmen de ongeïnteresseerde Don José benadert is puur lichamelijk, er komen geen woorden aan te pas.

Het toneelbeeld is zeer sober maar dat zal zeker niet alleen een regiekeuze zijn geweest. Een productie voor een kortdurend festival en een klein operagezelschap is gebaat bij eenvoud om de kosten te drukken. Het werkt echter wonderwel en nu ik het na zoveel tijd weer eens heb teruggezien moet ik vaststellen dat we hier Bieito op zijn best zien. Geen toiletpotten op het toneel, geen overmaat aan naakte mannen of halfnaakte vrouwen, een minimum aan toneelgeweld. De enige die het echt voor zijn kiezen krijgt is Zuniga die in elkaar wordt getremd achter de Mercedes die de plaats inneemt van Lillas Pastia’s taveerne. Ach, hij vroeg er ook om, die onwelkome late gast. En het gebeurt uit het zicht van de toeschouwers.

Bij aanvang staat Carmen in een telefooncel te oreren. Met het nodige misbaar gooit ze de haak erop, haar minnaar heeft zijn congé gekregen, tijd voor een nieuwe. Behalve die cel is er slechts een vlaggenmast op het toneel, met een Spaanse vlag die bij aanvang van de laatste akte nog even gebruikt zal worden als badlaken door een zonnebadende figurante in bikini. Tja, Bieito is een Catalaan en zo’n plaagstootje is nooit weg, leuk voor later.

Een Mercedes is natuurlijk de ultieme zigeunerbak en als zodanig goed gekozen. Je kan er van alles mee, in zitten, op zitten, overheen klimmen, wie heeft dan nog een kroegdecor nodig?

Opvallend is de grove wijze waarop de smokkelaars Carmen proberen te dwingen met hen mee te gaan op hun komende missie. Maar ze geeft geen krimp, is net zo gehard in het leven als die mannen. Dat ze daarnaast ook het ultieme vrouwelijke rolmodel kan vertolken maakt haar tot een ‘compleet pakket’, een vrouw met onbegrensde mogelijkheden.

Uiteindelijk is het haar bijgelovigheid die haar de das omdoet, tegen het lot kan en wil ze nu eenmaal niet vechten. Dat bepaalt ook de afloop: Don José smeekt haar om hem niet te verlaten zodat hij haar niet hoeft te doden. Maar zij heeft allang geaccepteerd dat deze man haar dood zal worden, de kaarten liegen niet. Dus volhardt ze in haar besluit.

In de slotakte laat Bieito een andere Carmen zien, niet langer gepantserd en manipulatief maar eerder begrijpend en ook een beetje bezorgd. Ze draagt een jurk waarin je naar de kerk zou kunnen, de zigeunerin als burgervrouw. Ze houdt vast aan haar besluit: haar liefde voor Don José is voorbij, definitief, valt niets meer aan te veranderen. Maar ze wijst hem niet hard en snerend af zoals je wel vaker ziet maar bijna troostend. Opmerkelijk dat je zonder de gezongen tekst te veranderen een geheel ander beeld van de situatie kunt geven. We kunnen het zien als ‘the first touch of the master’.

Carsens Carmen in Amsterdam, de koorscène

Sommige regisseurs leggen ten onrechte de nadruk op de aanwezigheid van omstanders. Dat leidt tot wangedrochten met figuranten en koorleden op tribunes. De productie van Robert Carsen voor DNO is het ultieme voorbeeld.

Koorscène in Barcelona:

In werkelijkheid is de handeling op de bepalende moment zeer intiem. Bijvoorbeeld als Don José zijn opwachting maakt in akte 2. Carmen stuurt iedereen weg en gaat dan voor hem dansen en zingen. Als hij wil vertrekken vanwege het réveil manipuleert ze hem net zo lang tot hij toch blijft. En om te zorgen dat hij zich niet alsnog kan bedenken kleedt ze hem uit, trekt een rood slipje van onder haar rok vandaan en bestijgt hem. Uiteindelijk gaat alles om ‘faire l’amour’ en in deze houding kan hij niet meer vluchten. En dan komt Zuniga roet in het eten gooien .

Marina Poplavskaya laat een verliefde Michaëla zien die haar gevoelens voor Don José niet onder stoelen of banken steekt. De kus van zijn moeder wordt gewoon haar eigen kus, vol op zijn mond. Met kennis van het verdere verloop van Poplavskaya’s carrière valt niet te ontkennen dat de sleet er toen al een beetje inzat. Haar vertolking is redelijk maar niet meer dan dat, de bijna obligate open doekjes waar Michaëla patent op lijkt te hebben ten spijt.

Ook Erwin Schrott als Escamillo brengt niet wat ik van hem verwacht had. Zijn zang is vlak en hij weet er geen moment het macho karakter van zijn personage mee op te roepen. Misschien een slechte avond? Acterend blijft hij steken in de rol van een toevallige passant al komt dat mede door het couperen van zijn gesproken tekst.

De twee hoofdrollen daarentegen zijn ideaal bezet. Roberto Alagna is een perfecte Don José, geweldig goed bij stem en overtuigend acterend. Het viel me op hoe lenig hij is, Schrott ook overigens. Beide heren spelen hun gevechtsscène terwijl ze zich over de daken en motorkappen van een stel auto’s bewegen.

Béatrice Uria-Monzon is een prachtige Carmen, een rol die ze over de gehele wereld heeft gezongen. Voor Bieito’s versie van het personage is ze de perfecte bezetting. Ze is mooi en oogt jong genoeg om voor een wilde zigeunermeid door te gaan en acterend brengt ze alles dat Bieito heeft beoogd, afgaande op het citaat hierboven. Zingen kan ze ook, als de beste, maar het is vooral het complete Carmen pakket dat haar optreden tot zo’n groot succes maakt.

Behalve die telefooncel en de Mercedes kon ik me niets meer van deze productie herinneren. Nu ik hem terugzie moet ik vaststellen dat het een van de allerbeste Carmens is uit de recente geschiedenis. Aanbevolen om eens terug te kijken, vooral voor ‘Bieito haters’.

Trailer van de productie:

“Beethovens” Fidelio klinkt in Nationale Opera&Ballet

Tekst: Peter Franken

Als onderdeel van het Holland Festival brengt DNO deze maand een serie voorstellingen van Beethovens opera Fidelio, dat staat althans op het affiche. De première van de productie van Andriy Zholdak werkte bevreemdend.

Het verhaal van Fidelio stamt uit 1798 en is uitgesproken melodramatisch. In deze revolutionaire periode werd het gemakkelijk herkend als een strijd waarin een tirannieke heerser het onderspit moet delven door toedoen van een onversaagde tegenstrever. Voor de uit Oekraïne afkomstige regisseur Zholdak moet de verleiding groot zijn geweest om er een eigentijdse versie van te maken waarin Pizarro wordt voorgesteld door Putin met Florestan in de rol van Navalny.

Kennelijk heeft hij besloten dat dit te gemakkelijk was en is daarom een flinke stap verder gegaan. Putin is nog niet erg genoeg, zijn Pizarro is de incarnatie van de duivel zelf. Daarmee wordt het libretto grotendeels onbruikbaar maar daar kan een grote geest als Zholdak niet mee zitten.

Vermoedelijk staat in zijn contract dat Beethovens muziek onverkort moet worden gespeeld en dat alle zangnummers op de oorspronkelijke Duitse tekst ten gehore moeten worden gebracht. Voor het overige heeft Zholdak zich een vrij speelveld toegeëigend. Waar normaal gesproken in het programmaboek een synopsis van het libretto staat lezen we nu het volgende:

‘Beethoven is dood. De kwade genius, Pizarro, heeft de macht overgenomen. Hij zal de harmonie in de kosmos verstoren. Ook de liefde tussen Leonore en Florestan moet worden verbroken. Hij roept daarvoor de hulp in van Rocco, Marzelline en Jaquino. Pizarro ontvoert Florestan naar zijn wereld, achter de spiegel. Leonore gaat op zoek naar haar geliefde en belandt in een duistere droomwereld. Zij moet zichzelf en Florestan bevrijden van het Kwaad en de orde herstellen.’

Deze benadering biedt natuurlijk ongekende mogelijkheden voor het tonen van allerhande beelden die vagelijk in verband kunnen worden gebracht met de strijd tussen Goed en Kwaad, het wezen van de kosmos en de mogelijke impact van ‘dark energy’ waarvan we het fijne nog niet weten maar dat zo bedreigend is dat we een eindeloos voortbestaan van de kosmos wel uit het hoofd kunnen zetten.

Daarnaast is er de kleine wereld van Florestan en de uitverkoren Leonore die in hun kinderjaren de nodige trauma’s hebben opgelopen. Zholdak is tevens verantwoordelijk voor het decor, de kostuums en de filmbeelden en haalt alles uit de kast om er een fraai vormgegeven tafereel van te maken.

Uiteraard zijn er veel spiegels, draaideuren waardoor spelers op en  af gaan. Verder grote ringen waardoor iemand van de ene in de andere wereld zou kunnen treden (?), verwijzingen naar Roodkapje en de Boze Wolf, spelers die elkaar met messen bewerken, witte en zwarte opzetvleugels zoals bij engelen en ga zo maar door.

Op een gegeven moment wordt een filmbeeld vertoond van een voortrazende trein op een station in Shanghai, langdurig hetzelfde beeld. Later verandert dat in een station in New York, 40th Street. Verderop in de voorstelling weer Shanghai. Het deed me terugverlangen naar de tijd dat Herheim zijn producties volstopte met eenvoudig te doorgronden symboliek. Huiselijke taferelen, in slow motion bewegende figuranten die gestileerde bewegingen maken en poppen die spontaan in brand vliegen completeren het beeld, nou ja, zo’n beetje.

Pizarro is in deze bewerking de feitelijke hoofdfiguur. Hij wordt vertolk door de Amerikaanse bas-bariton Nicholas Brownlee die een grote spreekrol heeft gekregen. Met een zwaar Amerikaans accent probeert hij de gewenste duivelse dreiging te etaleren. Zholdak toont hem als een lookalike van Karl Lagerfeld en dat haalt de scherpste kantjes er direct weer af. Op het moment dat hij zijn aria ‘O Gott! Welch’ ein Augenblick!’ aanheft gaat hij van spreek- naar zangstem en dat klonk overdreven luid en schreeuwerig. Brownlee had het beter bij declameren kunnen laten.

Zijn slachtoffer Florestan komt pas laat in het stuk voor maar loopt hier van meet af aan op het toneel rond. Als hij eindelijk mag zingen blijkt ook tenor Eric Cutler zoveel moeite met de partij te hebben dat hij enorm moet forceren om zijn aria tot een goed einde te brengen. Ook in het duet met Leonore viel Cutler me vooral op door zijn ‘hoekige’ zang.

De bas James Creswell als Rocco klonk passend vaderlijk en betrokken, vertolkte goed beschouwd als enige een rol die een beetje overeen kwam met het libretto. Tenor Lienard Vrielink kon mij wel overtuigen als de gefrustreerde Jaquino die voorbestemd was geweest om met Marzelline te trouwen tot zij verliefd werd op Leonore, hier gewoon een vrouw.

Sopraan Anna El-Khashem maakte iets moois van haar rol, goed gezongen. Opvallend was dat de regie haar neerzette als ‘mooie meid’ door haar in galajurken ten tonele te voeren. Verder viel me op dat ze voortdurend aan Florestan zat te klitten, vermoedelijk om te voorkomen dat de toeschouwers de indruk zouden krijgen dat ze naar Fidelio zaten te kijken.

Sopraan Jacquelyn Wagner gaf als Leonore een goede vertolking van de ‘titelrol’ en dwaalde tussen de zangnummers als een padvinder op het toneel rond, door de spiegel, weer terug, opnieuw door de spiegel.

Voor gevangenen is in deze productie geen plaats. Het koor zong dan ook vanuit de orkestbak, mocht natuurlijk niet worden gecoupeerd. Tegen het einde klonk nogmaals een complete ouverture (ben niet zeker van de versie) om Zholdak de gelegenheid te geven die als achtergrondmuziek te gebruiken voor zijn eigen stuk. Dat was immers nog lang niet afgelopen. Pas toen het complete koor (gevangenen en het volk) op het toneel verscheen, samen met alle andere medewerkenden, kon ik opgelucht ademhalen. Dit moest toch wel echt het einde zijn van deze ‘Fidelio’ met ruim 150 minuten zuivere speeltijd.

En het KCO? Ach, dat speelde gewoon Beethovens partituur, op een wijze die we van dit orkest gewoon zijn, en onder leiding van dirigent Andrés Orozco-Estrada.

Trailer van de productie:


Fotomateriaal: © Monika Rittershaus | De Nationale Opera

Discografie: Mijn haat-liefde verhouding met Fidelio van Beethoven