Month: maart 2022

Euridice en Orpheus’ Liebestod

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Een Edward Hopper-achtig beeld.
Een vrouw en een man achter een raam. Het blijkt een treinraam te zijn. De man en de vrouw stellen zich voor als Euridice en Orpheus, hier Orphée geheten. Orphée wordt verliefd op Euridice, moeten we op grond van de tekst aannemen. Euridice vertelt dat ze al vele liefdes heeft gekend, telkens verloor een andere De Ware.

I

n het restauratierijtuig is er een ober en komen een conducteur en een popster langs, telkens dezelfde figuur. Euridice zegt ze te herkennen van vroeger. In de tweede acte zal diezelfde figuur ook de rol van Pluto vertolken, god van de onderwereld. Een medepassagier volgt de conducteur, een vrouw die in de tweede acte Proserpina geweest blijkt te zijn, Pluto’s echtgenote.

De conducteur controleert of Euridice en Orfeo kaartjes voor de juiste richting hebben. Orphée wil terug, maar er zijn geen verdere tussenstops. Het blijkt de trein naar Euridice’s eindbestemming te zijn, in het dodenrijk.

Orphée wordt tijdens de reis verliefd op Euridice, wat Euridice ertoe zou kunnen bewegen met hem terug te keren. Maar Euridice kan de herinnering aan eerdere geliefden niet opgeven, eerdere geliefden die nu medereizigers blijken te zijn, verschillende gedaanten van ‘De Ware’, die eigenlijk gedaanten van Pluto, de Dood, zullen blijken te zijn.

Orphée probeert haar ervan te overtuigen dat ze de muziek misschien nog niet goed genoeg kent. De poëzie, het woord, heeft ze al wel gekend. Orphée is echter degene die ook in haar ogen de volmaaktste van de kunsten voorstelt, de muziek, die het ook zonder de poëzie, het woord, kan stellen.

Orphée is in Manfred Trojahns nieuwe opera weliswaar een zanger, maar de essentie van de muziek ligt veel meer in de klank, een soort harmonie uit Plato’s sferen, een Ferne Klang, waarover Schreker het al eens had. Die klank geeft Trojahn magistraal gestalte. Om dat allemaal duidelijk te maen heeft Trojahn in zijn zelfgeschreven libretto wel veel woorden nodig.

Er wordt ook niet echt duidelijk gemaakt waarop Euridice’s doodsverlangen berust. Is het een algemeen menselijk doodsverlangen dat bij het publiek bekend wordt verondersteld?

Evenmin wordt duidelijk hoe Orphée verliefd wordt op haar. In dit opzicht druist het hyperrealistisch toneelbeeld in tegen de Jungiaanse allegorieën die Trojahn aan het verhaal ten grondslag laat liggen.

Maar dat hyperrealistisch toneelbeeld was wel overweldigend mooi. Ingenieus werden decorstukken rondgedraaid en even ingenieus waren de videoprojecties van vaag zichtbare objecten buiten de voortrazende trein.

Aan het eind van de eerste acte verandert het beeld in een zwart landschap, met de contouren van een aan de kade liggende boot.  Even komt de realiteit binnen van de wereld buiten het operagebouw, een geblakerde haven, donkere schimmen van vertrekkende mensen; de oorlog, waarvoor voorafgaand aan de voorstelling één minuut stilte werd gehouden.   

In de tweede acte zien we die boot ronddobberen in een duister moeraslandschap. Euridice is dan al aan de overkant aangekomen. Orphée wil haar volgen, maar wordt tegengehouden door onderwereldgod Pluto’s echtgenote Proserpina, die zich, als een sirene, aan Orphée vastklampt, in de behoefte herinnerd te worden aan menselijke warmte; ze was immers ooit een aardse sterveling, die naar de onderwereld werd ontvoerd door Pluto.

Maar Orphée wijst haar af. Daarmee heeft hij een test doorstaan. Een test die Trojahn toevoegt aan de test die Orpheus later in de oorspronkelijke mythe moet doorstaan, als hij Euridice mee mag nemen op voorwaarde dat hij niet omkijkt.

Ook bij Trojahn krijgt Orphée toestemming van het godenpaar om Euridice mee te nemen naar de wereld van de levenden. Maar aan die tweede test komt Orphée bij Trojahn niet toe, want Euridice wil opnieuw niet met hem mee terug. In het slotbeeld zien we Orphée neerzijgen aan de voeten van een fier overeind staande, helwit verlichte Euridice. De Trojahnse Liebestod.

De muziek is zoals gezegd prachtig atmosferisch, post-Lulu, –Die Soldaten en –Lear, en Trojahns eigen Orest, met net als in Lulu ook grootste lyrische momenten. Niet dat je anders dan bij Wagner tot en met Lulu veel houvast aan de muziek hebt om wat de tekst wil vertellen te volgen. Maar schitterend zijn de klanken wel. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt fenomenaal, met veel precisie geleid door Erik Nielsen, die de muziek laten klinken alsof die allemaal vanzelf oprijst uit de orkestbak.

Regisseur Pierre Audi laat zijn uitbeelding van de onderwereld aansluiten bij zijn eerdere enscenering van Monteverdi’s L’Orfeo. Als Orphée ronddoolt in de onderwereld laat Audi hetzelfde soort water zien als waar Charon in zijn Monteverdi-enscenering erover waakt dat geen ongewenste vreemdeling de onderwereld binnendringt. Deze keer zien we echter niet een drijvende stam van een omgehakte boom zoals toen, maar een roestige boot, en Trojahn voert niet eerst Charon, maar meteen Pluto zelf ten tonele, die zelf vreemdelingen moet weren terwijl hij probeert de boot op koers te houden. Voorafgaand aan het eerder genoemde Liebestod-slot moeten we ook bij deze boot aan Wagners Tristan denken.

De personages blijven een groot deel van de tijd op afstand van elkaar, regisseur Pierre Audi’s handelsmerk, om de wezenlijke eenzaamheid van de personages aan te duiden. De enige drie momenten van werkelijke fysieke toenadering in de personenregie zijn een poging in de eerste acte van Orphée jegens Euridice, in een poging om haar, bijna onder dwang, mee terug te krijgen; spiegelt dit de manier waar Pluto ooit Proserpina mee naar de onderwereld sleurde?

Euridice probeert zich vervolgens vast klampen aan het beeld van haar rockster/playboy-achtige derde oude geliefde in de eerste acte. En Proserpina probeert Orphée te overweldigen als zij hem aan boord haalt van Pluto’s schip. En er is een aanraking in het slotbeeld, als Orphée aan Euridices voeten dood ineenzinkt. Altijd liefde in de dood. Liefde blijkt niet zonder de dood te kunnen, zegt Trojahn in deze opera.

Maar ja, zoals gezegd is het libretto met al haar boodschappen toch een beetje schematisch. Trojahn zegt ergens dat hij de uit de vele eerdere dramatische verklankingen van de mythe onderhand overbekende personages humaner wilde maken. Ik kan niet anders constateren dat enkele zijn belangrijkste voorgangers de overgang van mens van vlees en bloed naar de dood beter lieten zien. Allereerst Monteverdi, ten tweede Von Gluck, en ten derde, ook als het vooral om Euridice moet gaan Caccini in diens L’Euridice (een ideaal werk voor Pierre Audi). En dan ook op een nog weer andere manier Offenbach in Orphée dans l’Enfer.

Over de zangers kan ik kort zijn: monumentaal. Het viertal zangers staat in razend moeilijke vocale partijen zonder veel melodische houvast een groot deel van de duur van de opera op het toneel. Orphée van Andrè Schuen kreeg het luidste applaus van het publiek, maar de Eurydice gezongen door Julia Kleiter leek me een nog veeleisender rol, die ze er indrukwekkend van af bracht.  

Eurydice, Die Liebenden, Blind.
Libretto en compositie: Manfred Trojahn.
Muzikale leiding: Erik Nielsen
Regie Pierre Audi; decor en kostuums Christof Hetzer: licht Jean Kalman; video Chris Kondek.

Eurydice; Julia Kleiter, Orphée: Andrè Schuen, Pluton: Thomas Oliemans, Proserpine: Katia Ledoux.

Foto’s © Ruth Waltz.

Wereldpremière 05 maart 2022 Nationale Opera & Ballet Amsterdam

Aida in Essen en Londen

TEKST PETER FRANKEN

In 1996 was ik in het Aalto Theater in Essen voor de Aida van Dietrich Hilsdorf. Deze regisseur had ook toen al een voorkeur voor het benadrukken van het intieme karakter van de opera’s die hij onder handen nam. Hij maakte als het ware overal een Kammerstück van. In zijn Aida speelt zich de handeling vooral af aan een soort keukentafel op een verder leeg toneel.

Om plaats te maken voor de triomfmars wordt het koor op de zijbalkons geplaats, samen met de koperblazers. Op het toneel een processie van oorlogsslachtoffers en een ballet act van twee danseressen die tevoorschijn komen uit overmaatse rieten korven aan weerszijden van het leeggemaakte toneel.

Een voice over roept met geknepen stem, vooroorlogs radiogeluid, af wat er zoal te zien is op het toneel: de vrouwen en kinderen van de gesneuvelde soldaten, de gewonden, de overwonnen vijanden, de Memphis Twins. Het geheel doet sterk denken aan de sfeer in Pasolini’s film Porcile. Deze oude productie heeft cultstatus in Essen en werd in 2019 nog maar weer eens hernomen.

Op het label Opus Arte werd in 2008 de opname op dvd uitgebracht van een voorstelling uit 1994 in de Royal Opera. Het betrof een productie van Elijah Moshinsky waarvan het toneelbeeld vooral wordt bepaald door de eclectische decors en kostuums van Michael Yeargan. Het is een bont geheel dat een beetje het midden houdt tussen Ben Hur en een carnavalsoptocht.

Cheryl Studer vertolkt de titelrol en Alexandru Agache die van haar vader Amonasro. Opmerkelijk genoeg zijn beiden bruin geschminkt om maar vooral te benadrukken dat ze uit zwart Afrika komen, immers Ethiopië. Anno 1994 zou je zoiets toch niet meer verwachten.

Na Don Carlos met de Infante tussen Elisabetta en Eboli is ook hier sprake van een man die begeerd wordt door twee vrouwen. Vrijwel altijd is het omgekeerd, een sopraan tussen een tenor en een bariton. Voor de afloop maakt het niet uit, alles gaat sowieso mis.

Maar kijken we naar Aida dan zien we binnen deze opzet een tweede plot die aan het gebruikelijke format voldoet: Aida tussen Radames en haar vader. Daarmee zijn we op vertrouwd terrein, denk aan Violetta en de twee Germonts.

Aida laat zich bepraten door haar vader en verraadt haar geliefde, alle protesten van het tegendeel ten spijt. En eerder al heeft ze hem in de waan gelaten dat Amonasro weliswaar haar vader is maar dat de koning is gesneuveld. Daarmee heeft Radames met zijn smeekbede aan de farao de pest in huis gehaald. Die twee Ethiopiërs Aida en Amonasro staan er gekleurd op, figuurlijk dan.

Vaderlandsliefde is voor de liefde tussen twee mensen de dood in de pot, zo blijkt maar weer eens. Alleen Amneris is recht door zee, ze doet alles om Radames in te palmen en windt daar geen doekjes om. Je weet steeds precies wat je aan haar hebt. Hogepriester Ramfis is degene die achteraf het gelijk aan zijn zijde krijgt en dan ook niet aarzelt Radames ter dood te veroordelen. Die man heeft landverraad gepleegd en is niet te vertrouwen.

Dat de gevluchte Aida stilletjes is teruggekeerd om samen met Radames de dood in te gaan is niet meer dan een goedmakertje naar het publiek. We moeten haar immers niet te hard vallen, het was allemaal de schuld van haar vader, en van de oorlog natuurlijk.

Robert Lloyd is een uitstekende Ramfis, betrouwbaar als altijd. Agache geeft een mooie vertolking van Amonasro. Het duet met Aida dat de rampzalige afloop inluidt komt prachtig over het voetlicht.

Studer zingt ‘O patria mia’:

Studer is hier toch al niet meer de sopraan die ruim tien jaar lang de successen aaneen reeg. Niet overal die vanzelfsprekende zuiverheid in de hoogte, in het middenregister wat weinig volume. Na haar aria ‘Ritorna vincitor’ blijft het opvallend stil in de zaal. Later komt ze beter op dreef en in het genoemde duet geeft ze haar vader prachtig tegenspel.

De Radames van Dennis O’Neill is heel behoorlijk maar niet geweldig. Je zou hem de tenor van dienst kunnen noemen,

De Amneris van Luciana d’Intino bevalt mij, en het publiek, het meeste. Tijdens de nazit in de bus waarmee de Vrienden van de Opera in 1996 de Aida in Essen bezochten formuleerde Fred Lingen het aldus: ‘Aida dient op maar Amneris ruimt af’. Ze heeft feitelijk het laatste woord met haar monoloog in de vierde akte. De laatste scène met Radames en Aida in de tombe is niet meer dan een afterthought.

Edward Downes heeft de muzikale leiding.

Aida compleet, helaas in zwart-wit

 Benjamin Grosvenor revitalizes Chopin

Benjamin Grosvenor: “The annoying thing about these times is that musicians are exposed to a lot of fixed traditions and views. I have to be aware of history, but it needs to be translated to the present”. He proves that this is possible with his recording of Chopin’s piano concertos.

The concertos are extremely popular: the catalogue lists dozens (if not more) of good and even excellent performances. Is there anything still lacking? Evidently. The young Englishman, who won the BBC Young Musician Competition in 2004 at the age of 11, shows that he is not very interested in technique as such- there is nothing wrong with that  –  but all the more in the story behind the notes.

Grosvenor talks about his relationship with Chopin’s concerto’s:





I don’t know exactly how he does it, but his playing makes me feel as if I am hearing the concerts for the first time, while I actually know them by heart. He does not shy away from grand gestures, thank goodness!, and yet his playing has a chamber music-like quality. It is as if he feels- intuitively? – that even the most romantic music may be benefited by holding back, even if only now and then. I read somewhere that he shared his bedroom with his little brother with Down’s syndrome for a long time: could this make him extra sensitive? Pure speculation, of course.

The Royal Scottish National Orchestra under the baton of Elim Chan has a congenial feel for the pianist’s interpretation: together they form a unity that is watertight. The recording sounds excellent.





FRYDERYK CHOPIN
Piano Concertos
Benjamin Grosvenor (piano)
Royal Scottish National Orchestra conducted by Elim Chan
Decca 485036