Joodse muziek

De duivel in de nacht

Tekst: Neil van der Linden

In de serie Voix Étouffées, Missing Voices presenteerde de Leo Smit Stichting een CD met werken van Henriëtte Bosmans (1895-1952). De serie heet zo omdat, net zoals zoveel componisten waaraan de Leo Smit Stichting aandacht besteed, en zoveel anderen, Henriëtte Bosmans, met een Joodse moeder, slachtoffer werd van de Nazipraktijken. In 1941 werd haar (volgens de Joodse leer dus Joods, maar volgens de Nazis ‘maar’ half-Joods) optreden als pianist verboden, ook omdat ze weigerde lid te worden van de Nederlandsche Kultuurkamer.

Maar ze heeft de oorlog overleefd. Anders dan de andere componist die deze middag op het programma stond, Daniel Belinfante (1893-1945) die naar een werkkamp bij Auschwitz was gedeporteerd en daar de dag voordat het kamp werd bevrijd stierf (toen de Duitsers terwijl Russische troepen naderden) de barak waar hij doodziek was ondergebracht in brand hadden gestoken. Van hem klonk zijn prachtig grimmige, maar deels ook lyrische Sonatine uit 1939.

In een vergelijkbaar concert vorig jaar november van sopraan Elizaveta Agrafenina en pianist Dimitri Malignan stond naast Bosmans ook werk van Daniel Belinfante op het programma. Malignan bereid inmiddels een CD helemaal gewijd aan werk van Belinfante voor. Daniel Belinfante was trouwens een neef van celliste Frieda Belinfante, Bosmans’ levensgezellin gedurende de jaren twintig.

De eerste drie liederen van deze middag klonken de vorige keer ook. “Lead, kindly light” uit 1945 op tekst van de Engelse kardinaal Newman is geschreven voor Jo Vincent, die het in de orkestversie zong met het Concertgebouworkest onder Adrian Boult. Newman had ook de tekst voor Elgar’s The Dream of Gerontius geschreven. Bosmans was in die jaren bevriend met Britten. Het lied werd nu uitgevoerd in de versie voor piano, maar met een fraaie extra toegevoegde vioolpartij (bewerking Elizaveta Agrafenina), gespeeld door Sarah Bayens.

“La chanson des marins hâlés” (Het lied van de gebruinde zeelieden) uit 1949 was wat zonniger, burlesker. Maar het gaat ook over de rusteloosheid van het leven, van mensen als zeelieden die overal en nergens thuis zijn.

Het derde lied, “Le diable dans la nuit” uit 1935, waarnaar de middag vernoemd was, onderstreept de lugubere sfeer van die tijd. Het lied zit vol extreme kleuringen, in de zang en de pianopartij, fraai naar boven gehaald door Agrafenina en Malignan.

De eerste regel uit het gedicht van Paul Fort uit 1895 luidt “Le diable court dans la nuit”, “De duivel rent de nacht in”, maar in 1935 moest er eerst nóg weer een Satan komen.

Bosmans’ vier liederen die na Belinfantes Sonatine werden uitgevoerd stonden de vorige keer niet op het programma. “Complainte du petit cheval blanc” uit 1949, heeft door de combinatie van de speelse pianopartij en de tekst van Paul Fort, over een levenslustig ronddravend wit paard dat bliksem en donder tart, maar uiteindelijk door de bliksem wordt getroffen, wel iets Mahler-Wunderhorn-achtigs, ook in de Mahleriaanse harmonieën en ritmen die het beeld van het ronddravende paard oproepen.

“Pieusement” is een relatief vroeg werk, uit 1921, fraai devoot. Ik meen er ook kerkklokken ergens in een landschap in te horen, op zijn impressionistisch, zoals in werken met kerklokken als thema van Debussy en Ravel.

Het contrast met “Chanson” kon bijna niet groter zijn. In dit lied uit 1952, Bosmans’ laatste levensjaar, is ze mondain, een echt-Franse chanson, die misschien Piaff niet zou hebben misstaan, aldus Agrafenina.

Nog een contrast is er met “Daar komen de Canadezen” uit 1945 behoort tot haar Nederlandstalige liederen. Het is ook geschreven voor Jo Vincent. Ondanks dat er een satire op marsmuziek in doorklinkt, is het een ode aan het geallieerde bevrijdingsleger (en misschien is gekozen voor de Canada als bevrijdingsmacht met de minst imperialistische aspiraties).

Na een fraaie uitvoering door Sarah Bayens en Dimitri Malignan van Bosmans’ vioolsonate voegde Elizeveta Agrafenina zich voor de laatste keer bij hen voor “Gebed” uit 1945, van dezelfde tekstdichter als van “Daar komen de Canadezen”, Fedde Schurer, en een meditatiever oorlogslied: ‘Heer, zegen Gij ons dierbaar vaderland
En laat ons nimmer, nimmer slaven worden.
Gelijk de blinde, teugellooze horden
Die ons verheerden lang met moord en brand.’ Het lied, waarin op de piano ook weer kerkklokken doorklinken, eindigt met een ‘Amen’.

Henriëtte Bosmans (1895-1952)

  • Lead Kindly light (arr. met viool) 1945 J.H. Newman
  • La chanson des marins hâlés 1949 Paul Fort 
  • Le diable dans la nuit 1933 Paul Fort 

Daniel Belinfante (1893-1945) Sonatine 1939

Henriëtte Bosmans

  • Complainte du petit cheval blanc 1949, Paul Fort  
  • Pieusement (1921, second song she wrote after Beau Chevalier.. first work was already 1914.) I only spoke from lieder perspective, a bit like with Schubert.. his first song was Erlkonig…. op.1 (Poet: Verhaeren)
  • Chanson 1952 Fernard Mazade 
  • Daar komen de Canadezen. 1945-1946, Fedde Schurer 

Henriëtte Bosman Sonate voor viool en piano 1918

Henriëtte Bosmans

-Gebed (arr.met viool) 1945 Fedde Schurer 

De hele CD staat op Spotify:

Er zijn nog veel meer liederen van Bosmans. Hopelijk gaan Agrafenina en Malignan die ook opnemen. Hopelijk komt het ook van opnamen van Bosmans’ liederen met orkest. In elk geval bestaat er een youtube opname van de orkestversie van “Lead, kindly light” met Elizaveta Agrafenina als solist.

Afgelopen juni en juli verschenen bij CPO twee fraaie CDs met onder meer de cellosonate en de twee celloconcerten van Bosmans, met cellist Raphael Wallfisch en Ed Spanjaard als pianist en dirigent.

­

­

Foto’s: © Neil van der Linden

Paul Ben-Haim, sweet psalmist of Israel

Chamber works



Slowly, much too slowly and actually much too late, but the music world is waking up.
One gap after another is finally being filled and the (consciously or unconsciously) ‘forgotten’ composers are at long last coming to our CD players.



Who among you has ever heard of Paul Ben-Haim? If not, why not?
The composer was born as Paul Frankenburger in Munich in 1897 and died in Tel Aviv almost 90 years later. And he left behind a really spectacular oeuvre.

Many vocal works, orchestral pieces, chamber music…. What not, actually?
Most of his works are influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arab melodies, so you may call his music “nationalistic”. Nothing wrong with that word.

Just take the opening of his 1941 clarinet quintet! The dancing clarinet part reminds one of swinging klezmer, but in a Brahmsian way.

The ARC Ensemble perform the opening movement of Paul Ben-Haim’s Clarinet Quintet at the Enav Center, Tel Aviv:

This is even more pronounced in his “Two Landscapes” for viola and piano, in which he sings the praises of his new homeland’s beauty.

Steven Dann and Dianne Werner prepare to record The Landscapes for viola and piano:



The “Improvisation and Dance”, dedicated to Zino Francescati, betrays influences from Yemeni folklore and only his oldest work on the CD, the Piano Quartet from 1920, does not yet have its own “face”.

The (very infectious playing!) members of the Canadian ARC Ensemble all work at the Glenn Gould Conservatory in daily life. A CD to cherish.


Evocation

Paul Ben -Haim, who was born in Munich in 1897 as Paul Frankenburger and died almost 90 years later in Tel Aviv, remains a great unknown to many music lovers. This is a great pity, because the oeuvre of this sadly forgotten composer is very diverse and most exciting. At one time he was totally immersed in the German Romantic tradition before he almost radically broke with it when he left his native country in 1933.

He began his new life composers life in what was then known as the British Mandate of Palestine by changing his name, after which he also adapted his compositions to his new homeland. Starting in 1933, most of his works were influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arabic melodies.

Between 1939 and 1949 Ben-Haim accompanied the at that time extremely famous folk singer Bracha Zefira. Zefira, who was of Yemeni origin, had a great influence on the musical life in what was then Palestine. It was for her that he composed the Berceuse Sfaradite, a song which had become one of her greatest successes.

Bracha Zefira:

The Violin Concerto, which dates from 1950, is probably Ben-Haim’s best-known composition, in no small part as a result of the great recording by Itzhak Perlman. The CD is still on the market, I believe, but as far as I know the Concerto is only rarely performed. Why?

Three Studies for Solo Violin is Ben-Haim’s last violin composition, dedicated to Yehudi Menuhin in 1981. Splendid. But I was most struck by the completely unknown Evocation from 1942, a work which has its premiere here and which really gave me goose bumps. Wow.

Evocation live:

Itamar Zorman, the young Israeli violinist who won the 2011 prize in the Tchaikovsky competition, has immersed himself in the composer and his work. Thanks to him, this album was compiled and released. He plays these works as if his life depends on them. He believes in them and he communicates that belief more than convincingly.

Zorman about Ben-Haim:

The accompaniment by Amy Yang (piano) and the BBC National Orchestra of Wales conducted by Philippe Bach is first-rate as well

Works for violin

The Berceuse Sfaradite is based on a Sephardic lullaby. In Hagai Shaham’s hands, the piece sounds sultry and reassuring at the same time. And the two tone poets’ violin solo suites, composed at Yehudi Menuhin’s request, turn into forgotten masterpieces in his hands. Wonderful.

More works by  Ben-Haim

Psalm from Symphony no. 1:


Whole symphony:

From Israel

Sonata for two mandolins, guitar, harpsichord, harp and string orchestra:

Sweet Psalmist of Israel. David before Saul.:

Ein Sof en Soefisme, ontheemding en thuis zijn

Tekst: Neil van der Linden

Eerst is er multitimbraal stemmen: een cello, die van Maya Fridman, heeft van nature een preciezere pitch dan een ud (de Arabische luit; zelfs hetzelfde woord, al-ud werd de luit), bespeeld door Nawras al Taky.

Dan begint Nawras al Taky te zingen, begeleid door celloklanken van Maya Fridman. Hij improviseert in een mawwal (vocale improvisatie) op het woord Layali, “nachten”. Het lied, een eigen compositie van Al Taky, gaat voort, vol prachtig lang aangehouden noten.

Hierna legt hij uit dat het ging over herfstnachten, zoals hij die zich herinnert uit zijn geboortestreek, in Zuid-Syrië, een heuvelrijk gebied met verspreide zwarte rotsblokken, tekenen van de vulkaan die hier ooit actief was. Maar tijdens verkoelende herfstnachten was het er vredig. Wisten de kinderen veel dat ze ooit zouden moeten vluchten, over gevaarlijke golvende zeeën, zonder te weten waar hun toekomst zou komen te liggen.

Tree of Life is een muzikale vertelling gecomponeerd door Maya Fridman, geïnspireerd op de tien ‘sefirot’ van de Tree of Life, spirituele principes uit de Joodse Kabbala traditie. Sefirot, meervoud van het Griekse: σφαῖρα, letterlijk ‘sfeer’, de tien eigenschappen/emanaties in de Kabbala, waardoor Ein Sof (“oneindige ruimte”) zichzelf openbaart en voortdurend zowel het fysieke rijk als de seder hishtalshelut (de aaneengeschakelde afdaling van de metafysische Vier Werelden) creëert.

Fridmans compositie weerspiegelt de geleidelijke spirituele ontwikkeling volgens die tien stadia, de Levensboom. Hiervoor maakt ze gebruik van de Perzische poëzie van de dichter en filosoof Rumi, één van de denkers van de Soefi-beweging, gezongen door Al Taky, en teksten van een anonieme kabbalistische dichter en poëzie van de Amerikaanse (Amerikaans-Joodse) dichter David Caplan, vertolkt door sopraan Channa Malkin.

Het concept was een jaar geleden ontstaan tijdens een cafégesprek tussen Maya Fridman en Channa Malkin. Beiden waren aangeslagen door de toestand in de wereld, zo vertelt Maya Fridman. Hoewel ze de eigenlijk daartoe gerechtigde leeftijd van 40 nog niet hebben bereikt, zo vertelt ze ook, bestudeerden ze de Kabbala, het invloedrijkste Joodse mystieke geschrift, met daarin onder meer de Tree of life, waarin stadia staan beschreven om de hoogste spirituele staat te bereiken.

Tree of Life was al eerder te horen, tijdens het afgelopen Grachtenfestival, in een versie voor sopraan, viool, altviool, contrabas, cello, duduk, daf, santoor en ud, negen musici. In de nu ten gehore gebrachte nieuwe trio-versie werden Fridmans composities voor Tree of Life uitgebreid met composities van Nawras Altaky en een Sefardisch lied.

Hoewel het niet heel expliciet werd gezegd, zijn de beginselen van de Kabbala-mystiek, vergelijkbaar met het Soefisme, de belangrijkste mystieke stroming in de Islam. Mij schiet, zonder verder nazoekwerk, de vraag te binnen of dat begrip Ein Sof uit het Kabbalisme en het woord Soefisme met elkaar verband houden. Want ook de mystieke kant van de vroege Islam moet geïnspireerd zijn door het Judaïsme. (Ik was in elk geval ooit eens bij de zawiya, het heiligdom, van de Tijani Soefi-broederschap in Fes, Marokko, die ook werd bezocht door een rabbi uit het gezelschap waarmee ik op bezoek was, en die zei dat zijn spiritualiteit en die van het Soefisme dezelfde was.)

Fridman en Malkin zijn allebei van Joodse komaf. Eén van de uitgangspunten van dit concert moet zijn geweest om hier uitdrukkelijk de wereld van de Islam bij te betrekken, via Rumi, en de Arabische wereld die de uit Syrië afkomstige Nawras al-Taky zelf mee bracht.

De tekst van het eerste lied was ontleend aan Rumi. Dan volgt een lied op tekst van een passage uit de Kabbala, waarin inderdaad een parallel beeld van onthechting van de wereld als in Rumi’s poëzie opdoemt. Channa Malkin vervolgde met een lied op tekst van de Amerikaanse (Amerikaans-Joodse) dichter David Caplan (1969).

Nawras al Taky en Channa Malkin wisselden af met solozang, maar zongen ook in duetvorm. Fridman zong af en toe een derde stem; “Et in tre unum sunt”, om de passage over de Heilige Drie-eenheid uit de Maria Vespers te citeren, om er meteen één van de meest mystieke beginselen van het Christendom bij te halen.

Malkin durft de hoogte te nemen, en fluctueert geregeld gedurfd van laag naar heel hoog. Fridman durft ook ruig te zijn op de cello en Al Taky snerpt soms met een snaar van de ud en excelleert in nog meer lange noten die telkens eindigen in verrassende melismen.

In een ander stuk van Al Taky, Maktoub, “Lot”, refereert hij aan de lotgevallen van ontheemden. De aangrijpende tekst die Al-Taky uitsprak ging over kinderen die over de zee vluchten en niet weten waar hun toekomstige thuis zal zijn; als ze ooit een thuis zullen vinden. Daarin spraken misschien ook eigen ervaringen mee.

Het programma sloot af met een Sefardisch lied in Ladino, Hija mía mi querida, amán, aman.

“O, mijn lieve dochter,
Stort je niet in zee
Waar de storm nu raast.
Pas op, zij sleurt je mee!”

Bij de tekst moet ik denken aan de Joodse bevolking die (net als de Moslimbevolking) het Spanje en de Inquisitie moest ontvluchten, deels over de zee, met alle gevaren van dien. Waarmee het lied ook voortborduurt op de woorden uit Al Taky’s net ervoor voorgedragen gedicht over de vluchtende kinderen

Foto’s van het concert: © Neil van der Linden

© Maya Fridman

De Leo Smit Stichting eert vier componisten.

Tekst: Neil van der Linden

Op een prachtige novemberzon nazomer-middag eerde de Leo Smit Stichting vier componisten waarvan drie vermoord werden in Auschwitz. Het evenement had plaats in haar eigen onderkomen aan de Amstel, met vol herfstlicht recht binnenvallend door de ramen, met zicht op de rivier. De atmosfeer had niet tegelijk melancholischer en serener kunnen zijn.

Jan Broeze: Avondlandschap

Daniel Belinfante werd in 1893 geboren en werd vermoord net op dag voor de Russen Auschwitz bereikten. Van hem klonken twee pianostukken, Prélude uit 1924 en Avondlandschap: impressie naar een schilderij van Jan Broeze uit 1943.

Atmosferische laat-romantische stukken met een zweem midden- tot laat-periode Skrjabin, sterk chromatisch, duister, vooral Avondlandschap, maar toch bijna geheel tonaal. Pianist Dimitri Malignan, die samen met sopraan Elizaveta Agrafenina afwisselende de programmaonderdelen inleidde, had met deze mooie muziek meteen subtiel een toon gezet.

Ilse Weber

Ilse Weber, geboren in Moravië in 1903 en vermoord in Auschwitz in 1944, zat voor ze naar Auschwitz werd gedeporteerd een tijd in het ‘modelkamp’ van Theresienstadt, waar de Nazis, om de internationale waarnemers te misleiden, kunstenaars in ‘humane’ omstandigheden onderbrachten. Weber schreef een reeks liederen voor kinderen, die ze zelf op gitaar of luit (zie foto) begeleidde. De liederen zijn later bewerkt voor begeleiding door piano, zoals ze nu klonken. Nu zijn het zonder meer ‘volwassen’ liederen.

Ze waren bedoeld om de kinderen op te beuren, ondanks de dramatische omstandigheden waarvan ze zich zelf wel ten volle bewust was. Een titel als “Ich wandre durch Theresienstadt” komt in dit verband w over. Het laatste couplet luidt:

Ich wende mich betrübt und matt,
so schwer wird mir dabei:
Theresienstadt, Theresienstadt,
wann wohl das Leid ein Ende hat,
wann sind wir wieder frei?


Tekst Ich wandre durch Theresienstadt

https://oxfordsong.org/song/ich-wandre-durch-theresienstadt

Indringender dan hoe sopraan Elizaveta Agrafenina dit lied zong en pianist  Dimitri Malignan het begeleidde zou het nauwelijks kunnen klinken. Ook uit het tweede lied “Und der regen rinnt” lijken dreigende voorgevoelens te spreken.  

Anne-Sofie von Otter zingt Ilse Webers „Ich wandre durch Theresienstadt“

Als derde lied was gekozen voor een troostend wiegenlied, “Wiegala”.

Één van haar zoons werd ook in Auschwitz vermoord, maar haar andere zoon kon naar Engeland ontsnappen. Ze wist hem ook uit het kamp brieven te schrijven, en uit één van die brieven vol bange voorgevoelens las Elizaveta Agrafenina tussendoor twee passages voor. Aldus ontstond een aangrijpende biografische getuigenis.

Van Henriette Bosmans (1895-1952) werden vier liederen uitgevoerd. Het eerste van de reeks, het etherische “Lead, kindly light” uit 1945 op tekst van kardinaal Newman was geschreven voor Jo Vincent. Dat vormde een prachtige opmaat voor het geheimzinnige, zo niet duistere “The Artist’s secret” uit 1948, op een huiveringwekkende ‘Edgar Allen Poe meets The Picture of Dorian Gray’-achtige tekst van Olive Schreiner (1855 – 1920), over vergankelijkheid, een kunstenaar die in één geheime kleur schildert, rood, steeds roder en zelf steeds bleker en bleker wordt, en de wereld achter zijn geheim probeert te komen. Tenslotte sterft hij en dan ontdekt men dat hij op de plek van zijn hart een wond had in zijn borst; had hij altijd met zijn bloed geschilderd? De dood had de wond inmiddels gedicht. Maar het schilderij leeft nu voort.

Bosmans schreef dit lied in de tijd dat zij vriendschappelijke banden onderhield met Benjamin Britten en zijn levensgezel Peter Pears. In de net-naoorlogse romantisch-overspannen sfeer van die tijd zou ‘secret’ ook hebben kunnen slaan op homoseksualiteit; Bosmans had zelf eerder een verhouding gehad met celliste Frieda Belinfante (1904-1995).

Het derde lied “Le diable court dans la nuit” (De duivel rent de nacht in), van vóór de oorlog maar wel in de aanloop ervan, uit 1935, onderstreepte de lugubere sfeer met mooi extreme kleuringen.


“La chanson des marins hâlés” (Het lied van de gebruinde zeelieden) uit 1947/48 was dan weer wat zonniger. Willem Strietman heeft dit lied georkestreerd. Van “Lead, kindly light” bestaat ook een georkestreerde versie. Georkestreerd door wie kan ik niet nagaan, waarschijnlijk door Bosmans zelf. Ik voeg een YouTube met Elizaveta Agrafenia als solist toe. Het zou wonderwel passen tussen pakweg Elgar, maar ook Berg en Mahler, zowel Gustav als Alma.

Henriëtte Bosmans “Lead, kindly light” in georkestreerde versie, met Elizaveta Agrafenia als solist.

“Lead, kindly light” in de pianoversie door Julia Bronkhorst en Maarten Hillenius

“The Artist’s secret” verdient ook orkestratie, het lijkt wel een mini-opera. Elizaveta Agrafenina legde er alle mogelijke nuances in, van (in deze omgeving afdoende) mezzoforte tot nog veel subtieler pianissimo, met fraai sotto voce, terwijl Dimitri Malignan ook alle kleuren van de partituur opzicht in de pianopartij. De hele combinatie zou tot een opera kunnen leiden, zeker ook als de drie preludes voor piano die Dimitri Malignan erna speelde erbij zouden worden georkestreerd als interludes. Idee voor een kameropera! Met groot orkest mag ook. Maar ook nu werd de ‘orkestraliteit’ van deze stukken fraai door Malignan verklankt.

Henriëtte Bosmans “The Artist’s secret”

Elizaveta Agrafenina noemde ook hoe Bosmans betreurde dat Nederland, waar na de oorlog Brittens muziek warm werd ontvangen, haar eigen muziekcultuur verwaarloosde. Hoe het kwam dat hier te lande componisten nooit tot volle bloei konden komen. Zelf denk ik dan aan Wagenaar, Van Gilse, Pijper, Vermeulen, Wagenaar, en natuurlijk Kattenburg, Belinfante, Smit, en Bosmans. Dat niet alleen doordat sommigen zoals Pijper, Van Gilse en Vermeulen hopeloos met elkaar aan het bekvechten waren. Sommigen van hen waren niet veel minder dan misschien wel Elgar of Delius tot en met Benjamin Britten, maar moesten telkens terug naar af. Maar dit terzijde.

Over Bosmans’ contacten met Pears en Britten door Elizaveta Agrafenina

Dick Kattenburg (1919-1944) was eigenlijk nooit bezig met zijn Joodse komaf, totdat de omstandigheden hem daarvan doordrongen. Uit die tijd stammen zijn “Palestijnse liederen”, uit 1942. Palestina was toen de naam van het tot dan toe Britse ‘mandaatgebied’ dat al werd genoemd als Joods thuisland. Kattenburg voorzag bekende liederen in het Hebreeuws van pianobegeleiding, waarbij de energieke melodieën hun op Oost-Europese muziek geënte aard verraden. In principe tamelijk opgewekt, kreeg dat met besef van de context van toen en nu ook een wrange kant. Kattenburgs soms gedurfde harmonieën leken dit wrang te accentueren. Kort na het schrijven van deze liederen dook Kattenburg onder. Onderwijl doorcomponerend, vluchtte hij van onderduikadres naar onderduikadres. Uiteindelijk verraden, werd ook hij in 1944 op transport gezet naar Westerbork en vervolgens Auschwitz, waar hij op 24-jarige leeftijd werd vermoord.

Basia con fuoco over Kattenburg:

https://basiaconfuoco.com/2022/03/11/stolen-melodies-van-dick-kattenburg-als-een-soort-metafoor-voor-zijn-korte-leven/

Daniël Belinfante
-Prélude
-Avond Landschap

Ilse Weber
-Ich wandre durch Theresienstadt
-Und der regen rinnt
-Wiegala

Henriëtte Bosmans
-Lead, kindly light
-The Artist’s secret
-Le diable court dans la nuit
-La chanson des marins hâlés
Uit 6 Preludes for piano
-n° 1 (Moderato assai),
-n° 2 (Lento assai)
-24 (Allegretto)

Dick Kattenburg
Palestijnse Liederen
-Sowewoenie
-Zecharja
-Simcha Bie-Jroesjalajiem
-Sjier Ha-Emek 

Sopraan Elizaveta Agrafenina en pianist Dimitri Malignan
Gezien 3 november, de Muziekkamer, Leo Smit Stichting, Amsterdam

Foto’s: © Neil van der Linden

Chants Juifs, thirty years later

When this CD landed on my ‘to do’ pile, I had to take a really good look at it for a moment. Because: hey, what’s new? I’ve owned this CD for over thirty years? When it came out, the recording was really something exceptional, people were only then becoming a little aware of what the fascists and anti-Semites had done.



Thirty years old, in other words. Does it matter? Yes and no. More recordings of Jewish traditional and liturgical music have been published during that time, but I really liked the renewed acquaintance with cellist Sonia Wieder-Atherton and pianist Daria Hovora. Both these ladies’ playing is emotionally charged, poetic and very appealing.




The 1989 recording had been preceded by a special event. The filmmaker Chantal Akerman filmed a special document, in which all Jewish residents of Brooklyn were allowed to participate. The cellist was also involved in that, and she was asked to create music to accompany the film.



Three pieces by Ravel have now been added to the original album, these were recorded in 2006 by the Sinfonia Varsovia olv János Fürst, I find this quite unfortunate. Maurice Delage’s arrangements detract from the poetic and emotional atmosphere of the first 14 tracks. It feels like being brutally woken after a time of dreamlike contemplation by rock-hard heavy metal. Well, not really because Delage died back in 1961, but… why? The sound (or should I say colour?) of Atherton’s cello has also changed, less warm, more distant.




Colette Brunschwig’s illustrations are undoubtedly impressive but also terrifying. My advice: skip the last three tracks and keep on dreaming, you won’t regret it. Hence also my high rating.




King David and the music

King David…. One of the Bible’s most inspiring and appealing personalities. But did he really exist? We live in a time when all sorts of things are being doubted, and that is alright.



Some historians assume that King David actually existed, but that (as with King Arthur, for example) many of the stories about his life are more likely to be apocryphal and they should not be considered hard historiography. So what? There is still such a thing as faith. And it is a reassuring and lovely story, which is so much needed in our troubled times.

King David, besides being a good man, a naughty husband and a harpist, was also a brilliant poet. His psalms are still among the finest that poetry has ever produced. His influence on art and certainly on music was and is immense. His psalms have therefore been set to music by many composers, think Bach, Allegri, Schütz, Strawinski, Kodaly, among others…. which is one of the reasons I started looking into David again. Whether or not he existed does not really matter. Inspiration does not need scientific evidence and art does not need to be tested against facts.


A small (with an emphasis on ‘small’!) selection of what’s out there. The order is random.

David’s harp playing soothed Saul’s mind and spirit.
Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum, Utrecht, Holland




Michael Levy wonders: what would his harp have sounded like? He posted a ‘live’ performance of the traditional Hebrew song “Zemer Atik” (track 5 of his 2008 album, “King David’s Lyre; Echoes of Ancient Israel”):



Zoltan Kodaly, Psalmus Hungaricus:



Schumann’s Davidsbündlertänze played by Andras Schiff:





Paul Schoenfield and his beautiful viola concerto ‘King David dancing before the ark’:



Sarah Connolly sings King David by Herbert Howells:






King David’s Suite by Lionel Hampton, first performance, 1957:



and recorded in Munich on the occasion of the Munich Summer Piano Festival in 1994. The St Petersburg State Orchestra is conducted by Alexander Tschernuschenko, Lionel Hampton plays vibraphone:



Franz Liszt, Psalms of David



Igor Stravinsky, Symphony of Psalms performed by the Radio Philharmonic Orchestra and Great Broadcasting Choir:






Krzysztof Penderecki, Psalm of David recorded at Carnegie Hall:






DAVID AND SAUL



Handel:

David symphony for Harp (act I, scene V) Sara Águeda, arpa doppia:



Aria of David:



Carl Nielsen, the entire opera:





Paul Ben-Haim, Sweet Psalmist of Israel. David before Saul.:




DAVID AND JONATHAN



Jonathan was the son of Saul, king of Israel, from the tribe of Benjamin. David was from the tribe of Judah. Once rivals for the crown, they became friends and probably more, but the Bible does not explicitly portray the true nature of David and Jonathan’s relationship. The traditional interpretation of their friendship emphasises platonic love, an example of ‘homosociality’. Something later described as strong personal friendships between men. Today, there is often an emphasis on what some see as homoeroticism in the story



David et Jonathas by Charpentier, recording from Ais-en-Provence:




Trudy Labij: ‘What I’ve been reading’ from the musical Foxtrot (4), 1977:








Sefardisch Feest

Tekst: Neil van der Linden

Onder de titel ‘Sefardisch Feest’ gaven sopraan Channa Malkin en het ensemble La Sfera Armoniosa een concert in de Vondelkerk. Het was een onderdeel van een festival genaamd Muze van Zuid, dat verspreid plaats vindt over Amsterdam Oud-Zuid en dat zowel aansluiting zoekt bij de geschiedenis van muziek en musici die in Amsterdam Zuid hebben geleefd en gewerkt als bij de straatnamen in Zuid, waarvan er veel naar componisten zijn vernoemd.

Het concert begon en besloot met een aantal Sefardische liederen, muziek van de Joodse gemeenschap in Moors Spanje. De taal was Ladino, een Romaanse taal die een afsplitsing was van Oud-Spaans. Na de val van het laatste bastion van het Moorse rijk, Granada, werden de Joodse religie en de Islam verboden en ontvluchtten vele Joden en Moslims het land. Dientengevolge verspreidden de Ladino taal en cultuur zich over Portugal (dat aanvankelijk Spanjes voorbeeld niet volgde), Noord-Afrika, de Balkan,  Italië, Frankrijk en later, met name nadat ook Portugal het Jodendom verbood, meer noordelijke delen van Europa, Engeland en de Nederlanden. Het Ladino is nog steeds een levende taal, bij kleine gemeenschappen uit Griekenland en de Balkan.

Het concert is een weergave van het Amsterdamse muzikale landschap vanaf het laatste deel van de zestiende eeuw, toen veel Portugese Joden zich in Amsterdam hadden gevestigd, tot aan het eind van de zeventiende eeuw.

Veel Ladino liederen bevatten unieke verhalen. Zo zong Channa Malkin een lied over een ridder die verliefd op een vrouw wordt en haar uitnodigt mee te komen naar zijn voorvaderlijk kasteel om daar te trouwen. Aangekomen bij het kasteel beseft de vrouw dat zij daar ook is geboren. Ze blijkt de verloren gewaande zuster van de ridder. Een simpele naïef volksverhaal?

Maar je kunt je van alles bij zo’n ballade voorstellen. De combinatie van vreugde van het weerzien tussen zus en broer en de teleurstelling over het daarmee afscheid moeten nemen als geliefden. En ja, bebben ze onderweg misschien de liefde al bedreven, of elkaar op zijn minst innig gekust? Intrigerend is ook het idee dat de Joodse gemeenschap over het algemeen niet tot de ridderkaste werd toegelaten en dat er daarom geen Joodse kasteelheren waren. Dus dit Joodse lied ging over bijna ongrijpbare ‘anderen’. Is het een metafoor voor het onbereikbare? Zo’n lied heeft vele dubbele bodems. Een ander lied gaat over een moeder die een dochter ervan weerhoudt in zee te springen vanwege een ongelukkig liefde.

Channa Malkin vertelde net drie weken tevoren moeder te zijn geworden en sprak half bij wijze van grap de hoop uit nooit hetzelfde te hoeven meemaken. Later in het programma volgde een lied  en een tekst samengevat als ‘Om één uur ben ik geboren, om twee uur ben ik opgegroeid, om drie uur werd ik verliefd en om vier uur ben ik getrouwd”. In wezen een diep-filosofisch lied. En: bestaan er nog meer coupletten over nog meer uren en hoe lopen die af?

Ook het beroemde Durme, Durme, Durme, ofwel Slaap, slaap, slaap ontbrak niet, een slaaplied dat Channa voor haar kind zong al voordat het was geboren en nu ook weer zingt. Het lijkt mij een prettige aankomst op aarde voor een kind.

Zouden deze liederen in Amsterdam hebben geklonken? Als je naar de Portugese synagoge in Amsterdam gaat zie je wel nog veel Portugees-Joodse namen en Iberische parafernalia. Maar tussen de definitieve verdrijving uit Spanje in 1492, de daaropvolgende verdrijving uit Portugal en vervolgens ook nog eens de Val van Antwerpen in 1585 (de verovering door de Spanjaarden van de stad waar een deel van de Portugees-Joodse gemeenschap eerst een goed heenkomen had gezocht) en de opbloei van de Portugees-Joodse gemeenschap in Amsterdam kan veel cultuur verloren zijn gegaan.

Aan de andere hand is het zeker dat ook een deel van het culturele erfgoed, in volksverhalen en muziek, nog lange tijd werd gekoesterd, zonder dat daarvan tekenen resten, omdat ze in de volksmond vanzelf spraken, en omdat daarom niemand ze opschreef. Daarmee kan deze Ladino muziek deel hebben uitgemaakt van het Amsterdamse muzikale panorama dat Sweelinck (geboren in Deventer) en later Rembrandt (geboren in Leiden) aantroffen in de stad. Toch is de Ladino volkscultuur hoe dan ook beter bewaard gebleven in het Ottomaanse Rijk en in Marokko. Van dat Durme, durme, durme bestaan nog vele varianten, waarvan een deel nog steeds tot de levende cultuur behoort.

De rest van het programma bestond uit andere muziek uit de toenmalige tijd.Bijzonder fraai waren een paar liederen uit de bundel Tonos Humanos van de Spaanse barokcomponist José Morín (1619–1699), hoorbaar een componist die naar Italiaanse tijdgenoten had geluisterd. Hij was ook een vermaard bespeler van de harp en de gitaar, twee instrumenten die ook in het ensemble van de avond waren vertegenwoordigd, de gitaar in de vorm van een kleine variant, de vihuela, bespeeld door ensembleleider Mike Fentross.

Wellicht drong indertijd de muziek van de in Heusden geboren en in Utrecht werkzame Jonkheer Jacob van Eyck (1590-1657) ook tot in Amsterdam door. In elk geval vormden een prachtig van achter uit de kerk gespeelde solo voor blokfluit, gespeeld door Emma Huijsser, gevolgd door een ook van achter uit de kerk gezongen smachtend (Sefardisch?) lied fraai aan bij de sfeer van het concert, een prachtige inleiding bij twee liederen van Adriaen Valerius (1575 – 1625, nog zo’n ‘buitenlander’, uit Middelburg, en nog wel via zijn vader van Franse komaf, Valéry). Valerius is natuurlijk vooral bekend van de tekst van het Wilhelmus en van geuzenliederen, maar hij schreef ook liederen over het landleven, meestal op basis van aangepaste melodieën van bestaande liederen.

Vervolgens klonk een lied, in het Frans, van Van Eycks neef Constantijn Huygens (1596 –1687), die weliswaar Haags was, maar wiens invloed, ook muzikaal, zeer wel tot in Amsterdam kan hebben gereikt. Het gaat hier om de vader van de broers Constantijn en Christiaan, secretaris van Frederik Hendrik en Willem II.

De historisch recentste werk in het programma was afkomstig uit wat wel wordt beschouwd als de eerste Nederlandse opera, Bacchus, Ceres en Venus uit 1686, op muziek van de jonge, later in Duitsland succesvolle componist Johan Schenck (1660-1712). Muziek, ballet en wagens die door de lucht vlogen: het merendeel van het publiek vond het prachtig. Misschien vonden sommigen het toen regisseursopera, want Amsterdamse aanhangers van de Franse theaterstijl – die bij de hoogste kringen in zwang was – waren woedend. De hoofdpersonen zijn Bacchus (de wijngod), Ceres (de graan- en vruchtbaarheidsgodin) en Venus (de liefdesgodin). De liefhebbers verdedigden de opera met het devies van de opera: ‘zonder spijs en wijn kan geen liefde zijn’.

Ooit had de klassieke Romeinse blijspeldichter Terentius geschreven dat de liefdesgodin zou bevriezen zonder gezelschap van Bacchus en Ceres. Dat thema werd in de Renaissance en de Barok vaak uitgebeeld, vooral als naaktscène. In deze opera laten Bacchus en Ceres Venus in de steek en zetten zij hun volgelingen tegen haar op. Oppergod Jupiter stuurt dan zijn bode Mercurius naar de aarde om een oplossing te vinden en na veel moeite wordt uiteindelijk de vrede weer gesloten.

De opera was misschien niet in de laatste plaats een succes vanwege de zeer schaars geklede Venus, maar ook de spectaculaire scènes waarin Mercurius dankzij een liftmechaniek uit de hemel nederdaalde oogstten applaus. De productie werd minstens tien keer opgevoerd.

Turkse uitvoering van Durme, durme, durme:

Commentaar bij de clip: ‘This traditional lullaby is sung in Ladino, a Jewish hybrid language also known as Judeo-Spanish. Performed by the Janet and Jak Esim Ensemble (Antik Bir Huzun / Judeo-Espanyol Ezgiler – Kalan Muzik, 2005). Many varieties of the lyrics are sung throughout Europe and North Africa, attesting to the widespread influence of the Sephardic Diaspora.

In de begeleiding horen we onder meer een Turkse Orientaalse luit, de oud.

Andere Turkse versie:

Afwijkende melodie meerstemmig gezongen in Sarajevo, arrangement Laura Hassler van Musicians without Borders:

De in Nederland wonende Nani Noam Vazana en ensemble:

Durme Durme door de Marokkaans-Sefardische zangeres Françoise Atlan:

Andere versie:

Durme durme hermosa donzella. Jordi Savall, Montserrat Figueras, Pedro Esteban:

 

Durme, Durme, Gaia Nostra:

Durme, Durme, Yasmin Levy en Gil Shohat:

(Durme Durme kent vele varianten en vele opnamen. Om nog maar te zwijgen over Uskudara, vernoemd naar stadsdeel van Istanbul, hier door Françoise Atlan. https://open.spotify.com/track/0ttnBtm593tbSNoe0tsL16?si=8b528de439144c1d)

José Marín door Montserrat Figuerras met Rolf Lislevand en ensemble, waaronder Arianna Savall.

La Sfera Armoniosa – Que ferons-nous – Constantijn Huygens :

La Sfera Armoniosa en Channa Malkin, muziek van Willem de Fesch (1687-1761):

Uit de opera Ceres Bacchus en Venus van Johann Schenk door Camerata Trajectina:

Sefardisch Feest
Avondconcert in de Vondelkerk, Amsterdam, 17 september 2022
Channa Malkin, sopraan en La Sfera Armoniosa onder leiding van Mike Fentross, vihuela.

Foto’s: © Neil van der Linden

Zie ook : Songs of Love & Exile – A Sephardic Journey

Mario Castelnuovo-Tedesco: meer dan componist van gitaarwerken

Mario Castelnuovo–Tedesco (Florence, 3 april 1895 – Beverly Hills, 16 maart 1968) werd geboren in de Joodse familie van Sefardische afkomst (Joden die in 1492 werden verdreven uit Spanje). Hij was buitengewoon creatief, op zijn naam staat van alles: pianowerken, concerten, opera’s…. Zijn composities werden gespeeld door de grootsten: Walter Gieseking, Gregor Piatigorsky, Jascha Heifetz, Casella.

Heifetz spelt het tweede vioolconcert van Mario Castelnuovo-Tedesco: ‘I Propheti’. Opname uit 1954:

Tegenwoordig kennen we hem voornamelijk van zijn gitaarwerken, bijna honderd in totaal, veelal geschreven voor Andres Segovia.

Segovia speelt het Gitaarconcert No.1 in D majeur, Op. 99; live opname uit 1939:

Het was begin jaren dertig van de vorige eeuw dat de componist zijn ‘Joodse roots’ is gaan ontdekken, iets wat versterkt werd door het opkomend fascisme en de rassenwetten. Zijn muziek werd niet meer uitgevoerd. Geholpen door Arturo Toscanini heeft Castelnuovo-Tedesco, samen met zijn gezin vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog Italië weten te verlaten

Zoals de meeste Joodse componisten die Europa ontvluchtten belandde ook Castelnuovo-Tedesco in Hollywood. Waar hij dankzij Jascha Heifetz door Metro-Goldwyn-Mayer werd aangesteld als componist van filmmuziek.

Op speciale verzoek van Rita Hayworth componeerde hij muziek voor de film The Loves of Carmen met Hayworth en Glenn Ford. Hieronder de dansscène uit de film:

In die tijd componeerde Castelnuovo-Tedesco ook nieuwe opera’s en vocale werken geïnspireerd door Amerikaanse poëzie, Joodse liturgie en de Bijbel: Amerika bood hem mogelijkheden om zijn Italiaanse muzikale erfenis en zijn Joodse spiritualiteit te verdiepen en te ontwikkelen. Hij droomde ervan zijn Sacred Service “once in the synagogues of Florence” te horen. De première vond plaats in 1950, in de New Yorkse Park Avenue Synagogue.


Uit 1956 dateert de opera Il mercante di Venezia naar Shakespeare’s The Merchant of Venice (Castelnuovo-Tedesco was een grote Shakespeare liefhebber) werd in 1961 uitgevoerd tijdens Maggio Musicale in Florence. Franco Capuana dirigeerde en de hoofdrollen werden gezongen Renato Capecchi (Shylock) en Rosanna Carteri (Portia). De voorstelling werd opgedragen aan Arturo Toscanini

In 1966 componeerde hij The Divan of Moses Ibn Ezra. Het is een setting van negentien gedichten van Rabbi Moses ben Jacob Jacob ibn Ezra, ook bekend als Ha-Sallaḥ (‘schrijver van boetvaardige gebeden’).

Ibn Ezra werd geboren in Granada rond 1055 – 1060, en overleed na 1138 en hij wordt beschouwd als één van de grootste dichters van Spanje. Die ook nog eens een enorme invloed op de Arabische literatuur heeft gehad. Castelnuovo-Tedesco componeerde de ‘divans’ (gedichten) op de moderne Engelse vertaling

Roberta Alexander zingt The Divan of Moses Ibn Ezra

Channa Malkin en Izhar Elias in ‘Fate has blocked the way’:

Zijn celloconcerto schreef de componist voor Gregor Piatigorsky, de première vond plaats in 1935, Arturo Toscanini dirigeerde het New York Philharmonic. En dat was het dan. Sindsdien werd het concerto totaal vergeten, tachtig jaar lang. Totdat Raphael Wallfisch zich daarover ontfermde

Raphael Wallfisch speelt het Allegro Moderato uit het celloconcert van Castelnuovo-Tedesco

Na de Tweede Wereldoorlog werd Castelnuovo-Tedesco, net als meerdere Joodse componisten die noodgedwongen moesten vluchten en hun heil haddenn gezocht in Hollywood beschuldigd van conservatisme en sentimentaliteit. Dat hij in veel van zijn werken geïnspireerd  werd door De Spaanse folklore werd hem evenmin niet in dank afgenomen.

Castelnuovo-Tedesco:

“Ik heb in mijn leven veel melodieën voor zangstem geschreven en er 150 van uitgegeven (in mijn la bleef veel liggen) op teksten in alle talen die ik ken: Italiaans, Frans, Engels, Duits, Spaans en Latijn. Mijn ambitie en sterker nog, mijn diepe drijfveer is altijd geweest om mijn muziek te verenigen met poëtische teksten die mijn belangstelling en gevoel prikkelden, om de lyriek ervan tot uitdrukking te brengen”.

In 2019 werd zijn biografie verfilmd in de film Maestro. Hieronder de trailer:

Officiëele website van Mario Castelnuovo-Tedesco:

https://mariocastelnuovotedesco.com/

Ein Stern fällt vom Himmel: the short life of Joseph Schmidt


On 16 November 1942, Joseph Schmidt died, only 38 years old. On his grave is written, “Ein Stern fällt”, a reference to one of his most successful films.

The whole film:



Schmidt was born on 4 March 1904 in the village of Davydivka in the Duchy of Bukovina (today Ukraine), which was then part of Austria-Hungary. He was blessed with a beautiful tenor voice and soon he was singing in the synagogue of Czernovitz where his family had moved after the First World War.

Below, Schmidt sings ‘Ano Avdoh’, an Aramaic prayer (1934 recording)

In 1924, he moved to Berlin, dreaming of a career as an actor. And dreaming of the opera. Unfortunately, his short height (Schmidt was only 1.54m) stood in the way of his dream. At his many auditions, his voice was considered exceptional, but his height… Luckily for him, a new medium was discovered at that time: the radio.



In 1929, Schmidt made his debut as Vasco da Gama in Meyerbeers L’Africaine on Berlin’s Rundfunk

The success that followed is indescribable: Schmidt became a world star. In total, he sang in 37 operas, including many Mozart and, mainly, Verdi.

Below, Schmidt sings ‘Di quella pira’ from Il Trovatore:

In May 1933, his first film, Ein Lied geht um die Welt, premiered with great success

But already in February 1933, Schmidt performed for a German broadcasting company for the last time. One week later, he was denied access to the studios. In December of that year, he moved to Vienna, where his film career really took off.



In 1937, he made his debut at Carnegie Hall in New York

https://www.youtube.com/watch?v=qc22f6Oh3wI


His success was immense. He performed with the greatest singer-actors of the time, Maria Jeritza, Grace Moore to name but a few.



Joseph Schmidt and Grace Moore in La Bohème



In those days, he earned 3000 dollars for just a few minutes of his singing. Why did he go back to Vienna? What possessed him? Was he so naive that he did not believe what was coming? Did he really think that his fame and stardom would protect him? Or was it just homesickness? Who knows?

After the Anschluss, he fled to Belgium. There his greatest dream came true, a performance on the operatic stage; he sang Rodolfo in La Bohème. Could that be the reason for not fleeing when it was still possible?

He had a particularly warm place in his heart for the Netherlands, where he first performed for Vara Radio in 1936 (he sang in Verdi’s I Masnadieri).


And he also sang in Dutch!



In 1940 he fled to Paris and then to the South of France. From there, he made unsuccessful attempts to reach America. Alas. Now desperate, he tried to go to Switzerland, which he finally managed to reach in the night of 7 to 8 March 1942. Less than three years before, he had celebrated triumphs as a world star there; now he was locked up in an internment camp. He contracted pneumonia and developed a heart condition. Totally penniless, not making any money and unable to pay for a good doctor, he was admitted to a hospital. After two weeks he was discharged there, his medical state was not taken seriously at all.



Two days later he died, 38 years old. He was buried in the Jewish cemetery. On his grave is written: “Ein Stern fällt”, Joseph Schmidt – “Kammersänger”

The grave of Joseph Schmidt at the Israelite Cemetery Unterer Friesenberg in District 3 of Zurich-Wiedikon, Switzerland. – Photo: Jakob Vetsch, 24 May 2010.

Joseph Schmidt zum 50. Todestag (ORF 1992):

Chamber works by Paul Ben-Haim

ben-haim

Slowly, much too slowly and actually much too late, but the music world is waking up.
One gap after another is finally being filled and the (consciously or unconsciously) ‘forgotten’ composers are at long last coming to our CD players.

Paul Ben-Haim's Evocation: what a discovery | Basia con fuoco
Paul Ben-Haim

Who among you has ever heard of Paul Ben-Haim? If not, why not?
The composer was born as Paul Frankenburger in Munich in 1897 and died in Tel Aviv almost 90 years later. And he left behind a really spectacular oeuvre.

Many vocal works, orchestral pieces, chamber music…. What not, actually?
Most of his works are influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arab melodies, so you may call his music “nationalistic”. Nothing wrong with that word.

Just take the opening of his 1941 clarinet quintet! The dancing clarinet part reminds one of swinging klezmer, but in a Brahmsian way.

The ARC Ensemble perform the opening movement of Paul Ben-Haim’s Clarinet Quintet at the Enav Center, Tel Aviv:

This is even more pronounced in his “Two Landscapes” for viola and piano, in which he sings the praises of his new homeland’s beauty.

Steven Dann and Dianne Werner prepare to record The Landscapes for viola and piano:



The “Improvisation and Dance”, dedicated to Zino Francescati, betrays influences from Yemeni folklore and only his oldest work on the CD, the Piano Quartet from 1920, does not yet have its own “face”.

The (very infectious playing!) members of the Canadian ARC Ensemble all work at the Glenn Gould Conservatory in daily life. A CD to cherish.

Paul Ben-Haim
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769