Month: maart 2025

Over ongelovigen en het bedrog: Meyerbeers Il crociato in Egitto

Tekst: Peter Franken

Set design for act 1, scene 3, La Scala, Milan (1826) by Alessandro Sanquirico

Het label Dynamic scoort al jaren hoge ogen waar het gaat om de uitgave van onbekende opera’s die ooit succesvol zijn geweest. Il crociato in Egitto, een in vergetelheid geraakt werk uit 1823, past prima in die rij die door vele liefhebbers wordt gekoesterd.

Decorat (1824) de Francesco Bagnara pour Il crociato in Egitto (Acte II, escena 4)

Wie zegt Meyerbeer zegt  Grand Opéra, althans zo verging het mij tot ik op dit relatief vroege werk stuitte dat de afsluiting vormt van Meyerbeers Italiaanse periode. Il crociato in Egitto leunt muzikaal op de barok waar het eindeloze aria’s met een overmaat aan volstrekt onnodige coloraturen betreft. De opera verscheen echter in de periode dat Rossini met zijn historische opera’s Maometto Secondo en Semiramide kwam. En in die trend past Meyerbeers creatie perfect waar het gaat om de overige muzikale aspecten en vooral ook de keuze van het onderwerp.

De opera bestaat uit twee aktes en verhaalt over het wel en wee van kruisvaarders en hun eeuwige tegenstrevers de Mohammedanen, twee partijen die elkaar ‘infidels’ plegen te noemen. Uiteraard zit er wel een stukje persoonlijk drama in maar daarmee voldoet het libretto nog lang niet aan het formaat van de grand opéra, het genre waaraan Meyerbeer zijn blijvende roem dankt. Al was het maar omdat het verplichte grote ballet ontbreekt en dat het goed afloopt met het liefdespaar.

Centraal staat het personage Elmireno, een kruisridder waarvan wordt aangenomen dat hij in de strijd tegen sultan Aladino op de kust voor Damietta is gesneuveld. Hij was echter niet dood en heeft zich op wonderbaarlijke wijze weten in te dringen in die vijandelijke omgeving en is als een soort Mozes de favoriet en belangrijkste legeraanvoerder van de sultan geworden. Die ziet hem als zijn zoon en hij is voorbestemd Aladino op te volgen. Uiteraard zal hij dan trouwen met diens dochter Palmide.

Dat huwelijk liet zo lang op zich wachten dat Elmireno en Palmide er alvast een voorschot op hebben genomen. Ze zijn in het geheim getrouwd volgens de christelijke rite en hebben een zoontje van een jaar of drie dat buiten het oog van de wereld in de harem leeft en door alle vrouwen wordt gekoesterd.

Engraved portrait showing the singer Signor Velluti as Armando in Il Crociato in Egitto (The Crusader in Egypt), by Giacomo Meyerbeer (1791– 1864) , with a libretto by Gaetano Rossi (1774 – 1855), ca.1828. Harry Beard Collection.

Elmireno is in werkelijkheid Armando d’Orville, de favoriete neef van Adriano di Montfort,  het hoofd van de Ridders van Rhodos en voorbestemd hem op te volgen. Hij heeft voor hij uit de Provence vertrok een trouwbelofte gedaan aan zijn geliefde Felicia. Die heeft zich inmiddels bij Adriano in Rhodos gemeld en gaat gekleed als kruisridder.

Als Adriano zich met een gevolg van kruisridders waaronder Felicia meldt in Damietta voor een vredesmissie zijn de rapen gaar voor Elmireno alias Armando. Hij heeft zo ongeveer alles en iedereen bedrogen: de sultan Aladino, diens dochter Palmide, zijn verloofde Felicia en zijn oom Adriano. Verder leeft hij als moslim in het paleis van de sultan en is dus in de ogen van de kruisridders ook nog eens een afvallige.

Dat is geen situatie waaruit iemand zich op eigen kracht kan bevrijden. De enige mogelijkheid is om ’eervol’ zelfmoord te plegen of hopen dat zowel Aladino als Adriano hem opnieuw in genade aannemen, iets dat volledig tegenstrijdig is maar uiteindelijk na veel verwikkelingen en eindeloos durende aria’s toch gebeurt. De opera duurt in totaal ruim 200 minuten en gaat goed beschouwd nauwelijks ergens over. Maar muzikaal zijn er mooie momenten en in twee sessies op achtereenvolgende dagen is het beslist een aardige tijdbesteding de dvd’s eens af te spelen.

De opname komt uit 2007 en is gemaakt in Teatro la Fenice in Venetië. Het is een productie van Pier Luigi Pizzi die behalve voor de regie ook verantwoordelijk was voor de kostuums en de decors. Het ziet er smaakvol uit en Pizzi weet uit de schaarse handelingsmomenten nog wel de nodige actie te destilleren. Het blijft natuurlijk vreemd dat twee groepen elkaar met de dood bedreigen en dan gewoon het toneel aflopen zonder dat er iets gebeurt.

Elmireno wordt gezongen door ‘male soprano’ Michael Maniaci, uitstekend gedaan maar ik hou er niet van, zo’n kerel die een hoge stem opzet. Naar verluidt stond Meyerbeer op deze casting en was hij not pleased toen de rol bij een herneming werd gezongen door een tenor.

Degene die het meeste baat heeft bij de keuze van de componist is Adriano d Montfort. Die rol is nu de belangrijkste tenor partij en Fernando Portari maakt er iets moois van.

De rol van sultan Aladino is natuurlijk een bas. Hij heeft een klein groepje kruisvaarders in zijn macht en kan beschikken over leven en dood. Verder is hij een Mohammedaan en dus van de tegenpartij in de ogen van het 19e eeuwse publiek. Marco Vinco overtuigt door zijn zang en de boze blik die hij alles en iedereen toewerpt. Het libretto geeft hem nauwelijks ruimte om te acteren, daar moeten we het dus maar mee doen.

En dan de vrouwen. Coloratuursopraan Patrizia Ciofi is in haar element in de rol van de bedrogen Palmide maar mijn voorkeur gaat uit naar mezzo Laura Polverelli en niet alleen omdat ze zo’n mooie naam heeft. Ze weet vrij goed raad met de coloraturen waarmee Meyerbeer ook Felicia heeft opgezadeld maar overtuigt vooral in de rest van haar optreden. Ook acterend is haar nog wel het een en ander vergund, haar personage laat zelfs enige ontwikkeling zien.

De overige rollen zijn goed bezet, vooral die van Osmino die ook een oogje heeft op Padina, gezongen door tenor Iorio Zennaro. Koor en orkest van La Fenice staan onder leiding van Emmanuel Villaume.

Drie versies van Il crociato in Egitto

Waarom wordt Maometto secondo niet vaker uitgevoerd? | Basia con fuoco

Rossini’s Semiramide in Antwerpen 2010: waar de opera niet over gaat | Basia con fuoco

About Norman Treigle: one of the world’s leading specialists in roles that evoked villainy and terror

Norman Treigle as RevOlin Blitch in Susannah by Carlison Floyd

Norman Treigle, one of the greatest American bass-baritones was born in New Orleans March 6, 1927. In 1953 he joined the New York City Opera, making his debut there in March 1953, as Colline in La Boheme. Three years later, he scored his first great success, in the New York premiere of Floyd’s Susannah, as the Reverend Olin Blitch. In 1958, he made his European debut in this opera, at the Brussels World’s Fair.

In the fall of 1974, he made his Covent Garden debut, in Faust.



Treigle was acclaimed as one of the world’s greatest singing-actors, specialising in roles that evoked villainy and terror. Perhaps his finest roles were in Faust, Carmen, Susannah, Les contes d’Hoffmann and Mefistofele

Mefistofele

There have been several famous performers of the role: Chaliapin, for instance, who made his European debut with it (La Scala, 1901) and his American debut six years later. Or the two great basses from Bulgaria: Boris Christoff and Nikolai Ghiaurov. And yet, none left as much of a mark on the role as Norman Treigle.




The American bass, who died young (he died of an overdose of sleeping pills in 1975, not yet 48 years old), was a star at New York City Opera, and the production of Boito’s opera was created especially for him in the 1960s-’70s – this to exploit his enormous talent.




In 1973 he was also allowed to record the role in the studio under the direction of Julius Rudel, the same maestro who accompanied him at the NYCO . That the two were well matched can be heard right from the first notes of ˜Ave, Signor”, there is no mistaking it. A duet of the singer with his conductor, with the orchestra serving as a natural backdrop, a very rare experience.

˜Son lo spirito che nega”, a devilish Credo (was Boito maybe a little more involved in ‘Otello’ than is now known?), evokes reminiscences of Iago, a human devil from another opera. Treigle does not sing a devil, no; he is a devil, a chilling reincarnation of the evil genius.


Treigle sings “Ecco il monde” recorded live in 1969

For the roles of Faust and Margherita, the then very young but already world-famous singers were engaged: Montserrat Caballe and Plácido Domingo. Caballe’s Margherita is innocence itself, but with the requisite ‘spunk’. A virgin still, yet already a woman of flesh and blood. From her, you believe it, she will have done anything to spend a night with her lover. And in her madness, she moves with her colouratures – pianissimo, pianissimo, and oh so heartbreaking. Domingo’s Faust is still young and naive, he is deluded, but also enjoys it. His love for Margherita is genuine, but just as genuine is his admiration for the beautiful Helen of Troy

Roberta Alexander at her most touching

In 1998, Roberta Alexander had already been exclusively associated with the Dutch label Et’cetera for 15 years and this had to be celebrated lavishly. This, of course, also included a nice present. A present for Roberta, but also (or mainly) for us, the music lovers and her big fans.

The idea behind the CD came from Alexander herself. She collected songs that her mother, also Roberta Alexander and herself a celebrated singer, used to sing at her recitals. The daughter faced an almost impossible task: which songs to include and which not? No, not easy.

Most of the songs belong to the ˜lighter genre”: encores, spirituals and arrangements of folk songs, and most of the composers, except a few, were virtually unknown at the time. The biggest surprise for me was Richard Hageman. Born in Leeuwarden (Netherlands) he achieved great success in America as a composer (his opera Caponsacchi was performed at the Metropolitan Opera in New York in 1937), conductor and accompanist. His composition ˜Do not go, my love” on a poem by Rabindranath Tagore, is among the very best songs on this CD, and all of them are beautiful!



Actually, you should listen to this CD on your own (or with your lover), with a lit candle, a glass of red wine in your hand and your eyes closed. Roberta Alexander creates a very intimate atmosphere, she sings with restrained emotion. Moving.

Brian Masuda, her partner on the piano, joins in, leaving the listener simply spellbound. This CD can go with you to a desert island.

Because it was an anniversary, Et’cetera added another present: a CD with the highlights of the singer’s collaboration with her label: Roberta Alexander … a retrospective.





In the 15 years Roberta Alexander worked with Klaas Posthuma, who died in 2001, she recorded no fewer than 12 recitals for the company Et’Cetera, which he founded, including the one with songs by Leonard Bernstein.


It was recorded back in 1986, but almost 20 years later, in 2004, it experienced its second youth, as it was then re-released by Et’cetera as a tribute to its founder. Whatever the reason: most importantly, the CD was finally available in the shops again, because it is truly a wonderful recital.


I don’t know what the reason is (too American?), but Bernstein’s songs are still too little performed and too little recorded. A pity! They are witty and beautiful, and, if performed well and with a sense of rhythm and humour, – but isn’t that true of everything? – they give the listener tremendous pleasure.


Roberta Alexander possesses a lyrical soprano with a well- grounded core and a high dose of drama, which once made her exceptionally suited to roles such as Vitellia in La Clemenze di Tito, Elvira in Don Giovanni and Jenůfa. She had  previously shown her affinity with