Gastcolumns

Boulevard Solitude: Manon meets Lulu

Tekst: Peter Franken

Naar verluidt liet Hans Werner Henze zich voor de titel van zijn eerste voor het toneel bestemde opera inspireren door Billy Wilders film Sunset Boulevard uit 1950. Boulevard Solitude is losjes gebaseerd op de roman Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut die eerder al werd verklankt door Massenet en Puccini. Henze en zijn librettist Grete Weil situeren deze liefdesgeschiedenis met fatale afloop in het naoorlogse Parijs, feitelijk de tijd waarin de opera ontstaat. De première was in 1952 in Hannover.

In Boulevard Solitude is Armand des Grieux een centrale figuur, bijna meer nog dan Manon. Ze ontmoeten elkaar op een station, leven korte tijd in een liefdesnestje maar als Armands vader zijn toelage stopt omdat hij niet langer studeert, koppelt Manons broer Lescaut haar aan een rijke oude man, in deze versie Monsieur Lilaque.

Als Lescaut zijn zus bezoekt om haar geld af te troggelen werkt ze niet mee. Daarom steelt hij maar zelf een pak bankbiljetten uit de safe. Lilaque doet alsof hij niets in de gaten heeft maar eist na een trio waarin gespeelde vriendelijkheid de boventoon voert per direct zijn geld terug. Lescaut weigert en daarop wordt Manon de deur uit gezet.

Manon zit zonder minnaar en wellicht ook zonder passend onderkomen dus komt ze Armand opzoeken in de Sorbonne waar hij zijn studie maar weer heeft opgepakt. Ze hernieuwen hun relatie maar Lescaut weet Manon al gauw aan een andere welgestelde heer te koppelen: Lilaque junior. Als deze een nachtje de stad uit is laat Manon haar grote liefde Armand overkomen. Lescaut is er natuurlijk ook weer en steelt een schilderij.

Ze worden betrapt door Lilaque senior en om te voorkomen dat hij de cel in moet wegens diefstal geeft Lescaut zijn pistool aan Manon en gebaart dat ze moet schieten. Lilaque wordt door haar neergeknald, een aanwijzing dat zelfstandig denken en handelen al langer niet meer Manons sterkste kant is. In de laatste scène wacht Armand op het station om daar Manon voor het laatst te zien, als ze van de ene naar de andere gevangenis wordt overgebracht. De parallellen met Lulu van Alban Berg zijn overduidelijk.

De opera bestaat uit zeven scènes elk gescheiden door een intermezzo. Muzikaal is het een caleidoscoop waarin de luisteraar onder meer twaalftoons idioom kan herkennen maar tevens vele tonale melodische lijnen. Verder Sprechgesang, duetten waarin beiden simultaan dezelfde tekst zingen maar op enigszins verschillende melodieën, choralen en onbekommerde big band jazz.

Van een voorstelling uit het Gran Teatre del Liceu Barcelona in 2007 is een opname op dvd uitgebracht door EuroArts. Het betreft een coproductie met ROH in een regie van Nikolaus Lehnhof. Het eenheidsdecor van Tobias Hoheisel doet denk aan het interieur van de opera in Düsseldorf, een gebouw uit de wederopbouw periode. Hoheisel was ook verantwoordelijk voor de kostumering, zeer consistent uitgevoerd in de stijl van begin jaren ’50. Het ziet er prachtig uit allemaal.

Bij aanvang zien we een groot station met een trap naar beneden en eentje naar boven, richting perrons. Een groot aantal figuranten bevolkt de ruimte en is levensecht actief. Men komt via de grote deuren naar binnen, zoekt, telefoneert, loopt trappen op en af, staat te wachten. Tijdens elk intermezzo wordt dit herhaald waarbij de figuranten zich steeds weer anders weten te gedragen.

Zodra er een andere omgeving nodig is weet Hoheisel met een paar zetstukken en eenvoudige attributen de juiste sfeer op te roepen, geholpen door een uitgekiende belichting. Manon wisselt als enige regelmatig van kostuum waar bij ze wordt getoond als een hybride van Marlene Dietrich en Lulu: veel bloot maar geen naakt. Als Lescaut Manon komt weghalen uit Armands liefdesnestje haalt ze een laken van een tafeltje en maakt onopvallend een groetend gebaar. Een leuke verwijzing naar Massenets ‘Adieu, notre petite table’.

Lehnhofs regie is heel spannend en sluit werkelijk naadloos aan op de sfeer die Henze heeft willen oproepen. De teksten van Weil lopen daar niet steeds mee in de pas, vooral waar Armand in een van zijn monologen verstrikt raakt. Hij vergelijkt zichzelf met Orpheus en Manon met Euridyce: ze is dood (voor hem) maar toch ook weer niet. En steeds weer weet ze hem een briefje met haar nieuwe adres toe te spelen. Waar ze ook woont en met wie, voor hem blijft ze beschikbaar.

De rol van Manon is een ervaren Lulu vertolker als Laura Aikin natuurlijk op het lijf geschreven. Ze oogt zo mogelijk nog sexyer dan als Lulu in de productie die Sven-Eric Bechtolf in 2002 maakte voor Oper Zürich. Aikins zang is voortreffelijk en haar acteren laat niets te wensen over, de ideale bezetting voor deze rol.

Tenor Pär Lindskog is welluidend en stabiel als de onfortuinlijke Armand en de kwade genius Lescaut is in goede handen bij bariton Tom Fox. De kleinere rollen van vader en zoon Lilaque worden goed verzorgd gebracht door respectievelijk Hubert Delamboye en Pauls Putnins.

Het orkest van Liceu staat onder leiding van Zoltan Pesko. Beiden leveren een uitstekende prestatie. Een beter monument om Henzes eersteling te gedenken is nauwelijks voorstelbaar. Mocht het werk in geënsceneerde vorm ooit ergens in ‘de buurt’ vertoond worden, dan ga ik er zeker heen.

Ondanks de goede ontvangst van Boulevard Solitude ontvluchtte Henze in 1953 zijn Heimat. Als overtuigd Marxist voelde hij zich er niet langer thuis en de door hem ervaren homofobie versterkte dit gevoel. Hij vestigde zich op het eiland Ischia in de Golf van Napels. Daar raakte hij in de ban van Napolitaanse canzone als muzikale uiting.

In zijn opera König Hirsch, een sprookje met een nauwelijks te volgen verloop, speelt dat een belangrijke rol. Henze heeft hier, in een voor het overige volstrekt atonaal werk, een paar stukken in verwerkt die duidelijk herkenbaar zijn als aria’s. In volledige vorm duurt de opera 5 uur en bij de première in september 1956 werd dit door dirigent Hermann Scherchen zonder pardon teruggebracht tot nog geen 2 uur.

Ondanks Henzes protesten werden de ‘aria’s’ als eerste geschrapt. ‘Ach mein Lieber, zo componeren we tegenwoordig toch niet meer’ meende Scherchen, die zijn reputatie van modern musicus over het Derde Rijk heen intact had kunnen houden en nu beslist niet zat te wachten op een werk dat hieraan afbreuk zou kunnen doen.

Exuberante L’Incoronazione di Poppea en ingetogen Ein Deutsche Barockrequiem in het Festival Oude Muziek





Tekst: Neil van der Linden

Na de theatraal uitgevoerde Maria Vespers van Monteverdi door La Tempête, presenteerde een paar dagen later het ensemble Le Banquet Céleste Monteverdi’s opera L’Incoronazione di Poppea juist ‘kaal’, zonder enscenering. Maar dat werd volledig gecompenseerd door de uitdrukkingskracht van het volmaakt op elkaar ingespeelde ensemble. Dat is niet helemaal verwonderlijk, want wat we in het Festival Oude Muziek in Utrecht te zien kregen was een concertante versie van wat binnenkort geënsceneerd op de planken komt te staan bij de Opera van Rennes.

Door allemaal zo te zien piepjonge zangers ook nog. Wat natuurlijk heel goed bij het libretto past. Keizer Nero kwam aan de macht toen hij nog geen 17 jaar oud was en zijn entourage zal voor het merendeel niet veel ouder geweest zijn. En de drijfveren van de personages zijn vaak behoorlijk puberaal. Monteverdi lijkt dat te hebben onderstreept door op één na bijna alle mannelijke hoofdrollen te componeren voor (mannelijke) sopraan- of alt-stem.

Voor deze uitvoering was dan ook niet bezuinigd op jonge top-counters. De sopraan-rol van Nero werd gezongen door een echte mannelijke-sopraan, die heel hoge noten aankan, de Amerikaan Ray Chenez. De kwinkelerende coloraturen in zijn partij contrasteren dan weer grappig met het moderne strakke blauwe pak dat hij nu aanhad, waardoor je hem associeert met een jonge telg uit de Europese adellijke jetset, en interessant is dat dat deze Nero enger maakt dan de rol die hij van Monteverdi en librettist Busenello meekreeg.

De mannelijke mezzosopraan Paul-Antoine Benos-Djian is een aandoenlijke Ottone, ondanks het immorele karakter dat hij speelt, wanneer hij in zijn wanhoop, en gechanteerd door Ottavia, zijn geliefde Poppea wil vermoorden. Benos-Djian’s gave om muzikaal en qua fysieke expressie van kleur te kunnen veranderen past mooi bij zijn nerdy en opportunistische personage. Intussen is hij een sterke vocalist met een mooi mezzo-register.

De alt Paul Figuier speelt, jong en bebaard, de dubbelrol van de oude voedsters van Poppea respectievelijk Ottavia, dus eigenlijk met tegengestelde loyaliteiten. Maar zo werd het in Monteverdi’s tijd. Men kan zich trouwens afvragen waarom deze rollen door mannen werden gezongen, vrouwen mochten immers zingen in het theater. Misschien omdat men het niet gepast vond dat vrouwen ‘lelijke’ rollen zouden zingen, zoals dat de ouder wordende mens steeds meer op een wandelende zak vol botten lijkt, en ook dat we op het erotisch vlak onze gang moeten gaan zo lang als het nog kan. Vrouwonvriendelijk is de tekst zeker niet; de uitspraak van Ottavia’s voedster dat als vrouwen een zoon baren, ze eigenlijk hun toekomstige onderdrukkers en moordenaars baren is feminisme van de bovenste plank.

De enige mannelijke hoofdrol voor lage stem is die van filosoof Seneca, Nero’s voormalige leermeester. Bas Adrien Mathonat beschikt over een kleurrijke diepe basstem die in de toekomst niet zou misstaan bij lage Wagner-rollen. (Overigens valt op dat de soldaten, die in de opera min of meer ‘de stem van het volk’ vertegenwoordigen, Seneca een hypocriet en een zakkenvuller vinden; ofwel het ‘gewone volk’ heeft bij Monteverdi en Busenello ook geen hoge dunk van de filosofen en wetenschappers.)

Sopraan Catherine Trottmann zong Poppea fraai en wist ook de emoties van haar karakter duidelijk over te brengen. Mezzo Victoire Bunel zong de rol van de bedrogen echtgenote Ottavia die vervolgens Ottone ertoe opdraagt haar rivale Poppea te vermoorden, en anderzijds van de Deugd die Ottavia’s handeling afkeurt.

Ook sopraan Camille Poul gaf de schijnbaar lichtzinnige personages Amor en Page met haar theaterpersoonlijkheid en haar virtuoze zang-acrobatiek het nodige inhoudelijke en zangtechnische gewicht. Hetzelfde geldt voor Maïlys de Villoutreys in de dubbelrol van Fortuna en Drusilla.

Dit moeten allemaal razend intelligent zangers zijn, gezien alle psychologische nuances die ze met hun stem en hun fysieke expressie weten aan te brengen.

Claudio Monteverdi 1567-1643

L’Incoronazione di Poppea (1642)

Libretto: Francesco Busenello

Catherine Trottmann Poppea
Ray Chenez Nero
Victoire Bunel Ottavia/Deugd
Paul-Antoine Benos-Djian Otto
Adrien Mathonat Seneca, Consul
Paul Figuier – Arnalta/Voedster/Vriend 1
Maïlys de Villoutreys Fortuna/Drusilla
Camille Poul Amor/Valetto
Sébastien Monti Lucano/Soldaat 1/Vriend 2
Thibault Givaja Liberto/Soldaat 2
Yannis François Vriend 3/Littore/Mercurio

Le Banquet Céleste   
Damien Guillon, klavecimbel & dirigent

Gezien 2 september, TivoliVredenburg, Grote Zaal, Festival Oude Muziek

Foto’s Marieke Wijntjes en Neil van der Linden

Vanaf 10 oktober komt de NPO-opname op NPO-Klassiek

Poppea uit Nootwegen, trailer:

Complete opera is hier te zien:

https://www.operaonvideo.com/lincoronazione-di-poppea-oslo-2010-christensen-laszczkowski-mead/

Het sober gebruik van instrumentale middelen voerde ook de boventoon in de Duitse muziek uit de vroege barok zoals die ten gehore werd in het programma Ein Deutsches Barockrequiem door Vox Luminis. Men gebruikte de teksten die voorkomen in Brahms’ Ein Deutsches Requiem als uitgangspunt voor een compilatie van Lutherse motetten uit de eerste helft van de zestiende eeuw met thema’s rond dood en hoop.

Het gaat vaak om tamelijk obscure componisten, althans bij een iets groter publiek is alleen Johann Hermann Schein bekend. Binnen nog selectere kringen zijn Andreas Hammerschmidt  en Thomas ook nog wel bekend. Maar van Andreas Scharmann (vertegenwoordigd met ‘Trauer-Klag: Gedenke, Herr, wie es uns gehet’) weet men alleen dat hij in de 17de eeuw leefde en Christian Geist wel dat hij in 1711 is gestorven, maar niet precies wanneer hij is geboren.

En wie kent Johann Philipp Förtsch? En het is allemaal even mooi. En tekstueel is het allemaal wel in de lijn van wat later Brahms zou doen: ‘Selig sind, die da geistlich arm sind’ (Schein), ‘Trauer-Klag: Gedenke, Herr, wie es uns gehet’ (Hammerschmidt), ‘Und da der Sabbath vergangen war’ (Selle), ‘Trauer-Klag: Gedenke, Herr, wie es uns gehet’ (Scharmann), ‘Die mit Tränen säen’ (Geist), ‘Selig sind die Toten’ (Förtsch).

De teksten passen ook bij de situatie in Duitsland van toen. De pest was nog maar nauwelijks goed en wel voorbij, er waren de godsdienstoorlogen, de dertigjarig oorlog, die eigenlijk veel erger was dan onze tachtigjarige oorlog. Dat wordt ook weerspiegeld in de ingetogen muziek. Wat dan ook wel paste bij het Protestantisme, dat niet kien was op veel uiterlijk vertoon in de kerken.

Ein Deutsches Barockrequiem door Vox Luminis
Zsuzsi Toth, Tessa Roos, Erika Tandiono, Victoria Cassano sopraan
Jan Kullmann, alt
Philippe Froeliger, Raphael Höhn, Jacob Lawrence, Olivier Berten tenor
Sebastian Myrus bas
Tuomo Suni, Johannes Frisch viool
Josh Cheatham, Lies Wyers viola da gamba
James Munro violone
Bart Jacobs orgel
Lionel Meunier bas en muzikale leiding

Gezien 29 augustus, TivoliVredenburg, Grote Zaal, Festival Oude Muziek

Foto’s Foppe Schut

Op Spotify:

LA CLEMENZA DI TITO IN ANTWERPEN

Tekst: Ger Leppers

Sinds Jan Vandenhouwe als artistiek directeur aan het roer staat van Opera Ballet Vlaanderen waait er onmiskenbaar een nieuwe wind in het huis.  Dat is onder meer te merken aan de keuze van de regisseurs op wie hij een beroep doet, en die vaak door hun sterke band met Vlaanderen al beschikken over een eigen publiek van fans.

Voor ‘De Parelvissers’ (een voorstelling die later dit seizoen in reprise gaat) vroeg hij het in Antwerpen zeer hoog aangeschreven plaatselijk theatercollectief FC Bergman om voor het eerst een opera te regisseren. Voor ‘Le Nozze di Figaro’ deed hij een beroep op de Vlaming Tom Goossens. En nu is er ‘La Clemenza di Tito’, waarmee regisseur Milo Rau, Zwitser maar artistiek directeur van NT Gent, zijn debuut maakt in de operawereld.

Al ruim drie decennia ben ik abonnementhouder in Antwerpen, en het viel mij op dat er bij die voorstellingen steeds opvallend veel jong en duidelijk nieuw publiek aanwezig is. In de zaal waren minder tinten grijs te zien dan gebruikelijk, en minder zilverdraden tussen ‘t goud. Menigeen maakte met zijn mobieltje selfies en foto’s van het, inderdaad prachtige en kennelijk voor het eerst betreden, gebouw. Uit een enquête die het vorig seizoen werd gehouden bleek dat 47% van de ondervraagden in dat jaar voor het eerst een operavoorstelling bezochten en dat een groot deel van hen in de toekomst zeker nog eens wilde terugkomen. Feestelijke cijfers, dus. Dat is allemaal zeer goed nieuws.

Maar hoe zit het met het bijzondere karakter en de kwaliteit van  het gebodene?

Om nog even door te gaan met het goede nieuws: muzikaal was de voorstelling van Le Clemenza di Tito die ik bijwoonde tip top in orde. Alle kritieken in de pers waren zeer lovend, en ik kan dat oordeel enkel bevestigen. Het orkestspel, onder muziekdirecteur Alejo Pérez, liet wat mij betreft vrijwel geen wens onvervuld. Inmiddels is het Vlaamse ensemble gepokt en gemazeld in vrijwel alle muziekstijlen, van Monteverdi tot hedendaagse componisten.

Van de zangerscast waren vooral de dames een waar genot om te beluisteren, met name de Vitellia van Anna Melsza-Kutny, de Annio van Maria Warenberg, en bovenal de indringend gespeelde en superieur, vol nuances gezongen Sesto van Anna Gorchyakova, de onbetwiste ster van de avond. Alleen al voor haar zou ik de voorstelling met plezier opnieuw bezoeken. Enkel tenor Jeremy Ovenden had, in de titelrol, soms enige moeite met de vocale hoogstandjes waarmee Wolfgang Amadeus hem bedacht had.

Met de superieure orkestratiekunst van de rijpe Mozart, waarin hier voor de klarinet en de bassethoorn een glansrol is weggelegd, en de schitterende aria’s van Vitellia en Sesto, verdient dit late werk zo een muzikaal superbe uitvoering ten volle. Wat zou het mooi geweest zijn als deze opera in deze bezetting, en ontdaan van de regisseursingrepen, ook nog eens concertant was uitgevoerd in, bijvoorbeeld, Vredenburg!

Want ja, we moeten het toch over de regie hebben. Om te beginnen met het laatste restje goed nieuws: de hele avond werd er over de gehele linie werkelijk voortreffelijk geacteerd, er was steeds volop smakelijk voer voor het oog.

Maar La Clemenza di Tito is een lastige opera om geloofwaardig te ensceneren. Het werk was bij het ontstaan eigenlijk al een anachronisme. Het is een gelegenheidsstuk dat werd gecomponeerd om de kroning van Keizer Leopold II in 1791 luister bij te zetten, en grijpt terug op de structuren van de destijds al achterhaalde opera seria.

Mozart gebruikte een oude tekst van Pietro Metastasio, die werd geknipt, gewassen en geschoren door Caterino Mazzolà. Die tekst viert de grootmoedigheid van een Romeinse keizer die degenen die probeerden een moordaanslag op hem te plegen hun misdaad vergeeft. Twee jaar na de Franse Revolutie was het werk een eerbetoon aan de absolute monarchie, een bevestiging van het wereldbeeld van het feestvarken.

Dat valt heden ten dage allemaal natuurlijk moeilijk onverkort op het toneel te zetten. Een moderne opvoering van ‘La Clemenza di Tito’ moet een interpretatie toevoegen om dit verhaal voor de moderne toeschouwer verteerbaar te maken, een commentaar op dat gegeven bieden. Milo Rau gaat naar mijn gevoel nog een stuk verder dan dat, hij maakt er een niet een voorstelling over, maar een voorstelling naar aanleiding van ‘La Clemenza di Tito’ van.

Hij heeft het geheel nog een tweede maal geknipt, gewassen en geschoren, en voegt, naast heel veel meer, de persoonlijke levensverhalen van de uitvoerenden toe, die tijdens een aria op het achterdoek geprojecteerd worden. Die boeiden me zo dat ik, achteraf tot mijn spijt, de muziek een tijdlang nauwelijks meer volgde.

Er worden wat mensen op decoratieve wijze aan de galg opgehangen. Leden van de cast pakken een microfoon en beginnen ook al over hun leven te vertellen. Verder wordt op het toneel het hart van de laatste echte Antwerpenaar, die thuis 70 opnamen van Wagners Parsifal, heeft staan, uitgerukt. Dit alles, naar ik heb begrepen, om het multiculturele karakter van de huidige samenleving te onderstrepen.

Titus ziet het, vanuit de eerste eeuw na Christus, bewogen aan. Er is in deze voorstelling voortdurend overrompelend veel, en allerhande, te zien. Als kijker verveel je je niet bij deze bonte ratjetoe. Maar wat je uiteindelijk ziet is een knappe, met gedurfde theatermiddelen, doch in feite brave, wat potpourri-achtige illustratie van inmiddels alomtegenwoordige stichtende clichés over inclusiviteit, racisme, witte mannen, geweld, machtsmisbruik en de overheersing van ons bestaan door het beeld.

Behalve dat het inmiddels al duizend keer vertoond is en de sleet er wel een beetje op zit, zou men niet weten wat er tegenin te brengen is. Rau’s enscenering is buitengewoon vindingrijk, maar in au fond toch vooral modieus.

“Een mode,” beweerde ik enige tijd geleden tegenover een paar vrienden, “ontstaat wanneer een heleboel mensen zich op dezelfde manier, en in hun ogen gunstig, willen onderscheiden van de anderen.” Nu had ik dat moment al een paar biertjes op, en er valt dus misschien het een en ander af te dingen op mijn stelling. Maar dat er een grond van waarheid in zit, daarvan ben ik overtuigd. Non-conformisme en conformisme gaan in modes een merkwaardig, paradoxaal en intrigerend verbond aan. De angst om niet mee te doen is daarbij groot. In mijn jeugd wilde iedereen op hetzelfde moment stoepranden, elastieken en knikkeren. En wee degene die niet meedeed. Milo Rau laat ons in deze voorstelling precies zien voor welke mode het nu tijd is.

De bijval van het in zijn nobele gevoelens gestreelde publiek was zeer groot.

Muziek van Wolfgang Amadeus Mozart
Libretto van Caterino Mazzolà, naar het gelijknamige libretto van Pietro Metastasio

Muzikale leiding:                              Alejo Pérez
Regie:                                                Milo Rau                 
Scenografie:                                    Anton Lukas
Kostuumontwerp:                              Ottavia Castelotti
Lichtontwerp:                        Jürgen KolbVideo-ontwerp:                                 Koorleiding:                                      Jef SmitsTito:                                                  

Tito: Jeremy Ovenden
Vitellia:                                             Anna Malesza-Kutny
Sesto:                                                 Anna Goryachova
Annio:                                                Maria Warenberg
Servilia:                                             Sarah Yang
Publio:                                   Eugene Richards III

Symfonisch Otkest Opera Ballet Vlaanderen
Koor Opera Ballet Vlaanderen

Bezocht op 21 september 2023.

Foto’s: © Annemie Augustijns

Nog te zien in Gent tot en met 8 oktober 2023



Heeft operaregisseur Barrie Kosky ongelijk?

Tekst: Neil van der Linden

Onlangs beweerde operaregisseur Barrie Kosky dat videostreaming van opera de kunstvorm corrumpeert. Dezer dagen streamt het Royal Opera House Kosky’s enscenering van Das Rheingold in een groot aantal bioscopen. Ik kan alleen maar concluderen dat Kosky het bewijs van zijn eigen ongelijk geeft. Zeker als het zo goed gebeurt als in deze Rheingold.

Al decennialang worden opera- en theater-ensceneringen per televisie uitgezonden. Wie heeft geen geweldige herinneringen aan de televisieregistraties van Madame Butterfly met als ik me goed herinner Freni en Karajan, Salome met Teresa Stratas en Böhm in de regie van Götz Friedrich en een Fidelio – was het die in de regie van Walther Felsenstein? (De laatste was voor mij als kind tevens een prettig verwarrende eerste kennismaking met genderbender – zou vertoning op televisie heden ten dage in sommige kringen taboe zijn?)


Later zat ik vastgelijmd aan het beeldscherm bij de sensationele Parijse Lulu met Boulez, Chéreau en Stratas; en ja, even naar de Opéra gaan was er niet bij, en bovendien wist opera- annex filmregisseur Chéreau precies wat hij deed. In diezelfde jaren zond Theatertreff am ZdF wekelijks toneelensceneringen uit, en zo kreeg je As you like it door Stein, Das Kätchen von Heilbronn door Flimm en alle Thomas Bernhards thuis op de buis. En ja, de kijk- en luisterervaring thuis bij de buis zijn niet als in de zaal. En Kosky heeft gelijk als hij stelt dat de gezamenlijke ervaring met uitvoerenden en publiek in de zaal de basis van het theater- en muziek-leven moet blijven.

Maar deze Rheingold op bioscoopscherm-formaat met Dolby-geluidsinstallatie, in een vrijwel uitverkochte zaal, die net als het publiek daar in Covent Garden op 400km afstand in spanning afwacht, voor 27,50 zonder Cinevillepas en 17,50 mét, levert een eigen soort ervaring op. Met de mogelijkheid details te zien die je anders zelfs vanuit de duurste plaatsen in Covent Garden niet zou zien.

Het is juist misschien de noodzaak om bijvoorbeeld closeups te maken die Kosky onnatuurlijk vindt, omdat de componist en de librettist ook niet in closeups dachten. Maar ik zou me kunnen voorstellen dat zeker Wagner de mogelijkheden juist geweldig zou hebben gevonden. Bovendien bieden de camera’s de mogelijkheid om af en toe naar de orkestbak af te dalen, waar we Antonio Pappano en het feilloos spelende ROH-orkest bezig zien. Wat een mooie klank stijgt er op uit het orkest, zeker van de strijkers en het hout, maar met name ook van de telkens weer onberispelijk inzettende hoorns en Wagnertuba’s.

Daarbij zie je niet alleen orkest en dirigent van dichtbij, maar je ziet ook de knalgele T-shirtsdie de orkestleden aan hadden met de tekst ‘#fairpay’. Dat slaat op de 10% loon die de musici in 2020 inleverden om het ROH voor ondergang te helpen behoeden tijdens Corona maar die sindsdien nog steeds niet naar het oude niveau zijn teruggebracht. In een toelichting bij de productie schrijft het ROH dat het nog steeds bezig is met herstel na Corona en vraagt het om donaties. Blijkbaar in reactie op het protest. Gelukkig voor ons had dit alles niet tot een staking geleid in het nog steeds Thatcheristische Groot-Brittannië.

De huidige Britse regering leek ook in beeld te komen, in de persoon van Loge, vertolkt door de jongensachtige Amerikaanse tenor Sean Panikkar, van Indiaas-Srilankese komaf, die wel wat weg heeft van de Britse premier Rishi Sunak. Menig regeringsleider zou nog wat kunnen opsteken van Loges geslepenheid en humor. Panikkar speelt Loges cynisme en opportunisme ten volle uit, maar laat ook de innemende kanten van het personage zien. Dartel en energiek huppelt hij rond door het decor, de restanten van een gigantische dode boom, die achtereenvolgens fungeert onderwaterwereld waar de Rheintöchter rondzwemmen, als boshut waar de goden wonen en als werkplaats in Nibelungenwereld waar Alberich uit het Rijngoud de tarnhelm en de magische ring laat smeden.

Eigenlijk is Kosky’s Rheingold Loges Rheingold. Misschien is dat mede doordat Kosky (zelf joods en queer) het meest sympathiseert met Loge, die immers als halfgod (een hoogbegaafd) altijd een outsider binnen de godenfamilie zal blijven.

NYTimes A ‘Gay Jewish Kangaroo’ Takes on Wagner at Bayreuth:

Het lijkt om een vergelijkbare reden dat Kosky van Alberich, vaak beschouwd als een joodse karikatuur, een exacte alter ego van Wotan maakt. Niet alleen heten de zangers toevallig beiden Christopher, maar ze lijken ook exact op elkaar. Kosky behandelt op interessante manier de nature en nurture thematiek, Loges anders zijn wordt gedetermineerd door nature, maar het verschil tussen Wotan en Alberich door waar je toevallig terechtkomt.

Merk trouwens op hoe Kosky Wotan, met zijn ooglapje, op Fritz Lang laat lijken. Fenomenale Fritz Lang in de clip van Le Mépris; en zie Langs tekst in deze film: It’s the fight of the individual against the circumstances, en It’s the fight against the Gods.

Naast Loge geeft Kosky ook Erda (de oermoeder van de aarde) een centrale rol, in de vorm van een oude vrouw die in alle scenes aanwezig is. Een groot deel van de tijd naakt, verschrompeld, gebogen, in de huiselijke scenes met de godenfamilie gekleed als serveerster optreedt, en in de scenes in Alberichs Nibelungenheim vastgeketend aan een buizenstelsel dat aan haar borsten als melk het goud onttrekt.

Prachtig melancholiek zijn de scenes waarin haar frêle naakte gestalte en haar lange grijze haren, door niemand een blik waardig gekeurd, contrasteren met het hitsige jonge grut dat het over niets anders dan seksuele en materiële lusten heeft; Freia met Fafner en Fasolt, Wotan die door Fricka en Loge wordt aangesproken op zijn seksuele escapades, en de mannetjesputters Froh en Donner die zich eveneens willen laten gelden. Tijdens de scene waarin Erda haar profetieën zingt horen we vanuit het duister de warme altstem van Wiebke Lehmkuhl.

De twee andere vrouwenrollen waren ook prachtig bezet. Marina Prudenskaya is Fricka, krachtig van stem en in uiterlijk met haar paardrij-tenu en zijden sjaaltje een toonbeeld van een kak-dame. Dit zou karikaturaal kunnen worden, maar Kosky laat liefdevol zien dat ook Fricka als het ware een mens van vlees en bloed is er gloren geregeld liefdevollen blikken tussen haar en Wotan.

Ook de reuzen waren mooi bezet, met de Koreaan Insung Sim al Fasolt en de Afro-Amerikaan Soloman Howard als Fafner, die natuurlijk als mafiosi binnen komen zetten, maar ze komen wel terecht halen wat hun is beloofd door Wotan. Namelijk Freia Kiandra Howarth, die ook mag mooi gillen als ze door de twee wordt meegenomen. Want niemand had haar wat gevraagd.

The Royal Opera: Das Rheingold trailer:

Wotan Christopher Maltman
Alberich Christopher Purves
Loge Sean Panikkar
Fricka Marina Prudenskaya
Freia Kiandra Howarth
Stem van Erda Wiebke Lehmkuhl
Fasolt Insung Sim
Fafner Soloman Howard
Orchestra of the Royal Opera House onder leiding van Antonio Pappano
Regie Barrie Kosky
Toneelbeeld Rufus Didwiszus

Gezien 20 september in de Filmhallen Amsterdam, herhaling maandag 25 september.

Fotomateriaal: © Monicka Rittershaus/Royal Opera House

In conversation with Antonio Pappano and Barrie Kosky:

Loge, Alberich en Wotan in actie in de ontfutsel-de-tarnhelm-truc-scene, live uit de bioscoop. We mogen ons gelukkig prijzen dat Sean Pannikkar hier dit seizoen de titelrol in Oedipus Rex komt zingen:

Le Rossignol als speelse operafilm

Tekst: Peter Franken

Le Rossignol ofwel De nachtegaal is een korte opera in drie aktes van Igor Stravinsky. Het is een muzikaal sprookje naar het verhaal van Hans Christian Andersen. De eerste uitvoering vond plaats op 26 mei 1914 door de Ballets Russes in de opera van Parijs o.l.v. Pierre Monteux.

Het verhaal gaat in grote lijnen als volgt:

Een Visser (tenor) in zijn boot aan het strand zingt dat hij de Nachtegaal (sopraan) nog niet heeft gehoord. Een groep hovelingen van het keizerlijk hof arriveert, geleid door een Kokkin (sopraan). Ze zoeken de Nachtegaal omdat de Keizer (bas) haar wil horen. De Nachtegaal accepteert de uitnodiging om mee te gaan naar het hof.

De Nachtegaal betovert de Keizer met haar zang, maar krijgt concurrentie van een speeldoos die door de Keizer van Japan aan de Keizer van China is gestuurd. De Keizer wil de zang van de echte Nachtegaal vergelijken met die van de mechanische waarop de Nachtegaal beledigd wegvliegt. De Keizer verbant haar als straf uit het rijk omdat zij zo onbehouwen is vertrokken en laat de speeldoos in de keizerlijke slaapkamer plaatsen als eerste zanger.

De Dood (mezzosopraan) verschijnt aan het keizerlijk bed. De speeldoos is stuk en de Keizer verkeert in doodsnood door de stemmen van de geesten die langs zijn bed sluipen en hem niet alleen herinneren aan zijn goede, maar ook slechte daden. Angstig roept hij om zijn muzikanten. Dan verschijnt de Nachtegaal die de Keizer opvrolijkt met haar zang. Ze haalt de Dood over haar prooi te laten gaan. Het leven van de Keizer is gespaard en hij smeekt de Nachtegaal voor altijd te blijven. Die ziet dat niet zitten maar belooft elke nacht terug te komen om voor de Keizer te zingen. De opera eindigt met de Visser die de Nachtegaal prijst en haar dankt dat ze naar hem is teruggekeerd.

Een eerdere cd opname van dit werk is gebruikt voor het maken van een filmversie. De Nachtegaal wordt prachtig vertolkt door coloratuur sopraan Natalie Dessay. Ze zingt de Franse tekst zodanig dat het bijna echte vogelzang lijkt, heel hoog ‘kwetterend’ met het grootste gemak.

De Kokkin komt voor rekening van Marie McLauglin en Violeta Urmana vertolkt de Dood. Als de Visser horen we Vsevolod Grivnov, de Keizer komt voor rekening van Albert Schagidullin en Laurent Naouri is de Kamerheer. Het Orkest van de Opera National de Paris staat onder leiding van James Conlon.

De film waarin deze gebeurtenissen worden getoond is gemaakt door Christian Claudet. Hij heeft gekozen voor een raamvertelling waarbij gebruik wordt gemaakt van alle technische middelen die de computertechnologie in 2014 te bieden had. Het levert bij vlagen surrealistische beelden op maar soms ook weer heel herkenbare situaties.

Een jongetje loopt ’s avonds laat de pottenbakkers werkplaats van zijn grootvader binnen en ziet daar een ongebruikelijk groot object dat nog steeds een beetje warm is. Als hij dit aanraakt verandert de ruwe aardewerken pot in een rijk gedecoreerde half doorschijnende porseleinen vaas. Als de jongen erin kijkt ontwaart hij een visser in zijn bootje en dan begint het muzikale gedeelte.

De kamerheer heeft feitelijk de macht in handen omdat hij beter weet om te gaan met computertechnologie dan de keizer. De Nachtegaal wordt getransformeerd tot virtual reality object en moet deelnemen aan een talentenshow. De Keizer raakt zo onder de indruk van de Nachtegaal dat  de Kamerheer vreest zijn invloed op hem te verliezen. Hij manipuleert de tv show door een speelgoedvogeltje te laten zingen en laat de applausmeters nu sterker uitslaan. De echte vogel vliegt beledigd weg.

Als jaren later de Keizer op sterven ligt in een isolatie bubbel onder permanent cameratoezicht krijgt de Nachtegaal medelijden en komt weer terug. Uiteindelijk wordt ook de porseleinen vaas weer een ruw aardewerken pot. Het jongetje loopt met zijn grootvader de hut uit.

Het ziet er prachtig uit allemaal en Natalie Dessay is een plaatje van een zangeres. Tussen alle flitsende beelden door ontwaren we de Verboden Stad en andere Chinese clichés. Alle Chinese personages zijn herkenbaar ‘folkloristisch’ gekostumeerd  met uitzondering van Dessay die naturel rondloopt in een kort wit slaapjurkje: zij is geen mens maar een dier en die dragen geen kleding. Een aanrader dit korte werk.

Le Rossignol in Amsterdam:
De nachtegaal en andere fabels van Igor Stravinsky: een van de mooiste producties bij de Nationale Oper

Le Rossignol Chen Reiss
Le rossignol et la rose : interview with Chen Reiss

Der Schatzgräber van Schreker: zoek niet verder, de schat zit in de muziek

Tekst: Peter Franken



In mei 2022 ging bij Deutsche Oper Berlin een nieuwe productie van Der Schatzgräber in première. Christof Loy had de regie en Marc Albrecht de muzikale leiding. Het vormde het slot van een drieluik over ‘bijzondere vrouwen’ in het 20e eeuwse operarepertoire, na Das Wunder der Heliane en Francesca da Rimini. Alle drie zijn ze nu op dvd en Blu-ray uitgebracht. ‘Francesca’ heb ik nog niet gezien, over ‘Heliane’ en ‘Els’ ben ik zeer te spreken, fraaie producties met zeer goede cast.

Schreker (1878-1934) schreef negen opera’s waarvan Der ferne Klang (1912) en Die gezeichneten (1918) de bekendste zijn. De eerste was zijn doorbraak en met de tweede vestigde hij zijn reputatie als de belangrijkste operacomponist van dat moment, althans in de ogen van velen. In elk geval stak hij Richard Strauss naar de kroon.

Der Schatzgräber (1920) was een absolute triomf en in termen van aantallen gespeelde voorstellingen in Duitsland liet Schreker Wagner en Strauss achter zich. Mede door het steeds onvriendelijker wordende politiek-culturele klimaat werden zijn latere werken echter minder goed ontvangen. De première van Der Schmied von Gent in 1932 in Berlijn werd ontsierd door demonstraties van rechts radicalen en na de Machtergreifung door de nazi’s was Schrekers rol uitgespeeld. Hij stierf kort daarop en raakte lange tijd in vergetelheid, net als andere componisten die het predicaat ‘Entartet’ opgeplakt hadden gekregen.

Wie een indruk wil krijgen van Schrekers muzikale idioom kan het beste het twaalf minuten durende Vorspiel van Die gezeichneten beluisteren. Tonaal maar duidelijk chromatisch, rijk georkestreerd, welluidend en meeslepend. Onwillekeurig dringt ook de gedachte aan de latere filmmuziek van Korngold zich op en meen je flarden Strauss te herkennen.

Schrekers muziek was niet echt ‘modern’ maar toch vooral een voortzetting van de 19e-eeuwse klankwereld. In dat opzicht is hij ook schatplichtig aan Humperdinck, vooral diens Königskinder. Dat hij werd gestigmatiseerd als componist van Entarte Musik zal,behalve natuurlijk dat hij Joods was, eerder met de libretti dan met de muziek te maken hebben gehad.

Orkest repetitie:

Zo werd Schreker verweten dat ‘er geen seksuele afwijking was die hij niet op muziek heeft gezet’. Afgaande op de libretti van Der ferne Klang en Die gezeichneten was dit niet geheel en al uit de lucht gegrepen, al is dat op zich natuurlijk geen reden om de componist op de schroothoop van de muziekhistorie te laten belanden.

Ook Els, de ‘bijzondere vrouw’ in Der Schatzgräber, wordt getoond als iemand met een complexe seksualiteit. Voor Ivo van Hove was dat kennelijk aanleiding haar bij DNO op het toneel te zetten als evenbeeld van Catherine Deneuve in Belle de jour.

Overigens is de teruggang in Schrekers carrière beslist niet alleen aan de nazi’s te wijten. Die had zich al eerder ingezet doordat zijn keuze voor sprookjesachtige onderwerpen in Der Schatzgräber en het daarop volgende Irrelohe in toenemende mate als ‘out of sync’ met de harde tijden van na de crisis van 1929 werden ervaren.

Begin van de repetities:

De handeling van Der Schatzgräber speelt zich af in de vroege middeleeuwen. Centraal staat een legende over een juweel dat een eigenaar niet mag verliezen op straffe van snelle veroudering. Dat is pech voor de koningin in het verhaal want die raakt het kwijt waardoor ze haar schoonheid verliest en onvruchtbaar wordt. De koning doet een beroep op Elis, een rondzwervende minnezanger die een luit heeft met toverkracht waarmee hij verloren schatten kan opsporen. Dit op advies van zijn hofnar die als tegenprestatie bedingt dat hij een vrouw van zijn keuze zal krijgen als Elis het juweel weet te vinden.

Opkomst Els, een mooie herbergiersdochter die er een gewoonte van heeft gemaakt potentiële echtgenoten af te wijzen. Onduidelijk is waarom, je zal toch een keer moeten trouwen in de middeleeuwen. Nu probeert ze van een rijke edelman af te komen die haar te ruw is in zijn gedrag. Ze stuurt hem op een queeste om de halsketting van de koningin te zoeken en laat haar dienaar Albi hem volgen om de man ergens in het woud te vermoorden.

Inmiddels heeft Elis zich met het gevonden juweel in de herberg gemeld en geeft haar het door hem gevonden sieraad. Dat was natuurlijk tegen de afspraak maar het werkt in zoverre dat Els verliefd op hem wordt, voor het eerst een man die haar welgevallig is, vermoedelijk dankzij de invloed van dat magische juweel. Maar als het lijk van de edelman in het woud wordt gevonden laat de schout Elis vastnemen. Hij wil Els voor zichzelf en ruimt zo een concurrent uit de weg.

Vlak voordat Elis zal worden opgehangen krijgt hij door toedoen van Els nog even respijt zodat hij het juweel kan achterhalen. Als dat lukt en hij kan vertellen wie het gestolen heeft zal hij blijven leven. Omdat dit Els op zijn minst als eigenaar van gestolen goed in gevaar brengt en vragen kan oproepen naar de dood van de edelman, laat Els de luit met magische krachten door Albi stelen. Vervolgens beleven Elis en Els een liefdesnacht waarin ze het juweel draagt. Daarna geeft ze het aan hem terug onder voorwaarde dat hij haar altijd blind zal vertrouwen.

Als Elis het juweel aan de koningin heeft gegeven wordt dat groots gevierd maar het feest wordt ruw verstoord door de komst van de schout die aan Albi een bekentenis heeft onttrokken dat hij die edelman heeft vermoord, maar in opdracht van Els.

De schout eist haar executie maar dan herinnert de nar de koning aan diens belofte en vraagt om Els als zijn vrouw. Samen gaan ze er snel vandoor. Elis voelt zich bedrogen, vooral omdat Els zijn luit heeft laten stelen waardoor hij zijn ‘werk’ niet meer kon doen. Maar natuurlijk ook als haar minnaar.

Omdat Els het juweel heeft gedragen veroudert ze snel nu ze het niet meer bezit. Al na een jaar is ze stervende. De nar laat Elis komen die een prachtige ballade voor haar zingt over een paleis waarin zij beiden zullen worden verwelkomd als Prins en Prinses. Els sterft in Elis’ armen en de nar rouwt om haar dood.

Loy en zijn team hebben het werk geënsceneerd op een wijze die doet denken aan onder meer zijn Tannhäuser en Rusalka, zij het dat er nu geen ballerina’s in tutu aan te pas komen. Het ballet is er wel en voert een, in vergelijking met de nogal vrije scène in Tannhäuser, tamelijk ingehouden orgie op die de liefdesnacht van Els en Elis op het toneel vorm moet geven. Het koppel zelf is in de schemering op het achtertoneel ergens mee bezig, in elk geval zingen.

Voorspelbaar is Schrekers muziek hier uiterst broeierig. De handeling speelt zich af binnen een toneel breed eenheidsdecor dat nogal donker oogt waardoor vooral de eerste paar meters vanaf de orkestbak de aandacht trekken. De openingsscène aan het hof gaat direct over in de herbergscène waardoor aanvankelijk de gehele hofhouding nog in de verkeerde wereld lijkt te staan. Sowieso lopen de figuranten, keurig eigentijds gekleed, onbekommerd door alle scènes heen.

Voor de rol van de wegkwijnende koningin heeft Loy een mooie vrouw in witte jurk gecast, nadrukkelijk aanwezig en bijna de uitbeelding van Loys fascinatie met ballerina’s. Ach, het is een fase natuurlijk. Over een paar jaar heeft hij weer een andere fetisj.

De grote cast kent hoegenaamd geen zwakke punten en laat veel bekende namen zien. Thomas Johannes Mayer is zonder meer geweldig als de Schout (der Vogt) en de mij onbekende tenor Michael Laurenz is in alle opzichten een overtuigende Narr. Mooie acteur in een mooie rol, en hij kan ook goed zingen.

De Zweedse sopraan Elisabeth Strid maakte ik eerder mee als Sieglinde in de Ring van Hilsdorff (Düsseldorf 2018). Ze heeft ook Elisabeth en Senta op haar repertoire staan en maakt binnenkort haar roldebuut als Isolde. Strid blijkt een ideale Els in deze productie. Ze weet alles uit die rol te halen dat er qua zang in zit, heerlijk om naar te luisteren. Haar acteren completeert die invulling. Ze is een secreet maar je houdt van haar en lijdt met zowel Elis als de Narr mee als ze ten dode is opgeschreven na het verlies van ‘het juweel’.

Daniel Johansson was in 2016 een prima Lohengrin in de Aalto Opera Essen en kort na zijn Elis stond hij daar op het toneel als Tannhäuser. De opname is gemaakte op twee avonden waardoor natuurlijk wat geknipt en geplakt kon worden, net even iets anders dan een echte live opname. Maar in elk geval is Johansson hier op zijn allerbest. Zijn grote aaneengesloten ‘aria’s’ zijn sterk verhalend en vooral hier dringt de vergelijking met Königkinder zich op.

Officiële trailer van de productie

Koor en orkest van Deutsche Oper Berlin staan onder leiding van Marc Albrecht die hiermee een wens in vervulling ziet gaan, die trilogie over ‘bijzondere vrouwen’. Zijn ‘Francesca’ heb ik inmiddels besteld, binnenkort zal er op deze plek wel over te lezen zijn.

Reacties van het publiek:

Foto’s: © Monika Ritterhaus

Schrekers Der Schatzgräber in de regie van Ivo van Hove


De vloek van Irrelohe

Hoe Linda di Chamounix haar verstand verloor. En hervond

Tekst : Peter Franken

Dit werk uit 1842 componeerde Donizetti op een libretto van Gaetano Rossi, naar ‘La Grâce de Dieu’ van Adolphe Philippe d’Ennery en Gustave Lemoine.

Eugenia Tadolini, the first singer of the title role, portrait by Josef Kriehuber

De handeling speelt zich af in een dorpje in de Savoie omstreeks 1760. Het draait om een klassieke situatie waarin een adellijke man misbruik probeert te maken van zijn machtspositie ten koste van een dorpsmeisje. De markies van Boisfleury werpt zich op als bemiddelaar voor zijn zuster die onwillig is de pacht op het land van de familie Loustolot te verlengen. Het is hem echter te doen om hun dochter Linda die het petekind is van de markiezin. De markies dringt er op aan dat Linda op het kasteel komt wonen ‘om haar opvoeding te voltooien’.

Linda is verliefd op Carlo, een arme kunstschilder. Ze had gehoopt hem te treffen maar kwam te laat omdat ze de schijn wilde ophouden naar de kerk te gaan. De zanger Pierotto zingt een lied over een meisje dat het ouderlijk huis verlaat en bij terugkeer ontdekt dat haar moeder is overleden. De Prefect komt Linda’s vader waarschuwen voor de markies, die kwade bedoelingen heeft. Linda moet naar Parijs gaan en bij zijn broer intrekken om zodoende uit de greep van de markies te blijven. En zo geschiedt.

Dan komt Carlo opdagen om te vertellen dat hij helemaal niet arm is en ook nog eens de zoon van de markiezin. Hij regelt een keurig onderkomen voor haar en komt elke dag even op bezoek. Pierotto weet haar daar te vinden en ze legt hem uit hoe het zit. Hij waarschuwt dat ook de markies haar op het spoor is gekomen. Die probeert haar alsnog in te palmen maar ze stuurt hem weg.

Dan komt Carlo vertellen dat zijn moeder heeft gehoord dat hij met Linda wil trouwen, weliswaar haar petekind maar gewoon een dorpsmeisje. Ze eist van hem dat hij onmiddellijk instemt met een adellijke huwelijk, maakt niet uit met wie zo lang de vrouw maar een titel heeft. Carlo laat echter na dit aan Linda te vertellen en als haar vader er achter komt dat ze zo op het oog leeft als een ‘kept woman in Paris’ verstoot hij haar.

Als Pierotto dan ook nog komt vertellen dat Carlo diezelfde dag met iemand anders zal gaan trouwen, verliest Linda haar verstand. Tijdelijk natuurlijk, het is een opera.

Uiteindelijk komt alles op zijn pootjes terecht. De markiezin geeft toe aan Carlo’s wens en als Linda het deuntje hoort dat Pierotto zo vaak zingt knapt ze weer helemaal op. Het hele dorp verheugt zich op de aanstaande bruiloft en de opera eindigt in een feestelijke sfeer.

Linda hoefde overigens niet in haar eentje naar Parijs. Bij het aanbreken van de winter kwam iedereen in de Alpen zonder werk te zitten en werden jongelui erop uit gestuurd om in de steden als straatmuzikant wat geld bij elkaar te schrapen. En omdat ze goed konden klimmen en geen hoogtevrees hadden waren de jongens ook geknipt voor het vegen van schoorstenen.

 Meisjes verkochten lucifers of kwamen tijdelijk in de prostitutie terecht. En als dan de winter voorbij was kwam iedereen weer naar het eigen dorp terug. De scène waarin dit wordt uitgebeeld laat verschillende van die jongelui aan het woord als ze vertellen hoeveel geld ze hebben verdiend. Linda is er dan niet bij, zij komt later met Pierotto die haar 200 mijlen heeft meegesleept.

Door Dynamic is een opname op dvd uitgebracht van een voorstelling die op 15 januari 2021 plaatsvond in Teatro Maggio Musicale Fiorentino, zonder publiek. Het lijkt de uitvoerenden niet echt te deren al is het wat onwezenlijk dat ze na afloop applaus komen halen en buigen naar een lege zaal.

De enscenering is van Cesare Lievi en decor en kostuums komen voor rekening van Luigi Perego. Het toneelbeeld is eenvoudig maar zeer doeltreffend, de kostuums 19e eeuws, zo ongeveer de periode waaruit de opera stamt. Het libretto wordt keurig gevolgd met veel aandacht voor details.

De titelrol is in handen van Jessica Pratt die goed raad weet met haar coloraturen maar duidelijk forceert bij de hoogste noten. Acterend voldoet ze wel al blijft het lastig in haar een jong onervaren dorpsmeisje te zien. Als ze door Carlo, nadat deze zich heeft ontpopt als Visconte de Sirval, is geïnstalleerd in Parijs gedraagt ze zich als een chique dame en komt ze overtuigender over.

De scène waarin ze de markies haar appartement uit probeert te jagen door heel hoog van de toren te blazen is hilarisch, vooral ook door de inbreng van bas-bariton Fabio Capitanucci die er een echte buffo rol van maakt.

Tenor Francesco Demuro is een prima Carlo al klinkt hij bij vlagen wat larmoyant en acteert hij nogal houterig. De mooie rol van de Prefect wordt vertolkt door de bas Michele Pertusi, een vaste waarde in dit repertoire.

Contralto Teresa Iervolino is geknipt voor de rol van Pierotto, zeer overtuigend gebracht. Bariton Vittorio Prato komt vooral solo goed uit de verf. Zijn samenzang met Marina de Liso als Linda’s moeder klinkt zo nu en dan beslist onprettig. Michele Gamba heeft de muzikale leiding.

Foto’s: © Michele Monasta

Linda di Chamounix is meer dan een aria!

Matinee opent seizoen met Bellini’s Il pirata

Tekst: Peter Franken

Rubini as Gualtiero in the premiere production

De opera Il Pirata ging op 27 oktober 1827 in Milaan in première en was Bellini’s eerste grote succes. Ondanks een revival van de belangstelling voor deze uitgesproken belcanto componist heeft dit werk niet op het succes van zijn latere opera’s mee kunnen liften. Ook La Straniera dat volgde op Il Pirata wordt betrekkelijk zelden geprogrammeerd. Voor velen blijft Bellini toch vooral de componist van Norma, La Sonnambula en I Puritani. Tot op heden is er in het reguliere circuit geen enkele video opname van Il Pirata verschenen, we moeten het doen met cd’s waaronder de uitvoering in 1959 in Carnegie Hall met Maria Callas.

Ik hoorde Il Pirata in 2003 in de Matinee, uiteraard met Nelly Miricioiu en door een merkwaardig toeval minder dan een jaar later eveneens in Antwerpen. Bij die gelegenheid was het kantje boord of de voorstelling door kon gaan omdat de tenor nogal ziek was en er niet zomaar iemand kon worden gevonden om die zelden gezongen hoofdrol over te nemen. Een spreker legde vooraf uit dat ze er alles aan hadden gedaan om hem op te lappen. Ze waren nog net niet met hem naar de dierenarts geweest maar paardenmiddelen zullen niet geschuwd zijn. Hij gaf geen krimp maar hield het uiteindelijk na de tweede scène van akte 2 voor gezien. Het was hoe dan ook een bewonderenswaardige poging.

IL Pirata met Nelly Miriociou (audio):


In het kort gaat de handeling als volgt.

Akte 1

Gualtiero, graaf van Montaldo, is verbannen en leidt noodgedwongen een leven als piraat. Hij wordt achtervolgd door zijn gezworen vijand Ernesto, de graaf van Caldaro. Deze heeft Imogene, de vroegere geliefde van Gualtiero tot een huwelijk weten te dwingen door haar vader te laten creperen in zijn gevang. Gualtiero lijdt schipbreuk op de kust nabij het kasteel van Ernesto. Als Imogene voedsel en onderdak komt aanbieden aan de overlevenden van de schipbreuk, herkent ze Gualtiero.

Akte 2

Na de herkenning wordt duidelijk dat de liefde tussen Gualtiero en Imogene niet is gedoofd maar Gualtiero slaagt er niet in om Imogene zover te krijgen dat ze haar zoontje en echtgenoot in de steek laat. Gedwongen of niet, ze is nu eenmaal met hem getrouwd. Ernesto heeft hen echter gehoord toen ze hierover spraken en zweert wraak. Dat doet Gualtiero ook, zij het om andere redenen, ze betwisten elkaar nu eenmaal het bezit van dezelfde vrouw. In het duel dat volgt wordt Ernesto gedood. In plaats van te vluchten geeft Gualtiero zich over en wordt ter dood veroordeeld. De wanhopige Imogene verliest vervolgens haar verstand.

Elke sopraan die in de Matinee aantreedt om een rol te vertolken die ooit door de ‘heilige Miricioiu’ werd gezongen heeft het op voorhand zwaar bij het publiek dat die gouden tijden nog steeds koestert. Het is te vergelijken met het altijd maar moeten opboksen tegen de herinnering van Maria Callas. Zelf heb ik daar ook last van, wens geen andere Gioconda of Norma te horen dan van haar. Dat Miricioiu de rol van Imogene in 2003 heeft gezongen, toen het huidige publiek natuurlijk massaal aanwezig was, zal het voor Elena Moșuc er niet gemakkelijker op hebben gemaakt zaterdagmiddag. Dat ze uitzinnig werd toegejuicht is vooral onderdeel van de Matinee folklore, een iets kritischer benadering was op zijn plaats geweest.

Dat brengt me bij het gedrag van dirigent Giampaolo Bisanti, in het dagelijks leven muziekdirecteur van de Opéra de Wallonie. Ik heb hem daar eenmaal meegemaakt, toevallig ook bij een Bellini. Tijdens La Sonnambula zat Bisanti veilig in de orkestbak. Maar in het Concertgebouw waren alle solisten voortdurend binnen contactafstand en ging hij zich te buiten aan handen schudden, omhelzen, zoenen en zo meer.

Na elke grote scène was het raak, en zelfs tijdens een scène werd het spel stilgelegd alsof er een doelpunt moest worden gevierd. Tussendoor stond hij als een clown voor het orkest: wild gebarend, dansend en springend. Een bizarre ervaring. Gelukkig leed de bijdrage van het Radio Filharmonische Orkest er niet waarneembaar onder.

Het duurt even vooraleer Imogene haar opwachting maakt en aanvankelijk horen we dus alleen maar mannenstemmen. Jasper Leever als kluizenaar Goffredo vond ik wat onopvallend, had wat meer kracht en volume van deze bas verwacht. Tenor Mark Omvlee als Gualtiero’s luitenant kwam beter uit de verf.

De derde kleine rol kwam overigens ook voor rekening van een lokale beroemdheid: Aylin Sezer straalde een kalme waardigheid uit in haar vertolking van Adele, Imogenes favoriete hofdame. Ik had haar graag wat meer horen zingen, uitgaande van wat ze mocht brengen deed ze voor Moșuc niet onder. Maar goed beschouwd is er van die kleine rollen niet zo heel veel te maken, zijn vooral van belang voor je cv.

Tenor Michael Spyres als Gualtiero was voor mij geen onbekende. Ik hoorde hem als Masaniello in Parijs in La muette de Portici en in Gent als Faust in de productie van Terry Gilliam. Ik was zonder meer te spreken over zijn vertolking van de titelheld al had ik wat moeite met de Rossiniaanse wijze waarop hij zijn stem omhoog stuwde om een hoge noot te pakken.

Opvallend genoeg wist bariton Franco Vassallo met zijn late verschijning als Ernesto korte tijd de show te stelen. Hij kreeg een open doekje voor zijn introductie en na het inmiddels gebruikelijke handjeklap en omhelzen gebeurde dat opnieuw na de herhaling. Die herhalingen konden wat mij betreft wel achterwege blijven. Ze worden veelal gecoupeerd heb ik me laten vertellen en je zet het publiek er alleen maar mee op het verkeerde been.

Vassallo is geen onbekende in Nederland maar zingt vooral in München. In de opname van Lucrezia Borgia speelt hij een geweldig kat en muis spel met Gruberova, zo heb ik kort geleden kunnen vaststellen. Zoiets gebeurt hier ook tussen Ernesto en Imogene, het is de enige reden waarom ik de opera graag geënsceneerd had willen zien. Voor het overige neem ik genoegen met de boventitels, ik word wat milder in mijn stellingname tegen concertante opera’s.

Mijn eerste kennismaking met Elena Moșuc stamt uit 2002 toen ik haar in Essen hoorde als Elvira in I Puritani. Ze stond toen nog aan het begin van haar carrière in West Europa na al enige tijd furore te hebben gemaakt in Roemenië. Inmiddels beginnen de jaren te tellen en hoewel de nu bijna zestigjarige coloratuursopraan de hoogste noten nog steeds weet te vinden laat haar voordracht hier en daar wel wat te wensen over.

Veel tijd om op te warmen krijgt Imogene niet, het is gelijk raak na haar opkomst en ik was aangenaam verrast toen ze wist af te sluiten met een hoge ‘whatever’. Subtiel was het niet allemaal maar mede door het optreden van Bisanti werd de indruk gewekt alsof het nu al twee nul stond in de wedstrijd. Nadien horen we Imogene vooral in twee grote duetten, met elk van haar mannen, en daarin wist ze me meer te bekoren. Ingehouden zingend, fraaie bijna etherische hoge noten en een mooie evenwichtige voordracht.

Doordat Bisanti alsnog had besloten de laatste scène te couperen had Imogene het laatste woord. Moșuc maakte er een mooi spektakelstuk van en de middag eindigde in een overdonderend applaus.

Tenslotte nog een opmerking over het Groot Omroep Koor. Ingestudeerd door James Henshaw leverde het een uitstekende bijdrage aan het geheel. Al met al toch wel een geslaagde poging deze minder bekende Bellini weer eens onder de aandacht van een select publiek te brengen.

Het slotapplaus (video van Ron Jacobi):

Foto’s: © Simon van Boxtel

Toch verlossing. Ivo van Hove en Markus Stenz positioneren  Mahagonny binnen de dramatische en muzikale traditie

Tekst: Neil van der Linden




 “Kunst heeft niet als taak heeft om optimistisch te zijn of om iemand zich beter te doen voelen. Kunst moet zich bezighouden met het leven in al zijn brutaliteit en schoonheid.” Dit is een citaat van de Amerikaanse auteur Ta-Nehisi Coates dat Van Hove heeft geïnspireerd bij zijn regie van Aufstieg und Fall der StatdMahagonny, de opera uit 1930 van Bertolt Brecht en Kurt Weill.

Eigenlijk geldt het adagium van Ta-Nehisi Coates voor alle kunst. Maar het expressionisme drukte dat idee wel heel expliciet uit. Denk aan de schilderkunst uit die tijd, de expressionistische film, en ook andere opera’s uit dezelfe tijdsperiode, zoals Die Gezeichneten (Schreker), Der Zwerg (Zemlinsky), Das Nusch-Nuschi  (Hindemith), Flammen (Schulhoff) en Lulu (Berg).

In veel van deze opera’s stond ook de Scheiternde Held centraal, een erfenis van de helden en heldinnen van veel Wagner-opera’s die allemaal ten onder gaan. Ivo van Hoves regie van Mahagonny zoekt daar welbewust aansluiting bij. Brechts mannelijke protagonist is Jim Mahoney, een houthakker die naar de net uit de woestijnzand verrezen Mahagonny was gekomen, een soort Las Vegas of misschien wel Dubai, om met zijn schamele, in Alaska vergaarde spaargeld van de geneugten van de moderne stad te komen genieten, om vervolgens failliet te gaan en ter dood te worden veroordeeld omdat hij zijn rekeningen bij de bar niet meer kan betalen, in Brechts Mahagonny een doodzonde.

Brechts Jim Mahoney is daarmee een begin-twintigste antipode van de mythische Wagneriaanse held, een symbool voor de moderne mens, een kleinburgerlijke consument van de geneugten van de consumptiemaatschappij, die juist in al zijn onbetekenendheid een martelaar wordt.

Zanger Douglas Nasrawi schreef mij dat Jim Mahoney één van de ondankbaarste rollen was die hij ooit zong.

In zijn regie vergroot Ivo van Hove Brechts de Wagneriaans trekken. Na Mahoney’s executie zien we de massa zijn lichaam inwikkelen in een doek, als op een Middeleeuws schilderij van een Kruisafname, en zien we de massa het lijk in de lijkwade vervolgens ronddragen als in een Mediterrane begrafenisprocessie. Bij Van Hove transfigureert de dode Mahoney alsnog tot Wagneriaane held.

Onder dirigent Markus Stenz hoor je het Nederlands Philharmonisch Orkest alle verwijzingen in Kurt Weills partituur naar de late Mahler, Schoenberg, Berg, Schulhoff, Hindemith of Ullmann vloeiend samenvoegen, maar je hoort ook Weills eigen stijlelementen zoals die ook te horen is in zijn te weinig gespeelde symfonieën. Spectaculair is een passage waarin Stenz op rechts een complexe passage van het koor dirigeert terwijl op links uit de orkestbank de trombones en overig laag koper een prachtig georkestreerde contrapuntische tegenstem spelen, en dit alles spat-synchroon. Daarnaast zitten er natuurlijk de jazz- en pop-elementen in de partituur, zoals Jenny Hillswelbekende ‘Alabama Song’.

Deze ‘Alabama Song’, vroeg in de opera, was regie- en vocaal-technisch meteen al een hoogtepunt. Regie-technisch door een inventief gebruik van videoprojecties, wanneer Jenny Hill en haar sekswerker-collegas de nieuwe bordelen van de stad, betrekken.

Vocaal-technisch doordat voormalig BBC Cardiff Singer of the World-winnaar Lauren Michelle als Jenny Hill een vertolking van jewelste gaf. Ze beschikt over een veelzijdige stem die zowel geschikt is voor het riedeltje van de Alabama Song als voor de veeleisender en subtielere overige delen van haar rol. Intussen heeft Lauren Michelle het juiste theatrale overwicht om duidelijk te maken dat Jenny Hill in de stad eigenlijk haar feministische eigen gang gaat, en ze, ondanks haar professie, de liefde een rol laat spelen in haar handel en wandel.

Daarmee is Jenny Hill een formidabele tegenspeelster voor Leokadja Begbick, ofwel Evelyn Herlitzius, Richard Strauss-vedette, eerder onder meer Färberin en Elektra bij De Nederlandse Opera. Leokadja Begbick, grondlegster van de stad en lid van een bende die elders vandaan is gevlucht vanwege criminele activiteiten,  is degene die bewerkstelligt dat haar mede-bendeleden in een nep-proces Jim Mahoney ter dood veroordelen als die zijn rekening bij haar café niet meer kan betalen. Herlitzius’ uitstraling op het toneel, enerzijds een kordaat, anderzijds een cynische matrone, en haar wat lagere mezzo-timbre, maken haar perfect voor de ro.

Nikolai Schukoff (in 2014 Lohengrin bij de Nederlandse Opera) is, ondanks het in Douglas Nasrawi’s woorden ‘underwhelming’ personage, een indrukwekkende Jim Mahoney, waarbij je je pas tegen het eind van de opera realiseert hoe zwaar deze rol eigenlijk is.

Ook de andere rollen waren prima bezet. Vermeldenswaard is dat van Jim Mahoneys drie kompanen, ook houthakkers uit Alaska, de fraaie lage bas Mark Kurmanbayev (Joe) net tot de Opera Studio is toegetreden en de bariton Martin Mkhize (Bill) de Opera Studio net achter de rug heeft. Met de deelname van Martin Mkhize en van Thembinkosi Magagula als één van Jenny Hill’s collegas valt op hoeveel operatalent tegenwoordig uit Zuid-Afrika komt.

Decorontwerper Jan Versweyveld laat het aanvankelijk lege podium steeds voller worden, zoals een stad groeit. De video licht daarbij fraaie details uit, zoals de levende bedrijvigheid in Jenny Hills bordeel en in Leokadja Begbicks bar. Merkwaardig is een vertraging in het videobeeld die opvalt als we de zangers zien zingen. Dat zal wel iets met de complexe videotechniek te maken hebben, die waarschijnlijk veel rekencapaciteit vergt. Er wordt namelijk deels gebruik gemaakt van green screen, een techniek waarbij de handelingen van de acteurs gefilmd worden voor een groen scherm, waarbij computertechnisch de groene achtergrond wordt vervangen door een apart opgenomen video-achtergrond en het geheel zo op het videoscherm wordt geprojecteerd. Zo zien we bij de bokswedstrijd de protagonisten boksbewegingen maken voor het groene scherm terwijl we ze op de video in een volle sportarena zien. Ook schijnbaar liveseks-scenes in het bordeel worden via green screen gemonteerd en op het scherm vertoond alsof ze echt zijn. Een verwijzing naar het de rol van de fake in de manier waarop we de wereld om ons heen tot ons komt, nepnieuws, nep-internetfilmps, enz.

Muzikale leiding  Markus Stenz
Nederlands Philharmonisch Orkest
Regie  Ivo van Hove
Decor en licht  Jan Versweyveld
Leokadja Begbick  Evelyn Herlitzius
Fatty  Alan Oke
Dreieinigkeitsmoses  Thomas Johannes Mayer
Jenny Hill  Lauren Michelle
Jim Mahoney  Nikolai Schukoff
Jack O’Brien/Tobby Higgins  Iain Milne
Bill  Martin Mkhize
Joe  Mark Kurmanbayev
Sechs Mädchen von Mahagonny
Viola Cheung Thembinkosi Magagula Elisa SosteRaphaële Green Kadi Jürgens Jessica Stakenburg
Koor van De Nationale Opera
Gezien 6 september Nationale Opera en Ballet Amsterdam

Trailer van de productie:

Foto’s: © Clärchen & Matthias Baus | De Nationale Opera

‘Ik maak van je vijanden een bank voor je voeten.’ Monteverdi en Euripides in het Festival Oude Muziek.




Tekst: Neil van der Linden

Na de openingsavond van het Festival Oude Muziek in TivoliVredenburg met de theatrale reconstructie van de begrafenisceremonie van Karel de Vijfde trad Artists in Residence-ensemble La Tempête voor de tweede keer aan in de grote zaal van Tivoli/Vredenburg, dit keer met een door de hele zaal geënsceneerde versie van Monteverdi’s Maria Vespers.

Zoals ze het vier jaar geleden al op een CD lieten horen, nodigen net als de muziek uit de tijd van Karel V ook Monteverdi’s Vespers uit om te worden vermengd met allerlei andere Mediterrane muziek. En ja, het Venetië, waar Monteverdi misschien nooit de hele Vespers zoals we die kennen als geheel uitvoerde, maar mogelijk wel minstens een paar delen, en wel mogelijk in de San Marco, was een havenstad waar de hele Middellandse Zee commercieel, cultureel en etnisch samenvloeide.

Dus wisselde La Tempête de delen uit Monteverdi’s muziek af met veel ‘volksere’ religieuze muziek: ‘primitief-polyfone’ Faux-bourdon-stukken uit de Provence en stukken ‘authentiek’ Gregoriaans uit de tijd dat die nog niet gladgestreken was. Ik heb de CD-opname van de Vespers door dit ensemble altijd geweldig gevonden. Geen zangers die er individueel enorm uitsprongen, zoals Montserrat Figuerras bij Jordi Savall, maar wel hecht ensemblewerk, door tóch individuele stemmen.

Dat was nu ook het geval. Sopraan Amélie Raison, die twee dagen later zou soleren in het afscheidsproject van La Tempête, Colors, vormde een prachtig duo met Brenda Poupard, mezzosopraan. Bij de Karel V-manifestatie en ook nu weer schitterde een fenomenale non-belcanto . bijna viriel zingende lage vrouwelijk alt, Eugénie de Mey. Een andere blik- en gehoor-vanger was René Ramos-Premier, zie de bijgaande foto waarop hij frontaal in beeld is.

Ook al is het de San Marco niet (vergelijk de muzikaal overigens wat vlakke videoregistratie van de Vespers onder John Eliot Gardiner die optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden van de San Marco), net als bij de Karel V begrafenis-voorstelling twee dagen ervoor bood TivoliVredenburg vele mogelijkheden om koren, solisten en instrumentgroepen overal verspreid op te stellen.

Toch hield men zich in vergelijking met ‘Larmes de Resurrection’ twee jaar geleden in de Utrechtse Jacobikerk en het begrafenisritueel voor Karel V twee dagen ervoor bij deze Vespers theatraal wat in. Hier en daar flakkerden lampjes om de indruk van brandende kaarsen te wekken. Er werd een baar rondgedragen, overdekt met guirlandes van witte bloemen, en op gegeven moment werd die midden op het podium neergezet, met grote – ook weer vanwege brandgevaar – elektrische kaarsen erop, al werd dat dan misschien juist weer wat veel van het goede. En de reidansjes van het koor rond de baar waren echt een beetje kitscherig.

Ja, misschien was het de bedoeling dat je aan Botticelli’s ‘La Primavera’ dacht, of voor mijn part aan Ari Asters horrorfilm ‘Midsommar’. Maar dan mocht het gecontroleerder en wat eleganter, of juist expressiever worden gedaan.Verder waren sommige inzetten verre van spatgelijk als de instrument- en zangers-groepen wat verder uit elkaar stonden.

Maar ik werd misschien ook wel afgeleid door nog andere gedachten, die niets met de uitvoerenden te maken hadden, maar wel met de aard van het werk zelf. Ik was tijdens het concert nog steeds onder de indruk van het optreden dat ik ervoor had gezien, Euripides’ ‘Hecuba’ door een Kroatisch ensemble. Één van de mooiste producties van het festival van dit jaar en één van de mooiste theatervoorstellingen tot nu toe van dit jaar.

Eén zangeres (festival co-curator Katarina Livljanić) die Hecuba speelde, één zanger, Francisco Mañalich, die Hecuba’s zoon en dochter speelde, én de moordenaar van de zoon. Twee instrumentalisten op traditionele Kroatische en moderne instrumenten. Een kwintet van traditionele Kroatische ‘kantidari’-zangers het Griekse koor vertolken. En naast de Kroatische polyfonie ook muziek van één van de Venetiaanse wegbereiders van Monteverdi, Claudio Merulo. Een leeg toneel, en heel indringend gedaan.

Trailer Hecuba, queen of Troy – A Greek Tragedy in Renaissance Dubrovnik and Venice:

In deze voorstelling kwam zo ontroerend mooi naar voren hoeveel compassie Euripides en zijn protagonisten hadden met de overwonnenen in een oorlog. Wat we al vonden bij Homerus en ook bijvoorbeeld in Aeschylos’ ‘De Perzen’. Ik realiseerde me dat zulke compassie ten enenmale ontbreekt in bijna welk bijbelverhaal dan ook (behalve even een beetje in ‘Heb uw vijanden lief’ en ‘Je andere wang toekeren’). Flink wat teksten van de Maria Vespers zijn wat dit betreft zelfs nogal bloeddorstig. Neem het tweede stuk al, het ‘Dixit Dominus’, Psalm 110, met zinsneden als ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, Ik maak van je vijanden een bank voor je voeten.’

De vertaling van Hecuba was van de vader van het Europese humanisme, Erasmus, en vanuit het Latijn verder vertaald in het Italiaans en het Kroatisch door respectievelijk de Renaissance-dichters Lodovico Dolce in Venetië, op wie Merulo zijn muziek had gebaseerd en Marin Držić in Dubrovnik.

Voor hun afscheid van het festival kreeg La Tempête de beschikking over Cloud 9, normaliter de kleine zaal van TivoliVredenburg’s voor jazz pop. En dat was niet heel vreemd, want onder de naam Colors presenteerden leden van het ensemble verjazzde Renaissance-muziek, met artistiek leider Simon-Pierre Bestion zelf op piano en synthesizer. Verder was er één zangstem, die van sopraan Amélie Raison, die ook de Maria Vespers was opgevallen, een blazerskwartet op uiteenlopende instrumenten, van klarinet en basklarinet via ney en duduk naar zink en renaissancefagot en een drummer.

Het procedé was min of meer het omgekeerd van dat van de pioniers in fusie tussen Renaissance-polyfonie en jazz, het Hilliard Ensemble indertijd samen met saxofonist Jan Garbarek. Daar waren de zangstemmen meervoudig en soleerde de saxofoon eromheen. De specifieke harmonieën van componisten als Perotin, Josquin, Taverner, Hayne van Ghizeghem, Alexander Agricola en Tye bieden in blazersvorm een uitermate vruchtbare aanvulling op het harmonisch repertoire van de jazz. Misschien is het de moeite waard zou zijn om te kijken of er mogelijkheden zijn om met meer dan één zanger te werken, hoewel met meer stemmen tegelijkertijd wat minder makkelijk kan improviseren. Maar de Renaissance-muziek had juist een heel stelsel van regels om te kunnen improviseren.

Aan het eind bedankte Simon-Pierre Bestion het festival voor het gastheerschap, maar ook een aantal peetvaders en geestverwanten, onder meer Marcel Peres (fijn, terecht), Giovanni Antonini van Il Giardino Armonico en ongeveer tijdgenoot Björn Schmelzer van Graindelavoix

Mijn eerdere recensie van de Maria Vespers op Basia con Fuoco:

https://basiaconfuoco.com/2021/08/08/la-tempete-met-simon-pierre-bestion-claudio-monteverdi-vespro-della-beata-vergine/

 

De opname van Radio IV/NPO Klassiek van de Vespers:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/zomeravondconcert/ed99a9f1-1a4b-4b25-a244-f5bdcc7b53da/2023-08-27-zomeravondconcert-festival-oude-muziek

Gezien Monteverdi’s Maria Vespers door La Tempête 28 augustus
Euripides’ Hecuba door Dialogos 28 augustus
Colors door La Tempête 30 augustus
Telkens in TivoliVredenburg tijdens het Festival Oude Muziek 2023

Foto’s Vespers Marieke Wijntjes en Neil van der Linden

Foto Dialogos Melle Meivogel

Foto’s Colors Neil van der Linden